CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RAAPrap_4150_GENL4_20210131_deel1.pdf

Informatie en Ontmoeten 2 (Beeldvorming) 9 maart 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 20.02: Beeldvorming harmonisatie erfgoedbeleid32.850 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

RAAP-RAPPORT 4150

Erfgoed in de gemeente West Betuwe: deel 1

Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart

Colofon Opdrachtgever: Gemeente West Betuwe Titel: Erfgoed in de gemeente West Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart Versie: 31-01-2021 Auteur: ir. L.J. Keunen, dr. N.W. Willemse & drs. C.J.B.P. Frank Projectcode: GENL3, GENL4 Bestandsnaam: RAAPrap_4150_GENL4_20210131

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

Website: www.raap.nl

1380 GB Weesp

Monumenten Advies Bureau

Telefoon: 024 – 378 67 42

Bredestraat 1

E-mail: info@monumentenadviesbureau.nl

6542 SN Nijmegen

Website: www.monumentenadviesbureau.nl

© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2021 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Samenvatting Met de fusie van Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal tot de nieuwe gemeente West Betuwe in 2019 ontstond ook de wens om het erfgoedbeleid te ‘harmoniseren’. Deze harmonisatie was echter niet mogelijk zonder allereerst de inhoudelijke informatie op orde te brengen. Dit rapport bevat een bundeling, actualisatie en aanvulling van de eerder gemaakte archeologische waarden- en verwachtingskaarten en cultuurhistorische waardenkaarten. Deels is het een samenvoeging van eerdere teksten, deels ook zijn ze geïntegreerd of nieuw opgesteld. Dit lijvige geheel is vervolgens de basis om het erfgoedbeleid nieuw vorm te geven. Het rapport is opgebouwd uit zeven kaartbijlagen (elk bestaand uit 1 of 5 bladen, al naar gelang de schaal), een aantal bijlagen (catalogi), drie deelrapporten en de separaat aangeleverde GIS -data. In het rapport worden methodiek en inhoudelijke bevindingen uitvoerig toegelicht. Na een gebiedsbeschrijving in deel 1 wordt in deel 2 de totstandkoming van de archeologische waarden - en verwachtingskaart toegelicht. In deel 3 richten we ons op werkwijze en inhoud van de cultuurhistoris che waardenkaart, waarin zowel het landschappelijk als gebouwd erfgoed aan de orde komen. Samen bieden deze deelproducten een goed overzicht van het cultureel erfgoed dat in de nog jonge gemeente West Betuwe aanwezig is.

Tegelijk is het een vertrekpunt om de informatiebasis naar de toekomst toe bij te houden en verder in te vullen.

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[3]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 4 1 Ten geleide ...................................................................................................................................... 6 1.1 Kader .................................................................................................................................................. 6 1.2 Onderzoeksgebied ............................................................................................................................... 7 1.3 Onderzoeksopzet en taakverdeling ..................................................................................................... 10 1.4 Dankwoord ........................................................................................................................................ 11 1.5 Leeswijzer ......................................................................................................................................... 11

DEEL 1

Gebiedsbeschrijving ....................................................................................................... 12

2 Landschapsontwikkeling en bewoningsgeschiedenis – Geldermalsen .............................................. 13 2.1 Land gevormd door water: aardkundig landschap ................................................................................ 13 2.2 Prehistorische bewoningsgeschiedenis (tot 12 voor Chr.) ..................................................................... 15 2.3 Protohistorie: Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) .................................................................. 16 2.4 Vroege Middeleeuwen (450-1050)....................................................................................................... 17 2.5 Ontginning en ordening: Late Middeleeuwen (1050-1500) .................................................................... 19 2.6 Ontwikkeling van de dorpspolders ....................................................................................................... 28 2.7 Geleidelijke transformatie (1500-1850) ................................................................................................ 44 2.8 Rokende schoorstenen boven de fruittuin van Geldermalsen (1850 -1950) ............................................. 57 2.9 Schaalvergroting en intensivering (1950-heden) .................................................................................. 64

3 Landschapsontwikkeling en bewoningsgeschiedenis – Neerijnen ..................................................... 71 3.1 Aardkundig landschap ........................................................................................................................ 71 3.2 Prehistorische bewoningsgeschiedenis (tot 12 voor Chr.) ..................................................................... 74 3.3 Protohistorie: Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) .................................................................. 78 3.4 Vroege Middeleeuwen (450-1050)....................................................................................................... 81 3.5 Late Middeleeuwen (1050-1500) ......................................................................................................... 84 3.6 Nieuwe tijd (1500-1850) ..................................................................................................................... 97 3.7 Nieuwste tijd (1850 - heden) .............................................................................................................. 104

4 Landschapsontwikkeling en bewoningsgeschiedenis – Lingewaal .................................................. 125 4.1 Natuurlijke wordingsgeschiedenis van het landschap .......................................................................... 125 4.2 Bewoningsgeschiedenis .................................................................................................................... 132 4.3 De landbouw ..................................................................................................................................... 138 4.4 Waterbeheersing ............................................................................................................................... 149 4.5 Vestingwerken en de Nieuwe Hollandse Waterlinie ............................................................................. 167 4.6 Kastelen en buitenplaatsen ............................................................................................................... 171 4.7 Kerken en begraafplaatsen ................................................................................................................ 179 4.8 Onderwijs en zorg ............................................................................................................................. 185 4.9 Ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog.

..................................................................................... 188

5 Historisch-stedenbouwkundige beschrijving van kernen en buitengebied – West Betuwe ............... 193 5.1 Inleiding ........................................................................................................................................... 193 5.2 Acquoy ............................................................................................................................................. 193 5.3 Asperen ............................................................................................................................................ 197 5.4 Beesd ............................................................................................................................................... 198

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[4]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

5.5 Buurmalsen ...................................................................................................................................... 202 5.6 Deil .................................................................................................................................................. 205 5.7 Enspijk ............................................................................................................................................. 209 5.8 Est ................................................................................................................................................... 213 5.9 Geldermalsen ................................................................................................................................... 213 5.10 Gellicum ......................................................................................................................................... 218 5.11 Haaften .......................................................................................................................................... 222 5.12 Heesselt .........................................................................................................................................

223 5.13 Hellouw .......................................................................................................................................... 224 5.14 Herwijnen ....................................................................................................................................... 226 5.15 Heukelum ....................................................................................................................................... 227 5.16 Meteren .......................................................................................................................................... 228 5.17 Neerijnen ........................................................................................................................................ 232 5.18 Ophemert ....................................................................................................................................... 233 5.19 Opijnen ........................................................................................................................................... 234 5.20 Rhenoy ........................................................................................................................................... 235 5.21 Rumpt ............................................................................................................................................

