CConstaterende datWeesp
Koppel je AI →
Document · PDF

6.1 Toelichting bestemmingsplan Stedelijk gebied-herziening De Weesperschool

Commissie SOB 18 mei 2021, gemeente WeespBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan stedelijk gebied-herziening De Weesperschool17.839 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De rijwoningen en de appartementen worden uitgevoerd in metselwerk en krijgen platte daken. De woningen hebben geen lift dus er is geen sprake van een liftopbouw. Verder hebben de appartementen en rijwoningen zonnepanelen op de platte daken om te voldoen aan de EPC. De grondgebonden woningen bestaan uit twee bouwlagen (circa 6,5 meter) en op de kop wordt een derde bouwlaag gerealiseerd (circa 9,5 meter). Toevoeging van een derde bouwlaag op de andere woningen is mogelijk, zodat bewoners zonder te hoeven verhuizen een wooncarrière kunnen maken.

24

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool

De gebouwen 2 en 3 bestaan elk uit 40 portiekwoningen. Beide gebouwen zijn nagenoeg gelijk, behalve dat de gevelindeling wat zal verschillen. De kop van gebouw 2 is aan de noordzijde iets verhoogd (van circa 13 naar 14,5 meter) en van gebouw 3 is de kop aan de zuidzijde iets verhoogd (zelfde hoogtematen).

De parkeerbehoefte wordt op maaiveld opgelost, in totaal wordt voorzien in 98 parkeerplaatsen, met een uitbreidingsmogelijkheid van 12. Op onderstaande afbeelding wordt weergegeven waar deze 98 plaatsen worden aangelegd, ook wordt getoond waar de reservering voor 12 aanvullende plaatsen zich bevindt

25

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool maar waar vooralsnog groen wordt behouden / aangelegd.

De parkeerplaatsen worden uitgevoerd met halfverharding om een groene uitstraling te realiseren en de omgeving klimaatadaptief te maken. Over de parkeerplaatsen worden pergola's gerealiseerd die met groene beplanting begroeit zijn. Deze pergola's zorgen enerzijds voor een groen straatbeeld, anderzijds hebben zij een hittebestendig effect op de omgeving. In de huidige situatie zijn 44 bomen gesitueerd, hiervan worden 19 bomen gekapt. Er worden 19 nieuwe bomen geplant om de bomenbalans gelijk te houden. Per saldo staan er evenveel bomen in de oude als nieuwe situatie. Na input vanuit de buurt is het gebouw 3 verschoven zodat een grote bomengroep intact blijft. Bovenstaande interventies zorgen voor robuust en aaneengesloten groen.

26

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool

4.4

Indicatieve planning

De planologische procedure is maatgevend voor de planning van het project. Zodra deze bestemmingsplanherziening in werking is getreden en onherroepelijk is geworden kan de voorbereiding van de bouw plaatsvinden. Als ervan uitgegaan zou worden dat de bestemmingsplanherziening in het eerste kwartaal van 20121 onherroepelijk wordt kan de bouw starten in het derde kwartaal van 2021. De oplevering van de woningen is dan voorzien in het tweede kwartaal van 2023.

27

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool

Hoofdstuk 5 5.1

M ilieu- en gebiedsaspecten

Verkeer

In de huidige situatie is er ter plaatse een maatschappelijke functie toegestaan. Hierbij gaat het om educatieve, sociaal-medische en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en daarmee gelijk te stellen sectoren, met ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen. De genoemde functies kennen deels een flinke verkeersproductie. Daarnaast zijn er geconcentreerde piekmomenten (brengen en halen kinderen) waar de verkeersdruk voor een bepaalde periode hoog op kan lopen. Bij de woonfunctie is het verkeer meer verspreid over de dag, zodat er minder gevaarlijke situaties ontstaan. De wegen kunnen deze hoeveelheid van het verkeer aan. Om een duidelijker beeld te kunnen schetsen is met behulp van de CROW kencijfers voor verkeersproductie van functies berekend wat het bestemmingsplan voor de verkeersproductie betekent. Nieuwe verkeersgeneratie Voor de sociale huurwoningen bedraagt de verkeersaantrekkende werking (uitgaande van het CROW kencijfer dat hoort bij een huur etage woningen (midden/goedkoop) in sterk stedelijk gebied/rest bebouwde kom van 3,2-4,0 per woning dus 3,6 per woning gemiddeld) 288 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de 8 grondgebonden woningen (koop/duur) is dat rond 56,8. In totaal dus 345 verkeersbewegingen per etmaal, voor beide rijrichtingen.

