CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RAAPrap_4150_GENL4_20210131_deel2.pdf

Informatie en Ontmoeten 2 (Beeldvorming) 9 maart 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 20.02: Beeldvorming harmonisatie erfgoedbeleid15.927 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAAP-RAPPORT 4150

Erfgoed in de gemeente West Betuwe: deel 2 Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Inhoud Inhoud............................................................................................................................................. 286 DEEL 2

Archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart ...................................................... 287

1 Inleiding op deel 2 ........................................................................................................................ 288 2 Doelstelling, methoden en bronnen ............................................................................................... 291 2.1 Harmonisatiedoelstelling ................................................................................................................... 291 2.2 Onderzoeksopzet, leeswijzer en richtlijnen ......................................................................................... 292 2.3 Structuur digitale kaartbestanden (GIS) ............................................................................................. 293 2.4 Landschappelijke-bodemkundige gegevens ........................................................................................ 293 2.5 Archeologische vindplaatsen ............................................................................................................. 297 2.6 Historische nederzettingslocaties ....................................................................................................... 300 2.7 Terreinen van archeologische waarde ................................................................................................

301 2.8 Onderzoeksgebieden ........................................................................................................................ 302 2.9 Bodemverstoringsgegevens ............................................................................................................... 304

3 Toelichting op de kaartherziening ................................................................................................. 306 3.1 Belangrijke aanpassingen .................................................................................................................. 306 3.2 Landschaps- en verwachtingsmodel ................................................................................................... 312 3.3 Thematische laag historische nederzettingslocaties ............................................................................ 322 3.4 Aangeleverde gistabellen .................................................................................................................. 323

4 Archeologische beleidskaart ......................................................................................................... 324 4.1 Status, doel en inhoud ...................................................................................................................... 324 4.2 Totstandkoming ................................................................................................................................ 324 4.3 Beleidsuitgangspunten gemeente West Betuwe .................................................................................. 324

Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ................................................................... 332

286 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

DEEL 2 Archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart

287 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

1 Inleiding op deel 2 In het eerste deel is de landschappelijke en stedenbouwkundige ontwikkeling en structuur van de verschillende delen van de gemeente West Betuwe behandeld. Het is een landschapsbiografie op hoofdlijnen – en soms wat meer in detail – over de leefwerelden en maatschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen eeuwen in het gebied, een cultuurlandschap met een ondergrond waar de ontstaansgeschiedenis van het land en de mensen die er woonden op velerlei manieren is vastgelegd en bewaard is gebleven. Deze aspecten van ‘erfgoed’, archeologie, cultuurlandschap en gebouwde monumenten, spelen een steeds grotere rol bij ruimtelijke ontwikkelingen. Opgraven of inpassen van archeologische vindplaatsen, het historisch cultuurlandschap als creatieve input voor ontwerp, bescherming en herbestemming van bouwkundig erfgoed: het zijn allemaal manieren waarop bewust aandacht wordt besteed aan de boven- en ondergrondse historische kwaliteiten van een gebied. Om het gemeentelijk beleid handen en voeten te geven is echter meer informatie over gebieden, structuren en objecten noodzakelijk.

Geldermalsen 2016 beleidskaart, 1:10.000, twee bladen, RAAP-rapport 3049, 2016 landschap- en bronkaart, 1:10.000, twee bladen, RAAP-rapport 3049, 2016

Lingewaal 2012 beleidskaart, 1:12.000, Vestigia v953, 2012 landschap- en bronkaart, 1:12.000, Vestigia v953, 2012

Neerijnen 2008 beleidskaart, 1:12.500, drie bladen, Vestigia v480, 2008 verwachtingskaart, 1:12.500, drie bladen, Vestigia v480, 2008 bronkaart 1 geomorfologie, 1:25.000, Vestigia v480, 2008 bronkaart 2 bodem, 1:25.000, Vestigia v480, 2008 bronkaart 3 stroomgordels bs2001/cohen2003, 1:25.000, Vestigia v480, 2008 bronkaart 4 ahn, 1:25.000, Vestigia v480, 2008 Tabel 1. Overzicht van de vigerende archeologiekaarten van de fusiegemeenten

De vigerende archeologiekaarten (bronnenkaarten en beleidskaarten) van de voormalige gemeenten Geldermalsen, Lingewaal en Neerijnen zijn op verschillende momenten tot stand gekomen (tabel 1). De kaarten van de voormalige Geldermalsen dateren uit 2016, die van Lingewaal uit 2011 en de kaarten van de gemeente Neerijnen zijn uit 2008. Methodisch verschillen deze archeologiekaarten niet zoveel van elkaar, maar inhoudelijk wel. 1 Om het gemeentelijk archeologiebeleid handen en voeten te geven is eenduidige informatie over gebieden en vindplaatsen noodzakelijk. Daarom hebben we in het kader van de harmonisatie van het erfgoedbeleid de grote hoeveelheid bestaande archeologi egegevens samengevoegd, aangevuld met nieuwe en ontbrekende gegevens en verdiept. In dit deel 2 gaan we uitgebreid in op de harmonisatie en actualisatie van de kaarten en achterliggende brondata voor het erfgoedthema’s archeologie in de gemeente West Betuwe. Het bevat een toelichting

1

Willemse & Keunen 2018 288

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

op de herziene archeologische waardering en typologie van het bodemkundige landschap van de gemeente West Betuwe. Hierin is weliswaar de kennis van de voormalige archeologiekaarten verwerkt, mede vanuit het oogpunt van informatiebehoud, maar deze is aangepast aan de huidige inzichten in de landschapsgenese (figuur 1) en de aard en samenstelling van het archeologisch bodemarchief.

289 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Figuur 1. Diepteligging van fossiele rivierlopen in de bodem van de gemeente West Betuwe, zoals weergegeven op de zanddieptekaart uit 2010 (bron: Cohen et al 2009).

290 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

2 Doelstelling, methoden en bronnen 2.1 Harmonisatiedoelstelling Los van de actualiteit van de gegevens en de methodische insteek bestonden er tussen de archeologische bronkaarten van de drie fusiegemeenten een paar inhoudelijke verschillen. 2 Zo werden op de bronkaart van de oude gemeente Lingewaal geen ARCHIS vindplaatsen vermeld en waren ook geen vindplaatsgegevens uit de collecties van amateur-archeologen opgenomen. Op de kaart van Neerijnen waren terreinen met vindplaatsen van de werkgroep archeologie van de Oudheidkamer Tiel (BATO) opgenomen deze zijn maar opvallend genoeg niet overgenomen op de archeologische beleidskaart. Een ander verschil tussen de kaarten was de wijze waarop historisch bekende elementen (zoals erven, kasteelterreinen, molens e.d.) of bodemkundige fenomenen zoals de oude woongronden , woerdgronden of overslagdekken in het rivierengebied zijn geïnventarisee rd en opgenomen. ARCHIS kent ten aanzien van nederzettingsresten uit de middeleeuwen en de vroege Nieuwe tijd nog belangrijke leemten en uit cultuurhistorische inventarisaties blijkt telkenmale dat op historische kaarten nog veel terreinen voorkomen die een volwaardige rol moeten vervullen in het proces van archeologische monumentenzorg.

Voor de inventarisaties voor zowel de gemeente Geldermalsen (2016) als de gemeente Lingewaal (2012) zijn daarom alle elementen uit eerdere cultuurhistorische inventarisatie s (Geldermalsen: 2014, Lingewaal: 2011) beoordeeld op hun archeologische relevantie en na confrontatie met de toentertijd bekende archeologische gegevens (indien nodig) toegevoegd aan het vindplaatsenbestand. Voor Neerijnen heeft deze harmonisatieslag nu ook plaatsgevonden.