239 5.22 Spijk ............................................................................................................................................... 243 5.23 Tricht .............................................................................................................................................. 243 5.24 Tuil ................................................................................................................................................. 247 5.25 Varik .............................................................................................................................................. 248 5.26 Vuren ............................................................................................................................................. 249 5.27 Waardenburg .................................................................................................................................. 250 5.28 Bebouwingskarakteristiek: boerderijen in dorpen en buitengebied ..................................................... 251

Literatuur ........................................................................................................................................ 256 Websites ......................................................................................................................................... 266 Archieven ........................................................................................................................................ 267 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ................................................................... 268

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[5]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

1 Ten geleide 1.1 Kader 1.1.1

Opdracht en uitwerking

In opdracht van de gemeente West Betuwe hebben RAAP en MAB een harmonisatie van de bestaande erfgoedkaarten van de voormalige gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal uitgevoerd. Deze werkzaamheden betroffen het integreren van de bestaande archeologische waarden - en verwachtingskaarten en de cultuurhistorische waardenkaarten, alsmede het actualiseren van delen van deze datasets. Doel is de totstandkoming van één set erfgoedkaarten voor de gemeente West Betuwe. De harmonisatie komt voort uit de fusie van de voormalige gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal per 1 januari 2019. De aanpak voor deze harmonisatie is eerder uitgewerkt en als basis voor een uitwerkingsplan aangenomen. 1 Op basis van dat plan van aanpak hebben RAAP en MAB in 2019 2020 een opzet gemaakt voor een stapsgewijze harmonisatie en integratie, waarbij de mogelijkheid wordt opengehouden om deze harmonisatie in de toekomst nog in detail verder uit te voeren. Per discipline is een eigen, passende harmonisatiewijze aangenomen. Het voorliggende rapport is samengesteld op basis van de eerder opgestelde rapporten voor de drie (voormalige) gemeenten en bevat deels geïntegreerde en deels nieuwe teksten en toelichtingen.

Waar mogelijk zijn de teksten in elkaar verweven, waar gecompliceerder is ervoor gekozen om de teksten van de verschillende gemeenten te handhaven en als paragrafen of hoofdstukken na elkaar te plaatsen.

1.1.2

Waarom deze kaarten?

Het opstellen van de oorspronkelijke archeologische waarden - en verwachtingskaarten was het gevolg van de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in 2007, waardoor gemeenten nieuwe taken op het gebied van het bodemarchief kregen. Als gevolg van de Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo) en de ontwikkeling van nieuw rijksbeleid op het gebied van de erfgoedzorg werden de wettelijke kaders voor erfgoed en ruimte per 1 januari 2012 gewijzigd. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht gemeenten sinds 1 januari 2012 om het aspect van de (bovengrondse) cultuurhistorie uitdrukkelijk mee te wegen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Waar beide verplichtingen in de afgelopen jaren hebben geleid tot het verzamelen van informatie en het opstellen van (veelal sectoraal) erfgoedbeleid, loopt min of meer parallel aan de gemeentelijke fusie een nieuw proces: de invoering van de Omgevingswet, die voor 1 januari 2022 is voorzien. De komst van een nieuw instrumentarium voor ruimtelijke ordening en de daarmee verbonden digitale systemen maakt het niet alleen noodzakelijk om de informatie om een gelijksoortige manier te verbinden en het beleid te stroomlijnen, maar ook om het technisch in elkaar te verweven.

1.1.3

Opzet

Het doel van deze erfgoedinventarisatie en -waardering is om inzichtelijk te maken welke archeologische, cultuurlandschappelijke en historisch (steden)bouwkundige waarden in de gemeente

1

W illemse & Keunen 2018

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[6]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

West Betuwe te vinden zijn. Het betreft een basisdocument die als onderlegger voor de beleidsvorming kan gaan dienen. De rapportage is in de eerste plaats een toelichting op de vervaardigde kaarten. De inventarisaties en waarderingen zijn opgenomen in een digitaal GIS (geografisch informatiesysteem), van waaruit een groot aantal kaarten is vervaardigd. De digitale data is geschikt voor opname in interne of externe viewers. Gebundeld kan deze informatie de basis voor één gemeentelijk erfgoedbeleid vormen.

1.2 Onderzoeksgebied 1.2.1

Ligging

De gemeente West Betuwe, die zoals hiervoor al is gezegd, is ontstaan op 1 januari 2019 door een fusie van de voormalige gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal, is 229 km ² groot en ligt in het centrale rivierengebied ten noorden van de Waal. Deze laatste rivier begrenst de gemeente aan de zuidzijde; de Linge doorsnijdt het noordelijk deel van de gemeente West Betuwe. Buurgemeenten zijn de Zuid-Hollandse gemeenten Gorinchem en Molenlanden in het westen, de Utrechtse gemeente Vijfheerenlanden in het noordwesten en de Gelderse g emeenten Culemborg, Buren, Tiel, West Maas en Waal, Maasdriel en Zaltbommel in het noordoosten, oosten, zuidoosten en zuiden. Centraal in de gemeente ligt het autosnelwegknooppunt Deil, dat de A2 van noord naar zuid en de A15 van oost naar west met elkaar verbindt. Eveneens van zuid naar noord loopt de spoorlijn van Utrecht naar Boxtel, die bij Tricht een aftakking richting Leerdam/Dordrecht en bij Geldermalsen een aftakking richting Elst kent. Deze beide laatste aftakkingen vormen de Betuwelijn. Daarnaast loopt langs de A15 de Betuweroute, die bij Geldermalsen met de spoorlijn Utrecht -Boxtel verbonden is.

Treinstations binnen de gemeente bevinden of bevonden zich langs de lijn Utrecht -Boxtel te Tricht (stopplaats, gesloten), Geldermalsen en Waardenburg (ges loten), en langs de Betuwelijn te Geldermalsen (stopplaats Urechtsche Straatweg, gesloten), Geldermalsen, Beesd en Rhenoy (stopplaats, gesloten). Langs de Betuweroute liggen geen stations.

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[7]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 1. Grenzen van de gemeente West Betuwe op een recente topografische ondergrond (bron: OpenTopo).

1.2.2

Grenzen

Het gebied van de huidige gemeente West Betuwe heeft een lange geschiedenis van bestuurlijke veranderingen achter zich. De kleinste eenheid waren de dorpspolders, die voortkwamen uit de vroegere dorpsorganisaties als rechtsgemeenschappen en sinds de late middeleeuwen functioneerden om het waterbeheer te regelen. Elk dorp kende feitelijk zijn eigen polder. Op een hoger niveau bestond sinds de dijkbriefverlening in 1327 de Dijkstoel van de Tielerwaard, die op 1 januari 1838 werd opgeheven ten gunste van het polderdistrict Tielerwaard, waar nu ook Tiel en Zandwijk deel van uitmaakten. In totaal vielen er 23 dorpspolders onder dit polderdistrict. 2 Het fuseerde in 1983 tot het nieuwe polderdistrict Tieler- en

