RAAPrap_4150_GENL4_20210131_deel1.pdf
Tekst van het document
In de uiterste zuidwesthoek van de huidige gemeente Geldermalsen maakte deze een haakse hoek naar het noorden. Deze wetering li ep parallel aan de Herwijnense en Asperense Zeevang. De haakse bocht (op de plaats waar nu de A15 de gemeente verlaat) had de naam Het IJzeren Veulen, net als de hoek in de hierboven beschreven Bisschopsgraaf. Mogelijk was de Mark hier afgedamd. Rond 1474 werd de Boutensteinse Wetering vergraven tot scheepvaartkanaal, waardoor de steden Culemborg en Zaltbommel werden verbonden. Het duurde nog tot 1558 eer besloten werd ook de Bisschopsgraaf voor scheepvaartverkeer in te richten.
2.5.5
Infrastructuur
Paden, wegen en veedriften De meeste historische wegen en paden zijn ontstaan in de periode van de geleidelijke ingebruikname van het land of de latere planmatige ontginningen. Het historisch wegenpatroon hangt dan ook nauw samen met de waterhuishouding en de ontginningsstructuren. De dorpen werden over land verbonden door wegen die over de Lingedijk liepen. Vaak liep parallel aan de Lingedijk, landinwaarts een tweede weg die de hoger gelegen delen van de oeverwallen volgde. Over de kades en zijdwendes liepen wegen en paden naar de komgebieden, die over het algemeen ‘steeg’ in hun naam hebben. Ook over voormalige achterkades liepen deze stegen. De komgebieden waren vanuit de dorpen vrijwel allemaal bereikbaar via veedriften in de vorm van zogenaamde brede straten. Vóór de rivierkades waren gesloten, kon het water ’s winters de kommen binnenstromen via overloopgeulen. De oevers van deze geulen werden gebruikt als veedrift. Na het
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[26]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
sluiten van de rivierdijk verlandde de geul (figuur 9). De veedrift werd verbreed en op de lagere delen van de geul werden bosjes aangeplant, niet zelden in de vorm van grienden.
Figuur 9. De Bulkstraat en Langestraat in Tricht lagen op de oevers van een verlande overloopgeul. Ze dienden als veedrift en verbonden het dorp met de weidegronden in het noorden. Tot in de 8e eeuw stroomde er water in de verlande geul (foto: RAAP / S. van der Veen).
Linge Hoewel de Linge nu vaak als een barrière wordt ervaren, zal dit in het verleden minder het geval zijn geweest. De Linge vormde een belangrijke verkeersader voor de scheepvaart. Tot de komst van de trein en later het transport over de weg was dit de belangrijkste route voor bulkgoederen. De dorpen hadden bijna allemaal een loswal. Deze zijn herkenbaar als buitendijks gelegen opgehoogde of aangeplempte terreintjes. 20 Voor de verbinding tussen de dorpen op de noord- en zuidoever van de Linge vormde de rivier een beperkte barrière. Vrijwel elk dorp had een veer naar de overkant, soms zelfs meer dan één. Op een enkele plaats is een voetveer behouden voor het toerisme, zoals het veer Enspijk-Mariënwaard (figuur 10). Enkele veerstoepen zijn behouden gebleven, zoals bij het eerder genoemde veer bij Enspijk en ook bij de Veerdam tuss en Gellicum en Rhenoy.
20
Harten 1997: 232
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[27]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 10. Veerstoep ten noorden van Enspijk (foto: RAAP / S. van der Veen).
2.6 Ontwikkeling van de dorpspolders Bij de ontginning van de lagere delen van de oeverwallen en de komgebieden in de Late Middeleeuw en speelden de dorpsstructuren en de bestuurlijke eenheden uit de Vroege Middeleeuwen een belangrijke rol. Uit deze dorpen zouden de waterstaatkundige en bestuurlijke eenheden voortkomen die tot in de 20e eeuw standhielden (figuur 11). Hoewel veel kenmerkende structuren in de 20e eeuw zijn verdwenen, spelen ze nog steeds een belangrijke rol in de herkenbaarheid en identiteit van het landschap. In voorgaande paragrafen is de historische ontwikkeling van het landschap op gemeentelijk schaalniveau beschreven. In hoofdstuk 4 zal worden ingezoomd op de historische stedenbouwkundige ontwikkelingen binnen de kernen. In de nu volgende paragraaf worden de historische ruimtelijke ontwikkelingen op de schaal van de dorpspolders ui tgelicht.
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[28]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 11. Structuur van dorpspolders op basis van 18e -eeuws kaartmateriaal.
2.6.1
Acquoy
De dorpspolder van Acquoy werd in het oosten begrensd door de Acquoyse Meerdijk (nu Acquoysemeer) en de Donkere Kade (verdwenen). In het westen werd de polder begrensd door de Acquoyse Kade (nu Acquoyseweg). In het zuiden vormde de Linge de grens. Aan het begin van de 14e eeuw behoorde Acquoy tot het bezit van de heren van Voorne. Catharina van Vornenburgh verpandde in 1364 haar huis met burcht aan Otto van Arkel. In 1371 kwam de heerlijkheid geheel in zijn bezit. De Van Arkels verwierven in de 13e en 14e eeuw een groot aantal heerlijkheden in de omgeving van Leerdam. Samen vormden zij het Land van Arkel, een leen van de graven van Holla nds in het grensgebied tussen Holland en Gelre. 21 Na de Arkelse Oorlog in het begin van de 15e eeuw viel het territorium uiteen. In 1417 ging Acquoy over in andere handen. Een eeuw later, in 1513, kwam het in bezit van Floris van Egmond, graaf van Buren. Door vererving en een huwelijk kwam de heerlijkheid in bezit van Willem van Oranje die het tot baronie verhief. In 1795 werd de baronie opgeheven en werd het gebied ingelijfd bij Holland. Na de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden werd de voormalige baronie bij de Gelderse gemeente Beesd gevoegd. De dorpspolder van Acquoy werd via drie weteringen ontwaterd op de Linge.
Het water uit het Acquoyse Lage Veld werd met behulp van de Acquoyse Achtermolens (deze lagen op de plaats van de knik in de Nieuwe Steeg) naar de Vliet gemalen (figuur 12). Vanuit deze vliet werd het water met behulp van de Acquoyse Molen en Acquoyse Uitwateringssluis op de Linge geloosd. Hier lagen rond
21
Harten 1997: 42
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[29]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
1800 ook een inundatie- of hulpsluis en de Culemborgse Vlietsluis. In 1961 is dit complex van waterwerken vervangen door één grote sluis, de sluis van de Nieuwe Horn. 22
Figuur 12. Knikken in de voormalige Vliet ten noordwesten van Acquoy herinneren aan de plaats waar de Acquoyse Achtermolens lagen (bron: AHN2).
Rondom het dorp komen percelen voor die verwijzen naar de verkavelingsstructuur en het grondgebruik. De percelen binnen het grote open landbouwcomplex ten westen van Acquoy werden aangeduid met ‘kampen’. Dit wijst erop dat het gebied in kleinere eenheden is ontgonnen. Aan de westzijde van het dorp, op de plaats van de huidige weg De Baronie, lag een gebied met het toponiem ‘Liesdell’, wat verwijst naar een laaggelegen gebied. Opvallend in de 19e -eeuwse verkavelingsstructuur is het gebied aan weerszijden van de Nieuwe Steeg (voorheen Ryweg). De symmetrie in wegen en waterlopen en de redelijk vaste kavelbreedtes en -diepten doen een planmatige ontginning vermoeden. Mogelijk hebben de eigenaren van het kasteel van Acquoy, dat aan het begin van de Nieuwe Steeg ligt, hierin een belangrijke rol gespeeld. In het noorden van het Acquoyse Lage Veld, ter hoogte van het Wiel van Bassa, bevindt zich de Acquoyse Heuvel. Dit is een omvangrijke woonheuvel die vermoedelijk in de 17e eeuw is aangelegd toen de kans op overstromingen in het komgebied sterk toenam.
