CConstaterende datWeesp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplan Weesperwerf

Gemeenteraad 10 februari 2022, gemeente WeespBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Weesperwerf31.454 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

5.2

Verkeer en parkeren

5.2.1

Autoverkeer

Door Goudappel Coffeng is verkeersonderzoek gedaan naar de effecten van de wijziging van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" naar "Woningen", zie Bijlage 5. Daarbij is een vergelijking gemaakt van de verkeersgeneratie van de huidige bestemming (bedrijf) en de verkeersgeneratie van de toekomstige bestemming (wonen). Verkeersgeneratie Uit het verkeersonderzoek blijkt dat de maximaal planologische vulling conform het vigerend bestemmingsplan een verkeersgeneratie heeft van 1.660 motorvoertuigen (mvt) op een gemiddelde weekdag. Op een gemiddelde werkdagetmaal bedraagt de verkeersgeneratie 2.200 mvt. In het ochtendspitsuur bedraagt de totale verkeersgeneratie 240 mvt en avondspitsuur 210 mvt. In het verkeersonderzoek is berekend dat de geplande woningbouwontwikkeling een verkeersgeneratie heeft van 620 mvt op een gemiddelde weekdag. Op een gemiddelde werkdagetmaal bedraagt de verkeersgeneratie 690 mvt. In de ochtendspits bedraagt de verkeersgeneratie 80 mvt en in de avondspits 70 mvt. Uit het verkeersonderzoek kan worden geconcludeerd dat de verkeersgeneratie van de nieuwe situatie met woningen kleiner is dan de bestaande (planologische) situatie. Afwikkeling van het autoverkeer Het verkeer van de geplande woningbouwontwikkeling dient verkeersveilig afgewikkeld te worden op het omliggende wegennet.

De kwaliteit van de verkeersafwikkeling is beoordeeld voor de huidige situatie (2018) alsmede de toekomstige situatie (2030). Met behulp van VISSIM8 is de kwaliteit van de verkeersafwikkeling beoordeeld voor de aansluiting van de Nijverheidslaan op de Korte Muiderweg en de nabij gelegen rotonde. Tevens is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd waarbij de theoretische impact van de woningbouwontwikkeling op de huidige verkeerssituatie is onderzocht. Deze situatie is in praktijk niet realistisch gegeven de bouwtijd van de ontwikkeling en geplande infrastructurele ontwikkelingen binnen Weesp, maar resulteert wel in een breder zicht op het effect van de ontwikkeling.

De volgende vier varianten zijn zowel voor de werkdagochtendspits alsmede de werkdagavondspits gesimuleerd: Variant 1: Huidige situatie 2018 Variant 2: Variant 1 + autonome effecten conform verkeersmodel Weesp voor prognosejaar 2030 Variant 3: Variant 2 + verkeersgeneratie maximaal planologische invulling vigerend bestemmingsplan Variant 4: Variant 2 + verkeersgeneratie woningbouwontwikkeling Weesperwerf Variant 5: Variant 1 + verkeersgeneratie woningbouwontwikkeling Weesperwerf (gevoeligheidsanalyse) In het verkeersonderzoek is geconcludeerd dat als gevolg van de infrastructurele ontwikkelingen binnen de gemeente Weesp (onder andere afwaardering van de Korte Muiderweg en de nieuwe verbindingsweg rondom de Bloemendalerpolder/rijksweg A1) de verkeersintensiteiten op het omliggende wegennet afneemt ten opzichte van de huidige situatie. De kwaliteit van de verkeersafwikkeling als gevolg van woningbouwontwikkeling Weesperwerf is te

27

Weesperwerf beoordelen als goed. De impact is op het omliggende wegennet is zeer beperkt. Er doen zich geen verkeerskundige knelpunten voor. Het parkeerterrein zal aan de Nijverheidslaan worden ontsloten. Hierdoor rijdt men aan het begin van de Nijverheidslaan in en aan het einde van het parkeerterrein weer uit. Het parkeerterrein moet hierbij in één richting worden gebruikt.

5.2.2

Fietsverkeer

Door Goudappel Coffeng is onderzocht of er verkeersmaatregelen voor fietsers genomen moeten worden om het fietsverkeer van en naar de nieuwe woningen op een veilige manier af te wikkelen. Gegeven de beperkte verkeersintensiteit in de maatgevende ochtendspits (circa 160 mvt per uur) en avondspits (240 mvt per uur) is een fietsvoorziening niet noodzakelijk. Deze intensiteiten betekenen theoretisch circa 3 mvt per minuut tijdens een ochtendspitsuur en circa 4 mvt per minuut in een avondspitsuur. Anderzijds resulteert de kruispunttelling in een etmaalintensiteit op een maatgevende werkdag van circa 2.400 mvt op de Nijverheidslaan. De toekomstige verkeersintensiteit op de Nijverheidslaan (inclusief woningbouw Weesperwerf) bedraagt circa 3.100 mvt per etmaal op een maatgevende werkdag. Op basis van de principes conform Duurzaam Veilig wordt, bij de keuze voor wel of niet een fietsvoorziening, een grenswaarde van 3.500 – 4.000 mvt per etmaal gehanteerd bij dit type weg. Deze grenswaarde wordt niet overschreden. Het aandeel vrachtverkeer bedraagt in beide spitsperioden circa 3%. Dit is beperkt te noemen. In volgende afbeelding is de aansluiting van het fietsverkeer op het bestaande netwerk weergegeven. De buurt takt rechtstreeks aan op het fietspad op de Korte Muiderweg.

Figuur 5.2: schematische weergave van de aansluiting op het bestaand fietsnetwerk

28

Weesperwerf

5.2.3

Parkeren

Parkeervraag auto's Door Goudappel Coffeng is onderzoek gedaan naar de te hanteren parkeernorm, zie Bijlage 6. Conform de gemeentelijke parkeernorm wordt 1,8 parkeerplaatsen per woning aangehouden, van deze norm mag gemotiveerd worden afgeweken. In het onderzoek is geadviseerd om een reductie van 13% toe te passen op het gemiddelde parkeerkencijfer conform CROW als parkeernorm voor de eengezinswoningen binnen Weesperwerf. De volgende redenatie ligt hieraan ten grondslag: Veel gemeenten in Nederland baseren hun parkeernormen op de meest recente parkeerkencijfers van het CROW. Deze parkeerkencijfers worden landelijk toegepast en geaccepteerd om de parkeervraag van ontwikkelingen te bepalen. De parkeerkencijfers van het CROW zijn recenter gepubliceerd (2012) dan de parkeernormen conform de Parkeernota Weesp (2007) waarbij recente inzichten in het autogebruik en -bezit zijn toegepast. Gegeven het gemiddelde autobezit per huishouden in de gemeente Weesp, wat 13% lager ligt dan het autobezit in vergelijkbare gemeenten met dezelfde stedelijkheidsgraad, is een parkeernorm van 1,4 parkeerplaats per eengezinswoning reëel. Door toepassing van aanwezigheidspercentages conform het CROW ontstaat een beter beeld van de verwachte parkeervraag per moment van de week, waardoor dubbelgebruik van parkeerplaatsen met omliggende functies (bedrijventerrein) mogelijk is.

