D11 Bijlage 3 Rapportage-Onderzoek-Maatregelen-Jeugdhulp-2022.pdf
Tekst van het document
Maatregelen jeugdhulp 2022 Resultaten van een korte inventarisatie 30 mei 2022
Inleiding Voorliggende rapportage vloeit voort uit de bestuurlijke afspraken tussen de VNG en het rijk. Het geeft een beeld van de mate waarin gemeenten reeds aan de slag zijn of waren met de maatregelen uit de arbitrage-uitspraak van de Commissie van Wijzen, en de resultaten daarvan. Met de bestuurlijke afspraken van 2 juni 2021 tussen rijk en VNG is, na tussenkomst van de arbitragecommissie, een essentiële stap gezet om te komen tot de noodzakelijke verbeteringen van de jeugdhulp* voor de jeugdigen en hun gezinnen. In deze afspraken is in lijn met de uitspraak van de commissie 1,3 miljard euro extra door het rijk aan gemeenten beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de Jeugdwet in 2022. Tevens is de afspraak gemaakt om voor de jaren 2022 – 2028 een Hervormingsagenda op te stellen. Deze agenda is de basis voor de inhoudelijke verbetering van de hulp aan jeugdigen die dit nodig hebben en voor de te maken financiële afspraken tussen rijk en VNG over het structurele budget voor de jaren 2023 e.v. Onderdeel van de afspraak is dat gemeenten met hulp van het rijk extra inzetten op doorvoering van de maatregelen die in 2022 al een financieel effect hebben (zie tabel).
Maatregel Afbakening reikwijdte Contractering/Standaardisatie uitvoering Tariefdifferentiatie Beperking verwijzingen naar gecontracteerd aanbod Versterken bestaanszekerheid Brede invoering POH- Jeugd GGZ Regionalisering Totaal
Verwachte besparing 33 mln 48 mln 6 mln 36 mln 101 mln 38 mln - 47 mln 214 mln
Daarnaast is afgesproken dat de VNG in 2022 bij gemeenten een inventarisatie uitvoert, die antwoord geeft op de vraag of en in hoeverre gemeenten reeds met deze maatregelen aan de slag zijn of voornemens zijn om dit op korte termijn te doen, en welke inzichten en resultaten dit oplevert. oplevert. Het rapport gaat in beperkte mate in op de inhoudelijke effecten van maatregelen. De uitwerking van de maatregelen is onderdeel van de rapportage en zal verder worden vormgegeven bij de opstelling van de hervormingsagenda. Bestuurlijke afspraak over maatregelen 2022 De tekst van de desbetreffende afspraak luidt als volgt: ‘’De VNG, namens alle gemeenten, committeert zich eraan dat de afslag van 214 miljoen in 2022 wordt gerealiseerd door de invulling van de betreffende set van maatregelen binnen bestaande wetgeving, uitgaande van tabel 1 in de uitspraak van de Commissie van Wijzen. Overigens zijn recentelijk (april 2021) over een groot deel van deze maatregelen al afspraken gemaakt, in het bijzonder het stimuleren van tariefdifferentiatie en standaardisatie van de uitvoering, het versmallen van de medische verwijsroute door enkel te verwijzen naar gecontracteerd aanbod en het breder invoeren van een praktijkondersteuner jeugd-ggz bij de huisarts. Het rijk zal gemeenten bestuurlijk ondersteunen, indien nodig, met aanpassingen in lagere regelgeving.’’
De voorliggende rapportage vormt de uitwerking van deze afspraak en heeft tevens tot doel om gemeenten onderling te inspireren. * Waar gesproken wordt over jeugdhulp, wordt jeugdhulp, inclusief Jeugdbescherming en Jeugdreclassering bedoeld (met uitzondering van Jeugdzorg plus, omdat dit de gangbare term is)
Aanpak Om te komen tot de inzichten uit deze rapportage is op diverse manieren informatie verzameld: 1. Een enquête, uitgezet onder de jeugdhulpregio’s; 2. Data-analyse; 3. Interviews/ophalen best practices bij diverse regio’s/gemeenten. De drie werkwijzen worden hieronder kort toegelicht. Ruim 50% van de gemeenten reageerde op de enquête Er is een enquête uitgezet onder jeugdhulpregio’s met daarin vragen of en in hoeverre de gemeenten de maatregelen uit de rapportage van de Commissie Sint hebben genomen of voornemens zijn om die te nemen. Nog niet alle maatregelen zijn volledig. Daarom zijn er relatief veel open vragen gesteld. De antwoorden op de gesloten vragen zijn verwerkt in de tekst. De vragen zijn vooraf afgestemd met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Respons In totaal waren er 74 reacties op de uitgezette enquête. Een deel van de reacties was onvolledig en is daarom buiten beschouwing gelaten. 51 reacties waren volledig en zijn gebruikt in dit onderzoek. Van die 51 reacties betroffen 33 individuele reacties van gemeenten, er reageerden 18 regio’s gezamenlijk. Diverse reacties zijn gegeven namens een regio van gemeenten. De reacties hebben in totaal betrekking op 187 gemeenten (53% van het totaal aantal gemeenten). Aantal respondenten Aantal volledige reacties Waarvan regio's Waarvan gemeenten (individueel) Totaal aantal gemeenten
74 51 18 33 187
Deelnemende gemeenten Totaal aantal gemeenten % van het aantal gemeenten dat heeft deelgenomen
0-50.000 inwoners 139 264 53%
50.000-100.000 Meer dan 100.000 inwoners inwoners 30 17 56 33 54% 52%
In de deelnemende gemeenten is 55% van het totaal aantal inwoners van Nederland woonachtig en 54% van het totaal aantal inwoners jonger dan 18 jaar (peildatum 1-1-2022). De verdeling over de grootte van gemeenten is nagenoeg gelijk. 11 regio’s/gemeenten deelden hun best practices en gaven verdieping op hun antwoorden In interviews zijn verdiepende vragen gesteld n.a.v. de antwoorden op de enquête. Ook is er per regio een maatregel uitgelicht. Deze voorbeelden van maatregelen zijn opgenomen in deze rapportage (vanaf pagina 25). Dit is een selectie van de goede voorbeelden die er in het land zijn. De IV3 data en beleidsinformatie jeugd zijn geanalyseerd De geanalyseerde data in het rapport is afkomstig uit de IV3 database (CBS), data over werknemers per sector (CBS), de database over bedrijven en vestiging (KvK) en de monitor Beleidsinformatie Jeugd (CBS).
Resultaten van de inventarisatie Hieronder staan de resultaten van de inventarisatie in het kort. De uitgebreide resultaten zijn te vinden op pagina 7 en verder. Vooruitlopend op de hervormingsagenda is een meerderheid van de gemeenten al aan de slag met maatregelen uit de arbitrage-uitspraak Uit de inventarisatie komt duidelijk naar voren dat een ruime meerderheid van gemeenten in de afgelopen jaren al stappen heeft gemaakt in het verbeteren van (de sturing op) de jeugdhulp en bezig is met de maatregelen die deel uitmaken van de maatregelen uit de arbitrage-uitspraak (dat wil zeggen dat zij een of meerdere maatregelen reeds genomen hebben). Daarnaast zien we in het land ook dat gemeenten al werken met effectieve oplossingen voor de aanpak van domein-overstijgende problematiek en de groeiende vraag naar ondersteuning vanuit de jeugdhulp. Gemeenten wijzen ook duidelijk op knelpunten, die soms landelijke oplossing behoeven. Een voorbeeld hiervan is de inzet van de ondersteuner van de huisarts, waarbij de bekostiging door de verzekeraar per regio verschilt en waarbij een deel van de huisartsen aan geeft niet te kunnen of willen meewerken, maar ook omdat individuele huisartsen hier verschillend tegenover staan. Omdat deze knelpunten onopgelost blijven of lokaal moeten worden opgelost, blijven oplossingen uit of kosten deze veel tijd.
