CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

IN102 Bijlage Rapportage evaluatie uitvoering Wvggz regio Gelderland-Zuid DEF.pdf

Lijst ingekomen stukken 26 oktober 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: C: C Informatie vanuit het college van burgemeester en wethouders18.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 11. Procesafspraken omtrent crisismaatregel

De grootste wijziging rondom de crisismaatregel is het horen van de betrokkene. Het MBZ is gemandateerd voor het uitvoeren van deze taak. De afspraken over het horen zijn, naar aanleiding de eerste ervaringen, bijgestuurd. Het landelijke script voor het horen is aangepast. De werkafspraken tussen de GGD en Pro Persona zijn aangescherpt zodat het horen sneller kan (eerder in het proces én via de telefoon van de betrokken medewerker van Pro Persona). Ook is afgesproken dat het horen eerder wordt afgebroken op het moment dat de betrokkene duidelijk niet gehoord wil/kan worden. Ook schat de beoordelend psychiater van Pro Persona aan de voorkant scherper in of de persoon gehoord wil/kan worden.

20

Ketenplan Wvggz.

24

4.2

Beeld uit de data In de regio Gelderland-Zuid zijn in 2020 214 crisismaatregelen opgelegd.21

Crisismaatregelen Gelderland-Zuid 2020

214 1 216

0

50

100

150

Opgelegd

Beschikkingen

200

Figuur 11. Aantal crisismaatregelen Hoeveel van deze crisismaatregelen resulteren in een verlenging crisismaatregel (VCM) is, om technische redenen22 niet precies aan te geven. Het is duidelijk dat het grootste deel/bijna alle van de crisismaatregelen wordt voorbereid, ingediend bij de rechtbank en leidt tot een beschikking VCM.

Bij 38% van de betrokkenen doet het MBZ een poging de betrokkene te horen. Als er een poging wordt gedaan, lukt het niet altijd om de betrokkene daadwerkelijk te spreken/de betrokkene weigert medewerking. In totaal lukt het bij 32% (71 van de 216 afgegeven beschikkingen) van de betrokkenen om hen te horen. Deze aantallen liggen lager dan het landelijke beeld: landelijk gezien wordt 45% van de betrokkenen gehoord. 23

4.3

4.3.1

Duiding vanuit interviews en groepsbijeenkomsten

Praktijkervaring Het algemene beeld in de groepsbijeenkomst is dat de gemaakte werkafspraken in de praktijk goed worden gevolgd. Respondenten ervaren weinig verschillen tussen de crisismaatregel en de IBS, respondenten noemen het horen als grootste verschil. Ook burgemeesters en wethouders geven aan dat zij, naast het horen, geen verschil ervaren. Zij baseren hun afweging nog steeds voornamelijk op het oordeel van de psychiater (zie paragraaf 3.2.2). De crisismaatregel biedt mogelijkheid tot verschillende vormen van verplichte zorg. In de praktijk gaat de crisismaatregel vrijwel altijd gepaard met een klinische opname.

Het MBZ, Pro Persona, gemeenten (burgemeesters & wethouders) en de politie ervaren de samenwerking rondom de crisismaatregel (inmiddels) als goed. Er is het afgelopen jaar geïnvesteerd op het verbeteren van de samenwerking tussen Pro Persona en de politie, met name rondom de aanwezigheid van de politie op de CBK. Er zijn werkafspraken gemaakt en er is regelmatig overleg op managementniveau. Beide organisaties ervaren dat de samenwerking op de CBK steeds beter verloopt, al vraagt dit blijvend aandacht. De politie geeft aan dat veel politieambtenaren positieve ervaringen rondom de CBK en de afspraken omtrent vervoer koppelen aan de Wvggz: de beoordelingslocatie is gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Wvggz geopend en wordt in de praktijk dan ook aan de Wvggz gekoppeld.

21

Bron: Regiomonitor Wvggz januari-december 2020.

22

Gezien de korte doorlooptijden bij het proces (V)CM, ontstaat vertraging bij de jaargrenzen. De aantallen VCM zijn

daardoor niet eenduidig te koppelen aan het aantal opgelegde CM. 23

Bron: data MBZ en regiomonitor Wvggz januari-december 2020.

25

4.3.2

Horen Zowel burgemeesters en wethouders, als Pro Persona en het MBZ zien geen meerwaarde van het horen van de betrokkene in deze fase van het proces. Deze partijen geven aan dat het uitgangspunt (meer inspraak en de verbeterde rechtspositie) inhoudelijk goed is, maar dat de uitingsvorm in het horen in een moment van crisis niet werkt. Ook het script en de vragen die gesteld moeten worden sluiten niet aan bij deze fase. Betrokkene is op dat moment vaak afwijzend en verward en niet in staat om zich (helder) uit te drukken. Het horen is een extra stap in een proces dat voor iemand in crisis belastend en niet goed te volgen is. Het MBZ en Pro Persona geven aan dat het horen vaak stress oplevert. Burgemeesters en wethouders geven aan dat het horen niet tot een andere afweging of oordeel over de crisismaatregel leidt: zij raadplegen de hoor-verslagen in Khonraad, maar deze bevatten geen/weinig bruikbare aanknopingspunten.

Een betrokkene die wij voor ons onderzoek hebben gesproken bevestigt dat het horen op een moment van crisis het doel voorbij schiet:

Ik kan mij het moment van horen moeilijk herinneren. Ik zat in een psychose, dus hoeveel inbreng had ik op dat moment kunnen hebben?

Alle betrokkenen geven aan wel moeite te hebben bij de vrije keuze voor onvrijwillige zorg in een crisissituatie en de traumatische en onmenselijke ervaring die met name de isoleercel hen heeft opgeleverd. Zo vertelt een van de betrokkenen:

Het is belangrijk om niet te onderschatten hoe de behandelingen in de psychiatrie gaan. Ik kwam in een isoleercel terecht en heb daar een posttraumatische stoornis aan overgehouden. Er werd naar mijn idee voor de makkelijke weg gekozen. Ik heb mijn trauma gecommuniceerd naar de advocaat op het moment van mijn tweede zorgmachtiging, maar het enige wat ik terugkreeg is: het wordt vrij waarschijnlijk weer ingezet. Ze zijn van mening dat het erg effectief bleek. Ze zeiden: het kan traumatisch zijn, maar je wordt er ook bij geholpen. Ik heb daarom het gevoel: jullie gaan nooit aan mijn kant staan.

De naaste die wij voor ons onderzoek gesproken hebben benadrukt de machteloosheid wanneer de betrokkene in een isoleercel belandt.

Ik denk dat het heel verdrietig is wanneer iemand in een isoleercel belandt. Het is tegen iemands wil, het gaat dwars door je heen, ook als ouder, maar het moet soms. Het is onvermijdelijk als iemand echt psychotisch is, dan moet je ingrijpen.

De nut en noodzaak van het horen wordt, in deze fase van het proces, niet gezien. Het uitgangspunt dat de betrokkene de mogelijkheid heeft tot inspraak wordt wel ondersteund, maar het doel van de Wvggz om de rechtspositie van betrokkenen te versterken doormiddel van het horen, wordt in de ogen van betrokkenen niet gehaald. Pro Persona geeft aan dat er in de kwaliteitscyclus van de ggz altijd met betrokkene wordt geëvalueerd over hoe hij/zij het traject van de

26

crisismaatregel/verplichte zorg heeft ervaren. Dit draagt bij aan een leerklimaat. Mogelijk kan dit worden versterkt door een periodieke evaluatie tussen de PVP en de ggz (niet op casusniveau om rolzuiverheid vast te houden). Professionals zien mogelijkheden in het meenemen van de zienswijze van naasten/de betrokkene zelf bij de VCM en meer aandacht uit te laten gaan naar het invullen van en het vragen naar de zorgkaart24. In de zorgkaart staat de visie van de patiënt, bijvoorbeeld welke vormen van zorg hij of zij het minst belastend vindt onder bepaalde omstandigheden.

Tot slot geven partijen (met uitzondering van het MBZ) aan dat (binnen de mogelijkheden van de wet) het beleggen van het horen bij MBZ een passende keuze is. Het MBZ heeft affiniteit met deze doelgroep; er werken veelal mensen met ervaring in de psychiatrie (zoals sociaal psychiatrisch verpleegkundigen SPV’ers)). Ketenpartners (met name de GGZ) ervaren dit als prettig; zij geven aan dat het MBZ goed de inschatting kan maken of horen op dat specifieke moment mogelijk is bij de betrokken inwoner.