Woongronden en woerdgronden - oude woongronden zijn de woonplaatsen uit de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen die in bodemkundige worden gekenmerkt door een grijs tot zwart gekleurde laag met veel houtskool, aardewerkscherven en d ierlijk bot. Ze zijn soms met het blote oog zichtbaar als lage welvingen in het landschap: heuvels van enkele decimeters tot anderhalve meter hoogte. Deze kunnen tot op heden bebouwd zijn met huizen, liggen soms midden in dorpen, of vormen de stille getuige van een bewogen verleden in onbebouwde akkers en boomgaarden. Woerdgronden (bodemkundig: hofeerdgronden) zijn bodems die zijn ontstaan op de akkers rondom de nederzettingen en die door intensief gebruik een donkere bovengrond hebben verkregen, soms vermengd met bemestingsafval.

Een derde verschil betreft de gegevens met betrekking tot de bodemgaafheid en de bodemverstoringen. Deze ‘kaartlaag’ speelt een belangrijke rol bij het uitspreken van een archeologische verwachting, immers: wat er niet meer is, kunnen we ook niet meer onderzoeken. Meer uitgesproken voorbeelden van verstoorde terreinen zijn diepe ontgravingen (delfstofwinning), kolkgaten van dijkdoorbraken en reeds opgegraven terreinen. Brongegevens voor bodemverstoringen zijn echter zeer uiteenlo pend en zo ook de kwaliteit en bruikbaarheid van de beschikbare datasets. 3 Raadpleging van de onderliggende rapportages en GIS-kaartbestanden heeft echter geen duidelijkheid verschaft over de bron(nen) die zijn geïnventariseerd en verwerkt in de kaarten. Deze zones met ‘bodemverstoringen’ spelen een belangrijke rol in de archeologische beleidskaarten.

2

Willemse & Keunen 2018

3

Zie bijvoorbeeld https://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/verstoringsbronnenkaart 291

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Geldermalsen 2016 beleidskaart, 1:10.000, twee bladen, RAAP 3049, 2016 landschap- en bronkaart, 1:10.000, twee bladen, RAAP 3049, 2016

Lingewaal 2012 beleidskaart, 1:12.000, Vestigia V953, 2012 landschap- en bronkaart, 1:12.000, Vestigia V953, 2012

Neerijnen 2008 beleidskaart, 1:12.500, drie bladen, Vestigia V480, 2008 verwachtingskaart, 1:12.500, drie bladen, Vestigia V480, 2008 bronkaart 1 geomorfologie, 1:25.000, Vestigia V480, 2008 bronkaart 2 bodem, 1:25.000, Vestigia V480, 2008 bronkaart 3 stroomgordels BS2001/Cohen2003, 1:25.000, Vestigia V480, 2008 bronkaart 4 AHN, 1:25.000, Vestigia V480, 2008 Tabel 2. Vigerende erfgoedkaarten archeologie van de fusiegemeenten.

2.2 Onderzoeksopzet, leeswijzer en richtlijnen De actualisatie van de archeologiekaarten heeft betrekking op het aardkundige, archeologische, en historisch-bouwkundige erfgoed op het grondgebied van d e gemeente West Betuwe. Gestreefd is naar een naadloze inhoudelijke en ruimtelijke aansluiting van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaarten met de buurgemeenen. In hoofdstuk 2 worden de bronnen genoemd en de methoden behandeld. In hoofdstuk 3 volgt de inhoudelijke verantwoording. De geactualiseerde kaarten zijn bijgevoegd als kaartbijlage 1 (bodemkundige landschappenkaart, schaal 1:25.000), kaartbijlage 2 (archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart schaal 1:10.000, in vijf bladen) en kaartbijlage 3 (archeologische beleidskaart, schaal 1:10.000 in vijf bladen). De archeologische beleidskaart betreft de weergave van zowel de archeologische verwachtingszones als de locaties waarvan vastgesteld is dat er (mogelijk) waardevolle cultuurhistori sche resten bovengronds aanwezig zijn of in de bodem bewaard zijn gebleven.

Op deze kaart zijn de in hoofdstuk 3 onderbouwde archeologische vindplaatsen en verwachtingen op dusdanige wijze beleidsmatig ‘vertaald’ dat ze bij de herziening en actualisatie va n de bestemmingsplannen en het overige ruimtelijke beleid van de gemeente West Betuwe kunnen worden opgenomen en als basis kunnen dienen bij de gemeentelijke vergunningverlening (archeologische onderzoeksverplichting) en omgang en beheer binnen de archeologische monumentenzorg. De praktische uitvoering van het onderzoek voldoet aan de normen opgesteld in de Handleiding ‘opstellen archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaarten, een normstellend kader’ 4 en het Handboek ROB-specificaties van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.5 De kaarten zijn verder in hoge mate ‘Omgevingswetproof’. In de Omgevingswet brengt de wetgever tot uitdrukking dat gemeenten de te verwachten archeologische monumenten alleen in hun omgevingsplannen kunnen beschermen indien de bescherming is gebaseerd op ‘expliciete en specifiek lokale archeologische en bo-

4

(Platform Kenniskaart Archeologie, conceptversie juni 2018). Onderdeel van het project ‘Naar een protocol voor archeologische vindplaatsen- en

5

ROB 1998. Sinds 2007 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

verwachtingskaarten aansluitend op het Digitaal Stelsel voor de Omgevingswet (DSO)’

292 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

demkundige informatie’ (Artikel 2.28; de verplichte instructieregels Rijk omgevingsplan en projectbesluit). 6 Regels op grond van artikel 2.24 worden in ieder geval gesteld over omgevingsplannen en projectbesluiten met het oog op: a.

Het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, in ieder geval ter uitvoering van het verdrag van Granada en het verdrag van Valletta.

2.3 Structuur digitale kaartbestanden (GIS) Een belangrijk eindproduct zijn de aan een geografisch informatiesysteem (GIS) gekoppelde kaartbeelden. Het betreft digitale database-tabellen waarin per punt-, lijn- of vlakelement verschillende soorten van informatie zijn opgeslagen. De GIS -tabellen zijn aangeleverd als losse bijlage en bevatten de exacte gegevens over de geografische ligging en aard van (mogelijk) waardevolle archeologische terreinen en objecten. Alle bestanden zijn voorzien van een heldere, logische en begrijpelijke naam, die verwijst naar de inhoud en de productiedatum. De standaardprojectie is het Rijksdriehoekstelsel (non earth meters). In de hiernavolgende paragrafen wordt per inventarisatiethema de tabelstructuur en tabelinhoud van de GIS-tabellen beschreven.

2.4 Landschappelijke-bodemkundige gegevens 2.4.1

Analyse van de archeologisch-landschappelijke context

De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart voor de gemeente West Betuwe is niet alleen gebaseerd op een analyse van bekende archeologische en historische vindplaatsen en terreinen (paragrafen 2.5 t/m 2.7), maar in nog hogere mate op de fysiek-landschappelijke en bodemkundige context van het gemeentelijk grondgebied. In de archeologische studie die van het gemeente lijk grondgebied is gemaakt, kunnen op grond van ontstaanswijze, periode, terreinkenmerken en de bodemgesteldheid namelijk verschillende landschappen worden onderscheiden die ieder eigen ontwikkelingen en bewoningsmogelijkheden hebben gekend (vereenvoudigd weergegeven in figuur 2). Juist door analyse van deze bewoningsmogelijkheden en ontwikkelingen door de tijd heen kan een verwachtingsmodel worden opgesteld.