22
Van Hemmen e.a. 2007: 69
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[30]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
2.6.2
Beesd
De vroegste betrouwbare vermelding van Beesd komt voor in een 14e-eeuwse kopie van een oorkonde uit 1145, waarin het dorp wordt aangeduid met Bisde. 23 De ruimtelijke structuur van het dorp gaat vermoedelijk al terug op de Karolingische tijd. 24 De hervormde kerk, die oorspronkelijk aan St. Petrus was gewijd, dateert uit circa 1500. Het St. Petrus-patrocium wijst op een hogere ouderdom. De dorpspolder van Beesd werd begrensd door de Beestse Zeedijk (nu Oude Waag), de Achtersteeg (nu Kooiweg Oost) en de Renoyse Paay (nu Beschuinse en De Paay). Door het k omgebied liepen verschillende oost-west georiënteerde stegen. Deze waren door de huidige Parkweg en Katijdeweg verbonden met het dorp. Deze weg was opvallend breed en kan mogelijk worden geplaatst onder de categorie van brede straten, die veel in het rivierengebied voorkomen. 25 De afwatering van de polder liep via twee oost-west georiënteerde weteringen: de Beestsche Wetering in het uiterste noorden en de Krommebansloot langs de Ridderslagsteeg. Beide weteringen kwamen uit op de wetering langs de Rhenoyse Kade. Hier werd het water met behulp van de Beesdse Molen opgemaald naar de Maalvliet, die vervolgens uitwaterde op de Linge. Het meest noordelijke deel van de dorpspolder, het Beesdsche Lage Veld is aan het einde van de Late Middeleeuwen mogelijk sterk vern at als gevolg van een toegenomen waterpeil in de rivieren.
Het werd rendabel om percelen om te zetten in eendenkooien wat hier op grote schaal heeft plaatsgevonden (figuur 13). In het gebied vinden we momenteel nog elf eendenkooien of restanten daarvan.
Figuur 13. Eendenkooien in het Beesdse Lage Veld, weergegeven op een verpondingskaart uit 1810 (bron: Gelders Archief, toegang 1510, inventarisnr. 0873-217).
2.6.3
Polder Mariënwaard
Onder Beesd viel ook het huidige landgoed Mariënwae rdt, dat in 1129 werd gesticht als Premonstratenzer klooster. Het klooster Mariënweerd werd gesticht door Alveradis, de weduwe van Hendrik van Cuijk, en door haar met goederen begiftigd, de zogenaamde dos. Al kort na de stichting groeide het bezit van de abdij door giften en schenkingen. De abdij kreeg het patronaatsrecht van de
23
Künzel e.a. 1989: 8. De Voorstraat wordt namelijk al in 1333 vermeld. De Beaufort e.a. 1998: 22 25 Keunen & W illemse 2010: 48 24
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[31]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
kerken van Beesd, Boxmeer en Mill. Door de ligging nabij de grens van Gelre in het westen en de aanwezigheid van de Linge op een steenworp afstand viel het klooster meermalen ten pr ooi aan plunderaars. Op 7 juli 1427 werden de abdijgebouwen door de bende van Rudolf van Diepholt in brand gestoken. Een jaar later werden de restanten verwoest. In de jaren daarop werd het klooster herbouwd, maar in 1493 werd het opnieuw geplunderd en ver woest. Na een korte opleving werd het klooster in 1566 en 1567 definitief verwoest door Hendrik van Brederode. Tijdens de Reformatie kwamen alle kloosters en bezittingen toe aan de Staten-Generaal. Later kwam het complex in beheer bij de Staten van het Kwartier van Nijmegen. De abdij Mariënweerd lag op een oeverwal langs de Linge. De westgrens van de historische polder werd gevormd door de Scheid Watering of Oldenburgs Graaf, nu een sloot langs de Oude Waag. Het betreft hier waarschijnlijk een restgeul die benut is voor de ontwatering van het komgebied. Archeologische waarnemingen wijzen erop dat direct rondom het klooster al in de Romeinse tijd bewoning heeft plaatsgevonden. Het overige deel van de oeverwal bij de abdij Mariënweerd lijkt pas aan het begin van de Late Middeleeuwen in gebruik te zijn genomen.
Figuur 14. De sloot ten oosten van de Oude Waag is een restant van de Oldenburgs Graaf (foto: RAAP / S. van der Veen).
De polder Mariënwaard behoort vermoedelijk tot een van de oudste komontginningen in de streek. Het water vanuit de Mariënwaardse Polder werd, zoals weergegeven op een kaart uit 1761, hoofdzakelijk afgevoerd via een wetering die oostelijk langs de huidige Oude Waag liep, de Oldenburgs Graaf ( figuur 14). Het noordelijk deel van deze weg werd in 1761 aangegeven als Beetse Zeedyk. Tot het begin van de 14e eeuw liep hier tevens de Bisschopsgraaf langs. Deze is later verlegd naar de huidige locatie. In de loop van de 18e eeuw namen de Achtervliet en Voorvli et vermoedelijk de functie van belangrijkste wetering over. Net ten zuiden van de huidige spoorlijn lag in de het midden van de 19e eeuw een
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[32]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
poldermolen die het water uit de Achtervliet opmaalde naar de Voorvliet, waarna het water via een sluis in de Linge terecht kwam. In het meest noordelijke deel van het komgebied treffen we een woonheuvel aan met de naam De Woerd (figuur 15). Deze imposante woonheuvel is vermoedelijk in de 17e eeuw aangelegd, een periode waarin de kans op overstromingen in het komgebied sterk toenam. In het laaggelegen deel van het Mariënwaardsche Lage Veld hebben in 1562 ten minste twee eendenkooien gelegen. 26 Een van deze eendenkooien werd in 1500 al vermeld. Van de twee eendenkooien is slechts één exemplaar bewaard gebleven. Het verdwenen exemplaar lag in de noordoosthoek van het Lage Veld. 27
Figuur 15. Woonheuvel De Woerd in het noordelijk komgebied van Mariënwaard (foto: RAAP / S. van der Veen).
2.6.4
Buurmalsen
Een groot deel van de historische polder van Buurmalsen ligt buiten de huidige gemeentegrens, in de gemeente Buren. In de Vroege Middeleeuwen werd met Malsen een nog groter gebied aangeduid, dat delen van de Tielerwaard, Buren en Culemborg omvatte. Het geb ied van Malsen wordt in een oorkonde vermeld waarin de schenking van goederen Uberan Malsna mansus duos, door graaf Balderik aan de Utrechtse kerk staat beschreven. Het betreft twee boerderijen in het Overmalsen, waarmee het huidige Buurmalsen werd bedoeld. Nadat in 1253 het Malsen ten zuiden van de Linge aan Gelderland
26 27
Van Bavel 1993: 454 Buren en Culemborg door Jacob Perrenot, uitgave Covens en Mortier, 1761. Uit Atlas der Neederlanden; via www.sara.nl.
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[33]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
toekwam, werd dit Geldermalsen genoemd. Het noordelijke Malsen dat in de heerlijkheid Buren lag, ging Buurmalsen heten. 28 De dorpspolder van Buurmalsen werd in het oosten begrensd door de Hen nisdijk, in het noorden door de Blinde Steegse Kade (nu Zwarte Kade) en in het westen door de Zwarte Kade (nu Platteweg). Het meest zuidelijke deel van de dorpspolder ligt op de oeverwallen van de Hooglandse Wetering (voorheen Spijkse Wetering) en de Linge. Hier lagen grote aaneengesloten akkercomplexen, zoals het Hoge Spijk ten noorden en zuiden van de Groeneweg. Uit toponiemen op de kaart van Buren en Culemborg uit 1761 blijkt dat een groot deel van het komgebied bij aanvang van de ontginning bestond uit een relatief laaggelegen gebied met broekbossen. 29 De Rijksstraatweg heette destijds Buurmalse Broeksteeg en aan weerszijden van deze weg lag het Hoge en Lage Broek ( figuur 16). Bij de ontginning van de lagere delen van de oeverwallen en het komgebied is gebruik gemaakt van de Ho oglandse Wetering die rond het jaar 1000 vermoedelijk een verlande, maar nog watervoerende restgeul was. Verschillende weteringen en afwateringssloten waren via de Buurmalse Waterloosing (nu Hooglandse Wetering) met de restgeul verbonden en waterden daarop uit. Via enkele molens in de wetering werd het water opgemalen zodat het op de Linge kon worden uitgewaterd.