Het MBZ zelf geeft aan dat zij geen meerwaarde zien van het beleggen van het horen bij het MBZ. Zij noemen dat het in de praktijk niet mogelijk is om écht het gesprek aan te gaan met de client en dat zij daardoor geen meerwaarde zien in regionale betrokkenheid en expertise/ervaring met deze doelgroep. De vragen die gesteld worden bij het horen staan vast in een landelijk ontwikkeld script, waarbij er weinig ruimte is voor eigen inschatting en expertise. Op dit moment vervullen HBO-geschoolde professionals de hoorfuctie, terwijl het horen in de huidige vorm ook door MBO-geschoolde professionals uitgevoerd zou kunnen worden. Bovendien is het horen een belasting voor het team: de gevraagde beschikbaarheid staat in de ogen van het MBZ niet in verhouding tot de kans dat ze daadwerkelijk worden gebeld (waardoor er bovendien een minimaal leereffect optreedt). Het MBZ noemt dat zij de nationale hoorservice van Khonraad als mogelijke oplossing ziet. Khonraad biedt een nationale hoorservice aan, waarbij zij telefonisch horen en het proces verbaal opmaken. Het proces-verbaal wordt, samen met de audio opname aan het dossier toegevoegd. Daarna ontvangt de psychiater het bericht van afronding.

4.4

Aanbevelingen

Op basis van bovenstaande informatie, zien wij twee aanbevelingen: a.

Adresseer de huidige knelpunten en aanbevelingen ten aanzien van de uitvoering van het horen op landelijk niveau. Binnen de mogelijkheden van de wet wordt passend uitvoering gegeven aan het horen. De aangepaste werkafspraken, waarbij er scherper wordt gekeken en/of aan de betrokkene wordt gevraagd of hij/zij gehoord wil worden maken het horen in de praktijk beter uitvoerbaar. De wet biedt geen mogelijkheid om het horen op een andere manier in te vullen. Gezien de lopende wetsevaluatie is het aan te bevelen de huidige knelpunten en ervaringen op landelijk niveau te adresseren.

b.

Verken de mogelijkheden rondom de hoorservice van Khonraad. Het MBZ ervaart het horen als een organisatorische belasting, waarbij de meerwaarde van de expertise van (HBO-geschoolde) medewerkers onvoldoende uit de verf komt omdat er een strak script wordt gevolgd. Het valt te onderzoeken of de hoorservice van Khonraad een (goedkoper) alternatief kan bieden.

c.

Onderzoek de borging van de inhoudelijke invulling van het horen op een andere plek in het proces. Partijen staan inhoudelijk achter het uitgangspunt dat de betrokkene een betere rechtspositie én meer inspraak in het proces verdient. Het is echter de ervaring dat de huidige plek van het horen hier niet in bijdraagt. Het is denkbaar om deze inhoudelijke invulling op een andere plek in het proces te borgen: denk aan meer aandacht voor het invullen van de zorgkaart en het betrekken van de zorgkaart in de afweging rondom het afgeven van de crisismaatregel. Het betrekken van de PVP bij het regionaal periodiek overleg Wvggz (één of twee keer per jaar) om ervaringen van betrokkenen te bespreken of het meenemen van de wensen van de betrokkene (en naasten) bij de voortzetting van de crisismaatregel (VCM).

24

Zorgkaart in de Wet verplichte ggz | Wet verplichte ggz (Wvggz) | Informatiepunt dwang in de zorg.

27

5 Afstemming Wvggz, Wzd en Wfz 5.1

Processtappen en afspraken

Het ketenplan bevat geen afspraken over de samenloop tussen de Wvggz, Wzd en Wfz. Partijen geven aan dat het op voorhand lastig was om afspraken over hypothetische situaties te maken. Na de inwerkingtreding is er specifieke aandacht geweest voor knelpunten (zie hieronder) rondom de samenloop tussen de wetten.

5.2

Beeld uit de data

Gegevens over de samenloop van de wetten worden niet geregistreerd. Betrokken partijen geven aan dat het bij een beperkt aantal (< 20) mensen per jaar niet duidelijk is of zij het beste binnen de Wzd of de Wvggz passen. Ondanks dat het om een beperkt aantal mensen gaat, is de problematiek vaak groot. Via de schakelbepaling 2.3 Wfz zijn er in 2020 33 mensen (binnen het gehele arrondissement Oost-Nederland) ingestroomd in de Wvggz.

5.3

Duiding vanuit interviews en groepsbijeenkomsten

5.3.1

Knelpunten in de samenloop en afstemming Wvggz-Wzd Onderstaande knelpunten zijn geconstateerd en opgepakt.

Beoordeling bij een crisissituatie in de Wzd (IBS) Er is een tijdelijk ‘gat’ ontstaan in de beoordeling van crisissituaties binnen de Wzd. De crisisdienst van Pro Persona is door het splitsen van de wet Bopz naar de Wzd en Wvggz wettelijk gezien niet verantwoordelijk voor de beoordelingen in het kader van de Wzd. Ook ontvangen zij geen financiering voor deze beoordelingen. Door het ‘gat’ dat door de splitsing ontstond, de snelheid die bij crisissituaties is gemoeid en doordat het aan de voorkant niet altijd duidelijk in te schatten is of de verstandelijke beperking of de ggz problematiek op de voorgrond staat, neemt Pro Persona vooralsnog de beoordeling ten behoeve van een IBS-maatregel op zich.

Tekort aan crisisbedden Er is een tekort aan crisisbedden binnen de Wzd in zowel de VG-sector als de VVT/ouderensector. Onder de Bopz waren de crisisbedden bij de GGZ-instellingen beschikbaar. Door de splitsing van de Bopz in de Wzd en de Wvggz ontstaat de noodzaak tot crisisbedden binnen de Wzd25. Na deze constatering is afgesproken dat binnen de VG-sector Stevig/Dichterbij altijd een crisisbed beschikbaar heeft. In de VVT/ouderensector is dit lastiger te organiseren, omdat er geen financiering voor dergelijke bedden is. De crisisdienst van Pro Persona geeft aan dat, bij het uitschrijven van een IBS, het in het begin van 2020 echt zoeken was. De samenwerking loopt na het maken van de afspraken over beschikbare crisisbedden (ook met de verpleeghuisdienst) steeds soepeler, al blijft het samen zoeken. Daarbij merkt Pro Persona op dat de samenwerking met de ouderensector in de regio Rijk van Nijmegen beter verloopt dan in Rivierenland. De koepelorganisatie die in Rijk van Nijmegen actief is, speelt een belangrijke rol in de afstemming tussen beide wetten.

Tekort aan bedden voor mensen die op basis van een Rechtelijke Machtiging (RM) opgenomen worden Ingewikkelder is het tekort aan bedden voor mensen die op basis van een RM binnen de VG-sector opgenomen worden, zeker wanneer er een hoger beveiligingsniveau aan de orde is. Het ging in 2020 om enkele gevallen, maar de situaties zijn schrijnend: deze mensen wachten minimaal een jaar (op een beveiligde setting buiten de regio) op een passende behandelplek. 25

Door de gescheiden financieringsstromen en het geldend wettelijk regime is het voor aanbieders praktisch niet

mogelijk om bedden met een dubbele bestemming aan te bieden.

28

Niet-acute situaties Ook bij niet-acute situaties is een aantal casussen langsgekomen waarbij het niet duidelijk was in welk wettelijk regime iemand valt. Het gaat om casussen waarbij meervoudige problematiek (lvb, psychiatrie en soms ook gecombineerd met verslaving of agressief gedrag) speelt. Kenmerkend bij deze casussen is dat er veel partijen betrokken zijn, maar niemand de verantwoordelijkheid heeft om te zorgen dat een betrokkene passend in zorg komt. In één casus is de situatie zodanig geëscaleerd dat er uiteindelijk een delict is gepleegd en betrokkene vanuit de forensische zorg is geplaatst. Betrokkenen bij deze casus geven aan dat deze escalatie voorkomen had kunnen worden als er aan de voorkant duidelijkere samenwerkingsafspraken zouden staan. Deze casus speelde begin 2020 en heeft duidelijk gemaakt dat: a.

Het opstellen en borgen van samenwerkingsafspraken rondom dit soort casuïstiek nodig is. Betrokkenen geven aan dat de afstemming inmiddels dusdanig is verbeterd dat een dergelijke escalatie waarschijnlijk voorkomen kan worden. Het MBZ trekt het opstellen van de werkafspraken tussen gemeenten-MBZ-CIZ-OM-Pro Persona. Inmiddels heeft het MBZ bijvoorbeeld vaste contactpersonen bij het CIZ wanneer het gaat om Wzd-casussen.

b.

