RV2021-090 Bijlage 5_rapportage_deel1-2-3.pdf
Tekst van het document
Mogelijk hebben er ook redoutes (kleine schansen) op de Diefdijk gelegen. Tijdens het Rampjaar 1672 en het jaar dat daarop volgde, werd een geïmproviseerde waterlinie aangelegd tussen de Zuiderzee en Gorinchem : de Oude Hollandse Waterlinie. Tussen Lek en Waal kon het gebi ed ten westen van de Diefdijk worden
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[54]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
geïnundeerd. Mogelijk hebben er redoutes gelegen op en langs de Meerdijk tussen het huidige Fort Asperen en de Diefdijk. De locaties hiervan zijn echter onbekend. 58 Nieuwe Hollandse Waterlinie (19e eeuw tot 1939) Gedurende de 18e eeuw waren er verscheidene plannen om een nieuwe waterlinie aan te leggen om zo het economische hart van de Republiek veilig te stellen. Na de val van Napoleon werd door koning Willem I in 1815 opdracht gegeven het plan uit te voeren. Het plan om vatte een waterlinie geflankeerd door forten die van de Zuiderzee tot de Biesbosch zou lopen. De waterlinie werd in 1870 voltooid. Tot de meest zichtbare onderdelen van de linie behoorden de forten. Minder opvallende elementen, zoals sluizen, dijken, sloten en kanalen, waren essentiële onderdelen. Nog minder zichtbaar waren de inundatievlaktes. Binnen de gemeente Geldermalsen liggen twee forten en werken: het Werk op de spoordijk bij de Diefdijk en de oostelijke helft van Fort Asperen. Het Werk op de spoord ijk bij de Diefdijk werd in 1880 gebouwd ter verdediging van de spoorweg Leerdam-Geldermalsen (figuur 30). 59 Het schootsveld besloeg de oostelijke helft van de omgeving van het fort. Fort Asperen bestond uit twee forten: op de west- en oostoever van de Linge.
60 Het fort van de eerste klasse werd in de periode 1845-1847 aangelegd en had de functie de Linge-acces en de achterliggende waaiersluizen in de Linge af te sluiten. Het schootsveld van het westelijke fort bestreek de Zuidelijke Lingedijk. Het schootsveld van het oostelijke fort de noordelijke Lingedijk (Langedijk) tot vlak ten westen van Acquoy.
58
Van Hemmen e.a. 2007: 55 en 66 Van Hemmen e.a. 2007: 66 60 Van Hemmen e.a. 2007: 74 59
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[55]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 30. Het Werk aan den Diefdijk, net ten oosten van de plaats waar de spoordijk de Diefdijk kruiste (foto: RAAP / S. van der Veen).
Om een vrij schootsveld te garanderen golden er restricties rondom de belangrijkste verdedigingswerken. Deze restricties werden in 1853 vastgelegd in de Kringenwet. Ze hadden beperking op het gebied tussen de buitengrenzen van het fort (nullijn) en de verb oden kringen (lijnen op afstand van de nullijn). Binnen deze kringen was het verboden om zonder toestemming van het Ministerie van Oorlog “te bouwen, houtgewassen te planten of eenig werk te maken.” 61 Om elk belangrijk vestingwerk lagen drie verboden kringen: op 300 m, 600 m en 1.000 m. 62 Binnen de kleinste kring was het verboden om zonder toestemming bouwwerken of houtgewassen te plaatsen. Binnen de middelste kring mocht alleen tot 50 cm boven maaiveld in steen worden gebouwd. De opbouw moest uit verbrandbaar materiaal bestaan. In de buitenste kring mocht wel in steen worden gebouwd, maar bij oorlogsdreiging konden deze bouwwerken worden gesloopt. Om het land binnen de waterlinie te inunderen, waren van noord naar zuid acht inundatiekommen ingericht. Tussen Lek en Linge lag ‘kom I bezuiden de Lek (Z1)’; tussen de Linge en de Waal lag ‘kom II bezuiden de Lek (Z2)’. 63 Deze kommen waren weer verdeeld in kleinere eenheden die werden begrensd door kades en dijken van de dorpspolders. De inundatiekommen binnen de gem eente Geldermalsen konden door het water uit de Lek, via de kom van Everdingen , worden geïnundeerd.
Daarnaast konden de kommen worden geïnundeerd door middel van water uit de Lek dat via de Linge werd binnengelaten (figuur 31).
61
Kringenwet 1853, artikel 1 In de Kringenwet 1853 worden de maten in ellen genoemd. Een el was destijds, volgens het metrieke stelsel, gelijk aan een meter. 63 Brons & Colenbrander 2009 62
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[56]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 31. Kaart van de te inunderen gebieden van inundatiestation Asperen (bron: Nationaal Archief).
Tot in de tweede helft van de 19e eeuw werden de inundati ekommen gevuld zonder de hulp van inundatiekanalen. Hierdoor kon het drie weken duren voor een kom gevuld was. Om het tempo van de troepenverplaatsing van de vijand bij te kunnen benen, werden inundatiekanalen gegraven. Binnen de binnenste kring van 300 m rond een belangrijk verdedigingswerk mochten volgens de Kringenwet alleen houten huizen worden gebouwd en alleen met toestemming van het Ministerie van Oorlog. Ten noorden van Fort Asperen komen nog een houten huis en houten loods voor die met deze toestemming zijn gebouwd. Om de polders te inunderen werd gebruik gemaakt van bestaande uitwateringssluizen, die zo werden aangepast dat ze ook in omgekeerde richting konden functioneren. Bij het samenvoegen van dorpspolders in de tweede helft van de 20e eeuw zijn veel sluizen verdwenen. De waaiersluis bij Fort Asperen vormt hier een uitzondering op. Deze sluis was zo geconstrueerd dat deze ook met tegendruk geopend kon worden.
2.8 Rokende schoorstenen boven de fruittuin van Geldermalsen (1850-1950) Door de toename van geschreven en cartografische bronnen wordt ons zicht op de landschapsontwikkeling gaandeweg de 19e eeuw steeds helderder. In de tweede helft van de 19e eeuw onderging met name het landschap op de stroomruggen een geleidelijke transforma tie. Aanjager hiervoor waren de veranderingen in de landbouw. Op steeds meer percelen op de oeverwallen
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[57]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
verschenen boomgaarden. Ook vestigden de eerste industrieën zich in Geldermalsen . Ze concentreerden zich vooral in de oostelijke helft van de gemeente op enige afstand van de spoorlijn. De komgebieden konden steeds beter worden bemalen door de komst van stoom -, diesel en later elektrische gemalen. Geleidelijk verdwenen hierdoor de karakteristieke poldermolens uit het landschap.
