RV2021-001 Bijlage BNR, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert Gemeente Neerijnen
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert NL.IMRO.1960.OPHmolenstraat45-ONT1 ontwerp 24 juni 2019 58.95.03
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Mevrouw A. Kranendonk
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Dhr. E. Stevens Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl
2 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3 6.4
5 Inleiding Aanleiding voor het bestemmingsplan Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Geschiedenis en huidige situatie Toekomstige situatie Impressie toekomstige woning Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer en parkeren Cultuurhistorie en archeologie Economische uitvoerbaarheid Juridische planbeschrijving Algemeen Wijze van bestemmen Procedure Algemeen Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Verslag inspraak Verslag zienswijzen
6 6 6 7 8 8 10 11 14 14 15 16 18 18 26 28 30 30 32 33 33 33 35 35 35 35 35
Bijlagen bij de toelichting
36
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
37 38 39 40 41 42
Verkennend bodemonderzoek en partijkeuring Akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna Ecologische voortoets stikstof Beoordeling ecologische voortoets vooroverleg reactie provincie Gelderland
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
3
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
4 Ophemert
44 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Agrarisch Wonen Waarde - Archeologie 4 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
46 46 50 52 52 53 56 57 57 57 57 57 58 59 59 61 61 61
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
Toelichting
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
Voorliggend bestemmingsplan is tot stand gekomen tijdens de samenvoeging van de gemeentes Neerijnen, Geldermalsen en Lingewaal tot de gemeente West Betuwe. Overal waar in navolgende tekst de gemeente Neerijnen wordt genoemd, kan gemeente West Betuwe worden gelezen.
1.1
Aanleiding voor het bestemmingsplan
Ter plaatse van de Molenstraat 45 in Ophemert bevindt zich een woonperceel. Op dit perceel stond tot voor kort een noodwoning, welke is afgebrand in 2015. Initiatiefnemer is voornemens deze woning te herbouwen en de gehele woonbestemming van 2.590 m² te verplaatsen naar het naastgelegen perceel. 40 jaar geleden was op de nieuwe locatie een boerderij aanwezig, deze is destijds verloren gegaan in de oorlog. Met realisatie van de woning wordt de oude bebouwingstructuur hersteld. De gemeente Neerijnen heeft op 14 augustus 2018 het door de initiatiefnemer ingediende principeverzoek ten aanzien van de ontwikkeling positief beoordeeld. De ontwikkeling past echter niet in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017'. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Molenstraat 45 in Ophemert, in het buitengebied nabij Neerijnen. Het perceel bevindt zich op circa 500 m ten westen van de kern Ophemert. De directe omgeving van het plangebied betreft een agrarisch gebied. Ten oosten van het perceel is rivier de Waal en nevengeul De Kil gelegen. De navolgende afbeelding toont de ligging van het plangebied.
Ligging plangebied (Bron: www.openstreetmap.org)
6 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
7
Hoofdstuk 2
Het initiatief
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Geschiedenis en huidige situatie
Aan de Molenstraat 45 in Ophemert was tot voorkort een woning aanwezig. Deze woning, een eenvoudige noodwoning, is recentelijk afgebrand. Op de gronden direct ten oosten van de woning was tot de jaren 40 de boerderij 'De Vliegenest' gelegen. Deze voormalige boerderij is destijds verloren gegaan in de oorlog. Op kaart van 1985 is de noodwoning en de voormalige schuur van de boerderij te zien.
Geschiedenis van het perceel Molenstraat 45 Ophemert (blauw omcirkeld), v.l.n.r. topografische kaarten uit 1870, 1959, 1985, 1998 (bron: topotijdreis.nl)
Toenmalige boerderij op de gewenste locatie Het perceel is direct gelegen aan de Molenstraat ten oosten van de kern Ophemert. In de huidige situatie is het westelijk deel van het plangebied in gebruik als woonperceel en het oostelijk deel als verwilderde tuin, die recent is opgeschoond. Sinds het afbranden van de noodwoning vormt het schuurtje op de achterzijde van het perceel de enige aanwezige bebouwing. Het plangebied is omringt door agrarische percelen en ontsloten door de Molenstraat. Het plangebied en de directe omgeving heeft een landelijk en divers karakter. Langs de Molenstraat zijn aan beide zijden agrarische percelen, bedrijven en woningen gelegen. De Molenstraat betreft een agrarisch lint met een smal profiel. Navolgende afbeeldingen geven het plangebied en de omgeving weer.