2

Regionaal Archief Rivierenland, archief Polderdistrict Tielerwaard, inleiding

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[8]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Culemborgerwaarden, dat op zijn beurt in 2002 opging in het nog altijd bestaande Waterschap Rivierenland. Het noordelijk deel van de gemeente West Betuwe kende tot 1955 de polderdistricten Culemborg en Buren. Die fuseerden per 1 januari 1955 tot het polderdistrict Lek en Linge, en met het polderdistrict Tielerwaard in 1983 tot Tieler- en Culemborgerwaarden. Landsheerlijk-bestuurlijk behoorde een belangrijk deel van het gebied al in de 14e eeuw tot het ambt Tielerwaard 3, dat binnen het hertogdom Gelre een onderdeel was van het Kwartier van Nijmegen. De ‘Waaldorpen’ van de Tielerwaard van Zennewijnen tot Vuren, vielen binnen dit ambt onder de (recht)bank van Tuil. Een aantal ‘Lingedorpen’, namelijk Deil, Meteren, Enspijk, Rumpt, Gellicum en Geldermalsen) viel onder de (recht)bank van Deil. 4 Het gebied ten noorden van de Linge, evenmin onderdeel van de Tielerwaard, bestond onder meer uit de Baronie Acquoy, het Ambt van Beesd en Rhenoy, de daaruit in 1726 afgescheiden heerlijkheid Mariënwaerd en de heerlijkheid Buren (met daarin Buurmalsen en Tricht). Asperen, Heukelum en Spijk maakten geen deel uit van genoemde ambten; Spijk was gedeeltelijk zelfs lange tijd Hollands, net als Beesd en Rhenoy (tot 1814) en Acquoy (tot 1820).

Er bestonden dwarsverbanden tussen het waterstaatkundig en het landsheerlijk bestuur van de Tielerwaard, bijvoorbeeld doordat de ambtman tevens dijkgraaf was. 5 Het ambt bleef tot 1825 bestaan, ook nadat de Franse tijd ervoor had gezorgd dat er een nieuwe bestuurlijke indeli ng kwam. Het ambt had derhalve veel van zijn vroegere taken aan de gemeenten, maar ook aan de provincies en het rijk, verloren. Waterstaatkundig ging het ambt in 1838 op in het polderdistrict. Diverse dorpspolders zouden daarna nog in het polderdistrict worden opgenomen, zoals de polder Heukelum in het midden van de 20e eeuw. Verschillende dorpen waren binnen of buiten het kader van het grotere ambt bovendien heerlijkheden, waar meer of minder heerlijke rechten door de landsheer aan lokale heren waren uitg egeven. Het betreft bijvoorbeeld Ophemert, Waardenburg (Hiern) en Neerijnen. De laatste twee zijn zelfs in de 15e en 16e eeuw korte tijd hoge heerlijkheden geweest, d.w.z. ze hadden het recht om halsmisdrijven te bestraffen. De heren stelden vaak lokale bestuurders aan die de waterstaatsbestuur namens het dorp regelden. 6 Ook Mariënwaerd, Asperen en Spijk, buiten het ambt Tielerwaard, waren heerlijkheden. Buurmalsen en Tricht hoorden onder een graafschap, Acquoy was een baronie.

In de Franse Tijd werden de oude heerlijkheden en ambten landsheerlijk -bestuurlijk afgeschaft en kwamen de mairies – later gemeenten – tot stand. Deil werd in 1810 gevormd uit Deil, Enspijk, Gellicum en Rumpt. Op 1 januari 1812 gingen de oude bestuurlijke eenheden Ophemert en Varik (incl. Heesselt) op in de nieuwe gemeente Varik, Est en Opijnen in de nieuwe gemeente Opijnen, en Buurmalsen en Geldermalsen in de nieuwe gemeente Geldermalsen. Haaften (incl. Tuil en Hellouw) en Herwijnen vormden de nieuwe gemeente Herwijnen. Dalem, Heukelum, Asperen en Spijk werden zelfstandige gemeenten. Zo ontstond een nieuwe indeling van gemeenten. Die situatie zou echter niet lang bestaan. Al op 1 januari 1818 volgde een bestuurlijke herindeling : Ophemert en Varik gingen uit elkaar, en werden twee afzonderlijke gemeenten. Dit gold ook voor Haaften en Herwijnen. De gemeente Opijnen bleef in zijn oude vorm bestaan, maar heette voortaan ‘Est en Opijnen’. Aan de gemeente Waardenburg veranderde niets. De gemeente Dalem werd

3

Archieven van deze vertegenwoordiger van de landsheer in landsheerlijk -bestuurlijke zaken zijn vanaf de 16e eeuw bewaard gebleven. 4 Moorman van Kappen e.a. 1977: 56 5 Moorman van Kappen e.a. 1977: 122 6 Moorman van Kappen e.a. 1977: 143-144

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[9]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

hernoemd in Vuren, en Geldermalsen gesplitst in Buurmalsen en Geldermalsen. Enkele jaren daarna werd een stukje van Asperen bij Herwijnen gevoegd, en op 18 juli 1855 volgde de fusie van Heukelum en Spijk tot de nieuwe gemeente Heukelum. Daarna veranderde er lange tijd niets in de gemeenten binnen de huidige gemeente West Betuwe. Op 1 januari 1978 trad de tot dan toe grootste verandering in werking. Est en Opijnen, Haaften, Waardenburg, Ophemert en Varik fuseerden tot de nieuwe gemeente Neerijnen. Tegelijk ging e en deel van de vroegere gemeente Ophemert over naar de gemeente Tiel, namelijk het grootste deel van de vroegere dorpspolder Zennewijnen. 7 Op dezelfde dag fuseerden Beesd, Deil, Geldermalsen en een groot deel van Buurmalsen tot de nieuwe gemeente Geldermal sen. Precies acht jaar later fuseerden Asperen, Heukelum, Herwijnen, Spijk en Vuren tot de nieuwe gemeente Vuren, terwijl Dalem werd afgesplitst en aan de gemeente Gorinchem toeviel. Op 3 januari 1987 werd de naam van de gemeente Vuren gewijzigd in die van Lingewaal. Daarmee was het beeld ontstaan van de gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal, dat per 1 januari 2019 verdween. In het verleden moet ook een grenswijziging ten noorden van Hellouw en Haaften hebben plaatsgevonden, waardoor de grens keurig langs de A15 kwam te lopen.

Daardoor viel bijvoorbeeld de oude molenlocatie van de Haaftense watermolen uit de gemeente Neerijnen. Mogelijk was dit kort vóór 1966, toen op de topografische kaart de gemeentegrens van de noordzijde naar de zuidzijde van de Molenvliet versprong.

1.3 Onderzoeksopzet en taakverdeling Het voorliggende onderzoek is het resultaat van decennia inventariseren, waarderen en vernieuwen van erfgoedinformatie. 8 Soms werd daarbij het werk van vorige fases volledig herzien, soms werden bestaande resultaten in het nieuwe product geïntegreerd. Het voorliggende rapport kent om organisatorische redenen ook die gecombineerde opzet. Naast een driedeling van het onderzoek in de vorm van de drie voormalige gemeenten Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal bestaat er ook een driedeling naar discipline: archeologie, landschap en bouwkunst & stedenbouw. Waar de uitsplitsing naar voormalige gemeente in het rapport soms uit ‘nood’ geboren is, is de uitsplitsing naar discipline heel bewust gemaakt om de afwegi ngen en keuzes ook zo duidelijk mogelijk te maken en om voor te sorteren op het erfgoedbeleid. De harmonisatie van het erfgoedbeleid werd uitgevoerd onder leiding van Nico Willemse (RAAP, archeologie), Luuk Keunen (RAAP, cultuurlandschap) en CeesJan Frank (MAB, bouwkunst en stedenbouw). Verdere medewerkers aan het onderzoek waren Bjorn van Snippenburg (RAAP) en John de Jong (MAB).