2.8.1
Landbouw
Aan het begin van de 19e eeuw vormden akkerbouw, melkveehouderij en de fruitteelt de drie belangrijkste agrarische bedrijfsonderdelen in de gemeente Geldermalsen. De Neder -Betuwe was nog steeds hét centrum van de fruitteelt en nam ruim 10% van het totale landbouwareaal in beslag. 64 In de tweede helft van de 19e eeuw (en dan met name na 1865) kwam hier verandering in. Veeteelt in de vorm van vetmesterij en weiderij kwam op ten koste van de melkveehouderij. Ook de fruitteelt maakte in deze periode een groei door; binnen de Lingestreek nam het areaal toe van circa 500 ha in het midden van de 19e eeuw tot 670 ha rond de eeuwwisseling. 65 Dit ging ten koste van het areaal akkerbouwgrond. De oorzaak van deze verschuivingen lag deels buiten Nederland. Na de beëindiging van de Amerikaanse Burgeroorlog in 1865 begonnen de Verenigde Staten een belangrijke graanexporteur te worden. Hierdoor daalden de graanprijzen in Nederland. De prijs voor fruit en veehouderijproducten (met name vlees) bleef redelijk op peil, waardoor het voor boeren inte ressant werd hun zwaartepunt naar deze producten te verleggen. Ook technologische ontwikkelingen (onder andere kunstmest), de stichting van de eerste coöperaties en de mechanisatie stimuleerden de veranderingen in de landbouw. 66 En er was een gebeurtenis die specifiek voor de gemeente Geldermalsen van invloed was : in 1866
vestigde zich langs de Linge de beetwortelsuikerfabriek . Dit had tot gevolg dat de helft van het areaal aan tarwe werd vervangen door de teelt van suikerbieten. Aan het begin van de 20e eeuw waren de meeste boomgaarden nog beplant met hoogstammen die voor het grootste deel in grasland stonden. Laagstamfruit had een marginaal aandeel in dit geheel. Bemesting vond plaats door het vee dat eronder graasde. Sinds de jaren tachtig van de 19e ee uw hadden zich weinig veranderingen voorgedaan. Dit veranderde tijdens de crisisjaren, waarin de graanprijs sterk daalde. Veel boeren vergrootten hun areaal aan fruitbomen. De toename tussen 1921 en 1950 was zeer omvangrijk. In Deil werd het areaal vergroo t van 40 naar 200 ha; in Beesd van 57 naar 149 ha; in Buurmalsen van 129 naar 263 ha; en in Geldermalsen van 222 naar 372 ha. 67 In deze periode werden ook veel hoogstamboomgaarden vervangen door laagstamboomgaarden, wat als voordeel had dat het plukken gemakkelijker ging. Ook werden boomgaarden steeds minder beweid, omdat koeien de bomen beschadigden. Fruittelers hielden de grond zwart of plantten aardbeien.
2.8.2
Industrie en nijverheid
Rond het midden van de 19e eeuw was tweederde van de beroepsbevolking werkzaa m in de landbouw. Het overige deel werkte als ambachtsman, in de nijverheid of in de dienstensector. Een groot deel van de beroepen was nauw verbonden met de landbouw, zoals dat van slagers, bakkers, smeden, schippers (aan- en afvoer van goederen) en wagenmakers. Daarnaast waren er verzorgende beroepen
64
Exacte cijfers over de fruitteelt in deze periode in de gemeente Ge ldermalsen ontbreken. Er is geen reden te veronderstellen dat de cijfers in de gemeente Geldermalsen sterk afwijken van de aangrenzende Neder -Betuwe. 65 Brusse 2002: 29 en 76. Tot de Lingestreek werd het gebied gerekend tussen Lek en W aal, tussen Diefdijk e n AmsterdamRijnkanaal. De toename van het areaal fruitbomen in de Lingestreek zal waarschijnlijk ook op de gemeente Geldermalsen van toepassing zijn geweest. 66 Brusse 2002: 11 67 Brusse 2002: 101
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[58]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
zoals winkeliers, timmermannen, metselaars, kleermakers en schoenmakers. Iets na het midden van de 19e eeuw kwam de industriële ontwikkeling binnen de gemeente Geldermalsen op gang, zij het op bescheiden schaal. Belangrijke takken van industrie in de tweede helft van de 19e en eerste helft van de 20e eeuw waren de steenfabricage en de beetwortelindustrie. Van beide industrieën zijn weinig aanwijsbare elementen in het landschap aan te wijzen. Wel hebben ze in s terke mate bijgedragen aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Geldermalsen. Steenfabricage Binnen de nijverheid was de steenfabricage in het midden van de 19e eeuw de belangrijkste bedrijfstak, waarvan de omvang nog tot 1875 zou toenemen. Rond 188 0 kwamen er kleine steenfabrieken voor in Geldermalsen (1), Buurmalsen (2) en Beesd (2). Later tr effen we ook een steenfabriek aan bij Tricht aan de Linge (huidige Steenoven 2 in Tricht). De grotere steenfabrieken in het rivierengebied lagen aan de Lek en Waal, buiten de gemeente Geldermalsen. De steen- en pannenfabriek in Geldermalsen van D.J. Wijk ging zich vanaf 1914 richten op de productie van vuurvaste stenen. Belgische vluchtelingen, die hun land hadden verlaten als gevolg van de Eerste Wereldoorlog, hadden de kennis hiervoor meegebracht.
In 1919 gingen verschillende kleine fabrieken in het land samen in de NV Vereeniging Nederlandsche Chamotte Fabrieken en werd de productie in Geldermalsen geconcentreerd. Klei werd uit het buitenland aangevoerd per sc hip. Beetwortelsuikerindustrie Vanaf 1858 werden in heel Nederland beetwortelsuikerfabrieken opgericht. Deze bedrijfstak werd sterk gestimuleerd door de machine-industrie die een nieuwe afzetmarkt zocht voor haar producten. Door voorschotten en premies aan boeren te verstrekken werden deze overgehaald bieten te gaan verbouwen. Niet overal konden bieten worden verbouwd en een fabriek worden opgericht. De grond moest van nature zeer vruchtbaar zijn en voor de verwerking diende er zoet en zuiver water te zijn. Dit maakte de omgeving van Geldermalsen zeer geschikt. Bijkomende voordelen waren de goede logistiek en de aanwezigheid van een grote veestapel die als afzetgebied kon dienen voor de pulp, die overbleef en geschikt was als veevoer. De eerste fabriek in Geldermalsen werd in 1866 opgericht: de NV NederBetuwsche Beetwortelsuikerfabriek. Een tweede fabriek volgde in Meteren. In een periode waarin de graanprijzen daalden, stapten veel boeren over op de verbouw van bieten. In de loop van de jaren tachtig en negentig van de 19e eeuw werd echter ook de keerzijde van dit gewas zichtbaar. De bieten putten de grond sterk uit.
Daardoor is het nooit tot zeer grootschalige bietenteelt gekomen in deze regio.
2.8.3
Waterstaat
In de eerste helft van de 19e eeuw was reeds een aantal maatregelen genomen om de kans op overstromingen drastisch te verkleinen. Dit heeft effect gehad, want grote overstromingen werden daarna zeldzaam. Om droge voeten te blijven houden , waren ingrepen in de waterbeheersing van de polders gewenst. Door technologische ontwikkelingen en bestuurlijke veranderingen veranderde er veel in de polderstructuur. Een belangrijke technologische ontwikkeling was de introductie van het stoomgemaal. De eerste gemalen kwamen in het westelijke deel, waar de noodzaak vanwege de lage ligging het grootst was. Een van de eerste stoomgemalen in de westelijke Betuwe was het stoomgemaal bij de Hoge Sluis in de Mariënwaard (nu verdwenen). In 1859 werd het stoomgemaal De Horn bij Acquoy in gebruik genomen
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[59]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
(nu De Oude Horn). Beesd kreeg in 1868 een gemaal (aan De Paay, in 1927 vervangen door een elektrisch gemaal) en in de Bisschopswetering werd in 1870 stoomgemaal de Neust in gebruik genomen (in de jaren dertig vervangen door een elektrisch gemaal) ( figuur 32). In Rhenoy kwam in 1878 een stoomgemaal (De Geiser, nu verdwenen) en Acquoy kreeg in 1881 een tweede gemaal. 68
Figuur 32. Het elektrisch gemaal aan De Paay verving in 1927 het stoomgemaal dat hier in 1868 werd gebouwd (foto: RAAP / S. van der Veen).
Met de komst van de stoomgemalen verdwenen de molens met molengangen en de uitwateringssluizen uit het landschap. Het getrapte molensysteem, met een boven - en ondermolen, werd vereenvoudigd. Beide molens verdwenen en een gemaal werd op de plaats van de uitwateringssluis geplaatst. De oude molenplaatsen zijn in veel gevallen enkel nog te herkennen aan een knik in een wetering, zoals in de Vliet bij Acquoy, de Maalvliet bij Beesd of op de plaats waar de Achtervliet bij landgoed Mariënwaerdt de spoorlijn kruist. Alleen poldermolen De Watermolen aan de Voorvliet is behouden gebleven. Aan de molen is een molenbiotoop gekoppeld (zie deel 3). In de jaren twintig van de 20e eeuw vervingen diesel- en elektrische gemalen de stoomgemalen. Deze gemalen kwamen in Tricht, Enspijk, Deil en Buurmalsen te staan. Tijdens de crisisjaren in de jaren dertig werden met overheidssteun sloten en drainagesystemen aangelegd. Met al deze verbeteringen was een goede waterbeheersing echter nog steeds niet bereikt. Dit zou nog duren tot de tweede helft van de 20e eeuw.
