CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RAAPrap_4150_GENL4_20210131_deel2.pdf

Informatie en Ontmoeten 2 (Beeldvorming) 9 maart 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 20.02: Beeldvorming harmonisatie erfgoedbeleid15.927 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De verwachte dichtheid aan archeologische resten binnen landschappelijke eenheden moet verder niet verward worden met de waarde van archeologische resten die binnen deze eenheden voorkomen. Een archeologische vindplaats in een gebied met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten is niet per definitie waardevoller dan een vindplaats in een gebied met een lage verwachte dichtheid aan archeologische resten. De waarde van individuele vindplaatsen is namelijk afhankelijk van de criteria gaafheid, zeldzaamheid en de externe (landschappelijke) context, en niet van de ligging binnen een bepaalde verwachtingszone. 23 4. Een vierde kanttekening is de ‘selffulfilling prophecy’. Stel nu eens dat er geheel tegen de verwachting in toch bewoning was in een deelgebied met een lage archeologische verwachting? Bijvoorbeeld omdat landschappen die nu zeer nat zijn – en ongeschikt voor sedentaire bewoning – vroeger veel droger blijken te zijn geweest? De enige manier om aan dit bezwaar tegemoet te komen, is door ook (exploratief) onderzoek uit te blijven voeren in de zones met een lage archeologische verwachting

3.2.5

Vestigingsfactoren en locatiekeuze

Aan bepaalde landschappelijke parameters kan in alle archeologische perioden een vergelijkbare verwachting worden gekoppeld. Voor het rivierenlandschap geldt bijvoorbeeld: hoog en droog/hoge archeologische verwachting, laag en nat/lage archeologische verwachting. Vooral de holocene stroomgo rdels

20

Roymans 1995; Gerritsen 2003: 9

21

Roymans 1995

22

Van Leusen & Kamermans 2005

23

Groenewoudt 1994 315

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

waren hoge en goed herkenbare elementen in het overwegend moerasachtige en dichtbegroeide rivierenlandschap. In het verleden werden zowel oeverwallen als (rest)geulen gebruikt als verbindingsroute tussen verschillende gebieden. Toch zijn wat betreft de locatiekeuzefactoren in de loop van de tijd duidelijke verschillen te onderscheiden. Meest markant zijn deze verschillen tussen jager -verzamelaars enerzijds en landbouwers anderzijds. Jager-verzamelaars (oude en midden steentijd) Een belangrijk kenmerk van de oude en midden steentijd en ten dele ook de nieuwe steentijd is dat de mens in zijn voedselvoorziening voorzag door middel van jagen en verzamelen. Deze zogenoemde jager-verzamelaars trokken door het landschap en verbleven alleen tijdelijk op een be paalde plaats. Bij een analyse van de verspreiding van steentijdvindplaatsen (van jager-verzamelaars) in het rivierengebied blijkt dat de ligging van vindplaatsen van jager-verzamelaars sterk aan bepaalde landschappelijke eenheden is gebonden. In vrijwel alle gevallen zijn de vindplaatsen van jager-verzamelaars te vinden op de overgang van nat naar droog. Dit verband is sterker naarmate deze overgang markanter is (bijvoorbeeld op hoge zandkoppen in laaggelegen gebieden). Een verklaring voor deze sterke rela tie moet worden gezocht in de volgende factoren: 1.

Landschappelijke overgangen worden gekenmerkt door het op korte afstand van elkaar voorkomen van een grote verscheidenheid aan vegetatietypen. Dit brengt voor jager -verzamelaars met zich mee dat er op dergelijke locaties een grote verscheidenheid aan voedselbronnen op korte afstand voorhanden is in de vorm van planten en dieren.

2.

Landschappelijke overgangsgebieden zijn markante en goed herkenbare elementen in het landschap. In het verleden kunnen deze zijn gebruikt als migratieroute tussen verschillende gebieden. De sterke voorkeur voor landschappelijke overgangssituaties is een van de weinige locatiekeuze factoren voor jager-verzamelaars op grond waarvan een ruimtelijk voorspellingsmodel kan worden geformuleerd. Gebieden met een hoge archeologische verwachting voor steentijdvindplaatsen zijn: 1.

oevers van (crevasse)geulen en andere depressies;

2.

ruggen en koppen in natte, laaggelegen terreinen.

In de gemeente West Betuwe zijn tot op heden geen sporen aangetroffen van typische jager -verzamelaarsculturen uit de Steentijd. De oudste sporen hebben betrekking op de middenfase of late fase van de nieuwe steentijd (vroege boeren) waarbij sporen van nederzettingsterreinen zijn aangetroffen en mag worden verondersteld dat het gaat om de eerste boeren van West Betuwe met een sedentaire leefwijze. Desalniettemin dient met name in de omvangrijke zones met oever - en komafzettingen en rivierduinen op grotere diepte rekening te worden gehouden met oudere bewoningssporen van jager-verzamelaars. Hetzelfde geldt voor het onderliggende onverspoelde pleistocene landschap. Hiervan zijn echter de karakteristieken slechts globaal bekend, maar de aanwezigheid van markante opduikingen kan niet worden uitgesloten. Opmerkelijk is dat op de verschillende reeds bekende rivierduinopduikingen in het verleden geen vondsten zijn gedaan die verwijzen naar jager-verzamelaarbewoning of de vroegste boeren (i.t.t. verschillende rivierduinen in de ruimere omgevin g van West Betuwe). Een verklaring hiervoor is het deels afgedekt zijn van deze rivierduinen, het gebruik als grasland en de geringe bodemingrepen die hier tot op heden hebben plaatsgevonden.

Landbouwers (vanaf de nieuwe steentijd) Met de introductie van landbouw in de loop van de nieuwe steentijd stelde de mens geleidelijk andere eisen aan zijn landschappelijke omgeving. De locatiekeuze werd steeds meer bepaald door de mate 316 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

waarin gronden geschikt waren voor de akkerbouw. De eerste landbouwers hadden nagen oeg geen technische middelen om de bodemstructuur en -vruchtbaarheid te verbeteren (de oudst bekende zeer primitieve ploeg dateert bijv. uit de ijzertijd). Oogstrisico’s werden direct bepaald door de fysische eigenschappen van het landschap. Belangrijke pa rameters waren grondwaterregime, natuurlijke vruchtbaarheid, bewerkbaarheid van de bodem en areaal geschikte landbouwgrond. Tot de gebieden met een hogere archeologische verwachting voor sporen van de vroegere landbouwgemeenschappen moeten in de eerste plaats de relatief hooggelegen fossiele meandergordels worden gerekend. In het rivierengebied worden de meandergordels over het algemeen gekenmerkt door een hoge dichtheid aan archeologische vindplaatsen uit de prehistorie en latere archeologische perioden. Over het algemeen geldt tevens een middelmatige tot hoge verwachting voor gebieden met relatief hooggelegen oeverafzettingen en crevasse-systemen (de oeverwallen). In sommige delen van het rivierengebied geldt ten aanzien van de oeverzones een sterke relati e tussen bewoningsdichtheid (en archeologische verwachting) en afstand tot de corresponderende meandergordel. Dit doet zich met name voor in gebieden met grote kommen en een eenduidig patroon van meandergordels met belendende oeverzones.

