1. GENL4_startnotitie_erfgoed_20210201-def.pdf
Tekst van het document
Startnotitie erfgoedbeleid West Betuwe Luuk Keunen, CeesJan Frank & Nico Willemse 1 februari 2021
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
In opdracht van de gemeente West Betuwe werken RAAP en het Monumenten Advies Bureau aan de harmonisatie van het erfgoedbeleid. Die harmonisatie was noodzakelijk als gevolg van de gemeentelijke fusie van Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal per 1 januari 2019. De harmonisatie leidde tot het rapport Erfgoed in de gemeente West Betuwe (RAAP-rapport 4150). In deze notitie verwijzen we waar nodig naar dat rapport, bijvoorbeeld voor uitleg over de achtergronden van waarderingen die als basis voor de beleidskeuzes. In deze startnotitie doen we in hoofdzaak twee dingen: 1.2
We brengen het bestaande beleid met invloed op erfgoed in kaart; We schetsen de mogelijkheden waarover in het kader van de harmonisatie besloten kan worden: Wat wil de gemeente West Betuwe beschermen? Leeswijzer
In hoofdstuk 2 beschrijven we het bestaande beleid in de gemeente in relatie tot erfgoed. Hoofdstuk 3 benoemt vervolgens de vragen aan de raad voor het nieuwe erfgoedbeleid.
1
2
Bestaand beleid
Het bestaand archeologisch beleid komt terug in hoofdstuk 3 en wordt hier niet behandeld. 2.1 Rijkswetten De belangrijkste wetten van rijkswege op het vlak van erfgoed zijn: -
Erfgoedwet (geldend sinds 1 juli 2016); bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die opgenomen gaan worden in de Omgevingswet op basis van het overgangsrecht Erfgoedwet; Wet ruimtelijke ordening (Wro), met het daarbij horende Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Daarnaast speelt uiteraard de Omgevingswet een rol, die naar de huidige planning op 1 januari 2022 moet ingaan. Op het gebied van erfgoed is belangrijk hoe de Erfgoedwet en de Omgevingswet zich straks tot elkaar gaan verhouden. Op het hiernavolgende plaatje is dat weergegeven. De Erfgoedwet gaat in de eerste plaats over de basisuitgangspunten, zoals de aanwijzing van rijksmonumenten, de certificering van bedrijven en de archeologische depots, terwijl de Omgevingswet regelgeving bevat op het gebied van de omgang met erfgoed.
Figuur 1. Van Monumentenwet 1988 naar Erfgoedwet en Omgevingswet.
2
Op basis van de rijkswetgeving zijn in de gemeente West Betuwe 281 c.q. 345 rijksmonumenten 1, drie beschermde stads- en dorpsgezichten en vijf beschermde buitenplaatsen aangewezen. 2.2
Rijksbeleid
2.2.1
Erfgoed telt
Het vigerende erfgoedbeleid van de rijksoverheid is in 2018 vastgelegd in de beleidsbrief Erfgoed telt. Dit is een verdere uitwerking van het regeerakkoord van het Kabinet-Rutte-III, dat daarmee een looptijd tot in 2021 heeft. Dat betekent tegelijk ook, dat het voor het nieuwe erfgoedbeleid van West Betuwe maar beperkte betekenis heeft, omdat het beleid van het volgende kabinet daarvoor relevanter is. Toch vatten we de belangrijkste voornemens uit deze beleidsbrief hier samen, vooral omdat het niet onwaarschijnlijk is dat het volgende kabinet op deze beleidsbrief gaat verder bouwen. De focus in de beleidsbrief ligt op de volgende zaken: -
Religieus erfgoed, agrarische monumenten, groene monumenten en archeologisch erfgoed; Monumenten zonder duidelijke economische waarde, zoals leegstaande kerken in krimpgebieden; Duurzaamheid van erfgoed; Kennis en vakmanschap in de erfgoedzorg; Erfgoed in grote ruimtelijke opgaven, zoals de energietransitie, klimaatadaptatie, bereikbaarheid en bouw van nieuwe woningen; Verbindingen tussen erfgoed en creatieve industrie; Vergroten van kennis over ons erfgoed; Aandacht voor volkscultuur; Vrijwilligers in de erfgoedsector.
Deze onderdelen worden samengevat in enkele hoofdthema’s, te weten de instandhouding van het erfgoed, de leefomgeving en de verbindende kracht van erfgoed. De problematiek in het Gronings aardbevingsgebied heeft bijzondere aandacht. De bovengenoemde aandachtspunten worden in de beleidsbrief vervolgens in concrete acties en budgetten uitgewerkt. Concretiseringen zijn bijvoorbeeld het opstellen van kerkenvisies, het opzetten van een monitor voor archeologisch erfgoed, het uitvoeringsprogramma van de Erfgoed Deal en acties om erfgoededucatie en vrijwilligersbetrokkenheid te stimuleren. Voor de gemeente is van belang dat het rijk middelen ter beschikking stelt om concrete uitvoeringsprojecten mogelijk te maken, zoals hulp bij de herbestemming van kerken of ingrepen ten behoeve van klimaatadaptatie.2
1
Voor een uitleg over de aantallen, zie § 3.4.1.
2
Erfgoed telt. De betekenis van erfgoed voor de samenleving (Ministerie van OCW , 2018).
3
2.2.2
Erfgoed in transitie: energielinie
In 2017 verscheen een beleidsdocument van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed over de omgang met energieopgaven in linielandschappen, specifiek de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Uitgangspunt voor het document was dat het onderhavige erfgoed zich niet zal onttrekken aan de ruimtelijke transformatie die de transitie van fossiele naar hernieuwbare energiebronnen met zich mee brengt. Deze transformatie wordt in dit boek juist gezien als een kans om het erfgoed te behouden en te versterken, met name in de delen die momenteel onder druk staan door andere ruimtelijke ontwikkelingen.3 Als concrete voorbeelden worden het telen van vochtminnende energiegewassen in inundatiegebieden en eigen opwekking van energie bij zelfvoorzienende forten genoemd. Ook worden de kansen van energieopwekking voor het ‘businessmodel’ van de linie genoemd. Het rapport steekt de opgaven in door uit te gaan van ‘essentiële kenmerken als leidraad’, en ziet de energieopwekking als nieuwe laag in het landschap.
Een belangrijk uitgangspunt is verder dat het gebied binnen de gemeente West Betuwe vrijwel volledig wordt gevat onder de noemer ‘erfgoed niet onder druk’, de meest positieve van de 3 kwalificaties.4 Alleen de hoofdweerstandslijn in de voormalige gemeente Lingewaal wordt benoemd als ‘hoofdweerstandslijn onder druk’, met name door de uitbreiding van Gorinchem en de landschappelijke transities rond het Lingebos. Het rijksbeleid ziet daarom voor de gemeente West Betuwe als belangrijkste opgave: Erfgoed intact, onderscheid binnen/buiten onduidelijk: contrast opvoeren, programmatisch opladen. Daarbij doelt men op het feit dat het erfgoed van de linie er nog wel is, maar dat voor de bezoeker niet altijd meer duidelijk is waar hij zich in de linie bevindt. Daarom pleit men ervoor om het ruimtelijke contrast te vergroten en in specifieke zones van de linie specifieke functies te bevorderen. Letterlijk zegt men daarover: Op plekken waar het erfgoed nog grotendeels intact is, staat het behoud van het linielandschap voorop. Dit kan door het ‘opladen’ van het erfgoed met meerdere (landschappelijke) betekenissen en door ruimte te creëren voor ontwikkelingen die deze betekenissen ondersteunen. Dit kan in plaats van, maar ook in aanvulling op een stevig beschermingsregime zoals bijvoorbeeld de Beemster dat geniet.
Deze betekenissen kunnen hun oorsprong hebben in landschappelijke opgaven zoals waterberging, natuurontwikkeling, (streek)voedselproductie, (extensieve) recreatie, landschappelijk wonen en kleinschalige energieopwekking, -opslag en –transport. Voor energie geldt hier dat naast ondergrondse (en dus niet zichtbare) modaliteiten, vooral biomassa (versterken van landschappelijke structuren), reductie van de CO2-uitstoot door opzetten van het waterpeil, energiebesparingen, kleinschalige elektriciteitsopwekking (bijvoorbeeld energieopwekking gekoppeld aan bebouwing) de voorkeur genieten.5 Bouwstenen voor West Betuwe als onderdeel van het laagdynamische deel van de linie zijn daarbij: • • 3
Extensieve veeteelt en biomassateelt met korte rotatiecyclus in inundatiegebied; Terughoudende én betekenisvolle toepassing van zonnevelden en windturbines *;
Erfgoed in transitie: energielinie, p. 9
4
Met name ten zuiden van de W aal en rond Amsterdam en Utrecht is de druk veel groter.