8 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
Luchtfoto van het plangebied aan de Molenstraat (Bron: Google Maps)
Huidige situatie van het perceel (Bron: Buro SRO)
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
9
Ligging van het perceel aan de Molenstraat, gezien vanuit het westen (Bron: Buro SRO)
Ligging van het perceel (rechts) aan de Molenstraat, gezien vanuit het oosten (Bron: Google Maps)
2.2
Toekomstige situatie
Initiatiefnemer is voornemens de afgebrande noodwoning te herbouwen en de gehele woonbestemming van 2.590 m² te verplaatsen naar het naastgelegen perceel. De nieuwe woning wordt gebouwd op de plek waar in de jaren 40 zich de oorspronkelijke boerderij van dit perceel zich bevond. Met het voorgenomen initiatief wordt de oude situatie van de jaren 40 hersteld. In het westelijk deel van het plangebied wordt de schuur achterop het perceel en de resten van de afgebrande woning verwijderd waarmee alle overblijfselen van het woongebruik geheel worden verwijderd. In navolgende afbeelding is de nieuwe situatie weergegeven. De gehele woonbestemming is verplaatst naar de oostzijde van het perceel. De nieuwe woning krijgt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter. De woning is landschappelijk ingepast op het perceel en wordt via een nieuwe eigen erftoegangsweg ontsloten. Het parkeren zal plaatsvinden op eigen terrein. In paragraaf 4.4 wordt het aspect verkeer en parkeren nader besproken.
10 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
Plattegrond nieuwe situatie (bron: Bureau Huibers)
2.3
Impressie toekomstige woning
Door Bureau Huibers is een ontwerp gemaakt van de nieuwe woning en het bijgebouw. In de navolgende afbeeldingen is een impressie opgenomen van de nieuwe woning.
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
11
Ten oosten van het hoofdgebouw zal een bijgebouw gerealiseerd worden. Navolgend is een impressie opgenomen van dit bijgebouw.
12 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
Bijgebouw (Bron: Bureau Huibers) Tenslotte is een impressie vervaardigd van de ligging van de woning en het bijgebouw op het perceel, inclusief landschappelijke inpassing.
Impressie ligging toekomstige bebouwing op het perceel aan de Molenstraat 45 (Bron: Bureau Huibers)
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
13
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Gebiedsgericht De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol. In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2). De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien.
Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan. Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen. Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro.
14 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
Ladder duurzame verstedelijking Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Met het voorliggend plan van de herbouw van 1 woning is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve kan er van uit gegaan worden dat voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2
Provinciaal beleid
Algemeen In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.
Deze ambities worden hieronder kort samengevat: Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik De provincie en partners gaan nieuwe ontwikkelingen bezien in samenhang met de bestaande voorraad. Als leidend principe wordt de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik gehanteerd. De juridische basis hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal.
De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
15
Planspecifiek De provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening stellen geen specifieke eisen aan voorliggende locatie. Geconcludeerd wordt dat het initiatief uitvoerbaar is vanuit het provinciale beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Neerijnen 2020 Zowel vanwege de wettelijke verplichting om over een structuurvisie te beschikken, als vanwege beleidsinhoudelijke motieven, wordt momenteel de ‘Structuurvisie Neerijnen 2020’ opgesteld. De structuurvisie is nog niet vastgesteld. Deelproduct 1 van de structuurvisie is gereed en betreft de inventarisatie, knelpunten en keuzes. Voor iedere kern is in dit deel van de structuurvisie in beeld gebracht in hoeverre het vigerende beleid van de provincie (Ruimtelijke Verordening) en de gemeente (Visie Wonen en Werken 2002-2011, Woonvisie Neerijnen) nog overeenstemt met de gewenste ruimtelijke koers. Planspecifiek De locatie van het plangebied is aangeduid als 'zoekzone landelijke versterking'. Het initiatief betreft de herbouw van een recentelijke afgebrande noodwoning op hetzelfde perceel. De stedenbouwkundige en landschappelijke structuur wordt daarmee niet veranderd, het betreft slechts het herstel van de oorspronkelijke situatie ter plaatse. Geconcludeerd wordt dat het initiatief passend in op de locatie. 3.3.2 Visie Wonen en Werken 2002-2011 Met de Visie Wonen en Werken 2002-2011 is uitwerking gegeven aan het Experiment Ruimtelijk Beleid Rivierenland, waarin rond alle kernen contouren zijn bepaald die de grens vormen voor stedelijke ontwikkelingen.