In het geval van W est Betuwe, met een wirwar van elkaar kruisende fossiele rivierlopen en crevasse-systemen, is dit verband minder duidelijk. Naast reliëf en bodemkwaliteit kan de aanwezigheid van voormalig open water in de vorm van restgeulen worden genoemd als locatiekeuz efactor. In het rivierengebied zijn resten van bewoning uit de IJzertijd en Romeinse tijd met name te vinden langs restgeulen, die fungeerden als natuurlijke, bevaarbare verbindingen tussen bewoningsconcentraties. 24 Behalve de zandige meandergordels (beddingafzettingen) en de hieraan grenzende oeverzones (samen de stroomgordel) vormden in het rivierengebied ook de hoger gelegen rivierduinen aantrekkelijke locaties voor bewoning en beakkering. Binnen de gemeente West Betuwe zijn deze echter zeer geïsoleerd en van zeer beperkte omvang en lijken deze van weinig betekenis te zijn geweest voor landbouwactiviteiten. Komgebieden vormden vanaf de introductie van de landbouw veel minder aantrekkelijke locaties voor bewoning. In deze van oudsher laaggelegen en natte ge bieden is de dichtheid aan (bekende) archeologische vindplaatsen in het algemeen dan ook veel geringer, uitgezonderd specifieke activiteiten zoals het eendenkooien. Het rivierengebied heeft een grote dichtheid aan eendenkooien gekend. De eendenkooien (‘vogelkoyen’) voorzagen de toenmalige bevolking van eiwitrijk en redelijk goedkoop voedsel.

Grote hoeveelheden gevangen eenden vonden hun weg via Maas, Waal, Lek en Linge naar de snel groeiende steden in het westen van Holland. In de Tielerwaard en met name in de huidige gemeente West Betuwe lagen de kooien mannetje aan mannetje. Indien zandige oeverafzettingen in de kom voorkomen, neemt de geschiktheid voor bewoning sterk toe. Een specifiek voorbeeld hiervan zijn de crevasse-afzettingen. Deze afzettingen zijn vaak diep in komgebieden doorgedrongen, waarbij ze smalle, hoger gelegen en relatief zandige ruggen kunnen vormen te midden van kleiige komafzettingen. In sommige gevallen zijn crevassen langere tijd watervoerend geweest en kunnen ze worden beschouwd als kleine stroomgordels. Door hun geringe omvang zijn waarschijnlijk veel crevassen binnen de gemeente West Betuwe nog niet in kaart gebracht.

24

Van der Heijden 2020; Van der Heijden & Verhelst 2020 317

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

3.2.6

De archeologische verwachtingen

Binnen de gemeente West Betuwe kan op basis van de ouderdom van individuele stroomgordels, de geologische ontstaansgeschiedenis, geomorfologie en bodemgesteldheid, onderscheid worden gemaakt in vier landschapstypen met een eigen karakter en periode-specifieke archeologische verwachting (kaartbijlage 1): - rivierduinen; - fossiele rivierbeddingen en restgeulen; - gebieden met oeverafzettingen en crevassen; - komgebieden. Rivierduinen Pleistocene terrasresten en rivierduinen vormen in het rivierengebied op veel plaatsen de hoogste en oudste landschappelijke eenheden. Ze kunnen gedurende duizenden jaren hooggelegen terreinen hebben gevormd die aantrekkelijk waren als vestigingslocatie. Op de meeste markante pleistocene opduikingen in het rivierengebied zijn archeologische vindplaatsen bekend. Binnen de gemeente West Betuwe is dit vooralsnog niet het geval. In het algemeen kan gesteld worden dat naarmate de opduikingen hoger en groter zijn, de dichtheid aan (bekende) vindplaatsen toeneemt. Voor de (bekende) pleistocene opduikingen binnen het gemeentegebied van West Betuwe geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit alle archeologische perioden.

Fossiele rivierbeddingen Op basis van de gunstige geomorfologische en bodemkundige kenmerken kan aan de verschillende fossiele rivierbeddingen (in jargon: meandergordels) van West Betuwe in principe een middelmatige tot hoge archeologische verwachting worden toegekend. In de eerste plaats vormden de fossiele meandergordels relatief hoge zones in het holocene rivierenlandschap met een relatief lage overstromingsfrequentie. Ze fungeerden als veilige woonlocatie en natuurlijke verbindingsroute. In de tweede plaats waren (en zijn) de relatief zandige afzettingen gunstige landbouwgronden met een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en een goede bewerkbaarheid. Een derde gunstige locatiekeuzefactor betreft de aanwezigheid van restgeulen. Behalve het belang van de nabijheid van open water (drinkwater, waswater, etc.), kunnen de restgeulen gezien worden als natuurlijke transport- en verbindingsroutes in het rivierenlandschap. De specifieke archeologische verwachting voor een meandergordel is met name afhankelijk van de ouderdom van de afzettingen en de mate waarin die zijn afgedekt door jongere afzettingen (figuur 8 en figuur 9). Van de zeer oude en diep gelegen meandergordels zijn geen archeologische vindplaatsen bekend.

Indien archeologische sporen zich hier voordoen, zullen deze betrekking hebben op het vroeg Neolithicum of mogelijk zelfs laat Mesolithicum (figuur 8): een periode waarvan tot op heden in het rivierengebied relatief weinig bekend is en waarvan het aantal vindplaatsen op één hand te tellen is. Mogelijk speelt de geringere bevolkingsdichtheid hierbij een rol, hoewel vooral de diepe ligging goed gedocumenteerde waarnemingen vrijwel onmogelijk maken. De verschillende prehistorische meandergordels in het noordelijke komgebied (Schaik, Schoonrewoerd) worden gekenmerkt door slechts enkele bekende vindplaatsen. Wel liggen ze door de ondiepe vaste zandondergrond als hogere zandige ruggen in het landschap (§3.1) en lijken als zodanig toch aantrekkelijk te zijn geweest voor bewoning. Een enkele bekende vindplaats, geeft aan dat deze zones inderdaad gedurende een lange periode (Neolithicum-Middeleeuwen) bewoonbaar moeten zijn geweest. Het

318 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

tot op heden vrijwel ontbreken van structureel archeologisch onderzoek op de meandergordels in de noordelijke kom lijkt een belangrijke verklaring voor de geringe vindplaatsdichtheid. De meandergordels van Schoonrewoerd en Schaik geraken in het Laat Neolithicum buiten werking en liggen dan als hoog opgeworpen zandige ruggen in het landschap. Deze zijn dan ook aantrekkelijk voor bewoning vanaf de gevorderde nieuwe steentijd, wat bevestigd wordt door tijdens structureel archeologisch onderzoek vastgestelde archeologische vindplaatsen. Voor Eigenblok betreft het de onderzoeken in het kader van de Betuweroute. Voor de Schoonrewoerd betreft het archeologische onderzoeken in het kader van woningbouw in het aangrenzende Culemborg. Terwijl de beide meandergordels tot in de IJzertijd goed bewoond lijken, is onduidelijk in hoeverre deze in de Romeinse tijd en Middeleeuwen nog aantrekkelijk waren voor bewoning (bekende vindplaatsen uit deze perioden ontbreken). Van de Schoonrewoerdse stroomgordel is het op grond van vastgestelde diep wegduikende vondstlagen bij een nederzettingsterrein in het Culemborgse deel waarschijnlijk dat de restgeul in ieder geval nog in de IJzertijd open water bevatte.