5
Erfgoed in transitie: energielinie, p. 29
4
• • • • • • • • • • • • • • •
Zorgvuldig ingepaste geothermie-systemen; Vrijwaringszone hoofdweerstandslijn door (boven)regionale kavels en leidingen (elektriciteit, warmte, co2, data); Oplaadpunten ten behoeve van elektrische mobiliteit langs (recreatieve) routes; Afvoerroutes van biomassa langs hoofdweerstandslijn en/of accessen; Elektriciteitskabels door de aanvoerroutes van het watermanagementsysteem; Hoogdynamische ontwikkeling van forten 6; Gebruik de kwaliteiten van het fort (nat, koud, stabiel klimaat); Voeg veel energie en geld toe; Voeg leven toe aan het fort; Gebruik lokale smartgrids en energieuitwisseling; Gebruik in het omliggende land geproduceerde biomassa in een fort; Gebruik zonnepanelen op bijgebouwen van forten; Gebruik klein wind, passend bij de schaal van de historische windmolens; Opslag van energie in forten; Forten als bouwsteen voor de energielinie.
* Ten aanzien van de energieopgave achten we dit punt van bijzonder belang voor West Betuwe: Zowel zonnevelden als windturbines dienen terughoudend en in overleg met lokale gebruikers in het linielandschap te worden toegepast en dienen betekenis aan het landschap toe te voegen.7 In de nota wordt voor het deelgebied ‘kommen en wallen’ een specificatie gegeven. Hier wordt herhaald dat het contrast tussen het ‘beschermde’ deel en het inundatiegebied aan de vijandige zijde versterkt zou kunnen worden, onder meer door waterberging en biomassateelt. Verder noemen ze de instandhouding van het erfgoed op de forten, waarbij ook de energetische opgave voor de forten een rol speelt. Windmolens en zonneparken worden voor dit deelgebied niet expliciet benoemd. 2.3 Provinciale verordeningen De provincie Gelderland kent geen eigen monumenten- of erfgoedverordening en geen provinciale monumentenlijst, zoals sommige andere provincies wel. Wel heeft ze een Geconsolideerde Omgevingsverordening uit december 2018. Daarin zijn regels omtrent natuur en landschap opgenomen. Toegevoegd aan het plan is een bijlage met de kernkwaliteiten van de nationale landschappen. Onderdeel van het aspect Natuur en landschap zijn onder meer de Nieuwe
6
De nota noemt het Geofort en Fort Asperen als positieve voorbeelden!
7
Erfgoed in transitie: energielinie, p. 33
5
Hollandse Waterlinie, instructieregels bestemmingsplan bescherming landschap, instructieregels bestemmingsplan groene ontwikkelingszone en zaken met betrekking tot het Gelders natuurnetwerk. In de Omgevingsverordening is verder bescherming van molenbiotopen benoemd. 2.4 Provinciaal beleid In 2020 ontwikkelde de provincie Gelderland haar beleid voor cultuur en erfgoed voor de komende zittingsperiode van GS. Men beoogt af te stappen van subsidieregelingen, om sneller op de actualiteit te kunnen inspelen. Inhoudelijk zijn de algemene speerpunten: -
Verbinden, verwonderen en bewaren Streven naar duurzame toegankelijkheid Ruimte voor de regio Aandacht voor de makers
Jaarlijks wordt in een uitvoeringsagenda vastgelegd waar men zich op wil richten. Daardoor ontstaat meer flexibiliteit. Samenwerking met gemeenten vindt plaats via de zogenaamde Cultuur- en Erfgoedpacten. Daarbij is cofinanciering het uitgangspunt. In de bijlage bij de uitgangspuntenbrief zijn de volgende algemenere en concrete bijdragen van de provincie Gelderland opgenomen: -
Vakmensen in de restauratiesector; Cultuur- en erfgoedparticipatie; De leerstoel ‘Gelderse geschiedenis’ aan de Radboud Universiteit en bijdragen aan het Verhaal van Gelderland; Samenwerking met de Stichting Erfgoed Gelderland op het vlak van erfgoededucatie; Streektalen; Een Gelders Mediafonds; Ondersteuning van de Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen; Een wettelijke taak in advisering over rijksmonumenten (i.s.m. RCE, gemeenten, Gelders Genootschap); Ondersteuning van eigenaren bij restauraties, herbestemmingen en verduurzaming; Cofinancieringsregeling bij een subsidieregeling van gemeenten voor gemeentelijke monumenten; Ondersteuning van (inter)nationale projecten over aanpak van monumentaal erfgoed; Samenwerking in de Gelderse Erfgoed Alliantie (met de Monumentenwacht, Gelders Genootschap, Gelders Restauratiecentrum, Geldersch Landschap en Kasteelen, en de Stichting Oude Gelderse Kerken); Verder delen van kennis over historische interieurs; Ondersteuning van Gelderse moleneigenaren;
6
-
Samenwerkingsverband Erfgoed: ondersteuning van Gelderse gemeenten in erfgoedbeleid en uitvoering daarvan, w.o. het Planoverleg Cultuurhistorie Gelderland; Ontwikkeling van een provinciale kerkenvisie; Provinciale bijdrage aan de Monumentenwacht; Toeristisch-recreatieve vermarkting van de NHW en de Limes; Uitvoering van de wettelijke taak m.b.t. het archeologisch depot; Reservering van middelen voor opgravingsgegevens die niet konden worden uitgewerkt.
2.5 Gemeentelijke verordeningen Sinds 2019 geldt de voormalige erfgoedverordening van Geldermalsen voor de gehele gemeente West Betuwe. Deze verordening voorziet met name in: -
de aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen , inclusief een voorbescherming; - de aanwijzing van gemeentelijke monumenten en gemeentelijke archeologische monumenten, inclusief een voorbescherming; - de instelling van een gemeentelijke adviescommissie; - aanwijzing van voorlopige gemeentelijke monumenten; - de instandhoudingsplicht van en omgevingsvergunningsplicht voor gemeentelijke monumenten; - de adviesrol voor omgevingsvergunningen van rijksmonumenten - de aanwijzing van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten; - de toewijzing van de handhaving en toezicht aan de ODR. De gemeentelijke monumentenlijst komt voort uit deze erfgoedverordening. Daarop zijn momenteel 316 c.q. 403 gemeentelijke monumenten opgenomen.8
8
Voor een uitleg over de aantallen, zie § 3.4.1.
7
2.6
Bestemmingsplannen
2.6.1
Inleiding
Een deel van het erfgoed in de gemeente West Betuwe is via de planologische weg geborgd. In de eerste plaats geldt dat de juridisch bindende borging van erfgoedwaarden in rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten via het bestemmingsplan verloopt. Dat betekent, dat de waarden zoals die zijn geconstateerd in de drie beschermde gezichten Waardenburg-Neerijnen, Acquoy en Beesd zijn vertaald naar de betreffende bestemmingsplannen. 2.6.2
Bestemmingsplannen buitengebied, kernen etc.
In het kader van deze verkenning en de verkenning die enkele jaren geleden werd uitgevoerd is een selectie gemaakt uit de bestemmingsplannen van de drie gemeenten, om daarmee een algemeen inzicht te krijgen in de wijze waarop cultuurhistorie in deze plannen is meegenomen. Op basis daarvan kunnen adviezen voor eenduidige herziening worden geformuleerd. Dat kan vervolgens leiden tot een scan van álle bestemmingsplannen op deze aspecten. GELDERMALSEN Buitengebied 2018 – Een ontwerp-bestemmingsplan voor het buitengebied van Geldermalsen is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’. Daarin komen de relevante bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’, ‘Gemengd’ en ‘Natuur’ voor. In die bestemmingen wordt expliciet gesproken over het behoud van cultuurhistorische waarden. Daarnaast komen als dubbelbestemmingen vijf verschillende waarden archeologie en een Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie voor. Daarbij wordt verwezen naar bijlagen naar de universele waarden en de kernkwaliteiten van de waterlinie. Een relevante aanduiding is verder ‘specifieke bouwaanduiding – beeldbepalende dijkbebouwing’. Een algemene borging van karakteristieke of beeldbepalende bebouwing lijkt niet voor te komen. Belangrijk is, dat in de regels onder 1.71 waardevol landschapselement wordt verwezen naar ‘zoals ondere is opgenomen in (…) RA AP-rapport 2887 (…) of diens rechtsopvolger’.