6

Toelichting op het aangenomen amendement, Kamerstukken II 2014/15, 33 962, nrs. 63, 100 en 162 293

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Figuur 2. Het rivierenlandschap van de gemeente West Betuwe in de Romeinse tijd, rond het jaar 100 (brongegevens: Pierik 2018).

2.4.2

Brongegevens

De actualisatie van het landschapsmodel en het onderliggende verwachtingsmodel betreft het bijwerken van het bestaande verwachtingsmodel aan de hand van drie nieuwe gegevensbronnen: 1. De stroomgordelkaart en zanddieptekaart voor het rivierengebied; 7 2. Detailbodemkarteringen (figuur 3) uitgevoerd binnen het gemeentelijk grondgebied door de Stichting voor Bodemkartering (Stiboka) uit de jaren 1956 (Tielerwaard), Lek en Linge (1966), Gorinchem (1972) en Avezaath-Ophemert (1973); 8 3. De archeologische verwachtingskaart uiterwaarden rivierengebied (UIKAV). 9

7

Cohen e.a. 2012; Cohen e.a. 2014

8

Van der Sluys 1956, karteringschaal 1:20.000; Harbers, Jager & Kleinsman 1966, karteringschaal 1:10.000; Van den Hurk 1972, karteringschaal

9

Cohen e.a. 2014

1:10.000; Bles & Steeghs 1973, karteringschaal 1:10.000

294 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Figuur 3. Dekking van de vier bodemkarteringgebieden uitgevoerd geven door Stiboka.

Om de legenda-eenheden van de kaarten van de verschillende fusiegemeenten inhoudelijk te koppelen en archeologisch-landschappelijk te kunnen interpreteren is op verzoek van de regioarcheoloog een nieuw (regionaal) karteringsmodel doorgevoerd. Dit karteringsmodel betreft een hiërarchisch systeem van landschapsbeschrijving volgens het model ‘f ysische-geografisch landschap-terreinsoort’ (bijlage 2) en sluit aan op de karteringseenheden zoals die door de Universiteit Utrecht voor het rivierengebied worden gehanteerd. Deze zijn ook gebruikt voor de archeologische verwachtingskaart voor de uiterwaarden (UIKAV). 10 Het primaire doel van de erfgoedkaarten is het begrenzen van archeologische verwachtingszones. De kaarteenheden (tabel 1: Kaartcode) hebben dan ook voornamelijk een archeolandschappelijke betekenis. Met behulp van dit vlakkenbestand zijn meerdere thematische kaarten (aardkundige eenheden, verwachtingen, hoofdlandschappen) te genereren op verschillende kaartschalen.

10

Cohen e.a. 2014 295

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Kaartcode

Morfogenese

Efd

Rivierduin in diepe ondergrond

Fsd

Fossiele rivierbedding met rivierduinzand in ondergrond

Fs

Fossiele rivierbedding

Fs2

Fossiele rivierbedding, relatief diep

Fsc

Fossiele rivierbedding over oudere bedding

Fsc2

Fossiele rivierbedding over oudere bedding, relatief diep

Fcb

Crevasse over oudere rivierbedding

Fc

Crevassegeul/ -waaier

Fc2

Crevassegeul/ -waaier, relatief diep

Fcb2

Crevasse over oudere rivierbedding, relatief diep

Fok

oever-op-kom afzettingen nabij systeem

Fok2

rivierkom met diepgelegen oeverafzettingen nabij systeem

Foks

oever-op-komzettingen-op-dieper gelegen systeem

Fko2

rivierkom met diepgelegen oeverafzettingen nabij systeem

Fk

Rivierkom

Fkv

Venige rivierkom

Fkv2

Venige rivierkom op dieper gelegen systeem

FsU

Fossiele rivierbedding (Waal-uiterwaard)

FscU

Fossiele rivierbedding over oudere bedding (Waal-uiterwaard)

WFs

Waalbedding in uiterwaard

WFsc

Fossiele rivierbedding over oudere bedding (Waal-uiterwaard)

WFok

Oever-op-kom afzettingen nabij systeem (Waal-uiterwaard)

Tabel 3. Landschappelijke kaarteenheden van de kaartbijlagen 1 en 2 (vlakkenbestand WestBetuwe_VW).

Attribuut

Omschrijving

ID

Uniek ID nummer

MeandNr

nummer van de stroomgordel volgens Cohen et al. 2012

MeandNaam

naam van de stroomgordel volgens Cohen et al. 2012

MGenese

ontstaanswijze van de terreinvorm

GCod10

kaartcode (tabel 2)

RANK

niet gebruikt

BEGINDATER

begin sedimentatiefase in jaar BC/AD

EINDDATERI

eind sedimentatiefase in jaar BC/AD

PROFIELTYP

verwachting en mate van conservering

S1

niet gebruikt

S2

niet gebruikt

BRONDATA

bron van de polygoon

COHEN_EA_2

niet gebruikt

Zanddiepte

top van het zandlichaam volgens Cohen et al. 2009

Tabel 4. Tabelstructuur van het basisbestand WestBetuwe_VW.

296 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

2.4.3

Verwachting en conservering

RAAP hanteert voor zijn archeologische verwachtingskaarten eigen verwachtingseenheden die archeologische verwachtingen (ofwel: de verwachte dichtheid aan archeologische resten) combineert met de verwachte kwetsbaarheid/conservering van de archeologische re sten op basis van de diepteligging van de top van het archeologische niveau. Omdat de kwetsbaarheid mede afhankelijk is van de verwachte diepteligging van de archeologische resten worden de verwachtingseenheden als profieltypen aangeduid. Zie daartoe tabel 5.

type

verwachte dichtheid archeologische resten en diepteligging

1

hoog + relatief ondiep (zandtop binnen 1,5 m -Mv)

5

hoog + relatief diep (zandtop dieper dan 1,5 m -Mv)

2

middelhoog

3

laag + diepgelegen stoomgordel

4

laag (komgebieden)

rg

rivierrestgeulen met specifieke verwachting

Tabel 5. Profieltypen voor de archeologische verwachtingswaarden

2.5 Archeologische vindplaatsen 2.5.1

Algemeen

Archeologische vindplaatsen zijn (punt)locaties waar (in het verleden) vondsten/waarnemingen zijn gedaan die van archeologisch belang zijn en die het mogelijk maken bepaalde uitspraken te doen over de archeologische betekenis van een locatie. Veelal betreft het een locatie waar antropogene grondsporen en al dan niet in los verband voorkomende materi ële resten, zoals aardewerk, vuursteenartefacten of organische artefacten voorkomen. De aard, ouderdom, verspreiding, gaafheid en conservering hiervan kunnen worden benut om de aan- of afwezigheid van vergelijkbare maar nog onbekende resten elders in het landschap (tot op zekere hoogte) te voorspellen. Veel archeologische waarnemingen uit het verleden staan geregistreerd in een landelijke database: ARCHIS3, de nationale archeologische databank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Buiten deze registraties zi jn echter nog veel meer waarnemingen bekend en al dan niet opgenomen in collecties van heemkundeverenigingen. Ook historische bronnen zijn een waardevolle bron van informatie. Op dit moment is het, gezien het huidige maatschappelijke gezichtspunt ten aanzi en van de omgang met materieel erfgoed, vanzelfsprekend om ook deze bronnen te gebruiken bij het opstellen van een verwachting ten aanzien van cultuurhistorisch erfgoed.