Net als in de vroege fase van de nieuwe steentijd is vooral ook in de ijzertijd een en groot aantal rivierlopen actief binnen de gemeentegrenzen van West Betuwe (figuur 8) en dan voornamelijk in het gebied ten zuiden van de jongere Lingestroomgordel. Uitgaande van optimale bewoningsmogelijkheden vanaf het moment dat een geul over zijn bloeifase heen is, zijn deze meandergordels qua archeologische verwachting sterk vergelijkbaar: er komt een relatief hoge dichtheid aan vindplaatsen op voor uit de ijzertijd en Romeinse tijd. Hoewel het landbouwareaal beperkt was, vormde de aanwezigheid van open water in de vorm van restgeulen vermoedelijk een doorslaggevende factor in de exploitatie van de smalle meandergordels in de zuidelijke kom van West Betuwe in de Romeinse tijd. In hoeverre deze laat-prehistorische meandergordels nog aantrekkelijk waren voor bewoning in de middeleeuwen, is niet met zekerheid te zeggen. Eenduidige vroeg- of laatmiddeleeuwse vindplaatsen ontbreken nagenoeg en de bewoning lijkt zich over het algemeen nadrukkelijk te concentreren in dorpskernen langs de Linge. Ook het ontbreken van laatmiddeleeuwse kasteelterreinen op grotere afstand van de Linge is opvallend. Uitzondering vormt het meandergordelcomplex Meteren-Bommel met omliggende oeverzones.

In dit omvangrijke gebied met potentieel akkerareaal lijkt sprake te zijn geweest van een intensieve, gespreide bewoning gedurende de middeleeuwen, naast bewoning in de dorpskernen van Geldermalsen en Meteren. Meandergordel van de Linge De Linge betreft een zeer jong riviersysteem, dat na de ontwikkeling vanaf ca. 190 BCE tot in de laat Romeinse tijd (tot ca. 325 CE.) een korte maar hevige actieve fase kende. De Linge vormde gedurende die bloeifase als enige actieve riviertak in de omgeving van Tiel dé benedenloop van de zuidelijke Rijnloop. De overige in de Late IJzertijd nog actieve meandergordels raakten met de totstandkoming van de Linge definitief buiten werking, met uitzondering van een tijdelijke reactivering van restgeulen van deze meandergordels tot in de Romeinse tijd. 25 De meandergordel van de Linge heeft een gemiddelde breedte van ca. 800 m, hetgeen indicatief is voor de kracht waarmee de meanderbochten enkele eeuwen actief zijn geweest. Grote delen van de eerder gevormde meandertreinen zijn hierbij opgeruimd. Verschillende Romeinse schepen uit de 3e eeuw na Chr. zijn langs de Linge gevonden (Kapel -Avezaath, Kerk-Avezaath, Tiel) wat aangeeft dat de rivier toen bevaarbaar was. 26 Een van de schepen heeft een datering tussen AD 124-257. Er zijn ook sporen van Karolingische leeftijd en vroege tot late

25

Törnqvist 1994: 142; Berendsen 1990; Gouw & Erkens 2007

26

Van der Heijden 2020; Van der Heijden & Verhelst 2020 319

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

middeleeuwen. Ten noordoosten van Kapel-Avezaath ligt een gedeelte van een meandergordel waarvan de genese op grond van onder andere morfologie en archeologische vindplaatsen lijkt samen te hangen met de ontwikkeling van de Linge in een vroege fase. Hier komen diverse vindplaatsen voor waaronder nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd t/m de Late Middeleeuwen. 27 Met de ontwikkeling van de Waalstroomgordel stroomafwaarts van Tiel in de Laat Romeinse tijd (ca. AD 325.) was het gedaan met de functie van de Linge als hoofdafvoer van de zuidelijke Rijnloop hoewel de rivier in de eerste helft van de 8e eeuw CE een kortstondige, maar heftige reactivering gekend heeft. 28 Hierbij is onder meer (de crevassegeul) de Daver bij Kerk -Avezaath ontstaan, maar wellicht ook de ‘rivier’ De Soel (in en noordelijk van Zoelen), die in 788-789 als Solina in een oorkonde van Echternach voorkomt. 29 Een andere crevasse van de Linge is gedateerd tussen AD 882 -1021. Na die tijd raakte de Linge geleidelijk buiten werking, hetgeen uiteindelijk werd bezegeld met de afdamming van de rivier tussen 1259 en 1304 en de bedijking van het winterbed (13e/14e eeuw). 30 Als een van de weinige restgeulen in het rivierengebied is de restgeul van de Linge nog steeds watervoerend en bevaarbaar, hoewel deze daarvoor wel actief wordt opengehouden.

Restgeulen Restgeulen vormen binnen de meandergordels een bijzondere landschappelijke eenheid met een zeer specifieke archeologische verwachting. Hoewel de kans op het voorkomen van nederzettingssporen hier in principe laag is, dient met name in de oeverzones rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van zeer goed geconserveerde resten van nabijgelegen nederzettingen (o.a. afvalzones, kadewerken en beschoeiingen). Daarnaast is er in restgeulen een relatief hoge kans op het voorkomen van (resten van) vaartuigen. 31 Deze verwachting is van toepassing voor alle restgeulen, onafhankelijk van de datering. Ook in het brede dal van de Linge, dus niet alleen in de huidige waterloop, kunnen belangrijke goed geconserveerde resten uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen voorkome n. Dit is met name het geval in de nabijheid van de middeleeuwse dorpskernen en de vroegere nederzettingsterreinen. Oeverafzettingen en crevassen De oeverafzettingen buiten de meandergordels zijn de overgangszones tussen de meandergordels en de komgebieden. Vooral in zones direct tegen de meandergordel kunnen de oeverafzettingen relatief hoog liggen ten opzichte van de omgeving.

Deze zones direct grenzend aan de meandergordels hebben vergelijkbaar gunstige geomorfologische en bodemkundige eigenschappen als de oeverafzettingen binnen de meandergordels; hiervoor geldt in principe dan ook een hoge archeologische verwachting. Bij de kartering van de meandergordels is met name gebruik gemaakt van de detailbodemkarteringen en de gegevens uit het proefschrift van Harm-Jan Pierik (Pierik 2017). De lagere kleiige delen van de oeverzones kennen een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen. Op veel plaatsen langs vooral de oudere meandergordels kan geen oeverzone worden gedefinieerd en ontbreken archeologische vindplaatsen volledig. In het middendeel van de zuidelijke kom liggen diverse nederzettingsterreinen daarentegen op relatief grote afstand van de meandergordels, waar vooralsnog geen duidelijke

27

Niet uitgesloten kan worden dat het een restant van een oudere fossiele meandergordel betreft (bijvoorbeeld de Bommelse meandergordel).