68
Harten 1997: 206-215
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[60]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
2.8.4
Infrastructuur
De belangrijkste infrastructurele ontwikkelingen in deze periode hebben betrekking op de aanleg van twee spoorlijnen binnen de gemeente. Om de spoornetwerken ten noorden en ten zuiden van de grote rivieren met elkaar te verbinden, werd er in de tweede helft van de 19e eeuw besloten dat er een spoorlijn tussen Utrecht en Boxtel zou worden aangelegd, de zogenaamde Staatslijn H. D e aanleg vond van staatswege plaats. Aanvankelijk zou het tracé via Amerongen en Tiel worden aangelegd. Later werd besloten de lijn via Culemborg en Zaltbommel te laten lopen. Het deel dat van noord naar zuid door de gemeente Geldermalsen loopt, betreft het spoorlijndeel Utrecht-Waardenburg. Dit deel werd op 1 november 1868 in gebruik genomen. Het eerste stationsgebouw in Geldermalsen werd op diezelfde datum geopend. 69 Op aandringen van enkele Dordtse notabelen werd door de Staat de Merwede -Waalspoorweg aangelegd, ook wel bekend als Betuwelijn. De spoorlijn kwam in het westen ter hoogte van het Werk op de Spoordijk de gemeente binnen en liep via Geldermalsen verder richting Tiel. Het oostelijk deel van de lijn tussen Geldermalsen en Elst werd in 1882 in gebruik genomen. Het westelijk deel tussen Geldermalsen en Gorinchem volgde in 1883. Enkele jaren na de ingebruikname van de lijn werd in Geldermalsen een tweede stationsgebouw (het huidige) geopend dat het eerste stationsgebouw verving.
70 Dit stationsgebouw bedient beide spoorlijnen. Door de aanleg van de spoorlijn was er een zwakke plek in de Nieuwe Hollandse Waterlinie bijgekomen. De hooggelegen spoordijk doorkruiste namelijk de waterlinie, tussen de Diefdijk en de polder Mariënwaard. Ter versterking werd het Werk op de Spoorweg aangelegd op de plaats waar de spoorlijn de Diefdijk kruiste.
2.8.5
Religie
Hoewel het thema religie zich niet beperkt tot de periode 1850 -1950, wordt dit onderwerp toch in deze paragraaf behandeld, omdat de meeste veranderingen in deze tijd plaatsvonden. De religieuze bouwwerken, zoals kerken en gebouwen op begraafplaatsen worden in de historische stedenbouwkundige beschrijving behandeld (zie hoofdstuk 4). In deze paragraaf worden de begraafplaatsen beschreven. Tot in de 19e eeuw vonden begravingen zowel binnen als rondom de kerk plaats. Wie zich een plaats binnen de kerk niet kon veroorloven werd op het kerkhof ter aarde besteld. Grafzerken waren zeldzaam, omdat ook hier geen geld voor was. De 17e- en 18e-eeuwse begraafplaatsen bestonden dan ook uit een kaal grasveld met hier en daar een houten kruis. In 1827 werd besloten dat met ingang van het jaar 1829 geen begravingen meer in de kerk mochten plaatsvinden. Vanaf die tijd verschenen op de kerkhoven de eerste grafzerken. Eerst waren dit alleen liggende stenen, later verschenen hier ook staande grafstenen. In 1827 werd tevens bepaald dat er in woonkernen groter dan duizend inwoners geen begravingen meer mochten plaatsvinden op het kerkhof, maar dat er een nieuwe begraafplaats moest worden aangelegd buiten de bebouwde kom. 71 Oorspronkelijk werden katholieken op een apart deel van de protestantse begraafplaats begraven.
In Beesd hadden de katholie ken in de periode 18251847 een eigen begraafplaats achter hun kerk. In 1870 kregen zij een deel van de algemene begraafplaats aan de Veerweg toegewezen. Bij de aanleg van een nieuwe begraafplaats in 1947 werd
69
www.stationsweb.nl, station Geldermalsen www.stationsweb.nl, station Geldermalsen 71 Harten 1997: 109 70
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[61]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
deze wederom in tweeën gedeeld. Het kerkhof van Gellicum heeft ook een katholiek en een algemeenprotestants gedeelte. De begraafplaatsen van Beesd, Deil en Geldermalsen werden rond 1830 gesticht (figuur 33). De begraafplaatsen van Meteren en Buurmalsen/Tricht volgden in de tweede helft van de 19e eeuw. In de 20e eeuw kwam hier nog een aantal algemene begraafplaatsen bij.
Figuur 33. Oude begraafplaats aan de D.J. van Wijkstraat in Geldermalsen. De oudste steen dateert uit 1836 (foto: RAAP / S. van der Veen).
Binnen de gemeente Geldermalsen zijn twee joodse begraafplaatsen te vinden: in Beesd in de hoek van de Stationsweg en Parkweg (1898) en in Geldermalsen aan de Meersteeg ten zuiden van het spoor (1884). 72
2.8.6
Tweede Wereldoorlog
Mobilisatie en inval In 1939 werd in Nederland de algehele mobilisatie afgekondigd en nam het leger posities in om een Duitse inval te kunnen pareren. Aanvankelijk koos het Nederlandse opperbevel de Nieuwe Hollandse Waterlinie als belangrijkste verdedigingslijn. Ter versterking van de linie werden rond om de Diefdijk en de Meerdijk betonnen kazematten en groepsschuilplaatsen aangelegd. Binnen de dorpen werden soldaten ingekwartierd. In Beesd waren dit bijvoorbeeld ongeveer duizend manschappen. In en rondom Geldermalsen was een batterij luchtdoelartillerie en een peloton luchtdoelmitrailleurs gelegen. 73 Vlak
72 73
Harten 1997: 113 Reinders 2011
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[62]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
voor de inval besloot het opperbevel de hoofdweerstandsstrook te verplaatsen naar de Grebbelinie, waardoor Geldermalsen buiten het bereik van de grote gevechten leek te blijven. Na de inval op 4 mei 1940 leek het er echter sterk op dat de omgeving van Geldermalsen wel binnen de gevechten zou geraken. Er werd getracht de Nieuwe Hollandse Waterlinie alsnog in werking te stellen. De dreigende inundatie deed boeren besluiten hun vee naar gebieden ten westen van de linie te brengen. 74 Ook de bevolking moest worden geëvacueerd, wat op vrij chaotische wijze plaatsvond. Op 12 mei bracht de burgemeester van Geldermalsen Rooseveld van der Ven het bericht naar buiten dat de inwoners van de voormalige gemeente Gelderm alsen binnen 24 uur zouden worden geëvacueerd. De inwoners kwamen in Gouda terecht. Ook de inwoners uit andere kernen moesten worden geëvacueerd naar dorpen en steden ten westen van de waterlinie. De inwoners van Beesd werden ondergebracht in Waddinxveen. De bevolking uit Buurmalsen en Tricht werd in allerijl naar Benschop overgebracht. De inundaties zijn uiteindelijk maar beperkt uitgevoerd. Om de opmars van het Duitse leger te vertragen, lieten Nederlandse militairen op 14 mei de verkeersbrug over de Ling e bij Beesd springen. Ook werd bij Beesd het viaduct over het spoor opgeblazen.