Figuur 16. De Buurmalse Broeksteeg en het Hoge en Lage Broek in de tweede helft van de 18e eeuw ten noorden van Buurmalsen (bron: Atlas der Neederlanden, Kaart van Buren en Culemborg, 1761).
2.6.5
Deil
De vele archeologische vondsten uit de Romeinse tijd die in de directe omgeving van Deil zijn gedaan, wijzen erop dat de omgeving al in die tijd een geschikte bewoningsloca tie was. Archeologische
28 29
De Beaufort e.a. 1998: 132 Buren en Culemborg door Jacob Perrenot, uitgave Covens en Mortier, 1761. Uit Atlas der Neederlanden; via www.sara.nl.
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[34]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
vondsten uit de Merovingische tijd zijn echter schaars. Van bewoningscontinuïteit lijkt dan ook geen sprake te zijn. De vroegste betrouwbare vermelding van Deil komt voor in een 14e -eeuwse kopie van een oorkonde uit 1148, waarin het gebied wordt aangeduid als ‘Daile’. 30 De naam kan worden geïnterpreteerd als ‘deel’, in de zin van aandeel in de grond. De vroegste indirecte vermelding van een kerk in Deil is terug te vinden in een lijst van het bisdom Utrecht. In deze lijst van bijdrage n tussen 1276-1281 aan het bisdom voor een kruistocht wordt onder het Registrum prepositure Thylensis de kerk te Deyle vermeld. 31 Eind 14e eeuw was Arlard van Deyl leenheer van het dagelijks gericht Deil. Via zijn zoon Otto kwam de leenheerlijkheid in 1405 in handen van hertog Reinald. 32 Tot het midden van de 18e eeuw ging de heerlijkheid meerdere malen over in andere handen, tot het ten slotte in 1758 in bezit van het geslacht Taets van Amerongen kwam. Deil ligt op de zuidelijke oeverwal van de Linge. Arche ologische vondsten uit de Romeinse tijd wijzen erop dat het gebied direct ten zuiden van de historische kern al in die periode in gebruik was. Het is aannemelijk dat dit gebied in de loop van de Vroege Middeleeuwen de kern ging vormen van het latere Deil. Binnen de lagere delen van de stroomrug waar Deil op ligt, komen percelen voor met namen als Den Bemd, Hoge Wei en Hooiblok.
In het midden van de 19e eeuw zijn deze percelen in gebruik als akkerland. De veldnamen doen echter vermoeden dat het ten tijde van naamgeving in gebruik was als hooi- en weiland. Zowel op de stroomrug als binnen de komgebieden liggen ontginningsblokken waarvan de veldnaam het bestanddeel ‘blok’ bevat. Zoals het Oostelingse Blok, het Maatse Blok, het Vuurensche Blok en het Zeevangse Blok. Vermoedelijk hebben deze veldnamen betrekking op de ontginningseenheden, die vervolgens blok- en strookvormig zijn verkaveld. Aan de veldnamen valt ook de ligging ten opzichte van de naamgever af te leiden. Van noord naar zuid treffen we achtereenvolg ens het Voorste Blok, het Middelblok en het Achterblok aan. De polder van Deil werd aan de oostzijde begrensd door de Deilse Zeevang en de Kijfakker, waarvan de ligging slechts aan enkele kavelsloten nog herkenbaar is. In het zuiden werd de polder begrensd door de Mark en in het westen door de Deilse Graaf, die we nog als weg terugvinden. De afwatering vond plaats langs de Deilse Wetering en de Deilse Sluis op de plaats van de huidige molen De Vlinder (figuur 17). Dwars door de polder lag de Kweldam die vermoedelijk is aangelegd om de toes troom van uittredende kwel in de richting van de komgronden tegen te gaan. Door de aanleg van het autosnelwegknooppunt Deil is de relatie met de Mark in het zuiden verloren gegaan.
30
Van Berkel & Samplonius 2006: 96 Vermeulen 1974-1975: 294 32 Vermeulen 1974-1975: 293 31
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[35]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 17. De Deilse Wetering en het 20e-eeuwse gemaal nabij de uitwatering op de Linge (foto: RAAP / S. van der Veen).
2.6.6
Enspijk
Het dorp ‘Enspike’ werd voor het eerst vermeld in 1129, het jaar waarin gravin Alveradis de abdij Mariënweerd stichtte en daarbij goederen in Enspijk aan het klooster schonk. D e naam Enspijk valt te verklaren als tegenhanger van ‘spijk’, wat als een in het water uitstekend stuk land kan worden geïnterpreteerd. 33 Het voorvoegsel ‘en’ heeft betrekking op de in-waartse ligging. Op de stroomrug rondom het dorp kwamen akkers voor met een karakteristieke kromme perceelsvorm. Deze kromme akkers zijn vermoedelijk vanaf de Vroege Middeleeuwen ontstaan als gevolg van een bepaalde ploegtechniek. In de lagere delen ten zuiden van Enspijk ligt een gebied dat werd aangeduid met de veldnaam Stautendam en Houtendam. De namen lijken betrekking te hebben op waterstaatkundige werken, hoewel de ligging daarvan onbekend is. De gebieden in de kom waren in de 19e eeuw vanuit het dorp ontsloten via de Korte Veersteeg en de Net Steeg (nu Netstraat en Panwe g). Aan de veldnamen en verkaveling zijn de ontginningsblokken te herkennen. Ze dragen namen als het Oudweyse Blok en ’t Meetweyse Blok. De ontwatering van de polder Enspijk vond plaats via de Enspijkse Wetering, die voor een groot deel parallel liep aan de Boutensteinse Wetering. Net ten noorden van de voormalige slipschool lagen een watermolen en een sluis, waarvan alleen nog een (moderne) sluis resteert.
De Boutensteinse en Enspijkse Wetering hadden elk hun eigen uitwateringssluis aan de Linge. Op beide plaatsen is nog een sluis aanwezig.
33
Van Berkel & Samplonius 2006: 129
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[36]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
2.6.7
Geldermalsen
Al in de Vroege Middeleeuwen heeft er een nederzetting gelegen aan de rand van het laat middeleeuwse dorpsgebied. In het gebied tussen de Herman Kuijkstraat en de Oranje Nassaustraat zijn archeologische vondsten gedaan die dateren uit deze periode. 34 In de 11e eeuw vormde Geldermalsen samen met Meteren het stamland van het geslacht Van Malsen. Zij hadden aan het eind van de 11e eeuw het rijksleen Kuyk ontvangen, waarnaar ze zich zelf gingen vernoemen. Uit deze periode dateert ook de Burcht van Malsen. Deze burcht werd in de 11e eeuw gebouwd op een omgracht terrein, dat lag tussen de huidige Herman Kuijkstraat en achter het Veer. Ten tijde van de stichting lag hier een oeverwal die extra werd verhoogd voor de bouw van de versterking. Aan de zuidkant is de gracht mogelijk gegraven. In het noorden werd het terrein begrensd door de Linge, van waaruit de gracht gevoed werd. Dit burchteiland was omsloten door een tufstenen muur. Restanten van het muurwerk en de omgrachting zijn aangetroffen bij recent archeologisch onderzoek . 35 Ten tijde van de stichting lag hier een oeverwal die in het zuiden werd begrensd door een verlande tak van de Linge en aan de noordzijde door een noordelijke tak van de Linge. De zuidelijke tak l ag op de plaats van de huidige Molenweg en Geldersestraat. De burcht is vermoedelijk tussen 1150 en 1200 gesloopt.