Het CIZ een speler is op het raakvlak van de Wzd en Wvggz, maar niet betrokken is in de regionale overleggen/afspraken. De samenwerking met het CIZ is gedurende het jaar verbeterd. Het CIZ hebben we in het kader van dit onderzoek niet gesproken, maar in de groepssessies spreken respondenten de wens uit dat het CIZ mee wordt genomen in het opstellen van werkafspraken over casuïstiek waarbij multiproblematiek speelt én onderdeel wordt van de regionale overleggen.

c.

De opdracht van het MBZ in eerste instantie te nauw is geformuleerd. Het MBZ kreeg de opdracht om Wzdcasuïstiek niet mee te nemen in het verkennend onderzoek. Zij kijken nu breder: juist bij casuïstiek waarbij het op voorhand niet eenduidig vast te stellen is of de Wzd of de Wvggz voorliggend is, kan een verkennend onderzoek input bieden voor het bepalen van de juiste route.

5.3.2

Knelpunten in de samenloop en afstemming Wvggz-Wfz De schakelbepaling 2.3 Wfz regelt dat mensen die een strafbaar feit hebben gepleegd, (gedeeltelijk) ontoerekenbaar zijn/waren en met name zorg nodig hebben, via het strafrecht gedwongen zorg op basis van de Wvggz kunnen ontvangen. Deze machtiging wordt, net als de zorgmachtiging, voor een periode van zes maanden afgegeven. De uitvoering van de 2.3 Wfz leidt landelijk tot uitvoeringsproblemen. Regionaal is hier zeer beperkt op te sturen, de problemen zijn landelijk bekend.

Binnen de regio Gelderland-Zuid worden met name de volgende knelpunten ervaren:

De financiering van de zorgmachtiging vanuit detentie Aansluitend op een gevangenisstraf (of vanuit voorlopige hechtenis) kan een zorgmachtiging op basis van artikel 2.3 Wfz afgegeven worden. Voor het opstellen van de medische verklaring ontvangen ggz-instellingen een financiële vergoeding vanuit de Zvw. De zorgverzekering van gedetineerden is opgeschort, waardoor de inspanningen van instellingen niet werden vergoed en daardoor niet werden uitgevoerd. Dit zorgde (landelijk) voor dreigende gevaarlijke situaties. Een structurele oplossing voor de financiering voor deze doelgroep vanuit het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft lang op zich laten wachten en is inmiddels geregeld. Dit moet dergelijke dreigende gevaarlijke situaties voorkomen.

De beschikbaarheid van beveiligde bedden De doelgroep die op basis van een artikel 2.3 Wfz wordt geplaatst, heeft vaak behoefte aan forensische expertise en een hoger fysiek beveiligingsniveau. Deze bedden zijn beperkt beschikbaar. Bovendien geldt een extra financiële

29

toeslag. Het tijdig plaatsen van deze doelgroep op een passende omgeving is dan ook ingewikkeld. Een landelijk dashboard beveiligde bedden moet de ervaren knelpunten en capaciteit monitoren, zodat bijsturen26 mogelijk wordt.

De gemaakte afspraken gaan naar verwachting verlichting bieden, al blijft de problematiek van deze doelgroep ingewikkeld. Zoals gezegd is er regionaal zeer weinig mogelijkheid om op deze samenloop te sturen.

5.4

Aanbevelingen

Bij het splitsen van een wet in meerdere wetten, ontstaan problemen in de uitvoering. Bij elke grens die wordt getrokken, ontstaat een nieuwe ‘tussengroep’. Het is lastig om harde afspraken te maken over hoe met deze tussengroep om wordt gegaan. Bovendien is niemand écht verantwoordelijk. Het gaat er met name om dat partijen bereid zijn om samen op te trekken: om open en pragmatisch naar een casus te kijken en soms net buiten de lijntjes durven te kleuren om iemand snel en passend zorg te kunnen verlenen. Aandachtspunten hierbij zijn: a.

Betrek alle partijen bij regionale overleggen omtrent de Wvggz. Het CIZ wordt op dit moment gemist en de aanbeveling is om het CIZ in het vervolg nadrukkelijk te betrekken bij het maken van regionale afspraken.

b.

Maak samenwerkingsafspraken over de rol en verantwoordelijkheden bij een ‘tussengroep’ die door het management/bestuur worden gedragen. Dit maakt dat professionals voelen dat zij ruimte krijgen om soms net buiten de opdracht of lijntjes om te mogen handelen. Elke nieuwe wet, of scheiding van wetten, maakt dat er casuïstiek op het grensvlak van wetten ontstaat. Om deze casuïstiek gezamenlijk op te pakken, is net een stapje extra nodig van de betrokken partijen. Een mooi voorbeeld is de verbreding van de scope van het verkennend onderzoek door het MBZ.

c.

Zoek samenwerking in landelijke gremia. Het kan helpen om in landelijke gremia na te gaan op welke manier andere regio’s met dergelijke casussen omgaan en hier werkafspraken op te baseren.

Bovenstaande knelpunten spelen landelijk en niet alleen in de regio Gelderland-Zuid.

26

Aangezien het gaat om beveiligde capaciteit waar forensische opgeleid personeel voor nodig is, gaat het om bijsturen

op de langere termijn.

30

6 Ketensamenwerking en overlegstructuren Bij de implementatie en uitvoering van de Wvggz op regionaal niveau zijn verschillende ketenpartners betrokken en zijn er diverse overlegstructuren in Gelderland-Zuid ontstaan. In dit hoofdstuk geven we op basis van bestudeerde documenten, de uitkomsten van de werksessies en de gehouden interviews een beschrijving van de ketenpartners en overlegstructuren en staan we stil bij de ervaring van de partijen bij de ketensamenwerking. Aan het eind van dit hoofdstuk volgen de aanbevelingen.

6.1

Ketenpartners

Bij de implementatie en uitvoering van de Wvggz in Gelderland-Zuid zijn naast de betrokkene zelf, familie en naasten de volgende ketenpartners betrokken27: a.

Aanbieders ambulante Wmo-begeleiding.

b.

Aanbieders (licht) verstandelijk gehandicaptenzorg.

c.

Aanbieders ouderenzorg / Verpleging & Verzorging.

d.

Advocatuur.

e.

Centrum Indicatiestelling Zorg.

f.

Ervaringsdeskundigen/MIND/Ypsilon.

g.

Familievertrouwenspersoon.

h.

Gemeenten.

i.

Huisartsen.

j.

Iriszorg.

k.

GGD Gelderland-Zuid (Meldpunt Bijzondere Zorg).

l.

Politie.

m.

Praktijkondersteuners huisartsen.

n.

Pro Persona.

o.

Openbaar Ministerie.

p.

Rechters.

q.

RIBW.

r.

Sociale wijkteams.

s.

Stichting patiëntvertrouwenspersoon.

t.

Woningcorporaties.

u.

Zorgverzekeraars.

v.

Ziekenhuizen (UMC Radboud en CWZ).

De Wvggz vraagt door verandering in de wettelijke kaders om een nieuwe samenwerkingsdynamiek en voor sommige partijen zelfs om samenwerking met onbekende partijen. In de volgende parafen gaan we in op de regionale samenwerking tussen de genoemde ketenpartners.

27

Aanbieders in de lvb-sector staan niet genoemd in de lijst met ketenpartners aangezien lvb-cliënten niet tot de

doelgroep van de Wvggz behoren. In de praktijk komen lvb-cliënten volgens respondenten wel in aanmerking voor de Wvggz vanwege een tekort of het ontbreken van crisisbedden en/of een crisisdienst.

31

6.2

Het ketenplan

Voor de implementatie van de Wvggz en Wzd is een ketenplan ontwikkeld met samenwerkingsafspraken tussen de verschillende partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van de wetten in de regio Gelderland-Zuid. De samenwerkingsafspraken zijn gericht op het MBZ, het verkennend onderzoek, de zorgmachtiging, de crisismaatregel en de samenloop met de Wzd. Over het algemeen zijn de respondenten tevreden over de totstandkoming van het ketenplan. Betrokkenen vanuit MIND geven bijvoorbeeld aan dat zij zich betrokken voelden vanwege het gezamenlijke proces in de ontwikkeling van het ketenplan.