297 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Figuur 4. Uitsnede uit kaartbijlage 5 bij het rapport van de Ruilverkaveling Avezaath-Ophemert (Bles & Steeghs 1973)

2.5.2

ARCHIS-waarnemingen

Belangrijkste uitgangspunt voor de archeologische inventarisatie zijn de in ARCHIS3 aangemelde onderzoeken en waarnemingen (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/). Elk in Nederland uit te voeren archeologisch onderzoek wordt in dit systeem onder een unieke numerieke code, het ARCHIS zaakidentificatienummer (of CIS-code) aangemeld. Tot deze registratie horen ook geografische (toponiem, locatie, omvang) en andere administratieve gegevens (uitvoerder, opdrachtgever, aanleiding). Eventueel aangetroffen archeologische resten (individuele vondsten, complextypen, etc.) worden in ARCHIS3 eveneens geregistreerd onder hetzelfde zaakidentifi catienummer. Binnen de gemeente West Betuwe staan 817 locaties met archeologische resten in ARCHIS3 geregistreerd. Zie bijlage 1 voor de catalogus met vindplaatsen en tabel 6 voor de opgenomen gegevens.

2.5.3

Overige archeologische waarnemingen

De andere ruim 950 vindplaatsgegevens die niet in ARCHIS3 zijn opgenomen zijn afkomstig van de bodemkaarten die gemaakt werden in het kader van de ruilverkavelingen (figuur 4) en afkomstig van de in het gebied actieve leden van oudheidkundige vereniging BATO (zie § 2.7 en kaartbijlage 2). Verder is voor de inventarisatie een brede zoekzone van 200 m buiten het gemeentegebied genomen. Deze locaties met geregistreerde archeologische resten buiten de gemeentegrens zijn eveneens in de catalogus (bijlage 1) opgenomen, onder vermelding van de attribuutwaarde InBUFF=ja . De reden is dat het oppervlak met archeologische resten vaak niet is vastgesteld en dat rekening moet worden gehouden met een ruime zone (bij nederzettingsresten > 100 m) rondom de opgegeven (centrum)coördinaat.

298 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Code

Betekenis

Voorbeeld

RAAPCat_nr

RAAP-Catalogusnummer

782

Rank

volgnummer

b

ZAAK_idn

ARCHIS3 zaakidentificatienummer

4007801100

ARCHIS_wnr

ARCHIS2 waarnemingsnummer(s)

53417

OMG_nr

ARCHIS2 onderzoekmelding, indien vermeld 10457

CAA_nr

nummer centraal monumenten archief

nvt

HistElement_ID

overige codes (amateurverenigingen etc)

OPH WD

Plaats

plaatsnaam

Rumpt

Toponiem

toponiem

De Worden

Type

complex, vondst, spoor

spoor

ComplexGroep

complexgroep

nederzettingsresten

ComplexType

complextype/vondst

grijsbakkend gedraaid:kan

Vondsttype

omschrijving

Steengoed (Raeren)

Toelichting

omschrijving

Stichting Menno van Coehoorn V4

Aantal

aantal

2

Diepte

diepteligging

indien vermeld

BeginDatering

begin periode

bronstijd

EindDatering

eind periode

ijzertijd

VondstDatum

datum vondstmelding aan CAA/ARCHIS

25-12-67

MeldingDatum

datum vondstmelding aan CAA/ARCHIS

12-05-68

VerwervingsType

vondstwijze

niet-archeologisch: metaaldetector

RDXm

centrum X-coördinaat (RD)

155.100

RDYm

centrum Y-coördinaat (RD)

427.750

InBUFF

in 200 m attentiezone

nee

Bron

gegevensbron en peildatum mmyy

ARCHIS3 0420

Tabel 6. Samenvatting van de archeologische vindplaatsgegevens. Voor de historische gegevens zie deel 3.

2.5.4

Vindplaatscatalogus en vindplaatsgegevens

In het nieuwe ARCHIS3 systeem staan de meeste vindplaatsen onder een zaakidentificatienummer vermeld. Met dit zaakidentificatienummer kunt u op de website https://archis.cultureelerfgoed.nl/#/login uitgebreide extra informatie over de vindplaats opzoeken Niet alle vindplaatsen in de gemeente staan geregistreerd in het ARCHIS-systeem. Deze hebben dan ook geen ARCHIS-waarnemingsnummer of zaakidentificatienummer. Voor elke geïnventariseerde archeologische vindplaats is daarom een catalogusnummer uitgedeeld (tabel 6). Het betreft dimensieloze puntlocaties waar archeologische vondsten zijn geregistreerd. Eén vindplaats kan meerdere perioden en/of vindplaatstypen omvatten en meerdere ARCHIS-waarnemingsnummers. Deze staan in bijlage 1 onder hetzelfde catalogusnummer, maar in een andere regel (‘rank’) opgenomen Alle vindplaatsen zijn op kaartbijlage 2terreinen opgenomen en van elkaar onderscheiden op begin- en einddatering (archeologische periode) en type vindplaats, een algemene interpretatie van de oorspronkelijke functie van het archeologische complex (zie tabel 7). Zo wordt duidelijk op welke locaties archeologische resten zijn waargenomen/gevonden. De betekenis van de individuele waarnemingen is niet

299 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

altijd duidelijk. Het kan gaan om in-situ materiaal maar ook om verplaatst (opgebracht) materiaal , om een enkele losse vondst of een archeologisch spoor met tientallen vondsten . Om deze reden zijn de vindplaatslocaties niet geclusterd weergegeven. De nadere analyse wat de waarde (betekenis) is van de waarnemingen voor de locatie (de waardestelling) is een AMZ -afweging die tijdens het archeologisch vooronderzoek beantwoord dient te worden.

Complexgroepen

Kazemat

Akker/tuin

Kerk en/of kerkhof

Begraving

Klooster(complex)

Bijlvondst

Landbouw

Brug, sluis of duiker

Legerplaats

Depot

Losse vondsten

Dijk

Molen(plaats)

Eendenkooi

Nederzettingsresten

Fort

Nederzettingsresten en begraving

Galgplaats

Opvaart

Gracht

Romeinse villa

Grafheuvel

Scheepvaart

Groepsschuilplaats

Stad

Huisplaats

Steen-/pannenbakkerij

Industrie/nijverheid

Terp/huisterp

Infrastructuur

Versterking

Kapel

Versterkt huis/gebouw

Kampement

Vuursteenvindplaats

Kasteel

Onbekend

Tabel 7. Complexgroepen onderscheiden op kaartbijlage 2.

In tegenstelling tot de archeologische waarnemingslocaties, zijn de uit historische bronnen overgenomen nederzettingslocaties (§ 2.6) niet opgenomen in de vindplaatscatalogus. De reden is dat de aanvullende informatie veelal beperkt is (tabel 5) in relatie tot de enorme hoeveelheid locaties. Voor meer informatie over dit type vindplaats dient dan ook, naast de kaart bijlagen 2 en 4, het GIS-bestand te worden geraadpleegd.