36 In het noordwestelijk deel van het binnenterrein werd de huidige Hervormde kerk gesticht, die oorspronkelijk aan St. Suitbertus gewijd was. De toren dateert uit de tweede helft van de 13e eeuw. Het huidige middenschip werd in de 15e eeuw gebouwd op de plaats van een 12e-eeuwse tufstenen voorganger waarvan delen in de westmuur zijn opgenomen. 37 Mogelijk is als opvolger van de burcht iets oostelijker het kasteel Geldermalsen (of Ravestein) opgetrokken. Hoe dit kasteel er oorspronkelijk heeft uitgezien, is onduidelijk. In het midden van de 18e eeuw bestond het complex uit een omgracht terrein met daarbinnen een tuinmanshuis, een koetshuis, stallen, een oranjerie en een druivenkas. 38 Een tekening uit het midden van de 18e eeuw van Paulus van Liender toont een zaalgebouw met ingangstoren van twee woonlagen en een zadeldak. Van de gebouwen zijn geen bovengrondse resten zichtbaar. Wel is de omgrachting d eels nog aanwezig. Het dorp ontwikkelde zich in de Late Middeleeuwen op de oeverwallen en (mogelijke) rivierduinen tussen de huidige Herman Kuijkstraat en Kerkstraat.
Door en vanuit het dorp liepen verschillende hoofdwegen: langs de Linge liep de Lingedijk; richting het zuiden liep de Meterense Straat (nu Rijksstraatweg); het Laageinde verbond Geldermalsen met het Geldermalse Weyveld; de Meersteeg vormde een belangrijke ontginningsas voor Hondsgemet; en de Tielseweg (nu Tielerweg) verbond Geldermalsen met Tiel. De polder van Geldermalsen bestond in de 18e eeuw uit twee delen: het Geldermalse Weyveld (of Voetakker) in het zuidwesten en het noordelijke gebied rondom Geldermalsen, Rot en Hondsgemet. Het noordelijke deel van de polder lag op stroomruggen en oeve rwallen, waardoor dit gebied hoger lag dan de rest van de polder. Door deze relatief hoge ligging kwamen hier minder sloten, weteringen en kades voor dan in de lager gelegen komgebieden. De afwatering vond plaats via de Dalemse Wetering, die uitkwam op de Voorvliet (figuur 18). Via de Geldermalse Sluis werd er water afgewaterd op de Linge.
34
Boreel 2009: 27 Boreel 2009: 4 36 Boreel 2009: 5 37 Stenvert e.a. 2000: 176 38 Jas e.a. 2013: 251 35
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[37]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Ook de afwatering van de Voetakker vond plaats via de Voorvliet, die deels door de Meterense polder liep.
Figuur 18. De poldermolen aan de Voorvliet (Watermolenweg 8) bemaalde de voorm alige dorpspolders van Meteren en Geldermalsen (foto: RAAP / S. van der Veen).
2.6.8
Gellicum
Het dorp Gellicum wordt voor het eerst vermeld in een schriftelijke bron uit 938 als Gallinghem. 39 Kenmerkend is het voorkomen van het bestanddeel ‘heem’ in de naam. Dit suffix werd vooral in de periode tussen de 5e en de 10e eeuw toegepast. Het dorp ligt op de plaats waar de Dorpsvliet uitkwam op de Linge. In de laagte tussen de Nysteeg (nu Vlietskant ) ligt een dorpsgriend, zoals we ook bij andere dorpen in de streek tegenkomen. Het dorp lag op een relatief smalle oeverwal. Waar deze laagte de oeverwal doorsnijdt, lagen dan ook de belangrijkste historische bouwwerken, zoals de rooms katholieke kerk van Onze Lieve Vrouw Geboorte, het Rechthuis, daterend uit het begin van de 13e eeuw, en het inmiddels verdwenen kasteel dat voor het eerst in 1326 werd vermeld. Ten noorden van de historische kern ligt tot op heden een meander van de Linge. Het gebied binnen de meander heette de Oude Oyen. Deze meander vormde een belemmering voor het scheepvaartverkeer en werd daarom in de 17e eeuw (vóór 1664) afgesneden door het aanleggen van de Vaart bij De Breeknap. Op de oeverwallen ten oosten en westen van het dorp lagen de oude akkercomplexen. De veldnaam die het oostelijk akkercomplex had, de Waayakkers, doet vermoeden dat zich hier een dijkdoorbraak heeft voorgedaan. Ten noorden van de Provincialeweg West, bij boerderij het Groene Paard, treffen we inderdaad een dijkteruglegging aan.
39
Künzel e.a. 1989: 145
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[38]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
In het komgebied ten zuiden van het dorp lagen ontginningsblokken met namen die duiden op een extensief gebruik als weidegrond en hooiland, zoals de Rouw Weyde en het Laage Veld. Binnen de laagste delen van het komgebied werden twee eendenk ooien aangelegd. Het grondgebied van de dorpen Gelicum en Rumpt vormde al in de 18e eeuw een waterstaatkundige eenheid. Door middel van de Uitwatering van Gellicum en Rumpt (nu opgenomen in de Haaftensche Molenvliet) waterde de polder op de Linge af.
2.6.9
Meteren
Waarschijnlijk is Meteren ontstaan uit een nederzetting uit de Romeinse tijd. Het historische dorpscentrum ligt op een breed deel van het meandergordelcomplex van Meteren, dat ver voor de bedijking in de periode 1123-386 voor Chr. actief was. De dorpspolder werd in het westen begrensd door de Meterense Kweldam (nu verdwenen) en in het zuiden door de Mark. Aan de noordzijde was de grens minder regelmatig; globaal werd de grens hier gevormd door de Bredestraat en de Blankertseweg. De relatief brede en hooggelegen meandergordels maakten dat dit gebied al in de Merovingische tijd bewoond geweest kan zijn. Vanaf de hogere delen in het landschap zijn vermoedelijk aan het begin van de Late Middeleeuwen de lagere delen ontgonnen. Voor de ontginning van de Bergakker is vermoedelijk de Blankertseweg als basis gebruikt. Deze weg ligt op een smalle meandergordel met crevasse, die tussen 5788 en 5630 voor Chr. actief was. Ten westen van het dorp is een vrij directe overgang naar het komgebied. Voor de ontginning van di t hooi- en weidegebied, het Achterveld, werd de Achtersteweg als basis gebruikt. Ten oosten van het dorp lagen twee adellijke huizen. Op de plek waar het latere Huis te Meteren werd gebouwd lag een kasteel dat vermoedelijk in de 13e eeuw werd gebouwd. Dit kasteel werd op de plaats van een hof, een zogenaamde curtis gebouwd.
Deze curtis werd in 1265 door graaf Otto II van Gelre in leen gegeven aan de familie Van Bentheim, de vermoedelijke stichters van het kasteel ( figuur 19). Iets oostelijker aan de Blankertseweg lag het kasteel Blankenstein, waarvan in 2006 met behulp van weerstandsmetingen de ligging van muurresten en de gracht is achterhaald. 40
40
Dekker & Kattenberg 2006
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[39]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 19. Het dorp Meteren in het eerste kwart van de 18e eeuw. Rechts van het midden is een omgrachte huisplaats te zien: het Huis te Meteren. Nog verder naar rechts staat het Huis Blanckenstijn afgebeeld. Uitsnede van Tiendkaart van Geldermalsen van het Kapittel van St. Marie te Utrecht uit 1714 (bron: Gemeente Geldermalsen).
De afwatering van de polder van Meteren geschiedde zeer waarschijnlijk via de Dalemse Wetering, de Voorvliet en de Mark. De Voorvliet waterde vervolgens bij Geldermalsen uit op de Linge. Op de grens van Meteren en de Voetakker lag in de 18e eeuw een kweldam di e vermoedelijk moest voorkomen dat uittredend kwelwater aan de voet van de stroomruggen de lage komgronden zou instromen. Van deze Meterense Kweldam is niets meer herkenbaar in het huidige landschap.