Dat betekent dat bij vaststelling van een geactualiseerde versie, deze nog onder de g enoemde definitie valt. Onder de algemene aanduidingsregels staan nog de volgende relevante aspecten: 36.7 Vrijwaringszone - molenbiotoop -
36.7.3 Afwijken van de bouwregels: afwijkingen mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van de werking en waa rden van de molen;
-
36.7.4 Omgevingsvergunning (…): idem 8
36.12 Overige zone – landgoed: -
De gronden zijn mede bestemd voor behoud en/of ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische, natuur- en landschapswaarden (…)
36.13 Overige zone – kromakkers -
De gronden zijn tevens bestemd voor het behoud van de cultuurhistorische waarden.
Verder vinden we onder de algemene afwijkingsregels: 37.5 Schuurbergen bij woningen: -
Bij omgevingsvergunningen kan worden afgeweken van de regels als de opgenomen oppervlakte uitsluitend ten behoeve van de bouw van bijgebouwen bij woningen in de vorm van schuurbergen, mits er sprake is van een cultuurhistorische toegevoegde waarde.
37.7 Mini-windturbines -
Er kan worden afgeweken bij het toestaan van mini-windturbines op een gebouw als er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de architectonische, cultuurhistorische, landschappelijke of natuurwaarden.
Geldermalsen Centrum 2013 - Voor het bebouwde gebied hebben we het bestemmingsplan Geldermalsen centrum 201 3 eruit gelicht. Aan de cultuurhistorische kwaliteiten wordt hierin uitgebreid aandacht besteed. De vertaling vindt op verschillende manieren plaats, onder meer door aandacht voor groene zones en door het hanteren van het historische stratenpatroon en het subtiel verspringende ro oilijnenverloop. Daarnaast is een zone ‘beeldbepalend dorpsgebied’ geformuleerd, waar ‘beheer en herstel van het bestaande bebouwingsbeeld’ de basis voor ontwikkelingsmogelijkheden is. Ook aan herstel van niet-historische dissonanten is gedacht. Er is niet voorzien in een dubbelbestemming cultuurhistorie, maar wel in een vrijwaringszone – molenbiotoop. Beesd 2018 - Recentere bestemmingsplannen voor kernen zijn onder meer in Beesd en Deil (2018) opgesteld. In het plan van Beesd is veel aandacht voor de cultuurhistorische waarden van de oude kern en dijkbebouwing, inclusief de vertaling ervan in de regels en de verbeelding.
Aandachtspunten zijn onder meer het behoud van karakteristieke open plekken, het waarborgen van de afwisseling in schaal en p ositionering van de woningen en percelen, het plaatsen van nieuwbouw op de oude locatie van de voorganger, een splitsingsregeling voor cultuurhistorisch waardevolle panden (zie ook de bestemmingsplannen voor Rumpt, Buurmalsen, Meteren, Rhenoy en Tricht) en aan sluiting op de bestaande regeling voor het beschermd dorpsgezicht van Beesd.
9
LINGEWAAL Buitengebied 2012 - Voor het buitengebied van Lingewaal zijn het Bestemmingsplan Buitengebied 2012 en het Reparatieplan Bestemmingsplan Buitengebied 2014 van kracht. Cultuurhistorische waarden komen hier heel nadrukkelijk, uitgebreid en expliciet in naar voren. Paragraaf 3.2.7 laat duidelijk zien op welke manier ‘landschap, cultuurhistorie en archeologie’ in het bestemmingsplan terugkomen. Zo staat er dat behoud, versterking en vernieuwing van deze waarden uitgangspunt is. De bestemmingen ‘agrarisch gebied’, ‘agrarisch gebied met waarden’ en ‘natuur’ werden heroverwogen. In de laatstgenoemde bestemming zijn weliswaar voorwaarden opgenomen om de landschappelijke en natuurwaarden te beschermen, maar cultuurhistorie wordt daarin niet expliciet genoemd. Bescherming van cultuurhistorische waarden vindt plaats bij uitbreiding van een bedrijf buiten het bouwvlak. Daarnaast raadt men aan nietbeschermde gebouwde objecten te beschermen via het bestemmingsplan. Dat is in de wijzigingsbevoegdheid verder uitgewerkt. In de verdere beschrijvingen zijn cultuurhistorische kernkwaliteiten beschreven. Onder de bestemming ‘natuur’ hangt, net als in Geldermalse n, de verplichting om rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Verder is het mogelijk gemaakt om panden met een cultuurhistorische waarde te splitsen.
Er is geen dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie in het bestemmingsplan gebruikt. Voor de gemeente Lingewaal hebben we Heukelum, als waardevolle historische stadskern, uitgekozen als te analyseren bestemmingsplan voor het bebouwde gebied. Cultuurhistorie komt betrekkelijk basaal aan de orde in dit plan. Genoemd worden de waarde van de kern m et de daarin aanwezige monumenten en de verschillende rijksnota’s waarin de Nieuwe Hollandse Waterlinie is opgenomen. Evenals in hiervoor genoemde bestemmingsplannen is aandacht voor cultuurhistorische waarden expliciet verbonden aan de bestemming ‘Natuur’. NEERIJNEN Buitengebied 2016 - In het Bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Neerijnen wordt aandacht besteed aan de historische ontwikkeling en de daarmee samenhangende cultuurhistorische waarden. Naast het erfgoed dat op basis van de erfgoedverordening is beschermd worden ‘waardevolle structuren en objecten, zoals beeldbepalende panden’ genoemd. Ook komt de cultuurhistorische waarde aan de orde als er sprake is van bijvoorbeeld de natte infrastructuur, waarbij een deel van cultuurhistorische waarde wordt geach t. Naast een expliciet subdoel Archeologie/Cultuurhistorie wordt cultuurhistorie ook onder ‘landschap’ benoemd.
Relevante enkelbestemmingen zijn ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’, ‘Agrarisch met waarden – Natuurwaarden en landschapswaarden’ en ‘Natuur’. Opgenomen dubbelbestemmingen zijn vijf waarden archeologie en de Waarde - Buitenplaats. Onder meer in de bestemming ‘Agrarisch’ zijn diverse bepalingen opgenomen die tot doel hebben cultuurhistorische waarden te borgen, zoals d e aanduiding ‘open landschap’ en de bouwaanduidingen voor rijks- en gemeentelijke monumenten.
10
Extra beleidsruimte wordt geboden aan het bouwen van recreatieve verblijven bij cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, en net als in Lingewaal is het mogelijk gemaakt om cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te splitsen. Neerijnen heeft cultuurhistorisch waardevolle structuren vertaald naar de verbeelding. Daarin zijn opgenomen ‘cultuurhistoris ch waardevolle gebieden en akkers, aardkundig waardevolle gebieden en waardevolle structuren, zoals oude wege n’. Ook niet-beschermde MIP/MSP-panden zijn opgenomen. Waardevolle groenelementen zijn bestemd als bos of natuur, terwijl kleinere landschapselementen de gebiedsbes temming AW-L of AW-NL hebben gekregen. Binnen de gebiedsbestemmingen noemt Neerijnen onder ‘agrarisch met waarden - landschapswaarden’ als enige van de drie gemeenten cultuurhistorische waarden als toetsingsgrond. Onder ‘agrarisch met waarden – natuur- en landschapswaarden’ komt cultuurhistorie dan weer niet expliciet voor. Hetzelfde geldt voor de bestemming ‘natuur’, in afwijking van hoe Geldermalsen en Lingewaal met die bestemming omgaan. Verder wordt er in een paragraaf over cultuurhistorie opgemerkt dat er een aanduiding ‘openheid’ voor kommen gebruikt kán worden. Ook in de watertoets moet aandacht zijn voor het cultuurhistorisch aspect.