2.6 Historische nederzettingslocaties De kartering van archeologisch relevante locaties op basis van historische gegevens heeft aan de hand van een groot aantal uiteenlopende (kaart)bronnen plaatsgevonden aangevuld met kaartlagen uit de elementeninventarisatie (zie rapportdeel 3). Als basis werd de kartering in eerste aangepast aan de systematiek van inventarisatie zoals die we die eerder voor de gemeente Geldermalsen hebben uitgevoerd, later herzien naar een nieuwe benadering, waarbij het digitale kadasterbestand 1832 een grote

300 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

rol speelde. Aan de op deze wijze gekarteerde historische nederzettingslocaties zijn bijzondere obj ecten zoals bruggen en veerstoepen, historische dijk- en kanaaltracés en relevante andere terreinen (dorpskernen, kasteelterreinen, schansen, kolken, vijvers, etc.) toegevoegd. Aan alle geïdentificeerde objecten is een typering meegegeven, zoals boerderij of woonhuis, schuur en/of schaapskooi, landhuis, kasteel, enzovoorts. Zie rapport deel 3. Boerderijgebouwen waren in het verleden door hun wijze van funderen meer aan slijtage onderhevig dan tegenwoordig, omdat ze tot ver in de Volle Middeleeuwen met hun h outen palen in het zand stonden. Bovendien was de plek niet statisch; boerderijen werden vaak binnen het eigen bezit over een bepaalde afstand verplaatst. Tot omstreeks 1200 kon die verplaatsing (in meerdere fasen) tientallen meters bedragen; later, door verbeterde funderingstechnieken en een meer aan regels gebonden ruimte was de verplaatsing kleiner. Omdat er geen nadere studie naar de ouderdom van de boerderijen heeft plaatsgevonden, wordt een standaard attentiezone van 25 meter gehanteerd rondom gebouwen. Indien er uit toekomstig onderzoek meer informatie beschikbaar komt, kunnen attentiezones zo nodig worden aangepast, wat voor vermoedelijk de meeste locaties een verkleining van de attentiezone betekent.

Daarbij kan zelfs worden gedacht aan het afsnijde n van de attentiezones in landschappelijke zones waar geen voorgangers verwacht worden, zoals nattere delen van het landschap. Nauwkeurigheid De onnauwkeurigheid van de ingetekende locaties als gevolg van beperkingen in het georefereren van de historische kaarten is beperkt en bedraagt ten hoogste circa 10 m. Niet alles wat op de kadastrale minuutplans zichtbaar was aan archeologisch relevante zaken is (omwille van de beschikbare tijd) mee gekarteerd. Het betreft dan vooral objecten die geen directe nederze ttingscomponent bevatten, zoals de ligging van bruggen en sluizen.

2.7 Terreinen van archeologische waarde Hoofddoel van archeologisch vooronderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg (AMZ) is om bij planvorming (verplicht) rekening te houden met aanwezige dan wel te verwachten

archeologische waarden en om, voorafgaand aan vergunningverlening, de archeologische waarde van het terrein dat zal worden verstoord in voldoende mate vast te stellen. juist bij planvorming is het verplicht rekening te houden met aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden Om tot die vaststelling te komen wordt gekeken naar de kwaliteit, de zeldzaamheid en de contextwaarde van (eventueel) aanwezige archeologische resten. Dit wordt ‘waardestelling’ genoemd. Archeologische monumentenkaart Van een aantal terreinen is een vorm van waardestelling in het verleden reeds door het Rijk (i.c. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) bepaald. De meeste van deze terreinen werden ondergebracht op de provinciale archeologische monumentenkaart (AMK) en zijn niet wettelijk beschermd (zie hierna onder ‘archeologische rijksmonumenten)’. De gegevens in de kaartbijlagen 2 en 3 zijn ontleend aan de laatst aangepaste versie van de AMK, voor het laatste gepubliceerd in juli 2014 door d e Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De AMK wordt niet meer geactualiseerd. In dit rapport en op de kaarten worden de AMK-terreinen vermeld als ‘terreinen van archeologische waarde’ of TAW. Archeologische rijksmonumenten Rijksmonumenten zijn terreinen, gebouwen of andere objecten die om hun nationale cultuurhistorische waarde door de rijksoverheid zijn aangewezen als beschermd monument.

Ze zijn onder het 301 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

rijksmonumentennummer te vinden in het monumentenregister (https://monumentenregister.cultureelerfgoed.nl/ ). Het overgrote deel van de Rijksmonumenten in de gemeente West Betuwe (n=300) is een gebouwd monument. Een veel kleiner deel (n=4) betreft archeologische rijksmonumenten. Deze zijn grotendeels overgenomen van de archeologische monumentenkaart (in het verleden de terreinen van zeer hoge archeologische waarde, beschermd) en hebben in het monumentenregister een nieuw nummer gekregen. Het oude AMK-nummer is daarmee komen te vervallen. Ook de archeologische rijksmonumenten staan op kaartbijlage 2 vermeld. Een speciale categorie betreft zeven terreinen die nu zijn aangemerkt als gemeentelijk (gebouwd) monument maar die feitelijk als archeologische terreinen moeten worden bestempeld en als zodanig als monument op kaartbijlage 2 en 3 zijn opgenomen . Het gaat om: 1.

Het terrein van (vermoedelijk) het Huis Neerijnen (gem. mon. nr. 05 -07);

2.

De omgrachte verhoogde locatie van (vermoedelijk) het verd wenen Huis Tieflaar (gem. mon. nr. 05-01);

3.

Een terrein met terp van het voormalige adellijke huis Hellouw of ’t Spijkertje (gem. mon. nr. 04-04);

4.

Een terpencomplex bestaande uit twee terpen, waarop de oude boerderij Karnheuvel stond (gem. mon. nr. 01-06);

5.

Het terrein van het voormalige Huis Tuil of Nieuw Klingelenburg (gem. mon. nr. 08 -02);

6.

Het terrein en (gedeeltelijk) de slotgracht van het verdwenen Huis Opijnen (gem. mon. nr. 07 05; gesticht rond 1300, thans de algemene begraafplaats van Opijnen);

7.

De terp van de voormalige boerderij Avenhaar (gem. mon. nr. 06 -11).

BATO-terreinen Door BATO-leden 11 zijn in het verleden op zeer veel locaties binnen de gemeentegrens (en daarbuiten) archeologische veldkarteringen uitgevoerd. Duidelijke vondstconcentraties, in bijna alle gevallen in combinatie met opgeploegde donkere, afvalrijke vondstlagen en soms met aangeploegde sporen, zijn daarbij begrensd (in een aantal gevallen in combinaties met boringen) en per terrein gedocumenteerd. De kaarten en documentatie zijn eigendom van BATO, maar het gaat om een betrouwbare, systematische kartering van (in principe behoudenwaardige) vindplaatskernen . De term kernen is bewust gekozen omdat niet het gehele archeologische niveau hoeft te zijn aangeploegd en dus alleen de relatief ondiepe delen zijn in de bouwvoor terechtgekomen. De volledige vindplaatsen kunnen groter zijn. De BATO-terreinen zijn onder vermelding van de BATO-vindplaatscode (OPH WB, Ophemert locatie WB) afzonderlijk beschreven en opgenomen in de vindplaatscatalogus, bijlage 1 (als puntlocatie), en als GIS-laag opgenomen op kaartbijlage 2 als ‘terrein van archeologische waarde – BATO-terreinen’.