Tegelijkertijd valt het op dat het ketenplan op het moment van dit onderzoek weinig leeft onder de ketenpartners. Dit geldt zowel onder samenwerkingspartners die dagelijks met de Wvggz te maken hebben, als samenwerkingspartners die meer op afstand staan. Zo blijken niet alle respondenten die aanwezig waren bij de werksessies op de hoogte te zijn van het ketenplan. Ook geven respondenten aan dat zij bij de daadwerkelijke uitvoering van de Wvggz weinig tot geen gebruik meer gemaakt hebben van het ketenplan. Een mogelijke verklaring hiervoor zijn de werkinstructies die verschillende ketenpartners zoals het OM voor zichzelf ontwikkeld hebben in het kader van de Wvggz. Respondenten geven aan dat het werken met eigen werkinstructies goed kan werken zo lang de processtappen eenduidig beschreven en uitgevoerd worden. Als verbetersuggestie kwam tijdens een werksessie het idee naar voren om het ketenplan te specifiëren naar de verschillende ketenpartners en per ketenpartner de belangrijkste samenwerkafspraken, werkinstructies en overlegstructuren te bundelen.

6.3

De regionale samenwerking

Respondenten omschrijven de invoering van de nieuwe wet als een leerproces voor de regionale samenwerking waarbij gezamenlijkheid centraal staat. Respondenten benoemen de goede basis die gelegd is als gevolg van de gezamenlijke voorbereiding op de taakuitvoering Wvggz eind 2019 met gemeenten en ketenpartners en het opgestelde ketenplan met samenwerkingsafspraken. Dankzij de goede basis en de nieuwe overlegstructuren28 kregen ketenpartners de gelegenheid elkaar en elkaars rollen, taken en verantwoordelijkheden (beter) te leren kennen en met (meer) regelmaat af te stemmen. Dit resulteerde in kortere lijnen, intensievere samenwerking en een grotere bereidheid om samen casuïstiek op te pakken. Met name de verbeterde samenwerking tussen de GGD en Pro Persona en het OM en Pro Persona zijn regelmatig genoemd. Desondanks bevindt de ketensamenwerking zich volgens de meeste respondenten in de fase van ‘bewust onbekwaam’. Hoewel gezamenlijkheid een gedeelde intentie van de ketenpartners is, zien respondenten in de praktijk nog te vaak dat partijen naar elkaar wijzen of tegen knelpunten in de samenwerking aanlopen. In het vervolg van dit hoofdstuk bespreken we de belangrijkste oorzaken en beschrijven we een aantal verbetersuggesties die tijdens de werksessies naar voren gekomen zijn.

6.3.1

De verschillende gemeentelijke contexten Hoewel de uitvoering van de Wvggz op hoofdlijnen overeenkomstig is tussen de betrokken gemeenten, staat het gemeenten vrij om eigenstandig keuzes te maken in de samenwerkingsafspraken met ketenpartners. Respondenten ervaren hobbels in de samenwerking met gemeenten door de verschillende gemeentelijke contexten en soms afwijkende werkwijzen en/of invulling van bijvoorbeeld wijkteams. Respondenten geven aan dat de samenwerking met vooral kleine gemeenten prettig verloopt vanwege de korte lijnen en vaste contactpersonen.

6.3.2

Respondenten ervaren terughoudendheid bij het doen van een melding Er lijken verschillende redenen voor deze terughoudendheid. Vaak gaat het om hulpverleners die een vertrouwensband met betrokkene hebben. Deze hulpverleners vinden het belangrijk om transparant te zijn over het doen van een melding en zijn tegelijkertijd bang om de vertrouwensband te schaden. Een andere reden voor terughoudendheid bij ketenpartners is de veronderstelling dat een verkennend onderzoek zal leiden tot klinische opname van de betrokkene.

28

Zie paragraaf 5.5.1.

32

Wanneer ketenpartners geen oplossing zien in een klinische opname doen zij geen melding. De mogelijkheid tot verplichte ambulante zorg is nog onvoldoende bekend.

Respondenten geven aan dat ketenpartners aan de voorkant al bezig zijn met de achterkant, oftewel de oplossing voor de betrokkene. Respondenten roepen op dit over te laten aan professionals die hierover gaan en de expertise hebben voor een passende oplossing, zoals mogelijk verplichte ambulante zorg. Ten slotte speelt mee dat aanvragers van een verkennend onderzoek bij het begin van de Wvggz soms maanden moesten wachten voordat er uitsluitsel over het vervolg kwam. Respondenten noemen capaciteitsproblemen bij het OM en Pro Persona als belangrijkste oorzaak voor de lange wachttijd. Inmiddels zijn de capaciteitsproblemen aangepakt, maar lijken ketenpartners het vertrouwen in de effectiviteit deels verloren te zijn.

Als alternatief voor het doen van een melding noemen respondenten twee mogelijkheden. Het aanvragen van een zorgmachtiging via de ambtshalve route en het indienen van een verzoekschrift tot aanwijzing bij de OvJ. De wet geeft iedereen de mogelijkheid die op een beroepsmatige manier zorg verleent een verzoekschrift tot aanwijzing in te dienen. Veel ketenpartners hebben dus deze mogelijkheden, maar beide routes blijven veelal onbenut.

6.3.3

Nieuwe samenwerkingspartners Het CIZ is voor de meeste ketenpartners in de Wvggz een nieuwe samenwerkingspartner. Het CIZ beoordeelt aanvragen voor een rechtelijke machtiging en neemt een besluit of de aanvraag voor de wet zorg en dwang (Wzd) wel of niet naar de rechter doorgestuurd wordt. Indien er sprake is van een psychische stoornis bij de betrokkene stuurt het CIZ de aanvraag door naar de OvJ. In dat geval valt de betrokkene onder de Wvggz en niet onder de Wzd. Deze situatie doet zich voornamelijk voor bij betrokkenen met een lvb. Respondenten geven aan dat de samenwerking van ketenpartners met het CIZ nog niet optimaal is. Bijvoorbeeld omdat er nog geen vaste contactpersoon is aangewezen. Respondenten roepen op om de komende periode extra aandacht te besteden aan de samenwerking met het CIZ.

6.4

De rol van het Zorg- en Veiligheidshuis

Het Zorg- en Veiligheidshuis in Gelderland-Zuid heeft geen formele rol in de ketensamenwerking. Het Zorg- en Veiligheidshuis kijkt binnen zijn TopX(plus)-aanpak in eerste instantie naar de mogelijkheden in het vrijwillig kader. Bij sommige casuïstiek kan de Wvggz aan de orde zijn. De meeste samenwerkingspartners van het Zorg- en Veiligheidshuis zijn wel onderdeel van de Wvggz keten en kunnen bij onveilige situaties waarbij verplichte zorg gewenst is vanuit hun eigen organisatie een melding doen bij het MBZ, dan wel een zorgmachtiging aanvragen (ggzaanbieders).

Voor het realiseren van een doorbraak bij casuïstiek in het TopX(Plus) overleg is het volgens partners van het Zorg- en Veiligheidshuis essentieel dat een ketenpartner verantwoordelijkheid neemt. Hoewel verschillende partners van het Zorg- en Veiligheidshuis een zorgmachtiging kunnen aanvragen, wijzen partners net als bij het doen van een melding nog regelmatig naar elkaar. Een belangrijke reden voor partijen om niet hun hand op te steken is onduidelijkheid over en onbekendheid met de route voor het aanvragen van een zorgmachtiging, met name de ambtshalve route. Enkele respondenten geven aan het beeld te hebben dat de (financiële) verantwoordelijkheid voor de TopX(Plus) doelgroep aanbieders ervan weerhoudt een zorgmachtiging aan te vragen.

6.5

De overlegstructuur

In de regio Gelderland-Zuid vinden verschillende overleggen tussen ketenpartners plaats in het kader van de Wvggz. De wet bepaalt dat alle veiligheidsregio’s minimaal één keer per kwartaal ketenoverleg voeren over de uitvoering van de Wvggz. Andere overleggen zijn ontstaan vanuit de regionale behoefte aan coördinatie en samenhang. Naast de overlegstructuren in het kader van de Wvggz zijn er lokaal en regionaal steeds meer samenwerkingsverbanden die zorg en veiligheid met elkaar verbinden. Momenteel wordt de huidige overlegstructuur gericht op zorg en veiligheid tegen het licht gehouden om te beoordelen of de besluitvorming op een effectieve manier is belegd en wat dit betekent voor de

33

wijze van verantwoording richting de eigen organisatie en aan de keten. In dit onderzoek hebben wij ons uitsluitend gericht op de overlegstructuren die zich specifiek richten op de implementatie en uitvoering van de Wvggz.