28

Zie over deze fase ook W illemse 2019 : 313; Toonen et al. 2013 29 Mondelinge mededeling E.M.P. Verhelst. 30

Wientjes 2001

31

Van der Heijden 2020; Van der Heijden & Verhelst 2020 320

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

landschappelijke verklaring voor is te geven. Vermoedelijk liggen hier nog niet gekarteerde crevassesystemen aan ten grondslag, waarlangs of waarop deze nederzettingen zijn gesitueerd. De periode-specifieke archeologische verwachting voor oeverafzettingen wordt bepaald door de ouderdom van de afzettingen en de afstand tot de meandergordel. Daarnaast zijn op veel plaatsen in de gemeente West Betuwe de oeverzones opgebouwd uit meerdere fasen van stroomgordels (figuur 8). Hierdoor is op veel plaatsen geen eenduidig onderscheid te maken in stroomgordelspecifieke oeverzones. Crevassen Crevassen, ook wel oeverwaldoorbraakafzettingen genoemd, liggen in dezelfde landschappelijke zones als de oeverafzettingen. Evenals oeverafzettingen zijn de crevasse-afzettingen relatief zandig. Behalve door hun ontstaanswijze, onderscheiden crevassen zich van de oeverafzettingen op grond van geomorfologische kenmerken (langgerekte vorm dwars op de ligging van de meandergordel) en (in veel gevallen) de aanwezigheid van een crevassegeul van waaruit deze is opgebouwd. Mede door de vaak iets hogere ligging en meer zandige textuur vormen de crevassen binnen de zones met oeverafzettingen de meest kansrijke zones voor het voorkomen van bewoningssporen uit het verleden.

Voor reeds bekende crevassen dient derhalve te worden uitgegaan van een hoge archeologische verwachting, waarbij de specifieke datering afhankelijk is van de ouderdom van de corresponderende meandergordel. Komgebieden De komgebieden zijn de laagst gelegen delen van het rivierenlandschap met een van oorsprong hoge grondwaterstand en een kleiige profielopbouw. Binnen het holocene rivierenlandschap vormden de komgebieden ongeschikte locaties voor bewoning . Andere activiteiten, zoals van militaire aard of activiteiten die te maken hadden met jacht/voedselvoorziening en grondstofwinning (hout, riet, klei) vonde n hier wel plaats Aan komgebieden is echter in principe een lage verwachte dichtheid aan archeologische (bewonings)resten toegekend. Meer nog dan voor de oeverafzettingen geldt echter voor de komgebieden dat rekening moet worden gehouden met een intact onderliggend pleistoceen rivierenlandschap (vanaf circa 6 tot 8 m -Mv en dieper, zie figuur 1): een landschap dat tot in het Vroeg Neolithicum dagzoomde en het jachtterrein en leefgebied vormde voor de toen rondtrekkende jager-verzamelaars. Ter hoogte van markante zandopduikingen en nabij geulinsnijdingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van vindplaatsen uit de Steentijd.

De ligging van mogelijke afgedekte pleistocene opduikingen in komgebieden is aan de hand van de beschikbare gegevens echter onvoldoende nauwkeurig aan te geven. Oude woongronden en woerdgronden Oude woongronden zijn de woonplaatsen uit de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen die in bodemkundige worden gekenmerkt door een grijs tot zwart gekleurde laag met veel houtskool, aardewerkscherven en dierlijk bot. Ze zijn soms met het blote oog zichtbaar als lage welvingen in het landschap: heuvels van enkele decimeters tot anderhalve meter hoogte. Deze kunnen tot op heden bebouwd zijn met huizen, liggen soms midden in dorpen, of vormen de stille getuige van een bewogen verleden in onbebouwde akkers en boomgaarden. Woerdgronden (bodemkundig: hofee rdgronden) zijn bodems die zijn ontstaan op de akkers rondom de nederzettingen en die door intensief gebruik een donkere bovengrond hebben verkregen, soms vermengd met bemestingsafval. Vooral de o ude woongronden worden daarom vaak gekenmerkt door het voorkomen van bewoningsresten (huisplattegronden en andere erfstructuren, begraafplaatsen) uit zowel de late prehistorie als de Romeinse tijd en de middeleeuwen. De

321 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

oude woongronden zijn deels gekarteerd tijdens de bodemkarteringen voor de ruilverkavelingen, waarbij een donker gekleurde humeuze laag is herkend. Soms betreft het archeologische bodemkarteringen.

3.3 Thematische laag historische nederzettingslocaties Aan het kaartbeeld van de nieuwe archeologische vindplaatsen- en verwachtingenkaart (kaartbijlage 2) zijn - op basis van de historische kaartinventarisatie - bouwblokken, stads- of dorpskernen, kasteelterreinen en ander elementen toegevoegd die een archeologische relevantie hebben. Deze zijn zoals eerder vermeld niet opgenomen in de vindplaatscatalogus. Wel is voor deze gebieden een nieuwe verwachtingseenheid, die van de zeer hoge archeologische verwachting, aan de verwachtingslaag toegevoegd. Reden is de sterke correlatie tussen deze terreinen en elementen en het voorkomen van archeologische resten. 32 De (vaak) middeleeuwse kernen worden gekenmerkt door een hoge bewoningsdichtheid gedurende vele eeuwen. De kans op het voorkomen van bewoningssporen uit de middeleeuwen en de periode van 1500 (nieuwe tijd) is hier dan ook zeer hoog. Op tal van historische en in veel gevallen monumentale boerderijlocaties gaat de bewoningsgeschiedenis vermoedelijk terug tot in de 16e eeuw of zelfs vroeger; per locatie zal dit echter aan de hand van historisch onderzoek nader dienen te worden onderzocht. De relevante terreinen van kaartbijlage 4 zijn op de geactualiseerde vindplaatsen- en verwachtingenkaart integraal overgenomen opgenomen.

In het GIS-bestand van het kadastrale minuutplan zijn allereerst alle relevante percelen met ‘ja’ gemarkeerd (attribuut arch_rel=ja) met ‘ja’ gemarkeerd. Het gaat dan vooral om erven met achterliggende (moes)tuinen, grachten en dijken. Uit het bestand GENL4_landschappen_vlak zijn de buitengrenzen van de buitenplaatsen, kasteelterrein, geconcentreerde bebouwing, forten en steenfabrieksterreinen opgenomen. Uit de bestanden GENL4_waterstaat komen de historische dijken en kades en de locaties van bruggen, poldermolens, sluizen, stuwwen en gemalen alsmede de ligging van de opgehoogde woonplaatsen (woonheuvels/pollen).Uit het bestand GENL4_militair_punt zijn alle puntlocaties overgenomen, samen met de loopgraven, grachten, stadsmuren en inundatiedijken en zones met (mogelijk) militaire resten. Zie voor de beschrijving en achtergronden van de verschillende historische elementen het rapportdeel 3, hoofdstuk 4.

