Ontwerp omgevingsvisie Weesp 2050 Webtoegankelijk 2.3
Tekst van het document
Veel van deze zandgronden zijn bebost. Tot slot: aan de noord‐ en zuidzijde van Weesp bevindt zich ook een aantal polders: de Aetsveldse polder in het zuiden en de Bloemendalerpolder en Gemeenschapspolder in het noorden. Het Amsterdams Rijnkanaal vormt een harde grens aan westkant. De grens aan de oostkant van bebouwd Weesp is ook hard, vanwege de rivier De Vecht. De noordkant van bebouwd Weesp grenst aan polderlandschap, waarvan een groot deel bebouwd wordt ten bate van de wijk Weespersluis. De klassieke opbouw van het oorspronkelijk cultuurlandschap verdwijnt daarmee. Aan de Zuidkant, bij de Aetsveldse polder, heeft de stedelijke invloed minder haar stempel gedrukt en is het oorspronkelijke veenpolderlandschap nog redelijk gaaf gebleven. Hier begint het oude cultuur‐ en natuurlandschap, ook voelbaar door lange zichtlijnen het open polderlandschap in. Door een bijzondere samenstelling en opbouw van de aardlagen, is een groot deel van de Aetsveldse polder aangewezen als aardkundig monument. Erfgoed en cultuurhistorie Weesp heeft een rijke geschiedenis en is daar trots op. We willen onze cultuurhistorie koesteren en deze op een zorgvuldige manier behouden en hergebruiken. De opsomming is verre van volledig, maar er zijn veel cultuurhistorische elementen te vinden in Weesp.
Weesp is, een vestingstad en onderdeel van de nieuwe Hollandse Waterlinie (na 1815) én de Stelling van Amsterdam (na 1892, Unesco Werelderfgoed). Er zijn twee forten: het Torenfort op de Ossenmarkt, en Fort Uitermeer aan de Zuidoostkant. De historische binnenstad is rijksbeschermd stadsgezicht en heeft ruim tweehonderd rijksmonumenten waaronder de Laurenskerk (1462) en de Van Houten kerk (begin 20e eeuw). Ook hebben er in Weesp vroeger
93
veel molens gestaan waarvan er nog drie bewaard zijn gebleven: de Vriendschap, de Eendragt en ’t Haantje. Langs de Utrechtseweg, Molenpad en in mindere mate langs de kronkelige ‘s Gravelandseweg staan houten huizen die stammen uit de tijd van Kringenwet. De locatie van een oud galgenveld is enige tijd geleden ontdekt en die locatie (in de nieuwe wijk Weespersluis ligt) wordt vrijgehouden van bebouwing. Weesp heeft ook industrieel erfgoed zoals Het Domijn, waar een kunstenaars- en ambachtscoöperatie is gevestigd op een honderd jaar oud fabrieksterrein.
Foto: Molen de Vriendschap De historische binnenstad van Weesp is relatief klein vergeleken met het totaal bebouwde oppervlak van Weesp. Dit contrast wordt met de realisatie van Weespersluis nog verder vergroot. Weesp bestaat voornamelijk uit naoorlogse gebouwen. De meeste bebouwing dateert uit de periode van 1950 tot 2000. Door de bouw van de nieuwe wijk Weespersluis komt daar zo’n derde aan bebouwd oppervlak bij. Juist de bebouwing met wat minder historische waarde grenst aan het waardevolle open polderlandschap. Naast alle aangewezen monumenten heeft Weesp nog veel meer erfgoed dat nog geen status heeft. De vraag is hoe we hiermee om willen gaan. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) staat te lezen dat ‘onze landschappen, ons gebouwde en archeologisch erfgoed, onze nationale parken en ook de karakteristieke verschijningsvorm van onze dorpen en steden in 2050 net als nu de Nederlandse identiteit bepalen. Het zijn belangrijke cultuurhistorische waarden, die we voor de toekomst hebben behouden en moeten blijven behouden’. Weesp heeft beeldbepalende (ook naoorlogse) panden, wijken en landschappelijke kwaliteiten en structuren die het waard zijn om benoemd te worden. Anderzijds is een groot deel van de (niethistorische) bebouwde omgeving van Weesp vrij van toetsing door de Welstandscommissie. De vraag is of hierdoor niet onbedoelde belangrijke waarden verloren gaan.