2.8 Onderzoeksgebieden Als afzonderlijke GIS-laag zijn de ruimtelijke gegevens met betrekking tot het archeologisch onderzoek in het verleden verwerkt (figuur 5). Om de leesbaarheid van de opgemaakte kaartbijlagen niet te zeer te bemoeilijken is deze gegevenslaag (WestBetuwe_OZK) niet opgenomen in kaartbijlage 2. De bron van deze gegevens is veelal ARCHIS, aangevuld met gearchiveerde gegevens bij RAAP. De reden is dat

11

BATO: Beoefenaren Archeologie in Tiel en Omgeving, de werkgroep archeologie van de Vereniging Oudheidkamer Tiel) 302

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

het ARCHIS-systeem niet compleet is. Pas na 1 april 2005 werd het verplicht om alle AMZ veldonderzoeken aan te melden (KNA versie 2.2). 1 november 2005 werd het aanmelden van archeologische booronderzoeken verplicht, gevolgd door de verplichting tot het aanmelden van bureaustudies in het kader van AMZ-onderzoek (1 januari 2007; KNA versie 3.1). Van een groot aantal van de onderzoeksterreinen is de definitieve waardering nog niet bekend. Weliswaar heeft hier al onderzoek plaatsgevonden, maar deze terreinen zijn n og niet definitief gewaardeerd. Ook de onderzoeksresultaten zelf zijn niet altijd in ARCHIS vermeld. Het is namelijk niet verplicht om de exacte resultaten te vermelden. Om te bepalen of een terrein afdoende archeologisch is onderzocht, dienen de afzonderlijke onderzoeksrapportages geraadpleegd te worden. Voor nadere informatie over deze terreinen en onderzoeken wordt op de kaart verwezen naar de gemeente. Zie verder tabel 8 voor de verzamelde gegevens.

Figuur 5. Onderzoeksgebieden geregistreerd in ACHIS3 en uit het digitale RAAP -archief (bestand WestBetuwe_OZK).

303 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Attribuut

Betekenis

Voorbeeld(en)

zaak_id

Uniek ID

zaakidenti

ARCHIS3 zaakidentificatienummer

2010924100

zaaktype_l

default

Registratie rapportplichtige onderzoeksmelding

object_num

registratienummer

80274

voorafgaan

registratienummer

ZaakIdNr indien bekend

OZKnaam

indien bekend/gemeld

Molenzicht Valburg

ARCH2_omg

ARCHIS2 onderzoekmeldingnummer

3042

verwerving

onderzoektype

archeologisch: boring

uitvoerder

uitvoerende partij

RAAP Archeologisch Adviesbureau

bevoegd_ge

indien bekend/gemeld/van toepassing

gemeente

gemeente

West Betuwe

plaats

Ophemert

toponiem

Stiftse Uiterwaard

start_veld

jjjjmmdd

19991101

eind_veldw

jjjjmmdd

19991106

meldingsda

jjjjmmdd

19991104

nadere omschrijving, indien ingevuld

In het kader van het project Kribverlaging Waal Fase 3 en Langsdammen Wamel-Ophemert wordt hier het graven van een oevergeul begeleid. Voor deze locatie was oorspronkelijk geen begeleiding voorzien naar het in 2003 waargenomen scheepswrak

omschrijvi

status_zaa Bronproj

Onderzoek afgemeld code kaartproject

GENL4

Tabel 8. Opgenomen gegevens in de GIS-tabel WestBetuwe_OZK.

2.9 Bodemverstoringsgegevens Bodemverstoringen zijn op twee verschillende manieren in kaart gebracht. Slechts ten dele kon gebruik gemaakt worden van de gegevens van de beschikbare bodemkaarten (diep uitgegraven, gekeerde grond, geëgaliseerd en opgehoogd), omdat deze doorgaans slechts globaal van aard zijn. Deze zijn een-op-een overgenomen van de bestaande bodemkaarten en de archeologiekaarten. Voor de actualisatie van bodemverstoringsgegevens is geen gebruik gemaakt van bodemverstoringgegevens die geïnventariseerd zijn voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (2014, Project: verstoringen in kaart). 12 13 De RCE waarschuwt namelijk dat het voor deze kaart geïnventariseerde overzicht van potentieel verstorende activiteiten niet is gemaakt voor een een -op-een gebruik in de archeologie en dat ze slechts een eerste indicatie verschaft voor de aanwezigheid van een verstoorde bodem. Het is dan ook niet mogelijk om alleen op basis van de informatie uit die bestanden met zekerheid iets te zeggen over de werkelijke mate van bodemverstoring. Be halve deze gegevens is alleen door een meer gedetailleerd bureauonderzoek en/of verkennend booronderzoek de mate van verstoring tot op perceelsniveau te specificeren. De inventarisatie van bodemverstoringen heeft zich daarmee beperkt tot de bekende en meest ingrijpende vormen (GIS-bestand WestBetuwe_afgegraven).

12

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2017

13

Maas e.a. 2016 304

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

305 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

3 Toelichting op de kaartherziening 3.1 Belangrijke aanpassingen De herziene verwachtingslaag in kaartbijlage 1 verschilt op enkele belangrijke punten van de bestaande archeologiekaarten. Op basis van de nieuwe brongegevens, met name de nieuwe uiterwaardenkaart, zijn polygonen toegevoegd, geherinterpreteerd of aangepast. Een opvallende andere wijziging is het doorvoeren van de meest recente versie van de stroomgordelkaart van de Universiteit Utrecht en de paleogeografische kaarten voor het eerste millennium. 14 In het laatste bronbestand (figuur 2) is op basis van reconstructies van het maaiveld de verbreiding van de oeverwallen ter weerszi jden van de fossiele rivierlopen ingrijpend aangepast (figuur 6).

Figuur 6. Het rivierenlandschap van de gemeente West Betuwe rond het jaar 900 (brongegevens: Pierik 201 7).

Een andere belangrijke wijziging is het aanpassen van de bodemkundige landschappen aan de resultaten van de (veld)bodemkarteringsgegevens waarop venige kommen, ondiep gelegen rivieroeverwallen maar ook terreinen met een cultuurhistorische betekenis, zoals opgehoogde huisplaatsen (pollen), oude woongronden en de woerdgronden met groot detail , en op basis van boringen in het veld, staan aangegeven (figuur 7). De bodemkaarten geven veel prijs over de bovenste 1 tot 1,5 meter van de ondergrond maar bevatten ook gegevens over de aanwezigheid van dieper gelegen prehistorische rivierstroomgordels (kaartbijlage 1: Fko2/Fkv2 :rivierkom met diepgelegen oeverafzettingen nabij systeem: codes Rks2/Rks3/Rksk op de kaart van Tielerwaard-West, profielverloop 2/3a en 2/3b op de kaart van Avezaath-Ophemert). Deze zijn tot dusverre niet eerder (geologisch) gekarteerd.

14 Cohen e.a. 2012, Pierik 2017 306 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Figuur 7. Boven: uitsnede uit de Bodemkaart van het ruilverkavelingsgebied Avezaath -Ophemert, schaal 1:10.000 (Bles & Steeghs, 1973) met de ligging van woerdgronden (Hofeerdgronden, pR d…) rondom Ophemert (rood omgrensd). Rode vlakken zijn de terreinen van archeologische waarde (BATO -terreinen en AMK-terreinen). Onder de nieuwe archeologische beleidskaart (kaartbijlage 3)

.

307 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Een belangrijke andere aanpassing betreft de diepteligging van de verschillende stroomgordels en, dus, de diepteligging van het archeologisch niveau. Anders dan vaak gedacht wordt bestaat er geenszins een eenduidige relatie tussen de ouderdom van de begraven fossiele rivierlopen en de diepteligging. In gebieden met een zeer dik holoceen kleipakket (> 6 m), zoals in het de zuidelijke helft van het centrale en oostelijke deel van de gemeente, komen smalle en oude stroombanen voor waarvan de top van het beddingzand op grotere diepte (> 1,5 -2,5 m -Mv) wordt teruggevonden (figuur 1).

308 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Figuur 8. Voorkomen en ouderdom van de verschillende oude Rijntakken in de ondegrond van de gemeente West Betuwe.

