CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

IN081-Bijlage-Heuff-terrein-Toelichting.pdf

Lijst ingekomen stukken 26 september 2023, gemeente West BetuweBij agendapunt: C: C Informatie vanuit het college van B&W31.207 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De aanwezige risico's ten gevolge van de transportroutes dienen door het bevoegd gezag afgewogen te worden middels de beschouwing van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Vastgesteld kan worden dat het plangebied niet binnen het invloedsgebied van de A15 ligt. Op basis van het voorgaande vormt het milieuaspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen. De aanwezige risico's ten gevolge van de transportroutes dienen door het bevoegd gezag afgewogen te worden middels de beschouwing van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Rampenbestrijding en zelfredzaamheid Het transport van gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied kan leiden tot een ongeval welke gevolgen kan hebben voor het plangebied. Vanaf de Waal dient er rekening gehouden te worden met de scenario's plasbrand, koude Bleve, wolkbrandexplosie, fakkelbrand en een toxische wolk. Dat laatste scenario is ook van toepassing voor de Betuweroute en de A15. Om de gevaren te beperken dienen de inwoners te weten hoe ze moeten handelen wanneer één van de scenario's zich voordoet. Daarnaast kunnen er voorzieningen getroffen worden om de rampenbestrijding en de zelfredzaamheid te bevorderen. In het kader van zelfredzaamheid kan gedacht worden aan schuilmogelijkheden, voldoende vluchtroutes en handmatig afsluitbare ventilatie.

In het kader van de rampenbestrijding dienen er voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig te zijn en dient de bereikbaarheid op orde te zijn. Tevens is risicocommunicatie en alarmering van belang. 4.6.4

Preadvies Veiligheidsregio Gelderland-Zuid

De Veiligheidsregio heeft bij brief van 21 oktober 2021 advies uitgebracht ten behoeve van de rampbestrijding en zelfredzaamheid voor dit bestemmingsplan. In het kader van het Instrument Ruimtelijke Veiligheid is gekeken naar de volgende aspecten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

- Gezondheid - Externe Veiligheid - Hoogwater - Evenementen - Bereikbaarheid en opkomsttijden - Verkeer - Natuurbrand.

De uitkomsten van het preadvies worden hieronder behandeld. Aanvullend op het preadvies is eveneens

Heuff-terrein

50

in onderstaand verhaal een beperkte verantwoording van het groepsrisico als gevolg van de Betuwerroute opgenomen. 1. Gezondheid Het plangebied is niet nader beoordeeld op de gezondheidskundige impact op het gebied. 2. Externe Veiligheid Vastgesteld is dat in de nabijheid van het plangebied de volgende relevante risicobronnen aanwezig zijn. Hierbij is meteen vermeld of deze al dan niet binnen de invloedssfeer van de risicobron vallen: Buiten het invloedsgebied van een Bevi-bedrijf; Buiten het invloedsgebied van een andere stationaire risicobron; Binnen het invloedsgebied van een basisnetroute water, spoor en weg te weten: de rivier de Waal, en de Betuweroute. Buiten het invloedsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding. Verantwoording groepsrisico Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een GR-berekening en uitgebreide verantwoording alleen nodig bij ruimtelijke plannen binnen 200 m vanaf de buitenrand van een transportroute, waarbij het GR groter is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde én de toename groter is dan 10% of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

Uit paragraaf 1.4.2 van de bijlage bij de “Handleiding Risicoanalyse Transport” (HART) blijkt dat het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde wanneer de personendichtheid binnen 200 meter van de oever groter is dan 500 personen per ha en tevens het aantal tankschepen met LT2 (toxische vloeistoffen) of GT3 (toxische gassen) groter is dan 1000 per jaar. Door de toevoeging van vijf woningen (inmiddels 4 woningen) zal het boven genoemde personenaantal per hectare niet worden overschreden, waardoor slechts een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Plasbrandaandachtsgebied op de Waal Naast de verantwoording van het groepsrisico is ook het plasbrandaandachtsgebied een aandachtspunt. Volgens het Bevt moeten langs relevante vaarwegen vrijwaringszones worden aangehouden. Deze vrijwaringszone is aangegeven in art. 2.1.2. van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Langs de Waal heeft de zone een breedte van: 25 m aan weerszijden van de begrenzingslijn van de rijksvaarweg; 50 m aan weerszijden van de begrenzingslijn binnen een afstand van 300 m van een vaarwegsplitsing of havenuitvaart. Bij het toelaten van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten (zoals de woningen) binnen deze zone moet in een omgevingsbesluit worden ingegaan op de redenen hiervoor, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.

Indien de bouw of aanpassing van een (beperkt) kwetsbaar object binnen deze zone is toegelaten, gelden op grond van het Bouwbesluit 2012 en de bijbehorende ministeriële regeling extra bouwvoorschriften. De maatregelen die binnen een plasbrandaandachtsgebied getroffen moeten worden zijn te vinden in paragraaf 2.3. Veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied van Bouwbesluit 2012 (artikel 2.5 t/m 2.9). Vanwege het toxische scenario dient ook aan artikel 2.10 te worden voldaan. Daarmee kan een toxische wolk op een relatief eenvoudige manier buiten het gebouw worden gehouden. Met het plasbrandaandachtsgebied hoeft men dus per definitie geen rekening te houden, indien men op meer dan 50 meter van de vaarweg bouwt. Gezien het uitzonderlijke karakter van dit project (bouwen in overstroombaar gebied) dient men zich echter wel te realiseren dat bij hoogwater een eventuele brandbare vloeistofplas het woongebied wel (makkelijker) kan bereiken. Op basis van artikel 10 van het Besluit externe veiligheid transportroutes moet een bestuurlijke afweging gemaakt worden over het plasbrandrisico en het bouwen binnen deze zonering. Het invloedsgebied1 van de rivier is ca.

1500 meter aan weerszijde en binnen dit gebied moet bij ruimtelijke ontwikkelingen conform het Besluit externe veiligheid transportroutes het groepsrisico worden verantwoord (in ieder geval dient stilgestaan te worden bij de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid). Hierop wordt hieronder nader ingegaan.

Heuff-terrein

51

Naast het plasbrandrisico spelen er dus ook andere externe veiligheidsrisico’s, namelijk een toxisch scenario (ontsnapping van een giftig gas of giftige vloeistof door een ongeval met een binnenvaartschip) en een explosief scenario (explosie van brandbaar gas op een binnenvaartschip). Als bron voor de beschrijving van onderstaande scenario’s en de daarop volgende geadviseerde maatregelen is het Scenarioboek Externe Veiligheid gebruikt. Bestrijdbaarheid scenario's op de Waal Voor alle scenario’s op de Waal geldt dat bronbestrijding in principe alleen door middel van inzet van blusboten op de Waal kan plaatsvinden. De veiligheidsregio Gelderland-Zuid beschikt over twee van dergelijke boten die gestationeerd zijn in Tiel en in Nijmegen. De regio Zuid-Holland Zuid heeft daarnaast nog een blusboot in Dordrecht liggen. Per definitie geldt dat externe veiligheidsscenario’s zich over het algemeen onverwacht en snel voltrekken. Het zal enige tijd duren voordat de blusboten ter hoogte van het incident inzetbaar zijn. Men moet er dan ook rekening mee houden dat een incident al geëscaleerd is, voordat de boten ingezet kunnen worden. Voor bestrijding van de gevolgen van externe veiligheidsscenario’s in het effectgebied is bij de brandweer voldoende materieel voorhanden.