Op basis van het bestuderen van documenten over de bestaande overlegstructuren en gesprekken met ketenpartners onderscheiden wij vijf overleggen in het kader van de Wvggz (zie figuur 11). Per overleg is in kaart gebracht hoe vaak het overleg plaatsvindt, wie deelnemen aan het overleg en wat het voornaamste doel van het overleg is.

4x per jaar

Deelnemers: (Afvaardiging van) burgemeesters/gemeenten, geneesheerdirecteuren, officier van justitie, politie, Veiligheidshuis, GGD.

Doel: In artikel 8:31 schrijft de wet voor dat er periodiek overleg wordt gevoerd door (in ieder geval) de wettelijke partijen over het aanbod van verplichte zorg in de regio, de knelpunten bij de voorbereiding, tenuitvoerlegging en uitvoering daarvan. Het overleg is bedoeld om strategische en beleidsmatige zaken te behandelen.

Bestuurlijke werkgroep Zorg & Veiligheid

Deelnemers: Delegatie bestuurders (2 burgemeesters en 3 wethouders).

Doel: Bestuurlijke regie en voorbereiding op gecombineerd Bestuurlijk Overleg zorg & Veiligheid met alle burgemeesters en wethouders zorg (2x per jaar).

Deelnemers: OM, GGZ-instellingen, VGinstelling (Ad-Hoc), GGD, delegatie gemeenten, RAV, huisartsen, politie, familieperspectief, RIBW en ervaringsdeskundige.

Doel: Gericht op de implementatie van de Wvggz in de regio en voorbereiding van het regionaal periodiek overleg.

Deelnemers: Delegatie van gemeenten (deels beleidsadviseurs zorg, deels IVambtenaren) + GGD.

Doel: voorbereiding bestuurlijke werkgroep Z&V/BO Z&V.

Deelnemers: Pro Persona, OM, MBZ en delegatie van gemeenten.

Doel: Dit overleg is bedoeld om af te stemmen over signalen uit de praktijk en om de verbeterpunten in de samenwerking rondom de zorgmachtiging en crisismaatregel aan te pakken.

Regionaal periodiek overleg

4x per jaar

Ketenwerkgroep (ambtelijk niveau) 4-6x per jaar

Intergemeentelijke werkgroep 4-6x per jaar

Periodiek signaaloverleg 4-6x per jaar

Figuur 12. Overlegstructuur Wvggz in de regio Gelderland-Zuid Naast de overleggen die genoemd zijn in figuur 12 vinden er aanvullende overleggen op specifieke thema’s binnen de Wvggz, of juist breder over zorg en veiligheid plaats. Vanuit een breder kader komen bijvoorbeeld twee keer per jaar burgemeesters en wethouders bij elkaar in het combi-overleg zorg en veiligheid. Een voorbeeld van een overleg op een specifiek thema is het overleg patiëntvertrouwenspersoon met de PVP, GD en het afdelingshoofd van het CWZ.

Het maken van een totaalplaatje van de overlegstructuren in het kader van de Wvggz was geen eenvoudige exercitie. In de gesprekken met ketenpartners komt naar voren dat er nog veel onduidelijkheid over de overlegstructuren, doelen en doorlooptijd van de verschillende overleggen bestaat. Geen van de ketenpartners geeft aan zicht te hebben op het totaalplaatje, al wordt dit niet door alle ketenpartners als hinderlijk ervaren. Over het algemeen lijken respondenten tevreden te zijn over de samenstelling, opbrengst en frequentie van de overleggen waar ze bij betrokken zijn. Ook geven respondenten aan dat de verhouding tussen bestuurlijke en ambtelijke afstemming voldoende is.

Als aandachtspunt noemen respondenten de verantwoordelijkheid voor professionals die deelnemen aan de overleggen om de uitkomsten intern binnen de eigen organisatie te delen en daarmee een ‘leercultuur’ te stimuleren. Daarnaast wijzen respondenten op de beperkte vertegenwoordiging van het cliënt- en familieperspectief binnen de overleggen. Het cliënt- en familieperspectief is momenteel uitsluitend vertegenwoordigd in de ketenwerkgroep. Net als de intergemeentelijke werkgroep en het periodiek signalenoverleg, is de ketenwerkgroep oorspronkelijk bedoeld om de implementatie van de Wvggz in goede banen te leiden. Zodra de basis voldoende staat is de ambitie deze drie overleggremia overbodig te maken. Mocht dit het geval zijn dan is het van belang om het cliënt- en familieperspectief in een van de resterende overleggen een plek te geven. Wat ten slotte opvalt in het overzicht van de overlegstructuren is het ontbreken van de PVP bij de deelnemers. Respondenten geven aan wel 1-op-1 contact te hebben met de PVP.

34

6.6

Aanbevelingen

Op basis van bovenstaande komen we tot de volgende aanbevelingen: a.

Verminder de ‘angst’ en terughoudendheid bij het aanvragen van een verkennend onderzoek en/of zorgmachtiging. Bij het aanvragen van een verkennend onderzoek of een zorgmachtiging kijken ketenpartners nog vaak naar elkaar. Uit angst om (budget)verantwoordelijk voor de betrokkene te worden of de betrokkene te snel onvrijwillige zorg op te leggen, maar ook vanwege onduidelijkheid over de te doorlopen route en de daarbij behorende rollen en taken. Creëer daarom overzicht in de te doorlopen routes, maak daarbij duidelijk welke ketenpartner wat kan betekenen en benadruk dat de uitkomst niet per definitie opname betekent.

b.

Besteed aandacht aan de samenwerking met het CIZ. Het CIZ is als beoordelaar van aanvragen voor een rechtelijke machtiging bij de lvb doelgroep een nieuwe speler in de ketensamenwerking van de Wvggz. Maak daarom duidelijke werkafspraken en betrek het CIZ bijvoorbeeld eens bij een overleg waar de lvb-doelgroep besproken wordt.

c.

Wees transparant naar alle ketenpartners over waar een betrokkene zich bevindt in het proces. Ketenpartners zijn afhankelijk van de casus op verschillende momenten in het proces betrokken. Het is voor hen niet altijd duidelijk waar in het proces een aanvraag is. De wet biedt weinig mogelijkheden om transparantie te bieden (zo mag bijvoorbeeld alleen een essentiële naaste over de voortgang van de melding en het VO worden geïnformeerd). De behoefte aan transparantie is echter groot. Het is aan te bevelen om (eventueel via landelijke gremia) na te gaan welke mogelijkheden de wet hiertoe biedt.

d.

Voorkom stroperigheid in de overlegstructuur. Voor de implementatie en uitvoering van de Wvggz zijn diverse overleggen opgezet. De ketenpartners zijn bekend met de overleggen die ze zelf bijwonen, maar het ontbreekt nog aan een overzichtelijke overlegstructuur. Bovendien lijken de doelstellingen van overleggen elkaar soms (deels) te overlappen. Nu de implementatie van de Wvggz gevorderd is en de agenda voor de overleggen minder goed gevuld raken, is het goed om de overleggen die oorspronkelijk bedoeld zijn voor de implementatie van de Wvggz te beëindigen, dan wel in frequentie te verminderen. Te denken valt aan het beëindigen van het periodiek signaaloverleg en het verlagen van de frequentie van de ketenwerkgroep en de intergemeentelijke werkgroep. Het verminderen van het aantal overleggen maakt het voor ketenpartners ook makkelijker om bij de gewenste overleggen aanwezig te zijn.

e.

Benut de ervaringskennis van de patiëntvertrouwenspersoon. Op dit moment is de PVP niet vertegenwoordigd in de structurele overleggen in het kader van de Wvggz in Gelderland-Zuid. De uitwisseling met de PVP beperkt zich tot een-op-een contact of kleinschalige overleggen. Tegelijkertijd beschikt de PVP over waardevolle informatie hoe betrokkenen de onvrijwillige zorg en hun rechtspositie ervaren. Wij adviseren de PVP vanuit deze signaalfunctie nauwer te betrekken bij bestaande samenwerkingsverbanden. Denk bijvoorbeeld aan één tot twee keer per jaar uitnodigen van de PVP bij het regionaal periodiek overleg Wvggz.

f.