75 De evacuatie van burgers was van korte duur, want op 15 mei keerden de eerste evacués al terug. Bezetting en bevrijding Gedurende de oorlog kreeg Geldermalsen te maken met bom bardementen die zich op het spoorwegemplacement en de spoorbrug concentreerden. De burgers van de gemeente werden geconfronteerd met de gevolgen van de bezetting zoals schaarste, verregaande beperking van vrijheden, vervolging en de Arbeitseinsatz. Tijdens de oorlog werden rondom de strategisch gelegen spoorbrug bij Geldermalsen twee bunkers gebouwd. Deze lagen aan weerszijden van het zuidelijke landhoofd. Tijdens de terugtrekking van de Duitsers bliezen zij op 17 april 1945 de spoorbrug bij Tricht en het spoorviaduct aan de Tunnelweg op om zo het treinverkeer tussen ’s -Hertogenbosch en Utrecht onmogelijk te maken. De oorspronkelijke oude bogenspoorbrug werd onherstelbaar beschadigd. In de zomer van 1945 werd een nieuwe tijdelijke brug over de Linge gelegd, die in 1946 werd vervangen door een vakwerkbrug, afkomstig uit Limburg. In Limburg had deze vakwerkbrug dienst gedaan als onderdeel van de Miljoenenlijn, maar de brug werd door terugtrekkende Duitsers gedeeltelijk vernield. De niet beschadigde delen werden overgebracht naar Tricht, waar ze tot 2013 dienstdeden als spoorbrug over de Linge.
Ook de Julianabrug, de verkeersbrug over de Linge bij Geldermalsen, werd bij de terugtrekking door de Duitsers vernield. Na de oorlog werd op deze plek de huidige boogbrug geplaatst. Monumenten Voor de slachtoffers die tijdens de Tweede Wereldoorlog vielen , zijn verschillende herinnerings- en grafmonumenten opgericht binnen de gemeente. Aan de Beemd in Enspijk werd op 4 mei 1950 een moment onthuld voor de omgekomen slachtoffers in de voormalige gemeente Deil. Op de gemeentelijke begraafplaats in Buurmalsen en de algemene begraafplaatsen van Beesd en Geldermalsen liggen
74 75
www.oorlogsslachtoffersgemeentegeldermalsen.nl www.beeldbankwo2.nl
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[63]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
respectievelijk één, zes en twee graven van het Gemene best. 76 Op zowel de gemeentelijke begraafplaats in Buurmalsen als de algemene begraafplaats in Beesd ligt één Nederlands oorlogsgraf. Op de begraafplaats van Enspijk ligt één graf van een burgerslachtoffer. Tijdens de bezettingsjaren werd de molen in Beesd door het verzet gebruikt om boodschappen te versturen. Ter herinnering hieraan heeft de molen na de renovatie van 1968 de naam De Vrijheid gekregen.
2.9 Schaalvergroting en intensivering (1950-heden) In de jaren vijftig van de 20e eeuw ontstond buiten de gemeente Geldermalsen het beeld dat dit deel van het rivierengebied in veel opzichten was achtergebleven op de rest van Nederland. De slechte waterbeheersing, de matige ontsluiting door infrastructuur en het versnipperde grondgebruik zouden er de oorzaak van zijn dat dit gebied was achtergebleven. Dit had vooral betrekking op de gemengde agrarische bedrijven met grond op zowel de stroomgordel als in het komgebied. In de eerste helft van de 20e eeuw was men er tijdens andere grote landinrichtingsprojecten al achter gekomen dat de problemen die men tegenkwam niet los van elkaar stonden. De problemen op het gebied van landbouw, waterstaat, infrastructuur en economie en maatschappij moesten integraal worden aangepakt. Het instrument dat de overheid hiervoor gaandeweg ontwikkelde , was de ruilverkaveling en later de landinrichting. In dit kader zullen de veranderingen in de waterhuishouding, infrastructuur en landbouw worden beschreven. De ontwikkelingen in de fruitteelt staan min of meer los van de gebeurtenissen in de komgronden en worden dan ook apart behandeld.
2.9.1
Infrastructuur
Bepalend voor de ruimtelijke ontwikkelingen van Geldermalsen na de Tweede Wereldoorlog zijn de snelwegen A2 en A15. De huidige A2 was in het rijkswegenplan van 1932 opgenomen als ‘rijksweg 26’ en besloeg het deel tussen Utrecht en ’s-Hertogenbosch. 77 In het rijkswegenplan van 1968 veranderde de administratieve nummering en werd ‘rijksweg 26’ opgenomen in de A2, die daarmee van Amsterdam-Eindhoven liep. De snelweg A15, of Rijksweg 15, werd voor wat betreft het Geldermalsense deel voor de Tweede Wereldoorlog aangelegd. 78 Het deel tussen Gorinchem en Meteren kwam in 1939 gereed. In 1957 werd het kruispunt Deil omgebouwd tot rotonde. Drie jaar later werd het deel tussen Meteren en Tiel geopend dat uit twee enkele stroken bestond. In 1968 werd het deel ten westen van Deil verbreed naar 2x2 rijstroken. In 1989 werd het de rotonde bij knooppunt Deil vervangen door een klaverblad.
2.9.2
Ruilverkaveling en landinrichting
Aanleiding In een groot deel van de komgebieden in de gemeente Geldermalsen zijn vanaf de jaren v ijftig van de 20e eeuw ruilverkavelingen uitgevoerd. De boeren in de Lingestreek hadden in die tijd te maken met verschillende problemen. Door hoog water in de Linge was er sprake van kwelwater achter de dijken, waardoor akkers vaak te nat waren. De zware klei in de komgebieden zorgde er voor dat tot ver in het
76
www.tracesofwar.com http://www.wegenwiki.nl/A2_(Nederland) 78 http://www.wegenwiki.nl/A15_(Nederland) 77
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[64]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
voorjaar water op de weilanden bleef staan, terwijl ’s zomers de bovenlaag zover was uitgedroogd dat het gras er maar slecht kon groeien (figuur 34). Het grasland was verder ongeschikt voor het weide n van melkvee, omdat deze graslanden doorgaans te ver van de bedrijven in de dorpen aflagen. Hier kwam nog het versnipperde eigendom in combinatie met een gebrekkige infrastructuur bij. 79
Figuur 34. Het bespuiten van een perceel met veel boterbloemen bij Beesd in 1954 (bron: Gelders Archief, toegang 0245, inventarisnr. 1310).
Plannen In de jaren vijftig was er een sterke wil bij de overheid om in te grijpen in het agrarisch -economisch leven. In Geldermalsen was een veelheid aan instanties, stichtingen en commissies om de landbouw, het sociaal leven en de economie door middel van onder andere voorlichtingsavonden te verbeteren. Een belangrijke commissie voor de ruilverkavelingen was de Gelderse Komgrondencommissie (GKC). 80 De eerste concrete plannen voor de ruilverkavelingen in het rivierengebied ontstonden in de jaren vijftig. In deze gebieden, en dan met name in de komgebieden, was de ontwikkeling van de landbouw achtergebleven bij de rest van Nederland. De ruilverkavelingen werde n in nieuwe stijl uitgevoerd, wat wil zeggen dat de bevolking al in een vrij vroeg stadium bij de voorbereiding werd betrokken. Hierdoor werden de wensen van de betrokkenen beter afgestemd op de plannen. Binnen de ruilverkavelingen uit de jaren zestig en zeventig was niet alleen aandacht voor een optimale agrarische bedrijfsvoering, maar ook natuur, cultuurhistorie, recreatie en sport kregen aandacht bij het inrichten van het gebied.