Kostenstijging 2019 en 2020 zet door Ondanks de grotere inzet van gemeenten op sturing en beheersing vanaf 2018 is er nog steeds sprake van een stijging in de kosten voor individuele voorzieningen tussen 2019 en 2020. Deze stijging wijst op een oplopend tekort bij gemeenten. Hierbij is echter geen rekening gehouden met de uitgaven aan het voorliggend veld. Onderdeel van de stijging zijn ook de reguliere loon- en prijsindexaties. Voor individuele voorzieningen is er sprake van een afvlakkende groei in kosten. De toekomst moet uitwijzen of een deel van dit effect ook veroorzaakt wordt door corona en het stilliggen van een deel van de zorg. Inzicht verkrijgen in financiële effecten op maatregelniveau is in de praktijk vaak moeilijk door waterbedeffecten en omdat het bewijzen van een oorzaak-gevolg relatie in de praktijk moeilijk is. Gemeenten geven wel aan positieve financiële effecten te zien van de invoering van een ondersteuner huisarts en het inzetten van de doorbraakmethode en het maatwerkbudget. Dit sluit ook aan bij de bevindingen van het AEF-rapport “Stelsel in groei” (2020). De resultaten van de inventarisatie wijzen op het belang van doorpakken op de hervormingsagenda De stijgende kosten, het nog onbenutte potentieel van de voorgestelde maatregelen en de knelpunten die spelen, onderbouwen allen het belang van doorpakken op de hervormingsagenda.
De agenda kan bijdragen aan het concretiseren van maatregelen die effectief zijn en breed genomen zouden moeten worden, en een oplossing bieden voor langlopende financiële problemen bij gemeenten. Daarnaast kan de agenda een oplossing bieden voor de behoefte aan instrumenten en handvaten om knelpunten op te lossen die nu al zo lang onopgelost blijven. Een voorbeeld hiervan is de afbouw van Jeugdzorg plus, waarbij landelijke coördinatie van groot belang is (o.a. vanwege de hoge frictiekosten), juist ook omdat er vaak kinderen uit diverse gemeenten/regio’s in deze voorzieningen verblijven.
Adviezen voor de hervormingsagenda Individuele maatregelen leiden niet altijd tot een macro besparing Uit de enquête blijkt dat de meerderheid van de gemeenten in de afgelopen jaren ervaring heeft opgedaan met het nemen maatregelen die in de arbitrage-uitspraak zijn opgenomen Hoewel deze maatregelen inhoudelijk vaak effect sorteerden, is niet vast te stellen in hoeverre ze leiden tot een daling van de totale kosten. Dit kan diverse oorzaken hebben. Zo is de causaliteit tussen maatregel en financieel effect lastig vast te stellen. Ook speelt mee dat er sprake is van wachtlijsten bij aanbieders. Vrijgekomen ruimte wordt dan ingevuld door inwoners vanuit de wachtlijst. Hiermee wordt de zorg per cliënt weliswaar goedkoper, maar de totale kosten nemen niet af. Het is belangrijk om hier bij de uitwerking van de hervormingsagenda rekening te houden. De focus ligt op de instroom, terwijl de uitstroom stokt en leidt tot hogere kosten In het rapport “Stelsel in groei” (AEF, 2020) wordt geconstateerd dat met name de uitstroom uit specialistische jeugdhulp stokt. Dit is een belangrijke verklaring voor de groei van kosten. Opvallend is dat de maatregelen van de arbitrage-uitspraak zich vaak richten op de toegang tot zorg. Daar ligt kortom nog een belangrijk aandachtspunt voor de ontwikkeling van de hervormingsagenda.
Lokale autonomie blijft belangrijk, maar er bestaat ook behoefte aan landelijke sturing Het effect van een deel van de maatregelen, zoals beperkingen verwijzingen naar gecontracteerd aanbod, is afhankelijk van de wijze waarop het stelsel en de bekostiging lokaal zijn ingericht. Een deel van de gemeenten koopt zorg in bij een beperkt aantal aanbieders en laat die aanbieders vervolgens zorg inkopen bij onderaannemers. Het beperken van verwijzingen is dan geen effectieve maatregel. Ook hebben gemeenten andere maatregelen genomen die hetzelfde effect beogen. Een voorbeeld hiervan is de afspraak dat iemand van het jeugd-/wijkteam regelmatig kantoor houdt bij een huisarts. Hiermee wordt hetzelfde effect beoogd als die van de ondersteuner jeugd/POH jeugd. Het is daarom belangrijk om aandacht te hebben voor de lokale situatie. Tegelijkertijd echter is er ook behoefte aan landelijke sturing. Knelpunten die lokaal optreden en meer doorzettingsmacht vereisen, kunnen sneller op landelijk niveau worden opgepakt. Een voorbeeld hiervan is de ondersteuner Jeugd/POH jeugd. Landelijke richtlijnen of handreikingen, waar gemeenten op terug kunnen grijpen als zij maatregelen willen nemen, ontbreken. Een ander voorbeeld is het ontbreken van kostprijzen. Hierdoor worden onderzoeken vaak lokaal (en meermaals) uitgezet.
Dit brengt administratieve lasten en extra kosten met zich mee (voor zowel gemeenten als aanbieders). Diverse gemeenten geven aan behoefte te hebben aan landelijke referenties. Het advies is om bij de uitwerking van de hervormingsagenda aandacht te hebben voor de vraag wanneer knelpunten landelijk oplossing behoeven en welk proces hiervoor moet worden doorlopen.
Besteed aandacht aan mogelijke effecten van corona Meerdere geïnterviewde gemeenten geven aan dat zij met name in de toegang toenemende zorgvraag zien, waarschijnlijk als gevolg van corona. Zij adviseren dan ook om hiervoor aandacht te hebben in de hervormingsagenda.
Adviezen voor het vervolg van monitoring Dankzij de gemeenten die op de enquête reageerden en die geïnterviewd zijn, hebben we een beeld gekregen van de mate waarin gemeenten al aan de slag zijn met de maatregelen zoals genoemd in de uitspraak van de Commissie van Wijzen. De toekomstige wijze van monitoring zal voortkomen uit de hervormingsagenda. Maar ook in de tussentijd is er behoefte aan informatie. Hieronder is een aantal adviezen uitgewerkt voor de uitwerking hiervan. Er kan beter worden gemonitord als de maatregelen concreter worden beschreven Het abstractieniveau waarop maatregelen zijn geformuleerd is verschillend. Voor een deel van de maatregelen geldt dat zij concreet zijn beschreven en kunnen worden gemonitord (denk aan de ondersteuner van de huisarts of het maatwerkbudget). Andere maatregelen, zoals normalisatie en reikwijdte, kennen een hoog abstractieniveau en zijn daarom moeilijk te monitoren. Voor een eventueel vervolg wordt geadviseerd om maatregelen concreter te beschrijven, zodat zij gemonitord kunnen worden of om regio’s/gemeenten zelf hierover te laten rapporteren. Monitoring van de kosten van het voorliggend vraagt nadere analyse In de rapportage van AEF is een specifiek onderzoek gericht op de kosten van het voorliggend veld opgenomen. Dezelfde analyse zou kunnen worden herhaald om ook een beeld te krijgen van de kosten van het voorliggend veld.
Het (nader) uitwerken van voorbeelden van gemeenten geeft een goed beeld van de richting waarop gemeenten zich ontwikkelen
We zien al veel verschillende goede voorbeelden in het land. Gemeenten leren daarvan en hiervoor gebruiken we ook deze rapportage. We bevelen aan om in de hervormingsagenda veel ruimte te creëren voor het uitwisselen van voorbeelden en implementeren van werkzame elementen uit andere regio’s.
Resultaten enquête & interviews
Leeswijzer Op de komende pagina’s zijn de resultaten van de enquêtes verwerkt Deze pagina’s starten steeds met een korte beschrijving van de maatregelen, zoals die in het rapport van de Commissie van Wijzen/Commissie Sint zijn opgenomen. Vervolgens worden steeds de resultaten van de enquête in de grafiek toegelicht, gevolgd door een korte opsomming van de informatie die is opgehaald vanuit de antwoorden op de open vragen, of vanuit de interviews met regio’s/gemeenten. Tot slot worden er, indien die inzichten beschikbaar zijn, knelpunten gerapporteerd die gemeenten ervaren bij het (efficiënt) doorvoeren van maatregelen.