Op basis van de geadviseerde parkeernorm (1,4 parkeerplaats per eengezinswoningen) dienen ten behoeve van 85 eengezinswoningen in totaal, rekening houdend met aanwezigheidspercentages van bewoners en bezoekers, 119 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Op basis van de voorgestelde parkeernorm voor de studio's van 0,54 door Rho Adviseurs (welke is vastgesteld door de gemeente Weesp) bedraagt de totale parkeervraag van de studio's 16,2 parkeerplaatsen. In totaal dus 135,2 parkeerplaatsen. Het plan voorziet nu in 137 parkeerplaatsen. 10 parkeerplaatsen worden voorzien van laadpunten voor elektrische auto's. Deelautos Er wordt actief ingezet op het voorkomen van het bezit van een tweede auto door een systeem van elektrische deelauto's. In de basis worden de deelmobiliteit via pay-per-use ingezet. Bewoners kunnen echter ook een mobiliteitsabonnement afsluiten waardoor ze korting krijgen op het gebruik van de deelmobiliteit. Mede gezien de ligging nabij het station is het aannemelijk dat deze trend (van eigendom naar gebruik) zal aanslaan. Verwacht kan worden dat de parkeerbehoefte hierdoor verder af zal nemen. Parkeervraag fiets en scooter Op basis van de analyse met OViN-data wordt gesteld dat het hanteren van de fietsparkeerkencijfers van CROW een reëel beeld geeft van de te verwachte fietsparkeervraag van Weesperwerf.

De eengezinswoningen genereren 415 plekken (5 per woning) welke worden gefaciliteerd op eigen kavel. De studio's genereren 60 plekken (2 per woning) welke worden gefaciliteerd in een gezamenlijke berging. Totaal zijn er 57 fietsparkeerplekken benodigd voor bezoekers, waarvan 15 plekken ten behoeve van de studio's in de openbare ruimte gerealiseerd moeten worden. De gemeente Weesp heeft geen normen voor scooters vastgesteld. In Amsterdam geldt voor de hele gemeente (ongeacht de locatie) een norm van 0,13 parkeerplaatsen per woning. Deze norm is dus niet gebiedsspecifiek en het is daarom realistisch om deze norm ook hier toe te passen. Aan de hand van deze parkeernormen bedraagt de scooterparkeervraag van Weesperwerf 15 plekken.

5.3

Archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie

5.3.1

Archeologie

Regelgeving Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Nederland

29

Weesperwerf heeft dit verdrag geratificeerd en geïmplementeerd in de Monumentenwet. Op 1 september 2007 is de wet als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. Bij ruimtelijke ingrepen worden de archeologische belangen in een vroeg stadium in de planvorming betrokken. Uitgangspunt bij de zorg voor archeologische waarden is het behoud in de bodem ter plekke en planologische bescherming van waardevolle archeologische vindplaatsen. Verder geldt het “veroorzakerprincipe”. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of voor een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische materiaal in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering.

Archeologisch onderzoek Door bureau Laagland Archeologie is een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 7. Daarbij is de bodemopbouw en de te verwachten archeologisch waardevolle elementen vastgesteld door het plaatsen van een 13-tal boringen. Op onderstaande afbeelding is aangegeven waar is geboord.

Figuur 5.3: overzicht boorlocaties Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is er een kans dat er archeologische vindplaatsen in het plangebied bewaard zijn gebleven. Een heel aantal boringen is gestuit in opgebrachte grond- en puinlagen. In de boringen die doorgezet konden worden door deze lagen is het voormalige maaiveld met een intacte bodemopbouw aangetroffen in oeverafzettingen met een hoge archeologische verwachting voor de perioden Ijzertijd tot Nieuwe tijd en zijn enkele archeologische indicatoren aangetroffen, waaronder een klein aardewerkfragmentje daterend uit de 17e tot halverwege 19e eeuw. De bodemniveaus waarop archeologische vindplaatsen kunnen worden verwacht bevinden zich op 0,60 à 1,65 m –mv (1,21 à 2,26 m –NAP) en 1,90 tot 2,25 à 2,70 m – mv (2,97 à 3,02 tot 3,32 à 3,82 m –NAP). Het terrein in zijn huidige staat is erg nat en zal moeten worden opgehoogd. Gezien de huidige

30

Weesperwerf plannen waarbij geen onderkeldering van het aan te leggen wooncomplex is voorzien hoeft de planuitvoering geen grote consequenties te hebben. De planuitvoering heeft mogelijk wel consequenties als de aanlegdiepten van de funderingsstroken –of balken dieper dan 60 cm onder het huidige maaiveld (dieper dan 1,21 m –NAP) worden aangelegd. Van de fundering op palen van het complex worden relatief kleine verstoringen verwacht die van weinig belang zijn voor een eventuele vindplaats. Onder de voorwaarde dat niet in de oeverafzettingen vanaf ca. 1,21 m –NAP wordt gegraven bij de aanleg van de funderingsstroken –of balken, wordt geadviseerd om de ontwikkelaar vrij te stellen van verder vervolgonderzoek. Als aan deze voorwaarde niet kan worden voldaan wordt een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven geadviseerd. De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Weesp, hierin vertegenwoordigd door de archeologische adviseur van Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de gemeente of haar regio-archeoloog.

Vertaling naar bestemmingsregeling Op grond van voorafgaande conclusies worden de drie archeologische dubbelbestemmingen uit het hiervoor geldende bestemmingsplan vervangen door één archeologische dubbelbestemming, waarbij er geen beperkingen worden gesteld aan grondroerende werkzaamheden tot 0,60 m -mv (1,21 m - NAP) en geen beperkingen aan fundering op palen dieper dan 0,60 m -mv (1,21 m - NAP), conform de bevindingen van het booronderzoek.

5.3.2

Aardkundige waarden

Regelgeving In de Provinciale Ruimtelijke Verordening wordt gesteld dat voor de gebieden die binnen de aanduiding 'Aardkundig monument' of 'Aardkundig waardevol gebied' zijn gelegen in de toelichting moet worden opgenomen op welke wijze in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de voorkomende bijzondere aardkundige waarden.

31

Weesperwerf

Figuur 5.4: uitsnede kaart aardkundig monument

Resultaat en conclusie Conform het provinciale beleid heeft het plangebied van het voorliggende ontwerpbestemmingsplan geen aardkundige waarden.

5.3.3

Cultuurhistorie

Regelgeving Ter uitvoering van de eerste pijler van modernisering van de Monumentenwet (MoMo) is onder andere het Besluit ruimtelijke ordening aangepast. Per 1 januari 2012 schrijft artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, Bro voor dat gemeenten in de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan een beschrijving geven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De Rijksoverheid wil er met deze wetgeving voor zorgen dat er in de monumentenzorg niet alleen oog is voor het monument zelf, maar ook voor de omgeving ervan en het gebied op zichzelf: het zogenaamde gebiedsgerichte erfgoedbeleid.