32

De Groot e.a. 2011 322

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

3.4 Aangeleverde gistabellen Bestandsnaam

Toelichting

WestBetuwe_vp_punt

vindplaatsenbestand

WestBetuwe_TAW0420

contouren van de AMK-terreinen (bron: RCE)

WestBetuwe_RM0420

contouren van de archeologische rijksmonumenten (bron: RCE)

WestBetuwe _overslaggronden

zone met dijkdoorbraakwaaiers

WestBetuwe _restgeulen

zone met rivierrestegeulen

WestBetuwe _afgegraven

contouren bodemverstoringen

WestBetuwe _vw_12mei2020

vlakbestand met de bodemkundige landschappen en verwachtingswaarden

GENL4_histned_sel GENL4_landschappen_vlak GENL4_waterstaat

punt, lijn en vlakbestanden met historische elementen worden in rapportdeel 3 besproken

GENL4_militair Tabel 9. Aangeleverde GIS-bestanden voor de kaartbijlagen 1 en 2.

323 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

4 Archeologische beleidskaart 4.1 Status, doel en inhoud De archeologische beleidskaart (kaartbijlage 3) is een beleidsmatige uitwerking van de geactualiseerde bodemkundige landschappenkaart (kaartbijlage 1) en de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart (kaartbijlage 2). De archeologische beleidskaart dient als afwegingsinstrument (onderlegger) bij processen in de ruimtelijke ordening. De beleidskaart kan juridis ch-planologisch worden verankerd bij het opstellen van (nieuwe) bestemmingsplankaarten en beheersverordening conform de Wro.

4.2 Totstandkoming De archeologische beleidskaart is tot stand gekomen in samenwerking met RAAP Archeologisch Adviesbureau. De inhoud van de archeologische beleidskaart en deze rapportage is besproken met dhr. drs. H.J. van Oort, regioarcheoloog voor de Regio Rivierenland en mw. Th. De Groot, adviseur cultuurhistorie van de gemeente West Betuwe.

4.3 Beleidsuitgangspunten gemeente West Betuwe 4.3.1

Uitgangspunten

De gemeenteraad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan (straks: omgevingsplan) of een beheersverordening bij de bestemming van gronden altijd rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische mon umenten (archeologische waarden). Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat de gemeente het kader moet stellen voor de archeologische monumentenzorg. Initiatiefnemers van projecten die kleiner zijn dan 100 m² kunnen op basis van landelijke regelgeving niet worden belast met archeologische onderzoeksplicht. Afwijking van de ondergrens van 100 m² is zowel in opwaartse als in neerwaartse zin mogelijk. 33 Op advies van de regioarcheoloog, drs. H.J. van Oort, is in samenspraak met de gemeente beslot en de hieronder in de tabel 10 aangegeven oppervlakte- en dieptematen te hanteren. Deze oppervlakte- en dieptematen komen grotendeels overeen met wat in de Regio Rivierenland tot op heden gebruikelijk is, maar zijn iets aangepast op basis van ervaringsgegevens.

33

Zie verder ook De Groot et al. 2011, hoofdstuk 7: Effecten van vrijstellingen voor archeologisch erfgoed 324

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Beleidszones

West Betuwe grenswaarden ingreepdiepte/-oppervlakte diepte cm

omvang m2

terreinen met gewaardeerde archeologische resten archeologische rijksmonumenten

0

0

gemeentelijke monumenten

0

0

historische kern 1832

30

100

AMK-terreinen 34

30

50

30

50

historische vindplaats met 25 m bufferzone voor puntlocaties

30

100

ARCHIS3-vindplaats met 25 m buffer (hoge verwachting)

30

100

oude woongronden

30

100

hoge verwachting

30

500

hoge verwachting, diep gelegen

150

2.500

middelhoog

30

2.500

lage verwachting

30

5.000

rivierrestgeulen

50

2.500

rivierbed Waal

30

10.000

terreinen met archeologische resten

BATO-terreinen

35

verwachtingszones

overig reeds opgegraven/vrijgegeven terreinen

geen regels

diep verstoord

geen regels

Tabel 10. Voorstel grenswaarden onderzoekplichtige activiteiten.

4.3.2

Legenda-eenheden op de beleidskaart

Op de archeologische beleidskaart is geen onderscheid gemaakt in archeologische perioden en wordt de archeologische verwachting aangeduid met de termen ho ge, middelhoge en lage verwachte dichtheid aan archeologische resten en de specifieke verwachtingswaarden ‘rivierrestgeulen’, ‘rivierbed van de Waal en Linge’ en ‘diepgelegen prehistorische stroomgordels’. Op de archeologische beleidskaart staat kort aangegeven wat het gewenste beleid is, hetgeen in dit hoofdstuk beknopt verder is uitgewerkt. Op de archeologische beleidskaart zijn de volgende vier categorieën onderscheiden. 1. Terreinen met gewaardeerde archeologische resten; 2. Terreinen met (niet-gewaardeerde) archeologische resten; 3. Archeologische verwachtingsgebieden; 4. Vrijgegeven terreinen.

34

AMK-terreinen zijn vastgestelde/begrensde archeologische terreinen op de vroegere Archeologische MonumentenKaart van de rijksoverheid, waarvan het hier om de niet -beschermde gaat. Het voeren van beleid daarop is overgedragen aan de gemeente. 35

BATO-terreinen zijn archeologische vindplaatsen die zijn vastgesteld en begrensd door de BATO (Beoefenaren Archeologie in Tiel en Omgeving). 325 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

4.3.3

Terreinen met gewaardeerde archeologische resten

Het op de verbeelding van het bestemmingsplan plaatsen van bekende en onbekende archeologische waarden is een belangrijke stap om het belang van archeologie in de ruimtelijke ordening aan te geven. Van terreinen met gewaardeerde archeologische resten weet men (globaal) wat er aanwezig is, wat daarvan de waarde is (inhoudelijk en fysiek) en vaak is sprake van een duidelijke, vaak kadastrale, begrenzing. Binnen deze categorie scharen we de Rijksbeschermde monumenten als Waarde archeologie 1 maar ook enkele op basis van de erfgoedverordening beschermde terre inen (gemeentelijke monumenten) waarvan de fysieke resten vooral voorkomen in de bodem (bodemarchiefwaarden) Rijksmonumenten (Waarde-archeologie 1) Voor de rijksmonumenten geldt een wettelijke bescherming van de Monumentenwet 1988. Binnen het gemeentegebied van West Betuwe bevinden zich 304 monumenten waaronder 4 archeologische terreinen met een wettelijke bescherming (https://cultureelerfgoed.nl/monumentenregister ). Voor het wettelijk beschermde monument wordt geadviseerd deze met vermelding van de wettelijk beschermde status op te nemen in het gemeentelijk bestemmingsplan (aanduiding op de verbeelding en vermelden in de toelichting). Daarnaast heeft een aantal gemeentelijke monumenten feitelijk het karakter van een archeologisch terrein. Het gaat om de locaties van het Huis Neerijnen (mon.nr.