Wel moet men er rekening mee houden dat bij schadebeperkende inzet in het effectgebied over het algemeen (zoals hierboven beschreven) al sprake is van escalatie en dat (bij alle beschreven scenario’s) er slachtoffers kunnen vallen, waarbij er zeker in het eerste uur, mogelijk onvoldoende ambulancecapaciteit is om zwaar gewonden af te voeren. Zelfredzaamheid incidenten op de Waal In het plangebied worden woningen en een gebied voor recreatief medegebruik gerealiseerd. In algemene zin zal het merendeel van de gebruikers van het plangebied zelfredzaam zijn. In het grootste deel van het plangebied kan men direct van het risico (de vaarweg) weg vluchten (in noordelijke richting). Vluchten speelt overigens met name bij een dreigende escalatie van een incident met gevaarlijke stoffen en dan met name bij explosie- en plasbrandscenario’s (zie hieronder). Indien er al sprake is van brand, dan zal men moeten schuilen achter bouwwerken of in (de schaduw van) bouwwerken vluchten. 1. Zelfredzaamheid: Incidenten met brandbare gassen Het maatgevende scenario voor brandbare gassen is een zogenaamde koude BLEVE, (explosie van met hoge druk uitstromend gas) waarbij een grote hoeveelheid gas door beschadiging van het schip ontsnapt en direct ontsteekt. Bij explosieve scenario’s geldt dat, bij een incident binnen 200 meter van een gebouw, het gebouw zelf niet standaard voldoende bescherming biedt.

Zowel de overdruk als de brandende gaswolk zullen gebouwen binnen die zone van 200 meter zeer zwaar beschadigen, waarbij slachtoffers zullen vallen. 2. Zelfredzaamheid: Incidenten met brandbare vloeistoffen Het maatgevend scenario voor brandbare vloeistoffen is een plasbrand: er ontsnapt een grote hoeveelheid brandbare vloeistof die een drijflaag op het water vormt en ontsteekt. Bij plasbranden geldt dat, zonder aanvullende maatregelen, binnen een afstand van 40 meter van de plasbrand gebouwen binnen zeer korte tijd zullen gaan branden (hittestraling is hoger dan 35 kW/m2). Tussen 40 en 70 meter biedt een gebouw nog enige tijd bescherming, maar als de brand langere tijd duurt zal het pand (zonder aanvullende voorzieningen) alsnog gaan branden. Afhankelijk van de ligging van het gebouw en de locatie van het incident is binnen schuilen of in de schaduw van een gebouw vluchten het te volgen handelingsperspectief. 3. Zelfredzaamheid: Incidenten met toxische vloeistoffen en gassen Voor toxische scenario’s is het in principe raadzaam om in eerste instantie ramen en deuren en ventilatieopeningen te sluiten en mechanische ventilatie af te schakelen en vervolgens advies van hulpdiensten af te wachten.

Nieuwbouwwoningen zijn dermate goed geïsoleerd dat het uitgangspunt is dat beginsel een voldoende mate van bescherming wordt geboden tegen het binnendringen van toxische gassen bij een dergelijk scenario. Spoortracé Betuweroute De andere risicobronnen in de nabijheid van het plangebied is het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Betuweroute. Er is aanleiding om voor de Betuweroute een beperkte verantwoording

Heuff-terrein

52

van het groepsrisico op te nemen. Groepsrisico Betuweroute Transportroutes Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 6 december 2022 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "zeer kwetsbaar gebouw", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. In de planregels is daarbij een verplichting opgenomen dat de aan te brengen mechanische ventilatievoorziening met 1 druk op een knop moet kunnen worden afgeschakeld. Conclusie verantwoording groepsrisico Betuweroute. Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute.

Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid. Het plan is ten aanzien van het aspect externe veiligheid uitvoerbaar. 3. Hoogwater: Zoals aangegeven varieert de hoogteligging van het terrein. Het Heuff-terrein is door het Rijk aanwezen als locatie voor het Experiment Met Aangepast Bouwen (EMAB). Het plangebied ligt in het overstromingsgebied van de Waal. Woningen en paden voor langzaam verkeer zullen op een niveau worden gebouwd met een gevarieerde overstromingsfrequentie, conform Tabel 1 van het document “Voorlopig Ontwerp Inrichtingsplan – juli 2020” Bijlage 14. 4. Evenementen: In het plangebied zijn geen evenemententerreinen voorzien 5. Bereikbaarheid en opkomsttijden: Het plangebied is voor de brandweer binnen de opkomsttijd van 8 minuten te bereiken. Bij ontsluiting van de woningen is het belangrijk dat alle panden bereikbaar zijn voor hulpverleningsdiensten; in principe

Heuff-terrein

53

langs 2 onafhankelijke routes. In beginsel moet conform Bouwbesluit de (brandweer)ingang van een woning tot op 40 meter benaderbaar zijn voor hulpverleningsvoertuigen. Doodlopende einden dienen daarbij zoveel mogelijk vermeden te worden. Indien hier toch sprake van is dan dient een keervoorziening voor de voertuigen gerealiseerd te worden. Bluswatervoorziening dient volgens het Bouwbesluit binnen 40 meter van een opstelplaats van een brandweervoertuig gerealiseerd te worden. Dit moet een primaire of secundaire bluswatervoorziening zijn. De uitgangspunten voor een secundaire bluswatervoorziening zijn in bijlage 2 opgesomd. Het open water van de Waal is niet aangemerkt als bluswatervoorziening (tertiaire bron). Alle bovengenoemde punten gelden uiteraard ook bij hoogwater. 6. Verkeer: Er worden geen voorzieningen getroffen met grote verkeersaanzuigende werking. Voor de realisatie van het gebied dat bestemd is voor recreatief medegebruik adviseren wij voldoende parkeerruimte te realiseren. Dit om te voorkomen dat de bereikbaarheid van de woningen wordt belemmerd. 7. Natuurbrand: Het plangebied wordt niet bedreigd door natuurbranden.

4.6.5

Advies Veiligheidsregio

De Omgevingsdienst Rivierenland heeft op basis van het voorontwerp van het bestemmingsplan advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. De regio heeft bij brief van 5 december 2022 een reactie gegeven. Een samenvatting hiervan is hieronder weergegeven. De brief is als Bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd. De beoordeling van de Veiligheidsregio resulteert in de volgende punten: 1. Voor externe veiligheid zijn alleen de Waal en de Betuweroute relevant. De A15 is niet relevant vanwege de grotere afstand tussen de A15 en de planlocatie; 2. De Veiligheidsregio gaat akoord met het toepassen van de tekst voor het spoortracé de Betuweroute inzake het Besluit externe veiligheid transportroutes; 3. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en (vooral) rivier de Waal is een installatietechnische maatregel een centraal afschakelbare ventilatie voor de bouwwerken in het plangebied gezien de korte afstand een vereiste. Deze maatregel staat vermeld als maatregel bij de paragraaf 'zelfredzaamheid incidenten met toxische vloeistoffen en gassen'; 4. De uiterwaardewoningen liggen binnen het plasbrandaandachtsgebied (25 meter). Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen om de effecten van een plasbrand te voorkomen. Deze maatregelen staan in paragraaf 2.3 artikel 2.5 tot en met 2.9 van het Bouwbesluit 2012.