79 80
Brusse 2002: 139 Brusse 2002: 139
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[65]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Grondverbetering en specialisatie Naast dat er sterk werd ingezet op voorlichting (van meeldauwbestrijding tot het invriezen van groente), werd ook het landschap sterk verbeterd ten behoeve van de agrarische sector. Hiertoe werd de ligging en indeling van percelen aangepakt, de drainage verbeterd en oude graslanden omgeploegd en opnieuw ingezaaid. Sloten, wegen en kades werden verbreed en ver van de dorpen af werden op de komgronden nieuwe bedrijven neergezet. 81 Door de ruilverkaveling gingen steeds meer agrariërs zich specialiseren en nam het aantal gemengde bedrijven af. De fruitteelt ging zich op de oeverwallen concentreren. De meeste melkveebedrijven kwamen in de komgebieden te liggen. Een van de oorzaken van de problemen in de waterhuishouding was dat beslissingen op het niveau van polderbesturen werden genomen, terwijl de problemen zich op interlokaal, provinciaal en nationaal niveau voordeden. Na een overstroming van de Tielerwaard in 1926 trok de provinci e het initiatief naar zich toe om de dijken te verbeteren. In 1955 was de afvoer van de Linge goed geregeld, doordat de provincies Gelderland en Zuid-Holland gezamenlijk afspraken hadden gemaakt. Pas in 1995 werd de dijkverzwaring de primaire taak van de overheid.
In 2002 ontstond het huidige waterschap Rivierenland door samenvoeging van de polderdistricten Betuwe, Groot Maas en Waal, Tieler - en Culemborgerwaarde, het Zuiveringsschap Rivierenland en het Waterschap Linge. Concreet zijn er vier ruilverkavelingen te onderscheiden: Tielerwaard-West, Lek & Linge, Beesd en Tricht (figuur 35).
81
Brusse 2002: 142
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[66]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 35. Ruilverkavelingsgebieden binnen de voormalige gemeente Geldermalsen (schematisch weergegeven).
Ruilverkaveling Tielerwaard-West De Ruilverkaveling Tielerwaard-West was een van de grootste ruilverkavelingen in het riviergebied. Ze werd in 1951 aangevraagd en het plan werd in 1958 definitief vastgesteld. Dit was een van de eerste ruilverkavelingen waarbij een zeer groot aantal bedrijven werd verplaatst naar de komgebieden. Binnen het gehele plangebied ging het om maar liefst om 120 bedrijven. E en belangrijke stap was het samenvoegen van de verschillende dorpspolders tot één bestuurlijk -administratief orgaan. Hierdoor konden de elf kleine gemalen worden vervangen door twee grote (De Nieuwe Horn en het gemaal in de Herwijnense Wetering). 82 Door het samenvoegen van kavels en een groot aantal bedrijfsverplaatsingen werd het probleem dat boerderijen ver van hun kavels lagen, aangepakt. Om de nieuwe erven te ontsluiten, werden bestaande wegen verbreed en verhard en nieuwe wegen aangelegd. Langs deze wegen werden populieren en later essen aangeplant (figuur 36). Doordat deze bomen in dezelfde periode zijn aangeplant, is er een grote ruimtelijke samenhang ontstaan in het zuidelijk komgebied (figuur 37).
82
Bootsma 2004: 9
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[67]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 36. Niet-uitgevoerd beplantingsplan van de Ruilverkaveling Tielerwaard -West. De hoofdwegen in de komgebieden zouden volgens dit plan worden aangeplant met populieren (zwarte stippen) met daartussen struikbeplanting (fijne arcering). Op de oeverwallen zouden de wegen met essen (driehoekjes), schietwilg (rondjes) en struikbeplanting worden beplant. Uitsnede van het Voorlopig Landschapsplan, Ruil verkaveling Tielerwaard-West (Gelders Archief, toegang 1125, inventarisnr. 189).
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[68]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 37. Populierenaanplant aan de Kweldam ten zuiden van Deil binnen de ruilverkaveling Tielerwaard -West (foto: RAAP / S. van der Veen).
Ruilverkaveling Lek & Linge Deze ruilverkaveling omvatte 7.700 ha en werd in 1969 aangenomen. Een belangrijke ingreep was het verbeteren en aanleggen van ontsluitingswegen. Daarnaast werd een van de meest laaggelegen en natte delen van de kom, De Regulieren, als natuurgebied aan Stichting Het Geldersch Landschap in beheer gegeven. Mede hierdoor is dit karakteristieke deel van het komgebied behouden gebleven. Bij de uitvoering zijn veel voor het historisch cultuurlandschap waardevolle elementen behouden, waaronder eendenkooien, onverharde paden en wegen, kades en grienden. Ruilverkavelingen Beesd en Tricht De ruilverkavelingen Beesd en Tricht lagen binnen het gebied van de ruilverkaveling Lek & Linge, net als de ruilverkavelingen Acquoy en Rhenoy. Door gebrek aan bel angstelling werden deze laatste twee voorlopig uitgesteld. In 1963 kon worden begonnen met de ruilverkaveling in Beesd (inclusief landgoed Mariënwaerdt). 83 In tegenstelling tot de voorgaande twee ruilverkavelingen was er bij Beesd sprake van een ruilverkav eling ‘bij overeenkomst’. Dit betekende dat een kleine groep grondeigenaren een ruilverkaveling aanvroeg. Deze situatie was ontstaan doordat grote delen land door het landgoed Mariënwaerdt in pacht waren uitgegeven. Voor grond die in pacht was uitgegeven , verstrekte de overheid minder subsidie. Door
83
Brusse 2002: 144
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[69]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
inspanning van de toenmalig rentmeester van het landgoed en de bevolking van Beesd bleek het toch mogelijk de verbeteringen door te voeren. De ruilverkaveling Tricht, die onder de ruilverkaveling Lek & Linge viel, volgde in 1969. De uitvoering van deze ruilverkaveling werd vervroegd. Door een vernietigende windhoos op 25 juni 1967 was grote schade aangebracht. De boeren wilden de herstelwerkzaamheden combineren met de ruilverkaveling.
2.9.3
Fruitteelt
Ook in de tweede helft van de 20e eeuw bleef het areaal fruitbomen stijgen. Steeds meer agrariërs gingen zich specialiseren in fruitteelt. Terwijl in de rest van Nederland de oppervlakte boomgaarden afnam in de periode 1950-1970, bleef deze in Geldermalsen stijgen. Tegelijkertijd verdubbelde de opbrengst per hectare. De gronden op de stroomruggen die in tegenstelling tot de komgronden zeer geschikt waren voor de fruitteelt werden steeds dichter beplant met boomgaarden. In de jaren vijfitg kwamen de ‘spillen’ op, een spinachtige struik waarvan er wel drieduizend per hectare konden worden geplant (dertig keer zoveel als het aantal hoogstammen per hectare). De veiling in Geldermalsen kon hierdoor uitgroeien tot de grootste fruitveiling van Nederland. Door openstelling van de Eu ropese markt eind jaren zestig kregen Nederlandse fruittelers zware concurrentie van Franse en Italiaanse telers.
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[70]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
3 Landschapsontwikkeling en bewoningsgeschiedenis – Neerijnen Luuk Keunen
Deze tekst is een bewerking en uitbreiding van de landschaps- en bewoningsgeschiedenis uit Van der Veen e.a., 2016.
3.1 Aardkundig landschap Het onderzoeksgebied bevindt zich in het Midden-Nederlandse rivierengebied. Op dit moment is vooral de Waal van groot belang voor de landschappelijke structuur van het gebied, maar in het verleden waren dat andere takken van de Rijn (zie kaartbijlage 1). Belangrijke afzettingen dateren uit het laat-pleistoceen waar ten tijde van de laatste ijstijd (Weichsel) in het hele rivierengebied vooral grofzandige en grindrijke sedimenten zijn afg ezet. De top van de pleistocene afzettingen wordt gekenmerkt door een stugge en lemige kleilaag (Formatie van Kreftenheye; Laag van Wijchen). De bovenkant van deze afzettingen bevind t zich ter hoogte van het onderzoeksgebied op zo’n 5 tot 7 m beneden maaiveld. In het Vroeg-Holoceen veranderde de Rijn van een vlechtende in een meanderende rivier en zich kenmerkte door één insnijdende geul. Deze bevond zich in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied tussen het huidige Varik en Ophemert en stroomde in min of meer westelijke richting. In deze periode overstroomde de geul nauwelijks. In de loop van de tijd steeg de zeespiegel, waarmee de terrassenkruising in oostelijke richting opschoof. Zo’n 6500 jaar geleden passeerde de terrassenkruising het onderzoeksgeb ied waarmee de riviergeulen in dit gebied veranderden van een insnijdend (erosief) naar een accumulere nd systeem.