Algemeen De inrichting van een landschap wordt gekenmerkt door historische structuurlijnen en de cultuurhistorische objecten. Historische structuurlijnen zijn bijvoorbeeld de waterwegen en de spoorlijnen die de regio overstijgen. Maar daarnaast gaat het ook om de kavelstructuren zoals sloten, vaarten, dijken, wegen en beplantingslijnen. De cultuurhistorische objecten vullen het landschap verder in, het gaat vaak om gebouwen zoals boerderijen, molens, forten en kerken. Wat ze gemeen hebben is dat ze bepalend zijn voor de identiteit van een gemeente. Dit is ook geval in Weesp. De benoeming en bescherming van zowel de structuurlijnen als cultuurhistorische objecten gebeurt op rijksniveau, provinciaal niveau en gemeentelijk niveau. Zo zijn daar de nationale landschappen, het rijksbeschermde stadsgezicht, de militaire structuren rond Weesp, de waterwegen, het landelijk gebied met de boerderijen en de rijks,- provinciale- en gemeentelijke monumenten. Zij vertellen allen een deel van de ontstaansgeschiedenis en de hedendaagse verschijningsvorm van Weesp: namelijk een nederzetting aan de Vecht dat al sinds het midden van de Ijzertijd bewoond wordt. Gemeente Weesp valt in diverse nationale landschappen. Dit zijn het Groene Hart, de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De laatste twee hebben alles te maken met de vesting Weesp.

Weesp maakt deel uit van de Oude en Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. De forten Ossenmarkt en Uitermeer, de schansen, de bunkers en schootsvelden maken deel uit van deze militaire structuren. Vesting Weesp is tevens aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht. Het bestemmingsplan is erop gericht om zoveel mogelijk van deze militaire geschiedenis levend te houden door de cultuurhistorische objecten te behouden. Om dit te bewerkstelligen heeft de gemeente een planregel opgenomen (voor objecten met cultuurhistorische waarden), waarbij in het geval van sloop altijd moet worden aangetoond of de cultuurhistorische waarde van het object en zijn omgeving hiermee niet wordt aangetast.

Resultaat De door de provincie opgestelde "Informatiekaart landschap en cultuurhistorie" geeft informatie over onder andere cultuurhistorische objecten, molens en militaire structuren.

32

Weesperwerf

Figuur 5.5: uitsnede Informatiekaart landschap en cultuurhistorie Het bestaande bedrijventerrein is aangewezen als onderdeel van de "buitenring" van de Stelling van Amsterdam. De Stelling van Amsterdam is een militair verdedigingswerk dat tussen 1870 en 1915 is aangelegd ter bescherming van de hoofdstad. De verdedigingsring is 135 kilometer lang en bestaat uit dijken met dammen en sluizen, terreinen die onder water konden worden gezet (inundatie) en 42 forten. Dit verdedigingssysteem in combinatie met het daarbij horende landschap wordt aangeduid als de stellingzone. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening is aangegeven dat: "Voor de gronden gelegen binnen de in artikel 20 genoemde erfgoederen van uitzonderlijke, universele waarden dienen in het bestemmingsplan regels te worden opgenomen ten behoeve van het behoud of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van de uitzonderlijke universele waarde, zoals omschreven in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie". Een nieuwe grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocatie of glastuinbouwlocatie danwel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject is binnen deze zone niet toegestaan. De bouw van de woningen aan de Nijverheidslaan in het bestaande stedelijke gebied van Weesp waar het bestemmingsplan bedrijven reeds mogelijk maakt valt niet onder deze categorie.

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie In de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is aangegeven dat de druk op de woningmarkt groot is door de nabijheid van Amsterdam en Hilversum. In de Bloemendalerpolder ten noorden van Weesp en op het KNSF-terrein ten westen van Muiden worden nieuwe woongebieden ontwikkeld. De oude ontginningslinten verdichten door nieuwbouw en transformatie van bedrijfslocaties. Het gebied van de Nijverheidslaan in Weesp is onderdeel van het "Ensemble Vechtstreek". In de Leidraad zijn de drie provinciale kernwaarden beschreven: de landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. openheid en ruimtebeleving: de beleving van de vrije open ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. de ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Denk hierbij aan bebouwingslinten, bomenlanen en dijken.

33

Weesperwerf

Het realiseren van woningen in het bestaande stedelijke gebied op het bedrijventerrein, waar het geldende bestemmingsplan reeds bedrijven toestaat, tast niet de wezenlijke kenmerken van het Ensemble Vechtstreek aan.

Conclusie De bouw van woningen aan de Nijverheidslaan is in overeenstemming met het provinciale beleid.

5.4

Geluid

5.4.1

Algemeen

Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Dit leidt tot steeds meer klachten. In een aantal gevallen wordt de gezondheid beïnvloed door geluid. Hoge geluidniveaus kunnen het gehoor beschadigen en ook de verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. Door de toename van het geluid in de omgeving, wordt de behoefte aan stilte steeds meer als een noodzaak gevoeld.

5.4.2

Regelgeving/ beleid

De Wet geluidhinder, de Luchtvaartwet en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidssituatie in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk: wegverkeerslawaai; railverkeerslawaai; industrielawaai; vliegtuiglawaai. Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet. Er liggen geen geluidszones van het vliegtuiglawaai over het plangebied, waardoor deze niet nader beschouwd wordt. Op de aspecten wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt hier nader ingegaan.

5.4.3

Onderzoek

Door onderzoeksbureau Tauw is een akoestisch onderzoek uitgevoerd zie Bijlage 8. In het onderzoek is, in het kader van de Wet geluidhinder, de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai bepaald. Binnen het invloedsgebied van een weg/spoortraject (geluidzone) dient conform de Wet geluidhinder de geluidbelasting op gevels van nieuw te realiseren woningen bepaald te worden. Elke weg, behoudens een weg met een toegestane rijsnelheid van 30 km/u, heeft een geluidzone. Het plangebied is gelegen in de geluidzone van de Stationsstraat, de Korte Muiderweg, de Leeuwenveldseweg, de Nijverheidslaan en het Spoortraject van de Flevolijn.

Wegverkeerslawaai De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Nijverheidslaan is met maximaal 48 dB gelijk aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en dus ook lager dan de maximale toelaatbare waarde van 63 dB. De geluidbelasting vanwege het verkeer op de Nijverheidslaan vormt geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

34

Weesperwerf

Figuur 5.6: Invallende geluidbelasting Nijverheidslaan (50 km/uur) in dB (incl. aftrek art. 110g Wet geluidhinder) en geluidscontouren (inclusief gevelreflecties) op 5 meter hoogte Korte Muiderweg (50 km/uur) De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Korte Muiderweg is met maximaal 50 dB op enkele punten hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar lager dan de maximale toelaatbare waarde van 63 dB. Vanwege de overschrijding dienen geluidsreducerende maatregelen genomen te worden of een hogere waarde vastgesteld te worden.