Afbakening reikwijdte (B2) (1/2) Samenvatting van deze maatregel Dit is maatregel B2 in het rapport van de Commissie Sint. Hieronder vallen die maatregelen waarmee het gebruik of de kosten van de jeugdhulp worden teruggebracht, door in te zetten op de afbakening van de jeugdhulp of normalisering van problematiek van jeugdigen. Onder normaliseren wordt meer vraagstukken als onderdeel van het gewone opgroeien en opvoeden zien verstaan. Voor 2022 zijn er nog geen concrete afspraken gemaakt over wat de te leveren inspanningen op deze maatregel zijn. In de enquête is daarom een brede uitvraag gedaan. Dit om zo informatie op te halen bij gemeenten over welke maatregelen zij reeds hebben genomen of van plan zijn, die betrekking hebben op de beperking van de reikwijdte (begrenzen van de vergoede zorg/ondersteuning). Resultaten van de enquête en interviews De gemeente/regio heeft maatregelen genomen om het normale leven te versterken
76%
De gemeente/regio heeft maatregelen genomen om de reikwijdte te beperken
24%
64%
Ja
36%
Nee
Het merendeel van de gemeenten geeft aan maatregelen te hebben genomen om de reikwijdte van de jeugdhulp te beperken. Grofweg zijn de maatregelen in te delen in drie categorieën: 1. Afbakening jeugdhulp en onderwijs Gemeenten geven aan zoekend te zijn naar de afbakening van jeugdhulp en onderwijs. Het kan gaan om een strakkere sturing op de afbakening, waarbij wordt gekeken of sommige delen van de jeugdhulp (bijv. dyslexie of huiswerkbegeleiding) eigenlijk beter in het onderwijs opgepakt kunnen worden. Of er wordt ingezet op samenwerking (zoals jeugdhulp op scholen), zodat er geen stapeling van ondersteuning plaatsvindt. 2. Strakkere afbakening met andere wetten/voorliggende voorzieningen Ook geven gemeenten aan in de ontwikkeling van hun beleid te kijken naar de overgang met andere wettelijke kaders, en dan met name de Wlz en de Zorgverzekeringswet (voornamelijk voor de groep 18- 23 jaar). 3. Afbakening grenzen van de jeugdhulp Sommige gemeenten zoeken naar de grenzen van de jeugdhulp en hierop maatregelen te richten (wat betalen we niet?). De sturing hierop wordt vanuit de contracten of de toegang georganiseerd. Denk hierbij aan beperkingen van de contractering van voorzieningen, zoals vervoersdiensten, dyslexie en ook aan strakke sturing bij de toegang waar wordt gekeken of vragen niet op een andere manier (bijvoorbeeld in het eigen netwerk) opgepakt kunnen worden.
Afbakening reikwijdte (B2) (2/2) Ook geven gemeenten aan maatregelen te hebben genomen om de normalisatie van jeugdhulp te bevorderen. Hierbij worden onder andere genoemd: 1. Inzetten op preventie en het versterken van het voorliggend veld. Genoemd worden interventies, zoals kansrijke start, jongerenwerk, BSO+, cursussen en samenwerking met sportverenigingen. 2. Voorkomen van verwijzing. Focus op het bieden van hulp, bijvoorbeeld in het eigen netwerk, waardoor een verwijzing naar meer specialistische jeugdhulp niet nodig is. 3. Terugbrengen van hoog specialistische jeugdhulp door het leveren van lichtere hulp. Hiertoe worden diverse maatregelen genomen, waaronder het inzetten van een informeel steunfiguur, het leveren van lichte hulp bij de toegang waardoor een verwijzing niet langer nodig is en het inzetten van de basis ggz ter voorkoming van verwijzing naar de gespecialiseerde ggz. 4. Inzetten op of vanuit andere domeinen (anders dan onderwijs en Wlz). Problemen bij jeugdigen kunnen samenhangen met problematiek van de ouders. Sommige oplossingen richten zich daarom op het oplossingen van die problemen, bijvoorbeeld door het inzetten van volwassen-ggz in een jeugdhulptraject (gericht op een of beide ouders) of door in het geheel een focus te hebben op het hele gezin en niet alleen de jeugdige (zie bijvoorbeeld de aanpak van Utrecht).
Ervaren knelpunten > De breedte van de Jeugdwet: het wettelijk kader geeft een brede toegang tot de jeugdhulp, waarbij gemeenten hulp moeten bieden aan die kinderen die voldoen aan de criteria van artikel 1 Jeugdwet. Gemeenten lopen hier tegenaan bij het nemen van maatregelen om bepaalde vormen van hulp uit te sluiten. > Toegang verkrijgen tot de Wlz is niet altijd eenvoudig en sommige gemeenten ervaren dat de toegang soms zelfs afhankelijk is van de wijze waarop de aanvraag is geschreven. Eén regio geeft aan dat het inschakelen van een gespecialiseerd bureau een substantieel effect had. > Een aantal gemeenten ervaart het gebrek aan landelijke afspraken over welke hulp wel/niet tot de jeugdwet behoort als een knelpunt. > Problematiek van de ouders wordt soms niet adequaat opgepakt (bijv. door wachtlijsten in de ggz of onzekerheid in de bestaanszekerheid in het gezin), waardoor het jeugdhulptraject niet effectief is of langer duurt.
Goede praktijkvoorbeelden van gemeenten die bezig zijn met deze maatregelen: • • • • • • • •
Betere aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp (Holland Rijnland) De wijkteams van Utrecht Samen aan tafel in Zaanstad De InVerbindingTeams van Rijk van Nijmegen Het deltaplan van Eindhoven Afbouw van Jeugdzorg Plus in Amsterdam De Gelderse verbeteragenda voor Jeugdbescherming Normalisatie van zorg- en hulpvragen in Tilburg
Standaardisatie uitvoering (B23) Samenvatting van deze maatregel
Dit is maatregel B23 in het rapport van de Commissie Sint. Hieronder worden de maatregelen verstaan die bijdragen aan het structureren en standaardiseren van de uitvoeringsvarianten. Dit zodat onnodige diversiteit kan worden weggenomen/voorkomen en daarmee de administratieve lasten worden teruggedrongen. Het Ketenbureau i-Sociaal Domein (onderdeel van VNG realisatie) heeft de opdracht hiertoe standaarden te (door)ontwikkelen. Daarnaast is recent het onderzoek van Rita Verdonk rondom het standaardiseren van productcodes afgerond. Resultaten van de enquête en interviews Heeft uw gemeente/regio maatregelen genomen die aantoonbaar hebben geleid tot vermindering van administratieve lasten bij gemeente of aanbieders?
69%
Ja
31%
Nee
> Alle geïnterviewde gemeenten geven aan dat het thema van terugdringen van administratieve lasten (hoog) op de agenda staat. > De meest genoemde (en genomen) maatregel is het aansluiten bij de standaarden van iSociaal Domein (berichtenverkeer en verantwoording). > Ook de wijze van regionale samenwerking wordt vaak genoemd. Een deel van de regio’s kent afspraken, waarbij het niet is toegestaan om individueel af te wijken van de administratieve afspraken of waarin het alleen mogelijk is om aanvullend informatie te vragen indien alle gemeenten in de regio hiermee akkoord gaan. > Een aantal gemeenten organiseert regiotafels (of een andere vorm van overleg), waarin ze met aanbieders in gesprek gaan over administratieve lasten, het - waar mogelijk schrappen van overbodige regels en waar mogelijk aanpassingen doen aan het administratieve proces. > De meeste maatregelen richten zich op de administratie rondom facturatie en verantwoording. Enkele gemeenten onderzoeken ook of inhoudelijke registraties, zoals het ondersteuningsplan, administratief lichter kunnen worden gemaakt. > Belangrijk in het kader van het terugdringen van administratieve lasten zijn de resultaten van twee trajecten. Het traject van Rita Verdonk met als doel het terugdringen van het aantal productcodes en het traject voor de ontwikkeling van de contractstandaarden.
Over het tweede traject is op de volgende pagina meer informatie opgenomen. Ervaren knelpunten > Coördinatie van verschillende administratieve processen tussen gemeenten/regio’s is beperkt, waardoor effecten van te nemen maatregelen vanuit individuele gemeenten beperkt zijn of soms zelfs meer lasten met zich meebrengen. > Er wordt een spanning ervaren tussen de informatiebehoefte (bijvoorbeeld rondom wachtlijsten) enerzijds (soms ingegeven door de politiek) en het belang van administratieve lastenverlichting anderzijds en tussen beleidsvrijheid en administratieve lasten. Goed praktijkvoorbeeld van een gemeente die bezig is met deze maatregel: • Centrale facturatie in de regio Foodvalley
Tariefdifferentiatie Samenvatting van deze maatregel Kleine aanbieders, zelfstandigen of nieuwe aanbieders hebben vaak lagere kosten dan grotere, geïntegreerde aanbieders. Een van de voorgestelde maatregelen is om, bij het uitzetten van de aanbesteding, competitie op prijs toe te staan, met als mogelijk gevolg dat de tarieven dalen. Om te voorkomen dat de tarieven stijgen, kunnen gemeenten in de aanbesteding een maximumtarief stellen. Resultaten van de enquête en interviews Wordt binnen uw gemeente/regio onderscheid gemaakt in tarieven op basis van verschillen in de kostenstructuur van de aanbieder?