Figuur 38. Schematische doorsnede door de Tielerwaard.
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[71]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Kenmerkend voor een accumulerend meanderend riviersysteem is een sterke differentiatie in afzettingsmilieus (figuur 38). Binnen de actieve rivierbedding ontwikkelde zich een zandige meandergordel, geflankeerd door zones met (relatief zandige) oeverafzettingen. De oeverwa llen worden samen met de meandergordel tot de stroomgordel gerekend. Op grotere afstand van de actieve rivierloop werden alleen de allerfijnste deeltjes afgezet en wordt het landschap gekenmerkt door komklei-afzettingen. In de loop van het Holoceen (ca. 12.000 jaar geleden - heden) is ter hoogte van het onderzoeksgebied een tot circa 5 tot 7 meter dik pakket klei en zand afgezet in het gebied. Dit geheel aan holocene rivierafzettingen wordt gerekend tot de Formatie van Echteld . 84 Toen de terrassenkruising het onderzoeksgebied passeerde, ontstonden er door crevassen (oeverwaldoorbraken) nieuwe stroomgordels. De oudste stroomgordels waren actief in het Laat Mesolithicum tot Vroeg en Midden Neolithicum. Het betreft de stroomgordels Appelaar, Brakel, Broekgraaf, Deil, Esterweg/Ochten-Hoorzik, Herwijnen, Ochten, Schuurkamp en Varik. Het betreft stroomgordels die vooral in het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied lagen en min of meer zuidzuidoost-noordnoordwestelijk georiënteerd waren. Alleen de stroomgordel van Schuurkamp lag een stuk noordelijker, namelijk een paar honderd meter noordelijk van Zennewijnen.
84
De Mulder e.a. 2003
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[72]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 39. Het dorp Est en de omliggende boerderijen liggen op een stroomgordel van een niet meer actieve rivierarm (foto: RAAP, 14 november 2019).
Door avulsies (stroomgordelverleggingen) zijn in de loop van het Neolithicum de meeste van deze stroomgordels verlaten en ontstonden er ook nieuwe stroomgordels. In de Vroege en gedeeltelijk Midden Bronstijd was de stroomgordel van Ochten de belangrijkste in het onderzoeksgebied. In de Midden Bronstijd raakte ook deze stroomgordel buiten gebruik en ontstonden in vrij korte tijd (in een periode van nog geen 300 jaar) vijf nieuwe stroomgordels (Est, Gameren, Meteren, Passewaaij en Zennewijnen), waarvan de stroomgordel van Meteren actief bl eef tot in de Midden IJzertijd en de overige vier tot in de Midden Romeinse tijd. In de Vroege IJzertijd, rond 790 v oor Christus, ontstonden nog eens vier stroomgordels (Opijnen, Bruchem, Heesselt en Oevers hof) die ook tot in de Romeinse tijd actief waren. Vermoedelijk nam de activiteit van deze stroomgordels vanaf de Late IJzertijd langzaam af, omdat rond 190 v. Chr. de Lingestroomgordel actief werd. Deze lag noordelijk van het onderzoeksgebied en ontwikkelde zich in de loop van de Romeinse tijd tot de belangrijkste afvoertak van het water, ten koste van de andere actieve stroomgordels die dan ook één voor één buiten gebruik raakten. Rond 425 na Christus kwam de Waal tot ontwikkeling. Verreweg het grootste deel van de afzettingen ligt in het huidige buitendijkse gebied.
Enkele uitzonderingen betreffen een binnengedijkte meanderbocht bij Tuil, een voormalige meanderbocht van de Waal in het binnendijkse gebied tussen Neerijnen en Waardenburg, een binnendijkse zone ten noordoosten van de Heesseltse uiterwaarden ,
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[73]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
een binnendijks gebied ten oosten van Ophemert tussen de dijk en de Molenstraat, en een oeverwaldoorbraak (crevasse) ten noorden van Heesselt (Dalwei / Voorste Haar) die circa 1 km lang is. Op kaartbijlage 1, de stroomgordelkaart, zijn deze binnengedijkte afzettingen als de periode na 900 na Christus (bruin) te zien. Van het buitendijkse deel van de Waal zijn ook oudere zones te duiden. Zo is een tot 400 m brede zone direct tegen de dijk bij Ophemert (die deels dus binnendijks doorloopt) een ouder deel van de Waal. De wijzigingen in het verloop van de Waal vanaf de 17e eeuw kunnen we door nauwgezette kaartstudie reconstrueren. We komen daarop nog terug.
3.2 Prehistorische bewoningsgeschiedenis (tot 12 voor Chr.) 3.2.1
Oude steentijd en midden-steentijd (tot 4.900 voor Chr.)
In tegenstelling tot wat nog in de eerste helft van de 20e eeuw werd verondersteld, woonden er al vele duizenden jaren voor ‘de komst van de Bataven’ mensen in het rivierengebied, al zijn binnen het onderzoeksgebied uit deze periode nog geen vindplaatsen bekend. Wel zijn er vondsten gedaan in de nabije omgeving, zoals recent een vondst bij Kellen. 85 Bij dat wonen moeten we overigens niet zozeer aan permanente bewoning denken, maar aan tijdelijke verblijfplaatsen (kampementen). Er zijn zelfs vondsten aangetroffen die erop wijzen dat er al in de midden-steentijd mensen in het gebied aanwezig waren. Dit is nog maar relatief kort bekend, omdat vondsten uit die periode relatief diep gelegen zijn (meer dan 2 meter beneden maaiveld) en veelal moeilijk te herkennen zijn. In de midden-steentijd heeft zich een aantal relatief warme perioden voorgedaan waarin de huidige Betuwe door mensen werd bezocht. Mogelijk stammen de meeste vondsten uit het midden van de oude steentijd daarbinnen uit het warme Eemien, een periode die werd opgevolgd door de laatste ijstijd (Weichselien).
85
Verhelst 2015
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[74]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 40. Het schoonmaken van een vis gedurende een warmere periode in de steent ijd (bron: historiek.net).
Het grootste deel van het Weichselien was Nederland onbewoond. Tegen het eind van deze ijstijd werd het gebied periodiek bewoond door jagers die het voornamelijk gemunt hadden op rendierkudden ( het laatste deel van de oude steentijd). Uit deze periode zijn echter nauwelijks vondsten in het rivierengebied aangetroffen, vanwege de diepte van de geologisch e niveaus waarin resten uit de latere delen van de oude steentijd kunnen voorkomen. Veel vindplaatsen uit deze periode zijn bovendien in de loop der eeuwen waarschijnlijk verspoeld door latere erosie - en sedimentatieprocessen. Een belangrijk kenmerk van de oude steentijd en de daaropvolgende midden-steentijd (9.700 – 4.900 voor Christus) is dat de voedselvoorziening van de mens uitsluitend door middel van jagen en verzamelen geschiedde. In het grootste deel van Nederland, waaronder het rivierengebied, is deze levenswijze tot in de jonge steentijd (Neolithicum) gehandhaafd. In de warmere en vochtigere periode van het Holoceen ver anderde de vegetatie geleidelijk en nam de diversiteit aan wild en vis toe. Daarvan maakte de mens dankbaar gebruik bij zijn pogingen om zoveel mogelijk bronnen in de natuurlijke omgeving te benutten. De jager -verzamelaars trokken door het landschap en verbleven slechts tijdelijk op een bepaalde plaats.