Kern Waardenburg - Als stedelijk voorbeeld van een Neerijnens bestemmingsplan hebben we het Bestemmingsplan Kern Waardenburg uit 2008 genomen. In het bestemmingsplan is onder meer een aanduiding ‘water met cult uurhistorische waarde’ opgenomen. Er is hierbij gebruik gemaakt van kadastraal kaartmateriaal uit 1832, zoals in de erfgoednota al is opgenomen. In de bestemming Groen wordt heel na drukkelijk gesteld dat gebieden met die bestemming een cultuurhistorische w aarde kunnen vertegenwoordigen, in tegenstelling tot de bestemming Bos. Er is een dubbelbestemming Molenbiotoop in het bestemmingsplan opgenomen. Het kastelenlandschap van Waardenburg – Neerijnen is vanwege de aanwijzing als beschermd gezicht in een afzonderlijk bestemmingsplan vertaald. Kern Varik 2016 – dit bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Daarmee wordt aantasting van de aanwezige cultuurhistorische waarden tegengegaan. 2.6.3
Parapluplan Nieuwe Hollandse Waterlinie
Lingewaal en Geldermalsen hebben zich op basis van het Pact van Loevestein verbonden om de ruimtelijke kwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie planologisch te verankeren. Lingewaal heeft het parapluplan vastgesteld, terwijl Geldermalsen zich heeft verplicht om de randvoorwaarden te verankeren in een geactualiseerd bestemmingsplan. Beide gemeenten moesten hun stappen vóór 1 januari 2017 zetten. In Geldermalsen is dit opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied 2018 als dubbelbestemming Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie.
11
2.7 Gemeentelijk beleid 2.7.1
Beleidsnota cultuurhistorie / erfgoed
De voormalige gemeenten Geldermalsen en Lingewaal kenden geen expliciete beleidsnota cultuurhistorie of erfgoed. In het rapport van de actualisatie van de cultuurhistorische waardenkaart van Lingewaal zijn wel adviezen geformuleerd (hoofdstukken 4 en 5), bijvoorbeeld ten aanzien van een dubbelbestemming in het bestemmingsplan, de omgang met specifieke elementen of objecten en de koppeling met h et omgevingsplan. De stap van adviezen naar een samenhangende nota en vervolgens omzetting naar specifieke instrumenten/actiepun ten is echter niet gemaakt. Neerijnen beschikte als enige wel over een daadwerkelijke Nota cultuurhistorisch beleid, opgesteld in 2014. Daarin zijn de aandachtsgebieden vastgesteld die Neerijnen van belang achtte, zowel voor het onder- als bovengrondse erfgoed. Daarin werden strikte keuzes gemaakt, zowel naar periode als thema. De aandacht ging vooral uit naar: -
archeologische waarden, specifiek uit de periode 52 voor Chr. - 1965; monumenten of panden die een beschermde status hebben gehad; objecten en structuren binnen het beschermd dorpsgezicht Neerijnen -Waardenburg; wegen, structuren en gebouwen van vóór 1926; bouwwerken uit de periode 1940-1965, gebouwd binnen het kader van de wederopbouw.
Wat daarbij opvalt is dat heel expliciet archeologische vindplaatsen van vóór 52 voor Chr. en cultuurlandschappelijke waarden en gebouwen uit de periode 1826 – 1940 buiten het primaire aandachtsgebied vielen. De gemeente had zich wel voorgenomen om de uitgevoerde archeologische onderzoeken in de periode 2008-2018 na 2018 te evalueren en het beleid te herijken.9 Wat opvalt is dat er geen duidelijke koppeling bestond tussen de cultuurhistorische waardenkaart (2008) en het cultuurhistorisch beleid (2014), met uitzondering van het archeologisch gedeelte. De nota kende een groot aantal historische kaarten als bijlage, met bijzondere aandacht voor de kadastrale minuutplans uit 1826. 2.7.2
Landschapsontwikkelingsplan
Geldermalsen, Lingewaal en Neerijnen kennen samen al een landschapsontwikkelingsplan, opgesteld in 2008. De kwaliteiten van en structuren in het historisch cultuurlandschap vormen de rode draad door deze nota. Er is bovendien gedegen analytisch kaartmateriaal in de nota opgenomen, wat ondersteunt dat cultuurhistorie een zware basis onder dit plan vormt. Momenteel (december 2020) wordt gewerkt aan een actualisatie.
9
Dat wordt in het kader van de harmonisatie reeds uitgevoerd.
12
2.7.3
Nota Ruimtelijke Kwaliteit / Welstandsnota
Vóór de harmonisatie
Geldermalsen beschikte voor de harmonisatie over een Gids ruimtelijke kwaliteit, die als welstandsnota geldt. De gids dateert uit 2016. De relatie tussen ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie en landschap komt expliciet aan de orde. Daarin wordt ook het streven naar de integratie van het welstands- en monumentenbeleid benoemd. Bij de gebiedsindeling komen de historische dorpskernen er als zelfstandig onderdeel uit. Ook bij de planmatige woonbuurten is de historische ontwikkeling leidend voor de ambities. Historische (ontwerp)structuren zijn daarmee in de meeste gevallen leidend, ook in het buitengebied, dat uiteenvalt in oeverwallen en komgebieden. Lingewaal kende een vastgestelde Nota ruimtelijke kwaliteit uit 2015. Uitgangspunten over de omgang met het aanwezige erfgoed zijn door de hele nota verweven, en ten aanzien van erfgoed zijn er speciale uitgangspunten opgenomen. De gemeente is opgedeeld in drie welstandsregimes, te weten bijzonder (uiterwaarden, dijklinten en historische kernen), gewoon (agrarisch buitengebied) en grijs (overige bebouwde of sterk gewijzigde gebieden). Deze driedeling valt in een zesdeling uiteen als het gaat om te gebruiken toetsingscriteria. Ook op detailniveau komt aandacht voor erfgoed terug, zoals wanneer het gaat om de profilering van kozijnen in erfgoed. De welstandsnota van Neerijnen dateerde uit 2012 en is daarmee de oudste van de drie.
Ook hierin komt het belang van historische structuren en ensembles nadrukkelijk aan de orde. Ook de ontstaansgeschiedenis van gebieden wordt erin belicht. In de zonering komen historisch waardevolle gebieden en landschapstypen nadrukkelijk tot uiting, en in alle gevallen hebben zij een relatief hoog welstandsniveau. In 2017 is één welstandsvrije uitbreidingswijk aangewezen, ‘Haaften Noord’. Na de harmonisatie
Op 24 november 2020 werd de technische harmonisatie van de Gids Ruimtelijke Kwaliteit (op basis van het model-Geldermalsen) vastgesteld. In 2021 zal de nieuwe gids in werking treden, waarna ook in 2021 de verdieping zal worden uitgevoerd. 2.7.4
Toeristisch-recreatief beleid
In mei 2020 heeft de gemeenteraad het beleidsvoorstel Recreatie en Toerisme 2020-2023 aangenomen. Cultureel erfgoed en het landschap worden daarin expliciet als kansen, maar ook als uitdagingen aangemerkt. Het beleid is er in de eerste plaats op gericht om activiteiten voor beweging en onthaasting te stimuleren en om de activiteiten meer over het jaar te spreiden. Het gaat daarbij vooral om kwaliteitstoerisme, gericht op gezondheid en regionaliteit. De verbinding met andere sectoren als cultuur en kunst, het verenigingsleven en de agrarische sector wordt van groot belang geacht. Ook deze visie is tot stand gekomen met meerdere partners, waaronder het regionaal bureau voor toerisme.