2.6.10 Rhenoy De dorpspolder van Rhenoy omvatte het gebied tussen de Acquoyse Meersteeg en Rhenoyse Paay. Het dorp en de aangrenzende historische akkercomplexen liggen op de oeverwal van de Linge. Ten westen van het dorp ligt een groot open akkercomplex dat op het kadastraal minuutplan uit 1832 staat aangeduid als ‘Het Achterland’. In de smalle licht gebogen strokenverkaveling kan een kromakker worden herkend (zie ook § 2.5). De oudste ontginningen vinden we op de hogere delen van de oeverwal, die het Hoge Veld worden genoemd. Vanuit hier werd het laaggelegen komgebied ontgonnen. Deze kom werd aangeduid met het Lage Veld. Vanuit het dorp en vanaf de Lingedijk liepen stegen (de Grote Steeg, nu Breezij, en de Kleine Steeg) richting het Lage Veld, waar ze aansloten op de Tiendweg. Via de Beschuitse Steeg (nu Beschuinse) kon de achterkade van de polder, de Acquoyse Meerdijk, worden bereikt. In het meest noordelijke deel van de polder hebben ten minste twee
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[40]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
eendenkooien gelegen. Deze zijn vermoedelijk in de 16e eeuw aangelegd. Van de twee eendenkooien zijn restanten bewaard gebleven in het huidige landschap. De afwatering vond plaats via een oost-west-georiënteerde wetering, de Nieuwe Grave. Via de Rhenoyse Wetering langs de grens met Acquoy waterde deze af op de Linge. Het water werd door middel van poldermolens naar de Linge afgevoerd. Op de plaats waar de huidige Tiendweg de historische dorpspolder verlaat, stond er een poldermolen. Een tweede molen stond bij de huidige boerderij Sluisweide. De Nieuwe Grave is in de 20e eeuw rechtgetrokken en verbreed en is nu bekend onder de naam Nieuwe Graaf (figuur 20). De Rhenoyse Wetering heeft haar functie als wetering verloren en is nu herkenbaar als kavelsloot langs de Akkooische Meer. De doorsnijding van de spoordijk heeft ervoor gezorgd dat het systeem minder goed als geheel herkenbaar is.
Figuur 20. Door middel van de Nieuwe Graaf werd het overtollige water uit de dorpspolder van Rhenoy op de Rhenoyse Wetering geloosd (foto: RAAP / S. van der Veen).
2.6.11 Rumpt Het dorp Rumpt ligt op een smalle oeverwal aan de Linge. De eerste vermelding van Rumpt is aangetroffen in een lijst van bezittingen van de St. Martenskerk in Utrecht uit circa 960. 41 De kerk van het dorp behoorde vermoedelijk tot de abdij Mariënweerd en zou vo or 1148 zijn gesticht. In het midden van de 12e eeuw werd Rumpt een dagelijkse heerlijkheid die verbonden is met het land van Arkel. Ten noordwesten en ten oosten van het dorp lagen omvangrijke open akkercomplexen. Ook ten zuiden van het dorp lag, op een oude meandergordel, een bouwlandcomplex. De perceelsblokken ten noordwesten van het dorp hebben namen die veelal eindigen op ‘akker’ of ‘kamp’. Geheel in het oosten 41
Vermeulen 1974-1975: 309
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[41]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
van de dorpspolder, nabij de Boutensteinse Wetering, lag het kasteel Boutenstein. De hoge oe verwal werd hier kort onderbroken door een laagte, die werd benut voor de afwatering van het komgebied en de aanleg van het kasteel met omgrachting. Van het kasteel zijn vermoedelijk nog resten in de ondergrond aanwezig. Ten zuiden van het langgerekte dorp Rumpt kwamen de Achterstraat en de Middenstraat samen in een brede weg die de zuidelijke akkers en de weide - en hooilanden met het dorp verbond. Ten oosten van deze weg was een langgerekte drassige zone die met bos was beplant, zoals blijkt uit de oorspro nkelijk aanwijzende tafel van het kadastraal minuutplan uit 1832. Een klein bosje in de oksel van de Haaftense en Provincialeweg West herinnert hier nog aan. Zuidelijk hiervan ligt een blok akkerpercelen met de naam De Worden. Het bestanddeel ‘word’ kan hier worden verklaard als een hoger gelegen deel, zoals dit ook opgaat voor ‘woerd’. 42 Het gebied kent inderdaad een relatief hoge ligging die samenhangt met de aanwezigheid van een fossiele meandergordel in de ondergrond.
Figuur 21. De huidige Haaftensche Molenvliet ontstond in de 20e eeuw door samenvoeging van de Hellouwsche Vliet met de Herwijnensche en Asperense Zeevang (foto: RAAP / S. van der Veen).
Tussen de Nieuwendijk en De Worden lagen ontginningseenheden die veelal eindigd en op ‘blok’. Dit suffix verwijst naar de ontginningseenheid waarbinnen de grond in stroken of blokken werd verkaveld. Het vormt de tegenhanger van de percelen die met ‘geer’ worden aangeduid; deze percelen liggen juist vaak in een punt (dergelijke percelen treffen we aan tussen Gellicum en Rumpt). In het meest zuidelijke deel treffen we het Lage Veld of het Eigen Blok aan, dat waarschijnlijk het meest recent is ontgonnen. De komgebieden waren bereikbaar via de wegen en paden over de achter - en zijkades en via enkele
42
Schönfeld 1980: 42
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[42]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
stegen die van noord naar zuid liepen. Voorbeelden hiervan waren de Zittersteeg, de Grote Slagsteeg (nu verdwenen) en de Rauweigraaf. De polders van Rumpt en Gellicum hadden een gezamenlijk afwateringssysteem. Het water werd hier afgevoerd via de Nieuwe Sloot, de Putstrang en de Beemerstrang op de Dorpsvliet in Gellicum en op de Herwijnense en Asperense Zeevang (figuur 21). Daar werd het via sluizen op de Linge uitgewaterd. Het grondgebied van de dorpen Gelicum en Rumpt vormde al in de 18e eeuw een waterstaatkundige eenheid. Door middel van de Uitwatering van Gellicum en Rumpt (nu opgenomen in de Haaftensche Molenvliet) waterde de polder op de Linge af.
2.6.12 Tricht Net als Meteren is Tricht waarschijnlijk een voortzetting van een nederzetting uit de Romeinse tijd. Het type nederzettingstype, een rond esdorp, sluit een oorsprong in de Merovingsche tijd echter niet uit. Het dorp ligt nabij de plek waar de Hooglandse Wetering (voorheen Spijkse Watering) uitkomt in de Linge. In het oostelijk deel van het dorp lopen twee wegen die een bijzonder geheel vormen: de Laan van Crayestein en de Bulkstraat. Mogelijk zijn deze twee wegen aangelegd op de oevers van een smalle restgeul of crevasse. Op een kaart uit de tweede helft van 1761 is te zien dat het huidige groengebied tussen deze straten nog watervoerend was. 43 Mogelijk diende deze geul als toevoerkanaal voor de gracht van kasteel Crayestein (figuur 22). Het gebied ten noorden van Tricht wordt op het kadastraal minuutplan uit 1832 aangeduid met de toponiemen ‘Hoge Maat’, ‘Middel Maat’ en ‘Lage Maat’. Gebieden met namen met het bestanddeel ‘maat’ werden in de Karolingische tijd vaak als aanduiding voor ge meenschappelijke hooi- en weidegronden gebruikt. De ontginningsblokken in het komgebied dragen veelal namen met het bestanddeel ‘hoeve’. Dit wijst op een ontginning in de Late Middeleeuwen, toen het gebruikelijk was ontginningsblokken in de broekontginningen uit te geven in een standaard hoevemaat.