In gelijksoortige ontwikkeling wordt uitgegaan bij de berekeningen in de spitstijden van 10% van het totaal van de verkeersgeneratie, dat is dus 35 mvt in de spitsperiode van 2 uur, wat neerkomt op 0,3 mvt per minuut oftewel 1 auto per 3 minuten. Referentiesituatie Jan Woudsma was een kleinschalig basisschool, daarom wordt uitgegaan van 8 groepen, dus per groep een klas en per klas 25 leerlingen. Op basis van CROW normen ligt het percentage leerlingen dat wordt gebracht en gehaald tussen de 1% en 60%. Dit is onder meer afhankelijk van o.a. stedelijkheidsgebied, stedelijke zone en de gemiddelde afstand naar school. Gemiddeld ligt het percentage op: Groepen 1 t/m 3: 30-60% (voor de berekening zullen wij het gemiddeld percentage hanteren, namelijk 45%) Groep 4 t/m 8: 5-40% (In de berekening maken we onderscheid tussen groepen 4 t/m 6 en 7 t/m 8. Voor groepen 4 t/m 6 hanteren we een percentage van 40%, aangezien in groep 7 en 8 de meeste kinderen zelfstandig naar school kunnen fietsen, gaan we van een maximum percentage van maximaal 5%)

Tabel: Verkeersgeneratie bij brengen van kinderen

Kinderen worden over het algemeen tussen 08.00 en 08.30 uur naar school gebracht, het drukste moment is tussen 08.15 en 08.30 uur. Het brengen van kinderen naar school in de ochtend genereert ruim 4 verkeersbewegingen per minuut (32,5 ritten/30 minuten = 4,4 ritten per minuut), dit geldt ook voor de middaguren. Verschil in verkeersgeneratie Op basis van bovenstaande kunnen we concluderen: Door de nieuwe ontwikkelingen, ten opzichte van de huidige situatie waarbij de school gesloopt is,

28

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool zullen het aantal verkeersbewegingen toenemen met 345 verkeersbewegingen per etmaal; Door de nieuwe ontwikkelingen, ten opzichte van de oude situatie waarbij de school actief was, zullen het aantal verkeersbewegingen toenemen met 80 verkeersbewegingen per etmaal (345-265); Door de nieuwe ontwikkelingen, ten opzichte van de oude situatie waarbij de school actief was, zullen het aantal verkeersbewegingen op het drukste moment afnemen met een factor 14. Met de toekomstige ontwikkelingen komt dit neer op 1 verkeersbeweging per 3 minuten en in de oude situatie was dit 4,4 verkeersbewegingen per minuut. Verkeersintensiteiten afgezet tegen capaciteit van wegen De Sinnigvelderstraat is en blijft een verblijfsgebied met een snelheidsregime van 30km/uur. In dergelijke wegen worden intensiteiten gehanteerd tussen de 4.000 en 6.000 motorvoertuigen per etmaal. De huidige verkeersintensiteiten op de Sinnigvelderstraat zijn ca. 720 motorvoertuigen per etmaal (bron: verkeersmodel gemeente Amsterdam VMA3.1/2040AR). Door de toekomstige ontwikkeling zullen de intensiteiten toenemen met 345 motorvoertuigen per etmaal. Het totaal van 1.065 motorvoertuigen per etmaal (720+345) is ver onder de norm en past zeker binnen het wensbeeld van een 30km/uur gebied.

Belangrijk is ook dat op grond van het bestemmingsplan rond 3.000 m2 bvo aan maatschappelijke functies zijn toegestaan, waaronder ook een gezondheidscentrum, tandarts, KDV en fitnesscentrum. Deze functies kennen een veel grotere verkeersproductie dan de eerder bestaande school of de nu beoogde woningen.