Nadrukkelijk moeten ook Adriaan Haartsen (Bureau Lantschap), Ben Olde Meierink (BBA) en Rutger de Groot (Optifield) vermeld worden, die zorg droegen voor de inventarisatie en waardering van het erfgoed in Lingewaal in 2011/2017, en wiens product in het voorliggende is verwerkt. Hetzelfde geldt voor het werk van Steven van der Veen (RAAP) voor Geldermalsen.

7

Zie onder meer http://users.bart.nl/~leenders De eerste archeologische waarden- en verwachtingskaarten dateren uit 2006 (Geldermalsen) en Lingewaal (2009), de eerste cultuurhistorische waardenkaarten uit 2011 (Linge waal) en 2014 (Geldermalsen). Daaraan vooraf gaan onder meer de vele inventarisaties voor de monumentenlijsten, beginnend met de voorlopige lijst van monumenten van geschiedenis en kunst van Zuid-Holland (1915) en Gelderland (1917), en de lokale inventaris aties van archeologisch waardevolle terreinen. 8

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[10]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

1.4 Dankwoord Wij danken Marinus Smit en Thea de Groot-Dokman voor de begeleiding van ons onderzoek namens de gemeente. Behulpzaam was verder Huib Jan van Oort als regio-archeoloog voor het archeologisch onderdeel.

1.5 Leeswijzer Het rapport bestaat uit drie delen, elk met meerdere hoofds tukken. In deel 1 is een gebiedsbeschrijving opgenomen. Hierin worden op chronologische wijze en aan de hand van thema’s de geschiedenis van stadjes, dorpen en landschappen in de gemeente West Betuwe beschreven. De delen 2 en 3 bevatten toelichtingen op de kaarten zoals die bij dit rapport zijn gevoegd. Deel 2 is de toelichting op de archeologische kaarten, deel 3 bevat een toelichting op de bovengrondse cultuurhistorie (landschap en bouwkunst/stedenbouw). Daarna volgen zowel de tekstuele bijlagen als de verschillende kaartbijlagen, opgezet per discipline. Digitaal is het GIS bij dit rapport gevoegd. In elk deel is een afbeeldingverantwoording opgenomen; de literatuurlijst en overzicht van de bijlagen staat in deel 1.

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[11]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

DEEL 1

Gebiedsbeschrijving

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[12]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

2 Landschapsontwikkeling en bewoningsgeschiedenis – Geldermalsen Steven van der Veen

2.1 Land gevormd door water: aardkundig landschap

De tekst in deze en de volgende twee paragrafen is een ingrijpende bewerking van de tekst zoals opgenomen in RAAP-rapport 1384 (Heunks, 2006).

Het natuurlijke landschap van de gemeente Geldermalsen wordt gekenmerkt door een complex stelsel van voormalige actieve rivierlopen van de Rijn die hier gedurende duizenden jaren actief is geweest. Pas rond het begin van onze jaartelling concentreerde de Rijn zich in deze omgeving als één hoofdstroom in de vorm van wat later de Linge ging vormen. Na de Romeinse tijd nam het belang van de Linge als hoofdstroom af. Rond 1300 werd de stroom bij Tiel afgedamd, waardoor de Linge geen actieve rivier meer was. Met uitzondering van enkele kleine pleistocene rivierduinen is het hele zichtbare landschap van de gemeente Geldermalsen ontstaan onder invloed van zich verplaatsende holocene prehistorische riviersystemen. Deze riviersystemen hadden voorname lijk een meanderend of anastomoserend karakter. 9 Hierbij was sprake van een sterke differentiatie van afzettingsmilieus: meandergordels, oeverzones en komgebieden. De fossiele meandergordels waren over het algemeen geschikte bewoningslocaties. Ze lagen relatief hoog en werden weinig overstroomd. De relatief zandige en vruchtbare bodems waren goed te bewerken en daarmee geschikt voor landbouw. De nabijheid van restgeulen zorgde voor een goede natuurlijke transport - en verbindingsroute.

2.1.1

De laatste ijstijd: het Weichselien

Voor de vorming van het huidige landschap was met name het Weichselien belangrijk, een relatief koude periode aan het eind van het Pleistoceen. Tijdens een warmere periode in het Midden Paleolithicum maakte de huidige Rijndelta deel uit van een omvangrijke riviervlakte met vlechtende rivieren. Deze werd aan de noordzijde begrensd door de Utrechtse Heuvelrug en het Veluwemassief en aan de zuidzijde door het Brabants massief. Archeologische vondsten wijzen erop dat tijdens deze warmere periode, die het Eemien wordt genoemd, mensen aanwezig zijn geweest in het Midden Nederlandse rivierengebied. Tijdens een latere warmere periode in het Weichselien, die het AllerødBølling wordt genoemd, veranderde de riviervlakte van een vlechtend naar een meander end systeem. Zo’n 13.000 jaar geleden viel de temperatuur in Europa in relatief korte tijd terug naar arctische omstandigheden. In deze periode, die het Late Dryas wordt genoemd, daalde de temperatuur in januari tot circa -20°C en kwam zomers niet boven de 11°C. Door een toenemende piekafvoer veranderden de meanderende rivieren weer in een vlechtend systeem, dat zijn dalvlakte opruimde en nieuwe sedimenten afzette. Uit de zandige riviervlakte stoven op grote schaal rivierduinen op. Een voorbeeld van zo’n klein rivierduincomplex vinden we in het noordelijke komgebied, in de omgeving van De Woerd

9

Een stelsel van meerdere stromen met daartussen eilanden.

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[13]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

aan de Oude Waag en de Busterweg. Tot in de huidige tijd zijn deze zandopduikingen een aantrekkelijke plaats voor bewoning.