44 De toponiemen ‘Oude Hoeven’, ‘Nieuwe Hoeven’ en ‘Over Hoeven’ geven aan dat de ontginning gefaseerd heeft plaatsgevonden vanuit het zuiden richting het noorden. Op de laagste delen van de komontginningen, het slechts bruikbaar voor andere doeleinden, zijn vermoedelijk in de 16e eeuw eendenkooien aangelegd. Er komen nu nog drie eendenkooien, of resten hiervan, voor in dit gebied. De afwatering van de polder vond plaats via weteringen die uitkwamen op een wetering die naast de Bisschopsgraaf lag. Om het water op de Linge te kunnen uitwateren, lagen er twee molens in de wetering en een sluis bij de Neust. De Lage Molen lag iets ten noorden van de huidige spoorlijn. De Hoge Molen lag op de plaats waar de Laaggraafsche Wetering uitkomt op de Bisschopsgraaf.
43 44
Buren en Culemborg door Jacob Perrenot, uitgave Covens en Mortier, 1761. Uit Atlas der Neederlanden via www.sara.nl. Verhelst 2012: 40
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[43]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 22. Tussen kasteel Crayestein en de Linge lag op de plek van de huidige Bulkstraat een watervoerende geul. Dit gebied is nog herkenbaar als een relatief laaggelegen groenstrook binnen het dorp Tricht (bron: Kaart van Culemborg en Buren, 1761. Atlas der Neederlanden).
2.7 Geleidelijke transformatie (1500-1850) Tijdens de Late Middeleeuwen en het begin van de Nieuwe tijd deed zich in het Gelderse rivierengebied een belangrijke verschuiving voor op sociaal-economisch terrein: de laat-middeleeuwse transitie. Een ontwikkeling van een andere orde was dat de inwoners geconfronteerd werden met toenemende piekafvoeren van de rivieren en de daarmee gepaard gaande overstromingen. Vanaf de 17e eeuw werden diverse pogingen ondernomen het water onder controle te houden, wat uiteindelijk pas na de 19e eeuw zou lukken. Niet alleen de strijd tegen het water veranderde het landschap. Ook werd het landschap zo aangepast dat het water als bondgenoot kon worden ingezet, in de vorm van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
2.7.1
Laat-middeleeuwse transitie
Tijdens de Late Middeleeuwen en het begin van de Nieuwe tijd maakte het Gelderse rivierengebied een ingrijpende transitie door. De vroeg-middeleeuwse domanialiteit en horigheid verdwenen in de periode tussen de 12e en 14e eeuw en maakten in de 15e en 16e eeuw plaats voor het agrarisch kapitalisme. 45 Grote pachtboerderijen kwamen op, de landbouw werd meer marktgericht en er kwam een vorm van
45
Van Bavel 1999: 681-682
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[44]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
loonarbeid op. Deze ontwikkeling deed zich gedurende de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd in heel West-Europa voor. De Lingestreek en daarmee dus ook de gemeente Geldermalsen behoorde tot de gebieden die als eerste deze belangrijke transitie doormaakten. Grootgrondbezit en boerenbezit De transitie verliep volgens een tweedeling die zijn oorspong had in de Karolingische tijd. Zoals reeds in § 2.4 is beschreven, concentreerde de bewoning zich in de Merovingische en Karolingische tijd op de hogere en bredere oeverwallen in de oostelijke helft van de gemeente. Hier lagen de goede akkerbouwgronden en het gebied had een verkeersgeografisch en strategisch gunstige ligging. 46 Dit had tot gevolg dat er veel koningsgoederen in deze streek waren. Dit was onroerend goed dat ten behoeve van de Frankische koning werd geëxploiteerd. In de Late Middeleeuwen kwamen deze goederen door schenking steeds meer in bezit van domaniaal georganiseerde grootgro ndbezitters en religieuze instellingen. De exploitatie van een domaniaal landgoed vond plaats vanuit een centrale hof of curtis. Een van de voorgangers van het Huis Meteren was bijvoorbeeld een centrale hof. Hieromheen lagen boerderijen met hoevenland die waren uitgegeven aan horige boeren.
Als wederdienst voor onder andere het bewonen van de boerderij en het uitoefenen van landbouw moesten de boeren het aan de centrale hof toebehorende land bewerken. Het westelijke grondgebied van de gemeente, dat door zij n fysisch-geografische omstandigheden lange tijd minder geschikt was voor bewoning en ontginning, raakte gedurende de Karolingische tijd langzaam bewoond. Doordat de oeverwallen hier smaller en lager waren en er daardoor minder grond voor de landbouw aanwe zig was, kwam hier minder domaniaal georganiseerd grootgrondbezit voor. Hier lag vooral bezit van de verschillende boeren. Na de occupatie van de oeverwallen werden nieuwe ontginningen ondernomen in de komgebieden. Bij de verdeling van het land werden de bezitsverhoudingen die op het oude land van toepassing waren gekopieerd. In het oosten van de gemeente waren de meeste komgronden dus in bezit van landsheren en religieuze instellingen. In het westen waren ze vooral in bezit van boeren. Opvallend is dat dez e verhouding in het grondbezit zich gedurende de hele Late Middeleeuwen heeft gehandhaafd en verschuivingen in grondbezit vooral binnen deze twee groepen plaatsvond. In de vroeg bewoonde gebieden was aan het eind van de 16e eeuw nog altijd sprake van grootgrondbezit en in de later ontgonnen gebieden van klein boerenbezit.
Deze bezitsverhoudingen vormden als het ware een prisma waardoor de gebieden zich vanaf de Late Middeleeuwen op een eigen wijze agrarisch -economisch gingen ontwikkelen. Opkomst van de pacht Binnen de domaniale goederen vond in de decennia rond 1300 een snelle transformatie plaats van domaniale exploitatie naar verpachting. Het voordeel ten opzichte van het domaniale systeem was dat de mobiliteit van de grond en de competitie om de grond toe nam. Ook wisten de grootgrondbezitters te profiteren van de lage lonen en de hoge voedselprijzen. De kleine boeren hadden daar weinig voordeel van. De overgang naar verpachting vond gedurende de 13e eeuw al plaats binnen de gebieden die in boerenbezit waren, maar nam in de 14e eeuw nog maar weinig toe. Veel boeren hadden de grond zelf nodig om hun bedrijf draaiende te houden. In de daaropvolgende periode tot 1570 nam de verpachting in deze gebieden gestaag toe, terwijl de toename binnen de domaniale goedere n gering was.
46
Van Bavel 1999: 648
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[45]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Bevolkingsgroei Ook de mate van bevolkingsgroei hing samen met deze tweedeling. Het blijkt dat er in de 16e eeuw in gebieden waar veel grond in boerenbezit was, sprake was van een hoge bevolkingsdichtheid. In sommige gevallen blijkt deze relatie tussen bevolkingsdichtheid en boerenbezit sterker te zijn dan de relatie met de fysisch-bodemkundige situatie. In de gebieden die al in de Merovingische tijd bewoond waren en door grootgrondbezit gedomineerd werden, was er juist sprake van een trage bevolkingsgroei. Dat de bevolkingsdichtheid in de gebieden met veel boerenbezit zo kon toenemen , hangt onder andere samen met het feit dat boeren hun bezit gemakkelijk konden verdelen onder hun kinderen. Deze kinderen hadden dus vrij vroeg de beschikking ove r een eigen stuk land en konden daardoor op relatief jonge leeftijd een gezin onderhouden. Dit leidde ertoe dat deze gebieden een sterke bevolkingsgroei kenden en dat in deze gebieden relatief veel kleine boerenbedrijven voorkwamen. Omdat kleine boeren over een vast minimum aan arbeidskrachten beschikte n, namelijk de leden van het gezin, moesten zij deze maximaal benutten om te kunnen concurreren. Dit deden ze door zich te specificeren in de teelt van arbeidsintensieve gewassen. Verder probeerden ze de arbe idskracht binnen het gezin beter te benutten door zich ook op niet-agrarische activiteiten te richten.