5.2

Bodem

Algemeen De tijd dat elke vervuiling moest worden aangepakt ligt achter ons. Belangrijkste criterium hierbij is of de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico's voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico's te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico's (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen. Regelgeving Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan regelt de bestaande situatie. Wanneer ontwikkelingen zich voordoen dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek In opdracht van de gemeente Weesp is door Amos Milieutechniek B.V.

een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd op een locatie aan de Sinnigvelderstraat (nabij nummer 38) en Waarschapsstraat te Weesp. Dit verkennend bodemonderzoek, d.d. 4 april 2018 en uitgevoerd conform het protocol NEN 5740, heeft ten doel om met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen wat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is. Op basis van de resultaten van het onderzoek dient te kunnen worden vastgesteld of de gewenste vorm van gebruik van de bodem mogelijk is (“verklaring van geen bezwaar”) en zo niet, wat voor vervolgactiviteiten (bijvoorbeeld: nader onderzoek) noodzakelijk zijn. Op basis van de gegevens, welke zijn verkregen middels het uitgevoerde vooronderzoek worden er ter plaatse van de onderzoekslocatie ten hoogste lichte verontreinigingen in de bodem verwacht. Omdat er geen sterke verontreinigingen op de locatie worden verwacht is deze in dit geval onderzocht

29

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool conform paragraaf 5.1 van de NEN 5740: onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV). In totaal zijn er 19 boringen verricht waarvan 13 boringen zijn doorgezet tot circa 0,5 m-mv en 4 boringen zijn doorgezet tot circa 2,0 m-mv. Er zijn 2 boringen doorgezet tot circa 2,7 m-mv waarna deze zijn afgewerkt met een peilbuis ter bemonstering van het grondwater. Ter plaatse van de voormalige school en onder de Sinnigvelderstraat bestaat de boven- en ondergrond hoofdzakelijk uit (opgebrachte) zandgrond. Ter plaatse van het grasveld en de groenstrook aan de westelijke zijde van de onderzoekslocatie bestaat de bovengrond hoofdzakelijk uit kleigrond, waaronder zich zandgrond bevindt. Vanaf een diepte va 2,0 m-mv is ter plaatse van het gras veld een veenlaag aangetroffen. De kleiige bovengrond bevat in enkele gevallen geringe bijmenging met baksteen. In totaal zijn er 5 grondmengmonsters samengesteld, MM1 van de baksteenhoudende kleiige bovengrond, MM2 van de opgebrachte zandige bovengrond ter plaatse van de voormalige school, MM3 van de zandige bovengrond onder de Sinnigvelderstraat, MM4 van de kleiige ondergrond en MM5 van de zandige ondergrond. Eén week na plaatsing is uit de peilbuizen P03 en P08 een grondwatermonster verkregen.

Naar aanleiding van de resultaten van onderhavig onderzoek is peilbuis P08 nogmaals bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van nikkel. De grond- en grondwatermonsters zijn op een door de RvA geaccrediteerd laboratorium conform de AS3000 voorbehandeld en geanalyseerd op de verdachte/relevante parameters. Conclusie Uit toetsing van de grondmengmonsters MM1 t/m MM5 blijkt dat ondanks een licht verhoogd gehalte kwik en lood in de baksteenhoudende kleiige bovengrond (MM1) en een licht verhoogd gehalte PCB’s in de zandige bovengrond onder de Sinnigvelderstraat alle monsters als geheel voldoen aan de generieke achtergrondwaarde. In het grondwater ter plaatse van de voormalige school is in eerste instantie een matig verhoogde concentratie nikkel aangetoond. Na herbemonstering bleek deze matige verhoogde concentratie aan nikkel niet reproduceerbaar. Het vermoeden bestaat dat de concentratie nikkel tijdelijk verhoogd was naar aanleiding van het verstoren van het natuurlijk concentratie-evenwicht tussen de grond en grondwater door het plaatsen van de peilbuis. Tevens is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond in het grondwater. Verwacht wordt dat barium van nature verhoogd aanwezig is, hetgeen regelmatig bij klei- en veengronden wordt aangetroffen. De kwaliteit van de bodem komt overeen met hetgeen wat op voorhand werd verwacht.

Er zijn slechts lichte verontreinigingen in de bodem aangetoond. De aangetoonde lichte verhoogde gehalten/concentraties geven geen aanleiding tot nader onderzoek. De kwaliteit van de bodem op de locatie is voldoende vastgesteld. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (< generieke achtergrondwaarde) vormt geen belemmering voor de voorgenomen herinrichting en gebruik als woning met/zonder tuin.