13
2.7.5
Kadernota Cultuur en Kunst
Kadernota
Als uitwerking van het Coalitieakkoord Samen Bouwen (2019-2022) verscheen een kadernota Cultuur en kunst. Daarin is beleid op het gebied van erfgoed en monumenten expliciet als raakvlak genoemd, en wordt verwezen naar de beleidsnota erfgoed als parallel docume nt. De belangrijkste speerpunten van de kadernota zijn: -
Versterken ▪ Een bloeiend cultureel verenigingsleven als cement van de leefbaarheid ▪ Vrijwilligers in de verenigingen ▪ Identiteit en traditie; ons levendige erfgoed koesteren - Verbreden ▪ Iedereen doet mee ▪ Speciale aandacht voor jongeren - Verbinden ▪ 1+1= namelijk 3, altijd synergie zoeken in de werkwijze ▪ Cultuur als verbinder; het verbindt mensen, dorpen en disciplines - Vernieuwen ▪ Inspringen op de veranderende behoeftes en expressievormen ▪ Digitale kunstontwikkelingen We zien dat erfgoed heel specifiek als speerpunt wordt benoemd. Dat bouwt voort op de natuurlijke en cultuurlijke rijkdommen die worden benoemd, en voor een belangrijk deel materiaal én immaterieel erfgoed zijn. Als het om cultuur uit deze nota gaat, wordt vooral het laatste benadrukt: Wij willen de ‘dorpsculturen’ van de 26 kernen erkennen en versterken. Tradities en beeldbepalende activiteiten, jubilerende verenigingen en organisaties zetten wij in het zonnetje. Want de traditionele gebruiken en activiteiten zijn onderdeel van de dorpsculturen in onze 26 kernen. En ze verbinden de kernen ook met elkaar. Jaarlijks terugkerende activiteiten en evenementen zorgen voor een gevoel van gemeenschappelijkheid, saamhorigheidsgevoel en gedeeld identiteitsgevoel (bijvoorbeeld de Corso). Juist dat is wat ons betreft cultuur, ons levend erfgoed.
Daarnaast benoemt de gemeente het erfgoedpact met de provincie Gelderland, waarin samengewerkt wordt met een aantal projecten in de gemeente. Ook in het financiële deel worden aspecten genoemd die direct gerelateerd zijn aan het erfgoedbeleid (gemarkeerd in rood): -
Realiseren van culturele routes door heel West Betuwe. Cultuurhistorische elementen opnemen in de ANWB knooppunten. Beter inzicht in aanbod door koppeling Cultuuragenda aan bestaande agenda’s en sites van cultuur en recreatie. Het aanbod cultuureducatie meer koppelen aan het lokale aanbod. Voorbeelden: 14
o o
-
Een kindvriendelijke versie van de cultuurhistorische waardenkaart maken (nu geschikt voor archeologen) Samen met het voortgezet onderwijs educatie over WO 2 levendig maken. Door middel van verhalen lokale inwoners en excursies vliegeniersmuseum. o Game ontwikkelen waarbij verschillende monumenten, culturele activiteiten en tentoonstellingen bezocht moeten worden. Dit door jongeren laten bouwen. Cursussen en workshops organiseren voor jongeren (zelf games maken, ontwikkeling, minecraft etcetera) Cultuurmakelaar kan mogelijkheden fondsen, sponsorwerving, subsidie en andere financieringsmogelijkheden inzichtelijk maken. Subsidiebijeenkomsten organiseren met regionale en landelijke organisaties. Aanjagen kennisplatform/netwerkvorming van lokale muziek verenigingen. Doel is om gemeenschappelijke problemen te bespreken, met elkaar bijvoorbeeld een Concertagenda af te stemmen, een gezamenlijke West Betuwse muziekdag te organiseren.
Uitvoeringsagenda
In de uitvoeringsagenda zijn de plannen voor 2020-2021 uitgewerkt. In de volgende thema’s is erfgoed één van de rode draden: 1. Een sterke basisinfrastructuur a. Een samenhangend en zichtbaar cultuur- en kunstaanbod, zowel online als offline. b. Toegankelijk en gevarieerd aanbod van cultuur- en kunstroutes. c. Zichtbare en bereikbare monumenten en/of bezienswaardigheden. d. Een sterk cultureel netwerk door kennisuitwisseling en deskundigheidsbevordering. 2. Lokaal cultureel en historisch besef a. Het stimuleren van nieuw lokaal aanbod cultuureducatie. b. Culturele reistafel /kunstenaarscollectief realiseren. c. Zichtbare en beschikbare volkscultuur. d. Zichtbare en toegankelijke kunst in de openbare ruimte, gerelateerd aan West Betuwse identiteit en/of iconen. In het uitvoeringsprogramma zijn deze doelstellingen vervolgens geconcretiseerd. 2.7.6
Coalitieakkoord
In het Coalitieakkoord 2020-2022 is de volgende doelstelling opgenomen ten aanzien van monumenten, cultuurhistorische en landschappelijke waarden: Het behoud van monumenten in West Betuwe is een gemeenschappelijk belang. Zij zijn drager van onze lokale identiteit en cultu ur. Waar mogelijk maken we onze monumenten toegankelijk voor publiek en nemen ze op in onze toeristische promotie. Dit is gunstig voor de 15
lokale economie, waardoor monumenten ook een economische drager worden. We gaan met de eigenaren van monumenten in gesprek ov er mogelijkheden om deze verantwoord te verduurzamen. Voor de Omgevingswet maken we een gemeentelijk beleidskader. In de afwegingen nemen we het behoud van cultuurhistorische en landschappelijke waarden mee. Om hier inspiratie voor op te doen, krijgt de gem eenteraad door deskundigen op dit gebied uitleg. Archeologie komt daarentegen in het coalitieakkoord niet als zodanig voor. Daarnaast wordt voor landschap nog gemeld dat specifieke ontwikkelingen als (agrarische) gebouwen en huisvestingen van seizoenarbeiders in het lan dschap moeten worden ingepast. 2.7.7
Bidbook West Betuwe
Het Bidbook West Betuwe uit november 2018, opgesteld met het oog op de herindeling, is een visie op de toekomst van de nieuwe gemeente. Landschap is daarin een belangrijk uitgangspunt en één van de drie ‘schappen’. Het heeft daarmee een heel belangrijke rol in het bidbook. Cultuurhistorie wordt daarbij als een essentieel onderwerp binnen het bredere thema ‘landschap’ gezien, en veel van de genoem de kwaliteiten zijn identiteiten die vanuit de geschiedenis zijn aangeleverd – en daarmee cultuurhistorie. Behoud en investering in het landschap zijn logische gevolgtrekkingen uit dat uitgangspunt, zowel voor de bewoners als de recreanten. Daarmee wordt als uitdaging ge steld: West Betuwe versterkt in 2030 de waarde van het gebied, zowel landsc happelijk als op het gebied van cultuurhistorie. Uit de begeleidende tekst blijkt dat het daarmee zowel gaat om landschappelijk als gebouwd erfgoed als deelaspecten van de archeologie. Die laatste ter m als zodanig komt in het bidbook niet voor. 2.7.8
Beleidskader zonneparken West Betuwe
Het beleidskader zonneparken West Betuwe gaat met name in op de toetsing van aanvragen en de wenselijkheid van ontwikkelingen op specifieke plekken. ‘Landschap, cultuurhistorie en ecologie’ worden samen als één van de 4 wegi ngsgronden genoemd, die samen voor 25% meewegen. Indirect hebben ook de andere 3 thema’s (locatie, agrarische structuur & extra’s en participatie) een relatie met e rfgoed. Zo worden Natura2000-gebieden uitgesloten van zonneparken, en daarnaast worden komge bieden, dorpsranden, oeverwallen en het Gelders Natuurnetwerk als gevoelige locaties beschouwd waar men weinig, geen of zelfs negatieve punten voor kan krijgen. Locaties met weinig/minder bezwaar zijn op daken en gevels, in en op infrastructuur, zonnevelde n kleiner dan 1-2 hectare, op voorkeurslocaties en in ontwikkelgebieden. Ten aanzien van de agrarische structuur is opgenomen dat hoe meer goede agrarische grond wordt aangetast/g ebruikt, des te minder punten men krijgt. Voor het thema participatie is een participatieplan verplicht. Ten aanzien van landschap, cultuurhistorie en ecologie wordt een landschappelijk inpassingsplan verplicht gesteld. Voor de NH W wordt gesteld dat ingrepen zorgvuldig moeten gebeuren en dat er getoetst moet worden door de provinci e en de monumentencommissie. Voor ecologische aspecten is een natuuronderzoek verplicht.