In het noordelijke en oostelijke deel van het gemeentegebied komt de vaste zandondergrond (van Pleistocene ouderdom) veel ondieper voor (2-6 m –Mv). Hier rusten de oude rivierbeddingen direct op het zand waardoor ze door de geringe klink lange tijd als hogere (en daardoor goed bewoonbare) stroomruggen an het maaiveld zichtbaar zijn gebleven. Een goed voorbeeld daarvan is de oude Schoonrewoerdse stroomgordel (nummer 152 in figuur 8) uit het midden en laat neolithicum (actief tussen 3400 en 2000 voor Chr.) waarvan de top van het archeologisch niveau in het noordwestelijk deel van de gemeente tot vlak onder het maaiveld reikt (figuur 9). Een ander voorbeeld is de nog oudere Schaikse stroomgordel (actief tusen 4250 en 2700 voor Chr.) in het noordelijk deel waarvan de zandtop tot 1 meter beneden het maaiveld reikt. Om toch rekening te houden met de relatieve diepteligging van de archeologische niveaus (en daarmee de kwetsbaarheid voor bodemingrepen) is in het bestand van de bodemkundige landschappen (WestBetuwe_vw) rekening gehouden met de fossiele rivierstroomgordels waarvan de zandtop binnen 1,5 –Mv voorkomt, en rivierstroomgrordels die dieper zijn gelegen. Deze grens is uiteraard arbitrair maar geeft voor het verwachtingsmodel een scheiding aan tussen relatief oude riviersystemen uit de bronstijd en ouder, en de jongere systemen (figuur 11).

309 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

Figuur 9. Globale diepteligging van de top van het oeverpakket van enkele in het gemeentegebied voorkomende fossiele stroomgordels, en voor zover bekend. Zie verder ook figuur 8 en figuur 10.

Figuur 10. Globale datering van het moment waarop de fossiele Rijnlopen in de gemeente West Betuwe inactief werden (brongegevens: Cohen et al. 2012).

Figuur 11. Overzicht van de nieuwe archeologische vindplaatsen- en verwachtingenkaart.

310 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

311 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

3.2 Landschaps- en verwachtingsmodel 3.2.1

Landschappelijke achtergrond

Het natuurlijke landschap van de gemeente West Betuwe wordt gekenmerkt door een complex stelsel van voormalige actieve rivierlopen van de Rijn die hier gedurende duizenden jaren actief zijn geweest (figuur 8). Al tienduizenden jaren stroomt deze rivier door het landschap van de gemeente. De grote hoeveelheden klei en zand die de Rijn gedurende deze honderden eeuwen meenam en hier heeft achtergelaten hebben het landschap danig veranderd en opgehoogd. Het stromende water bracht eerst grof zand en grind. We hebben het dan over de laatste ijstijd, 75.000 -15.000 jaar geleden. Daarna, tot zeker 7.000 jaar geleden, volgden de rivieren diep ingesleten dalen omgeven door oude terrassen. In deze dalen werden door de Rijn dikke pakketten zand en klei achtergelaten. Toen het tegen het einde van de ijstijd warmer werd smolten de reusachtige ijsmassa’s. De enorme hoeveelheid smeltwater deed de zeespiegel stijgen, waardoor de Noordzeekust steeds verder landinwaarts werd gedrongen. Mede hierdoor raakten de oude rivierdalen langzaam opgevuld met klei en zand. Na 7.000 jaar geleden was van het oude terrassenlandschap niet veel meer zichtbaar. Er restte een door klei en veen uitgevlakt landschap waar de rivieren frank en vrij doorheen konden stroomden. Bij elk hoog water lieten ze dunne laagjes zand en klei op hun oevers achter.

Uit al die opgestapelde laagjes ontstonden langgerekte en hoger gelegen ruggen in het verder natte en moerassige rivierenlandschap (figuur 6). Deze hoger gelegen gronden waren gewilde locaties om te wonen. Er kwamen weinig overstromingen voor en de zandige kleibodems waren goed te bewerken en zeer vruchtbaar. De rivieren zelf boden voedsel in de vorm van vis en gevogelte, en vormden bevaarbare routes door het grotendeels ontoegankelijke moeras. Elke zoveel eeuwen verlegden de rivieren hun loop, en zo is er op verschillende diepten een hele kluwen aan oude verlaten rivierlopen in de bodem achtergebleven ( figuur 1). Ze zijn te herkennen aan lange linten met rivierzand (de zandbanen) en zandige klei in de ondergrond en word en stroomgordels genoemd. Van de meesten is vrij precies bekend wanneer ze bestonden en wanneer ze in onbruik raakten. Als vuistregel geldt: hoe dieper ze in de ondergrond worden teruggevonden, hoe ouder ze zijn , maar niet altijd (figuur 9). Pas vanaf het begin van de jaartelling concentreert de Rijn zich in deze omgeving in één hoofdstroom in de vorm van de Linge, waarlangs het Rijnwate r nog tot circa AD 1300 zijn weg naar de zee vindt. Het landschap van de gemeente West Betuwe laat dus niet alleen in het platte vlak een wirwar van oude rivierlopen zien. Ook in de diepte stapelen de opeenvolgende rivierlandschappen zich op.

In al die bodemlagen is de ontstaansgeschiedenis van het gebied als het ware vastgelegd. Ook de resten van huizen, stallen, begravingen en huisraad van de vroegere bewoners zijn in die lagen bewaard gebleven. Zodoende bezit West Betuwe een rijk en zeer divers bodemarch ief. Op de diepere afgedekte stroomruggen (kaartbijlage 1: Fs2 – fossiele rivierbedding, relatief diep) komen vindplaatsen uit de vroege fase en midden fase van de nieuwe steentijd voor (7000 tot 4.800 jaar geleden). Op de opgestoven rivierduinen (kaartbijlage 1: Efd rivierduinen in de diepe ondergrond) zijn ook vuursteenvindplaatsen te verwachten. De rivierduinen komen voor op een door midden - en laatholocene rivierafzettingen afgedekt terrassenlandschap waarvan we, zowel in geomorfologische als archeologi sche zin, niet zoveel weten. Indien archeologische sporen zich hier voordoen, zullen deze (gezien de opslibbingsgeschiedenis) betrekking hebben op de late fase van het paleolithicum, de midden steentijd en de vroege fase van de nieuwe steentijd. Dit zijn de perioden waarvan tot op heden in het rivierengebied relatief weinig bekend is en waarvan het aantal vindplaatsen (buiten de rivierduinen) op één à twee handen te

312 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

tellen is. Vooral de diepe ligging (meer dan 4 m) heeft het aantal goed gedocumenteerde waarnemingen beperkt. Een uitspraak over een archeologische verwachting is al met al moeilijk te geven. In de ondieper gelegen bronstijd-laag (4.000 tot 2.800 jaar geleden) blijken alleenstaande boerderijen veel voor te komen. Daar boven zijn kleilagen met arc heologische resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd ontstaan (2.800 tot 1.600 jaar geleden). Deze komen nog minder diep onder het huidige maaiveld voor. Uit deze periode zijn resten van gehuchten en dorpjes bekend. Het rivierengebied was toen al dichtbevolkt. In de Middeleeuwen ontstonden langs de rivieren de eerste echte dorpen en steden en begonnen de bewoners zich tegen het hoogwater te beschermen door kleine dijkjes te bouwen. Hierna kon de ontginning van de nattere moerassen starten. Het alomtegenwoor dige gevaar van dijkdoorbraken is er de oorzaak van dat veel boerderijen op kunstmatig opgeworpen woonheuvels zijn gebouwd.