Heb oog voor gemeenten binnen de regio Gelderland-Zuid die (nog) weinig of geen ervaring hebben met de Wvggz. Zoals we zien in de data heeft niet iedere gemeente in Gelderland-Zuid (regelmatig) te maken met Wvggz-casuïstiek. Desondanks moeten ook deze gemeenten op de hoogte zijn en blijven van de werkafspraken en werkprocessen. Het is daarom belangrijk dat er ook in deze gemeenten aandacht blijft voor de werkwijze en processen die komen kijken bij Wvggz-casuïstiek. Zo wordt er voorkomen dat men niet weet wat men moet doen wanneer er zich een casus voordoet. Het is aan te bevelen om in iedere gemeente (of in een groepssessie met verschillende gemeenten samen) minimaal eens per jaar eens per jaar een casus door te lopen met professionals, waarbij er aandacht is voor moeilijkheden, knelpunten en dilemma’s.

35

7 Reflectie en aanbevelingen Over het algemeen zien we dat de uitvoering van de Wvggz in de regio Gelderland-Zuid goed verloopt. Er ligt een goede basis voor samenwerking, doordat al in een vroeg stadium is begonnen met de gezamenlijke voorbereiding van de taken. Tevens zijn er verschillende documenten opgesteld waarin samenwerkingsafspraken zijn beschreven en zijn er verschillende overlegstructuren opgezet. Ketenpartners weten elkaar door de verschillende overleggen steeds beter en sneller te vinden. Knelpunten in de uitvoering worden geconstateerd en gezamenlijk opgepakt. Uit ons onderzoek blijken een aantal zaken die nog nader aandacht behoeven, om de uitvoering van de Wvggz te verbeteren. Per onderdeel blikken we terug op de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen.

7.1

Doelen van de Wvggz

We zijn ingegaan op een aantal doelen van de Wvggz, namelijk het versterken van de rechtspositie van de betrokkene, ambulantisering en zorg op maat met aandacht voor deelname aan de maatschappij. We zien dat nieuwe wettelijke mogelijkheden ‘wentijd’ met zich meebrengen. Dit geldt met name rondom het opstellen van een eigen plan van aanpak, het inzetten van verplichte ambulante zorg en aandacht voor maatschappelijke deelname. We zien in de data dat deze mogelijkheden beperkt in worden gezet. Dat is enerzijds logisch en verklaarbaar gezien de problematiek waar betrokkenen mee kampen. Anderzijds geven professionals ook aan nog niet altijd gewend te zijn aan de nieuwe procedures en mogelijkheden. Dit geldt met name voor de ggz-aanbieders, maar ook voor justitiële partners (OM, advocatuur en rechtspraak). Dat gaat niet vanzelf: het gaat om de verandering van een onbewuste afweging (zo doen we het) naar een bewuste afweging (wat is er mogelijk). Het helpt om deze thema’s te agenderen op de regionale periodieke overleggen én binnen de overleggen binnen de verschillende organisaties, zodat er meer bewustzijn voor deze uitgangspunten ontstaat.

De PVP is bij 14% van de machtigingen gedwongen zorg (crisismaatregelen én zorgmachtigingen) betrokken. Dit is iets lager, maar vergelijkbaar, met het landelijk beeld. Betrokkenen en naasten die wij in het kader van dit onderzoek hebben gesproken, geven aan van het bestaan van de PVP op te hoogte te zijn, maar geen behoefte hebben aan deze ondersteuning.

9% van de machtigingen verplichte zorg worden ambulant uitgevoerd. Zorgaanbieders geven aan dat verplichte zorg in de thuissituatie vaak niet haalbaar lijkt. Wanneer een betrokkene wel thuis zorg kan ontvangen lukt het vaak alsnog om dit in vrijwillig kader te doen. Daarnaast achten partijen verplichte ambulante zorg niet altijd als wenselijk. Zo benadrukt de gemeente dat ook rekening moet worden gehouden met de buren en andere omwonenden, omdat een situatie ook voor overlast in de buurt kan zorgen. De indruk is wel dat er nog te weinig aandacht is voor verplichte ambulante zorg en dat dit mogelijk wel meer ingezet kan worden. Het MBZ kan mogelijk bij binnenkomende casuïstiek een betere afweging maken tussen bemoeizorg, vrijwillige zorg, ambulante verplichte zorg en verplichte klinische zorg.

We concluderen dat er (nog) weinig aandacht uit gaat naar het opnemen van de maatschappelijke voorwaarden in het zorgplan. Het helpt om dit begrip concreet te maken naar een aantal thema’s zoals huisvesting, dagbesteding of schulden. Het zorgplan is een landelijk gebruikt format, waarin niet zomaar aanpassingen gedaan kunnen worden. Wel zouden de zorgaanbieders samen met de GGD en de gemeente afspraken kunnen maken over welke informatie het zorgplan moet bevatten op het thema maatschappelijke voorwaarden en deelname. Wanneer wordt afgesproken welke vragen hierbij leidend zijn, kan er beter inzicht verkregen worden in de situatie en de ondersteuningsbehoefte.

36

7.2

Meldfunctie, verkennend onderzoek en aanvraag zorgmachtiging

De uitvoering van de meldfunctie, het verkennend onderzoek en de aanvraag zorgmachtiging verloopt over het algemeen goed. Ten opzichte van landelijke cijfers zien we dat het investeren in de triage van een melding loont: in de regio Gelderland-Zuid worden minder (onnodige) verkennend onderzoeken uitgevoerd. Het percentage verkennend onderzoeken met een positieve uitkomst is hoger (77% ten opzichte van 50% landelijk). We signaleren verbetermogelijkheden in de communicatie over het MBZ. Zowel voor burgers als voor professionals is het niet geheel duidelijk wat het MBZ kan betekenen of wanneer een melding gedaan moet worden. De indruk bestaat dat melders terughoudend zijn uit angst voor wat er met betrokkene gaat gebeuren. Het kan daarom helpen om te benadrukken dat het MBZ tevens een informerende en adviserende rol heeft en dat een melding niet altijd hoeft te leiden tot een opname.

Met betrekking tot het verkennend onderzoek bestaat er onduidelijkheid over wat er met betrokkene gebeurt bij een negatieve uitkomst van het verkennend onderzoek. De afspraak dat het MBZ een casusregisseur aanwijst. Deze afspraak is echter niet breed bekend, waardoor ketenpartners in deze evaluatie aangeven zich zorgen te maken dat mensen tussen wal en schip vallen.

7.3

Crisismaatregel

Het algemene beeld is dat de gemaakte werkafspraken rondom de uitvoering van de crisismaatregel in de praktijk goed worden gevolgd. Het belangrijkste verschil ten opzichte van de IBS in de Wet BOPZ is het horen van de betrokkene. Het horen is passend belegd bij het MBZ, maar heeft in de praktijk vanuit alle ketenpartners geen/weinig meerwaarde. Het MBZ ervaart het horen zelf als een organisatorische belasting (er wordt een grote beschikbaarheid gevraagd) en ziet de meerwaarde van de regionale kennis en expertise niet terug. Andere ketenpartners ervaren de rol van het MBZ als prettig; door hun expertise kunnen ze goed inschatten of het horen op dat moment mogelijk is. In de praktijk zien we echter dat het horen lang niet altijd mogelijk is, een belasting voor de betrokkene is en weinig informatie oplevert. Het horen leidt dan ook niet tot andere overwegingen voor burgemeesters om al dan niet een crisismaatregel af te geven. Aangezien het horen wettelijk is verankerd, valt er in de praktijk weinig bij te sturen. We raden aan deze ervaringen landelijk (ten behoeve van de landelijke evaluatie) te adresseren.

7.4

Afstemming Wvggz, Wzd en Wfz

Bij de samenloop van verschillende wetten is het van belang dat partijen bereid zijn om samen op te trekken, zodat iemand snel en passend de juiste zorg kan krijgen. Er zijn in de regio op voorhand geen afspraken gemaakt over de samenloop tussen de Wvggz, Wzd en Wfz. Wel zijn een aantal knelpunten hieromtrent gesignaleerd en opgepakt. Zo heeft het MBZ een trekkende rol in het opstellen van werkafspraken tussen het MBZ, gemeenten, het CIZ, het OM en Pro Persona, zodat de afstemming bij dergelijke casuïstiek verbeterd kan worden en mogelijke escalaties kunnen worden voorkomen. Daarnaast is besloten dat het MBZ Wzd-casuïstiek meeneemt in het verkennend onderzoek. Samenwerkingsafspraken tussen uitvoerders van de Wvggz en de Wfz zijn regionaal lastig te maken. De uitvoeringsproblemen in de samenloop van deze wetten zijn landelijk bekend.

Het is belangrijk dat betrokken partijen aansluiten bij regionale overleggen omtrent de Wvggz, inclusief het CIZ. Ook moeten er samenwerkingsafspraken bestaan over hoe om te gaan met verantwoordelijkheden voor groepen die net tussen de wetten vallen. Het verruimen van de opdracht van het MBZ is hier een mooi voorbeeld van.