94
Erfgoed is niet alleen ‘tastbaar’. Er is ook immaterieel erfgoed. In Weesp zijn er bijvoorbeeld een aantal tradities en gebruiken zoals het Carillonspel en het Sluis- en Bruggenfeest die ook onder erfgoed gerekend kunnen worden. Gebiedsontwikkeling en erfgoed kunnen soms op gespannen voet staan. Zo mag het zicht op en het aanzicht van bijvoorbeeld beschermde boerderijen en andere karakteristieke panden niet aangetast worden. Maar erfgoed hoeft geen belemmering te zijn. Het starten met een cultuurhistorische analyse voordat de planvorming begint, zorgt ervoor dat het erfgoed als inspiratiebron ingezet kan worden. Ondanks dat Weesp in een prachtig open landschap ligt zijn de randen van de stad relatief gesloten en is het landschap in sommige gevallen niet of nauwelijks toegankelijk. Doel De omgevingskwaliteiten van Weesp worden geïdentificeerd, ge(her)waardeerd en verder versterkt. Het gaat hierbij om beeldbepalende (ook naoorlogse) panden, industriegebieden, wijken en landschappelijke kwaliteiten en structuren die het waard zijn om benoemd te worden. Een goede verankering van de geconstateerde waarden in het omgevingsplan is essentieel. We willen in het buitenstedelijk groen de landschapskwaliteiten en liniestructuren versterken en het gebouwde erfgoed beter beschermen. Het open landschap, op de Bloemendalerpolder na, wordt behouden.
Er vindt geen verdere stadsuitbreiding plaats, buiten het huidige bebouwd gebied in Weesp. in het kader van het behoud van de kernkwaliteiten en landschappelijke waarden wordt onderzocht of het welstandsbeleid aanpassing behoeft. Het benoemen van de omgevingskwaliteiten van Weesp bij de start van een ontwikkeling biedt kansen voor behoud van het erfgoed en is in lijn met de eerste twee benoemde kernkwaliteiten. Het gebruikmaken van bestaande waarden zorgt voor betekenisvolle toevoegingen aan de stad. Verder levert erfgoed een zinvolle bijdrage in de gesprekken met betrokken en (participatietrajecten) over gebiedsontwikkeling (verbinden van verleden, heden en toekomst) Het linielandschap dat van grote waarde is, verdient meer aandacht. Het is het onderzoeken waard of meer aandacht voor het ontstaan, de betekenis en de waarde van dit landschap, bijvoorbeeld in de vorm van een ‘museum’ gewenst is. De oevers van de Vecht krijgen de waardering en zichtbaarheid die zij verdienen door deze meer te programmeren. Ditzelfde geldt voor het gebied rond de vesting en de bastions. Ook daar wordt ingezet op intensiever gebruik en programmering, zodat deze kwaliteit van Weesp meer toegankelijk wordt en beter beleefd kan worden. De, naar verwachting in 2021 te verkrijgen, status van de Hollandse Waterlinie als Unesco Werelderfgoed vormt een mooi startpunt van deze impuls.
Dit geldt eveneens voor het Rondje Diemerscheg. Een recreatieve route van 20 kilometer door de Diemerscheg waar in het kader van de nog vast te stellen ontwikkelstrategie Diemerscheg op ingezet zal worden.