2.1.2

Een definitieve klimaatverandering: het Holoceen

Omstreeks 9550 voor Chr. zette een klimaatverbetering in die het begin van het Holoceen markeert. De Nederlandse Rijndelta veranderde in deze periode van een vlechtend in een meanderend riviersysteem. Tot circa 5000 voor Chr. was er ter hoogte van G eldermalsen nog sprake van een erosief systeem, waarbij de rivier materiaal meenam en stroomafwaarts afzette. In de periode die volgde, gingen de rivieren vooral sedimenten afzetten. Een systeem van zich herhaaldelijk verleggende stroomgordels kwam tot ontwikkeling. Dit systeem, dat zich tot de bedijking in de Late Middeleeuwen heeft voortgezet, heeft een grote invloed gehad op het historische en het huidige landschap. Langs de rivierbedding werden de grovere sedimenten afgezet (zand) die na verloop van tij d een oeverwal vormden (figuur 2). Tijdens piekafvoeren overstroomde ook het verder van de rivier gelegen gebied, de kom. Hier werden fijnere sedimenten afgezet (klei). De oeverwall en die dicht bij de rivier lagen, hoger lagen en goed ontwaterd waren, vormden goede bewoningslocaties. Wanneer een stroomgordel zich verlegde, bleef een restgeul met oeverwallen achter. Na verloop van tijd verlandde deze restgeul. Vooral de jongere restgeulen zijn nog zichtbaar in het huidige landschap en zijn vaak benut binnen de huidige waterhuishouding (figuur 3).

Voorbeelden hiervan zijn de Hooglandse Wetering bij Buurmalsen en De Waag bij landgoed Mariënwaerdt. Oudere fossiele restgeulen vinden we dieper in de ondergrond, met name in de kom. Hiervan zijn alleen de hoogste delen nog zichtbaar in het reliëf. Ondanks hun geringe hoogte ten opzichte van de omgeving hebben ze toch een belangrijke invloed gehad op de ontginning en verdere inrichting van het historisch cultuurlandschap.

Figuur 2. Schematische doorsnede door een deel van de Betuwe.

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[14]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 3. Op het AHN is het onderscheid tussen de hooggelegen oeverwallen (rood) en onder andere de restgeulen en de laaggelegen komgebieden (groen) duidelijk h erkenbaar. De afgebeelde gemeentegrenzen zijn die van de vroegere gemeente Geldermalsen.

2.2 Prehistorische bewoningsgeschiedenis (tot 12 voor Chr.) Aan het begin van het Holoceen werd het gebied bewoond door jagers/verzamelaars die het bij de jacht voornamelijk op rendieren hadden gemunt. Tijdens warmere en meer vochtige perioden (midden van het Mesolithicum) nam de vegetatie en de diversiteit aan wild en vis toe. De bewoners hielden zich tijdelijk op een bepaalde plaats op, om daarna verder te trekken. Vermoe delijk was er sprake van (jaarlijkse) migratiepatronen, waarbij de jagers/verzamelaars langs natuurlijke bevoorradingsplaatsen trokken. Hun onderkomen bestond uit eenvoudige hutten of tenten, die gemakkelijk konden worden opgezet en afgebroken. Van hun werktuigen en bewapening bestond een belangrijk deel uit bewerkte vuurstenen spitsen en klingen. Op plaatsen waar de jachtbuit werd verwerkt of waar werktuigen en wapens werden vervaardigd, zijn soms resten in de bodem bewaard gebleven in de vorm van houtskool, verbrand leem en vuursteenafval. In de gemeente Geldermalsen zijn uit deze periode geen archeologische resten bewaard gebleven, wat waarschijnlijk komt door latere erosie. De jagers/verzamelaars hebben zich tot in de Late Steentijd gehandhaafd: daarna s tapten ze geleidelijk over op landbouw.

2.2.1

De eerste boeren

De eerste boeren in Nederland vestigden zich rond 5300 voor Chr. in het uiterste zuiden van Nederland. In de loop van het Midden Neolithicum gingen ook de bewoners van het rivierengebied over op het houden van vee en het verbouwen van gewassen. Op de beboste oeverwallen van de rivieren

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[15]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

vestigden zich de mensen van de Vlaardingencultuur (circa 3500 -2500 voor Chr.), die samenwoonden in kleine nederzettingen. Naast akkerbouw en veeteelt maakte de jacht n og lange tijd een belangrijk deel uit van de voedselvoorziening. Archeologische resten uit deze periode zijn aangetroffen ten zuiden van de stroomgordel van de Linge op de plaats van de huidige Betuweroute.

2.2.2

Bronstijd

In de Vroege Bronstijd was de bewoningsdichtheid in het rivierengebied nog zeer gering. Dit veranderde in de Midden Bronstijd toen het aantal nederzettingen geleidelijk toenam. De boerderijen uit deze periode hadden een forse omvang van 20 m of meer. De vondsten van bronzen gebruiksvoorwerpen, zoals bijlen en sikkels, wijzen erop dat er al internationale handelsrelaties bestonden. In de Garstkampen, noordwestelijk van Beesd, zijn belangrijke overblijfselen gevonden van bewoning uit de periode Midden Bronstijd tot Vroege IJzertijd. 10 Als gevolg van geleidelijke vernatting in de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd en de daarmee toegenomen kans op overstromingen nam het bevolkingsaantal in het rivierengebied in deze periode af.

2.2.3

IJzertijd

Tijdens de IJzertijd, en dan met name aan het eind van deze peri ode, nam het aantal inwoners weer toe in het rivierengebied. In de loop van de IJzertijd werd de omvang van de gemiddelde nederzetting groter. Uit de Late IJzertijd zijn concentraties van huisplattegronden aangetroffen, waaruit kan worden opgemaakt dat nederzettingen meerdere hectaren groot waren en bestonden uit verschillende boerenerven. Gebruiksvoorwerpen en wapens werden plaatselijk vervaardigd uit ijzer en waren gemeengoed. Brons werd nog gebruikt voor de vervaardiging van sieraden. In de periode tusse n 100 voor Chr. en het begin van de jaartelling werd glas in het rivierengebied geïntroduceerd. In de laatste decennia voor het begin van de jaartelling kwamen vervolgens de eerste munten in deze streek in gebruik. Uit archeologische vondsten kan worden opgemaakt dat de bewoning zich in deze periode onder andere concentreerde op de stroomruggen bij Meteren, Enspijk en Deil.

2.3 Protohistorie: Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen in het rivierengebied vonden er grote verander ingen plaats in de samenleving in het rivierengebied. De welvaart nam toe en daarmee ook het bevolkingsaantal en het areaal ontgonnen gebied. De bewoning concentreerde zich langs de Linge. Na de Romeinse tijd nam de bevolking af, om in de 8e eeuw pas weer toe te nemen. Aan het begin van de Vroege Middeleeuwen treffen we de bewoning vooral aan in het oosten van de gemeente. Na de 8e eeuw werden ook de oeverwallen in het westen van de gemeente bewoond. De Romeinse tijd begon in 12 voor Chr. toen keizer August us het huidige Nederland, België en Frankrijk inlijfde en ging inrichten als uitvalsbasis voor de verovering van het huidige Duitsland tot aan de Elbe. In de eerste vijftig jaar na het begin van de jaartelling kwamen de Friezen tweemaal in opstand tegen de Romeinen, waardoor de Romeinen hun grootscheepse aanval op het noorden afbliezen. De hoofdstroom van de Rijn, die tot dan toe een tijdelijke grens vormde, werd ingericht als permanente noordgrens, de limes. Doordat de limes circa 10 km ten noorden van Geldermalsen kwam