42%
Ja
58%
Nee
> Het onderscheid maken in tarieven op basis van de kostenstructuur van aanbieders is door slechts een minderheid van de gemeenten genomen. > De meeste gemeenten stellen zelf tarieven vast en kennen dus geen concurrentie op basis van prijs (focus ligt op kwaliteit). > Gemeenten die wel een onderscheid maken tussen aanbieders op basis van kostenstructuur, doen dat doorgaans door zelf een onderscheid te maken tussen de tarieven op basis van de omvang (onderscheid klein/groot of vrijgevestigd/niet vrijgevestigd) van de aanbieders. > Een deel van de gemeenten geeft aan wel te overwegen om in toekomstige aanbestedingen een dergelijk onderscheid te maken (de wijze waarop ze dit gaan doen is niet bekend). > Een deel van de gemeenten is overgegaan op taakgerichte bekostiging, hiermee neemt de meerwaarde van tariefdifferentiatie af omdat er dan doorgaans wordt ingekocht bij een beperkt aantal zorgaanbieders. > Sommige gemeenten nemen met hetzelfde doel in contracten met aanbieders bepalingen op over een maximaal te behalen resultaat (meestal in % van de omzet). Ervaren knelpunten > Er zijn rechtszaken geweest over de onderbouwing van (verschillende) tarieven. Dit brengt onzekerheid met zich mee bij het stellen van tarieven. > Er ontbreekt een landelijk inzicht in de kostprijzen.
Beperking verwijzingen naar niet gecontracteerd aanbod (B12) Samenvatting van deze maatregel Tot B12 behoren die maatregelen die gemeenten nemen waarbij de verwijzing wordt beperkt tot door de gemeenten gecontracteerde aanbieders. Overige partijen blijven hiermee buiten scope. Wel zal zorggedragen moeten worden voor een dekkend zorglandschap. Resultaten van de enquête en interviews Ja
Is in uw gemeente/regio verwijzing beperkt tot door de (regio)gemeenten gecontracteerde aanbieders?
71%
Nee
29%
> Uit de antwoorden op de open vragen blijkt dat gemeenten in dezelfde situatie een ander antwoord hebben gegeven. Alle gemeenten hebben maatregelen genomen om verwijzingen naar niet gecontracteerd aanbod zoveel mogelijk af te wenden of helemaal te voorkomen. Of dit volledig mogelijk is, hangt ook samen met de gemaakte contractuele afspraken. > Een deel van de gemeenten staan onderaannemerschap toe of eisen van de gecontracteerde aanbieders dat zij (gezamenlijk) alle mogelijke zorg kunnen leveren. > Deze gemeenten zijn doorgaans in staat om verwijzingen naar niet gecontracteerd aanbod te voorkomen. > Gemeenten die geen onderaannemerschap toestaan kennen soms casussen waar er sprake is van vraag naar zeer schaarse specialistische zorg of waarin wachttijd echt niet acceptabel is. Zij moeten dan overgaan tot het vergoeden van zorg bij niet gecontracteerde aanbieders. Ook verhuizingen worden vaak genoemd als een reden om niet gecontracteerde aanbieders (tijdelijk) zorg te laten leveren. Ervaren knelpunten > Het is voor een hulpvrager altijd mogelijk om een PGB aan te vragen om de hulp alsnog via een niet gecontracteerde aanbieder te verkrijgen. > Er zijn casussen waarbij het toch nodig blijkt om niet gecontracteerde zorg in te zetten.
Dit komt met name voor in de stelsels waarbij er geen sprake is van onderaannemerschap en een kind dermate specialistische hulp nodig heeft dat deze niet binnen het gecontracteerde aanbod geleverd kan worden. > Er wordt geconstateerd dat niet gecontracteerd aanbod gemiddeld genomen duurder is.
Versterken bestaanszekerheid (B15) Samenvatting van deze maatregel Onder versterking van bestaanszekerheid worden die werkwijzen verstaan waarmee wordt ingezet op het verbeteren van de bestaanszekerheid (inkomen, wonen, participatie aan het maatschappelijk leven), waarmee kosten voor de gezondheidszorg (begeleiding, jeugdhulp, geestelijke gezondheidszorg) worden verlaagd. Hierbij kan worden gedacht aan de doorbraakmethode van IPW of aan andere vormen van maatwerkhulp. In de praktijk is er meestal sprake van een vrij te besteden budget, dat door een professional kan worden ingezet ter voorkoming van grotere problemen.
Resultaten van de enquête en interviews
31%
25%
22%
22%
Wordt binnen uw gemeente/regio de doorbraakmethode van het Instituut Publieke Waarden (IPW) gehanteerd? Respondenten Ja
Nee, we kennen een andere vorm van maatwerkbudget
Nee, we hanteren geen maatwerkbudget
> Waar het antwoord “anders” is, betreft het vaak regio’s waarbij een deel van de gemeenten wel gebruik maken van een maatwerkbudget en een ander deel niet. > Bij gemeenten die wel een beeld hebben van de besparingen is het beeld dat het budget in een beperkt aantal casussen wordt ingezet. > Er is beperkt zicht op de opbrengsten van het hanteren van de methode. Gemeenten die dat wel hebben, geven het volgende aan: > Als het budget wordt ingezet, is het gemiddelde ingezette bedrag ongeveer 40.000-100.000 euro en de berekende besparingen liggen tussen 200.000 en 375.000 euro op casusniveau. > De opbrengsten zijn sociaal domein breed gemeten. Ook wordt er aandacht geschonken aan het totale maatschappelijke rendement, zonder dat dit financieel wordt gemaakt. Aan de kant van de kosten worden de kosten van het budget zelf meegenomen (en niet de projectkosten of de begeleidingskosten). > Geen van de gemeente heeft aangegeven dat het inzetten van het budget ook een macro-besparing met zich mee brengt. > Gemeenten zijn over het algemeen positief over de inzet van het maatwerkbudget. Dit vanwege het effect op de casus waarvoor het wordt ingezet, maar ook vanwege het positieve effect dat het heeft op het werkplezier van hulpverleners.
> Het maatwerkbudget wordt ingezet als een sociaal domein brede voorziening en biedt daarmee ook deels een oplossing voor problematiek over de domeinen heen. Ervaren knelpunten > De gehanteerde maatschappelijke prijslijst is niet up to date. Goed praktijkvoorbeeld van een gemeente die bezig is met deze maatregel: • Het Haagse doorbraaklab
Anders
Brede invoering ondersteuning huisarts Samenvatting van deze maatregel Een ondersteuner Jeugd bij de huisarts is onderdeel van een huisartsenpraktijk, maar wordt in veel gevallen betaald door de gemeente en/of gezamenlijk met de zorgverzekeraars. De ondersteuner kan lichte zorgvormen oppakken en/of fungeren als een poortwachter richting het voorliggende aanbod (Jeugdteams of specialistische jeugdhulp). Resultaten van de enquête en interviews Ja 67%
Bekostigt uw gemeente/regio een ondersteuner huisarts?
Indien ja, doet u dit samen met de zorgverzekeraar?