Dit bleek vaak als spin off te werken en maakte zodoende de komst van weer nieuwe kleine bedrijfjes mogelijk. In de gebieden waar veel grootgrondbezit voorkwam en pachtgrond overheerste, was het voor de boeren moeilijker hun bedrijven over hun kinderen te verdelen. Hierdoor konden deze kinderen pas op late leeftijd, of helemaal niet, over een eigen bedrijf beschikken. Dit had een negatieve invloed op de bevolkingsgroei. Doordat opsplitsing van pachtgoederen weinig voorkwam , ontstonden na verloop van tijd grote pachtboerderijen. De pachters van deze boerderijen hadden de financiële mid delen en de wil om flink te investeren in hun bedrijf en de verpachters waren bereid in hun pachtgoed te investeren. Door hun bedrijfsvoering te moderniseren, probeerden ze de arbeidsproductiviteit te vergroten. Om dit te bereiken, kozen zij voor arbeidsextensieve teelten en gewassen. Dit had een negatieve invloed op de bevolkingstoename in deze gebieden.
In het huidige landschap vinden we de gevolgen van deze transitie nog steeds terug. Op de smalle oeverwallen in het westelijk deel van de gemeente vinden we een grote hoeveelheid kleine historische erven terug. In de oostelijke helft van de gemeente is het aantal kleine historische erven kleiner. Op de brede oeverwallen in dit deel van de gemeente vinden we relatief veel grote boerderijen: de pachtboerderijen. Ook konden de verpachters en pachters grote investeringen doen waarvan de eendenkooien in de komgebieden een voorbeeld zijn. Dat Geldermalsen eeuwenlang het centrum van de fruitteelt was, is hier ook een voorbeeld van. De eerste grootschalige boomgaar den konden alleen worden aangelegd door de grote investeringen die de verpachter en pachtboer durfde te doen. Fruitteelt Aan het eind van de Middeleeuwen, rond 1570, nam de fruitteelt in het westelijk deel van het Gelderse rivierengebied een hoge vlucht. Instellingen en heren begonnen op grootschalige wijze boomgaarden aan te leggen. Door middel van een pachtsysteem werden deze geëxploiteerd. 47 De abdij Mariënweerd beschikte bijvoorbeeld over een omvangrijke boomgaard, die voor zestig carolusgulden werd 47
Van Bavel 1999: 607
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[46]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
verpacht. 48 Ook rondom pachtboerderijen werden soms omvangrijke boomgaarden aangelegd. Deze ontwikkeling vond vrijwel alleen plaats op de oeverwallen en binnen de eigendommen van heren en instellingen. Door deze ontwikkeling transformeerde het westelijk Gelders e rivierengebied in het grootste fruitcentrum van de Noordelijke Nederlanden, wat het tot op de dag van vandaag is gebleven. Eendenkooien Vanaf het begin van de 16e eeuw werden in de laagste delen van de komgebieden eendenkooien aangelegd. De vroegste vermeldingen dateren van rond 1500. 49 In de tweede helft van de 16e eeuw moet de kooikerij op relatief grote schaal zijn uitgeoefend en waren er veel belangen mee gemoeid. 50
Figuur 23. Op gedetailleerde hoogtekaarten is de inrichting met vijver, vangarmen en grienden duidelijk herkenbaar, zoals bij deze eendenkooi bij De Woerd in het Lage Veld van Mariënwaard (bron: AHN2).
De opdrachtgevers voor de aanleg van de kooien moeten de kooikerij als een rendabele aangelegenheid hebben gezien. Het zijn vrijwel allemaal grootgrondbezitters geweest. Voor de aanleg moesten zij landbouwgrond onttrekken en laten inrichten als kooi ( figuur 23). Dit gebeurde op het moment dat de komgebieden juist geschikter werden voor de landbouw door de introductie van de poldermolen. De inrichting van de kooi was een kostbare aangelegenheid. Er moest een plas met vangarmen worden gegraven. Deze diende beplant wor den met struikgewas. Verder moesten een 48
Van Bavel 1999: 608 Het Mariënweerdse Veld (omstreeks 1500 en een tweede in 1562), Rumpt (1546), Deil (1558), Tricht (1580) en Beesd (1596) 50 In de tweede helft van de 16e eeuw werd een aantal plakkaten uitgevaardigd door Karel V waarmee de kooikerij aan regels werd gebonden. W aarschijnlijk is dit een reactie op de toename van het belang van deze sector. 49
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[47]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
schuit, visgerei, lokeenden en eendenvoer worden aangeschaft. Vervolgens duurde het nog jaren voordat de bossages hoog genoeg waren en de eendenkooi in gebruik kon worden genomen. De exploitatie vond doorgaans plaats door middel van verpachting. Vaak was de eerste pachter ook de persoon die de kooi aanlegde en beplantte. Met de aanleg van een kooi werd een aanzienlijke meerwaarde gegenereerd. De hooi- of weidegrond bracht nu jaarlijks duizenden eenden en vogels op en daarnaast honderden eieren, vis en wilgentenen. 51
2.7.2
Waterstaat
Ontwatering van de polders Bij de ontwatering van de komgebieden kon tot in de eerste helft van de 16e eeuw gebruik worden gemaakt van het natuurlijke verval dat ontstond bij lage waterstanden in de rivieren. In het begin van de 16e eeuw deden de eerste poldermolens hun intrede in de Lage Landen. De vroegste datering van een poldermolen in de Mariënwaard dateert uit 1513. 52 Met de komst van één molen in een gebied volgden al snel andere. Het opgemalen water kwam in de weteringen terecht en vormde daar een bedreiging voor aangrenzende laaggelegen percelen. Het is dan ook aannemelijk dat er in de 16e eeuw meer poldermolens zijn verschenen in het westelijk rivierengebied. Rond het midden van de 19e eeuw waren er ongeveer tien poldermolens binnen de huidige gemeente. Naarmate men naar het westen ging, nam het aantal molens toe, omdat hier de mogelijkheid tot natuurlijke afwatering afnam. De molens maalden getrapt. Dit betekent dat er benedenmolens waren die het overtollige water uit de weteringen in de boezem brachten. Vanaf de boezem werd dit met een bovenmolen naar de hoge boezem gebracht. Vanuit de hoge boezem werd het water uitgelaten op de Linge via uitwateringssluizen. De boezem was vaak een bekaad d eel van een wetering, zoals we bij de Bisschopsgraaf, Maalvliet en Boutensteinse Wetering zien (figuur 24).
51 52
Van Bavel 2002 Van Bavel 1993: 341 en 435
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[48]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 24. De Rumptse en Gellikumsche watermolens maalden het overtollig water door middel van getrapte bemaling naar de Linge. Kaartbeeld uit 1774, noorden is rechts (bron: Gelders Archief, toegang 1510, inventarisnr. 0201-AKV52).
Dijkdoorbraken en de gevolgen In de Late Middeleeuwen waren de dijkringen rond de dorpspolders gesloten. Het gevolg hiervan was dat pieken in de waterafvoer niet meer konden worden opgevangen door de kommen. Daarnaast ging de rivier het meegevoerde materiaal afzetten binnen haar bedding, waardoor deze steeds hoger kwam te liggen. Om te voorkomen dat het hele komgebied verloren ging voor landbouw en bewoning moesten maatregelen worden genomen. Deze maatregelen waren reactief en pre ventief van karakter. Wielen en woonheuvels Door de hogere piekafvoeren in de rivieren en het verzanden van de bedding werd de kans op dijkdoorbraken steeds groter. De doorbraken deden zich voornamelijk in de winter voor wanneer kruiend ijs werd opgehouden door zandbanken in de rivierbedding. Dit gebeurde vooral in de periode tussen de 15e en de 19e eeuw, die ook wel de kleine ijstijd wordt genoemd. Bij een doorbraak nam het water niet alleen de dijk weg, maar veroorzaakte op die plek ook een kolkgat, een w iel. Het meegevoerde zand en grind werd op de achterliggende gronden afgezet. Deze worden bodemkundig aangemerkt als overslaggronden. Na een dijkdoorbraak moest het achterliggende land vaak opnieuw ontgonnen worden. Ook moest er een nieuwe dijk aangelegd worden om het wiel. Als men ruimte in de uiterwaarden had, werd een wiel binnengedijkt (aan de zijde van de uiterwaarden werd een dijk om het
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[49]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
wiel aangelegd). Voorbeelden hiervan treffen we aan ten noorden van Acquoy, bij de Nieuwe Vliet en ten westen van Tricht. Als er geen ruimte was, werd het wiel buitengedijkt (aan de landzijde werd een dijk aangelegd). De twee wielen ten noorden van Rumpt zijn hier een voorbeeld van ( figuur 25).