Waarschijnlijk lieten ze zich met name leiden door (jaarlijkse) migratiepatronen van wild (en vissen) en de oogstperiode van verschillende wilde planten in specifieke landschappen. Ze maakten gebruik van vuu rstenen werktuigen en bewapening, waarvan bewerkte vuurstenen spitsen en klingen een belangrijk onderdeel vormden. Bij de kampvuren op de pleisterplaatsen verwerkte men de jachtbuit en herstelde men de schade aan de uitrusting. Zoals gezegd zijn er binnen het onderzoeksgebied geen vindplaatsen uit de oude en midden-steentijd bekend. Landschappelijk gezien kunnen vindplaatsen uit deze perioden voorkomen op de Vroeg
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[75]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Holocene meandergordel die ten noorden van Varik stroomde. De afzettingen hiervan liggen op ci rca 2 tot 3 m –Mv.
3.2.2
Jonge steentijd (4.900 – 2000 voor Chr.)
In het uiterste zuiden van Nederland (het Limburgse lössgebied) vestigden zich al vanaf 5300 voor Christus de eerste boeren. Verder naar het noorden trokken nog lang kleine groepen mensen volgens een seizoengebonden patroon rond op zoek naar voedsel. In de loop van het Vroeg Neolithicum (circa 4900 voor Chr.) werden de mensen in het rivierengebied ook gaandeweg beïnvloed door deze nieuwe levenswijze. 86 Dit proces waarbij geleidelijk het leven van jager-verzamelaar werd verruild voor dat van boer besloeg vele honderden jaren. Aan deze jagers -met-akkertjes hebben archeologen de naam Swifterbantcultuur gegeven. Van permanente bewoning was toen nog geen sprake. Dat zou duren tot omstreeks 3500 voor Christus (in het midden van de jonge steentijd) toen er verspreid over de bewoonbare gronden (stroomgordels, crevassen, zandopduikingen) kleine agrarische nederzettingen ontstonden (waarschijnlijk vaak slechts één boerderij). De nalatenschap van deze mensen wor dt aangeduid met de benaming Vlaardingencultuur (circa 3500-2500 voor Christus). 87 Deze boeren woonden op de overwegend beboste oeverwallen langs de rivieren. Men hield met name runderen en varkens; schapen lijken een minder grote rol van betekenis te hebbe n gespeeld. 88 Het nieuwe gebruik van uit klei gebakken vaatwerk wordt eveneens als een kenmerk van de jonge steentijd beschouwd.
Naast akkerbouw en veeteelt bleef overigens ook de jacht nog lange tijd van betekenis in de voedselvoorziening. 89 De opbouw van het landschap wijst op een rustig en gevarieerd milieu met gunstige bewoningsmogelijkheden. Indien vindplaatsen uit de jonge steentijd op de meandergordels liggen, correspondeert de einddatering van deze meandergordels over het algemeen met het begin van de neolithische bewoningsfase. Dit komt overeen met het uitgangspunt dat een meandergordel zeer aantrekkelijk wordt voor bewoning indien deze zijn bloeifase heeft gehad en nog wel open water bevat in de vorm van (rest)geulen. Binnen het onderzoeksgebied waren er in de jonge steentijd meerdere stroomgordels actief. Het betreft de stroomgordels Appelaar, Broek, Brakel, Deil, Esterweg, Herwijnen, Ochten, Pre-Lith, Schuurkamp en Varik (zie kaartbijlage 1). De diepteligging van neolithische en andere prehistorisch e vindplaatsen kan sterk variëren. De diepteligging is sterk afhankelijk van de lokale situatie. In het algemeen kan gesteld worden dat op de dagzomende hooggelegen prehistorische meandergordels de vindplaatsen (vrijwel) aan het maaiveld liggen, terwijl deze op diepgelegen prehistorische meandergordels en complexen van oeverzones met crevassesystemen en komafzettingen zijn afgedekt.
In het midden -Nederlandse rivierengebied heeft een aanzienlijk deel van de waarnemingen uit de jonge steentijd een einddatering in de Bronstijd. 90 De verspreiding van bronstijdnederzettingen komt sterk overeen met de verspreiding van neolithische vindplaatsen, maar het huidige beeld hiervan wordt sterk bepaald door de mate waarin onderzoek heeft plaatsgevonden.
86
Raemaekers 1999 De Ridder 2010 88 De Ridder 2010: 38 89 De Ridder 2010: 37-42 90 ARCHIS, 2016: Tussen Kesteren, Culemborg en Haaften zijn circa 1100 waarnemingen van vondsten met als begindatering het Neolithicum bekend. Hiervan hebben onder andere 450 ee n einddatering in de Bronstijd, 450 in de Nieuwe Tijd, 144 in het Neolithicum, 57 in de IJzertijd en 18 in de Romeinse tijd. 87
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[76]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
3.2.3
Bronstijd (2000 – 800 voor Chr.)
In de vroege bronstijd was de bewoningsdichtheid van het rivierengebied nog gering, maar in de midden-bronstijd nam deze geleidelijk toe. 91 De actieve stroomgordels in de vroege en midden-bronstijd waren die van Dreumel en Ochten. 92 Het aantal kleine nederzettingen dat in het rivierengebied in kaart is gebracht, is aanzienlijk. 93 De boerderijen hadden in deze tijd veelal zeer forse afmetingen van meer dan 20 m lengte. 94 Kenmerkend is het gebruik van bronzen gebruiksvoorwerpen (o.a. bijlen en sikke ls) die in de beginfase door middel van ‘internationale’ handelsrelaties in het rivierengebied zijn terechtgekomen, maar al snel door inheemse productiecentra werden vervaardigd en verhandeld. 95 Door een tijdelijke vernatting van het klimaat gedurende de late bronstijd en vroege ijzertijd had het rivierengebied in toenemende mate last van overstromingen. Als gevolg hiervan was er in die periode een sterke afname van de bevolking. 96 In deze periode ontstonden de stroomgordels van Est, Gameren, Mert, Meteren, Passewaaij en Zennewijnen.
3.2.4
IJzertijd (800 – 15 voor Chr.)
Vanaf de midden-ijzertijd steeg het aantal bewoners in het rivierengebied en nam ook de gemiddelde omvang van de nederzettingen toe. 97 Met name in de late ijzertijd, op een moment dat ook de bevolkingsaanwas het sterkst was, bevonden zich her en der nederzettingen die bestonden uit een aantal boerenerven op terreinen met een omvang van meerdere hectaren. De grootste prehistorische nederzettingen in het rivierengebied stammen uit de periode 50 tot 15 v oor Chr. Vanaf de ijzertijd werd het gebruik van ijzer voor de vervaardiging van wapens en gebruiksvoorwerpen gemeengoed. Het bezit van ijzeren gebruiksvoorwerpen onderstreepte vanaf dat moment de verdergaande sociale differentiatie in de lokale en regiona le gemeenschappen. 98 Na de ruilhandel was de daaropvolgende stap de introductie en ontwikkeling van smelt - en smeedtechnieken in de gemeenschappen zelf. Nu konden de ijzeren voorwerpen ter plaatse vervaardigd worden door lokale (veelal rondreizende) smeden. 99 Brons werd nog gebruikt voor onder andere sieraden, mantelspelden en lederbeslag. In de 2e en 1e eeuw voor Christus had men in het rivierengebied ook de beschikking over glas, zij het hoofdzakelijk voor armbanden en kralen. Vermeldenswaardig is het gebru ik van de eerste munten.