10

Schurmans 2009

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[16]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

te liggen, kwam het gebied van de huidige gemeente in een streek te liggen die door de Bataafse cultuur werd gedomineerd. Na de Bataafse opstand in 69 na Chr. brak een relatief vreedzame periode aan. De welvaart in het Bataafse gebied nam toe en ook de bevolking groeide sterk. Door de aanwezigheid van de Romeinen in de buurt en de toegenomen bevolking was een grote afzetmarkt voor agrarische producten ontstaan. Om aan de vraag te kunnen voldoen, zullen de meeste geschikte bodems in het rivier engebied zijn benut voor landbouwgrond. Archeologische vindplaatsen wijzen erop dat de bewoning zich vooral op de Lingestroomgordel heeft geconcentreerd, die destijds nog actief was. Ook zijn er vondsten bekend op fossiele stroomgordels verder van de Linge vandaan. Deze stroomgordels waren toen al niet meer actief, maar mogelijk nog wel watervoerend en dus interessant voor bewoning. Het meandergordelcomplex van Meteren-Bommel vormde met zijn omliggende oeverzones een zeer geschikte landbouwzone en zal een hoge dichtheid aan nederzettingen hebben gekend. 11 De Romeinse invloed hield nog lang stand. In 406 na Chr. kwam hier definitief een einde aan, toen Germaanse stammen een grootschalige aanval inzetten op het Romeinse Rijk. In de periode daarop nam de bevolkingsdichtheid sterk af en daarmee ook het areaal landbouwgrond.

2.4 Vroege Middeleeuwen (450-1050) Wat volgde was een roerige periode waarin grote migratiestromen op gang kwamen in Europa. De Friezen ten noorden van de Rijn trokken samen met de Angelen en de Sa ksen naar Brittannië. De Saliër Clovis, afkomstig uit Doornik in het huidige België, verenigde de Franken en veroverde uiteindelijk Gallië. Rond 600 breidden de Franken, onder leiding van de Merovingische koningen, hun machtsgebied uit het noorden, waar ze slaags raakten met de Friezen. Aan het eind van de 7e eeuw werd het gebied rondom Utrecht en het midden-Nederlandse rivierengebied veroverd. De bevolkingsdichtheid was in de Merovingische tijd drastisch teruggelopen. Archeologische vondsten en onderzoek naar de herkomst en ouderdom van toponiemen wijzen uit dat de omgeving van Buren ten oosten van Geldermalsen nog redelijk dichtbevolkt was. 12 Hier waren de stroomruggen relatief breed en ook de nabijheid van de handelscentra Dorestad (bij het huidige Wijk bij Duurstede) en Tiel moel een rol gespeeld hebben. De stroomruggen ten westen van Geldermalsen waren smaller, lager gelegen en daardoor minder dicht bevolkt. 13 Gebieden waarvan de toponiemen het bestanddeel ‘eng’ bevatten wijzen op een open akkercomplex dat dateert uit deze periode. We vinden ze her en der terug in het gebied langs de Linge tussen Gellicum en Geldermalsen.

14 Het ontstaan van dorpen van het type ‘rond esdorp’, zoals Buurmalsen en Tricht, zou in de Merovingische tijd kunnen worden geplaatst. In de 8e eeuw werd het Frankische Rijk gesticht en brak er een periode aan waarin de bevolking weer groeide. De Linge, die al voor de Romeinse tijd actief was, nam in de Vroege Middeleeuwen in betekenis af. De oeverwallen van de rivier vormden nu een relat ief veilige bewoningslocatie. De kleinere stromen (zoals de Meer en de Hooglandsche Wetering) verlandden, werden afgedamd of tot wetering gemaakt. In deze periode werd de basis voor veel huidige dorpen en steden in het rivierengebied gelegd. De karakteristieke langgerekte esdorpen die geleidelijk op de hoge maar smalle oeverwallen uitgroeiden en die we als ‘esdorp met gestrekte hoofdvorm’ typeren, blijken doorgaans te

11

Het meandergordelcomplex van Meteren -Bommel loopt globaal vanaf Est en Roth, via Meteren, richting Deil. Zie ook Heunks 2006: kaartbijlage 1. 12 Van Bavel 1999: 56 13 Van Bavel 1999: 58 14 Van Bavel 1999: 57

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[17]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

zijn ontstaan in de Karolingische tijd (750-900 na Chr.). Ook akkercomplexen waarvan het toponiem ‘akker’ herbergt, dateren waarschijnlijk uit deze tijd. We vinden ze langs de Linge tussen Rumpt en Geldermalsen. De laaggelegen gebieden binnen de overgangszone tussen kom en oeverwal werden als gemeenschappelijke hooi- en weidegronden gebruikt. Dit kan worden afgeleid uit het voorkomen van toponiemen met het bestanddeel ‘koppel’, ‘made’ of ‘weide’. Voorbeelden hiervan treffen we rond alle dorpen aan. De laagst gelegen gebieden in de kom werden aangeduid met ‘veld’ (figuur 4). Deze gebieden waren in de Vroege Middeleeuwen nog niet ontgonnen en werden gebruikt voor hout - en rietwinning, jacht, visserij en extensieve beweiding. 15 Gebieden met toponiemen waarin ‘broek’ voorkomt, vormden de laagst gelegen en slechtst te ontwateren gebieden. Een voorbeeld hiervan treffen we aan in het meest zuidelijke deel van de polder Enspijk: het Broekse Blok.

Figuur 4. Het Beesdsche Hooge Veld op de overgang van oeverwal naar komgebied en het Beesdsche Lage Veld in het laaggelegen komgebied. Uitsnede Bonneblad 507, 1918.

In veel dorpen komen straten of percelen voor die in hun naam het bestanddeel ‘bulk’ of ‘meent’ hebben. Het betreft vaak wegen of percelen die nabij een verlande overloopgeul lagen. Een verlande overloopgeul vormde een brede laagte met aan weerszijden wat hoger gelegen oevers. De oevers van de geul, die doorliepen tot in het komgebied, werden vaak benut als schaapsdrift. Samen met de verlande geul vormden ze een gebied dat in gemeenschappelijk eigendom was, de ‘meente’. Bij de

15

Van Bavel 1999: 58

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[18]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

dorpen werden aan het begin van de schaapsdrift weide n ingericht voor het inscharen van vee. Percelen met de naam ‘bulk’ of ‘bolk’ herinneren nog aan dit grondgebruik.