35

Weesperwerf

Figuur 5.7: Invallende geluidbelasting Korte Muiderweg (50 km/uur) in dB (incl. aftrek art. 110g Wet geluidhinder) per verdiepingshoogte (1,5 / 5 / 7,5 / 10 meter) en geluidscontouren (inclusief gevelreflecties) op 5 meter hoogte

Leeuwenveldseweg (50 km/uur) De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Leeuwenveldseweg is met maximaal 36 dB lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en ook lager dan de maximale toelaatbare waarde van 63 dB. De geluidbelasting vanwege het verkeer op de Leeuwenveldseweg vormt geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

36

Weesperwerf

Figuur 5.8: Invallende geluidbelasting Leeuwenveldseweg (50 km/uur) in dB (incl. aftrek art. 110g Wet geluidhinder) per verdiepingshoogte (1,5 / 5 / 7,5 / 10 meter) en geluidscontouren (inclusief gevelreflecties) op 5 meter hoogte

Stationsweg (50 km/uur) De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Stationsweg is met maximaal 50 dB op enkele punten hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar lager dan de maximale toelaatbare waarde van 63 dB. Vanwege de overschrijding dienen geluidsreducerende maatregelen genomen te worden of een hogere waarde vastgesteld te worden.

37

Weesperwerf

Figuur 5.9: Invallende geluidbelasting Stationsweg (50 km/uur) in dB (incl. aftrek art. 110g Wet geluidhinder) per verdiepingshoogte (1,5 / 4,5 / 7,5 / 10,5 meter) en geluidscontouren (inclusief gevelreflecties) op 5 meter hoogte

Railverkeerslawaai De geluidbelasting ten gevolge van het railverkeer is met maximaal 70 dB op een aantal gevels hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB en maximale toelaatbare waarde van 68 dB. Woningbouw is niet zonder meer mogelijk. Vanwege de overschrijding van zowel de voorkeursgrenswaarde als de maximale grenswaarde dienen maatregelen getroffen te worden. Cumulatieve geluidbelasting Wanneer een geluidgevoelig gebouw een relevante geluidbelasting ten gevolge van meerdere geluidbronnen ondervindt, worden bij het akoestisch onderzoek ook de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen onderzocht. In de Wet geluidhinder is opgenomen dat de gecumuleerde geluidbelasting niet mag leiden tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Het geluidbeleid van de gemeente Weesp zegt hier het volgende over: “Gemeente Weesp accepteert bij deze beoordeling een ten hoogste gecumuleerde geluidsbelasting van de ten hoogste te verlenen hogere waarde +3 dB.” De gecumuleerde geluidbelasting is maximaal 66 dB. Dit is minder dan de maximale gecumuleerde geluidbelasting (=hoogste te verlenen hogere waarde railverkeer van 68 + 3 dB = 71 dB) volgens het gemeentelijk geluidbeleid. Maatregelen Dove gevels zijn nodig wanneer de maximale grenswaarde wordt overschreden. De maximale grenswaarde is 63 dB voor wegverkeer en 68 dB voor railverkeer.

Wanneer de voorkeursgrenswaarde (48 dB wegverkeer en 55 dB voor railverkeer) wordt overschreden dienen aanvullende maatregelen getroffen

38

Weesperwerf te worden om te kunnen voldoen aan een binnenwaarde van maximaal 33 dB. Daarnaast heeft de gemeente als eis gesteld dat de woning minimaal aan één zijde geluidluw moet kunnen spuien. Wanneer er geen sprake is van een geluidluwe gevel kan middels een geluidwerende spuiventilatie voorziening alsnog voldaan worden aan de eis. In figuur 5.10 zijn de benodigde maatregelen gemarkeerd weergegeven voor de begane grond In figuur 5.11 zijn de benodigde maatregelen gemarkeerd weergegeven voor de eerste verdieping In figuur 5.12 zijn de benodigde maatregelen gemarkeerd weergegeven voor de tweede verdieping In figuur 5.13 zijn de benodigde maatregelen gemarkeerd weergegeven voor de derde verdieping

Hierbij zijn de volgende markeringen gebruikt: Gele lijn: Aanvullende maatregelen om de gevelwering te verhogen (meer dan de standaard voorgeschreven isolatiewaarde van 20 dB volgens het Bouwbesluit); hier zijn echter geen dove gevels nodig of geluidwerende spuivoorziening Paarse lijn: Dove gevels Blauwe lijnen: Geluidwerende spuivoorziening Verder dient weer opgemerkt te worden, dat de getalsmatige geluidbelasting per gevel invallend (zonder reflectie in de achterliggende gevel) zijn weergegeven, terwijl de contouren inclusief gevelreflectie zijn. De wettelijke richt- en grenswaarden gelden voor de invallende geluidbelastingen. De geluidscontouren kunnen derhalve niet aan de wettelijke grenswaarden getoetst worden, maar deze geven wel een idee van de ruimtelijk spreiding van het geluid. De geluidbelasting en geluidscontouren ten gevolge van railverkeer zijn in figuur 5.10 tot en met figuur 5.13 weergegeven, er is tevens rekening gehouden met de geluidbelasting door wegverkeer.

39

Weesperwerf

Figuur 5.10: Benodigde maatregelen begane grond. Geel = aanvullende maatregelen gevel, paars = dove gevel, blauw = geluidwerende spuivoorziening

Op de begane grond zijn voor 39 geveldelen (ten opzichte van de standaardwaarde zoals opgenomen in het Bouwbesluit) aanvullende gevelmaatregelen nodig om een binnenwaarde van 33 dB te kunnen garanderen.

40

Weesperwerf

Figuur 5.11: Benodigde maatregelen eerste verdieping. Geel = aanvullende maatregelen gevel, paars = dove gevel, blauw = geluidwerende spuivoorziening

Op de eerste verdieping zijn voor 47 geveldelen (ten opzichte van de standaardwaarde zoals opgenomen in het Bouwbesluit) aanvullende gevelmaatregelen nodig om een binnenwaarde van 33 dB te kunnen garanderen. Daarnaast moeten acht gevels op de eerste verdieping van de eerstelijns bebouwing (vanaf de spoorzijde gezien) als een dove gevel uitgevoerd worden. Ten slotte zijn voor 3 gevels op de eerste verdieping geluidwerende spuiventilatie voorzieningen benodigd.