95
Op een aantal locaties wordt daarom voorgesteld om de relatie tussen stad en land te versterken door een betere ontsluiting van het landschap. Dit kan een infrastructurele ingreep zijn zoals een tunnel of een brug om de bereikbaarheid te vergroten, maar ook een ruimtelijke ingreep om de relatie tussen stad en land te versterken
4.4.2 Landschap, veenweide, agrarisch gebruik
Het ontstaan van het landschap Weesp ligt in de westflank van de Gooise heuvelrug die ca 100.000 jaar geleden door gletsjers is opgeworpen. Na de laatste ijstijd maakte Weesp deel uit van een kustmoeras tussen de heuvelrug en de Noordzeekust. De Rijn stroomde ca 2000 jaar geleden via de Vecht naar de Noordzee. Hierdoor is rivierklei afgezet dat nog steeds aan de oppervlakte ligt. In het kustmoeras zijn dikke veenlagen afgezet, deels gevoed door water uit de heuvelrug en deels gevoed door de rivier. In het gebied lagen twee natuurlijke meren (Naardermeer en Horstermeer). Rond 900 zijn de eerste ontginningen begonnen. Het veen werd ontwaterd en werd daardoor geschikt voor landbouw. Ook werden delen van het veen afgegraven voor de winning van brandstof. Zo zijn bijvoorbeeld de Ankeveense plassen ontstaan. Tussen 900 en 2000 is een deel van het veen door oxidatie verdwenen waardoor de onderliggende klei aan het oppervlakte is gekomen. Water De heuvelrug werd gebruikt voor de drinkwaterbereiding, de Horstermeer werd drooggemalen en tezamen reduceerde dit de hoeveelheid kwelwater van extreem goede kwaliteit. Als vervanging wordt tegenwoordig Rijnwater het gebied in geleid. Hierdoor verslechterde de waterkwaliteit, later verergert door de fosfaatlast uit wasmiddelen (tot 1980) en van het land afspoelende meststoffen.
Het Amsterdam Rijnkanaal is rond 1900 gegraven en snijdt oude polder en landschapsstructuren door midden. Als de bodem wordt ontwaterd zakt deze. Nat veen bevat veel water en zakt bij ontwatering dus extra diep. Daar komt bij dat het water vervangen wordt door lucht waardoor het veen oxideert (verbrand). Hierdoor wordt CO2 uitgestoten, daalt de bodem, wordt het water extra vuil, verdwijnt de informatie opgeslagen in het veen, wordt de waterveiligheid minder en worden infrastructuur en funderingen van huizen aangetast. Ontwatering van veen levert een dilemma op. Enerzijds ontstaan bovengenoemde problemen, anderzijds hebben hoge peilen als nadeel dat landbouw wordt bemoeilijkt: de bodem wordt slapper waardoor machines moeilijker te gebruiken zijn, en parasieten krijgen een kans waardoor het vee kan worden besmet. Het maakt uit of veen is afgedekt met een kleilaag die de veenlaag beschermt tegen oxidatie. In grote delen van het landbouwgebied in Weesp is dat het geval. De meeste pure veengronden zijn veranderd in natuurgebieden.
96
In Noord-Holland is ontwatering een compromis geworden met een streven naar sloten die 60 cm dieper liggen (drooglegging) dan het land. Bij dit peil verdwijnt er 1 cm/jaar door oxidatie en wordt ca. 20 ton CO2 per hectare per jaar uitgestoten. In Weesp varieert de drooglegging tussen 20 en 60 cm. Tezamen met de kleibedekking is de verwachting dat de bodemdaling in Weesp aanzienlijk minder is dan 1 cm/ jaar. Onder druk van de klimaatakkoorden wordt gezocht naar manieren van landbouw die minder CO2 uitstoot. Lucht Op dit moment is er vooral een probleem met stikstof en fijnstof. Stikstof komt als oxide uit het verkeer en als ammoniak uit de landbouw. Het veroorzaakt problemen in de stikstofgevoelige natuur, zoals de heidevelden van de Heuvelrug en de moerassen in de Vechtplassen. Er is een groot gat tussen de gewenste depositie van stikstof in de natuurgebieden rond Weesp (800 mol N per ha) en de feitelijke (2000 mol N/ha). Het aandeel van de landbouw hierin is gemiddeld over Nederland ca 40%. In Weesp zou zelf geheel stoppen met de landbouw het gat niet dichten. Fijnstof is erg schadelijk voor de luchtwegen en verkort de levens van mensen. De aanleg van bomenrijen op plekken waar fijnstof en ammoniak ontstaat kan bijdragen aan een oplossing, langs wegen en om intensievere stallen.