Het doel van de Visie Wonen en Werken was het maken van een integrale ruimtelijke afweging voor de ontwikkeling van woon- en werklocaties binnen de gemeente, op korte en lange termijn. Ten aanzien van het zoeken van ruimte voor woningbouw en bedrijvigheid is aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar het invullen van inbreidingslocaties. De hoofdkoers is gericht op behoud van de huidige ruimtelijke structuur en het accentueren van de eigen identiteit en leefbaarheid van de kernen. Bij nieuwe ontwikkelingen in de kernen is behoud en versterking van de ruimtelijke structuur het uitgangspunt, met respect voor cultuurhistorische en landschappelijke waarden en rekening houdend met de waterhuishouding. Planspecifiek Het initiatief betreft de herbouw van een woning en de verplaatsing van de woonbestemming naar het naastgelegen perceel. Er is daarmee geen sprake van een nieuwe ruimteclaim in het landelijke gebied. Geconcludeerd wordt dat het initiatief passend op deze locatie. 3.3.3 Woonvisie 2012-2020 De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 28 juni 2012 de Woonvisie 2012-2020 en het woningbehoefte onderzoek (2011) vastgesteld. De Woonvisie 2012-2020 is gebaseerd op het woningbehoefte onderzoek dat begin 2011 is uitgevoerd. Deze woonvisie rust op vier uitgangspunten: 1. Behoud van identiteit en het rustieke en landelijke karakter van onze gemeente. 2.
Voldoen aan de woningbehoefte van degenen die graag in onze gemeente willen wonen. 3. Afstemming van het beleid op wat per kern nodig is, rekening houdend met maat en schaal van de dorpen, de noodzaak van koppeling van (zorg)voorzieningen aan het wonen en de ruimtelijke context. 4. Beleidsontwikkeling in samenspraak met Woonstichting De Kernen en Woningbouwvereniging De Goede Woning Neerijnen.
16 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
Planspecifiek Het initiatief betreft de verplaatsing van de woonbestemming en herbouw van een woning. Met de herbouw wordt voldaan aan de woningbehoefte van de eigenaar, door de afgebrande woning te herbouwen op het perceel. Geconcludeerd wordt dat er wordt voldaan aan de beleid van de gemeente en is het initiatief passend op deze locatie. 3.3.4 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt in het planologische regime van het bestemmingsplan 'Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017'. Dit bestemmingsplan is op 06 juli 2017 vastgesteld door de raad van de gemeente Neerijnen. De volgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch' en 'Wonen'. Daarnaast heeft het perceel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' en de gebiedsaanduiding 'overige zone oeverwal - stroomrug'. Direct ten oosten van het perceel betreffen gronden met een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk - 1'. Het realiseren van een woning op de nieuwe positie op het perceel is niet toegestaan, gezien er binnen de bestemming 'Agrarisch' geen woningen mogen worden gebouwd. Om het voorgenomen initiatief mogelijk te maken is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
17
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1
Milieu
4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek Het plangebied ter plaatse van de toekomstige woning verandert van functie van agrarisch naar de bodemgevoelige functie 'Wonen'. Om te kunnen bepalen of de bodemkwaliteit aansluit op het toekomstig functiegebruik is een verkennend bodemonderzoek en een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Daarnaast is voor een partij grond op het perceel een partijkeuring uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op basis van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie onderzocht volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, lood, nikkel, zink, PAK en/of PCB. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met nikkel. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en1,2-dichloorethenen.
Geconcludeerd wordt dat gelet op de aard en mate van verontreiniging er géén reden bestaat voor een nader onderzoek en er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen bestaan voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie, alsmede de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 Er zijn op het maaiveld wel asbestverdachte materialen aangetroffen. Plaatselijk is in de bovengrond asbest aangetoond. Echter, het asbestgehalte bevindt zich beneden het criterium voor nader onderzoek. Partijkeuring Ter plaatse van het plangebied is een partij grond aanwezig. De partijkeuring is uitgevoerd in het kader van het "Besluit bodemkwaliteit" (VROM, 2007). De partijkeuring heeft tot doel de milieuhygiënische kwaliteit vast te stellen van de partij. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarde voor geen enkele onderzochte parameter wordt overschreden. Er is geen asbest aangetoond in de partij. De grond kan daarom worden beschouwd als "schone grond" en is vrij toepasbaar. Afhankelijk van de regio of gemeente waar de grond wordt toegepast kunnen met betrekking tot hergebruik aanvullende voorwaarden of regels gelden.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat gelet op de aard en mate van verontreiniging, er géén reden bestaat voor nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie.