7.5

Ketensamenwerking en overlegstructuren

Het implementeren en uitvoeren van de Wvggz betekent voor ketenpartners nieuwe samenwerkingsafspraken en overlegstructuren. Er is een goede basis gelegd voor regionale samenwerking en er is een ketenplan opgesteld. In de praktijk wijzen partijen soms echter nog naar elkaar en lopen partijen tegen knelpunten aan. Zo blijkt het voor

37

ketenpartners lastig dat gemeenten verschillende werkwijzen hanteren. Daarnaast ervaren verschillende partijen een terughoudendheid om een melding in het kader van de Wvggz te doen. Redenen hiervoor hebben doorgaans te maken met spanning op de vertrouwensband tussen hulpverlener en betrokkene en spanning wat de uitkomst van een verkennend onderzoek voor betrokkene. We raden daarom aan om overzicht te creëren in de te doorlopen routes en de verantwoordelijkheden van ketenpartners te verduidelijken. Dit kan worden meegenomen in de communicatie over het MBZ. Tot slot is het aan te bevelen om kritisch te blijven kijken naar een overzichtelijke overlegstructuur, waarbij alle partijen voldoende betrokken zijn, evenals het CIZ en de PVP.

7.6

Aanbevelingen

In ieder hoofdstuk zijn een aantal aanbevelingen gedaan. Hieronder worden de aanbevelingen per hoofdstuk samengevat.

Doelen van de Wvggz (hoofdstuk 2): a.

Zorg voor een beweging van een onbewuste afweging naar een bewuste afweging: Het helpt om thema’s als het opstellen van een eigen plan van aanpak, het inzetten van verplichte ambulante zorg en aandacht voor maatschappelijke deelname te agenderen op de regionale periodieke overleggen én binnen de overleggen binnen de verschillende organisaties, zodat er meer bewustzijn voor deze uitgangspunten ontstaat.

b.

Maak afspraken over welke informatie het zorgplan zou moeten bevatten: Zorgaanbieders zouden samen met de GGD en de gemeente afspraken kunnen maken over welke informatie het zorgplan zou moeten bevatten op het thema maatschappelijke voorwaarden en deelname. Wanneer wordt afgesproken welke vragen hierbij leidend zijn, kan er beter inzicht verkregen worden in de situatie en de ondersteuningsbehoefte.

Meldfunctie, verkennend onderzoek en aanvraag zorgmachtiging (hoofdstuk 3): a.

Besteed aandacht aan de communicatie over het MBZ: In de communicatie over het MBZ richting burgers kan onder andere aandacht worden besteed aan wat het MBZ is en hoe meldingen worden afgehandeld. In de communicatie naar professionals is het raadzaam om aandacht te besteden aan de verschillen tussen de Wzd en de Wvggz en waar meldingen hierover kunnen worden gedaan.

b.

Onderzoek de mogelijkheden om mensen in beeld te houden die tussen wal en schip dreigen te vallen: De medewerker van het MBZ die het verkennend onderzoek uitvoerde, mag niet zomaar toeleiden naar een andere vorm van zorg. Ondertussen zijn hier afspraken over gemaakt, namelijk dat de gemeente overlegt met MBZ of zij de regie overneemt als het VO niet leidt tot een zorgmachtiging. We raden aan om deze afspraken scherper neer te zetten en ervoor te zorgen dat deze afspraken duidelijk gecommuniceerd worden, zodat alle medewerkers van het MBZ deze afspraken kennen en hiertoe kunnen handelen.

c.

Behoud de taak van het aanvragen van de zorgmachtiging bij de gemeente: Ondanks de wisselende meningen over waar het aanvragen van de zorgmachtiging belegd moet worden (bij het MBZ of bij de gemeente), raden we aan deze taak bij de gemeente te laten. Daarbij is het belangrijk om de werkafspraken over de termijn van één werkdag voor het doorzetten én het terugkoppelschema nauw te volgen.

Crisismaatregel (hoofdstuk 4): a.

Adresseer de huidige knelpunten en aanbevelingen ten aanzien van de uitvoering van het horen op landelijk niveau. De wet biedt geen mogelijkheid om het horen op een andere manier in te vullen. Gezien de lopende wetsevaluatie is het aan te bevelen de huidige knelpunten en ervaringen op landelijk niveau te adresseren.

b.

Verken de mogelijkheden rondom de hoorservice van Khonraad. Het MBZ ervaart het horen als een organisatorische belasting, waarbij de meerwaarde van de expertise van (HBO-geschoolde) medewerkers onvoldoende uit de verf komt omdat er een strak script wordt gevolgd. Het valt te onderzoeken of de hoorservice van Khonraad een (goedkoper) alternatief kan bieden.

c.

Onderzoek de borging van de inhoudelijke invulling van het horen op een andere plek in het proces. Het is denkbaar om de inhoudelijke invulling van het horen op een andere plek in het proces te borgen: denk aan meer aandacht voor het invullen van de zorgkaart en het betrekken van de zorgkaart in de afweging rondom het afgeven van de crisismaatregel. Het betrekken van de PVP bij het regionaal periodiek overleg Wvggz (één of

38

twee keer per jaar) om ervaringen van betrokkenen te bespreken of het meenemen van de wensen van de betrokkene (en naasten) bij de voortzetting van de crisismaatregel (VCM). Afstemming Wvggz, Wzd en Wfz (hoofdstuk 5): a.

Betrek alle partijen bij regionale overleggen omtrent de Wvggz. Het CIZ wordt op dit moment gemist en de aanbeveling is om het CIZ in het vervolg nadrukkelijk te betrekken bij het maken van regionale afspraken.

b.

Maak samenwerkingsafspraken over de rol en verantwoordelijkheden bij een ‘tussengroep’ die door het management/bestuur worden gedragen. Dit maakt dat professionals voelen dat zij ruimte krijgen om soms net buiten de opdracht of lijntjes om te mogen handelen. Een mooi voorbeeld is de verbreding van de scope van het verkennend onderzoek door het MBZ.

c.

Zoek samenwerking in landelijke gremia. Het kan helpen om in landelijke gremia na te gaan op welke manier andere regio’s met dergelijke casussen omgaan en hier werkafspraken op te baseren.

Ketensamenwerking en overlegstructuren (hoofdstuk 6): a.

Verminder de ‘angst’ en terughoudendheid bij het aanvragen van een verkennend onderzoek en/of zorgmachtiging. Creëer overzicht in de te doorlopen routes, maak daarbij duidelijk welke ketenpartner wat kan betekenen en benadruk dat de uitkomst niet per definitie opname betekent.

b.

Besteed aandacht aan de samenwerking met het CIZ rondom de lvb-doelgroep. Maak duidelijke werkafspraken en betrek het CIZ bijvoorbeeld eens bij een overleg waar de lvb-doelgroep besproken wordt.

c.

Wees transparant naar alle ketenpartners over waar een betrokkene zich bevindt in het proces. Het is voor ketenpartners niet altijd duidelijk waar in het proces een aanvraag is. De wet biedt weinig mogelijkheden om transparantie te bieden, maar deze behoefte is er wel. Het is aan te bevelen om (eventueel via landelijke gremia) na te gaan welke mogelijkheden de wet hiertoe biedt.

d.

Voorkom stroperigheid in de overlegstructuur. De ketenpartners zijn bekend met de overleggen die ze zelf bijwonen, maar het ontbreekt nog aan een overzichtelijke overlegstructuur met bijhorende doelstellingen. Het is goed om de overleggen die oorspronkelijk bedoeld zijn voor de implementatie van de Wvggz te beëindigen op het moment dat de basis voldoende staat of de doelstelling van het overleg aan te passen op signalen bij de uitvoering van de Wvggz. Hierbij is het belangrijk dat continu gekeken wordt of de ketenpartners voldoende betrokken blijven zonder ze te overvragen of overbodig aan te laten sluiten bij overleggen.

e.

Benut de ervaringskennis van de patiëntvertrouwenspersoon. De PVP beschikt over waardevolle informatie hoe betrokkenen de onvrijwillige zorg en hun rechtspositie ervaren. Wij adviseren de PVP vanuit deze signaalfunctie nauwer te betrekken bij bestaande samenwerkingsverbanden. Denk bijvoorbeeld aan één tot twee keer per jaar uitnodigen van de PVP bij het regionaal periodiek overleg Wvggz.

f.

Heb oog voor gemeenten binnen de regio Gelderland-Zuid die (nog) weinig of geen ervaring hebben met de Wvggz

39

A. Overzicht onderzoeksvragen A.1

Procesevaluatie a.