41

Weesperwerf

Figuur 5.12: Benodigde maatregelen tweede verdieping. Geel = aanvullende maatregelen gevel, paars = dove gevel, blauw = geluidwerende spuivoorziening

Op de tweede verdieping zijn voor 62 geveldelen (ten opzichte van de standaardwaarde zoals opgenomen in het Bouwbesluit) aanvullende gevelmaatregelen nodig om een binnenwaarde van 33 dB te kunnen garanderen. Daarnaast moeten 13 gevels op de tweede verdieping van de eerstelijns bebouwing (vanaf de spoorzijde gezien) als een dove gevel uitgevoerd worden. Ten slotte zijn voor 12 gevels op de tweede verdieping geluidwerende spuiventilatie voorzieningen benodigd. Variant: Wanneer er voor gekozen wordt om géén verblijfsruimten te realiseren op de tweede verdieping ter plaatse van woningtypen D.1, D.2 en E.2 (woningtypes met zadeldak) dan zijn er nog maar voor 38 geveldelen aanvullende gevelmaatregelen nodig om een binnenwaarde van 33 dB te kunnen garanderen. Daarnaast moet een deel van de gevels bij de eerstelijns bebouwing (vanaf de spoorzijde gezien) ook op deze verdieping dan als een dove gevel uitgevoerd worden (13 geveldelen). Ten slotte zijn dan nog voor 9 gevels geluidwerende spuiventilatie voorzieningen benodigd.

42

Weesperwerf

Figuur 5.13: Benodigde maatregelen derde verdieping. Geel = aanvullende maatregelen gevel, paars = dove gevel, blauw = geluidwerende spuivoorziening

Op de derde verdieping zijn voor 6 geveldelen (ten opzichte van de standaardwaarde zoals opgenomen in het Bouwbesluit) aanvullende gevelmaatregelen nodig om een binnenwaarde van 33 dB te kunnen garanderen. Daarnaast moeten 8 gevels op de derde verdieping van de eerstelijns bebouwing (vanaf de spoorzijde gezien) als een dove gevel uitgevoerd worden. Ten slotte is voor één woning een geluidwerende spuiventilatie voorziening benodigd.

Conclusie Wegverk eerslawaai Ten gevolge van het wegverkeer op de Korte Muiderweg en Stationsweg vindt op een beperkt aantal woningen (respectievelijk drie en twee woningen) een overschrijding plaats van de voorkeursgrenswaarde. Aan de maximaal toelaatbare grenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt overal voldaan. Maatregelen (stiller wegdek of verlagen van de maximumsnelheid) zijn doeltreffend weliswaar doeltreffen en ook plaatsen van extra geluidschermen kunnen doeltreffend zijn. Deze maatregelen zijn echter niet doelmatig en stuiten naar verwachting op bezwaren van stedenbouwkundige aard. Derhalve zijn voor vijf woningen hogere waarden noodzakelijk voor wegverkeerslawaai. Railverkeer Ten gevolge van het railverkeer wordt op de gevels van een aantal woningen en bouwlagen die gericht zijn naar het spoor de maximaal toelaatbare grenswaarde overschreden. Daarbij wordt ook op een aantal woningen in het westelijke deel van het plangebied de voorkeursgrenswaarde overschreden. Voor railverkeer zijn bronmaatregelen in de vorm van snelheidsreductie en hoeveelheid railverkeer door bezwaren van verkeerskundige aard niet wenselijk. Bronmaatregelen (raildempers) en verhogen van het

43

Weesperwerf scherm langs het spoor is waarschijnlijk wel doeltreffend, maar voor dit (relatief kleine project) niet af te dwingen bij de spoorbeheerder (ProRail). ProRail heeft aangegeven dat er binnen 3 jaar in ieder geval geen maatregelen aan het huidige scherm of bronmaatregelen aan het spoor ter hoogte van het plangebied zullen worden getroffen. Er kan daarom niet geanticipeerd worden op maatregelen aan het spoor. Dit betekent dat voor de woningen waar de maximale toelaatbare grenswaarden worden overschreden de gevels als dove gevel uitgevoerd dienen te worden en voor de woningen waar (uitsluitend) de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden hogere waarden voor railverkeer aangevraagd dienen te worden. Hogere waarden Indien maatregelen aan de bron of in de overdracht redelijkerwijs niet mogelijk of onvoldoende doeltreffend zijn, kunnen in laatste instantie maatregelen aan de woningen worden getroffen. Onderdeel van de aanvraag voor een bouwvergunning zal daarom een onderzoek naar de gevelwering dienen te zijn waarbij aangetoond moet worden dat de binnenwaarde van 33 dB gewaarborgd wordt. In tabel 6.1 in hoofdstuk 6 van het rapport zijn de aan te vragen hogere waarden opgenomen. Geluidbeleid gemeente Weesp De gecumuleerde geluidbelasting is maximaal 66 dB. Dit voldoet aan de eisen voor de gecumuleerde geluidbelasting volgens het geluidbeleid.

Voor woningen die geen geluidluwe gevel hebben zijn aanvullende maatreglen nodig (geludiwerende spuivoorzieningen).

Geluid vanuit omliggende bedrijven In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om ook de geluidsbelasting vanuit omliggende bedrijven te beschouwen. Daarom is door onderzoeksbureau Tauw een akoestisch onderzoek naar het industrielawaai in de omgeving uitgevoerd (zie Bijlage 9). Uit het nader onderzoek naar bedrijvigheid nabij het plangebied is gebleken dat uitsluitend een formeel knelpunt ten aanzien van de geldende grenswaarden op kan treden voor het bedrijf De Groot Luchtkanalen. Dit is echter door middel maatregelen of het opstellen van voorschriften op te lossen. De maatwerkvoorschriften hebben betrekking op het aanbrengen van een strokengordijn bestaande uit kunststof flappen ter plaatse van de overhead deur in het magazijn (zie Bijlage 10). Het bedrijf heeft aangegeven akkoord te zijn met het aanbrengen van kunststof flappen, waardoor de geluidbelasting op de woningen gereduceerd wordt. Echter ook zonder het treffen van maatregelen bij De Groot Luchtkanalen dan wel opstellen van maatwerkvoorschriften zal sprake zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat.

Maatregelen Ten behoeve van het reducerende van de geluidbelasting worden in ieder geval de volgende akoestische maatregelen getroffen: Geluidwerend en absorberend scherm langs de Nijverheidslaan Vergroting van afstand van de rooilijn van de nieuwe woningen tot de Nijverheidslaan (en de bedrijven die op het bedrijventerrein zijn gelegen) Realiseren van aaneengesloten bebouwing langs het spoor. Hiervoor wordt tevens een zwevend geluidscherm aangebracht boven de toegangsweg aan de westzijde (spoorzijde) Groen inrichting plangebied Er wordt rekening gehouden met de woningindeling (slaapkamers aan minst geluidbelasting zijde) Groene inrichting van de binnenzijde van het plangebied (geluidabsorptie) Verkeersluwe inrichting binnenzijde van het plan (parkeren aan de randen van het plangebied) Gevels waar de maximaal toelaatbare grenswaarde nog worden overschreden ten gevolge van het railverkeerslawaai worden als dove gevels ontworpen met een zodanige geluidwering dat voldaan wordt aan de wettelijke binnenwaarden Gevels waar de voorkeursgrenswaarden nog worden overschreden ten gevolge van het railverkeerslawaai en wegverkeerslawaai worden ontworpen met een zodanige geluidwering dat voldaan wordt aan de wettelijke binnenwaarden