16%
4%
29%
Nee Overig
84%
> Ondersteuning is op verschillende wijzen georganiseerd. In een deel van de gemeenten heeft een medewerker van het wijkteam een fysieke plaats bij de huisarts en in andere gemeenten is er een aparte functie gecreëerd, waarbij de ondersteuner onder regie van de huisarts werkt. > Van de respondenten die de optie “overig” hebben gekozen, is dat vaak omdat niet alle gemeenten in de regio een ondersteuner bekostigen. > Het inzetten van een ondersteuner is doorgaans op gemeentelijk en niet op regionaal niveau georganiseerd. De eerste gemeenten (3) zijn in 2015 al begonnen met het bekostigen van een ondersteuner; de meeste gemeenten zijn hier in de afgelopen jaren mee gestart. 2 respondenten geven aan hier in de komende twee jaar mee te starten. > In diverse regio’s is er een afname zichtbaar van het aantal verwijzingen naar de specialistische jeugdhulp. Een aantal regio’s geeft dan ook aan zeer tevreden te zijn over de inzet van een ondersteuner. > De meeste respondenten geven aan zicht te hebben op de werkelijke besparingen. In veel gevallen is er sprake van wachtlijsten waardoor de afname in verwijzingen niet leidt tot lagere lasten voor specialistische jeugdhulp. Per kind wordt de hulp dan wel goedkoper. Ervaren knelpunten
> Vraagstukken rondom privacy bij het delen van gegevens. > Het ontbreken van een landelijke richtlijn voor de bekostiging van de ondersteuning van de huisarts leidt tot regionale verschillen of verschillen per zorgverzekeraar. Het helpt daarbij niet dat het niet altijd duidelijk is welke zorg tot de Zorgverzekeringswet of Jeugdwet behoort. > Sommige huisartsen willen niet meewerken. > Niet alle huisartsen hebben plek (kantoorruime) beschikbaar om de ondersteuner te huisvesten. Geldt met name voor huisartsen die individueel werken. > Arbeidsmarktproblematiek: er zijn niet altijd voldoende (geschikte) kandidaten voor de functie. > Het komt voor dat ouders een directe verwijzing eisen en niet willen dat de ondersteuner ook een rol krijgt in dit proces. Goed praktijkvoorbeeld van een gemeente die bezig is met deze maatregel: • Specialistische ondersteuner jeugd in Groningen
Financiële ontwikkelingen & resultaten data analyse
Ontwikkeling kosten 2018-2020 In de onderstaande grafieken zijn gegevens over de kosten en baten van gemeenten weergegeven, ingedeeld aan de hand van de IV3 categorieën (2e plaatsing). Het voorliggend veld is buiten beeld gelaten, omdat hiertoe geen aanvullend onderzoek is gedaan, zoals in het rapport van AEF wel het geval was. Waar wordt gesproken over kosten, wordt gedoeld op de netto kosten: het saldo van baten en lasten. De kosten zijn beïnvloed door corona; hierdoor vond een deel van de zorg geen doorgang en had een deel van de zorg juist te maken met extra kosten. De omvang van het “corona”-effect is echter onbekend. Voor analyse van de kosten wordt steeds uitgegaan van de jaren 20192021. Voor de cijfers over het gebruik van jeugdhulp wordt gekeken naar de ontwikkeling tussen 2016 en 2020. Het jaar 2015 wordt hier niet meegenomen, omdat deze cijfers soms vertekend zijn. Alleen in de vergelijking tussen het eerste halfjaar 2015 en 2021 wordt wel gekeken naar 2015. Dit omdat de focus hier meer ligt op het onderzoeken van de verschillen in profielen van jeugdhulpgebruikers. Er is sprake van een groei in kosten in de taakvelden voor individuele voorzieningen tussen 2019 en 2020 (6 %)
4.682.038
4.958.290
4.662.583
2019
2020
2021 (begroting)
Voor het analyseren van de groei van de kosten en baten voor individuele voorzieningen is gekeken naar de IV3 posten 6.72 (maatwerkvoorzieningen 18-) en 6.82 (geëscaleerde zorg). In de periode 2019 - 2020 groeiden deze posten met bijna 280 miljoen euro (5,9%). Voor 2021 begrootten gemeenten 4,7 miljard euro voor maatwerkvoorzieningen. In de afgelopen jaren waren de begrote kosten echter steeds lager dan de realisatie. 6.72: Tot dit taakveld behoren vormen van jeugdhulp die door de gemeente als individuele (niet vrij toegankelijke) voorziening worden aangemerkt, zoals begeleiding, jeugd- en opvoedhulp, jeugd ggz en Jeugdzorg Plus.
6.82: Tot de categorie geëscaleerde zorg behoren kosten voor maatregelen gericht op de opvang en het verbeteren van de veiligheid van kinderen en jeugdigen 18- met inbegrip van maatwerkdienstverleningsmaatregelen voor jeugdigen die in de desbetreffende opvangvoorzieningen verblijven.
Ontwikkeling kosten 2018-2020 (2) In 2020 is de groei van de jeugdhulp voor het eerst kleiner dan die van de geneeskundige en langdurige zorg 200 150 100 50 0 2015
2016
2017
2018
Geneeskundige en langdurige zorg
2019
2020
Jeugdwet
In de bovenstaande grafiek zijn de kosten voor de jeugdhulp (voor 2020 de individuele voorzieningen) vergeleken met de totale kosten voor geneeskundige en langdurige zorg (CBS, 2022), met als basisjaar 2015. De kosten voor de jeugdhulp groeiden steeds harder, maar in de laatste jaren kennen ze een meer vergelijkbare trend. In 2020 groeiden de kosten voor de geneeskundige en langdurige zorg voor het eerst sneller dan die van de jeugdhulp. Ook voor deze data geldt dat corona effect heeft op de cijfers, maar dat de omvang van het effect niet bekend is.
Groei van de jeugdhulp: ambulant Het aantal gebruikers van jeugdhulp is sinds 2016 gestegen met 8%, maar daalt juist tussen 2019 en 2020 404.080
419.580
430.175
443.585
435.760
2016
2017
2018
2019
2020
In 2016 ontving 9,1 % van 0-23 jarigen jeugdhulp; in 2020 is dit aantal gestegen naar 9,8%. Dit is een groei van 8%. Het aantal jeugdhulpgebruikers ligt daarmee iets lager dan in 2019. Dit is mogelijk het effect van corona.
De groei is zichtbaar in de ambulante jeugdhulp en jeugdbescherming; gebruik van verblijf en jeugdreclassering dalen licht 2016
450.000 400.000
2017
350.000
2018
300.000
2019
250.000
2020
200.000 150.000 100.000 50.000 0
Jeugdhulp zonder verblijf Jeugdhulp met verblijf
Jeugdbescherming
Jeugdreclassering
Het aantal gebruikers van ambulante jeugdhulp stijgt het hardst In de bovenstaande grafiek is zichtbaar dat het aantal gebruikers van ambulante jeugdhulp (jeugdhulp zonder verblijf) gestegen is sinds 2015, maar dat er tussen 2019 en 2020 juist sprake is van een daling. Dit geldt ook voor het aantal gebruikers van jeugdbescherming. Dit is vermoedelijk het gevolg van het inzetten van meer zorg in het preventieve kader; het aantal gebruikers van jeugdreclassering daalt juist. Hetzelfde geldt voor het aantal gebruikers van verblijfszorg (zie volgende pagina).
Groei van de jeugdhulp: verblijf Binnen verblijf nemen met name het gebruik van gesloten plaatsing en ander verblijf af 25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 0 Pleegzorg
Gezinsgericht 2016
2017
Gesloten plaatsing 2018
2019
Ander verblijf bij JH aanbieder
2020
Het aantal gebruikers van gesloten plaatsing daalt hard tussen 2019 en 2020
Opvallend is vooral de daling in gesloten plaatsing tussen 2019 en 2020. het aantal gebruikers van deze vorm van verblijf neemt met 18% af naar 2.080 gebruikers. Dit is in lijn met de doelstellingen die in de uitspraak van de arbitragecommissie is geformuleerd. Ook corona kan een dempend effect hebben gehad op het gebruik van jeugdhulp met verblijf. Ander/overig verblijf kent een iets grilliger verloop: tussen 2016 en 2017 neemt het iets toe om vervolgens weer iets te dalen in de daar op volgende jaren. Gezinsgericht verblijf neemt iets toe en het gebruik van pleegzorg blijft nagenoeg gelijk.
Groei van de jeugdhulp: aanbieders Groei aantal aanbieders met als hoofactiviteit Jeugdzorg * 140 120 100 80 60 40 20
0 2010
2011
2012
2013
2014
2015
Ambulante jeugdzorg
2016
2017
2018
2019
2020
2021
Jeugdzorg (met overnacht. en dagverbl.)
18% van de aanbieders met kenmerk jeugdzorg is na 2015 gestart
Er is sprake van een groei in het aantal aanbieders. In totaal zijn er in 2022 volgens het KVK 6.476 aanbieders actief met als hoofdactiviteit jeugdzorg. 5.316 aanbieders waren in 2015 reeds actief. 18% van de aanbieders jeugdhulp is dus in of na 2015 gestart. Deze groei zet ook in 2020 en 2021 door. Groei in aantal medewerkers in de jeugdhulpbranche (2015-2021)
2021 1e kwartaal*
2020 4e kwartaal*
2020 3e kwartaal*
2020 2e kwartaal*
2020 1e kwartaal*
2019 4e kwartaal*
2019 3e kwartaal*
2019 2e kwartaal*
2019 1e kwartaal*
2018 4e kwartaal*
2018 3e kwartaal*
2018 2e kwartaal*
2018 1e kwartaal*
2017 4e kwartaal*
2017 3e kwartaal*
2017 2e kwartaal*
2017 1e kwartaal*
2016 4e kwartaal*
2016 3e kwartaal*
2016 2e kwartaal*
2016 1e kwartaal*
2015 4e kwartaal*
2015 3e kwartaal*
2015 2e kwartaal*
2015 1e kwartaal*
40 35 30 25 20 15 10 5 0
Groningen (PV) Fryslân (PV) Drenthe (PV) Overijssel (PV) Flevoland (PV) Gelderland (PV) Utrecht (PV) Noord-Holland (PV) Zuid-Holland (PV) Zeeland (PV) Noord-Brabant (PV) Limburg (PV) Niet in te delen (PV)
Aantallen in duizendtallen
Er is een grote regionale spreiding in de groei van het aantal medewerkers Het aantal medewerkers in de jeugdhulpbranche groeide tussen het eerste kwartaal van 2015 en het eerste kwartaal in 2021 met 15%. Er zijn grote regionale verschillen zichtbaar. In de provincies Zeeland en Flevoland daalde het aantal medewerkers respectievelijk 14 en 33%. In de provincies Noord-Holland en Noord-Brabant groeide het aantal het hardst: met 26 en 29%. * NB: Jeugdhulp/zorg kan ook geleverd worden door andere aanbieders, zoals een ggz-aanbieder of een psychologenpraktijk. Deze zijn in de analyse niet meegenomen, omdat ze niet specifiek uit te splitsen zijn naar jeugdhulp.