16
3
Harmonisatie
3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk vatten we de beleidsideeën samen zoals we die geformuleerd hebben op basis van de bovenstaande analyse in co mbinatie met de onderzoeksresultaten van de nieuwe kaarten. Per onderdeel worden de belangrijkste vragen aan de raad in een kader samengevat. Bij elk onderdeel is opgenomen of de vraag in de eerste plaats de harmonisatie betreft (d.w.z. het gelijktrekken van het bele id van de drie voormalige gemeenten), of dat het een verbreding van het beleid is, ingegeven door de uitkomsten van het uitgevoerde onderzoek. In de advisering gaan we uit van het huidige instrumentarium dat tenminste nog tot 1 januari 2022 geldt, namelijk de verordening en het bestemmingsplan. Daarna gelden nieuwe instrumenten onder de Omgevingswet. De Omgevingsvisie bevat integraal en gebiedsgericht de hoofdlijnen en de ambities uit het beleid met betrekking tot de fysiek e leefomgeving. Het omgevingsplan bevat integraal en gebiedsgericht de juridische regels waaraan iedereen zich moet houden bij het uitvoeren van activiteiten in de leefomgeving. Tussen de visie en het plan kennen we nog een instrument: dit is het programma. Hierin wordt eventueel een deta illering van de hoofdlijn van het beleid uitgewerkt en worden de maatregelen opgenomen die nodig zijn om doelen / ambities uit de Omgevingsvisie te verweze nlijken.
Het is goed mogelijk om Programma’s thematisch in te steken, waarbij met elkaar vervlochten thema’s zoveel mogelijk in 1 Programma worden samengevoegd. De keuzes die naar aanleiding van deze startnotitie gemaakt worden passen in een omgevingsvisie, de uitwerking c.q. vertaling in het omgevingsplan. 3.2
Archeologisch beleid: bescherming
3.2.1
Planologisch spoor
Op basis van huidige inhoudelijke en technische maatstaven en met inachtneming met de wettelijke verplichting voor de ‘aantoonbare verwachting’ is een herziene archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart opgesteld. Op basis daarvan is – in overleg met de regioarcheoloog – een eerste versie van een beleidskaart opgesteld. De aangepaste kartering (feiten) en de nieuwe vrijstellingsgrenzen (beleidskeuzes) liggen ter beoordeling voor. Hiernavolgend laten we de oude en nieuwe vrijstellingsgrenzen zien.
17
Beleidszones
Geldermalsen
Lingewaal
Neerijnen
grenswaarden ingreepdiepte/-oppervlakte diepte cm
omvang m2
diepte cm
omvang m2
diepte cm omvang m2
rijksmonumenten/te behouden terreinen
30
10
30
0
geen categorie
AMK, dorpskern, historische vindplaats
30
100
30
0
50
vindplaats, woongronden
30
100
30
100
geen categorie
Hoge verwachting
30
500
30
100
50
restgeul Linge
30
1.000
30
1.000
30
300
2.500
Middelmatige verwachting diep gelegen stroomgordels
geen categorie
100
250
geen categorie 500
50
5.000
200
500
geen categorie
Lage verwachting
geen regels
100
5.000
50
onbekende verwachting
geen categorie
100
5.000
geen categorie
10.000
reeds opgegraven/vrijgegeven terreinen
geen regels
geen regels
geen regels
diep verstoord
geen regels
geen regels
geen regels
waterbodems
geen regels
geen regels
geen regels
Tabel 1. De vrijstellingsgrenzen van de drie voormalige gemeenten.
18
Nieuw: Beleidszones
West Betuwe grenswaarden ingreepdiepte/-oppervlakte diepte cm
omvang m2
terreinen met gewaardeerde archeologische resten archeologische rijksmonumenten
0
0
gemeentelijke monumenten
0
0
historische kern 1832
30
100
AMK-terreinen 10
30
50
BATO-terreinen 11
30
50
historische vindplaats met 25 m bufferzone voor puntlocaties
30
100
ARCHIS3-vindplaats met 25 m buffer (hoge verwachting)
30
100
oude woongronden
30
100
hoge verwachting
30
500
hoge verwachting, diep gelegen
150
2.500
middelhoog
30
2.500
lage verwachting
30
5.000
rivierrestgeulen
50
2.500
rivierbed Waal
30
10.000
terreinen met archeologische resten
verwachtingszones
overig reeds opgegraven/vrijgegeven terreinen
geen regels
diep verstoord
geen regels
Tabel 2. Het advies voor de vrijstellingsgrenzen van de gemeente West Betuwe.
10
AMK-terreinen zijn vastgestelde/begrensde archeologische terreinen op de vroegere Archeologische MonumentenKaart van de
11
BATO-terreinen zijn archeologische vindplaatsen die zijn vastgesteld en begrensd door de BATO (Beoefenaren Archeologie in Tiel
rijksoverheid, waarvan het hier om de niet -beschermde gaat. Het voeren van beleid daarop is overgedragen aan de gemeente. en Omgeving).
19
Figuur 2. Beleidskaart gemeente West Betuwe (kaartbijlage 3).
20
Figuur 3. De legenda bij de beleidskaart (zie kaartbijlage 3).
21
3.2.2
Verordeningsspoor
Naast het planologisch spoor kan er voor de ‘topcategorie’ ook een verordeningsspoor gevolgd worden. De gemeente West Betuwe kent een aantal terreinen van archeologische waarde die als gemeentelijk monument in de zin van de Erfgoedverordening beschermd zijn. Er zijn echter wel de nodige terreinen meer die in aanmerking zouden kunnen komen voor deze status. Het is daarom aan te bevelen een aantal terreinen nader te waarderen en daarmee de basis te leggen voor een betere bescherming dan alleen planologisch. Planologische borging biedt namelijk vooral een mogelijkheid tot behoud ex situ, en is zwakker als het gaat om behoud in situ. Daarvoor is de Erfgoedverordening een meer geëigend instrument. De bestaande Erfgoedverordening voldoet. 3.2.3
Toelichting op de keuzes: Voorzichtig waar het moet, ruimte geven waar het kan
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft daarbij zowel het roerend als onroerend erfgoed. Het deel van de Monumentenwet 1988 dat direct raakt aan de fysieke leefomgeving gaat op in de Omgevingswet. Het resterende deel van de Monumentenwet is naar de Erfgoedwet overgegaan. De Erfgoedwet voorziet ook in het nodige overgangsrecht, zodat artikelen uit de Monumentenwet tussen 2016 en 2022 niet zo maar komen te vervallen. De essentie van deze wetgeving is dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem (in situ) behouden blijven. In een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming dient daarom rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. ! Het uitgangspunt voor gemeentelijk beleid als gevolg van deze wettelijke verplichting kan als volgt geformuleerd worden: ‘ Het archeologisch beleid van de gemeente West Betuwe heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als middel voor wetenschappelijke studie en als bron van het ‘gemeenschappelijke geheugen’, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan noodzakelijk’ Deze formulering waarborgt behoud en ontsluiting van het archeologisch erfgoed in de gemeente, maar laat ontwikkelingen evengoed toe.
Het is een doelstelling die niet alleen praktisch uitvoerbaar en proportioneel is, maar ook haalbaar. Om daar handen en voeten aan te geven geldt het uitgangspunt: voorzichtig waar het moet, ruimte geven waar het kan. In het overgangsrecht van de Erfgoedwet 12 wordt een vrijstellingsgrens voor het archeologisch vooronderzoek van 100 m² aangehouden. De gemeenteraad kan een hiervan afwijkende oppervlakte vaststellen (naar boven en naar beneden) en de verschillende fusiegemeenten hebben dat in het verleden ook gedaan (zie tabel 1). Dit achtten zij nodig om bestuurlijk en financieel in te kunnen zetten op cultuurhistorische zaken die zij van wezenlijk belang achten en om selectiebeleid te kunnen voeren. Doelmatigheid, draagvlak, evenwichtigheid en het voorkomen van overbodige regelgeving vormen in deze benadering de sleutelbegrippen. Waar beleidsvrijheid toepasbaar is, wil de gemeenten deze ook kunnen benutten. In deze startnotitie wordt geadviseerd beredeneerd af te wijken van de vrijstellingsgrens van het overgangsrecht.
12
https://archeologieinnederland.nl/erfgoedwet
22
De voorwaarde die daaraan door de wetgever wordt gesteld is wel dat een aangepast vrijstellingsbeleid 1) met archeologisch-inhoudelijke redenen moet worden onderbouwd en gemotiveerd én 2) in het belang van de archeologische monumentenzorg moet zijn, dus afhankelijk van de aard, de omvang en de archeologische gevoeligheid van het gebied. De vrijstellingsgrenzen moeten zich verder op een zinvolle wijze verhouden tot 3) de bekende en de te verwachten archeologie, maar ook bijvoorbeeld 4) tot de gemeentelijke bestemmingsplansystematiek. Verder geldt dat als de gemeente bepaalt dat er wel of geen onderzoek moet plaatsvinden in het kader van een bodemverstorende activiteit dat deze is verplicht inzicht te geven in de achterliggende argumenten.13 In het voorliggende beleidsadvies (tabel 2) is ten aanzien van de voorwaarden 2 en 3 rekening gehouden met aan de ene kant terreinen waar (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) sprake is van archeologische resten, en aan de andere kant terreinen/gebieden waar slechts sprake is van een modelmatige verwachting (verwachtingszones), gebaseerd op de nieuwste gegevens en inzichten (voorwaarde 1).