44

Weesperwerf

5.4.4

Conclusie

Uit het onderzoek is gebleken dat vanwege het verkeer op de Korte Muiderweg en de Stationsweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met 2 dB wordt overschreden. Dat is beduidend lager dan de maximale toelaatbare waarde van 63 dB. Op alle overige wegen wordt voldaan aan de grenswaarde. De geluidbelasting ten gevolge van het railverkeer is met maximaal 70 dB op een aantal gevels hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB en maximale toelaatbare waarde van 68 dB. Woningbouw is niet zondermeer mogelijk. Vanwege de overschrijding van zowel de voorkeursgrenswaarde als de maximale grenswaarde dienen maatregelen aan de woningen (woningspecifiek, afhankelijk van de geluidsbelasting) getroffen te worden. Het gaat hierbij o.a. om het toepassen van dove gevels en geluidwerende spuivoorzieningen. Het ontwerpbesluit Wet geluidhinder voor het vaststellen van geluidswaarden heeft samen met het ontwerpt bestemmingsplan ter inzage gelegen. Op 24 juni 2021 is het besluit tot vaststelling van een hogere waarden Wet geluidhinder definitief genomen (zie Bijlage 25).

5.5

Trillingen

5.5.1

Spoor

In januari 2019 is door onderzoeksbureau dGmR onderzoek verricht naar trillingen van het spoor (zie Bijlage 12). Uit het onderzoek is gebleken, dat in het complex met studio's op 32 meter afstand van het spoor zal worden voldaan aan de SBR-B richtlijnen. In de eengezinswoningen op 32 meter afstand van het spoor kunnen met name op het zuidelijk deel van de kavel, nabij de Vechtbrug, incidenteel kleine overschrijdingen optreden van de streefwaarde in de nachtperiode. Afgaand op het huidige spoorgebruik (verdeling dag/nacht) zal dit hooguit 1 à 2 keer per week optreden. Dit is verwaarloosbaar. Op meer dan 40 meter afstand tot het spoor wordt voor beide bouwtypen geheel voldaan aan de richtlijnen.

5.5.2

Wegverkeer

In juli 2019 is door onderzoeksbureau dGmR onderzoek verricht naar trillingen van het wegverkeer op de Nijverheidslaan (zie Bijlage 13). Uit het onderzoek is gebleken, dat in de eengezinswoningen op 25 meter afstand van de weg incidenteel kleine overschrijdingen van de streefwaarde in de nachtperiode kunnen optreden. Afgaande op het huidige weggebruik (verdeling dag/nacht) treedt dit hooguit eenmaal per nacht op, meestal net voor 07.00 uur. Op meer dan 50 m afstand tot de weg wordt voor eengezinswoningen voldaan aan de SBR-B. Het te bouwen appartementencomplex staat op meer dan 100 meter afstand van de weg en mede vanwege de zwaardere bouw gelden hiervoor geen extra randvoorwaarden met betrekking tot trillingen van het wegverkeer. Het vrachtverkeer op deze locatie heeft een relatief grote impact op te verwachten trillingen in de te bouwen woningen. In de camerabeelden zijn geen bijzondere waarnemingen gedaan waaruit een hogere trillingsopwekking te verklaren valt. De hoge trillingsopwekking is dan ook te wijten aan de bodemgesteldheid in combinatie met de rijsnelheid en reguliere oneffenheden in het wegdek, dat er overigens in goed staat bij ligt. Het treffen van verdere maatregelen aan de te bouwen woningen, om trillingen verder te beperken, is niet eenvoudig gezien de al gedane aanbeveling tot het toepassen van ene paalfundering en relatief stijf vloersysteem.

Omdat de streefwaarde uit de SBR-B in de nachtperiode maar incidenteel wordt overschreden zijn verdergaande maatregelen aan de te bouwen woningen ook nauwelijks doelmatig te noemen. Vanwege de geringe en inidentiele overschrijding van de streefwaarde is de sitiuatie als aanvaarbaar te beschouwen. Om de situatie te optimaliseren is ook gekeken naar de mogelijkheid om de snelheid op de Nijverheidslaan omlaag brengen. De snelheid van het rechtdoor gaande verkeer over de kruising zou daarvoor teruggebracht moeten worden tot maximaal 30 km/u. Om aan de inrichtingseisen, die 45

Weesperwerf verbonden zijn aan een 30 km/u regime te kunnen voldoen, dient de gehele weg heringericht te worden. Hieraan zijn hoge kosten verbonden. Bovendien is de weg recentelijk geheel vernieuwd. De kosten hiervan staan dan ook niet in verhouding tot het doel om de trillingssituatie te optimaliseren. Deze wordt immers aanvaardbaar geacht.

5.6

Luchtkwaliteit

5.6.1

Algemeen

Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse.

5.6.2

Regelgeving

De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer (Wm) handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m². Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen.

5.6.3

Onderzoek

Om de luchtkwaliteit ter plaatse te bepalen, zijn de interactieve kaarten op www.luchtmeetnet.nl geraadpleegd. Geconcludeerd kan worden dat de luchtkwaliteit in Weesp en omgeving goed is. Dat geldt zowel voor fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2). De omvang van de in dit ontwerpbestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling is met 115 woning duidelijk geringer van omvang dan de hiervoor genoemde woningaantallen. Daarnaast is voor de woningbouw aan de Weesperwerf in het verkeersonderzoek (zie paragraaf 5.2) aangegeven dat de verkeersgeneratie van de nieuwe situatie kleiner is dan de verkeersgeneratie van de bestaande (planologische) situatie. Dit is te beschouwen als niet-in-betekenende mate.

46

Weesperwerf

5.6.4

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige ontwerpbestemmingsplan.

5.7

Externe veiligheid

5.7.1

Algemeen

In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen. Externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en een (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen en een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.

De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

5.7.2

Onderzoek

De locatie ligt binnen 200 m van de spoorlijn Diemen - Weesp waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarnaast ligt de locatie gedeeltelijk binnen het invloedsgebied van Bevi-inrichting Smit & Zn. Het is daarom nodig geweest om onderzoek naar de externe veiligheid door onderzoeksbureau Aviv uit te laten voeren (zie Bijlage 14). In het onderzoek worden volgende conclusies getrokken: 5.7.2.1 Transportroutes Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Groepsrisico Het groepsrisico is voor de transportroute in de huidige situatie gelijk aan 0.06 keer de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie is het groepsrisico gelijk aan 0.07 keer de oriëntatiewaarde. Vanuit het Bevt kan de verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de Veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Plasbrandaandachtsgebied Voor de spoorlijn geldt een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf.

Het plangebied ligt op een minimale afstand van 36 meter en valt daarmee buiten het plasbrandaandachtsgebied.

47

Weesperwerf

5.7.2.2 Inrichtingen Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Groepsrisico Uit volgende afbeelding wordt duidelijk dat het merendeel van het oppervlak onder het invloedsgebied onbebouwd gebied is. Vrijwel alle bebouwing bevindt zich ten westen van de PGS 15-opslag, terwijl de overheersende windrichting zuidwest is, dus van het onderhavige plangebied af.