18 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing. De partij grond die gekeurd is is vrij toepasbaar op het perceel. Het verkennend bodemonderzoek, verkennend asbestonderzoek en de partijkeuring is weergegeven in bijlage 1. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor bodem is hiermee aangetoond. 4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor beide stoffen bedraagt de grenswaarde 40 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten.
Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Gevoelige bestemmingen Met het Besluit gevoelige bestemmingen wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.
Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een afstand van 300 meter van een rijksweg of 50 meter van een provinciale weg (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
19
Planspecifiek Onderhavig initiatief betreft slechts de verplaatsing van een woonbestemming naar het naastgelegen perceel en de herbouw van de woning. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit veranderd er niets in de nieuwe situatie, de woning is en blijft van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Daarnaast is er geen verandering in het aantal verkeersbewegingen waarmee het project niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden.
Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Voor dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie bijlage 2). De ontwikkeling ligt buiten de bebouwde kom van Ophemert binnen de geluidzone van de Molenstraat op ca. 33 m uit de as van de weg. De locatie ligt op ca. 165 m van de Waalbandijk, binnen de geluidzone van de weg. De geluidbelasting door wegverkeer op de Molenstraat bedraagt op de zuidgevel ten hoogste 51 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee met 3 dB overschreden. De maximale hogere waarde bedraagt 53 dB voor woningen in buitenstedelijk gebied. Deze waarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de Waalbandijk bedraagt ten hoogste 38 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron ligt niet voor de hand uit financiële overwegingen. Afscherming van alle woonlagen is landschappelijk ongewenst.
Voor de woning dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 51 dB voor wegverkeer op de Molenstraat conform tabel III.2. De volgens het “Beleid hogere grenswaarde weg- en railverkeer gemeente Neerijnen” benodigde compenserende maatregelen zijn aanwezig en bestaan uit een geluidluwe gevel aan de noordzijde en een geluidluwe buitenruimte aan de noordzijde. Geconcludeerd wordt dat voor het aspect geluid sprake zal zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woning daarnaast wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Daarnaast moet er een hogere waarden procedure worden doorlopen. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
20 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
4.1.4 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. In de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor omgevingstypen 'gemengd gebied'" en een 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden per milieucategorie voor de omgevingstypen rustige woon wijk en gemengd gebied. Gemotiveerd afwijken van de richtafstanden is mogelijk als kan worden aangetoond dat de hierboven genoemde doelen worden gewaarborgd. Milieucategorie Richtafstand rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 400 m Tabel: richtafstanden per milieucategorie
Richtafstand gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
21
Planspecifiek In de directe omgeving van de woning komen naast woningen ook andere functies voor zoals (agrarische) bedrijven en voorzieningen. Door de lage dichtheid van deze functies kan de omgeving van het plangebied worden aangemerkt als een rustig buitengebied. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal bedrijven gelegen die van belang kunnen zijn voor de ontwikkeling van de locatie. Het gaat hier om de volgende bedrijven: Adres
Inrichting
Molenstraat 54 Molenstaat 41b
Autobedrijf Tuincentrum, boomkwekerij, hoveniersbedrijf, géén bouwmogelijkhed en bij gronddepot Akkerbouw en 2 fruitteelt (bedrijfsgebouwe n) Kantoor 1 (Bicomed)
Waalbandijk 75
Molenstraat 43
Toelaatbare milieucategorie 2 2
Maatgevende aspect Geluid Geluid
Richtafstand (in m) 30 30
Feitelijke afstand (in m) 73 178
Geluid
30
146
Geluid
10
140
* de gereduceerde richtafstand is tussen haakjes weergegeven Tabel: overzicht relevante bedrijvigheid De voorgenomen woning ligt ver buiten de hindercirkels van de hiervoor genoemde bedrijven. De overige omliggende gronden betreffen akkers en grasland in langdurige pacht bij de initiatiefnemer. Gezien het een veehouderijbedrijf betreft waar de gronden bij horen is omzetting naar boom- en of fruitteelt niet wenselijk en aannemelijk. Geconcludeerd wordt dat het initiatief uitvoerbaar is ten aanzien van het aspect Bedrijven en milieuzonering. Ten aanzien van het huidige gebruik ontstaat er zelfs een lichte verbetering doordat de woonlocatie wordt verschoven in de richting van het grasland. 4.1.5 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb).
Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. 22 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Voor inrichtingen geldt dat verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer sprake is van toename van het aantal personen (en daarmee een toename van het groepsrisico) of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Planspecifiek Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart, plangebied aangegeven met blauw Uit raadpleging van de risicokaart volgt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied, maar buiten de 200 meter zone, van de Waal en is er een buisleiding gelegen ten noorden van het perceel.
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
23
Vervoer gevaarlijk stoffen over de Waal Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Overige transportroutes over het water, het spoor en/of over de weg zijn hier niet relevant. Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 13 mei 2019 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd.
Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Toelichting op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor de aardgasleiding Het maatgevende scenario met betrekking tot de aardgastransportleiding A-555 is een fakkelbrand door een leidingbreuk ter hoogte van het plangebied. De kans op een dergelijk ongeval is zeer klein, maar de mogelijke gevolgen kunnen groot zijn. Het advies van de Veiligheidsregio d.d. 13 mei 2019 inzake deze thema's is verwerkt in navolgende alinea's. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bestrijding van het maatgevende scenario is in beginsel niet mogelijk. Uitgaande van een fakkelbrand ter hoogte van het plangebied, moet men er vanuit gaan dat vanwege de intense hittestraling de brandweer het plangebied pas kan betreden, nadat de fakkel gedoofd is. Op dat moment kan begonnen worden met de bestrijding van door de fakkelbrand ontstane omgevingsbranden. De fakkel zal pas doven nadat de Gasunie de leiding heeft afgesloten, dit kan tot een uur na aanvang duren. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer zich daarnaast inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron.
De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Uitgaande van een fakkelbrand op een ongunstige locatie, dicht bij het plangebied, moet men er rekening mee houden dat het pand binnen korte tijd zal gaan branden. Gezien de intense hittestraling is het waarschijnlijk niet mogelijk om het plangebied te ontvluchten. Bij een fakkelbrand ter hoogte van het plangebied is het dan ook waarschijnlijk dat bewoners dit niet zullen overleven. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Gezien de ligging in de directe nabijheid van de gasleiding zal allereerst de afweging moeten worden gemaakt of men wel of niet op deze locatie wil bouwen. Hierbij kan de zeer kleine kans een overweging zijn, waarbij men wel rekening moet houden met potentieel grote gevolgen als het scenario zich toch voordoet.
Op deze afstand van de leiding zijn er feitelijk geen zinvolle effectmaatregelen te treffen.
24 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
Conclusie vervoer gevaarlijk stoffen over de Waal Het aspect externe veiligheid is hier relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat vanwege de aanwezige transportroutes geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid. Buisleiding De buisleiding ten noorden van het plangebied ligt op geruime afstand (80 meter). De buisleiding heeft een plaatsgebonden risico uitsluitend ter plaatse van de buisleiding. Het uitvoeren van groepsrisicoberekeningen is vooral van belang om te bevestigen dat het berekende groepsrisico lager is dan 10% van de oriënterende waarde, waardoor geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig is. Gelet op de zeer lage personendichtheid binnen de 100% letaliteitszones (tot 190 m) van het relevante traject van de buisleiding A555 (tot 1 km aan weerszijden van het plangebied), mag worden verwacht dat het groepsrisico verwaarloosbaar is. In ieder geval is het groepsrisico ruimschoots lager dan 10% van de oriënterende waarde. Hierdoor is het duidelijk dat geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig is.
Bovendien is er tevens geen verandering van het groepsrisico gezien het initiatief slechts een verplaatsing betreft van de woonbestemming naar het naastgelegen perceel, waarmee er geen sprake is van een toename van het aantal personen ter plaatse. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Calamiteiten met hogedruk aardgastransportleidingen doen zich alleen voor als een leiding beschadigd raakt en gas ontsnapt. Bestrijding van een gasontsnapping door de hulpdiensten is niet mogelijk. Hiervoor is het noodzakelijk dat de leidingbeheerder (Gasunie) de leiding inblokt (afsluit). Na dit inblokken zal echter nog geruime tijd gas vrij blijven komen. Bij ontsteking zal een grote fakkelbrand ontstaan. De inzet van de hulpdiensten zal dan gericht zijn op het voorkomen en bestrijden van secundaire branden. Gezien de omvang van het te verwachten effectgebied zal over het algemeen de inzet van een brandweercompagnie (ongeveer honderd man brandweerpersoneel en bijbehorend materieel) noodzakelijk zijn. Volgens de landelijke richtlijn vergt het formeren van een brandweercompagnie circa 45 minuten. Gezien de hoeveelheid personeel, materieel en de omvang van het te verwachten effectgebied dienen de bereikbaarheid en de blus-/ koelwatervoorzieningen vooral op wijkniveau te worden beoordeeld.