Op basis van het feit dat de top van het archeologisch niveau in de gehele gemeente zich vaak direct onder de bouwvoor bevindt zijn alleen de bodemingrepen die niet dieper reiken dan 30 cm beneden het maaiveld (-Mv) vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Deze ondergrens van 30 cm -Mv is gebaseerd op de gemiddelde diepte van de verstoorde bovengrond (veelal de bouwvoor).14 Hoewel in de verstoorde bovengrond archeologische resten kunnen voorkomen, bevinden deze zich niet meer in hun oorspronkelijke context. Uitgezonderd zijn de gebieden in de kommen waar het archeologisch niveau dieper dan 150 cm –Mv voorkomt en de locaties met rivierrestgeulen (dieptegrens 50 cm –Mv). Bij de oppervlakte-ondergrenzen geldt als algemene richtlijn: hoe hoger de archeologische waarde of verwachting van een gebied, hoe kleiner de ondergrens. In gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting bevinden zich namelijk naar verwachting meer vindplaatsen dan in gebieden met een middelhoge en een lage archeologische verwachting. Voor deze gebieden geldt dan ook dat bij relatief kleine ingrepen vindplaatsen kunnen worden verstoord. Of vindplaatsen daadwerkelijk worden verstoord wordt sterk bepaald door de aard, omvang en diepteligging van de geplande bodemingrepen.
Uit verschillende evaluaties van gemeentelijk vrijstellingsbeleid in Gelderland blijkt dat in zones met een hoge, middelhoge of lage archeologische verwachting slechts in een zeer gering percentage van de kleinere onderzoeksgebieden ook daadwerkelijk archeologische resten worden aangetroffen. Bij het instellen van een ondergrens kleiner dan 500 m², 2.500 m² in hoge en middelhoge verwachtingszones en 5000 m² in lage verwachtingszones zullen – bij voortzetting van de huidige AMZ-toetsingsprakrijk - situaties waarbij al dan niet onbedoeld archeologische resten worden vernietigd zeer beperkt blijven. Dit is een verruiming ten opzichte van het beleid van de voormalige gemeenten.
13
Artikel 3, Algemene wet bestuursrecht.
14
De Raad van State in een uitspraak van 23 mei 2007 inzake het planologisch regime voor archeologie in de gemeente Tiel: De Afdeling oordeelde dat het aannemelijk is dat bij het dieper graven dan 0,3 meter archeologische waarden onherstelbaar beschadigd kunnen raken. De gemeente heeft ni et met onderzoek aan kunnen tonen dat de waarden tussen 30 en 50 centimeter al eerder verloren zijn gegaan. Dit betekent dat de gemeente in het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de archeologische waar den en dat een aanlegvergunningenstelsel nodi g is vanaf een diepte van 0,3 meter. GS heeft terecht goedkeuring onthouden aan het plandeel aldus de Afdeling.
23
Dit geldt evenwel niet voor terreinen waar op basis van de nieuwste inzichten redelijkerwijs op voorhand kan worden uitgegaan van de aanwezigheid van archeologische resten (AMK-terreinen, gemeentelijke vindplaatsen, historische kernen, rondom bekende vindplaatsen etc.). Zelfs in kleinere onderzoeksgebieden worden hier vaak behoudenswaardige archeologische resten aangetroffen. Hier is dus voorzichtigheid geboden. Voor deze terreinen is het advies om de vrijstellingsgrens naar beneden bij te stellen, naar 100 m². Zie verder de publicatie: Groot, T. de, A. Koekelkoren, M. Lobbes & B. Smit, 2011. Effecten van vrijstellingen voor archeologisch erfgoed. Deel III in: Lauwerier e.a. (red), Onderzoek naar de effectiviteit van de onderzoeksketen, sluipende degradatie en de effecten van vrijstellingen. Rapportage Archeologische Monumentenzorg 196,Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. 3.2.4
Overgang
Bij vaststelling van een nieuw archeologiebeleid is het nog niet bindend voor de burger. Daarvoor moet eerst een aanpassing in de planologische regelgeving worden gedaan. Het is praktisch niet haalbaar dat nog vóór de invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2022 te doen. Dat betekent dus, dat pas na die datum de nieuwe beleidskaart in het omgevingsplan kan worden verwerkt. Vooruitlopend daarop stellen we het volgende voor: bij de beoordeling van aanvragen wordt ambtelijk al de nieuwe beleidskaart gebruikt. Levert dat ten opzichte van de oude situatie een versoepeling op, dan geldt dat versoepelde regime voor de burger. Een verzwaring daarentegen wordt (nog) niet aan de initiatiefnemer ‘doorberekend’, omdat het beleid nog niet bindend voor de burger is. Een voorbeeld: een initiatiefnemer wil een bouwplan ontwikkelen in de voormalige gemeente Lingewaal, met een omvang van 200 m². Volgens de oude verwachtingskaart ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting, waar vanaf 100 m² archeologisch vooronderzoek verplicht is. Volgens de nieuwe kaart ligt het plangebied ook in een zone met een hoge verwachting, maar daar geldt conform het nieuwe erfgoedbeleid een vrijstellingsgrens van 500 m² voor. De ingreep is kleiner dan de vrijstellingsgrens volgens het nieuwe beleid, dus wordt vrijgesteld van archeologisch onderzoek.
Let wel: bij beoordeling of er een versoepeling kan plaatsvinden t.o.v. het oude beleid dient altijd de nieuwe kaart gebruikt te worden! Zo wordt voorkomen dat er versoepeld wordt op plekken die nu in een andere, zwaardere categorie terecht zijn gekomen. 3.2.5
Metaaldetectie
In de Erfgoedwet is vastgelegd dat het opgraven van archeologische voorwerpen met behulp van metaaldetectie tot maximaal 30 cm onder het maaiveld toegestaan is, met een aantal uitzonderingen. Het is niet toegestaan op een archeologisch gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument, niet waar een opgraving door een certificaathouder of universiteit plaatsvindt, niet waar de gemeente in de AP V een verbod
24
van toepassing heeft verklaard en niet onder water. 15 Bovendien is een metaaldetectie wettelijk gezien een archeologische toevalsvondst, die gemeld moet worden in het archeologisch systeem Archis en die zes maanden voor wetenschappelijk onderzoek beschikbaar moet bl ijven. Zoals hiervoor al aangehaald kan een gemeente door middel van de APV metaaldetectie reguleren. Dat zou betekenen dat ook metaaldetectie in die bovenste 30 cm in principe wordt verboden, wat voor veel archeologische vindplaatsen die zin al in de bouwvoor bevinde n, een positieve ontwikkeling zou zijn. Om toch de betrokkenheid van de burger bij het erfgoed in stand te houden, kan gewerkt worden met een ontheffingensysteem voor amateur-archeologen die ‘te goeder trouw’ zijn, bijvoorbeeld via een historische vereniging of arc heologische vereniging. Het belangrijkste voordeel is dat ongecontroleerde schatgraverij wordt voorkomen. Deze schatgraverij is in het Rivierengebied vanwege zijn rijke vorm van archeologie een serieus probleem (Oudenhof Ophemert, Rijnbandijk Maurik). Bov endien is de drang om dieper te graven dan 30 cm groot als er eenmaal wat wordt aangetroffen. De handhaving van een ontheffingensysteem is vele malen makkelijker dan (o nder de huidige regelgeving) het controleren of de diepte van 30 cm niet wordt overschre den c.q. of het om beschermde archeologische monumenten gaat.
Enkele nadelen van deze werkwijze zijn de heffing van leges en de administratieve kant van de zaak. Een dergelijke regu lering met een ontheffingensysteem is ook voorzien in de gemeente Buren.