Figuur 25. Het Kleine Wiel ten noordoosten van Rumpt is een voorbeeld van een buitengedijkt wiel (foto: RAAP / S. van der Veen).
Het onderlopen van de kommen bij overstromingen leidde ertoe dat bewoning in de lage komgebieden niet meer mogelijk was zonder maatregelen te treffen. De toenemende bevolking concentreerde zich dan ook op de oeverwallen. De dorpskernen werden geleidelijk opgehoogd en hierdoor ontstonden dorpsterpen. Binnen de komgebieden concentreerde de bewoning zich op woonheuvels, die werden aangelegd op de stroomruggen in de ondergrond. De aanleg van deze kunstmatige heuvels ging door tot in de 19e eeuw. 53 Voorbeelden hiervan zijn de Acquoyse Heuvel en de Ganzenheuvel bij landgoed Mariënwaerdt (figuur 26).
53
W illemse & Verhelst 2012
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[50]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 26. De Acquoyse Heuvel nabij de Acquoyseweg (foto: RAAP / S. van der Veen).
Ook binnen het domein van het erf werden maatregelen tegen overstromingen genomen. Om agrarische producten droog te houden, werden verhoogde hooi- en korenbergen gebouwd. In het westelijk deel van het rivierengebied zijn de heuvels hoger dan in het oosten, wat verklaard kan worden uit de relatief hogere rivierstanden in het stroomafwaarts gelegen gebied. Om het vee bij overstroming veilig te kunnen stallen, werden veeschuren op een eigen terp of op de boerderijterp geplaatst. Dit zijn zogenaamde vloedschuren. Overlaten Een andere maatregel die werd genomen, was het aanleggen van overlaten. Dit zijn plaatselijke versmallingen in de dijken, die in geval van watersnood konden worden weggenomen. Hierdoor kon het water gecontroleerd de kom in stromen. De eerste overlaten werden in de 17e eeuw aangelegd. Aanleiding hiervoor was de kans op overstroming van de Alblasserwaard. 54 Bij hoog water was er kans dat er teveel water over de noordelijke Lingedijk zou stromen. Dit water zou zich dan ophopen voor de Diefdijk en bij een doorbraak van de Diefdijk zou de Alblasserwaard onder water lopen. In 1685 werd besloten in de Zuider Lingedijk, ten oosten van Asperen, drie overlaten in te richten. Hierdoor zou bij hoog water eerst de Tielerwaard vollopen en werd de Diefdijk ontzien. Via een hulpgat en een hulpsluis bij Dalem kon het water vervolgens op de Waal geloosd worden.
De watersnood van 1809 was aanleiding om de waterhuish ouding rondom de Linge grondig te herzien. 55 Ter hoogte van Asperen werd in de Linge een sluis gebouwd die hoog water in de Linge
54 55
Harten 1997: 184 Harten 1997: 186
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[51]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
moest kunnen tegenhouden. Tussen de Linge en de Waal werd de Nieuwe Zuiderlingedijk aangelegd. Ten noorden van de Linge werden de Diefdijk, de Horn- en Meerdijk verhoogd. Hiermee werd een waterkering van ruim 20 km tussen de Lek en Waal gerealiseerd. Bij watersnood diende al het water ten oosten van deze dijk te worden afgevoerd via de hulpsluizen bij Dalem ( figuur 27). Eerst werd het water opgevangen in de kommen, om vervolgens via twee sluizen ten zuiden van Asperen richti ng Dalem te worden geleid. Om het water in de kommen te krijgen , werden van Asperen tot Wadenoijen tien extra overlaten in de zuidelijke Lingedijk en zes nieuwe overlaten in de noordelijke Lingedijk aangelegd (figuur 28). Omdat ook de gecontroleerde overstromingen via de overlaten voor grote overlast zorgden, wilden veel dorpen van ze af. Uiteindelijk zijn alleen ten oosten v an Geldermalsen de overlaten verdwenen.
Figuur 27. Na de ophoging van de Diefdijk, de Horn - en Meerdijk en de aanleg van de Nieuwe Zuiderlingedijk werd bij watersnood al het overtollige water richting de hulpsluizen bij Dalem gevoerd. Hier werd het op de Waal geloosd. Schematische weergave (bron: RAAP / S. van der Veen).
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[52]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 28. Overlaten in de noordelijke en zuidelijke Lingedijk tussen Asperen en Tricht. Uitsnede van een kaart, ongedateerd, na 1809. Het noorden is rechtsboven (bron: Nationaal Archief, toegang 4.ZHPB4, inventarisnr. 131).
2.7.3
Infrastructuur
In 1849, op de grens van het tijdvak dat in deze paragraaf wordt beschreven, werd van rijkswege de Rijksstraatweg aangelegd. Deze maakte deel uit van de wegverbinding Utrecht-’s-Hertogenbosch. Bij de aanleg werd een bestaand wegtracé benut; alleen het deel ten noorden van de Zwarte Kade werd nieuw aangelegd. 56 Knelpunten, zoals wegversmallingen en scherpe bochten, werden weggenomen. Dit gebeurde met name bij Buurmalsen, Geldermalsen en Meteren (figuur 29). Om de kosten van aanleg en onderhoud te dekken, werd tol geheven. Waar de weg in het noorden de gemeente binnenkwam, ter hoogte van de Bisschopsgraaf, stond een tolhuis. Ook op de kruising Rijksstraatweg-Nieuwesteeg bevond zich een tolhuis, evenals op de plek waar de weg de gemeente in het zuiden verliet, bij de Mark. 57 Om de Linge te kunnen overbruggen, werd het veer vervangen door een houten brug voorzien van op te halen gedeelte.
56 57
Gelders Archief, archief Rijkswaterstaat, kaarten (archiefblok 0875), inventarisnummer 442, kaart 1, d.d. oktober 1828 Gelders Archief, archief Rijkswaterstaat, kaarten (archiefblok 0875), inventarisnummer 440
RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021
[53]
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1
Figuur 29. Projectie van de aan te leggen rijksstraatweg ter hoogte van Meteren. Uitsnede uit een kaart uit 1844. Het noorden is rechts (bron: Gelders Archief, toegang 0875, inventarisnr. 453 -0001).
2.7.4
Oorlog en Defensie
Door de ligging van het grondgebied van de huidige gemeente Geldermalsen nabij de grens van Gelre en Holland, maakte het al sinds de Middeleeuwen deel uit van ee n gebied waar twisten werden beslecht. In het Rampjaar 1672 lag het gebied nog net ten oosten van de frontlinie die werd gevormd door de Hollandse Waterlinie. In de 19e eeuw schoof Holland zijn verdedigingslinie oostwaarts en ging bijna de helft van het grondgebied van de gemeente Geldermalsen deel uitmaken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het bestaande waterbeheersingssysteem zou daarin een belangrijke rol gaan spelen. De aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de daaropvolgende aanpassingen hebben betrekking op de periode tot en met 1939. Hiermee beperkt het onderwerp zich niet tot het tijdvak dat in deze paragraaf wordt belicht. Ten behoeve van de samenhang zal een uitzondering worden gemaakt op de hoofdstructuur van dit hoofdstuk. Hieronder zulle n de ontwikkelingen tot 1939 beschreven worden. De gebeurtenissen met betrekking tot de mobilisatie, inval, bezetting en bevrijding worden in § 2.8.6 beschreven. Oude Hollandse Waterlinie Al tijdens de Tachtigjarige Oorlog zouden openingen in de Diefdijk zijn gebruikt om water de Vijfheerenlanden binnen te laten en zo de Spanjaarden de doorgang naar Holland te beletten. Door het onder water zetten van grote stukken land werden legers belemmerd bij het oprukken.