De stroomgordel van Meteren bleef actief tot in de Midden IJzertijd en de stroomgordels van Est, Gameren, Passewaaij en Zennewijnen bleven actief tot in de midden-Romeinse tijd. In de vroege ijzertijd, rond 790 v. Chr., ontstonden nog eens vier stroomgordels (Opijnen, Bruchem, Heesselt en Oevershof) die ook tot in de Romeinse tijd actief waren. Vermoedelijk nam de activiteit van deze stroomgordels vanaf de late ijzertijd langzaam af, omdat rond 190 v. Chr. de Linge stroomgordel acti ef werd. Deze rivier ligt noordelijk van het onderzoeksgebied en ontwikkel de zich in de loop van de Romeinse tijd tot de belangrijkste afvoertak van het water, ten koste van de andere actieve stroomgordels die dan ook één voor één inactief werden.
91
Lange e.a. 2014: 119 Cohen & Stouthamer 2012 93 ARCHIS, 2016. Tussen Kesteren, Haaften en Culemborg zijn totaal 898 waarneminge n op 125 locaties (waarnemingsnummers) van nederzettingen daterend uit de Bronstijd bekend. 94 Lange e.a. 2014: 122, 128 95 Arnoldussen 2008: 443, 444 96 Arnoldussen 2008: 412 97 Louwe Kooijmans 2005: 697 98 Louwe Kooijmans 2005: 696 99 Louwe Kooijmans 2005: 606, 607 92
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[77]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Vindplaatsen uit de ijzertijd zijn voornamelijk gelegen op de genoemde stroomgordels die in deze periode floreerden. De hogere bevolkingsdichtheid, gecombineerd met de grotere trefkans (vindplaatsen uit de ijzertijd zijn groter, liggen vaak vrijwel aan het huidige maaiveld en worden gekenmerkt door veel nederzettingsafval), heeft ertoe geleid dat het rivierengebied een relatief hoge dichtheid aan vindplaatsen uit deze periode kent. In veel gevallen gaat het om sporen van nederzettingsterreinen, vaak geconcentreerd langs de toen actieve meandergordels met aangrenzende oeverzones. Veel nederzettingsterreinen uit de ijzertijd liggen in zones met oude woongronden met een langdurige bewoningscontinuïteit (late ijzertijd-Romeinse Tijd-middeleeuwen). Deze kunnen als gevolg van intensieve en langdurige bewoning soms tot meer dan 1 m hoger liggen dan de omgeving. Deze terreinen worden vaak gekenmerkt door een zwarte humusrijke bodem met veel archeologische vondsten (nederzettingsafval). Ze zijn daarom voor een deel reeds in d e jaren 1940-1975 herkend en gekarteerd door bodemkundigen van de Stichting voor Bodemkartering in Wageningen, en gekenschetst als zogenaamde ‘oude woongronden’.
3.3 Protohistorie: Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) De Romeinse tijd begon in 15 voor Chr. toen keizer Augustus het huidige Nederland, België en Frankrijk inlijfde en ging inrichten als uitvalsbasis voor de verovering van het huidige Duitsland tot aan de Elbe. In de eerste vijftig jaar na het begin van de j aartelling kwamen de Friezen tweemaal in opstand tegen de Romeinen, waardoor de Romeinen hun grootscheepse aanval op het noorden afbliezen. In deze periode werd de noordelijke Rijntak, de Nederrijn, tot rijksgrens aangewezen. Een stelsel van grensforten (castella) moest deze grens bewaken. Deze grens staat bekend als de Limes. Op de befaamde Tabula Peutingeriana, een middeleeuwse kopie van een Romeinse wegenkaart, staan de belangrijkste legioenplaatsen (castra, zoals Noviomagi ofwel Nijmegen), forten (caste lla) en bijbehorende vici (militaire nederzettingen bij een castellum) vermeld. Er bestonden ook niet-militaire vici. Langs het Gelderse deel van de limes lagen in de midden-Romeinse tijd (circa 70-270 na Chr.) naast de enige Nederlandse castra (in Nijmegen) circa tien castella. 100 Veel vermoedelijke castella langs de Gelderse limes zijn als gevolg van de voortdurende activiteit van de Rijn verspoeld door het water. Het onderzoeksgebied lag circa 10 tot 15 km ten zuiden van de limes in een streek die werd gedomineerd door de Bataafse cultuur.
100
Van der Heijden 2016
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[78]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 41. De votiefsteen voor Iseneucaega (bron: vici.org).
Na de Batavenopstand in 69 na Christus trad een langdurige relatief vreedzame periode in. Mede hierdoor ontstond in met name de 2e eeuw na Christus welvaart in het rivierengebied. In de 1e en 2e eeuw na Christus nam de bevolking sterk toe. In en rond het onderzoeksgebied komen dan ook tientallen nederzettingen (zoals het Romeinse villaterrein nabij Zennewijnen) en enkele grafvelden (nabij Opijnen, Varik en Passewaaij) voor uit deze periode. In het onderzoeksgebied ligt bovendien een zeer omvangrijk Inheems Romeinse nederzettingsterrein (Waardenburg -De Woerden). 101 Ter hoogte
101
ARCHIS, 2016
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[79]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
van Passewaaij ligt buiten het plangebied een tweede omvangrijk nederzettingsterrein dat dateert uit de Romeinse tijd. 102 Dergelijke nederzettingen bestonden uit meerdere boerenerven en lagen op meandergordels die niet of nauwelijks meer actief waren.
Figuur 42. Sterk vereenvoudigde weergave van het bewoningspatroon gedurende de Romeinse tijd (a); Merovingische tijd (b); Karolingische tijd (c); Late Middeleeuwen (d).
Als gevolg van de aanwezigheid van de Romeinse militaire organisatie in het gebied ontstond er een grote afzetmarkt voor agrarische producten. Hierbij werd vermoedelijk het grootste deel van de voor landbouw geschikte bodems in het rivierengebied benut. De archeologische vondsten uit deze periode bestaan voor een groot deel uit typisch Romeinse producten (zoals gedraaid aardewerk). De bevolking nam veel van de Romeinse levenswijze over, ook in religieus opzicht. Tevens leverden de Bataven troepen aan het Romeinse leger en zelfs aan de keizerlijke lijfwacht. Waarschijnlijk als onderdeel van de bezettings- en pacificatiestrategie namen de Romeinen ook inheemse elementen over. Er vond ten dele een versmelting plaats van inheemse en Romeinse godheden, zoals blijkt uit de aanwezigheid van Gallo-Romeinse tempels in het rivierengebied. Een massief zilveren armband uit de genoemde nederzetting bij Waardenburg, is opgedragen aan de godheid Hercules Magusanus, die zowel kenmerken had van de Romeinse halfgod Hercules als een van een inheems -Bataafse god. Dergelijke sieraden werden als votiefgeschenk in tempels aan godenbeelden gehangen. Een kalkste nen votiefsteen uit de uiterwaard van Zennewijnen is gewijd aan de van elders onbekende godin Seneucaega, die op de steen wordt afgebeeld als Diana, de Romeinse godin van de jacht. Op de steen
102
Heeren 2006: 55-57
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
[80]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisat ie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
wordt vermeld dat bij de oprichting in het jaar 222 ook een aedicula werd gebouwd, waarschijnlijk een klein tempeltje. Tegen het eind van de 2e eeuw na Chr. kwam aan de relatief rustige en voorspoedige periode een eind door herhaaldelijke invallen van Germaanse stammen. Vanaf die periode vertoonde de Romeinse macht in het gebied tekenen van instabiliteit. Voor het eerst sinds eeuwen daalde het bevolkingsaantal. De twee daaropvolgende eeuwen werden gekenmerkt door een afwisseling van perioden met invallen en herstel van de Romeinse grensverdediging. De Romeinse overh eersing in Nederland eindigde definitief met een grootschalige inval van Germanen in 406 na Chr. Dit ging samen met een sterke terugval van de bevolkingsdichtheid en een afname van het areaal landbouwgrond. Er was echter geen sprake van een totale ontvolking, hetgeen blijkt uit vondsten en uit de overleving van plaatsnamen uit de Romeinse tijd, zoals Hier (Waardenburg), Neerijnen en Opijnen (Inen) en Varik. 103