Hoewel dit locatiespecifiek is, zijn hier op voorhand geen grote problemen bekend of te verwachten. Het grote aantal personen, dat bij een grote fakkelbrand kan worden getroffen, zal de capaciteit van de geneeskundige hulpverlening in veel gevallen te boven gaan. De gevolgen bij een fakelbrand kunnen wel zeer groot zijn, maar de kans op een dergelijk ongeval zeer klein is. Mogelijkheden voor zelfredzaamheid Bij het ontstaan van een fakkelbrand in de richting van het plangebied is het schuilen in een gebouw, dat ruimschoots buiten de 100% letaliteitsgrens van een fakkelbrand is gelegen, in eerste instantie de beste optie. Na verloop van tijd zal de hittestraling snel afnemen en is ontvluchting van het pand gewenst. In geval van een calamiteit dient tijdig te worden gewaarschuwd. Dit gebeurt normaliter door het in werking stellen van het waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Een fakkelbrand is echter ook zichtbaar, hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen, waardoor de effectieve strategie voor zelfredzaamheid door aanwezigen juist kan worden ingeschat. Conclusie buisleiding Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
25
Conclusie externe veiligheid Aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Bevb en het Bevt wordt voldaan. De voor dit plan relevante risicobronnen (de ondergrondse buisleiding en de Waal) zijn dan ook geen harde belemmering voor het plan. Zowel de belemmeringenstrook van de hogedruk aardgasleiding (5 meter aan weerszijden van de leiding), als het voorkeurstracé buisleidingen vallen niet over het plangebied. Deze leiden dan ook niet tot beperkingen voor het plan, bijvoorbeeld bij eventuele bouw- en graafwerkzaamheden. Daarnaast is er geen sprake van strijdigheid met ambities in de EVvisie van de gemeente Neerijnen. Verder kan worden opgemerkt dat personen in een woning (standaard gebouw) niet voldoende zijn beschermd tegen de gevolgen van een worst-case scenario, maar de kans op een dergelijk scenario is zeer klein. Door de Veiligheidsregio is in haar advies van 13 mei 2019 geconcludeerd dat de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid niet leiden tot maatregelen, waardoor de realisatie van het plan niet haalbaar is. Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid derhalve geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft 26 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Planspecifiek Beleid Waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen.
Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren. Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Voor ontwikkeling met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m² kan een standaardberekening worden toegepast, waarbij wordt uitgegaan van een maatgevende bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt.
Vuistregel daarbij is dat 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak nodig is. Uit deze vuistregel volgt de volgende berekening: Benodigde compensatie = Toename verhard opp (in m²) * 0,0436 Waterplan Neerijnen Waterschap Rivierenland en de voormalige gemeente Neerijnen hebben eind 2010 het waterplan vastgesteld. Dit waterplan bevat een visie, en daarnaast ook een uitvoeringsprogramma met maatregelen in de onderzoeks- en planvormingssfeer en uitvoeringsmaatregelen. Watertoets Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld. Hieruit blijkt dat er ter plaatse van de voorgnomen ontwikkeling van de woning en bijgebouwen geen (beschermingszones van) beschermde
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
27
waterkeringen/watergangen liggen. In de meest uiterste zuidoostelijke hoek van het plangebied loopt een buitenbeschermingszone van De Kil en/of de Waal. Ter hoogte van deze beschermingszone zijn geen ontwikkelingen voorzien. Daarnaast bestaat de oostelijke perceelsgrens uit een B-watergang. De voornomen woning en bijgebouw liggen op een ruime afstand van deze watergang waardoor er geen sprake is van een wederzijdse invloed. Hemelwater Benodigde waterberging Vanuit het gemeentelijk waterbeleid dient hemelwater op eigen terrein geborgd te worden. Het plan voorziet hierin. Om te bepalen of en hoeveel hemelwaterberging er gerealiseerd dient te worden, is het nodig om de toename van het verhard oppervlak te bepalen. Het verharde oppervlakte is daarmee als volgt opgebouwd: Verhard oppervlakte bebouwing = totaal oppervlakte bebouwing = circa 200 m². Verharding op onbebouwde gronden (inrit, parkeerplaatsen, terrassen) = totale oppervlakte onbebouwde gronden x 50% = 0 m² In totaal bevindt zich een verhard oppervlakte van circa 200 m² in het plangebied In de toekomstige situatie is het verharde oppervlakte als volgt opgebouwd: Verhard oppervlakte bebouwing = totaal oppervlakte bebouwing = circa 250 m².