Groei van de jeugdhulp: verschillen in gebruikers (1/2) Eerste halfjaar 2015
Eerste halfjaar 2021
Geslacht: er maken meer mannen dan vrouwen gebruik van jeugdhulp, maar de groep vrouwen groeit In het eerste halfjaar van 2015 maakten 318.610 kinderen/ jongeren gebruik van jeugdhulp: 60% van hen was man.
40%
44%
60% 1e halfjaar 2015
56%
1e halfjaar 2021
Mannen
190.735
200.550
Vrouwen
127.875
138.825
In het eerste halfjaar van 2015 maakte 379.615 (+19%) kinderen/ jongeren gebruik van jeugdhulp: 56% van hen was man. Het aantal vrouwen in jeugdhulp nam met 32% toe, het aantal mannen met 11%.
Leeftijd: de grootste groep jeugdhulp gebruikers is 4-12 jaar oud; de groep 18-23 jaar is het hardst gegroeid
0-4 jaar
4-12 jaar
In het eerste halfjaar van 2015 maakten 15.490 kinderen tussen 0 en 4 jaar gebruik van jeugdhulp.
In het eerste halfjaar van 2021 maakten 21.705 kinderen tussen 0 en 4 jaar gebruik van jeugdhulp. Dit is een stijging van 40% ten opzichte van het eerste halfjaar van 2015.
In het eerste halfjaar van 2015 maakten 156.855 kinderen tussen 4 en 12 jaar gebruik van jeugdhulp. Dit is de grootste groep jeugdhulpgebruikers.
In het eerste halfjaar van 2021 maakten 183.490 kinderen tussen 4 en 12 jaar gebruik van jeugdhulp. Dit is een stijging van 17% ten opzichte van het eerste halfjaar van 2015.
In het eerste halfjaar van 2015 maakten 137.425 kinderen tussen 12 en 18 jaar gebruik van jeugdhulp.
In het eerste halfjaar van 2021 maakten 158.220 kinderen tussen 12 en 18 jaar gebruik van jeugdhulp. Dit is een stijging van 15% ten opzichte van het eerste halfjaar van 2015.
In het eerste halfjaar van 2015 maakten 8.840 jongeren tussen 18 en 23 jaar gebruik van jeugdhulp.
In het eerste halfjaar van 2021 maakten 16.205 jongeren tussen 18 en 23 jaar gebruik van jeugdhulp. Dit is een stijging van 83%.
12-18 jaar
18-23 jaar
Groei van de jeugdhulp: verschillen in gebruikers (2/2) Eerste halfjaar 2015
Eerste halfjaar 2021
Samenstelling huishouden: het aantal gebruikers in eenoudergezinnen groeit Kind in eenouderhuishouden Kind bij paar
21.080 7%
35.205 9%
Overig lid 107.770 29%
83.195 26%
214.335 67%
236.645 62%
In het eerste halfjaar van 2015 was 67% van de kinderen die gebruik maakte van jeugdhulp bij aanvang van de zorg onderdeel van een huishouden waarin ook een paar woont (ouders of evt. stiefouders). In 2021 is dit aantal met 10% gestegen. De groep jongeren die gebruik maakte van jeugdhulp en onderdeel was van een eenoudergezin of een overig huishouden groeide harder: met respectievelijk 30% (eenoudergezin) of 67% (overig*).
* De jongere bevond zich bij aanvang van het jeugdhulptraject niet in een huishouden bestaande uit een alleenstaande ouder of een paar. Te denken valt hierbij aan een kostganger die bij een gezin inwoont, een persoon die samen met een broer of zus één huishouden vormt, of een pleegkind. Of de jongere woonde mogelijk zelfstandig of in een instelling.
Voorbeelden uit het land
Werken aan kwaliteit van de jeugdhulp: actuele praktijken van gemeenten In het land wordt door gemeenten hard gewerkt aan het versterken van de jeugdhulp Eén van de belangrijke beweegredenen achter de decentralisatie was dat op lokaal niveau betere oplossingen zouden kunnen worden gevonden voor problematiek van jeugdigen en hun gezinnen.
Hoewel de resultaten van de enquête een beeld geven dat landelijke (bij)sturing soms wenselijk is bij knelpunten die optreden, is het ook duidelijk dat in de afgelopen jaren stappen zijn gezet door gemeenten die tot verbetering en vernieuwing van de aanpak van jeugdhulp hebben geleid. Zoals door de Commissie van Wijzen al werd aangegeven is het van belang oog te hebben voor deze voorbeelden en de daarbij geleerde lessen te delen. De voorbeelden kunnen andere gemeenten en partners inspireren en dragen zo ook bij aan het invulling van het lerend jeugdstelsel. Hierna hebben we een aantal van de meest illustratieve en actuele voorbeelden van betekenisvolle praktijken toegelicht.
Het Haagse doorbraaklab In de gemeente Den Haag is dit jaar een doorbraaklab geopend In de gemeente Den Haag is jarenlange ervaring opgedaan met het hanteren van een maatwerkbudget. In de eerste jaren hebben ze intensief samengewerkt met het Instituut Publieke Waarden en CZ. Vanaf 2022 wordt de doorbraakmethode definitief verankerd in de vorm van het doorbraaklab. Het team beoordeelt de aanvraag, berekent de verwachte financiële en maatschappelijke rendementen en oordeelt, in samenwerking met een collega, over het inzetten van de doorbraakmethode.
Den Haag was de eerste gemeente die de IPW doorbraakmethode invoerde
De hoofdlijnen van deze aanpak > Iedereen kan een aanvraag doen, denk aan aanbieders of jeugdteams. > Eerst wordt gekeken of het probleem via de reguliere weg kan worden opgelost. Er zijn ondersteuners beschikbaar met de nodige relevante kennis die goed zicht hebben op de beschikbare voorzieningen en processen. > Als het niet mogelijk is om het via de reguliere weg op te lossen wordt er een doorbraakcoach toegewezen. > De doorbraakcoach beoordeelt de casus en toetst de kosten aan financieel en maatschappelijk rendement. > De doorbraakcoach mag tot 5.000 euro inzetten na toetsing van het plan door een andere doorbraakcoach. Het totale beschikbare budget is 200.000 euro. > De aanpak maakt onderdeel uit van een totaalprogramma binnen de gemeente, waarbij o.a. sprake is van een specifieke leerlijn die gericht is op de doorbraakmethode en alledaags maatwerk. > Er is geen beperking aan het type hulp die kan worden ingezet, denk aan: vervoer, schuld afbetalen, kinderopvang organiseren, onderdak regelen. Randvoorwaarden > Alle expertises moeten zijn vertegenwoordigd (o.a. jeugdhulp, schuldhulp, inkomen, wonen). > Maakt onderdeel uit van een totaalprogramma (je moet het goed doordenken, onderdeel van een totale aanpak), niet zomaar een loshangend project (grotere beweging). > Ook belangrijk om aandacht te hebben voor de maatschappelijke rendementen.
> Beweging richting vertrouwen en perspectief van de inwoner en niet vanuit wantrouwen. > Er moet ruimte/tijd zijn bij hulpverleners. Feiten en cijfers > Tussen juli 2020 en november 2021 is het maatwerkbudget 13 keer ingezet, gemiddeld 3.000 euro per casus. > Het laagste bedrag dat is ingezet is 120 euro; het hoogste 12.000 euro. > Het gemiddelde besparingspotentieel is 20.000 euro per casus. > Type hulp voorkomen: uithuisplaatsing, gesloten plaatsing, hogere schulden, belastingschulden.