Hoe verloopt het horen bij de crisismaatregel? i.

Hoe verloopt de samenwerking tussen MBZ en ketenpartners?

ii.

Heeft het beleggen van het horen bij MBZ (voldoende) meerwaarde t.o.v. alternatieven?

iii.

Op welke wijze en op basis van welke overwegingen nemen burgemeesters en vervangend wethouders een crisismaatregel en tegen welke dilemma’s lopen zij aan?

b.

Hoe verloopt de uitvoering van de meldfunctie? i.

Hoe verloopt de uitvoering van de meldfunctie en zijn er verbeterpunten t.a.v. de communicatie over de mogelijkheid om Wvggz-meldingen in te dienen bij MBZ en de afhandeling/triage van de melding?

ii. c.

Is de meldfunctie op passende wijze bij MBZ belegd?

Hoe verloopt de uitvoering van het verkennend onderzoek en de aanvraag zorgmachtiging? i.

Zijn er verbeterpunten ten aanzien van de uitvoering van het Verkennend onderzoek en het aanvragen van de Zorgmachtiging bij de Officier van Justitie door de gemeente?

ii.

Is het Verkennend onderzoek op passende wijze bij MBZ belegd?

iii.

Wat zijn de voor- en nadelen van het aanvragen van een Zorgmachtiging bij het OM o.b.v. het Verkennend onderzoek door de gemeente in vergelijking met de situatie dat deze taak wordt gemandateerd aan MBZ/GGD (zoals in Gelderland-Midden gebeurt)?

iv.

Wat is gewenst t.a.v. de ambtshalve route voor een Zorgmachtiging d.w.z.de mogelijkheid voor zorgaanbieders om rechtstreeks een aanvraag voor een Zorgmachtiging in te dienen bij het OM (zonder Verkennend onderzoek). Tot nu toe is dit beperkt tot GGZ-instellingen conform de werkwijze onder de BOPZ (m.n. Pro Persona en IrisZorg). Is het gewenst deze optie uit te breiden naar meer zorgaanbieders, zo ja, wat zijn hierbij een geschikte werkwijze en criteria?

d.

Hoe functioneert het regionaal periodiek overleg? i.

Functioneert het regionaal periodiek overleg Wvggz in Gelderland-Zuid naar tevredenheid en wat zijn eventuele verbeterpunten t.a.v. bijvoorbeeld agendering en samenstelling?

ii.

Ter voorbereiding op het regionaal periodiek overleg komt een intergemeentelijke en ketenwerkgroep bijeen - zijn er verbeterpunten t.a.v. deze overleggen?

A.2

Effectevaluatie a.

Inspraak betrokkene i.

Wat waren de ervaringen van betrokkenen met de crisismaatregel in 2020, waaronder het horen?

ii.

Gebruiken rol patiëntvertrouwenspersoon?

iii.

Gebruik en rol advocaat?

iv.

Opstellen eigen plan van aanpak en afwending verplichte zorg (in fase opstellen zorgplan) – hoe vaak gebruik van gemaakt?

b.

v.

Hoe vaak was een zorgkaart opgesteld en wat zijn de ervaringen hiermee?

vi.

Hoe vaak was een zelfbindingsverklaring opgesteld en wat zijn de ervaringen hiermee?

vii.

Welke knel- en verbeterpunten zijn er t.a.v. dit doel?

Inspraak familie/naasten i.

Aantal keren dat naasten een melding in het kader van Wvggz hebben gedaan bij de GGD?

ii.

Hoe ervaren naasten in Gelderland-Zuid de nieuwe Wvggz?

iii.

Is meer (publieke) communicatie gewenst over de mogelijkheid voor naasten om een Wvggz-melding te doen? Zo ja, op welke wijze zou deze communicatie, in afstemming met eventuele landelijke communicatie, het beste kunnen plaatsvinden?

iv.

Welke knel- en verbeterpunten zijn er t.a.v. dit doel?

40

c.

Ambulantisering i.

Hoe vaak verplichte ambulante behandeling i.p.v. verplichte opname toegepast?

ii.

Wat is de gemiddelde lengte van een opname o.b.v. de Wvggz, ook in vergelijking tot de opnamelengte onder de BOPZ?

iii.

Hoe staat het met de beschikbaarheid van (beveiligde) bedden bij een gedwongen opname; hoe vaak kon iemand bij een gedwongen opname (o.b.v. een crisismaatregel of zorgmachtiging) niet (meteen) geplaatst worden binnen of buiten Gelderland-Zuid?

iv. d.

Welke knel- en verbeterpunten zijn er t.a.v. dit doel?

Aandacht voor deelname maatschappij i.

Aandacht voor participatie en wonen in zorgplannen, afstemming tussen GGZ en gemeenten/sociaal domein over zorgplannen?

ii.

Sluiten de zorgplannen aan bij de complexe (bemoeizorg)doelgroep en leidt de Wvggz tot grotere effectiviteit van bemoeizorgtrajecten?

iii.

Hoe ervaren betrokkenen het proces van het opstellen van zorgplannen?

iv.

In hoeverre zijn naasten betrokken bij het opstellen van zorgplannen en hoe hebben naasten het proces ervaren?

v. e.

Welke knel- en verbeterpunten zijn er t.a.v. dit doel?

(Keten/netwerk)samenwerking tussen partners i.

Hoe verloopt de samenwerking tussen ketenpartners t.a.v. de Wvggz?

ii.

Welke rol vervult het Veiligheidshuis en het TOPx(plus)-overleg in deze samenwerking?

iii.

Zijn de verantwoordelijkheden per fase goed belegd (m.n. bij de zorgmachtiging en tussentijdse wijziging van situatie van betrokkene)?

iv.

Hoe verloopt de afstemming tussen de Wvggz, Wzd en Wfz?

v.

Hoe verloopt de regionale samenwerking en afstemming tussen gemeenten?

vi.

Op welke wijze gebruiken de (vaste) ketenpartners het opgestelde ketenplan Wvggz Gelderland-Zuid en in hoeverre is dit plan behulpzaam bij de samenwerking?

vii. f.

Welke knel- en verbeterpunten zijn er t.a.v. dit doel?

Meten van de outcome. Data-uitvraag met betrekking tot: i.

ii.

Data rondom crisismaatregel: -

Aantal IBS 2018 - 2019 i.v.t. aantal CM Wvggz en IBS WZD 2020.

-

Aantal verlengde crisismaatregelen.

-

Aantal beëindigde verplichte zorgtrajecten.

-

% horen.

Data rondom zorgmachtigingen: -

-

Aantal zorgmachtigingen op verzoek van: a.

GGZ-instellingen.

b.

Forensische instellingen.

c.

Huisartsen.

d.

andere zorgverlener.

e.

Politie.

f.

OM (ambtshalve).

Hoe vaak komt verplichte somatische zorg o.b.v. de Wvggz voor in Gelderland in vergelijking tot andere regio’s?

-

-

Aantal zorgmachtigingen o.b.v. melding bij MBZ/GGD (zie onderstaand processchema): a.

Aantal meldingen i.v.t. de begroting.

b.

Aantal Verkennend onderzoeken i.v.t. de begroting.

c.

Aantal aanvragen zorgmachtigingen (ZM) door gemeente bij OM.

d.

Aantal verzoekschriften OM bij rechter.

e.

Redenen beëindiging aanvraag ZM.

Aantal beëindigde verplichte zorgtrajecten.

41

i.

Prognose zorgmachtigingen 2022: -

Prognose aantal zorgmachtigingen vanaf 2022 o.b.v. regionale en landelijke cijfers.

42

B. Terugkoppelschema VO Dit schema wordt gebruikt in de regio Gelderland-Zuid. Hier zijn door ons geen inhoudelijke aanpassingen aan gedaan.

VO naar Gemeente (2 weken)

Negatief

Positief

B&W informeert VO schrijver.

B&W informeert alleen essentiële naasten als die de

GGD (VO schrijver) informeert betrokkene

melder is.

en melder (format). Moet toestemming van

B&W informeert GGD (VO schrijver) bij alle andere

betrokkene krijgen om melder te

melders

informeren!

GGD (VO schrijver) informeert betrokkene en overig (niet essentiële) melder. Alleen met toestemming van betrokkene! B&W kan MBZ vragen zorg op te pakken (mondeling of mail). MBZ zet deze in APOLLO.

VO naar OM

Negatief

Positief

OM zet door naar GGZ.

OM informeert B&W.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/402/documents/8263