2.5 Ontginning en ordening: Late Middeleeuwen (1050-1500) Rond het jaar 1000 nam het bevolkingsaantal in Noordwest-Europa in een zeer hoog tempo toe. Door de toename van de bevolking nam de vraag naar landbouwgrond toe, wat weer de vraag naar arbeidskrachten versterkte. Bestaande nederzettingen groeiden, grote stukken woest land werden ontgonnen en nieuwe gebieden raakten bewoond. Om het land te ontginnen, moesten sloten en watergangen worden gegraven. In eerste instantie kon men deze nog op de natuurlijke afwateringssystemen aantakken. Door onder andere maaivelddaling, klimaatverandering en het s teeds verder afnemende natuurlijke afwateringssysteem moest men nieuwe oplossingen vinden om droge voeten te houden. Het uitvoeren van de grootschalige ontginningen en de waterstaatkundige problemen die de bevolking tegenkwam, noopten hen tot nieuwe organi satiestructuren. De dorpspolders die werden gevormd, zijn landschappelijk de meest herkenbare eenheden die met deze organisatie samenhingen. In het onderstaande wordt ingegaan op de ontginningen, het landgebruik en de waterstaatkundige ingrepen die hierbij kwamen kijken. Eerst worden de ontwikkelingen op gemeentelijke schaal beschreven, vervolgens wordt ingezoomd op de schaal van de dorpspolders.

2.5.1

Landbouw op de oeverwallen

Aanvankelijk werden alleen de hoge oeverwallen, stroomruggen en kronkelwaarden gebrui kt voor akkerbouw. Op de oeverwallen en stroomruggen werd een strookvormige verkaveling haaks op de hoogtelijnen aangelegd, waardoor een goede afwatering tot stand kwam en iedere eigenaar een hoog en laag deel bezat (figuur 5). De gronden binnen de kronkelwaarden kenden een onregelmatig reliëf en een wisselende bodemkwaliteit. Om de verschillen in bodemkwaliteit gelijk te verdelen, werden ze waarschijnlijk in blokken ontgonnen, waarbinnen de ontginner enkele stroken kreeg.

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[19]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 5. Binnen de Steilwaard, ten westen van Tricht, werd een strookvormige verkave ling haaks op de hoogtelijnen aangelegd. Hierdoor kwam een goede afwatering tot stand en bezat iedere eigenaar een hoog en een laag deel (bron: kadastraal minuutplan Buurmalsen, sectie E, blad 1, 1832).

Ook landbouwtechnieken (en dan met name de wijze van ploegen) hadden invloed op de perceelsvorm. Om het draaien van de ploeg te vergemakkelijken, zouden percelen in S -vorm zijn aangelegd. Deze akkercomplexen worden kromakkers genoemd (zie figuur 6). Door de verdergaande ontginningen ontstonden op den duur grotere akkercomplexen die vaak ‘eng’ of ‘akker’ werden genoemd. De onontgonnen komgebieden werden vaak aangeduid met de naam ‘veld’. Door het ontbreken van dijken en kades stonden deze gebieden een groot deel van het jaar onder water.

2.5.2

Ontginning van de komgebieden

Aan het begin van de Late Middeleeuwen waren de gebieden dicht bij de nederzettingen en de lagere delen van de oeverwallen ontgonnen. De komgebieden waren echter nog grote moerassige laagte n. De ontginning en verkaveling daarvan zou plaatsvinden va naf de 10e eeuw tot in 13e eeuw. De precieze ouderdom van de ontginningen in de streek valt slechts voor bepaalde delen of op indirecte wijze te achterhalen. Het algemene beeld is dat de eerste kades en sluisjes al in de 10e eeuw werden aangelegd. 16 De grootschalige ontginningen vonden plaats in de 11e en 12e eeuw. Uit veldnamen die in de 18e en 19e eeuw zijn opgetekend komt de fasering van de ontginningen naar voren. Ten noorden van Buurmalsen treffen we bijvoorbeeld De Oude Hoeven in het hoger gelegen

16

Van Bavel 1999: 64

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[20]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

oostelijk deel van de kom. Aan de westzijde hiervan, in het lagere deel, ligt het ontginningsblok De Nieuwe Hoeven. In het noordelijke, meest laaggelegen komgebied ligt het ontginningsblok de Over Hoeven. De ontginningen binnen de polder Mariënwaard behoren wa arschijnlijk tot de vroegste. Het gebied kent een afwijkend verkavelingspatroon in de vorm van afwisselende blok - en strookvormige percelen. De ontginningen ten noorden van Beesd kennen een regelmatig patroon. Aanwijzingen dat er in de kom op grote schaal boerderijen zijn gebouwd, ontbreken vooralsnog. In het gebied ten zuiden van de Linge treffen we in grote delen van de kom een onregelmatige blokverkaveling aan, afgewisseld met in stroken verkavelde eenheden. De Nieuwendijk diende vermoedelijk als achterkade voor de komontginningen ten noorden hiervan. Bij de ontginning van het gebied ten zuiden hiervan lijkt er sprake te zijn geweest van het recht van opstrek. De verkavelings - en wegenstructuur werd namelijk ten zuiden van deze dijk voortgezet. In § 2.6 wordt nader ingegaan op de ontginning op de schaal van de dorpspolders.

2.5.3

Bestuur

Heerlijkheden De huidige gemeente Geldermalsen is pas in 1978 ontstaan door de sam envoeging van de voormalige gemeenten Beesd, Buurmalsen, Deil en Geldermalsen. Deze vier gemeenten zijn op hun beurt voortgekomen uit de middeleeuwse heerlijkheden en ambten. De heerlijkheden bestonden uit door de hertog in leen uitgegeven bestuurlijke rechten over een zeker grondgebied. Deze rechten konden als bezitsrecht worden geërfd, geschonken of geruild. Het complex van rechten dat binnen een bepaald gebied gold werd heerlijkheid genoemd. Er waren hoge en lage heerlijkheden. De hoge heerlijkheden, wa ar de zogenaamde hoge rechtspraak mocht worden uitgeoefend, mochten uitspraken doen over hoge geldboetes, lijfstraffen, verbanning en doodvonnissen. In de lage heerlijkheden werden alleen burgerlijke zaken en misdrijven berecht waar lagere boetes voor golden. 17 Onder de heer vielen rechtspraak, wetgeving en bestuur, waaronder ook polderzaken. Deze heer had ook nog invloed op de aanstelling van gerichtslieden, burgemeesters en heemraden. Daarnaast had hij het recht andere functionarissen aan te stellen, zoals de schout, de secretaris en de schutter of veldgraaf. Ook bezat een heer vaak zogenaamde regale rechten. Dit waren rechten die via de landsheer van het koningsgezag waren afgeleid. Hieronder vielen het vis -, tol-, veeren windrecht.

De gehele Gelderse Tielerwaard (afgezien van de stad Tiel) bestond in de 14e eeuw uit lage heerlijkheden. De hoge rechtsmacht berustte bij de graaf (vanaf 1339 hertog) van Gelre, die daartoe in Deil een van de twee schepenbanken had opgericht. Beesd en Rhenoy vormden twee afzo nderlijke gerechten. In 1798 werden de heerlijkheden afgeschaft. In 1814 werd een deel van de heerlijke rechten hersteld, maar bij de grondwetsherziening van 1848 werd dit weer ongedaan gemaakt. De bestuurlijke taken van de heerlijkheden gingen over op de gemeenten, de rechtsprekende op de rechtbanken.