05 -07), het verdwenen Huis Tieflaar (mon.nr. 05-01), het voormalige adellijke huis Hellouw (mon.nr. 04-04), het Huis Tuil of Nieuw Klingelenburg (mon.nr. 08-02), het Huis Opijnen (mon.nr. 07-05); een terpencomplex waarop de oude boerderij Karnheuvel stond (mon.nr. 01 -06) en de terp van de voormalige boerderij Avenhaar (gem. mon. nr. 06-11). Voor het veranderen van een gebouwd rijksmonument of een bouwwerk binnen een beschermd gezicht is in veel gevallen een omgevingsvergunning nodig. Ook het inwendige van een monument valt onder de vergunningplicht, net als de niet-gebouwde elementen van het rijksmonument zoals tuinen, parken etc. Voor het verstoren van een archeologisch rijksmonument is altijd een monumentenvergunning nodig. De monumentenvergunning is onderdeel van het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Deze vergunning moet eerst zijn verleend voordat een omgevingsvergunning van kracht wordt voor een activiteit die (ook) een beschermd archeologisch rijksmonument raakt. Dit Overgangsrecht blijft gelden totdat de Omgevingswet in werking treedt. Meer informatie over de monumentenvergunning is te vinden op de website archeologieinnederland.nl.

4.3.4

Terreinen met (niet-gewaardeerde) archeologische resten

Op basis van archeologische kennis en fysieke kenmerken van het landschap zijn in het verleden verschillende terreinen (waaronder de terreinen die als AMK -terrein op de archeologische monumentenkaart voorkwamen) onderscheiden waarbinnen archeologische resten voorkomen. In tegenstelling tot de voornoemde terreinen met gewaardeerde archeologische resten (Waarde archeologie 1) zijn de archeologische resten in deze gebieden niet gewaardeerd (er heeft geen formeel waardestellend onderzoek plaatsgevonden). Wel is de verwachte dichtheid aan (en de ligging, omvang en conservering van) archeologische resten dusdanig groot (zeer hoge verwachting) dat het risico op informatieverlies een zeer beheerste omgang met deze terreinen noodza kelijk maakt. 36

36

De Groot e.a. 2011 326

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

- Waarde-archeologie 2. Terreinen van archeologische waarde (voormalige AMK -terreinen, BATO-terreinen) - Waarde-archeologie 3. Historische stads- en dorpskernen, oude woongronden en overige terreinen van archeologisch belang (kasteelterreinen, forten, etc).

Het gaat hierbij in principe om archeologische vindplaatsen waarin de aanwezigheid, de aard, datering en de omvang van de archeologische resten (tot op zekere hoogte) bekend zijn. De gemeente dient conform de Monumentenwet 1988 bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 38 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) altijd rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Aanbevolen wordt om deze terreinen in het bestemmingsplan op te nemen als archeologisch waardevol gebied, zowel op de verbeelding als in de regels en de toelichting. Ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten binnen deze gebieden dienen te worden voorkomen. De gemeente West Betuwe hanteert voor deze terreinen als uitgangspunt dat een archeologisch onderzoek verplicht is bij ingrepen dieper dan 30 cm of dieper dan de bekende bodemverstoring, en groter dan 50 vierkante meter. De minimum onderzoekseis is een archeologisch bureauo nderzoek met veldtoets waarin de ingreep op zijn schadelijkheid wordt beoordeeld en waarin wordt geadviseerd over de eventueel te nemen vervolgstappen in de vorm van veldonderzoek. De intensiteit van eventueel vervolgonderzoek is afhankelijk van de exacte ligging, aard en omvang van de ingreep en van de verwachte omvang van de schade aan archeologische resten.

Attentiezone Onder de archeologische vindplaatsen kunnen zich zowel zeer waardevolle en puntgave terreinen met archeologische resten als geheel verstoorde terreinen bevinden. Het kan gaan om een enkel fragment laatmiddeleeuws aardewerk dat met bemesting op een akker is terechtgekomen, maar ook om een complete nederzettingsterrein (zoals delen van de historische dorpskernen). De gemeente West Betuwe heeft er voor gekozen om aan de BATO-terreinen van archeologische waarde (TAW, opgenomen onder Waarde-archeologie 2) een attentiezone van 50 m te geven, waarbij de begrenzing op de beleidskaart (kaartbijlage 3) met een onderbroken witte lijn is aangegeven Indien maatregelen (ingrepen) in deze zone onvermijdelijk zijn en fysieke aantasting van de vindplaats wordt verwacht, dient in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd, conform KNA (vigeren de versie). Op deze wijze kan de aard, datering, omvang, etc. van de vindplaats worden bepaald. Hierbij is van belang dat inzicht ontstaat in de aard van de te verwachten archeologische resten en in de verwachte conservering van deze resten. Bij het laatste moet ook gedacht worden aan gegevens met betrekking tot de omvang en diepte van de bestaande (of voormalige) bebouwing (uit het bouwkundig archief).

Aan de hand van de onderzoeksresultaten kan een selectiebesluit worden genomen die betrekking heeft op de waardestelling en de eventuele noodzaak voor vervolgonderzoek.

4.3.5

Archeologische verwachtingsgebieden

Aan de overige gebiedsdelen van de gemeente West Betuwe is alleen een generieke verwachte dichtheid aan archeologische resten toegekend, uitgesplitst in de categorieën hoog, midden en laag en die verwachtingsgebieden met specifieke waarden (rivierrestgeulen, stroombed van de Linge en Waal en de diepgelegen prehistorische stroomgordels). Deze worden op de beleidskaart aangeduid als 327 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Archeologische verwachtingsgebieden. Vanwege de bijzondere waarden die langs de verschillende Rijntakken worden aangetroffen 37 is ook het rivierbed van de Waal en Lingen indeeld in een WaardeArcheologie. De volgende zes categorieën archeologische verwachtingsgebieden worden onderscheiden: - Waarde-archeologie 4. Hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten; - Waarde-archeologie 5. Hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten, diepgelegen rivierstroomgordels; - Waarde-archeologie 6. Middelhoge verwachte dichtheid aan archeologische resten; - Waarde-archeologie 7. Lage verwachte dichtheid aan archeologische resten; - Waarde-archeologie 8. Rivierrestgeulen - Waarde-archeologie 9. Rivierbed van Waal en Linge

Onder Waarde-archeologie 4 zijn alle landschappelijke eenheden met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten samengebracht. Voor gebieden met dikke oeverafzettingen of gebieden die afgedekt zijn geraakt door overslaggronden geldt een verhoogde kans op de aanwezigheid van archeologische resten omdat hier de conserveringsomstandigheden beter zijn geweest (er is minder vergaan in de bodem). Bij gebrek aan een begrenzing van de verschillende puntlocaties met waargenomen archeologische resten dan wel puntlocaties van (niet begrensde) historische elementen is binnen de lage verwachtingszones een attentiezone van 25 meter rondom de centrumcoördinaat gehanteerd als zone waarbinnen eveneens een hoge kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten. Een verplichting tot inventariserend archeologisch vooronderzoek geldt binnen deze zones voor ingrepen dieper dan 30 cm of dieper dan de bekende bodemverstoring én met een cumulatieve oppervlakte groter dan 100 m². Onder Waarde-archeologie 5 zijn de gebieden met diepgelegen rivierstroomgordels (zandtop >1,5 meter beneden het maaiveld) ondergebracht. Ook deze hebben een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten maar de grenswaarden voor vergunningplichtige activiteiten binnen deze zones is gesteld op 150 cm of dieper én met een cumulatieve oppervlakte groter dan 2.500 m².

Onder Waarde-archeologie 6 zijn de gebieden met een middelhoge archeologische verwachting samengebracht. Hier wordt een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht dan in gebieden met een hoge archeologische verwachting. Ook voor deze gebieden geldt dat er bij voorkeur geen werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting leiden van archeologische resten. Het beleid is immers gericht op behoud van arche ologische resten in de ondergrond. Een verplichting tot inventariserend archeologisch vooronderzoek geldt binnen deze zones voor ingrepen dieper dan 30 cm of dieper dan de bekende bodemverstoring en én met een cumulatieve oppervlakte groter dan 2500 m². Onder Waarde-archeologie 7 zijn de gebieden met een lage archeologische verwachting samengebracht. Hier wordt een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht dan in gebieden met een hoge en middelmatige archeologische verwachting. Vooral langs randen naar hogere delen in het landschap bestaat een verhoogde kans op archeologische resten. Een verplichting tot

37

Willemse 2016 328

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

inventariserend archeologisch vooronderzoek geldt binnen deze zones voor ingrepen dieper dan 30 cm of dieper dan de bekende bodemverstoring én met een cumulatieve oppervlakte groter dan 5.000 m². Waarde-archeologie 8 is ingesteld voor de dichtgeslibde oude rivierbeddingen (‘restgeulen)’. Binnen deze zones komt een lage verwachte dichtheid aan nederzettingsresten voor, maar een (relatief) hoge verwachte dichtheid aan, bijvoorbeeld, scheepsresten, beschoeiingen en kribwerken, afvaldumps en/of verdedigingswerken, jachtattributen, aanlegplaatsen en/of visattributen. 38 Het gaat bij de restgeulen om een intact (oorspronkelijk) landschap waarin zeer bijzondere archeologische resten verwacht kunnen worden. Voor de oude rivierbeddingen geldt derhalve dat er bij voorkeur geen (grootschalige) werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting leiden van archeologische resten. Hierbij moet gedacht worden aan het uitgraven van restgeulen etc. Vooral als deze eenheid in samenhang met gebieden met een hogere archeologische verwachting wordt aangetroffen, is het gewenst het gehele gebied (dus hoog en laag) als geheel een hoge verwachting toe te kennen, met het daarbij horende beleid. Het beleid is gericht op behoud van zowel het landschap als ook van archeologische resten in de ondergrond.

Een verplichting tot inventariserend archeologisch vooronderzoek geldt binnen de zone Waarde -archeologie 8 voor ingrepen dieper dan 50 cm en met een cumulatieve oppervlakte groter dan 2.500 m². Waarde-archeologie 9. Vanwege de bijzondere waarden die langs de huidige Waal worden aangetroffen 39 is ook het rivierbed van de Waal ingedeeld in een Waarde archeologie. Ook hier komen lage verwachte dichtheden aan (vaak verspoeld) nederzettingsmateriaal voor, maar bestaat een (relatief) hoge kans op het aantreffen van scheepsresten, oude kribwerken, resten van (rivier)verdedigingswerken, steen- en pannenbakkerijen, jachtattributen, aanlegplaatsen, werven en/of visattributen. 40 Een verplichting tot inventariserend archeologisch vooronderzoek geldt binnen de zone Waarde-archeologie 9 voor ingrepen in het huidige rivierbed (inclusief de zone tussen de kribben tot aan de zomerkade) dieper dan 30 cm met een cumulatieve oppervlakte groter dan 10.000 m².

4.3.6

Vrijgegeven terreinen

Terreinen waar in het verleden waardestellend archeologisch (voor)onderzoek heeft plaatsgevonden waarbij is vastgesteld dat, naar oordeel van het bevoegd gezag , er géén behoudenswaardige archeologische resten in de bodem voorkomen, zijn vrijgesteld van de verdere onderzoeksplicht inzake archeologie. Ook het ruimtebeslag (werkputten) van archeologische opgravingen worden tot deze categorie gerekend. Dergelijke terreinen staan op de beleidskaart (kaartbijlage 3) vermeldt als ´vrijgegeven terreinen´. Binnen deze categorie komen ook diepere winningsputten (diepe afgravingen), diepere bodemverstoringen (bijvoorbeeld als gevolg van civieltechnische ingrepen) en diep uitgegraven waterpartijen voor. Dit zijn terreinen waar bodemingrepen dusdanig diep zijn geweest dat vrijwel alle archeologische niveaus zijn verdwenen dan wel sterk aangetast zijn geraakt. Alle ‘vrijgegeven terreinen’ zijn door de gemeente aangewezen.

4.3.7

Omgang met generieke verwachtingen

Binnen de archeologische verwachtingsgebieden (Waarde-archeologie 4 tot en met 9) kunnen alsnog grote gebieden voorkomen waarin archeologische resten grotendeels of zelfs geheel ontbreken, zelfs

38

Willemse 2016; Van der Heijden 2020; Van der Heijden & Verhelst 2020

39

Willemse 2016; Van der Heijden 2020; Van der Heijden & Verhelst 2020

40

Willemse 2016 329

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

indien er sprake is van een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten. Om op een goede manier met deze onzekerheid om te gaan gelden zijn twee afwegingen van belang. De eerste afweging betreft de kans dat er bij een bodemingreep van een bepaalde omvang daadwerkelijk sprake zal zijn van verstoring van waardevolle archeologische resten. Hierbij geldt het eenvoudige principe hoe kleiner de ingreep en hoe dieper de top van het niveau met archeologische resten, hoe geringer de kans op verstoring. 41 De tweede afweging betreft de mogelijkheden die de huidige archeologische onderzoeksmethoden bieden om de aanwezigheid van deze waardevolle resten, en daarmee de verstoring daarvan, werkelijk aan te tonen. In gebieden met een globale archeologische verwachting, waarvoor slechts op hoofdlijnen aangegeven kan worden welke archeologische resten aanwezig kunnen zijn, is het doorgaans niet mogelijk om een onderzoeksmethode te kiezen die naadloos aansluit bij het karakter van de aanwezige archeologische resten. Wanneer de archeologische verwachting niet voldoende gespecificeerd kan worden om onderzoeksmethode en -intensiteit op maat te kunnen bepalen, zal gekozen moeten worden voor een methode met een acceptabele opsporingskans voor een breed scala aan vindplaatstypen.