Wijkteams Utrecht De gemeente Utrecht is in 2015 gestart met de Utrechtse aanpak. Onderdeel van de Utrechtse aanpak zijn de wijkteams: ze werken integraal en zijn gericht op het hele gezin. De 18 wijkteams hebben een belangrijke functie in het normaliseren van problematiek en het voorkomen van specialistische jeugdhulp, doordat er steeds wordt gekeken wat er mogelijk is zonder inzet van specialistische zorg. Onderliggend aan de aanpak is het model van Simons (1995) waarin integraal sturen centraal staat en waarbij de balans wordt gezocht tussen innovatie en inspiratie enerzijds en de basis op orde, afbakening en beheersing anderzijds.
In de gemeente Utrecht zijn 18 integrale wijkteams actief
De hoofdlijnen van deze aanpak
> Integraal: jeugd en gezin (aanpak gericht op gezin) : 1 voordeur voor jeugd en Wmo > Er zijn in totaal 18 wijkteams actief in Utrecht. Deze zijn actief in de wijken, op de basisscholen. > Drie hoofdactiviteiten: bieden basiszorg, verwijzing en bijdragen aan Utrechtse ontwikkeling. > Daarnaast is een stedelijk team voor leerlingen op het voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs en bij de grote mbo’s. > Er is samenhang tussen de drie sporen binnen de jeugdhulp: sociale basis, basiszorg (de wijkteams) en aanvullende zorg. > De wijkteams zijn gericht op het leveren van preventieve zorg en normalisatie van problematiek. > Bekostiging is taakgericht: via subsidie is er een budget beschikbaar gesteld aan de wijkteams, zij bepalen welke zorg ze daarvoor inzetten. > Er worden gesprekken georganiseerd tussen subsidiepartners en de wijkteams om het onderlinge leren te stimuleren.
Randvoorwaarden > Kwalitatief hoogwaardige professionals: we verleiden de best professionals om de keuze te maken om voor het wijkteam te werken. Er wordt gebruik gemaakt van HBO professionals. > Ontwikkel de informatievoorziening stapsgewijs en interdisciplinair: begin met de basis en bouw van daaruit door. > Onderlinge samenhang en samenwerking tussen sociale basis, basiszorg en aanvullende zorg
Feiten en cijfers > In Utrecht zijn 70.602 jongeren onder de 18 jaar woonachtig (19,5%). In Nederland is dit 19%. > 18 buurtteams zagen 19.000 mensen in 2020. > In totaal is er 20 miljoen subsidie beschikbaar gesteld.
Afbouw van jeugdhulp Plus In 2022 wordt Jeugdzorg Plus-voorziening de Koppeling volledig afgebouwd Eind juni 2022 sluit de Koppeling in Amsterdam als grootschalige Jeugdzorg Plus instelling haar deuren. In plaats daarvan wordt er ingezet op kleinschalige verblijfsvoorzieningen, versnelde uitstroom uit residentiele jeugdhulp en het versterken van ambulante jeugdhulp en gezinsgerichte aanpak. De hoofdlijnen van deze aanpak
De Koppeling is een Jeugdzorg Plus voorziening in Amsterdam
> Focus op verbetering van de kwaliteit van zorg: omslag gemaakt van repressieve zorg naar liefdevolle, relationele zorg, terugdringen dwang en drang met sluiting van de separeerruimten, integraal programma van leren en ontwikkelen voor elke jongere op maat, ondersteuning medewerkers en gezinsgericht werken. > Verwijzers: zijn met verwijzers actief aan de slag gegaan met het terugdringen van verwijzingen door per casus te onderzoeken wat een reëel alternatief zou zijn. > Meer focus op het systeem van de jongere, om snellere uitstroom te bevorderen. > Oprichting ambulant team dat zich richt op het voorkomen van gesloten plaatsingen. > Ontwikkeling naar kleinschaligere verblijfslocaties: als verblijf toch noodzakelijk blijkt, wordt er zoveel mogelijk naar kleinschalige verblijfslocaties gezocht. Onderdeel van het afbouwplan is dat het aanbod hiervan toeneemt. > In- en uitzoomen: steeds per voorkomende vraag gekeken wat er nodig is, om vervolgens weer uit te zoomen wat dit betekent voor het hele proces (wat is er nodig?). Randvoorwaarden > Bekostiging van frictiekosten: het ministerie van VWS heeft middelen beschikbaar gesteld voor de vastgoedtransitie en frictiekosten die gemaakt worden in de periode van afbouw. De gemeente stelde middelen beschikbaar in het kader van het Transformatieprogramma voor het terugdringen van dwang en drang.
> Tijdige opbouw ambulante zorg: ambulante zorg moet tijdig worden opgebouwd, zodat deze van begin af aan een alternatief kan zijn voor verblijf. > Draagvlak & lef: het gezamenlijk onderstrepen met partners van het belang van afbouw is belangrijk, zeker omdat er altijd een risico op incidenten is. > Samenwerking: samenwerking en ondersteuning met en van verwijzers/ketenpartners, ervaringsdeskundigen en de jeugdigen is van groot belang, omdat zij mede de alternatieve zorg moeten gaan leveren. Dit is met name ook belangrijk voor de samenwerking met onderwijs omdat zij een deel van de alternatieve zorg moeten gaan leveren. Feiten en cijfers > Met uitzondering van de frictiekosten is de overgang kostenneutraal; er is geen sprake van een bezuiniging. > Aantal plekken: 47, na 1 juli zijn er nog maximaal 32 plekken in 6 kleinschalige verblijfslocaties. > In totaal wordt er voor de afbouw 6 maanden de tijd genomen, de voorbereidingstijd is langer. > In totaal wordt er over Q1 en Q2 170.000 euro beschikbaar gesteld voor de dekking van frictiekosten. > Intensivering ambulante zorg (team thuis plus): 12,5 fte.
Betere aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp De Holland Rijnland-methode zorgt voor betere aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp De Holland Rijnland-methode is ontstaan met als doel om kinderen met complexe problematiek voor het onderwijs te behouden. In opdracht van samenwerkingsverbanden primair onderwijs en gemeenten is onderzocht wat er nodig is om kinderen die kunnen leren, maar dit nog niet kunnen op een school weer onderwijs te laten volgen. De hoofdconclusie was dat hiervoor een onderwijs-zorg continuüm nodig is. In dat kader is gewerkt aan het ontwikkelen van een aanpak die een beweging in gang zet waarmee onderwijs en gemeenten samen werken aan inclusie: er is voor elke jeugdige aanbod beschikbaar dat aansluit op de behoefte. Deze aanpak krijgt steun van het landelijke traject Met Andere Ogen, waarvan Holland Rijnland inspiratieregio is.
In de regio Holland Rijnland is gewerkt aan een continuum tussen onderwijs en jeugdhulp
De hoofdlijnen van deze aanpak > Er is een visie ontwikkeld die door het onderwijs en de gemeenten gedragen wordt. > Er is onderzoek gedaan naar oorzaken van thuiszitten (aan de hand van casestudies). > Er is een werkwijze voor professionals opgesteld: integraal arrangeren en betrokken professionals getraind volgens deze werkwijze. > De pilots die het onderwijs-zorg continuüm versterken zijn geborgd in de nieuwe inkoop jeugdhulp per 2022. > De samenwerkingsafspraken worden in Q1 van 2022 bekrachtigd. Randvoorwaarden > Er is commitment van alle betrokken partijen rondom een kind: als een kind kán leren, dan wordt dat mogelijk gemaakt door afstemming en in gezamenlijkheid. > Er is een door gemeenten en onderwijs gedeelde visie en ambitie. Daar waar wetgeving geen uitsluitsel geeft over verantwoordelijkheden, wordt in overeenstemming tussen gemeenten en onderwijs naar pragmatische maatwerkoplossingen gezocht. > Er is sprake van een heldere route zodat professionals samen jeugdhulp en onderwijsondersteuning rondom individuele kinderen kunnen combineren met behulp van integraal arrangeren. > Gezamenlijk organiseren van kleinschalig aanbod om het onderwijs-zorg continuüm uit te breiden. Hiervoor is het nodig dat enkele schoolbesturen zich hieraan committeren en het nieuwe aanbod opnemen in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband.
Gemeenten dragen zorg voor afspraken die duidelijkheid bieden over de rol van aanbieders bij realisatie van dit aanbod.
De Ondersteuner Jeugd en Gezin in de gemeente Groningen In de gemeente Groningen is een aantal jaren ervaring opgedaan met Ondersteuners Jeugd en Gezin bij de huisarts In 2016 startte in de jeugdhulpregio Groningen met een provinciale pilot met Ondersteuners Jeugd en Gezin (OJG) bij de huisartsen (POH GGz jeugd). In de gemeente Groningen deden 3 huisartsenpraktijken mee. Hiermee werd een impuls gegeven aan een kwalitatief beter en effectief werkend jeugdstelsel. De OJG is onderdeel van een pakket aan maatregelen om beter grip te krijgen op de uitgaven in de jeugdhulp. Sinds die tijd is er veel gebeurd: de functie is doorontwikkeld en inmiddels zit bij 64% van de huisartsen in de gemeente een OJG. De OJG is gepositioneerd bij de lokale teams van de Stichting WIJ Groningen, voert in de huisartspraktijk jeugdhulp uit en fungeert indien gewenst als schakel tussen het team en de huisarts.
In de gemeente Groningen vormt de OJG een belangrijke schakel in de samenwerking met de huisartsen
De hoofdlijnen en uitgangspunten van de aanpak > Gemeente en huisarts zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor zinnige en zuinige zorg. > De OJG voert zelf jeugdhulp uit en ondersteunt de huisarts in het zo nodig doen van een verwijzing. De OJG biedt dichtbij en snel passende ondersteuning voor jeugd en gezin en kan verwijzingen naar specialistische jeugdhulp verminderen dan wel voorkomen. > De OJG speelt een belangrijke rol in het normaliseren, demedicaliseren en afschalen van de problematiek. > De OJG’s maken deel uit van een stedelijk team met een eigen ondersteuningsstructuur (casuïstiekbesprekingen, intervisie en supervisie, deskundigheidsbevordering). > Er is periodiek overleg met de huisartsen, waarbij de onderlinge verwijzingen en relevante trends worden besproken binnen jeugdhulp en andere thema’s. > Parallel hieraan worden, in die wijken waar geen OJG bij de huisartsen zit, OJG’s gepositioneerd in het basisonderwijs, om de ondersteuningsvragen vanuit het onderwijs goed te kunnen bedienen.
Randvoorwaarden > De gemeente is bereid te investeren: er is in eerste instantie sprake van een toename van kosten; pas later worden besparingen (met name bij de specialistische ggz) zichtbaar. > Zorg voor een gedragen samenwerkingsovereenkomst waarin de afspraken met de individuele huisarts(enpraktijk) worden vastgelegd, onder andere over informatievoorziening, registratie, terugkoppeling van informatie en overleg. Zodat ieder zijn rol goed kan spelen. > De huisarts moet de ondersteuner erkennen als expert; daarom is het goed om op het opleidingsniveau van de ondersteuner te letten (in Groningen HBO+/WO-opleidingsniveau). > Neem huisartsen mee in het besluitvormingsproces, pak ook (aanvullende) thema’s op waarmee huisartsen geholpen zijn. Feiten en cijfers Meer dan de helft van de OJG-trajecten wordt afgesloten zonder verwijzing naar geïndiceerde zorg. Impact van de inzet van de OJG: break-even punt is bereikt. Potentieel business-case van 1:2 lijkt haalbaar.
De InVerbindingteams van Rijk van Nijmegen In Nijmegen werken InVerbindingteams samen met natuurlijke mentoren om de informele ondersteuning te verbeteren
Uithuisplaatsing is het laatste redmiddel als het thuis niet goed gaat met een jongere. Maar een kind uit zijn vertrouwde omgeving halen, doet vaak meer kwaad dan goed. Gelukkig is er een alternatief: gebruik maken van ambulante professionals in combinatie met een JIM (Jouw Ingebrachte Mentor). In Rijk van Nijmegen doen ze dit middels het InVerbindingteam (IVT). Dit team werkt intersectoraal, systemisch en samen met JIM. Het biedt een ambulant alternatief voor uithuisplaatsing van jongeren uit gezinnen met meerdere problemen. Een doel is de uithuisplaatsing te voorkomen of zo kort mogelijk te laten duren. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat jongeren met een JIM (natuurlijk mentor) beter functioneren op school, in hun werk, lekkerder in hun vel zitten en minder psychische problemen ervaren. De hoofdlijnen van deze aanpak
In de Rijk van Nijmegen worden natuurlijke mentoren ondersteund
Meer informatie via bovenstaande link
> Een JIM is een bekende die door de jongere zelf wordt gekozen als vertrouwenspersoon. > De JIM wordt ondersteund door de InVerbindingteams. > Een jongere kiest dus eerst zelf een steunfiguur uit. Als die eenmaal is gevonden, worden er afspraken gemaakt over vertrouwelijkheid, privacy, contactfrequentie , grenzen van de JIM en wat voor ondersteuning de JIM nodig heeft (wie-fase). > Gezamenlijk (dus JIM met jongere, ouders en hulpverlener) worden vervolgens de problemen geanalyseerd en worden er plannen voor verandering gemaakt (wat-fase), doelen benoemd en besluiten genomen over welke stappen te zetten (hoe-fase). > De vertrouwensrelatie tussen hulpverlener en jongere en/of gezin blijft natuurlijk van waarde, maar centraal staat degene die een blijvende rol in het leven van de jongere vervult/kan vervullen. > De ervaringen van de gezinnen zijn positief. De inzet vergroot veerkracht, biedt sneller perspectief, meer tevredenheid over hulpverlening, minder trauma en onrust. > Ook hulpverleners zijn positief. Meer tijd voor reflectie en minder verzuim. Randvoorwaarden > Vertrouwen is de basis voor verandering. Deze vraag is dus ook leidend binnen het IVT. De jongere krijgt aan het begin van het traject de vraag: “Wie vertrouw je, waar ga je naar toe als je het moeilijk hebt?” Hulpverleners begeleiden de jongere en het gezin hiermee.
> Gelijkwaardigheid tussen de JIM en de professionals. Feiten en cijfers > De kosten van het inVerbindingteam zijn 16.000 per traject en 1.000 euro per JIM. > Als de inzet leidt tot voorkomen van een uithuisplaatsing, dit kan een besparing van 45.00070.000 euro per jaar opleveren. > In 96% van de gevallen waar een JIM is ingezet, is uithuisplaatsing voorkomen.
Normaliseren van zorg- en hulpvragen in Tilburg In de gemeente Tilburg is een raadsbesluit aangenomen met als doel normalisatie van zorg- en hulpvragen De gemeente Tilburg heeft in 2021 een raadsbesluit genomen, waarin het beleidskader normaliseren is vastgesteld. Het beoogde effect van het beleidskader is bijdragen aan een samenleving waarin verschillen worden geaccepteerd en niet geproblematiseerd. De beweging van normaliseren is gericht op preventie. Het startpunt is de praktijk in de wijken, o.a. bij de wijkteams, versterking collectieve (informele) voorzieningen (welzijnswerk, sportverenigingen, etc.), bij de jeugd- en Wmo-aanbieders. De aanpak is gericht op de beweging van individuele zorg en ondersteuning naar collectieve (informele) ondersteuning, van maatwerkvoorziening naar advies, van problematiseren naar versterken (reablement).
De gemeente Tilburg zet in op normalisatie van hulpvragen
De hoofdlijnen van deze aanpak > Normaliseren is een prioriteit voor de gemeente Tilburg. Ze wil de focus verschuiven van individuele ondersteuning naar preventie. > Er is een beleidskader Normaliseren opgesteld, deze is bekrachtigd in een raadsbesluit. > In het beleidskader ligt de nadruk op het zo min mogelijk problematiseren van situaties en het versterken wat wel kan en preventief werken. Dit heeft als doel dat zorg en ondersteuning toegankelijk en betaalbaar blijven voor inwoners en kinderen die het écht nodig hebben. > Het plan is uitgewerkt langs 4 lijnen: 1. Toegang: training on the job, “normaliseren” in de praktijk brengen. 2. De inkoop voor jeugd, wmo en participatie zo inrichten dat deze beweging wordt ondersteund. 3. Versterken sociale basis. 4. Beeldvorming: hierbij wordt vooral ingezet op het voeren van het debat/open gesprek over wat we van elkaar verwachten. > Een aantal onderdelen van het plan heeft specifiek betrekking op jeugdhulp, zoals niet langer individueel inkopen van buitenschoolse opvang voor kinderen met beperking, alternatieve therapieën en enkelvoudige vaktherapie. > De lichte ondersteuning wordt versterkt, o.a. door: 1. Aanbieden van lichte collectieve psychosociale ondersteuning, waarin kinderen/jongeren, ouders handvaten krijgen hoe om te gaan met vraagstukken waar zij tegenaan lopen in het gewone leven. 2.