Geadviseerd wordt deze maatregelen ook binnen de regels op te nemen ter borging; 5. Voor wat betreft de begrenzingslijn plasbrandaandachtsgebied van de Waal ligt de grens niet tussen water en land, maar ruim over het land. Het plasbrandaandachtsgebied wordt bepaald aan de hand van de begrenzingslijn. Afgevraagd wordt of deze begrenzingslijn exact moet worden aangehouden, of dat er vrijheid is om hiervan af te wijken. Geadviseerd wordt om hierover in gesprek te gaan met Rijkswaterstaat. Planspecifiek Op basis van de reactie van de Veiligheidsregio kan puntsgewijs het volgende worden aangegeven: 1. Voor wat betreft het plangebied blijft de A15 verder buiten beschouwing en heeft geen consequenties voor het plan; 2. De Betuweroute heeft verder geen consequenties voor het plan, de veiligheidsregio is akkoord met de verantwoordingstekst, zoals opgenomen in 4.6.4 onder 2, 'Spoortracé Betuweroute' ; 3. De centraal handmatig schakelbaar ventilatiesysteem is meegenomen in het bestemmingsplan en is geborgd binnen de regels bij dit plan; 4. Zie verder bij punt 5.

Heuff-terrein

54

5. Er is contact geweest met Rijkswaterstaat over de begrenzing van het plasaandachtsgebied. Rijkswaterstaat geeft aan dat de naastgelegen Waal onderdeel vormt van het basisnet. Hierbij is het uitgangspunt dat Rijkswaterstaat ervoor moet zorgen dat het plaatsgebonden risico van 10-6 binnen de begrenzing van de vaarweg blijft. Normaliter zou de begrenzing van de vaarweg ook daadwerkelijk de vaarweg zelf volgen. Fysiek zou er geen verschil moeten zijn met andere plekken waar de vaarweg in de Legger rijkswaterstaatwerken wel buiten land blijft en de daadwerkelijke vaarweg volgt. Voorgaande redenering volgend blijft Rijkswaterstaat verantwoordelijk voor de daadwerkelijke vaarweg en is de gemeente voor landzijde het bevoegd gezag. Met de voorgestelde maatregelen, centraal handmatig schakelbaar ventilatiesysteem en het moeten voldoen aan de gestelde in paragraaf 2.3 Veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied, de artikelen 2.5 tot en met 2.9 voor de woningen in de uiterwaarde. Voorgaande is geborgd in de regels bij dit plan.

4.6.6 Beleidsnotitie externe veiligheid West Betuwe 2019 - 2023 In de beleidsnotitie is in artikel 4 van de uitgangspunten aangegeven dat bij het ontwerpen van gebouwen, het inrichten van de omgeving en/of het toelaten van (nieuwe of uitbreiding van bestaande) activiteiten met externe veiligheidsrisico's een aantal principes gelden. Centraal staat kortgezegd, dat eerst gekeken wordt naar de bron, vervolgens naar de omgevingsaspecten, de gebouwmaatregelen en tot slot aanvullende risicocommunicatie. Op grond van de voorgaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat in deze situatie maatregelen aan de nieuw te bouwen woningen zullen plaatsvinden. Deze zijn verankerd in de planregels. Het gaat hierbij om aanvullende regels ten aanzien van het plasbrandaandachtsgebied en om centraal handmatig afschakelbaar ventilatiesysteem bij de uiterwaardwoningen. De regels van het plasbrandaandachtsgebied zijn te vinden in paragraaf 2.3, artikel 2.5 tot en met 2.9 van het Bouwbesluit 2012. Uitgangspunt is verder dat binnen de uiterwaardwoningen naar verwachting geen (zeer) kwetsbare groepen verblijven. De bewoners zullen geinformeerd worden over de relevante externe veiligheidsrisico's, zodat zij weten hoe te handelen in geval van een crisissituatie.

Met het opnemen binnen de regels en communicatie met toekomstige bewoners van de uiterwaardwoningen wordt voldaan aan de uitgangspunten van de beleidsnotitie. 4.6.7

Conclusie Externe Veiligheid

Aan de hand van de vuistregels uit het HART is bepaald dat het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, waardoor een beperkte (bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid) verantwoording verplicht is. De verantwoording van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is meegenomen in het advies van de Veiligheidsregio. De uitgangspunten en/of maatregelen die hierbij zijn vermeld zijn meegenomen in dit plan. Uitgaande van het voorgaande en rekening houdend met de genoemde te nemen maatregelen, dan vormt dit bestemmingsplan geen belemmering vanuit het aspect externe veiligheid.

4.7

Bodem

Wettelijk kader In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens dan wel door het uitvoeren van bodemonderzoek indien er geen bodemgegevens beschikbaar zijn of de beschikbare gegevens ontoereikend zijn. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet

Heuff-terrein

55

bestaan van een saneringssituatie. Planspecifiek Op het Heuff-terrein zijn de onderstaande onderzoeken uitgevoerd: Ontwikkeling Heuff-terrein, Referentie: BE6864-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001, datum: 1 april 2020 (Bijlage 3). Heuff-terrein: milieuhygiënisch bodemonderzoek voor vaststellen mogelijkheden asverlegging dijk, Referentie: BE6864TPRP2009221622, datum: 12 november 2020 (Bijlage 4). Heuff-terrein: milieuhygiënisch bodemonderzoek voor vaststellen mogelijkheden ontwikkeling terrein, Referentie: BE6864TPRP2009210927, datum: 12 november 2020 (Bijlage 5). Uit de hiervoor genoemde onderzoeken is gebleken dat voor delen van het Heuff-terrein onvoldoende informatie is verkegen om een goed ontwerp te kunnen maken. Reden voor een nader onderzoek: GoWa Heuffterrein Zomerdijk, referentie: BE6864-MI-RP-221209-0803, datum: 19 december 2022 (Bijlage 6). Uit de onderzoeken kunnen de volgende voor het bestemmingsplan relevante conclusies getrokken worden: Dijkwoningen: De dijkwoningen worden gebouwd boven de nog te versterken dijk. De dijk wordt ter plaatse versterkt met grond van bodemkwaliteitsklasse 'wonen'. Daarmee is de dijk ter plaatse geschikt voor de functie wonen voor wat betreft de bodemkwaliteit .

De versterkte dijk wordt daarnaast aangelegd buiten locaties waar ernstige verontreiniging voorkomt, ook de ter plaatse aanwezige voormalige stortplaats wordt gemeden (bron: bestemmingsplan Dijkversterking Gorinchem - Waardenburg, vastgesteld d.d. 26 januari 2021). Dit betekent dat ook de dijkwoningen worden aangelegd buiten deze gebieden. Uiterwaardwoningen: Op de toekomstige bouwlocaties zitten bodemvreemde materialen als baksteen, asfalt en landbouwplastic in de grond. De mate waarin deze aanwezig zijn verschilt van een bijmenging tot een afzonderlijke laag. Met deze bodemvreemde materialen is de grond niet herbruikbaar en niet geschikt voor wonen. Geadviseerd wordt de grond te zeven om de bodemvreemde materialen eruit te kunnen halen. Verwacht wordt dat de grond die achterblijft herbruikbaar is en van voldoende kwaliteit zal zijn voor de gebruiksfunctie wonen. Onderzoek naar het zeven van de grond en onderzoek naar de milieuhygiënische bodemkwaliteit zal in een later stadium worden uitgevoerd. Uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is op dit punt verzekerd doordat initiatiefnemer verantwoordelijk is voor alle mogelijk te maken kosten aangaande onderzoek en mogelijke maatregelen dan wel saneringen. Volkstuinencomplex: Op de toekomstige bouwlocaties zitten bodemvreemde materialen als baksteen, asfalt en landbouwplastic in de grond.

De mate waarin deze aanwezig zijn verschilt van een bijmenging tot een afzonderlijke laag. Met deze bodemvreemde materialen is de grond niet herbruikbaar en niet geschikt voor het verbouwen van gewassen. De grond zal ter plaatse afgegraven worden en vervangen worden door een nieuwe bouwvoor (tuinbouwgrond). Afhankelijk van de diepte kan het alsnog nodig zijn een aanvullend onderzoek volgens NEN5740 uit te voeren, evenals een onderzoek naar PFAS. Indien nodig worden deze onderzoeken uitgevoerd alvorens vergunningen aangevraagd worden voor het inrichten als volkstuinencomplex. Uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is op dit punt verzekerd doordat initiatiefnemer verantwoordelijk is voor alle mogelijk te maken kosten aangaande onderzoek en mogelijke maatregelen dan wel saneringen. Overige ruimtelijke ingrepen zoals de aanleg van paden, watergangen en duikers: In de huidige zomerdijk en op de toekomstige bouwlocaties zitten bodemvreemde materialen als baksteen, asfalt en landbouwplastic in de grond. De mate waarin deze aanwezig zijn verschilt van een bijmenging tot een afzonderlijke laag. Met deze bodemvreemde materialen is de grond niet herbruikbaar. Geadviseerd wordt de grond te zeven om de bodemvreemde materialen eruit te kunnen halen. De grond die achterblijft is waarschijnlijk herbruikbaar, dit zal middels een bodemonderzoek worden vastgesteld.

Conclusie: De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor alle mogelijk te maken kosten aangaande onderzoeken en

Heuff-terrein

56

mogelijke maatregelen dan wel saneringen. De (water)bodemkwaliteit vormt, mits rekening wordt gehouden met voorgaand advies, geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.8

Water

Wettelijk kader en inleiding In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De waterbelangen worden onder meer veiliggesteld via de (digitale) watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Oppervlaktewater Bij het bestemmingsplan voor de dijkversterking is gekeken naar de fluctuaties van de Waal in de periode 2000 tot 2016. Daarbij zijn de waterstanden gemeten ter hoogte van Tiel, Zaltbommel en Vuren is weergegeven in onderstaande figuur. De groene lijn geeft de fluctuaties weer ter hoogte van Vuren. Op basis van deze figuur kan worden vastgesteld dat gedurende de gemeten periode de waterstand slechts 1 keer boven de 4,00 m +NAP is gekomen, maar beneden de 5,00 m +NAP is gebleven

Afbeelding 4.2, Waterstanden in de Waal ter hoogte van Tiel, Zaltbommel en Vuren De hoogte van het Heuff-terrein varieert sterk. De laagste delen van het terrein liggen langs de Waaldijk. Het terrein van de voormalige steenfabriek ligt het hoogst. Het Heuff-terrein wordt beschermd tegen het hoogwater door een zomerkade. Na de hoge waterstanden van 1993 en 1995 is deze kade nog eens opgehoogd. De kade zal worden doorbroken aan de westzijde en zuidzijde om een frequentere inundatie mogelijk te maken ten behoeve van ontwikkeling van (hardhout) ooibos. Bewust is gekozen voor situering van de woningbouw op het hoogst dit hoger gelegen deel ter plaatse van de voormalige steenovens. Ter plaatse van de steenovens is het maaiveld gemiddeld 5.30 m + NAP Dat komt overeen met

Heuff-terrein

57

een afvoer bij Lobith van 13.000 m3/sec, met een overschrijdingsfrequentie van 1: 150 jaar. Bij woningen in de uiterwaarden is dit een veel voorkomende overschrijdingsfrequentie. Ter vergelijking: de waterstand was in 1995 bij Vuren 4,81 m +NAP, bij een afvoer van 12.060 m3/s en had een overschrijdingsfrequentie van 1:80. Bij Vuren speelt ook de waterstand op zee mee. Tijdens een storm kan het water opgestuwd worden. Dit effect wordt echter kleiner naarmate de rivierafvoer hoger wordt. De opstuwende werking vanuit zee werkt vooral door als de rivierstand zich ongeveer tussen de 1 en 3 m bevindt, maar niet meer als de stand van de rivier al tot 5 m omhoog is gegaan. De kans dat een waterstand bij 1:150 precies samenvalt met een zware storm is zeer klein en de verwachting is dat de stand dan niet tot boven de 5,3 zal komen. De zeespiegelstijging heeft uiteraard ook nog effect op de toekomstige waterstanden. Naar verwachting stijgt die, afhankelijk van het gekozen scenario, maximaal circa 30 tot 50 cm in de komende 50 jaar. Dat zal bij Vuren vooral invloed hebben op de lage en gemiddelde waterstanden. Bij een maaiveldhoogte hoogte van 5,3 m + NAP, zal het gebied rond de steenovens droog blijven. De invloed van storm op zee is erg klein en zal niet zorgen voor extra waterhoogte bij een 1:150 situatie op de rivier.

Op termijn kan dat wel gaan gebeuren als de zeespiegel verder stijgt, maar ingeschat wordt dat dit de komende 50 jaar bij een verwachte stijging van maximaal circa 50 cm nog niet aan de orde is. Om mogelijke risico's nog verder te reduceren wordt voor het vloerpeil van de woningen 5.60 m + NAP aangehouden. Dit komt volgens de huidige statistiek overeen met een afvoer van 15.000 m³/s. Buitenpolder Het betreft hier een buitenpolder, gronden die in de uiterwaarden van de grote rivieren tussen de winterdijk en de zomerkade liggen. In sommige polders zijn technische voorzieningen aanwezig waardoor het waterschap invloed kan uitoefenen op het volstromen en leeglopen van de buitenpolder. De belangrijkste functie is de berging en afvoer van rivierwater, met name in de winter bij hoogwater. In de buitenpolder van het Heuff-terrein wordt door het waterschap geen actief peilbeheer gevoerd. Watertoets In het kader van de digitale watertoets heeft een afstemmingsoverleg plaatsgevonden op 22 maart 2022. In het overleg is aan de hand van definitief ontwerp gesproken over de exacte getallen voor wat betreft verharding, die verdwijnen en die ontstaan door de planontwikkeling. Ten behoeve van het gesprek is een kaart vervaardigd. Hierop is aangegeven welke hoeveelheid verharding verdwijnt en welke hoeveelheid nieuwe verharding ontstaat door realisering van het plan.

Heuff-terrein

58

Afbeelding 4.3 Vergelijking verharding te verwijderen en nieuw te realiseren verharding en bebouwing op basis van uitwerking in het Voorlopig Ontwerp.

Vastgesteld kan worden dat de verharding van het plangebied juist afneemt door realisering. Globaal neemt de verharding met minstens 80% af. Naar aanleiding van het eerder genoemd afstemmingsoverleg heeft eveneens technisch overleg plaatsgevonden met het Waterschap, aan de hand van de inrichtingsschets. De relevante punten, die directe gevolgen hebben voor het plangebied worden hieronder weergegeven: Voor de dijkwoningen kan het document 'Bouwen op de dijk' als beleidskader worden gehanteerd. Een watervergunning voor realisering zal moeten worden aangevraagd. Duidelijk moet zijn dat gebouwd wordt boven Profiel van vrije Ruimte (PVVR) en de dijkveiligheid niet in het geding hierbij niet in het geding is. Voor wat betreft de uiterwaardwoningen, de woningen aan de zomerkade, kan worden aangegeven dat deze vallen binnen de beschermingszone van de nieuwe legger. Ook voor deze woningen geldt dat ze aan de eisen van het Waterschap moeten voldoen, zoals bouwen boven Profiel voor vrije Ruimte ( de zomerdijk kent geen Profiel voor vrije Ruimte). De taludverflauwing, die deels langs de dijkwoningen komt te lopen, moet op tenminste 4 meter uit de teen van de dijk komen te liggen. Op deze manier blijft de noodzakelijke onderhoudsstrook behouden. Het volkstuinencomplex ligt relatief hoog, maar bevindt zich wel in de beschermingszone van de dijk.

Rekening moet worden gehouden met het leggerprofiel. Uitkomst van het afstemmingsoverleg heeft eveneens geleid tot enkele uitgangspunten voor het plangebied, die normaal worden gegenereerd door het invullen van de digitale watertoets.

Heuff-terrein

59

Bouw woningen Bij de bouw van de woningen en het gebouw op het volkstuinencomplex wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Het hemelwater van de woningen wordt afgekoppeld en wordt bovengronds afgevoerd om vervolgens in de bodem te infiltreren. De woningen worden op het gemeentelijk riool aangesloten. Voor de dijkwoningen geldt dat geen sprake is van drooglegging of grondwateroverlast. De woningen bevinden zich op vrijwel dezelfde hoogte als de kruin van de dijk. De uiterwaard woningen bevinden zich buitendijks op het hoogste gedeelte van het terrein (gemiddeld 5,30 + NAP). Drooglegging zal naar verwachting geen probleem zijn, vergelijk in deze de industriële activiteiten die hier in het verleden hebben plaatsgevonden. Ook wat betreft de grondwaterstand wordt voor de uiterwaard woningen geen problemen verwacht. Bovendien worden de woningen naast het feit dat ze op het hoogste gedeelte van de uiterwaard worden gerealiseerd met een vloerpeil van 5.60 m + NAP gerealiseerd. In de keur van het waterschap is bepaald dat buitendijks bouwen op deze locatie niet is toegestaan. Om in dit geval buitendijks bouwen toe te staan is op 11 april 2023 binnen het waterschap een college van dijkgraven en heemradenbesluit genomen. Aan dit besluit zijn de volgende bijzondere voorwaarden gehecht: 1.

Dijkbekleding: in verband met de dijkveiligheid (erosiebestendigheid) dient het dijktalud (teen tot kruin) ter plaatse van de woningenblokken te worden voorzien van een steenbekleding die ten minste bestaat uit 20 centimeter dikke Basalton blokken, een filterlaag en doek. Detailuitwerking van de steenbekleding dient conform het Beheer- en onderhoudsplan Waterkeringen 2017-2021 Versie 4.1 (15-03-2021) uitgevoerd te worden. 2. Bouwen buiten het profiel van vrije ruimte: de woningen inclusief de vloerplaten (funderingen) dienen buiten het profiel voor vrije ruimte te worden gebouwd. Het profiel voor vrije ruimte is opgenomen in de Legger Primaire Waterkering Project GOWA Dijkpaaltraject Tiel – Gorinchem (TG205. – TG438). Het betreft hier profiel TG393 + 075m. Waterkeringen en watergangen Het plan is gelegen aan de buitendijkse zijde van een waterkering. Dit plan voldoet aan de eisen die het waterschap stelt aan de bescherming van de waterkering. Watergangen zijn niet aanwezig, zodat hierop niet nader hoeft te worden ingegaan. Een beschrijving en de eventuele gevolgen/effecten ervan kunnen achterwege blijven. Koude-warmte-opslag (KWO) in de waterkering en de buitenbeschermingszone van de waterkering is met een watervergunning toegestaan. Aan vergunningverlening zijn voorwaarden verbonden, dit zijn voornamelijk uitvoeringsvoorwaarden.

De vergunningplicht is opgenomen in de beleidsregel Boringen voor bodemenergiesystemen in de waterkering en bijbehorende beschermingszones (inclusief de buitenbeschermingszone) van het waterschap Rivierenland. Hitte Door de ligging in de groene uiterwaarde, het open water en de mogelijkheden van de wind om vrij te waaien is hittestress voor het Heuff-terrein geen grote bedreiging. Er vindt bovendien een afname van verhard oppervlak plaats door de sloop van het Buko-terrrein en de inrichting van datzelfde terrein ten behoeve van natuurontwikkeling. Natuurontwikkeling (afname verharding) leidt tot meer verdamping en zo tot (ver-)koeling. Verder kan worden opgemerkt dat de oppervlakte van de woningen met bijbehorende voorzieningen bovendien kleiner is dan de oppervlakte van het Buko-terrein. Droogte In het Wh scenario is sprake van een potentieel neerslagtekort. In het kort betekent dat de potentiële verdamping meer zal zijn dan de hoeveelheid neerslag die valt, met droogte als gevolg. Aan de hand van de gegevens die volgen uit de klimaateffectenatlas voor het Heuff-terrein, zal in 2050 sprake zijn van een gemiddeld neerslagtekort van 120 – 150 mm/jaar. In onderstaande tabel staan de belangrijkste factoren die zijn verkregen uit de Klimaateffectenatlas.

Potentieel maximaal neerslagtekort (eens per 10 jaar) Potentieel maximaal neerslagtekort (gemiddeld)

Heuff-terrein

Huidige situatie 180 – 210 mm 120 – 150 mm

2050 (Wh-scenario) 270 - 300 mm 180 – 210 mm

60

Neerslag zomerkwartaal 200 – 250 mm 175 – 200 mm Jaarlijkse refenrentieverdamping 550 – 570 mm 610 – 630 mm Afbeelding 4.4 verwachte neerslagtekort en verdamping Heuff-terrein (bron: Klimaateffectenatlas KNMI) Een neerslagtekort kan potentieel negatieve effecten hebben op de kwaliteit van de grond, zo kan denitrificatie en verzilting in de bodem optreden. Droogte (verdroging) kan, zeker in de kleigebieden langs grote rivieren tot zetting van de grond. Oorzaak ligt niet alleen bij een toenemend neerslagtekort, maar ook door de lage rivierwaterstanden. Bij de woningbouw en aan te leggen infrastructuur kan dit voorkomen worden door zettingsvrij te bouwen. Ook andere maatregelen zijn hier mogelijk. Samenwerking en inrichtingsplan De realisering van dit bestemmingsplan is een samenwerking tussen Klop Beheer B.V., Waterschap Rivierenland en de gemeente West-Betuwe. Er is een samenwerkingsovereenkomst afgesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over de wijze van realiseren van gezamenlijke ambities en bijbehorende verantwoordelijkheden. Deze zijn in eerste instantie vertaald naar een VO Inrichtingsplan Bijlage 14 met een uitwerking in onder andere het Beeldkwaliteitsplan en (bouwplanregels in) onderhavige bestemmingsplan. Conclusie: De effecten op het (grond)water zijn niet significant.

Dit geldt ook toekomstige hoge rivierstanden in combinatie met hogere waterstanden en storm op de Noordzee, Het risico daarop is verder gereduceerd door een hoger vloerpeil te hanteren. Met de ontwikkeling binnen dit bestemmingsplan is de waterveiligheid niet in het geding. Gezien vorenstaande kan het bestemmingsplan uitvoerbaar worden geacht ten aanzien van het aspect water.

4.9

Ecologie

4.9.1

Wettelijk kader

De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten.

Gebiedsbescherming Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het NNN, beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk onderdeel van de Wet Natuurbescherming is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is

Heuff-terrein

61

aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dienen de initiatiefnemers een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet. Soortenbescherming Het doel van de Wet natuurbescherming is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. Deze wet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Er bestaan drie beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen beschermde soorten geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de overige beschermde soorten is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten kan enkel afgeweken worden na een uitgebreide toetsing.

4.9.2

Planspecifiek

4.9.2.1 Onderzoek Heuff-terrein Door Bureau Waardenburg is onderzoek gedaan naar de effecten als gevolg van de geplande werkzaamheden op het Heuff-terrein op beschermde soorten. In 2021 heeft Bureau Waardenburg het plangebied geïnventariseerd op vleermuizen, vogels met een jaarrond beschermde nestplaats, ongewervelden (rivierrombout en teunisbloempijlstaart) en grondgebonden zoogdieren (kleine marterachtigen) en de effecten van de werkzaamheden op deze soorten. De uitkomsten zijn verwerkt in een rapport dat als Bijlage 7 bij deze toelichting is gevoegd. Het vleermuizenonderzoek heeft uitgewezen dat de voormalige steenovens een functie hebben als verblijfplaats voor verschillende soorten vleermuizen. De functie als winterverblijfplaats was al bekend uit de wintertellingen. Uit het in 2020-2021 uitgevoerde onderzoek is ook het belang als zomer- en paarverblijfplaats aangetoond voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. De voorgenomen ingreep kan leiden tot aantasting van deze functie als verblijfplaats gedurende de ingreep. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de aanvliegroute en groene aankleding van de directe omgeving rond de ovens. Deze voorwaarden zijn verwerkt tot een programma van eisen (PvE) voor het ontwerp van de woningbouw.

Aanbevolen wordt om voor de voorgenomen woningbouw een ontheffing van de Wnb aan te vragen en de hieronder beschreven maatregelen uit te voeren. Programma van eisen Het Programma van Eisen kent een aantal algemene en specifieke aanbevelingen. Naast een aantal verplichte aanbevelingen, worden in het programma ook een aantal suggesties gedaan voor verbetering van de leefomstandigheden van de vleermuizen. In onderstaand verhaal zijn de verplichte zaken overgenomen uit het rapport. Voor de suggesties wordt verwezen naar Bijlage 7. Algemene aanbevelingen: Klimatologische omstandigheden. Van de vleermuizen is de watervleermuis de enige aanwezige soort die een stabieler klimaat prefereert. In andere winterverblijven zoals forten, bunkers of ijskelders domineren juist de soorten die van een stabiel klimaat houden – in tegenstelling tot de steenovens in kwestie. Om deze soort te kunnen behouden moet er opgepast worden met maatregelen die het microklimaat stabieler maken zoals ingangen afsluiten of grond opbrengen.

Heuff-terrein

62

Specifieke aanbevelingen: Traliehekken. Als er woningen in de buurt worden gebouwd wordt de kans op extra bezoekers groot. Bezoek van de steenovens heeft een negatief effect op de functie als vleermuisverblijfplaats. Nu de ovens minder toegankelijk zijn is het aantal overwinterende vleermuizen flink gestegen. Het is daarom belangrijk om de ovens ontoegankelijk te maken voor mensen, zodat de vleermuizen jaarrond niet gestoord worden. Dit kan bijvoorbeeld door de openingen te voorzien van stalen traliehekken. Het is hierbij erg belangrijk dat: de tralies mensen buitensluiten maar de vleermuizen niet belemmeren in hun vlucht (openingen van circa 20 cm); het een volledig open constructie betreft zodat het microklimaat niet beïnvloed wordt (dus geen deur met vliegopening of een dichtgemetselde muur). Schoorstenen afdichten. Alle ovens hebben smalle en brede pijpen of (kleine) schoorstenen (die nu nog uit de ovens zelf steken). Vleermuizen overwinteren ook (hoog) in afgesloten pijpen. Geadviseerd wordt 75% van de pijpen van bovenop af te sluiten om luchtstroming in de gangen te verminderen, zodat meer geschikte overwinterplaatsen worden gecreëerd. Luwte / dekking voor zwermen.

In de directe omgeving van de steenovens dienen de hoge bomen te blijven staan om dekking te behouden, ter bevordering van sociaal gedrag van de vleermuizen en voor het genereren van luwte en donkerte, waar vliegende (winter)insecten zich kunnen verzamelen. Vegetatie voor de ingangen behouden. Opgaande begroeiing voor de ingangen leidt tot grotere aantrekkingskracht en/of geschiktheid voor vleermuizen in de betreffende gang. Opgaande begroeiing voor de betreffende ingang dient beperkt te worden tot maximaal 75% Hoge begroeiing op het dak verwijderen. Het toenemende gewicht in combinatie met diepe wortels van bomen en struiken zou op termijn het dak kunnen ontwrichten en instabiel maken. De grote struiken en jonge bomen op het dak zouden helemaal afgezaagd kunnen. Door dit aan het begin van het groeiseizoen te doen is de kans kleiner dat de boom weer succesvol uitloopt. Geen aarde opbrengen. Het opbrengen van meer aarde op het dak is geen goede maatregel, waardoor anders het microklimaat in de ovens zou veranderen. Ook is het geen goede maatregel, in relatie tot de opmerking hiervoor. Geen lichtbronnen nabij ovens. Vleermuizen houden niet van licht(bronnen). Zorg daarom dat er geen lichtuitstraling komt naar de ovens en (aan)vliegroutes. Beperking van de lichtuitstraling van de woningen wordt via de privaatrechterlijke weg (verkoopbepalingen) veilig gesteld.

4.9.2.2 Onderzoek Buko-terrein Algemeen Het Buko-terrein vormt geen onderdeel van het ecologisch onderzoek dat is gedaan op het Heuff-terrein. Er is een afzonderlijke notitie opgesteld, die als Bijlage 8 bij deze toelichting is gevoegd. In het kader van de dijkversterking GoWa is al de nodige gebiedskennis opgedaan op basis van het gehouden natuuronderzoek. Destijds heeft specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de verblijfpaatsen voor vleermuizen. De effecten zijn bepaald en beoordeeld op basis van de functie van het plangebied van beschermde soorten en de voorgenomen ingreep. Effecten

Heuff-terrein

63

De effecten van de ingreep kunnen op basis van het onderzoek als volgt worden samengevat: Vleermuizen Binnen de te slopen gebouwen is één (zomer- en) paarverblijf van gewone dwergvleermuis aangetroffen die door de werkzaamheden mogelijk wordt aangetast. Met slopen van de gebouwen wordt de verblijfplaats aangetast en mogelijk dieren gedood die zich hierin bevinden. Omdat een paarverblijf ook vaak als zomerverblijf gebruikt wordt (en onderzoek hiernaar nooit volledig kan zijn) er volledigheidshalve vanuit gegaan dat het in hier om een zomer- en paarverblijf gaat. Vogels De gebouwen herbergen geen nestplaatsen die jaarrond zijn beschermd. Er worden geen verbodsbepalingen overtreden ten aanzien van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Wel dient rekening gehouden te worden met broedende vogels waarvan de nestplaats niet jaarrond is beschermd. Overige soortgroepen Negatieve effecten op andere beschermde soorten als gevolg van de voorgenomen ingreep zijn uitgesloten. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied namelijk geen betekenis. Maatregelen vleermuizen Voor wat betreft de vleermuizen zal op grond van de zorgplicht maatregelen worden genomen om negatieve effecten van de sloopwerkzaamheden op de gewone dwergvleermuis zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken.

In deze situatie gaat het om: het voorkomen van het doden van dieren; het waarborgen van de functionaliteit van verblijfplaatsen tijdens en na de sloopwerkzaamheden. Doden voorkomen De voorzijde van het gebouw wordt gebruikt in de periode april – september, en mogelijk ook in (een milde) winter. Door de gebouwen in oktober te slopen zijn eventueel achtergebleven dieren nog voldoende actief om zelf naar een andere plek te verhuizen. Dit wordt gedaan door de gebouwen in medio augustus ongeschikt te maken als verblijfplaats. Hierbij worden grote gaten gemaakt in de muren waardoor tocht ontstaat en – met beleid – op een aantal plekken plaatmateriaal verwijderd. Het ongeschikt maken en start van de daadwerkelijke sloopwerkzaamheden worden onder ecologische begeleiding uitgevoerd. Functionaliteit verblijfplaatsen waarborgen De functionaliteit van verblijfplaatsen tijdens het slopen moet en kan gewaarborgd worden door voorafgaand voldoende alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van vleermuiskasten in de directe omgeving te realiseren conform het Kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017). Het SMP voorziet in het realiseren van alternatieve verblijfplaatsen. Hiervoor zijn in de winter van 2020 – 2021 alternatieve verblijfplaatsen geplaatst in de directe omgeving, ter hoogte van Waaldijk nr. 70-72.

De gewenningsperiode van minimaal 3 maanden (zomerverblijf) respectievelijk 6 maanden (paarverblijf) is inmiddels verstreken. Voorgaande houdt in dat alternatieve verblijfplaatsen ruim voor de start van de sloopwerkzaamheden op het Buko-terrein functioneel zijn. Aanvullend – en in de geest van de SMP-gedachte – is een ‘plus’ gerealiseerd door in het vroege voorjaar van 2021 een kraamverblijf op palen te plaatsen ten zuiden van het Buko gebouw. Binnen de gehele dijkversterking GoWa worden geen kraamverblijven aangetast. De locatie van het kraamverblijf op palen is zo gekozen dat deze in de nabijheid van het huidige Buko gebouw staat, maar buiten de verstoringszone van de sloop- en uiteindelijke inrichtingswerkzaamheden. Tijdens het voorjaarsonderzoek in 2021 was deze reeds in gebruik genomen als zomerverblijf door de gewone dwergvleermuis. Naast zomer- en kraamverblijf is deze robuuste kasttype ook geschikt als paarverblijfplaats. Met het aanbrengen van inbouwkasten in de toekomstige dijkwoningen is de functionaliteit van verblijfplaatsen op de lange termijn gewaarborgd. Ervan uit gaande dat bovenstaande maatregelen getroffen worden, zijn negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis uitgesloten. Alternatieve tijdelijke en permanente verblijfplaatsen zijn bewezen effectief. Het aanbod beschikbare verblijfplaatsen blijft op

Heuff-terrein

64

peil. Hiermee zijn negatieve effecten op populatieniveau (lokaal, regionaal en landelijk) en de staat van instandhouding dus ook uitgesloten. Werkzaamheden buiten broedseizoen broedvogels Het verstoren en vernietigen van vogelnesten die in gebruik zijn moet voorkomen worden om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen. Dit kan door het rooien van beplanting en sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Wnb geen standaard periode gehanteerd. De lengte en de aanvang van het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet voor het broedseizoen rekening gehouden worden met de periode half maart tot half augustus. Ontheffing Wet natuurbescherming De Graaf Reinald Alliantie beschikt over een ontheffing voor de realisatie van de dijkversterking met zaaknummer 2020-003173. De ontheffing is onder meer verleend voor overtreding van verbodsartikel 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb voor gewone dwergvleermuis. Aanpassing of aanvulling van deze ontheffing is niet nodig, mits wordt voldaan aan de in de hiervoor beschreven maatregelen. Conclusie: Aan de gestelde maatregelen uit het Programma van Eisen voor het Heuff-terrein en de maatregelen voor vleermuizen en broedvogels voor het Buko-terrein zal voldaan moeten worden.

Het Programma van eisen voor het Heuff-terrein bevat een aantal suggesties, die meegenomen zullen worden in het totale pakket van maatregelen ter optimalisering van de omstandigheden van de vleermuizen. Het onderdeel ecologie levert geen belemmering op voor deze ontwikkeling.

4.9.3

Stikstof

In het kader van de Wet natuurbescherming moet eveneens worden onderzocht wat het effect van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt in relatie tot de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Op 5 juni 2023 heeft een berekening plaatsgevonden voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase op basis van de Aerius Calculator (2022). Vastgesteld kan worden dat de natuurcompensatie, de realisering van het overloopgebied met bijbehorende voorzieningen, maatregelen zomerkade en verwijdering verharding en verbeteren van de recreatieve voorzieningen in het kader van het bestemmingsplan Dijkversterking GoWa zijn meegenomen. In het kader van dit bestemmingsplan dienen de nieuwe mogelijkheden/ontwikkelingen binnen het plangebied meegenomen te worden. In de berekeningen zijn de nieuw te bouwen woningen inclusief toegangsweg naar de rivierwoningen en de verplaatsing van het volkstuinencomplex meegenomen/meegewogen. Uit de berekening blijkt zowel uit de aanleg- als de gebruiksfase er geen toename in stikstofdepositie plaatsvindt (0,00 mol N/ha/j). Voor nadere informatie, de rapportage en de berekeningen in de aanlegfase en gebruiksfase wordt verwezen naar Bijlage 9. Conclusie: Het onderdeel stikstofdepositie vormt op basis van de uitkomsten van het onderzoek geen belemmering voor deze ontwikkeling.

Heuff-terrein

65

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

4.10.1 Wettelijk kader Wet op de Archeologische Monumentenzorg In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) zijn de uitgangspunten van het in 1992 ondertekende Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. In deze wet is vastgelegd dat gemeenten in het kader van ruimtelijke ordening ook rekening dienen te houden met het archeologisch erfgoed. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient inventariserend archeologisch onderzoek te worden gedaan, zodat in het plan - indien nodig - een passende regeling kan worden getroffen om aanwezige archeologische waarden te beschermen. Uitgangspunt van de Wamz is om archeologische waarden te beschermen, zonder meer maatschappelijke last te veroorzaken dan nodig is. Wat er moet gebeuren, verschilt per gebied en regio, dus niet alle activiteiten zijn even ingrijpend.

De Wamz heeft vier belangrijke pijlers: archeologische waarden moeten zo veel mogelijk in de bodem (in situ) worden bewaard, omdat de bodem de beste conserveringsomgeving is; archeologie moet tijdig worden meegenomen in de procedures van ruimtelijke planvorming; de verstoorder van het bodemarchief betaalt de kosten van archeologisch vooronderzoek en noodzakelijke volwaardige opgravingen, voorzover die kosten redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de verstoorder; gemeenten en provincies krijgen een belangrijke rol in de verankering van archeologie in hun ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen; zij krijgen de ruimte om omgevingsvergunningvoorwaarden genuanceerd in te vullen. Erfgoedwet In het kader van de modernisering van de Monumentenwet is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat in een bestemmingsplan niet alleen een beschrijving moet staan op welke wijze rekening gehouden wordt met aanwezige of te verwachten monumenten in de grond (archeologie), maar ook met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen.

De wet regelt de omgang met Rijksbeschermde gebouwde en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten.

4.10.2 Planspecifiek archeologie Vooronderzoek In juli 2021 heeft archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden door Vestigia. Het rapport is als Bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat het noordelijk deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft op aanwezigheid van resten uit de periode van het Neolithicum en met een hoge archeologisch verwachting/vastgestelde archeologische waarde voor resten van bebouwing uit de Nieuwe tijd rond de locatie van de steenfabriek en langs de dijk. Een aantal ingrepen die gepland is binnen het plangebied kunnen van invloed zijn op de eventuele archeologische resten. Het gaat hierbij om: Het verlagen van het maaiveld met circa 0,5 – 1,5 m in het noordelijke deel van het plangebied met een hoge archeologische verwachting/Waarde 4 op de beleidskaart 2021 (afbeelding 3 onderzoeksrapport); De zones waar gesaneerd gaat worden (tot onbekende diepte) in het noordelijke deel van het plangebied met een hoge archeologische verwachting/Waarde 4 op de beleidskaart 2021 (afbeelding

Heuff-terrein

66

4 onderzoeksrapport); De bouwvlekken voor nieuwbouw van de dijkwoningen (verstoring nog onbekend) in de zone met een hoge archeologische verwachting/Waarde 4 op de beleidskaart 2021 (zie afbeelding 5 onderzoeksrapport); De bouwvlek Uiterwaard (verstoring nog onbekend) binnen het gebied waar langs de dijk zich bebouwing heeft bevonden en rondom de voormalige steenfabriek uit de 18e/19e eeuw/Waarde 3 op de beleidskaart 2021 (zie afbeelding 5 onderzoeksrapport). Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek werd geadviseerd om bij het uitwerken van het ontwerp rekening te houden met deze eventuele archeologische waarden, en deze indien mogelijk zoveel mogelijk te ontzien (‘behoud in situ’). Uit het definitieve ontwerp bleek dat dit niet mogelijk was en zodoende werd geadviseerd om ter plaatse van de geplande ingrepen binnen de zone met de hoge verwachting/Waarde 4 en de vastgestelde waarde/Waarde 3 in eerste instantie een verkennend archeologische booronderzoek uit te voeren in een grid van 30 x 40 m om de aard en de mate van intactheid van de natuurlijke bodemopbouw in het veld vast te stellen. Inventariserend veldonderzoek Inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen is uitgevoerd op 20 en 21 januari 2022.

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat binnen het noordelijk deel van het plangebied grootschalige verstoringen zijn opgetreden in de 19e en 20ste eeuw in verband met de aanwezigheid van een steenfabriek. Eventuele archeologische waarden zullen hierbij verloren zijn gegaan. In twee boringen zijn ook beddingafzettingen aangetroffen. Deze zullen van de Waal afkomstig zijn geweest. In het zuidelijk deel van het plangebied kunnen weliswaar oeverafzettingen hebben gezeten, maar deze zullen zijn afgegraven tot aan het zand. Daarnaast zijn deze afzettingen in de 19e eeuw afgezet waardoor de archeologische verwachting erg laag is. De boringen hebben wel aangetoond dat de recente loop van de Waal ervoor heeft gezorgd dat eventuele archeologische waarden van de Vuren stroomgordel, of eerdere stroomgordels, geërodeerd zullen zijn. Advies archeologie Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan de archeologische verwachting binnen het plangebied (het noordelijke en het zuidelijke deelgebied) voor wat betreft de verwachting tot aan de Nieuwe tijd worden bijgesteld naar laag. De kans dat met de geplande werkzaamheden een dieper liggende intacte archeologische vindplaats wordt geschaad moet als klein worden ingeschat. Voor de locaties waar sprake is van historische bebouwing, blijft de archeologische verwachting echter nog steeds in stand.

Conform het advies op basis van het bureauonderzoek adviseert Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie om bij de locatie van de historische bebouwing/steenfabriek een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren, wat de enige manier is om dergelijke resten in kaart te brengen. De afweging voor de noodzaak hiervan ligt bij het bevoegd gezag. Voorafgaand aan een dergelijk onderzoek dient eerst een Programma van Eisen te worden opgesteld dat de goedkeuring behoeft van het bevoegd gezag, de gemeente West Betuwe. Het bevoegd gezag, de gemeente West Betuwe, dient eerst over het advies in dit rapport een besluit te nemen. Wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente West Betuwe, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/647/documents/13535