Figuur 12 Schematische lithogenetische doorsnede door het centrale rivierengebied met enkele gehanteerde begrippen, de relatieve fasering van afzettingen (A t/m E) en een indicatie van potentiële archeologische niveaus. Riviersysteem C heeft tevens crevassegeulen gevormd. Riviersysteem D heeft alleen oeverafzettingen (oeverwal) achtergelaten. .

3.2.2

Verwachtingsmodellen

Onder archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische resten verstaan. Meer specifiek zegt een archeologische verwachting iets over de relatieve dichtheid waarin archeologische resten (vondst- en/of spoorcomplexen) binnen een landschappelijke eenheid kunnen voorkomen. Met de termen hoge, middelmatige en lage verwachting wordt dit tot uitdrukking gebracht. Het vaststellen van de verwachte dichtheid aan onbekende archeologische resten voor een gebied is soms gebaseerd op een getalsmatige analyse van vindplaatsgegevens (een zogenaamde inductieve benadering), terwijl er tevens verwachtingsmodellen bestaan die sterk leunen op een hypothetische benadering (een zogenaamde deductieve benadering). In het geval van een getalsmatige (inductieve) benadering worden de relaties tussen archeologische vindplaatsen en landschappelijke kenmerken berekend door middel van een eenvoudige statistische analyse. Een deductieve benadering is gebaseerd 313 RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

op kennis over de locatiekeuzen in het verleden op grond waarvan aan landschappelijke eenheden verwachtingswaarden worden toegekend. Veel archeologische verwachtingsmodellen in Nederland hebben zowel een inductieve als deductieve onderbouwing. Gesproken wordt dan van een hybridemodel. Zo’ n model is ook gebruikt voor de nieuwe kaart voor de gemeente West Betuwe; uitgangspunt voor het toekennen van de verschillende archeologische verwachtingen is enerzijds een eenvoudige statistische (kwantitatieve) analyse van de landschappelijke kenmerken van de nu bekende vindplaatsen, en anderzijds (deductieve) kenmerken van de archeologische vindplaatsen in het rivierengebied. In dit ‘economische’ model worden allereerst de fysieke mogelijkheden en beperkingen van een landschap bepaald door variabelen al s terreinhoogte, bodem, de waterhuishouding en veranderingen daarin. 15 Door gebruik te maken van geologische, hydrologische en bodemkundige gegevens, kunnen deze op relatief eenvoudige wijze worden herleid. 16 Daarna pas worden aan het model de bekende vindplaatsgegevens toegevoegd, waarna een confrontatie met het fysisch-deterministische verwachtingsmodel plaatsvindt (toetsing en analyse).

Een voordeel van deze deductieve benadering van het verwachtingsmodel is dat het vindplaatsenbestand (met geregistreerde vindplaatsen) als een onafhankelijk controlemiddel gebruikt kan worden om de voorspellende waarde van het verwachtingsmodel te toetsen. 17

3.2.3

Fysisch deterministische verwachtingsmodellen

Tot op heden maken deductieve archeologische verwachtingsmodellen in Nede rland voornamelijk gebruik van vestigingsfactoren en locatiekeuzen die gebaseerd zijn op fysisch -deterministische motieven. Deze zijn vooral economisch van aard en hebben betrekking op de fysieke mogelijkheden, kansen en beperkingen van het landschap waarin men leefde. Dat een dergelijk voorspellingsmodel werkt blijkt doorgaans namelijk uit zowel het bestaande verspreidingsbeeld van archeologische vindplaatsen, 18 de betekenisvolle relatie die doorgaans tijdens opgravingen blijkt tussen landschapszones op ned erzettinsniveau aan de ene kant (oeverzone, komgebied, res tgeul) en de spoor- en vondstconcentraties (activiteitenzones) aan de ander kant, én uit eenvoudige statistische analyses. Aan bepaalde landschappen en landschappelijke variabelen kan inderdaad een relatief grotere dichtheid aan archeologische resten worden toegekend dan aan andere. Voor het rivierenlandschap geldt bijvoorbeeld: hoog en droog = hoge archeologische verwachting, laag en nat = lage archeologische verwachting. Een beperking blijft echter bestaan. Lang niet álle archeologische vindplaatsen zijn te voorspellen met zulke verwachtingsmodellen. Een aanzienlijk aantal typen vindplaatsen wijkt qua landschappelijke setting namelijk af van het ‘normale’ bewoningspatroon . Hierbij spelen veelal andere dan economische motieven een rol.

Deze zijn dan veel meer van sociaal-culturele, politieke of strategische aard. De functie van kastelen, legerplaatsen, schansen en versterkte nederzettingen was bijvoorbeeld verdediging. Daarom zijn ze vaak gebouwd op plaatsen waar voorheen niet gewoond werd, maar die strategische doorgangsgebieden (accessen) naar het achterland vormden, of waar verdedigingsmiddelen (oppervlaktewater voor grachten) voorhanden waren. 19 Eveneens konden bezitsverhoudingen en territoriale macht een rol spelen in het vestigingsgedrag van mensen. Gerritsen en Roymans benadrukken vooral de sociale context van locatiekeuzes; de betekenis die de toenmalige bewoners aan (delen van) het

15 Zie ook Cohen e.a. 2014 16 Nederland bestaan voor de verschillende variabelen landsdekkende overzichtskaarten die van grote betekenis zijn geweest voor het landschapsarcheologisch onderzoek van de laatste decennia. 17 In een kwantitatieve benadering kan dat niet vanwege het gevaar van cirkelredeneringen. 18 En dan met name vindplaatsen die wijzen op resten van al dan niet sedentaire bewoning. 19

Van Hoof 2003 314

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2

fysieke landschap gaven. 20 Het ontstaan van urnenvelden valt bijvoorbeeld samen met de ligging van prehistorische routes en die van oudere grafmonumenten als grafheuvels. 21 Deze voorbeelden geven aan dat men bij locatiekeuzes dus ook uit kon gaan van geheel andere factoren dan van economische aard. Over dergelijke niet-economische motieven is echter zo weinig bekend dat ze slechts bij hoge uitzondering gebruikt zijn bij het opstellen van verwachtingsmodellen. 22

3.2.4

Beperkingen

Omdat de ondiepe ondergrond van de gemeente in fysisch -landschappelijke zin gedetailleerd in kaart is te brengen, is met een fysisch-deterministisch model tot op zekere hoogte te voorspellen waar en in welke landschappelijke zones (en op welke diepten) de kans op ondergronds erfgoed groter is dan elders. Het belangrijkste voordeel van deze selectiemethode is een efficiëntere inzet van bronnen en middelen. Er zijn echter wel vier belangrijke aandachtspunten bij te noemen: 1. Een eerste essentiële beperking is dat het verwachtingsmodel voornamelijk betrekking heeft op nederzettingsterreinen waarvan het verspreidingsbeeld door een ruimtelijk (landschappelijk) verwachtingsmodel verklaard kan worden. Aan de basis van deze verwachtingsmodellen ligt de koppeling tussen ruimtelijke variabelen enerzijds (terreingradiënten, bodemgeschiktheid en waterhuishouding) en de verwachte locatiekeuzefactoren voor de verschillende cultuurgemeenschappen anderzijds. 2. Op de tweede plaats voorspelt een dergelijk model vooral de verwachte dichtheid aan archeologische resten, maar dit zegt niets over bijvoorbeeld een aspect als zeldzaamheid. Resten van bijvoorbeeld zeer oude rituele handelingen, grondstofwinning (mineralen, hout), of voedselextractie komen juist in zones met een lage verwachting voor. Deze – en andere vindplaatsen – lopen het risico niet meer onderzocht te worden. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/297/documents/6402