Verharding op onbebouwde gronden (inrit, parkeerplaatsen, terrassen) = totale oppervlakte onbebouwde gronden x 50% = circa 1.375 m² In totaal is er in de toekomstige situatie een verhard oppervlakte van circa 1.625 m². De totale toename van het verharde oppervlakte komt hiermee op 1.625 m² (toekomstig) - 200 m² (bestaand) = 1.425 m². De compensatie is daarmee niet nodig, dit plan is gelegen in het buitengebied en voldoet aan de eisen van het waterschap om in aanmerking te komen voor eenmalige vrijstelling.
4.3
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-012017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
28 Ophemert
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45
Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. In het kader van de Wet natuurbescherming geldt dat altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Van belang is voorts te beseffen dat menig activiteit in het plangebied ook mogelijk is zonder een procedure volgens de Wro.
Voor dagelijkse activiteiten zoals kappen, slopen, dempen van sloten e.a. geldt in het kader van de omgevingsvergunning (t.b.v. de toets aan (voorheen) de Flora en faunawet) dat mogelijk een ontheffing of vrijstelling nodig is. In elk plangebied zijn algemeen beschermde soorten te verwachten (tabel 1 van de Floraen faunawet), zoals konijn, egel en mol. Hiervoor geldt een vrijstelling zonder gedragscode. In elk plangebied zijn tabel 2-soorten op voorhand ook niet geheel uit te sluiten. Hiervoor geldt dat indien een gedragscode gevolgd wordt vrijstelling niet nodig is. De uitvoerbaarheid als bedoeld in de Wro komt hiermee derhalve niet in het geding. Bij de strikter beschermde soorten zoals tabel 3-soorten geldt een strenger regime. In het kader van een Wro-procedure dient aannemelijk te zijn dat indien verstoring onvermijdelijk is voldoende maatregelen genomen kunnen worden. Dit vraagt vooraf nader onderzoek om aannemelijk te maken dat eventuele maatregelen gedragen kunnen worden en uitgevoerd zullen worden. Planspecifiek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage 3. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Daarnaast is er een ecologische voortoets uitgevoerd ten aanzien van de mogelijke stikstofdepositie (zie bijlage 4).
Deze voortoets is beoordeeld en akkoord bevonden door de omgevingsdienst (bijlage 5). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000gebieden, Belangrijk Weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 150m tot het Natura2000-gebied Rijntakken en op circa 150m afstand tot het Natuurnetwerk Nederland wat behoord tot het voorgenoemde Natura2000-netwerk. Uit de ecologische voortoets blijkt dat er geen significant negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied Rijntakken. Ook voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura2000-gebieden voldoende is en dat de mate van deze verstoringsfactoren niet zullen leiden tot een toename.
Buitengebied Neerijnen, Veegplan 2017, herziening Molenstraat 45 Ophemert
29
Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft, behoudens mogelijk boombewonende vleermuizen, aannemelijk geen essentiële functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de oude es fungeert als vast rust- en/of verblijfplaats van vleermuis. Echter is ter plaatse van deze es geen bouwvlak geprojecteerd in voorliggend bestemmingsplan, waarmee er geen hoofd- of bijgebouwen mogen worden gerealiseerd op deze plek. Tevens zijn er geen werkzaamheden voorzien aan deze boom, waarmee aanvullend vleermuisonderzoek achterwege kan blijven. In het geval dat de eigenaar de boom in de toekomst zou willen kappen wordt bekeken of er een kapvergunning noodzakelijk is. Op dat moment zal tevens worden onderzocht of een nader onderzoek naar vleermuizen nodig is. Verder dient voor voorliggende ontwikkeling gedurende de werkzaamheden rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van foeragerende vleermuizen. De planlocatie heeft daarnaast (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. De groenstructuur op de planlocatie is geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels.