CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

1a Dijkversterking Gorinchem - Waardenburg_Toelichting__57921__.pdf

Oordeelsvorming Voorronde 1 12 januari 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 4: Voorstel tot instemming beantwoording Zienswijzennota en gewijzigde vaststelling Ontwerpbestemmingsplan dijkversterking Gorinchem-Waardenburg31.289 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Figuur 7, Ontwerp en dwarsprofiel courtine en ravelijn Vesting Gorinchem Dalemse Sluis Bij de Dalemse Sluis wordt de, inmiddels verdwenen, westelijke batterij in het grondvlak gemarkeerd. Daarmee wordt beter zichtbaar dat de sluis onderdeel vormde van een ensemble in de verdedigingslinie. De schotbalkenloods en trafo worden geïntegreerd en er wordt een uitzichtpunt gecreëerd richting sluis en uiterwaard. Een trap biedt hier toegang tot de Woelse Waard.

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

43

Figuur 8, Ontwerp Dalemse Sluis Dalemse Overlaten Van de vier in het projectgebied liggende overlaten zijn er nog drie functioneel. Deze drie overlaten zijn momenteel herkenbaar in het wegdek van de dijk door een klinkerverharding in plaats van asfalt en de keerwanden in het dijktalud. Deze klinkerverharding diende om het in noodgevallen afgraven van de dijk ter hoogte van de overlaten te vergemakkelijken. In het ontwerp wordt voorgesteld de herkenbaarheid van de drie overlaten in het wegdek te behouden door middel van de klinkerbestrating. Ter plaatse van de overlaten wordt het wegdek bekleed met gebakken klinkers. De grens van de overlaten wordt zichtbaar gemaakt door het uitvergroten van de betonnen deksloof op de overgangsconstructie tussen dijk en overlaat. Deze overgang wordt ook zichtbaar in het wegdek (zie figuur 9).

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

44

Figuur 9, Profiel overlaten Dijkpost Hercules De batterij en coupure ter plaatse van de dijkpost Hercules uit 1794-1795 (pré-Nieuwe Hollandse Waterlinie) zijn volledig verdwenen. Voorgesteld wordt om hier een uitkijkpunt (Waaltribune met inundatiebalkon) te creëren met zicht op Slot Loevestein, de weerszijden van de dijk, de rivier en de inundatiekom. De locatie biedt een mooi overzicht. De verdwenen dijkpost wordt zichtbaar in een stoer object uitgevoerd in cortenstaal. Een kleine stalen maquette toont de oorspronkelijke vorm van het grondwerk van de verdedigingspost.

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

45

Figuur 10, Ontwerp dijkpost Hercules

Fort Vuren De dijk rond het fort wordt voorzien van een constructie waardoor het profiel nagenoeg gelijk blijft. De parkeerplaats bij Fort Vuren wordt verplaatst naar een lager gelegen positie in het flauwe buitentalud. Hierdoor wordt de dijk beter herkenbaar en het uitzicht vergroot. De parkeerplaatsen, een uitkijkpunt met liniemeubilair en fietsenrekken worden in één lijn gerealiseerd. Aan de oostzijde van Fort Vuren ligt een oud sluizencomplex en gemaal. Momenteel wordt onderzocht of dit complex gerenoveerd kan worden volgens het voorstel ‘Rondje Fort bij Vuren, DLG, 2014’. De oorspronkelijke sluiskom aan de oostzijde wordt hersteld, de sluis wordt ontdaan van de opgeschoten beplanting. Twee al bestaande bruggetjes zorgen voor een goede passage van het wandelpad.

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

46

Figuur 11, Ontwerp Fort Vuren

4.4.5

Uiterwaardenpark

In het dijkontwerp is op plekken gekozen voor een buitendijkse versterking, hierdoor ligt er vanuit het project een opgave voor rivier- en natuurcompensatie. Deze opgave is aangegrepen om te komen tot een herinrichting van een viertal uiterwaarden langs het dijktracé. Het gaat hierbij om rivier- en natuurcompensatie in de uiterwaarden Woelse Waard, Heuffterrein, Herwijnense bovenwaard en Crobsche waard. In de uiterwaarden zijn verschillende voorzieningen zoals struinpaden, uitkijkpunten en parkeerplaatsen voorzien.

4.4.6

Natuurnetwerk Nederland en KRW-doelen

Als gevolg van de realisatie van de dijkversterking tussen Gorinchem en Waardenburg vinden ingrepen plaats in gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) en in areaal dat relevant is voor de KRW-doelen (ecologisch relevant areaal, oftewel ERA). Aantasting van NNN-gebied en van ERA moet worden voorkomen en, als er toch aantasting plaatsvindt, worden gecompenseerd. De compensatie-opgave van het VKA bedroeg 5,92 ha in Zuid-Holland en 25,8 ha in Gelderland. Bij deze oppervlakken is rekening gehouden met een toeslagfactor voor beheertypen die een lange ontwikkelingstijd vragen. Daarnaast was nog 2 ha compensatie van ERA nodig. Het beleid in beide provincies, de toetsing aan de beleidsregels en de berekening van de compensatieopgave is uitgewerkt in het NNN-compensatieplan. Uitgangspunten voor de invulling van de compensatieopgave zijn: Invulling van de opgave per provincie Zoveel mogelijk combineren van de NNN-compensatie aan de riviercompensatie en de meekoppelkansen Op basis hiervan is de NNN-compensatie-opgave van het VKA ingevuld via een herinrichting in de Woelse Waard, het Heuffterrein en de Herwijnense Bovenwaard. Inzet voor de NNN-compensatie in de Crobsche Waard en de uiterwaarden voor Tuil blijken hiermee niet nodig.

De Woelse Waard is momenteel al aangewezen als NNN-gebied, de compensatie gebeurt hier, in lijn met het provinciaal beleid, via een verbetering van de natuurwaarden. De beide Gelderse gebieden zijn nog niet aangewezen als NNN-gebied. De locaties waarop de NNN-compensatie wordt ingevuld veranderen niet als gevolg van de kleinere opgave. De wijze waarop de compensatie plaatsvindt is beschreven in het NNN-compensatieplan. De kwaliteitsverbetering in de Woelse Waard wordt gecombineerd met de geul die wordt aangelegd als rivierkundige compensatie en met de KRW-doelen van Rijkswaterstaat. De herinrichting van het Heuffterrein sluit aan bij de ontwikkeling van het gebied als recreatief uitloopgebied en de toekomstige bouw van een beperkt aantal woningen. De herinrichting van de Herwijnense Bovenwaard is een combinatie met het realiseren van een KRW-maatregel door Rijkswaterstaat.

4.4.7

Wonen aan de dijk

De uiteenlopende dijklinten bij onder andere Dalem, Zeiving, Herwijnen en Hellouw zijn allen ingepast. De dijkversterking vindt hier buitendijks plaats waardoor de bestaande woningen ingepast kunnen worden. Daarnaast zijn er twee locaties waar een ambitie ligt voor woningontwikkelingen door derden. Binnen de dijkversterking wordt deze ontwikkeling niet onmogelijk gemaakt. Het gaat om de volgende locaties:

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

47

1. In Vuren in combinatie met de uitwerking van het Heuffterrein; 2. In Haaften langs de Crobsche Waard

4.4.8

Ontwerpkeuzes waterveiligheid en ruimtelijk ontwerp

Het project betreft een traject van circa 23 kilometer aan de noordoever van de Waal, globaal gelegen tussen Gorinchem en Waardenburg. In algemene zin kan worden opgemerkt dat voor 6 kilometer van het traject gekozen is voor een binnenwaartse oplossing. Voor 9 kilometer is gekozen voor een buitenwaartse oplossing en voor circa 6 kilometer is een langsconstructie de oplossing. In paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op de veiligheid en het ruimtelijk ontwerp.

4.5

Doelstellingen en uitgangspunten

De doelstelling van het project is het realiseren van een veilige en leefbare dijk die uiterlijk 2023 voldoet aan de wettelijke hoogwaterveiligheidsnormen en past binnen de randvoorwaarden van het Hoogwaterbeschermingsprogramma. De dijk wordt in 2026 opgeleverd. De uitgangspunten voor het ontwerp van de nieuwe dijk zijn gegroepeerd in drie thema's: 1. veilige dijk; 2. leefbare dijk; 3. kosten & risico's.

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

48

Hoofdstuk 5

5.1

Omgevingsaspecten

Milieueffectrapportage

Wettelijk kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor, of een besluit neemt over, projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen (gesloten spoor). Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'C-lijst') geeft de aard en omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben (m.e.r.-beoordeling). Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'D-lijst'). Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen zodra een project één of meer van de beschreven activiteiten in Onderdeel D bevat, ongeacht de omvang van deze activiteiten. Deze toets, de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling, dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect.

Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig. In figuur 12 zijn bovenstaande regels schematisch weergegeven:

Figuur 12, schematische weergave m.e.r.-(beoordelings)plicht Op basis van artikel 7.6 van de Wet milieubeheer kunnen Provinciale Staten als aanvulling op de 'C-lijst' uit het Besluit m.e.r. in de provinciale milieuverordening (of provinciale omgevingsverordening) extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn. Provinciale Staten van Flevoland hebben in de Omgevingsverordening Provincie Flevoland geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die m.e.r.-plichtig zijn. In aanvulling op het voorgaande is er nog een zijspoor, het open spoor, waardoor een plan m.e.r.-plicht kan gelden. Dit is het geval wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Dan geldt de verplichting tot uitvoeren van een Passende Beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming en daarmee de verplichting tot het uitvoeren van een plan-m.e.r. Situatie plangebied Een dijkversterking kan nadelige gevolgen hebben voor het milieu kan hebben, reden waarin de procedure van de milieueffectrapportage doorlopen wordt en een milieueffectrapport (MER) is opgesteld (Graaf Reinaldalliantie, februari 2020). Het MER beschrijft de effecten van het totaal aan ingrepen op het milieu ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming.

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd voor welke activiteiten en welke formele besluiten de procedure van milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Bij de

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

49

dijkversterking GoWa zijn dit meerdere activiteiten en besluiten van onderdeel D bij de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage: wijziging van een primaire waterkering (categorie D.32); landinrichtingsproject (functiewijziging) (categorie D9); winning van oppervlaktedelfstoffen (graven van geulen) (categorie D16.1). Het MER hoort bij de volgende besluiten: Bestemmingsplannen; Projectplan Waterwet; Ontgrondingsvergunningen. De procedure voor het doorlopen van de m.e.r. is gestart met de publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) op 21 maart 2018. De NRD heeft van 22 maart tot en met 18 april 2018 ter inzage gelegen en iedereen kon zienswijzen indienen op de inhoud van de NRD. Daarnaast is een onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Cmer) om advies gevraagd over de reikwijdte en het detailniveau. De Cmer heeft haar advies op 27 maart 2018 uitgebracht. In totaal zijn 43 zienswijzen ingediend op de NRD. Alle ingediende zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een antwoord in een reactienota. Op basis van de ingekomen zienswijzen en adviezen heeft de provincie Gelderland advies gegeven over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER. In het MER zijn de verschillende relevante milieuaspecten als gevolg van de dijkversterking beoordeeld.

In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op deze verschillende milieuaspecten, waarbij het MER als input heeft gefungeerd. Het MER vormt een bijlage bij dit Bestemmingsplan. Het MER is (samen met het Projectplan Waterwet) opgenomen in een i-report dat te raadplegen is via https://terinzage.Gralliantie.nl .

Conclusie Voor meerdere activiteiten dient een m.e.r.-procedure doorlopen te worden. Derhalve is een MER opgesteld. Deze dient als input voor de diverse milieuaspecten die hierna behandeld worden.

5.2

Verkeer

Inleiding In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen. Situatie plangebied Verkeersveiligheid en bereik baarheid Onderdeel van de dijkversterking betreft het opnieuw aanleggen van de weg op de dijk. Om de snelheid van gemotoriseerd verkeer op de dijk te verlagen is gekozen voor het principe 'auto te gast'. Hierbij maakt gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer van hetzelfde weggedeelte gebruik waardoor fietsers meer ruimte krijgen en automobilisten rustiger zullen rijden. Uitgangspunt is dat de weg zó wordt ingericht dat het voor weggebruikers duidelijker is welk gedrag van hen wordt verwacht. Dit gebeurt op basis van de principes die meegegeven worden vanuit het overkoepelende project 'Gastvrije Waaldijk'. De principes van 'Gastvrije Waaldijk' - waar ook bovenstaande uitgangspunten gelden - worden meegenomen in het ontwerp van de dijk. Het is een symmetrisch profiel dat even breed is als het huidige profiel van de dijk.

De huidige dijk heeft een breedte van 4 meter 20 asfalt met aan weerszijden 40 cm grasbetonstenen. In het nieuwe ontwerp is de breedte van het asfalt smaller; 3 meter 80. Aan de buitendijkse zijde van de dijk wordt een betonnen uitwijkstrook van 60 cm aangebracht. De binnendijkse

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

50

zijde van de dijk wordt ook voorzien van een betonnen uitwijkstrook, waarin uitsparingen zijn aangebracht voor gras. Doordat het geasfalteerde deel van de weg smaller is én doordat alle weggebruikers de weg delen, worden automobilisten gestimuleerd om langzamer te rijden. Dit komt de verkeersveiligheid van de weg op de dijk ten goede. Op de buitenwaartse locaties komt de dijk (en daarmee ook de nieuwe weg) door de verschuiving van de kruin meer in het vrije veld te liggen heeft het verkeer meer zicht. Dit zorgt voor meer overzicht maar kan ook leiden tot hogere snelheden. Onderdeel van een veilige weginrichting is ook een heroverweging van de 30 en 60 km/u zones. Op onderstaande afbeelding is de nieuwe indeling weergegeven. Binnen de 60 km/u zones wordt op gelijkwaardige dijkkruisingen een plateau gerealiseerd. Bovendien wordt een andere kleur asfalt toegepast in 30 km/u zones en wordt het getal '30' aangebracht op het wegdek. Zo wordt het bewustzijn van de snelheid gestimuleerd. Er zijn op de snelheidsregimes van 30 en 60 km/u twee uitzonderingen: De Vestingweg nabij Gorinchem kent een afwijkend profiel en wordt ingericht als een 50 km/u weg. Het noordelijke deel van de Kerkewaard wordt afgewaardeerd tot fietspad met uitsluitend autoverkeer voor de direct aanwonenden. In onderstaande kaarten is de nieuwe indeling van de snelheidszones weergegeven.

Ten slotte is verlichting van de weg een belangrijk punt als het gaat om de veiligheid van de weg. Uitgangspunt is dat verlichting wordt teruggeplaatst in 30 km/u zones en op kruisingen en in markante bochten langs het dijktracé. Dit betekent dat de verlichting langs de weg op de dijk op sommige locaties verdwijnt, terwijl deze op andere locaties juist wordt toegevoegd. De veiligheid op de dijk wordt hierdoor allesoverziend beter, omdat juist binnen 30 km/u zones verlichting het hardst nodig is. Nadere uitwerking van de exacte locatie van de verlichtingsarmaturen vindt plaats in de detailuitwerking van de dijk.

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

51

Figuur 13,. verkeer en bereikbaarheid Overzichtelijkheid opritten en kruisingen Als gevolg van de dijkversterking moeten ontsluitingen van percelen worden aangepast. Op- en afritten van woningen kunnen grotendeels zo worden ingericht dat zij gelijkwaardig of beter zijn dan de bestaande oprit. Waar woningen verder van de weg komen te liggen (bij buitenwaartse versterkingen) ontstaat meer ruimte om de helling tussen de woningen en de weg op de dijk te overbruggen en worden de opritten en zijwegen over het algemeen minder steil. De opritten en zijwegen ter hoogte van constructies worden over het algemeen steiler dan in de huidige situatie. De helling van de opritten is op meerdere locaties een aandachtspunt. Soms is het mogelijk

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

52

om de oprit te verlengen, zodat een acceptabel hellingspercentage wordt bereikt. De inrichting van opritten en kruisingen worden geüniformeerd. Hierdoor worden enkele onduidelijke gelijkwaardige kruisingen bij aansluitingen met korte parallelwegen gewijzigd in uitritconstructies waardoor het gewenste gedrag van de gebruikers wordt verduidelijkt.

Verkeersaantrekkende werking De dijkversterking heeft geen verkeersaantrekkende werking ten aanzien van gemotoriseerd verkeer. Wel wordt de dijk aantrekkelijker gemaakt voor fietsers en voetgangers. Parkeren Parkeren langs de dijk is alleen toegestaan op daarvoor aangewezen en ingerichte locaties. Conclusie Door versmalling van de weg en door de verschillende voorzieningen, vanuit het principe 'auto te gast', die worden getroffen ontstaat een meer veilige verkeerssituatie. De veiligheid wordt nog meer vergroot door de uniforme inrichting van uitritten en kruisingen. De dijkversterking heeft geen verkeersaantrekkende werking tot gevolg. Parkeren is enkel toegestaan op daarvoor aangewezen locaties. Daarmee is het bestemmingsplan uitvoerbaar voor wat betreft het aspect verkeer.

5.3

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit wordt bij de besluitvorming van ruimtelijke plannen betrokken. In dat kader wordt een plan of ontwikkeling getoetst aan de voorschriften van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Centraal daarbij staat artikel 5.16, eerste lid, van de wet. Daarnaast moet het plan voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, op grond van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is altijd van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen, ook wanneer besluiten op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm niet beoordeeld hoeven te worden. Tot slot heeft het bevoegd gezag volgens Algemene wet bestuursrecht (Awb) als taak om belangen op een evenwichtige wijze af te wegen (art. 3.4) en besluiten deugdelijk te onderbouwen (art. 3.46).

Luchtkwaliteitseisen Op basis van artikel 5.16 Wm kan een bestemmingsplan worden vastgesteld indien: aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde, die behoort bij de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, of aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen of het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Ruimtelijk-economische besluiten die 'niet in betekende mate' bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht van stoffen waarvoor bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde bevat, worden niet langer, zoals voorheen, individueel getoetst aan die grenswaarden.

Als gevolg daarvan kunnen tal van kleinere projecten doorgang vinden ook in situaties waar nog niet aan de grenswaarden wordt voldaan. De effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit worden verdisconteerd in de trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, zoals beschreven in het Nationaal Samenwerkingsprogramma

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

53

Luchtkwaliteit (NSL). Bij de besluitvorming is het dus van belang om te bepalen of een initiatief 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekende mate')Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen ( inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Situatie plangebied Het bestemmingsplan heeft een beherend karakter, zoveel mogelijk consoliderend voor wat betreft de functie verkeer, met enkele wijzigingen op kleine en/of ondergeschikte onderdelen. Er worden beperkte ontwikkelingen toegelaten die niet leiden tot een toename van het verkeer. De achtergrondwaarden van de relevante stoffen zijn in dit gebied zo laag, dat aangenomen kan worden dat grenswaarden in de toekomst niet als gevolg van dit plan overschreden zullen worden. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

Stikstof Het aspect stikstof is relevant voor natuur en komt derhalve nader aan bod in paragraaf 5.8. Conclusie Gezien de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt en de bestaande lage achtergrondwaarden van relevante stoffen, kan aangenomen worden dat de grenswaarden in de toekomst niet als gevolg van dit plan overschreden zullen worden. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit.

5.4

Geluidhinder

Wettelijk kader en inleiding Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Ten aanzien van geluid maken we onderscheid in verkeerslawaai (weg, spoorweg en vaarweg) en industrielawaai. Spoorweg-, vaarweg- en industrielawaai zijn niet relevant voor dit plan en worden derhalve niet nader behandeld. Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone.

Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen. Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

54

met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het erop neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting. Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt: 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur; 5 dB voor overige wegen.

Trillingen In Nederland bestaat geen specifiek juridisch kader voor trillingen zoals deze geldt voor bijvoorbeeld geluid. Het juridisch kader wordt door wetgeving bepaald die niet specifiek voor trillingen is bestemd. Het civielrechtelijk kader wordt door het volgende bepaald. Partijen kunnen elkaar in geval van trillingshinder of –schade civielrechtelijk aanspreken op basis van een onrechtmatige daad. Naast het juridisch kader is de jurisprudentie aangaande de meetrichtlijnen en normstelling van belang. In de gebruiksfase van de infrastructuur is de SBR B richtlijn “hinder voor personen in gebouwen” als normstelling te hanteren. De beoordelingssystematiek in de SBR B richtlijn “hinder voor personen in gebouwen” kent streefwaarden. Voor een gewijzigde situatie is de beoordelingssystematiek geënt op het “stand still principe”. Dit houdt in dat als in de bestaande situatie niet aan de streefwaarden wordt voldaan, er in de situatie na wijziging moet worden voldaan aan de waarden uit de nulmeting voor de wijziging. Situatie plangebied ten aanzien van geluid Omdat de weg op diverse locaties met de dijk mee naar de rivier toe verschuift is onderzocht of er een onderzoek nodig is naar de akoestische gevolgen van het verleggen van de weg. Een dergelijk akoestisch onderzoek is benodigd wanneer er sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh.

De Wgh spreekt van een reconstructie als aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan: 1. Het betreft een fysieke wijziging aan de weg. 2. Door deze wijziging neemt de geluidsbelasting toe met 2 dB of meer. De weg komt nergens dichterbij woningen te liggen en de intensiteit van het verkeer zal niet toenemen als gevolg van de dijkversterking. Daarom is er voor dit project geen akoestisch onderzoek nodig naar permanente effecten in het kader van de Wgh. In dit kader kan eveneens worden opgemerkt dat er geen sprake is van toename van verhard oppervlak tussen de weg en de bestaande woningen. Verhoging van de rijsnelheid voor verkeer ter hoogte van de woningen is niet aan de orde, aangezien de nieuwe weg hetzelfde karakter en profiel heeft als de huidige weg en voor de weg in het kader van Gastvrije Waaldijk de auto te gast is. Situatie plangebied ten aanzien van trillingen De weg komt nergens dichterbij woningen te liggen en de intensiteit van het (zware) verkeer zal niet toenemen als gevolg van de dijkversterking. Daarom is voor dit bestemmingsplan geen nader onderzoek gedaan naar het effect van trillingen. Conclusie

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

55

Aangezien de weg nergens dichterbij woningen komt te liggen en de intensiteit van het verkeer niet zal toenemen als gevolg van de dijkversterking, veroorzaakt het bestemmingsplan geen hinder ten aanzien van geluid en trillingen. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft beide aspecten.

5.5

Externe veiligheid

Wettelijk kader Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die onder het BRZO vallen, LPG-tankstations, opslagplaatsen (PGS), ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico (PR) en regels voor het groepsrisico (GR). Het verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen hiermee rekening te houden. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit is vergelijkbaar met het Bevi, maar dan van toepassing op buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het gaat om buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm (1,97 inch) en een druk van meer dan 1600 kPa (16 bar) en om buisleidingen voor aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm (2,76 inch) en een druk van meer dan 1600 kPa. Buiten de regels over het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het groepsrisico is in het Bevb bepaald dat in een bestemmingsplan de ligging van buisleidingen wordt weergeven en dat een regeling wordt opgenomen voor de belemmeringenstrook.

Deze belemmeringenstrook ligt op vijf meter aan weerszijden van de buisleiding of vier meter in geval van aardgasleidingen met een druk tussen 1600 en 4000 kPa. Hieronder zijn de gestelde eisen weergegeven: Risico's voor (beperkt) kwetsbare objecten Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (verder aangeduid met Activiteitenbesluit) stelt de eis dat geen kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-5 per jaar PR-contour als grenswaarde (zie afbeelding 5.2). Het plaatsgebonden risico weergeeft de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit. De 10-6 per jaar PR-contour geeft een kans op overlijden van 1 op 1.000.000 weer en de 10-5 per jaar PR-contour geeft een kans op overlijden van 1 op 100.000 weer.

Tabel 14, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten Situatie plangebied De route over de dijk is niet aangewezen als route voor vervoer van gevaarlijke stoffen en zal dit ook niet worden. Nieuwe risicobronnen worden niet mogelijk gemaakt. Ook maakt het plan geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk. De Waal is wel aangewezen als route voor vervoer van gevaarlijke stoffen. De PR-contouren van deze

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

56

route zijn gelegen binnen de oevers van de Waal en hebben daardoor geen effect op het plan. Ook andere in de nabijheid gelegen risicovolle activiteiten, zoals LPG-tankstations hebben geen effect op het plan. Het plangebied wordt gekruist door een drietal gasleidingen en door een brandstofleiding. De PR-contouren als gevolg van deze leidingen liggen op de leidingen en zullen derhalve geen effect hebben op het plan. Deze gasleidingen en brandstofleiding hebben een beschermend regime gekregen middels een respectievelijk de dubbelbestemmingen 'Leiding – Gas' en 'Leiding – Brandstof' met bijbehorend vergunningenstelsel. Deze stroken hebben een breedte van 5 meter aan weerszijden van de leiding. Conclusie Het plangebied laat geen nieuwe risicobronnen en -routes toe, daarnaast staat het bestemmingsplan geen (beperkt) kwetsbare objecten toe. Relevante gas- en brandstofleidingen hebben een beschermend regime gekregen. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft het aspect externe veiligheid.

5.6

Bodem

Wettelijk kader en inleiding In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden.

Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd. Situatie plangebied Met betrekking tot de milieuhygiënische bodemkwaliteit heeft een historisch vooronderzoek bodem plaatsgevonden (RHDHV, 2015). Hierin is het gebied tussen de rivieras van de Waal tot 250 meter vanaf de dijk binnendijks geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat de te verwachten bodemkwaliteit te classificeren is als niet tot licht verontreinigd. Vertaald naar de huidige regelgeving (het Besluit bodemkwaliteit) is de te verwachten bodemkwaliteit te classificeren als 'voldoet aan de achtergrondwaarde' en 'wonen'. Daarnaast zijn de bodemrisicolocaties (alarmlocaties) in beeld gebracht. Dit zijn locaties met een verhoogde kans op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen, namelijk; stortplaatsen, baggerdepots, locaties waar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden met een hoog risico op bodemverontreinigingen en niet gesaneerde locaties waar al een sterke verontreiniging is aangetoond. Locaties waar mogelijk ernstige verontreiniging van de bodem voorkomt zijn in het VKA uitgesloten van het dijktracé.

Saneringen (binnendijks) of bodemingrepen in ernstig verontreinigde grond (buitendijks) hoeven dan ook niet uitgevoerd te worden. In de uiterwaard bij dijkvak 10a (Heuffterrein) ligt buitendijks een voormalige stortplaats. Deze zal worden vermeden en ligt buiten het plangebied. Aangezien de functies waterkering, verkeer, agrarisch en groen geen gevoelige functies zijn en gezien

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

57

het feit dat bodemkwaliteit te classificeren is als niet tot licht verontreinigd en bekende verontreinigingen gemeden worden, kan gesteld worden dat de kwaliteit van de bodem voldoende is voor het toekomstige gebruik. Conclusie De (water)bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.7

Water

Wettelijk kader en inleiding In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Situatie plangebied Ten aanzien van het aspect water zijn de volgende onderdelen behandeld: oppervlaktewater, grondwater, wateroverlast bij dijkwoningen en waterveiligheid. Oppervlaktewater De dijk tussen Gorinchem en Waardenburg is gelegen langs de Waal. Deze rivier is niet gestuwd en laat grote fluctuaties zien qua waterstand. De gemeten waterstand tussen 2000 – 2016 ter hoogte van Tiel, Zaltbommel en Vuren is weergegeven in onderstaande figuur.

Figuur 15, Waterstanden in de Waal ter hoogte van Tiel, Zaltbommel en Vuren Zichtbaar is dat de Waalpeilen fluctueren tussen NAP +0 m en NAP +9,5 m. In 2003 is de hoogste en laagste Waalstand gemeten. De Waal laat een duidelijk verhang zien tussen Tiel en Vuren. Grondwater Om inzicht te verkrijgen in de (geo-)hydrologische effecten is een geohydrologisch model opgezet (Gralliantie, 2019).

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

58

De Waal heeft een zeer sterke invloed op de werking van het watersysteem direct rondom de rivier. Tijdens hoogwaterperioden heeft de Waal een sterk infiltrerende werking. De kwel binnendijks is dan maximaal. Tijdens een laagwatersituatie heeft de rivier een drainerende werking. Gemiddeld gezien heeft de Waal een infiltrerende werking en veroorzaakt daarmee kwel binnendijks. Bewoners ondervinden bij hoogwater en heftige regen soms wateroverlast. De effecten van de dijkversterking en de maatregelen in de uiterwaarden op het achter de dijk liggende watersysteem zijn in kaart gebracht en getoetst aan het beleid van het waterschap Rivierenland. Hierbij is de toekomstige situatie bij drie kenmerkende rivierstanden onderzocht: hoogwater (zoals dat eenmaal in de tien jaar plaatsvindt), laagwater (idem) en een gemiddelde rivierstand. In deze drie hydrologische situaties mogen de effecten geen significant effect hebben op het huidige landgebruik. Voorgaande is conform de Richtlijn toetsing kwel en wegzijging van het waterschap Rivierenland. Met het model is het effect onderzocht van de plaatsing van damwanden in hoogwatersituaties. Dit is gedaan voor verschillende typen bodemopbouw. Aan de rivierzijde vindt een kleine opstuwing plaats (van 5-10 centimeter) en aan de binnenzijde een kleine verlaging (idem). Het effect blijft ruimtelijk beperkt tot de zone van de dijk.

De vergravingen in de uiterwaarden zorgen voor kleine grondwatereffecten binnendijks en buitendijks. Wateroverlast bij dijkwoningen Het optreden van wateroverlast rond woningen kan niet met een modelberekening in kaart worden gebracht; daarvoor is het grondwatermodel te grof. Het voorkomen van wateroverlast is een ontwerpopgave die in de volgende fase ter hand wordt genomen. Daarbij wordt zowel gekeken naar de grondwaterstand (de zogenoemde freatische lijn) in het dijklichaam en de bermen, als naar de opvang en afvoer van het regenwater dat op de dijk en de bermen valt. In dit ontwerpproces wordt het optreden van wateroverlast zoveel mogelijk door een uitgekiend ontwerp voorkomen. Mogelijk worden daarbij maatregelen zoals drains en greppels in het ontwerp opgenomen. Waterveiligheid Dit plan heeft tot doel de waterveiligheid te vergroten middels het versterken van de dijk tussen Gorinchem en Waardenburg. Watertoets Dit bestemmingsplan is gelijktijdig met het Projectplan Waterwet in opdracht van het waterschap Rivierenland tot stand gekomen. Een goede waterhuishouding is één van de uitgangspunten voor het plan geweest. Conclusie: De effecten op het (grond)water zijn niet significant. Daar waar overlast ontstaat kunnen maatregelen getroffen worden. Dit plan heeft als doel de waterveiligheid te verbeteren.

Gezien vorenstaande kan het bestemmingsplan uitvoerbaar worden geacht ten aanzien van het aspect water.

5.8

Ecologie

Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

59

leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Gebiedsbescherming Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het NNN, beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk onderdeel van de Wet Natuurbescherming is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dienen de initiatiefnemers een 'passende beoordeling' te maken.

Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet. Soortenbescherming Het doel van de Flora- en faunawet is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Flora- en faunawet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Er bestaan drie beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen beschermde soorten geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de overige beschermde soorten is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten kan enkel afgeweken worden na een uitgebreide toetsing. Situatie plangebied Bestaande waarden natuur en groen Natura 2000 gebieden Ter hoogte van de te versterken dijk zijn twee Natura 2000 gebieden gelegen; Natura 2000 gebied Rijntakken en Natura 2000 gebied Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem.

Natura 2000 gebied Lingegebied & Diefdijk bevindt zich op circa 2 kilometer ten noorden van het plangebied. De uiterwaard ter hoogte van de dijkvakken 1a, 1b en 2a (in het oosten van het plangebied) maakt onderdeel uit van Natura 2000 gebied Rijntakken. Het Natura 2000 is aangewezen voor 11 habitattypen, 11 soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn, 12 broedvogels en 26 niet-broedvogels. Ter hoogte van de dijkvakken 1a, 1b en 2a ligt het beschermde habitattype vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen – H91E0A). Voor dit habitattype geldt de doelstelling 'behoud oppervlak' en 'verbetering kwaliteit'. Natuurnetwerk Nederland en Groene ontwikkelingszone Veel uiterwaarden maken daarnaast onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Bij Vuren en Fort Vuren en het westelijk deel van deeltraject 8 (Zeiving) is ook binnendijks gebied aangewezen als NNN. In Gelderland wordt het NNN het Gelders Natuurnetwerk genoemd (GNN). Rondom het Gelders Natuurnetwerk ligt waardevol landschap dat vervlochten is met de daaraan grenzende natuurgebieden: de Groene Ontwikkelingszone (GO). Voor deze zone geldt dat in een bestemmingsplan geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt mogen worden, als die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied.

Het beleid rond het Natuurnetwerk Nederland in Zuid-Holland en Gelderland en de bestaande kernkwaliteiten zijn beschreven in het NNN-compensatieplan. Beschermde soorten

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

60

In het kader van de dijkversterking is eerst een Natuurtoets uitgevoerd (Natuurtoets Dijkverbetering Gorinchem - Waardenburg), Bureau Waardenburg, 2015 en vervolgens een uitgebreide natuurverkenning (Natuurverkenning dijkverscherming Gorinchem - Waardenburg) Bureau Waardenburg, 2018. Na het vaststellen van het Voorkeursalternatief is nog een aantal aanvullende veldonderzoeken uitgevoerd. De uitgebreide resultaten zijn beschreven in het Soortenmanagementplan deel I, dat een bijlage vormt bij het Projectplan Waterwet. Voor informatie over het uitgevoerde onderzoek en de resultaten wordt verwezen naar het Soortenmanagementplan deel I. Binnen het studiegebied is een aantal landschapselementen te onderscheiden die waardevol zijn voor beschermde soorten. Dit betreft onder meer bomenlanen (vleermuizen), binnendijkse wielen en wateren (amfibieën) en diverse bosschages (bever, kleine marterachtigen en amfibieën). Een aantal van de plassen staan in open verbinding met de rivier, andere liggen geïsoleerd en stromen alleen tijdens hoogwater mee. Belangrijke hotspots voor vleermuizen langs het dijktraject zijn Fort Vuren en de voormalige steenfabriek Vuren. Deze objecten fungeren als (winter)verblijfplaats voor vleermuizen en hebben een onderlinge relatie.

Langs het traject bevinden zich in verschillende uiterwaarden beverterritoria, waaronder in de Crobsche Waard, Woelse Waard en Hondswaard. In de Crobsche Waard komen tevens kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad voor. Poelkikker is ook op enkele andere plekken langs de dijk aangetroffen (onder andere in de Herwijnense Bovenwaard). Verspreid langs het dijktraject bevinden zich territoria van vogels waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is. Het gaat hierbij om steenuil, ransuil, buizerd, ooievaar, gierzwaluw en huismus. De dijkvegetaties herbergen geen beschermde flora maar wel soorten die karakteristiek zijn voor het rivierengebied zoals gewone agrimonie, echte kruisdistel en brede ereprijs. Bomen en houtopstanden Langs de dijk bevinden zich verspreid diverse bomen en houtopstanden. Er is een inventarisatie gemaakt van houtopstanden buiten de bebouwde kom en buiten tuinen. Dit in verband met compensatie vanuit de voormalige Boswet (inmiddels Wet natuurbescherming). Daarnaast geldt de kapvergunningplicht volgens de Algemene Plaatselijke Verordeningen (APV) van Gorinchem en West Betuwe. Hiervoor zijn de bomen binnen het ruimtebeslag van de voormalige gemeente Neerijnen van naam en doorsnede voorzien. Kaderrichtlijn Water De Waal is aangewezen als waterlichaam in het kader van de Kaderrichtlijn Water.

Alle KRW-oppervlaktewaterlichamen moeten uiterlijk in 2027 voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen. Invloed op instandhoudingsdoelen Natura 2000 Er is geen sprake van ruimtebeslag binnen Natura 2000-gebied Rijntakken of verstorende effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en/of Vogelrichtlijn. Habitatrichtlijnsoorten komen niet voor binnen de invloedszone van de dijk of zijn niet gevoelig voor de mogelijke verstoring (zicht, geluid) samenhangend met de dijkversterking ter plaatse. Derhalve zijn er geen effecten op habitatrichtlijnsoorten. Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aan de dijk ter plaatse van dijkvak 1a, 1b en 2a, is geen geschikt broedbiotoop voor vogelrichtlijnsoorten waarvoor aan Rijntakken een instandhoudingsdoelstelling is meegegeven, aanwezig. Derhalve zijn er geen effecten op broedvogels binnen de Vogelrichtlijn. Binnen het telvak waar het Natura 2000-gebied Rijntakken ter plaatse van de dijk (dijkvak 1a, 1b en 2a) valt, (en dat groter is dan het Natura 2000-gebied ter plaatse en groter dan de invloedssfeer van de dijk) komen de volgende niet-broedvogels binnen de Vogelrichtlijn voor: aalscholver, bergeend, fuut, pijlstaart, slobeend, tafeleend, tureluur, wintertaling, brandgans, grauwe gans, kolgans, smient, grutto, kievit, krakeend, kuifeend, meerkoet, scholekster, wilde eend en wulp.

In de huidige situatie is er sprake van beweging op de dijk van wandelaars en fietsers (die wellicht zo nu en dan stil staan om over het gebied te kijken). Hier zijn de vogels op aangepast: er is gewenning opgetreden. Stikstofdepositie Gebruiksfase De gebruiksfase heeft geen toename of verandering van uitstoot van stikstofverbindingen tot gevolg. Aanlegfase

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

61

De uitvoeringshandelingen gaan gepaard met de uitstoot van stikstofverbindingen door materieel. De tijdelijke extra stikstofdepositie kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde habitattypen in Natura 2000-gebieden. De effecten van de handelingen voor de dijkversterkingen Gorinchem - Waardenburg en het naastgelegen Tiel - Waardenburg (TiWa) zijn tezamen in kaart gebracht en passend beoordeeld vanwege de overlappende uitvoeringsperiode. Voor deze effecten wordt een vergunning Wet natuurbescherming aangevraagd. Uit de berekeningen blijkt dat sprake is van een tijdelijke bijdrage van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar (mol/ha/jr) op meerdere habitattypen/leefgebieden in meerdere Natura 2000-gebieden. Voor de habitattypen/leefgebieden waarvoor significante negatieve effecten niet zijn uit te sluiten is de zogenoemde ADC-toets uitgevoerd. Als er geen zekerheid is dat een plan of project geen significante effecten heeft, een vergunning alleen kan worden verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. a.

geen alternatieve oplossingen De dijk beschermt het achterland tegen hoogwater vanuit de rivier de Waal. De dijk moet voldoen aan een wettelijke norm die is vastgelegd in de Waterwet. De dijk voldoet op dit moment niet. Voor het versterken van de dijk bestaan geen alternatieve oplossingen. In het MER zijn alternatieven afgewogen voor het ontwerp van de dijk. In alle alternatieven wordt voldaan aan de veiligheidsnorm. De alternatieven die zijn onderzocht in het MER hebben onder meer betrekking op de ligging van de dijk (inclusief de steunbermen) en op de toepassing van materialen voor de versterking van de dijk. Uit deze alternatieven is door het bestuur van Waterschap Rivierenland een voorkeursalternatief gekozen, waarbij zo goed mogelijk rekening is gehouden met het sparen van alle bestaande waarden in de omgeving. In de berekening van de tijdelijke uitstoot met het model Aerius is uitgegaan van materieel (zoals vrachtwagens, bulldozers en materieel om damwanden te plaatsen) dat voldoet aan de stand der techniek. b. dwingende redenen van groot openbaar belang De dijken beschermen dijkring 43 (Betuwe en Tieler- en Culemborgerwaarden) tegen hoogwater vanuit de rivier de Waal. Het belang is dat de dijk de inwoners en alle economische waarden in het gebied, inclusief vitale infrastructuur, beschermt tegen overlijden en vernietiging door een overstroming.

Dit is een dwingende reden van groot openbaar belang. Het project voldoet aan de eerste twee voorwaarden. Daarnaast vindt compensatie plaats. c. compensatieplan Van de habitattypen waarvoor significante effecten in deze analyse niet worden uitgesloten is berekend wat de compensatie-opgave is voor de tijdelijke depositietoename. De compensatie vindt plaats door minimaal 1.000 m2 agrarisch gebruikt weiland of akkerland binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken middels gericht beheer om te vormen tot: kamgrasweide; nat, matig voedselrijk grasland; glanshaverhooiland; stroomdalgrasland; dotterbloemgrasland. Invloed op leefgebieden van beschermde soorten Binnen de periferie van de dijkversterkingswerkzaamheden komen verschillende beschermde soorten voor van de soortgroepen vogels, zoogdieren en amfibieën. Zie voor het onderzoek naar de aanwezigheid

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

62

van beschermde soorten het Soortenmanagementplan deel I. Werkzaamheden kunnen direct (bijvoorbeeld ruimtebeslag) of indirect (bijvoorbeeld verstoring) effect hebben op de vaste rust- en verblijfplaats van beschermde soorten. Een enkel dijkvak uitgezonderd, vindt vrijwel langs het hele traject aantasting van zomer-/paarverblijven van gewone dwergvleermuis (en een enkele keer van ruige dwergvleermuis) plaats. Aantasting van vliegroutes voor vleermuizen langs opgaande vegetatie speelt op enkele locaties. Het verdwijnen van opgaande vegetaties (struweel en bosschages) leidt tevens op het aantasten van leefgebied van kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) en/of bever. Enkele objecten binnen het ruimtebeslag zijn geschikt voor steenmarter en verdwijnen hierdoor. Bij vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (ransuil, steenuil en huismus) is het effect veelal beperkt tot aantasting van het leefgebied (territorium). In enkele gevallen verdwijnt (ook) de nestlocatie (ooievaar en buizerd). De effecten op amfibieën variëren per dijkvak. In dijkvakken 1b en 2a verdwijnt compleet leefgebied van de kamsalamander, terwijl dit effect in dijkvakken 4b, 5a, 5b en 5b 'beperkt' blijft tot overwinteringsbiotoop. Dit laatste geldt ook voor rugstreeppad en poelkikker.

In het Soortenmanagementplan deel II, (dat een bijlage vormt bij het Projectplan Waterwet) zijn de (potentiële) effecten op beschermde soorten beschreven en de maatregelen die worden genomen om de effecten te mitigeren. Invloed op bomen en houtopstanden Effecten op oppervlakte bomen en houtopstanden zijn afgerond op twee decimalen. In totaal wordt 7,08 hectare geraakt, variërend van 0,01 tot 0,52 hectare per dijkvak. Veel van deze houtopstanden liggen in NNN en gaan mee in de NNN-compensatie, zie ook hiervoor onder het kopje 'Invloed op kwaliteit NNN en Groene Ontwikkelingszone'. In 24 dijkvakken worden geen houtopstanden geraakt. Alle beeldbepalende en/of monumentale bomen binnen het ruimtebeslag worden gespaard. Effecten op Kaderrichtlijn Water Voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) is bepaald wat het ruimtebeslag zal zijn van het Ecologische Relevant Areaal (ERA). In totaal zal er sprake zijn van ruimtebeslag van 2,8 hectare ERA. Er is alleen sprake van ruimtebeslag in het onderdeel 'niet verbonden met het zomerbed'. Hiervan overlapt 2,2 hectare met NNN-areaal waar ook ruimtebeslag plaats vindt. Omdat er geen dubbelcompensatie hoeft plaats te vinden, wordt deze 2,2 hectare ERA gecompenseerd met de NNN-compensatie. Dan resteert er een oppervlak van 0,6 hectare ERA dat gecompenseerd moet worden.

(Over)compensatie hiervan vindt plaats in de Herwijnense Bovenwaard middels de aanleg van een geul met brede oevers (beheertype rivier). Conclusie Effecten op beschermde soorten zijn niet uit te sluiten. Effecten op gebieden; Natura 2000-gebieden, NNN en KRW oppervlaktewaterlichamen treden op. Voor het verdwijnen van en/of de negatieve effecten op deze beschermde soorten en gebieden vindt mitigatie dan wel compensatie plaats. Hiertoe zijn compensatieplannen opgesteld. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect ecologie.

5.9

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader Wet op de Archeologische Monumentenzorg In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) zijn de uitgangspunten van het in 1992 ondertekende Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. In deze wet is vastgelegd dat gemeenten in het kader van ruimtelijke ordening ook rekening dienen te houden met het archeologisch erfgoed. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient inventariserend archeologisch onderzoek te worden gedaan, zodat in het plan - indien nodig - een passende regeling kan worden getroffen om aanwezige archeologische waarden te beschermen. Uitgangspunt van de Wamz is om archeologische waarden te beschermen, zonder meer maatschappelijke last te veroorzaken dan nodig is. Wat er moet gebeuren,

Dijkv ersterking Gorinchem - Waardenburg

63

verschilt per gebied en regio, dus niet alle activiteiten zijn even ingrijpend. De Wamz heeft vier belangrijke pijlers: archeologische waarden moeten zo veel mogelijk in de bodem (in situ) worden bewaard, omdat de bodem de beste conserveringsomgeving is; archeologie moet tijdig worden meegenomen in de procedures van ruimtelijke planvorming; de verstoorder van het bodemarchief betaalt de kosten van archeologisch vooronderzoek en noodzakelijke volwaardige opgravingen, voorzover die kosten redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de verstoorder; gemeenten en provincies krijgen een belangrijke rol in de verankering van archeologie in hun ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen; zij krijgen de ruimte om omgevingsvergunningvoorwaarden genuanceerd in te vullen. Erfgoedwet In het kader van de modernisering van de Monumentenwet is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat in een bestemmingsplan niet alleen een beschrijving moet staan op welke wijze rekening gehouden wordt met aanwezige of te verwachten monumenten in de grond (archeologie), maar ook met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen.

De wet regelt de omgang met Rijksbeschermde gebouwde en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. Situatie plangebied Cultuurhistorie Langs de dijk bevinden zich diverse nederzettingen, die sinds de Middeleeuwen elk op hun eigen manier zijn gegroeid, vaak door de aanwezigheid van een oeverwal. Deze historische dorpskernen liggen dichtbij en soms zelfs aan de dijk. Op grillige gronden is de bebouwing direct aan de dijk ontwikkeld en vormt een (historisch) dijklint langs de dijk. Aan de dijk zijn ook typerende 'centrale functies' gesitueerd zoals kerken, begraafplaatsen en bestuursgebouwen, maar ook (voormalige) boerderijen en een grote variatie aan woonhuizen. Op en langs de dijk is een groot aantal beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten zoals kerken, molens, woningen en het peilhuisje gelegen. Gorinchem is tevens aangewezen als beschermd stadsgezicht. Karakteristiek voor de uiterwaarden zijn strangen (overgebleven delen van oude rivierlopen). Op enkele plaatsen ligt aan de buitenkant van de dijk land dat ooit binnendijks lag maar door teruglegging van de dijk buitendijks is komen te liggen. Dit oudhoevig land is te herkennen aan de verkaveling, die buitendijks in het verlengde ligt van de binnendijkse verkaveling. Ook liggen er langs het dijktraject diverse landgoederen.

De dijk langs de Waal is tot stand gekomen in de Middeleeuwen door het aaneenschakelen van toen aanwezige lokale dijken. Daardoor ontstonden dijkringen die rond 1400 gesloten werden. De dijk is in de loop der jaren meermaals versterkt en verlegd. Hierdoor is de dijk tussen de westkant van Herwijnen en Neerijnen bijzonder bochtig. Achter de dijk ligt een aantal wielen (onder andere bij Dalem en Vuren). Dit zijn overgebleven kolkgaten van dijkdoorbraken. Vanaf Haaften richting het westen zijn in het verleden achter de dijk kwelkades aangelegd om het kwelwater dat onder de dijk doorkwam tegen te houden (door middel van tegendruk). De kwelkades zijn door de laatste dijkversterking grotendeels verdwenen. Overige watergerelateerde objecten van historisch geografische waarden in het gebied betreffen kanalen (bijvoorbeeld de Oude Culemborgse haven), sluizen en de haven bij Tuil. Bijzondere elementen in de dijk zijn de drie overlaten ten oosten van Gorinchem. Deze functioneren sinds 1742 en dienen om overstromingswater uit te laten als het achterliggende gebied overstroomd is. Langs de dijk staan daarnaast diverse beeldbepalende en (gemeentelijk beschermde) monumentale bomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/288/documents/5851