Figuur 5.14: Invloedsgebied bedrijf Smit & Zn.met PGS 15-opslag Ontwerpbestemmingsplan Weesperwerf ligt voor de helft binnen het invloedsgebied. Na ontwikkeling van het plangebied neemt de gemiddelde dichtheid binnen het invloedsgebied overdag en 's nachts toe tot 9 respectievelijk 4 personen per hectare. Volgens tabel 17.1 van de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico geldt voor een opslag als deze een maximaal toelaatbare personendichtheid van 150 personen/ha. De personendichtheden binnen het invloedsgebied van Smit & zn zijn beduidend lager. Ook in de toelichting van het bestemmingsplan Bedrijventerreinen wordt gesteld dat op basis van de omgevingssituatie er vanuit kan worden gegaan dat het groepsrisico van de vergunde situatie relatief laag is, in ieder geval (ruim) onder de oriëntatiewaarde. Op basis van bovenstaande wordt aangenomen dat het bestaande groepsrisico kleiner is dan de oriëntatiewaarde en de eventuele toename van het groepsrisico door het plangebied niet zal leiden tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Geconcludeerd kan worden dat zowel in de huidige als toekomstige situatie het groepsrisico naar verwachting kleiner is dan de oriëntatiewaarde. Conform artikel 13 van het Bevi dient het groepsrisico uitgaande van Bevi-inrichting Smit & Zn. door het

48

Weesperwerf bevoegd gezag (gemeente Weesp) te worden verantwoord. 5.7.2.3 Gasleidingen Het plangebied Weesperwerf ligt op grote afstand van hogedruk-aardgasleidingen die vallen onder werking van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. De gasleiding met het grootste invloedsgebied (W-534-39) (invloedsgebied 400 meter) ligt op een afstand van ruim 2,3 kilometer. Op de onderstaande afbeelding zijn de diverse leidingen weergegeven.

Figuur 5.15: ligging buisleidingen ten opzichte van planlocatie De nieuwe woningen liggen ver buiten de invloedsgebieden van gasleidingen. Nader onderzoek en een verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig.

5.7.3

Verantwoording groepsrisico

Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Het plangebied Weesperwerf ligt binnen 200 meter van het spoor, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en in het invloedsgebied van het Bevi- bedrijf Smit & zn., waardoor er een verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden. Om die reden heeft de Aviv een extern veiligheidsonderzoek gedaan d.d. 20 juni 2019.

Groepsrisico Het groepsrisico brengt de maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen tot uitdrukking. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal slachtoffers, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Het groepsrisico voor transport over het spoor is inzichtelijk gemaakt. Voor beide routes geldt dat het

49

Weesperwerf groepsrisico in de huidige situatie gelijk is aan 0.06 keer de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie is het groepsrisico gelijk aan 0.07 keer de oriëntatiewaarde. Vanuit het Besluit externe veiligheid transportroutes(Bevt) kan de verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. Het Bevi- bedrijf Smit & zn. valt onder het Bevi vanwege de opslag van meer dan 10 ton verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15). Daarnaast vindt opslag van brandbare vloeistoffen plaats in bovengrondse tanks. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen het invloedsgebied van 520 m rond de PGS 15-opslag. Het risico van een PGS 15-opslag bestaat uit een brand in de opslag met als gevolg de vorming van een toxische wolk die zich afhankelijk van windrichting en snelheid verspreidt in de omgeving. Merendeel van het oppervlak in het invloedsgebied is onbebouwd gebied. Vrijwel alle bebouwing bevindt zich ten westen van de PGS 15-opslag, terwijl de overheersende windrichting zuidwest is, dus van het plangebied af. Uit de gegevens uit de BAG-populatie is bepaald dat zich binnen het invloedsgebied circa 700 personen overdag bevinden en circa 230 's nachts. Dat komt neer op een gemiddelde dichtheid van 8 respectievelijk 3 personen per hectare. Het plangebied ligt voor de helft binnen het invloedsgebied.

Na ontwikkeling van het plangebied neemt de gemiddelde dichtheid binnen het invloedsgebied overdag en 's nachts toe tot 9 respectievelijk 4 personen per hectare. Volgens tabel 17.1 van de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico geldt voor een opslag als deze een maximaal toelaatbare personendichtheid van 150 personen/ha. De personen-dichtheden binnen het invloedsgebied van Smit & zn. zijn beduidend lager. Ook in de toelichting bij bestemmingsplan Bedrijventerreinen wordt gesteld dat op basis van de omgevingssituatie er vanuit kan worden gegaan dat het groepsrisico van de vergunde situatie relatief laag is, in ieder geval (ruim) onder de oriëntatiewaarde. Op basis hiervan kan worden aangenomen dat het bestaande groepsrisico kleiner is dan de oriëntatiewaarde en de eventuele toename van het groepsrisico door het plangebied niet zal leiden tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Verantwoording groepsrisico Over de toename van het groepsrisico moet verantwoording worden afgelegd. Hierbij wordt beoordeeld welke factoren van belang zijn en worden in aanmerking komende maatregelen afgewogen. Hiertoe is ook advies gevraagd aan de regionale brandweer. De volgende elementen zijn bekeken: Beschrijving huidig en toekomstig GR: Deze beschrijving is hierboven beschreven en in het bij bestemmingsplan behorende onderzoek. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.

Bronmaatregelen en effectmaatregelen: De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico, zowel nu als in de toekomst, met betrekking de risicobronnen en de ruimtelijke ontwikkeling.

Beheersbaarheid: De mogelijkheden van de voorbereiding op de bestrijding van en de beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1 van de Wet rampen en zware ongevallen.

Zelfredzaamheid: De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van het Bevi- bedrijf Smit & zn. om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet.

Bronmaatregelen en effectmaatregelen

Bronmaatregelen Voor het Bevi- bedrijf Smit & zn. wordt het extern veiligheidsrisico bepaald door het ongeval scenario van een brand in de PGS 15-opslag met als gevolg de vorming van een toxische wolk die zich afhankelijk

50

Weesperwerf van windrichting en snelheid verspreidt in de omgeving. De mogelijkheden tot het beperken van externe veiligheidsrisico's liggen buiten de scope van dit plan. Te denken valt hier aan het stoppen van de bedrijfsvoering van Smit &zn. Het bedrijf houdt zich aan de handleiding PGS 15, waardoor het risico tot het voordoen van een ongeval voldoende is afgedekt.