17

Harten 1997: 27

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[21]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Kasteelterreinen De meest zichtbare restanten van de adellijke bezitsverhoudingen worden gevormd door (de restanten van) kastelen. Veel van de heren, bestuurders en heerlijkheden, hadden namelijk ook een kast eel in bezit. Van het grote aantal kastelen en adellijke huizen die in de huidige gemeente heeft gestaan, resteren nog elf als zodanig herkenbare kasteelterreinen. Een stichtingsdatum is van veel kastelen niet bekend. Uit de vroegste vermeldingen kan worden opgemaakt dat de meeste tussen 1350 en 1450 zijn gesticht. Vrijwel alle kastelen lagen zeer strategisch in het landschap. We treffen ze aan op de lagere delen van de oeverwallen, aan de randen van de overstromingsgeulen die richting de kom liepen. Deze plaatsen waren in meerdere opzichten strategisch. Op de oeverwal bevonden zich de rijkste landbouwgronden en de nederzettingen. Daarnaast vormden de oeverwallen een landverbinding van oost naar west. Dit gold ook voor de Linge die op zichtafstand lag. De li gging aan de overstromingsgeul zorgde voor de toevoer van water voor de gracht. Ook kon zo de toe - en afvoer van water in en uit de kom worden gecontroleerd.

2.5.4

Waterstaat

In een relatief hoog tempo werden vanaf de 10e eeuw de lagere delen van de oeverwallen en de komgronden geschikt gemaakt voor intensiever gebruik. De komgronden werden ontgonnen en ontwaterd door evenwijdig aan elkaar sloten te graven. Om te voorkomen dat het land weer onderliep door de toevoer van water uit stroomopwaarts gelegen komgebiede n, werden zijkades of zijdwendes aangelegd (vaak aangeduid als Zeedijk in de betekenis van zijdijk) (figuur 6). Ook werden laagten in de oeverwallen afgesloten door middel van dijken of kades. Aanva nkelijk waterde het gebied via de lager gelegen onontgonnen delen van het komgebied af.

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[22]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 6. Naast de huidige weg Acquoysemeer ligt een restant van de zijkade die de polder van Rheony scheidde van de polder van Acquoy (foto: RAAP / S. van der Veen).

De afdamming van de Linge bij Tiel in 1304 bracht hier verandering in. Door deze ingreep werd de waterstand in de toen al niet meer actieve Waaltak beter beheersbaar. 18 Overtollig water uit de kommen kon nu met behulp van uitwateringssluizen op de Linge worden geloosd. Het afwateringssysteem, dat eerst nog op de komgebieden was georiënteerd, werd opnieuw ingericht zodat het water in omgekeerde richting kon stromen. De Bisschopsgraaf is een voorbeeld van deze ommekeer. Dat het overtollige water op de Linge kon worden geloosd, betekende niet dat alle problemen voorbij waren. In natte perioden en bij piekafvoeren in de grote rivieren liepen de kommen nog steeds vol. Om instroom van water vanuit de kom te kunnen weren, werden achterkades aangelegd. Door bedijkingen van rivieren in het westelijk veengebied nam de waterstand in de rivieren toe. Ook bovenstrooms kreeg de rivier meer water te verwerken als gevolg van klimaatverandering. Als reactie hierop begon elk dorp met de aanleg van zijn eigen rivierkade, de latere Lingedijk. Met deze drie kades en de dijk langs de Linge waren de dijkringen rond de dorpskommen gesloten. Het gevolg hiervan was dat pieken in de waterafvoer niet meer konden worden opgevangen door de kommen. Vanaf de 17e eeuw zou dit herhaaldelijk tot grote problemen leiden.

18

Verhelst 2012: 9

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[23]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 7. Met behulp van de Eustse sluis (de Neust) tussen de Mariënwaard en Tricht werd het water uit de noordoostelijke komgebieden op de Linge afgewaterd. Situatie in 1629. He t noorden is links (bron: Gelders Archief, toegang 1510, inventarisnr. 0124-1320A).

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[24]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

Figuur 8. De Boutensteinse Sluis tussen Rumpt en Enspijk (foto: RAAP / S. van der Veen).

Kilometerslange weteringen Op de grens van verschillende dorpspolders lagen lange weteringen die als boezem dienden voor hoger gelegen polders ten oosten van de gemeente Geldermalsen. Om optimaal gebruik te kunnen maken van het natuurlijke verval werden deze weteringen over grote afstanden aangeleg d. Ze konden vervolgens zonder een al te groot verval het water stroomafwaarts op de Linge lozen. De mogelijkheid van waterlozing op bepaalde punten op de Linge behoorde tot een recht, dat bijvoorbeeld in bezit was van een heer. Voorbeelden van dergelijke lange weteringen zijn de Bisschopsgraaf, de Culemborgse Vliet en De Boutensteinse Wetering. Deze weteringen die langs de grenzen van verschillende heerlijkheden en ambten werden aangelegd. Bisschopsgraaf Vóór de afdamming van de Linge in het begin van de 1 4e eeuw moet de Bisschopsgraaf al gegraven zijn. Destijds liep hij nog ten westen van de polder Mariënwaard langs, op de plaats van de huidige weg Oude Waag. Tot de afdamming van de Linge diende de wetering voor het afvoeren van overtollig water van de oeverwallen. Na de afdamming van de Linge werd het systeem omgekeerd en werd de wetering aangetakt op de afgedamde rivier ter hoogte van de Lage Sluis. In 1320 is de Bisschopsgraaf naar het oosten verlegd. 19 Ter hoogte van de knik in de huidige Zeedijk

19

Van Bavel 1993: 176

RAAP-rapport 4150 / versie 31-01-2021

[25]

Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 1

werd een dam aangelegd met de naam Het IJzeren Veulen (veulen = vullen of dempen) en werd aangetakt op de wetering die tussen de Mariënwaard en Tricht liep. Ter hoogte van de Neust waterde de Bisschopsgraaf door middel van sluizen af op de Linge ( figuur 7). Culemborgse Vliet Met behulp van de Culemborgse Vliet werd het overtollige water ten noorden van gemeente Geldermalsen op de Linge afgewaterd. In 1305 kochten de heren van Culemborg een watergang in de Acquoyse Polder, die werd ingericht als wetering: de Culemborgse Vliet. Aanvankelijk werd het overtollige water via Het Wiel naar Leerdam afgevoerd. In 1410 kwam een waterlozing bij De Horn tot stand. Boutensteinse Wetering In 1316 werd de Boutensteinse Wetering gegraven, waarmee de afwatering van zeven dorpspolders ten zuiden en oosten van de huidige gemeente Geldermalsen werd verlegd van de Waal naar de Linge. Voor de afvoer van het water werd het riviertje de Mark genormaliseerd. Tussen de polders Enspijk en Rumpt werd de eigenlijke Boutensteinse Wetering gegraven, die in het noorden op de Linge uitwaterde ter hoogte van de huidige Boutensteinse Sluis ( figuur 8). Kort daarop werd ook de afwatering van de polder Haaften op de Linge aangesloten. Hiervoor werd de Mark ter hoogte van Gellicum en Rumpt tot Wetering vergraven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/297/documents/6401