Om archeologische resten te kunnen opsporen wordt daarom gebruik gemaakt van relatief goedkope standaardonderzoeksmethoden (bureau- en/of booronderzoek, proefsleuven) die gericht zijn op het steekproefsgewijs verzamelen van (globale) informatie met betrekking tot de aan - of afwezigheid van archeologische resten en hun landschappelijke context. Bij dergelijke onderzoeken is het een voorwaarde dat het aantal waarnemingen voldoende groot is en een dusdanige spreiding kent dat het mogelijk is om (via ruimtelijke analyse) tot een interpret atie van de onderzoeksresultaten en tot een waardestelling van de aangetroffen archeologische resten te komen.

4.3.8

Onderzoeksgebieden

In gebieden waar archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden ( GIS-bestand WestBetuwe_OZK), dient de gemeente de onderzoeksresultaten eerst te beoordelen om het onderzoekstraject te bepalen. Er dient opgemerkt te worden dat niet alle onderzoeksmeldingen volledig zijn ingevoerd. Hierdoor valt een groot aantal meldingen in de groep waarvan de status van het onderzoek onbekend is. A lleen door nader onderzoek (het lezen van het bij het onderzoek horende rapport) kan binnen deze groep meer onderscheid gemaakt worden. Indien archeologisch vervolgonderzoek zinvol blijkt, geldt het beleid voor de onderliggende Waarde-zone. Terreinen waarvan (door de bevoegde overheid) is vastgesteld dat er geen behoudenswaardige archeologische resten (meer) voorkomen staan op kaartbijlage 3 vermeld onder de categorie ‘vrijgegeven terreinen’.

4.3.9

Bodemverstoringen

Voor het te voeren beleid is informatie over reeds bestaande bodemverstoringen van grote waarde. Bij bodemingrepen in gebieden die als vergraven of afgegraven zijn aangegeven, wordt geadviseerd om de verstoringsdiepte te achterhalen. Afhankelijk van de diepte en omvang van de bodemverstoring kan de aanwezigheid van archeologische resten wel of niet uitgesloten worden. Door middel van een controle van de bodemverstoringsgegevens kan door een medewerker van de gemeente worden vastgesteld of archeologisch onderzoek nog zinvol is. De gemeente West Betuwe eist van de uitvoerder dat in het kader van het AMZ-bureauonderzoek een duidelijk profiel wordt geschetst van de bodemverstoringen die

41

Willemse 2020 330

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

het gebied heeft gekend in de voorliggende jaren. Daarbij dient de RCE verstoringsbronnenkaart geraadpleegd te worden en de provinciale sanerings- en ontgrondinglocaties. Verder dient grondgebruik en agrarische teelt aangegeven te worden zodat een diachroon beeld gevormd kan worden van mogelijke verstoringen. Met het oog op een zorgvuldige belangenafweging kan ook, voorafgaan d aan bodemingrepen, in de vroegste fase van planvorming, een veldinspectie worden uitgevoerd met als doel de aard en diepte van de bodemverstoring te bepalen. De meest ingrijpende vormen staan reeds op kaartbijlage 2 vermeld onder de categorie ‘vrijgegeven terreinen’.

331 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices Figuren: Figuur 1. Diepteligging van fossiele rivierlopen in de bodem van de gemeente West Betuwe, zoals weergegeven op de zanddieptekaart uit 2010 (bron: Cohen et al 2009).

290

Figuur 2. Het rivierenlandschap van de gemeente West Betuwe in de Romeinse tijd, rond het jaar 100 (brongegevens: Pierik 2018). Figuur 3. Dekking van de vier bodemkarteringgebieden uitgevoerd geven door Stiboka.

294 295

Figuur 4. Uitsnede uit kaartbijlage 5 bij het rapport van de Ruilverkaveling Avezaath-Ophemert (Bles & Steeghs 1973)

298

Figuur 5. Onderzoeksgebieden geregistreerd in ACHIS3 en uit het digitale RAAP-archief (bestand WestBetuwe_OZK).

303

Figuur 6. Het rivierenlandschap van de gemeente West Betuwe rond het jaar 900 (brongegevens: Pierik 2017).

306

Figuur 7. Boven: uitsnede uit de Bodemkaart van het ruilverkavelingsgebied Avezaath-Ophemert, schaal 1:10.000 (Bles & Steeghs, 1973) met de ligging van woerdgronden (Hofeerdgronden, pRd…) rondom Ophemert (rood omgrensd). Rode vlakken zijn de terreinen van archeologische waarde (BATO-terreinen en AMK-terreinen). Onder de nieuwe archeologische beleidskaart (kaartbijlage 3) 307 .

307

Figuur 8. Voorkomen en ouderdom van de verschillende oude Rijntakken in de ondegrond van de gemeente West Betuwe.

309

Figuur 9. Globale diepteligging van de top van het oeverpakket van enkele in het gemeentegebied voorkomende fossiele stroomgordels, en voor zover bekend. Zie verder ook figuur 8 en figuur 10. 310 Figuur 10. Globale datering van het moment waarop de fossiele Rijnlopen in de gemeente West Betuwe inactief werden (brongegevens: Cohen et al. 2012). Figuur 11. Overzicht van de nieuwe archeologische vindplaatsen- en verwachtingenkaart.

310 310

Figuur 12 Schematische lithogenetische doorsnede door het centrale rivierengebied met enkele gehanteerde begrippen, de relatieve fasering van afzettingen (A t/m E) en een indicatie van potentiële archeologische niveaus. Riviersysteem C heeft tevens crevassegeulen gevormd. Riviersysteem D heeft alleen oeverafzettingen (oeverwal) achtergelaten. .

313

313

Tabellen: Tabel 1. Overzicht van de vigerende archeologiekaarten van de fusiegemeenten

288

Tabel 2. Vigerende erfgoedkaarten archeologie van de fusiegemeenten.

292

Tabel 3. Landschappelijke kaarteenheden van de kaartbijlagen 1 en 2 (vlakkenbestand WestBetuwe_VW). 296 Tabel 4. Tabelstructuur van het basisbestand WestBetuwe_VW.

296 332

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Tabel 5. Profieltypen voor de archeologische verwachtingswaarden

297

Tabel 6. Samenvatting van de archeologische vindplaatsgegevens. Voor de historische gegevens zie deel 3. 299 Tabel 7. Complexgroepen onderscheiden op kaartbijlage 2.

300

Tabel 8. Opgenomen gegevens in de GIS-tabel WestBetuwe_OZK.

304

Tabel 9. Aangeleverde GIS-bestanden voor de kaartbijlagen 1 en 2.

323

Tabel 10. Voorstel grenswaarden onderzoekplichtige activiteiten.

325

Bijlagen en appendices Zie deel 1.

333 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/297/documents/6402