5.3

Archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie

5.3.1

Archeologie

Regelgeving Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag geratificeerd en geïmplementeerd in de Monumentenwet. Op 1 september 2007 is de wet als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. Bij ruimtelijke ingrepen worden de archeologische belangen in een vroeg stadium in de planvorming betrokken. Uitgangspunt bij de zorg voor archeologische waarden is het behoud in de bodem ter plekke en planologische bescherming van waardevolle archeologische vindplaatsen. Verder geldt het “veroorzakerprincipe”. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudmaatregelen of voor een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het belangrijkste doel is de

30

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool bescherming van het archeologische materiaal in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Onderzoek Voor de gemeente Weesp is in september 2011 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek staan beschreven in het rapport 'Bureauonderzoek ter onderbouwing van het bestemmingsplan Landelijk gebied oost en historische kern Weesp'. Eerder is voor het landelijk gebied ten westen van de Vecht een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (januari 2009). Het onderzoek van september 2011 sluit hier op aan. Tevens is in 2011 de Erfgoedverordening van de gemeente Weesp vastgesteld. Eind 2012 is voor de gemeente Weesp het archeologisch beleid opnieuw bekeken omdat de beschikbare bronnen te weinig houvast bieden voor het uitvoeren van gericht gemeentelijk beleid. In Bijlage 3 is het rapport opgenomen. Voor de gehele gemeente zijn de verwachtingen op archeologische vondsten bepaald aan de hand van de ontstaansgeschiedenis van Weesp en de landschappelijke en aardkundige kenmerken. Door de toepassing van kennis over de landschappelijke ligging van (pre)historische nederzettingen in het algemeen is het mogelijk gebieden te begrenzen waar geen archeologische vindplaatsen bekend zijn maar waar ze verwacht kunnen worden.

Bij het analyseren van deze verwachtingen wordt gebruik gemaakt van geomorfologische, bodemkundige en hydrologische kenmerken in combinatie met al bekende archeologische gegevens. Zo worden gebieden begrensd met hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting, waarbij in de gebieden met een hoge archeologische verwachting de kwantiteit aan archeologische waarden het hoogst is. Een lage archeologische verwachting wil niet zeggen dat er geen archeologische waarden zijn maar dat er vermoedelijk weinig zullen zijn en dat de spreiding groot is en de onderlinge samenhang klein. De analyse heeft geleid tot een kaart met de volgende archeologische verwachtingen. Dit is vertaald naar een beleidskaart met daarop de specifieke zones en bijbehorende beleidsmaatregelen. Deze kaart geeft een schematisch inzicht in de maatregelen die nodig zijn voor de zorg voor het archeologisch erfgoed binnen bepaalde zones of locaties in Weesp.

Conclusie

31

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool

De ontwikkellocatie kent een lage of negatieve verwachting (zone 7). Voor die gronden gelden geen extra beperkingen vanuit het archeologisch beleid. Wel is er, als gevolg van de Monumentenwet, de meldingsplicht in geval er tijdens de uitvoering van werkzaamheden archeologische sporen en/of vondsten worden aangetroffen. Dat houdt in dat de aanwezigheid van bodemvondsten ouder dan 50 jaar aan de gemeente gemeld moeten worden, zodat in gezamenlijk overleg maatregelen getroffen kunnen worden tot berging of documentatie van de vondsten. 5.3.2

Aardkundige waarden

Regelgeving Bescherming voor de aardkundige monumenten is vastgelegd in de provinciale Milieuverordening (tranche 7, hoofdstuk 6). In de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) wordt gesteld dat voor de gebieden die binnen de aanduiding 'Aardkundig monument' of 'Aardkundig waardevol gebied' zijn gelegen in de toelichting moet worden opgenomen op welke wijze in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de voorkomende bijzondere aardkundige waarden.