Natuur De hoge waterkwaliteit en gevarieerde bodemopbouw gaven de omgeving van Weesp een rijke natuur. Maar de verminderde aanvoer van het schone water heeft tot een ernstige verslechtering van de natuur geleid, versterkt door steeds intensievere landbouw, versnippering door infrastructuur en toenemende drukte in de natuur. De omgeving van Weesp is rijk aan gebieden die zijn aangekocht voor natuurbehoud. Nabij Weesp werd in 2016 de eerste terugkerende otter van Noord Holland waargenomen en probeerden visarenden te broeden in het Naardermeer. In de graslanden ten oosten van de Vecht komen bijzondere dieren voor zoals de heikikker. Grote open gebieden zoals de Aetsveldse polder herbergen nog steeds diverse soorten weidevogels, er lijkt zelfs sprake van een toename in aantallen. Agrariërs verbeteren hier de condities voor natuur door in te zaaien met kruidenrijke mengsels. Gebruik Binnen de gemeentegrenzen van Weesp liggen vooral veeteeltgebieden en een ruime bufferzone (in de nieuw Keverdijkse polder) rondom het Naardermeer die is ingericht als natuur. De landbouw in de Aetsveldse polder en Heintjes Rak en Broekpolder is zeer gespecialiseerd en gericht op melkproductie.
De melk van de landbouw in Weesp wordt voornamelijk verwerkt door Campina in Lutjewinkel, een groot deel van deze melkstroom wordt in de markt gezet als Kaas uit NoordHolland en deze kaas wordt grotendeels in Nederland geconsumeerd. In Weesp zijn daarnaast goede voorbeelden van rechtstreekse afzet van streekproducten naar de consument ontwikkeld en er is veel nevenactiviteit op de bedrijven aanwezig (zoals zorg, horeca, verkoop aan huis en toerisme). De natuurgebieden en recreatiegebieden worden goed gebruikt door de lokale bevolking. De Vecht is belangrijk voor de vaarrecreatie en als hoogwaardig woongebied voor woonboten. De watersport heeft een meer nationaal bereik. Het Amsterdam Rijnkanaal is zeer belangrijk voor internationaal transport.
97
Het landschap rond de bebouwde omgeving in Weesp bevindt zich voor een deel op Weesps grondgebied. Het is van groot belang voor Weesp, zowel economisch als sociaal-maatschappelijk. Economisch omdat werkgelegenheid in sommige sectoren samenhangt met het landschap (agrarische sector en toerisme en recreatie); en sociaal-maatschappelijk omdat de leefbaarheid in Weesp zeer gebaat is bij de nabijheid van dat landschap. De aantrekkelijkheid van Weesp als woonstad en vestigingsplek voor bedrijven wordt hierdoor positief beïnvloed. Vanuit alle wijken in Weesp is het buitengebied dichtbij. Het buitengebied is globaal te verdelen in drie polders, het water en beschermde gebieden. • De Bloemendalerpolder kenmerkt zich door de combinatie van landschap en wonen. Naast de nieuwe woonwijk Weespersluis die daar wordt gerealiseerd komt er ook een groot natuurlijk bos tussen Weespersluis en de A1; • De Keverdijkse Polder heeft een meer natuurlijke uitstraling. De ligging tussen Vecht en Naardermeer levert deze polder unieke kwaliteiten die voor de natuur en recreatie grote waarde hebben; Het oostelijk deel heeft een veenbodem, meer naar het westen is meer klei afgezet. • De Heintjes Rak en Broekpolder is een polder met melkveehouderijen en een klei op veen bodem.