15
Het zogenaamde ‘magneetvissen’ wordt juridisch gezien als een vorm van metaaldetectie onder water gezien en is per definitie niet toegestaan (https://www.cultureelerfgoed.nl/actueel/nieuws/2019/07/19/magneetvissen -is-niet-zonder-meer-toegestaan).
25
Vragen aan de raad: 1. Harmonisatie: Hoe kijkt u tegen de voorgestelde nieuwe vrijstellingsgrenzen (kaartbijlage 3, de archeologische beleidskaart, en tabel 2) aan? 2. Verbreding: Willen we nieuwe gemeentelijke archeologische monumenten aanwijzen? 3. Verbreding: Hoe kijkt u aan tegen de regulering van metaaldetectie en het opnemen in de APV?
Cf. bouwkunst is het tweede aspect overigens ook op te nemen in de uitvoeringsagenda van de beleidsvisie, zodat er op een later geschikt moment middelen voor kunnen worden gereserveerd.
KOSTEN vertalen beleidszones en vrijstellingsgrenzen naar bestemmings- of omgevingsplan
intern 48 uur
extern -
2
waardenstelling en toekennen monumentenstatus archeologische terreinen (aantal nader te bepalen, is aspect voor nadere uitwerking)
3
opnemen verbod metaaldetectie
pm (incidenteel en structureel 16) pm
incidenteel: waardestelling d.m.v. proefsleuven: uitgaand van 1 vlak, prijs ex btw per ha: € 10.000,- tot € 12.500,-, plus de kosten voor het opstellen van PVE’s per vindplaats 17 -
1
16
Kosten voor aanwijzingsprocedure, kosten vergunningverlening bij ingrepen.
17
Hiervoor gelden nadere voorwaarden.
26
opmerkingen Kan mee in het opstellen van het definitieve omgevingsplan. In- en externe kosten zitten in begeleiden en uitvoeren van planologische werkzaamheden. Externe kosten zijn ervan afhankelijk of gemeente opstellen omgevingsplan zelf oppakt of extern laat uitvoeren. Waardenstellend onderzoek, opstellen van redengevende omschrijvingen, interne procedure voor aanwijzing.
Kosten beperkt, vooral aanpassen APV (eenmalig) en verlenen ontheffingen (eenmalig c.q. structureel). Nagaan in hoeverre bestaande handhavingscapaciteit voldoet (aanpassing regelgeving, geen uitbreiding).
3.3
Cultuurhistorisch-landschappelijk erfgoed: bescherming
3.3.1
Planologisch borgen
EXPLICIET BENOEMEN In alle bestemmingsplannen voor het buitengebied is aandacht voor de borging van (cultuur)landschappelijke waarden. Die borging is soms heel specifiek gericht op cultuurhistorische facetten, vaak ook is de aandacht veel meer ‘algemeen landschappelijk’. Het is wenselijk om cultuurhistorie concreet als toetsingsgrond te noemen. Alleen het feit dat landschappelijke kwaliteit ook cultuurhistorisch van aard kán zijn is niet voldoende concreet om er ook op te toetsen. Nu zijn cultuurhistorisch-landschappelijke kwaliteiten niet voorbehouden aan specifieke bestemmingen.18 Het is ons inziens dus onvoldoende om een cultuurhistorische toetsingsgrond toe te voegen aan specifieke enkelbestemmingen, zoals ‘Agrarisch’ of ‘Natuur’. Daarmee loop je de kans zaken te missen, maar ook leg je daarmee een verplichting op in gebieden waar de cultuurhistorischlandschappelijke waarden misschien wel niet zo groot (meer) zijn. INZET VAN EEN DUBBELBESTEMMING We stellen daarom voor om, net als voor archeologie, te werken met een dubbelbestemming, bijvoorbeeld ‘Waarde - Cultuurhistorisch landschap’, om over het gebied te leggen waarvoor je cultuurhistorie in de beoordeling van vergunningaanvragen mee te wegen.
Binnen dit gebied kun je een verplichting aan een initiatiefnemer opleggen om bij een vergunningaanvraag voor een omgevingsvergunning een onderzoeksrapport voor te leggen waarin is aangetoond, dat de ontwikkeling de cultuurhistorische waarden niet onevenredig schaadt. SPECIFIEKE BESCHERMING VAN ELEMENTEN Bovenstaande regeling legt vast welke gebieden zo belangrijk zijn, dat er aandacht voor cultuurhistorie dient te zijn. De cultuurhistorische waardenkaart kan daarbij dienen als informatiebron. Die kaart geeft echter ook al elementen weer die zo belangrijk zijn, dat ze bescherming zouden verdienen. Zowel het erfgoed als ook de duidelijkheid voor de gebruiker zijn erbij gebaat, een beschermingsregime aan die elementen te koppelen. Het is dan heel specifiek duidelijk om welke elementen het gaat, en bescherming ervan is gegarandeerd. Initiatiefnemers moeten bij een vergunningaanvraag duidelijk maken hoe zij in hun plannen met die elementen omgaan. Daardoor worden niet alleen de gebiedskarakteristieken op basis van de dubbelbestemming beschermd (‘openheid’), maar wordt ook voorkomen dat waardevolle elementen daarbinnen ongezien kunnen verdwijnen.
18
Denk aan de waarde van een historisch wegtracé, dat tegenwoordig de enkelbestemming ‘Verkeer’ heeft.
27
ONTWIKKELINGEN DIE NIET IN HET BESTEMMINGSPLAN PASSEN Voor ontwikkelingen die niet in het bestemmingsplan passen en waarvoor een bestemmingsplanwijziging moet plaatsvinden, is het aan te bevelen in het beleid een passage op te nemen dat er bij bepaalde ontwikkeling een toetsing op onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden moet plaatsvinden. De gemeente heeft met de waardenkaart nu ook een instrument om aan te geven wáár dat het geval moet zijn. Voor welk gebied zou zo’n dubbelbestemming nu aan te bevelen zijn? Wij stellen voor om dat op te nemen voor alle gebieden met een zeer hoge of hoge waardering op de waarderingskaart van de erfgoedkaart West Betuwe. Die twee waarderingsklassen omvatten samen de gebieden die er vanuit de cultuurhistorie het meest toe doen. Voor de gebieden die geen dubbelbestemming voor cultuurhistorie krijgen, achten we de bestaande regelingen omtrent aandacht voor landschappelijke kwaliteit veelal voldoende om een basiskwaliteit te waarborgen. CULTUURHISTORISCH WAARDEVOLLE LANDSCHAPSELEMENTEN In het bestemmingsplan van Geldermalsen is al een verwijzing opgenomen naar de waardevolle landschapselementen zoals voorkomend op de cultuurhistorische waardenkaart. Deze term komt vervolgens in meerdere enkelbestemmingen terug, waaronder ‘Agrarisch’.
Zo’n verwijzing is voor de hele gemeente zinvol, zodat ook resterende relicten in minder waardevolle gebieden een bescherming genieten. NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE Los daarvan is het verstandig om een dubbelbestemming voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie te handhaven voor de gebieden in de voormalige gemeenten Geldermalsen en Lingewaal die relevant zijn, zoals dat nu ook al voorkomt. AANDUIDINGEN Naast deze dubbelbestemmingen kunnen heel specifieke aanduidingen voor bijzondere kwaliteiten, bijvoorbeeld voor molenbiotopen (verplicht op basis van provinciale omgevingsvisie), uiteraard gehandhaafd worden. In Neerijnen gebruikt men echter daarvoor een dubbelbestemming. Daarom is met betrekking tot dit soort heel specifieke aspecten nog een nadere harmonisatie nodig; we vragen er de aandacht voor dit na te gaan. Specifieke kwaliteiten die in West Betuwe op een dergelijke manier beschermd zouden kunnen worden zijn bijvoorbeeld buitenplaatsen of open gebieden (de komgebieden binnen de beplante wegenstructuur).
28
3.3.2
Verordeningsspoor
Conform archeologie en bouwkunst is het mogelijk om landschappen via de gemeentelijke erfgoedverordening te beschermen. De meest geëigende manier is via een beschermd gezicht, bijvoorbeeld in relatie tot waardevolle gebouwde ensembles. Daarom verwijzen we hierbij naar § 3.4. Daarnaast kan ook aan individuele landschapselementen een monumentenstatus worden toegekend. Daarvoor is een nadere waardering en analyse noodzakelijk.