Resultaat en conclusie Conform het provinciale beleid heeft het plangebied van de voorliggende bestemmingsplanherziening geen aardkundige waarden. 5.3.3

Cultuurhistorie

Regelgeving Ter uitvoering van de eerste pijler van modernisering van de Monumentenwet (MoMo) is onder andere het Besluit ruimtelijke ordening aangepast. Per 1 januari 2012 schrijft artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, Bro voor dat gemeenten in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving geven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De Rijksoverheid wil er met deze wetgeving voor zorgen dat er in de monumentenzorg niet alleen oog is voor het monument zelf, maar ook voor de omgeving ervan en het gebied op zichzelf: het zogenaamde gebiedsgerichte erfgoedbeleid.

32

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool

Resultaat en conclusie De onlangs door de provincie opgestelde "Informatiekaart landschap en cultuurhistorie" geeft informatie over onder andere cultuurhistorische objecten, molens en militaire structuren en betreft een herziening van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Voor de ontwikkellocatie zijn geen waarden van cultuurhistorie aangemerkt.

5.4

Akoestiek

Algemeen Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Dit leidt tot steeds meer klachten. In een aantal gevallen wordt de gezondheid beïnvloed door geluid. Hoge geluidsniveaus kunnen het gehoor beschadigen en ook de verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. Door de toename van het geluid in de omgeving, wordt de behoefte aan stilte steeds meer als een noodzaak gevoeld. Regelgeving en beleidskader De Wet geluidhinder, de Luchtvaartwet en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidssituatie in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk: wegverkeerslawaai; railverkeerslawaai; industrielawaai; vliegtuiglawaai. Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet. Er liggen geen geluidszones van het vliegtuiglawaai over het plangebied, waardoor deze niet nader beschouwd wordt.

Op de aspecten wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai wordt hier nader ingegaan. Wegverk eerslawaai Voor het wegverkeerslawaai is de Wet geluidhinder (Wgh) het wettelijke kader. In deze wet is onder andere vastgelegd welke geluidniveaus op de gevel van nieuwe woningen, ten gevolge van wegverkeer, maximaal toelaatbaar zijn. In beginsel geldt dat de geluidsbelasting op nieuwe woningen niet meer mag bedragen dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Op grond van artikel 76, lid 1 van de Wet geluidhinder dienen bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de grenswaarden van de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. Railverkeerslawaai Voor het spoortraject 372 geldt een geluidzone van 300 meter, gerekend vanuit de buitenste spoorstaaf. Voor het traject 373 geldt een zone van 800 meter, voor traject 355 een zone van 600 meter. Het plan ligt buiten deze zones (zie ook Bijlage 5). Industrielawaai De ontwikkellocatie ligt niet binnen de zone van een industrieterrein. Onderzoek Door Metafys is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek d.d. 12 februari 2019 is, in het kader van de Wet geluidhinder, de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai bepaald. Binnen het invloedsgebied van een weg (geluidzone) dient conform de Wet geluidhinder de geluidbelasting op gevels van nieuw te realiseren woningen bepaald te worden.

Elke weg, behoudens een weg met een toegestane rijsnelheid van 30 km/u, heeft een geluidzone. Het plangebied is gelegen in de geluidzone van de Hogeweyselaan en de Gemeenschapspolderweg. De overige omliggende wegen hebben een

33

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool toegestane rijsnelheid van 30 km/u waarvan de Gemeenschapspolderweg (deel 30 km/u), de Sinnigvelderstraat en de Waarschapsstraat relevant zijn, deze wegen zijn in het kader van goede ruimtelijke ordening beoordeeld. In de rapportage worden de uitgangspunten samengevat. Geluidbelasting Uit het onderzoek blijkt de geluidbelasting vanwege de Gemeenschapspolderweg en de Hogeweyselaan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde conform de Wet geluidhinder. De geluidbelasting vanwege deze wegen vormen geen belemmering voor het realiseren van het woningbouwplan. Vanwege de 30 km/u wegen Sinnigvelderstraat en Waarschapsstraat bedraagt de geluidbelasting respectievelijk ten hoogste 52 en 51 dB, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Hiermee is de geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde. Er wordt wel voldaan aan de maximale grenswaarde. De gemeente dient te overwegen deze hogere geluidbelasting toe te staan. Samenloop van geluid Wanneer er sprake is van meerdere hogere waarden dient, conform artikel 110f Wgh, de samenloop van geluid beoordeeld te worden. Vanwege de gezoneerde wegen is er geen sprake van een hogere waarde. De samenloop van geluid hoeft, in het kader van de Wet geluidhinder, verder niet geoordeeld te worden.