• De Aetsveldse Polder wordt vooral gedomineerd door de landbouw en de aardkundige waarde. De Vecht heeft er in de afgelopen duizenden jaren een dikke laag klei achtergelaten. Dit deel van het buitengebied heeft minder last van bodemdaling en alle andere aspecten die daarmee samenhangen (waterkwaliteit, CO2 uitstoot) Het landschap in en rond Weesp houdt niet op bij de gemeentegrens en moet dus in relatie tot het aangrenzende landschap gezien worden. Het Diemerbos, het Naardermeer, de Ankeveense Plassen: het ligt allemaal binnen het bereik van Weespers en levert dus ook een bijdrage aan de woon- en leefkwaliteit in Weesp. In grote delen van het landschap is het waterpeil een bepalende factor in de kwaliteit van datzelfde landschap. Dat geldt voornamelijk voor de polders met een veenbodem. Behalve de Aetsveldse Polder geldt dat voor vrijwel alle andere polders. Het veenweide gebied is vruchtbare grond die zich goed leent zich goed voor agrarisch gebruik. Dat maakt een regulering van het waterpeil op een laag niveau noodzakelijk. Dit leidt echter tot eerder genoemde problemen, waardoor het peilbeheer in veengebieden een uitdaging is.
In een recent door De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) uitgebracht advies (Stop Bodemdaling in Veenweidegebieden, het Groene Hart als voorbeeld, september 2020) wordt aangegeven dat het huidige gebruik van het Nederlandse veenweidegebied niet door kan gaan. Het waterpeil moet op een duurzaam niveau gebracht worden. Volgens de RLI is, om dit mogelijk te maken, met name meer kennis over alternatieve vormen van agrarisch gebruik nodig. Andere veerassen zouden bijvoorbeeld betere resultaten geven bij een hoger waterpeil. In sommige gevallen zal de bedrijfsvoering fundamenteler moeten worden aangepast (minder vee per ha, andere teeltvormen). Daarnaast is volgens de RLI vooral duidelijk beleid nodig. De huidige onzekerheid levert bij boeren en waterschappen onzekerheid over de toekomst, waardoor boeren
98
geen investeringsbeslissingen kunnen nemen en waterschappen geen besluiten die nodig zijn voor water- en grondkwaliteit. In de gehele regio Gooi en Vechtstreek speelt dit probleem voor de veenweidegebieden. Welk onderdeel van het RLI rapport voor Weesp van toepassing is moet nog worden bepaald. Oplossingen worden gezocht in andere teelten, andere bedrijfsorganisatie (ipv productie voor de wereldmarkt meer productie voor de nabij gelegen steden). Boeren in evenwicht met de natuurlijke processen lijkt steeds meer kansen te krijgen. Dit is een (belangrijk) onderdeel van de transitie die de landbouw (met name, maar niet alleen) in veenweidegebieden door zal maken. Agrariërs en overheden (gemeenten en waterschappen) moeten hierin gezamenlijk optrekken. Voor het beheer van het cultuurlandschap rond Weesp (overigens speelt deze discussie op heel veel andere plaatsen in Nederland) is een vorm van agrarische bedrijfsvoering welhaast onontbeerlijk. Agrariërs in Weesp zijn op vele fronten bezig met een transitie. De landbouw is verbreed, er wordt gewerkt aan natuurinclusiviteit, de peilen zijn niet al te laag, mest wordt helemaal in het gebied zelf aangewend, de consument komt dichterbij, hetgeen perspectief biedt op een betere prijs van het product en meer ruimte om keuzes te maken die zijn gericht op natuur en landschap.
Het gat tussen de gewenste stikstofdepositie en de feitelijke is wel groot. Een deel van de oplossing moet gevonden worden in de lokale landbouw. De schaalvergroting in Weesp is in volle gang, in hoeverre dat leidt tot in- of extensivering van het gebruik van het landschap staat te bezien. Dit hangt sterk af van de keuzen die bedrijven maken en randvoorwaarden die worden gesteld aan de bedrijven zowel qua regelgeving als qua marktomstandigheden en producten en diensten die beloond worden. Inmiddels heeft de landbouw in Weesp al veel stappen gezet om los te komen van race naar steeds lagere kosten.