Effectmaatregelen Effectgerichte maatregelen zijn maatregelen waardoor de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen beperkt kunnen worden. Het gaat dan vooral om maatregelen die het beschermingsniveau van het gebouw verhogen en maatregelen die de mogelijkheden voor zelfredzaamheid verbeteren. Te overwegen maatregelen zijn: Constructies van gebouwen zodanig uitvoeren dat zij bestand zijn tegen de effecten en gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rapport bouwkundige maatregelen (Bouwkundige maatregelen externe veiligheid; IPO 10; januari 2010) kan hierbij als handreiking gehanteerd worden. Onbelemmerde en beschermde vluchtroutes van de risicobronnen af realiseren. Mogelijkheden onderzoeken om de indeling van de gebouwen zo uit te voeren dat bescherming kan worden geboden tegen de effecten van de mogelijke scenario's. Afschakelen van mechanische ventilatie, zodat er daadwerkelijk veilig binnen geschuild kan worden. Uit het advies van de brandweer blijkt dat bij het voordoen van een ongeval binnen kan worden geschuild. Er hoeven dus geen extra maatregelen aan de gebouwen worden toegepast. Bij grotere hoeveelheid en of langere duur van de toxische wolk zal men het huis moeten ontvluchten. Dit is in voldoende mate mogelijk van de risicobron af.

Beheersbaarheid Voor de hulpverlening wordt gekeken naar: de bereikbaarheid van het gebied; de aanwezige bluswatervoorzieningen; de capaciteit om het maatgevende scenario aan te kunnen. Bereikbaarheid Zowel de risicobron als het plangebied zijn in voldoende mate bereikbaar voor nood- en/of hulpdiensten.

Bluswatervoorziening De bluswatervoorziening in het plangebied en het bedrijventerrein aan de Nijverheidslaan zijn op orde voor de bestrijding van een incident.

Hulpverleningscapaciteit Het aantal mogelijke slachtoffers (gewonden) bepaalt of de brandweer en de geneeskundige hulpverlening in geval van het maatgevende scenario, de hulpvraag aankunnen. (Inter)regionale opschaling vindt plaats wanneer dit noodzakelijk geacht wordt. Om effectief en efficiënt hulp te kunnen bieden ten tijde van een ongeval zijn de opkomsttijd, de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen van belang. De hulpverleningsdiensten moeten voldoende capaciteit beschikbaar hebben om alle effecten binnen een kort tijdsbestek te kunnen bestrijden. Het plangebied is snel en goed bereikbaar vanaf zowel de kazerne in Weesp als die in Muiden. De hulpverlening kan een ongeval niet voorkomen en richt zich op het helpen van slachtoffers en veiligstellen van het gebied. De veiligheidsregio Gooi en Vechtstreek is voorbereid op ongevallen met gevaarlijke stoffen. De gevolgen van een brand bij het Bevi- bedrijf Smit & zn. zijn te bestrijden door de gezamenlijke hulpdiensten. Het plangebied en de risicobron zijn vanaf de Nijverheidslaan gemakkelijk bereikbaar voor de hulpdiensten.

51

Weesperwerf

Zelfredzaamheid Met betrekking tot zelfredzaamheid wordt gekeken naar de zelfredzaamheid van mensen en de mogelijkheden om te kunnen vluchten. De mate van zelfredzaamheid wordt bepaald aan de hand van de mate waarin mensen zelfstandig kunnen besluiten te vluchten en tevens in staat zijn te vluchten. Kinderen, ouderen en minder validen zijn voorbeelden van verminderd zelfredzame mensen. Er zijn geen objecten in het plangebied gepland met verminderd zelfredzame personen, zoals zorginstelling of een kinderdagverblijf. De aanwezige personen in het plangebied zijn in de eerste minuten na een ongeval met gevaarlijke stoffen op zichzelf en anderen aangewezen. Aanwezige personen in het plangebied hebben twee mogelijkheden: vluchten of schuilen. Vluchten van risicobronnen af is mogelijk. Schuilen kan in de woningen, mits de eventuele mechanische ventilatie wordt afgesloten. De volgende aspecten zijn volgens de brandweer mede bepalend voor de mogelijkheden op het gebied van zelfredzaamheid: zich bewust zijn van de mogelijke gevaren van een ongeval met gevaarlijke stoffen; fysieke gesteldheid van personen; handelingsperspectieven; aanwezige voorzieningen die bescherming bieden tegen de effecten van een ongeval scenario. 5.7.4

Advies brandweer

Op 16 september 2020 heeft Brandweer Gooi en Vechtstreek advies uitgebracht over het bestemmingsplan. De brandweer gaat in op de mogelijke ongevallen die plaats kunnen vinden bij het Bevi- bedrijf Smit & zn. en het effect op het plangebied, met welke scenario's de hulpverlening rekening moet houden en met welke maatregelen de risico's kunnen worden beperkt. De gevaren voor het plangebied worden veroorzaakt door een brand in de PGS 15-opslag met als gevolg de vorming van een toxische wolk die zich afhankelijk van windrichting en snelheid verspreidt in de omgeving. Het advies van de brandweer is als input gebruikt bij het opstellen van de verantwoording en de beoordeling van de veiligheidssituatie. In het kader van de veiligheid is voor het plan naar diverse maatregelen gekeken om de risico's bij een ongeval te beperken. In dit geval gaat het om de vluchtroutes van de bezoekers en de aanrijdroutes en opstelplaatsen voor de hulpverlening. In het kader van het bestemmingsplan is het aspect externe veiligheid onderzocht. Het groepsrisico vanwege het Bevi- bedrijf Smit & zn. ligt lager dan de oriëntatiewaarde. Uit de onderzoeken blijkt dat zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie het groepsrisico lager is dan de oriëntatiewaarde.

De woningen fungeren als een tijdelijke veilige schuilplaats bij het voordoen van een ongeval en er kan van de risicobron af worden ontvlucht. Voor de volledige reactie wordt hier verwezen naar Bijlage 15.

5.7.5

Conclusie

Uit het voorafgaande is gebleken, dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit ontwerpbestemmingsplan. Er is conform artikel 13 van het Bevi het groepsrisico vanwege de Bevi-inrichting Smit & Zn verantwoord. In overweging nemende dat de ontwikkeling bij draagt aan de invulling van de woningbehoefte en dat de stijging van het groepsrisico zeer beperkt is, wordt het groepsrisico aanvaardbaar geacht.

52

Weesperwerf

5.8

Bedrijven en milieuzonering

5.8.1

Algemeen

De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar veroorzaken. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering.

5.8.2

Regelgeving

Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden. In de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: categorie 1 grootste afstanden 0 en 10 meter; categorie 2 grootste afstand 30 meter; categorie 3 grootste afstanden 50 en 100 meter; categorie 4 grootste afstanden 200 en 300 meter; categorie 5 grootste afstanden 500, 700 en 1000 meter. De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning. De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief gezien worden.

Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld binnen het wettelijke kader van de Wet milieubeheer. In is een uitgebreide toelichting opgenomen, waarin uitvoerig wordt ingegaan op de wijze waarop de milieuzonering is bepaald (zie Bijlage 11).

5.8.3

Onderzoek

Door Tauw is onderzoek gedaan naar de inpasbaarheid van de woningen op het bestaande bedrijventerrein. Daarbij is rekening gehouden met de mogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt voor de verschillende milieucategoriën. Op de onderstaande afbeelding is aangegeven waar welke bedrijfscategorie is toegestaan en welke richtafstand tot woningen daarbij hoort.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11013601/1