Cumulatieve geluidbelasting Uit het onderzoek (tabel 5.2) blijkt de cumulatieve geluidbelasting ten hoogste 57 dB te bedragen. Conform de standaard detaillering en de huidige bouwwijze (o.a. ten aanzien van eisen vanwege EPC en luchtdichtheid) kan aangenomen worden dat de gevelwering tenminste 20 dB bedraagt. Daar waar de cumulatieve geluidbelasting 53 dB of meer bedraagt dient derhalve nader onderzocht te worden of de binnenwaarde van 33 dB geborgd kan worden. Toetsing gemeentelijk geluidbeleid De gemeente Weesp heeft, aanvullend op de Wet geluidhinder, de ‘Beleidsnota geluid: Hogere Waarden Wet geluidhinder” opgesteld. Er hoeven geen hogere waarden vastgesteld te worden, het gemeentelijk beleid hoeft derhalve niet getoetst te worden. Woon- en leefklimaat In het kader van goede ruimtelijke ordening is het woon- en leefklimaat getoetst aan de hand van het gemeentelijk geluidbeleid. - Bronmaatregelen Vanwege de Sinnigvelderstraat en de Waarschapsstraat (niet gezoneerde wegen) is er sprake van een hogere geluidbelasting. Hoofdzakelijk als gevolg van de aanwezige klinkerbestrating. Wanneer het wegdek wordt vervangen door asfalt (DAB) wordt de geluidbelasting met 3 dB gereduceerd en kan voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde. De kosten van deze maatregel wegen echter niet op tegen de baten. Als waarborging van de geluidsreducerende eigenschappen (b.v.

middels jaarlijkse reiniging en regelmatige vervanging van het geluidsarme wegdek) niet mogelijk is, staat de Beleidsnota geluid toepassing van geluidsarm asfalt niet voor. Instandhouding van klinkers is dan ook niet strijdig met het beleid en leidt evenmin tot een planbeperking. Daarbij moet opgemerkt worden dat de verkeersintensiteiten van de Sinnigvelderstraat waarschijnlijk te hoog in het verkeersmodel zijn opgenomen. Deze weg is ter hoogte van het plan afgesloten waardoor er geen doorgaand verkeer mogelijk is. - Overdrachtsmaatregelen Overdrachtsmaatregelen betreffen het plaatsen van een geluidscherm of wal. Deze maatregel stuit op stedenbouwkundige/landschappelijke bezwaren. Het vergroten van de afstand tussen bron en ontvanger is niet mogelijk, het plan betreft een invulling tussen bestaande bebouwing. - Compenserende maatregelen Alle woningen zijn voorzien van een geluidluwe gevel. De woningen kunnen hierdoor akoestisch gunstig ingedeeld worden, zodat bijvoorbeeld slaapkamers aan de geluidluwe zijde zijn gelegen. Door de aanwezigheid van een geluidluwe zijde zijn de tuinen van de grondgebonden woningen van Gebouw 1

34

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool tevens geluidluwe buitenruimten. Conclusie Er hoeven geen hogere waarden vastgesteld te worden. In het kader van goede ruimtelijke ordening is het woon- en leefklimaat getoetst aan de hand van het gemeentelijk geluidbeleid. Bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen zijn niet realistisch. Alle woningen zijn voorzien van een geluidluwe gevel. Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor het project.

5.5

Luchtkwaliteit

Algemeen Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. Regelgeving De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer (Wm) handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden).

De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m². Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen. Resultaat en conclusie De plancapaciteit van de ontwikkellocatie is met 88 woningen veel geringer dan de 1.500 woningen waarvoor wettelijk geen nadere toetsing nodig is. Het project draagt 'niet in betekenende mate' bij en voldoet aan de Wet milieubeheer.