Foto: Aetsveldsepolder De motor achter die transitie is breder dan bodemdaling en klimaat. Vragen zijn: hoe groot willen we dat stallen in de toekomst zijn; hoe staan we tegenover het gebruik van bestrijdingsmiddelen en graslandvernieuwing. Wat gaat kringlooplandbouw betekenen voor het landelijk gebied van
99
Weesp en stikstofbelasting van de natura 2000 gebieden; en hoe zorgen we dat het water de natuurgebieden niet wegloopt naar de landbouwgebieden. Welke stedelijke functies kunnen landbouwbedrijven vervullen? Weesp zoekt de komende periode een antwoord op de vragen die hierboven geformuleerd zijn. Die zoektocht wordt tegelijk door veel andere gemeenten in Nederland ondernomen. Ook Amsterdam heeft een groot landelijk gebied (ca 1700 ha.) dat voor een deel bestaat uit veenweidegebied. Het antwoord op bovenstaande vragen wordt in samenwerking met Amsterdam gezocht, omdat Weesp in 2022 samengaat met Amsterdam. Ervaringen en kennis uit andere gebieden wordt daarbij betrokken, maar in het oog dient gehouden te worden dat de bodemsamenstelling, waterpeilen, grondgebruik etcetera van gebied tot gebied kan verschillen. Doel De ambities in die zoektocht zijn: het stoppen van de bodemdaling, het herstel van de biodiversiteit, handhaving en herstel van de waterkwaliteit en het behoud van open landschap en agrarische bedrijvigheid. Dit in een proces met zorgvuldige participatie. Dit zal geen makkelijk proces zijn, maar de toekomst van het landschap rond Weesp vraagt om keuzes die met inachtneming van alle belangen moeten worden gemaakt. Problemen 1) Ontwatering van veengebieden leidt tot veenoxidatie met een groot aantal negatieve gevolgen.
De landbouw dreigt in de knel te komen door voorgenomen maatregelen. 2) Landbouwgebieden die grenzen aan stikstofgevoelige gebieden leiden tot stikstofbelasting in de natuur, daarnaast is er een deken van stikstof uit meerdere bronnen afkomstig is. 3) Streekproductie. In de omringende steden zou meer zuivel en vlees kunnen worden afgezet, rechtstreeks aan de consument of aan de horeca. 4) Behoud open landschap stelt eisen aan alle ontwikkelingen die plaats (kunnen) vinden in, of grenzend aan, het landschap. 5) Energiewinning. In het landelijk gebied zijn zonneweiden ongunstig voor vogels. De impact op het landelijk gebied is ook groot. Een enkele grote molen, zon op daken, zon boven weg en kleine molens op boerderijen is een beter perspectief. Oplossingsrichtingen 1)
2)
3)
Een nationaal kenniscentrum is opgezet om naar oplossingen voor de bodemdaling en CO2 uitstoot te zoeken. Binnen enkele jaren moet dit leiden tot een set aan mogelijke oplossingen. Stikstof: Landbouwgebieden nabij steden hebben een betere kans om ook buiten het productievolume meerwaarde te creëren op het landbouwbedrijf. Veel agrarische bedrijven stoppen de komende 10 jaar. Dat geeft een kans voor de blijvende bedrijven om te extensiveren, waardoor de stikstofuitstoot kan afnemen en biodiversiteit meer kans heeft. Met de sector samen zoeken naar beleidsinstrumenten om de extensivering op economisch verantwoorde manier vorm te geven. Streekproductie: Er zijn tal van initiatieven om duurzaam geproduceerde melk, die antwoord geeft op bodemdaling, stikstofuitstoot en biodiversiteit naar de stad te brengen. De reguliere landbouw zet haar product in een herkenbaar Noord-Holland merk af. Er kan onderzoek
100