5.6

Externe veiligheid

Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Om het transport van gevaarlijke stoffen te reguleren is het Basisnet opgezet en vastgesteld. Externe veiligheidsrisico's worden in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico (PR) gaat over de persoonlijke veiligheid van de individuele burger. Dit is de overlijdenskans voor een persoon die op een 35

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool bepaalde afstand van een inrichting of een transportroute permanent (onbeschermd) aanwezig is. Het groepsrisico (GR) geeft de kans op een groep dodelijke slachtoffers (van een bepaalde omvang) door een ongeval met een gevaarlijke stof, afgezet tegen de oriëntatiewaarde. Regelgeving De (hoofd)regels zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Deze besluiten hanteren dezelfde risicobenadering en schrijven de methode voor het bepalen van het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) voor. Voor het plaatsgebonden risico en de veiligheidszone geldt een grens- en een richtwaarde. De beoordeling van het groepsrisico vindt niet plaats door toetsing aan een vaste norm maar door middel van het afleggen van een verantwoording. Het bevoegd gezag beoordeelt hierbij de aanvaardbaarheid van het groepsrisico in het ruimtelijk besluit. Op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient bij een plan (voor bijvoorbeeld het realiseren van woningen) gelegen binnen een afstand van 200 meter van een transportroute voor gevaarlijke stoffen het plaatsgebonden risico, het plasbrandaandachtsgebied en het groepsrisico te worden beschouwd.

De Regeling basisnet geeft transporthoeveelheden waarmee rekening moet worden gehouden en de plaatsgebonden risico contour. Voor een aantal veelvoorkomende inrichtingen en langs de belangrijkste transportroutes is het PR door middel van een wettelijk voorgeschreven afstand vastgesteld. Bij inrichtingen geldt dit ook voor het invloedsgebied waarbinnen het bevoegd gezag het GR moet verantwoorden (gegeven in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi)). Voor wegen en spoorwegen zijn effectafstanden van de maatgevende scenario's, waarbinnen deze routes effect kunnen hebben, bekend. Voor gevallen waarin afstanden niet zijn voorgeschreven, kan een berekening nodig zijn om de omvang van effecten aan te tonen. Daarnaast zijn er activiteiten die een extern risico met zich meebrengen, maar niet onder het Bevi vallen. Mogelijk is dan nog wel andere wetgeving van kracht, zoals: het Activiteitenbesluit milieubeheer (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer); het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening); het Vuurwerkbesluit. Resultaat en conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen 200 meter van een transportroute voor gevaarlijke stoffen.

Een plaatsgebonden risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied met betrekking tot een transportroute hoeft daarom niet te worden beschouwd, en een groepsrisicoberekening met betrekking tot een transportroute is voor het plan tevens niet nodig. De ontwikkellocatie bevindt zich niet binnen de invloedssfeer van industriële bedrijven die een extern risico kunnen vormen. Evenmin bevindt de locatie zich binnen de invloedssfeer van gastransportleidingen.

5.7

Bedrijven en milieuzonering

Algemeen De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering. Regelgeving Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin

36

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden. In de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: categorie 1 grootste afstanden 0 en 10 meter; categorie 2 grootste afstand 30 meter; categorie 3 grootste afstanden 50 en 100 meter; categorie 4 grootste afstanden 200 en 300 meter; categorie 5 grootste afstanden 500, 700 en 1000 meter. De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning. De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief gezien worden. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden.

De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer. Resultaat en conclusie De ontwikkellocatie bevindt zich niet binnen de invloedssfeer van bedrijven die milieuhinder kunnen veroorzaken.

5.8

Water

Algemeen In dit bestemmingsplan worden geen (grootschalige) nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Deze waterparagraaf is erop gericht om de actuele watersituatie en het actuele waterbeleid in beeld te brengen. Daarnaast is de waterparagraaf vooral bedoeld om een brug te slaan naar de procedures en toetsingsinstrumenten van de waterbeheerder. Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV), dat verantwoordelijk is voor waterkwantiteit- en waterkwaliteitbeheer. Het waterbeheer wordt in opdracht van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht uitgevoerd door Waternet. Naast het aanvragen van een omgevingsvergunning (op grond van het bestemmingsplan) is een initiatiefnemer wettelijk verplicht om na te gaan of het noodzakelijk is om ook een vergunning aan te vragen op grond van de Keur of de Waterwet bij de waterbeheerder. Het bestuur van het waterschap heeft de Keur vastgesteld. De Keur AGV 2011, het Keurbesluit Vrijstellingen en de Beleidsregels zijn op 1 december 2011 in werking getreden. In het Keurbesluit Vrijstellingen staat beschreven onder welke voorwaarden bepaalde activiteiten zijn toegestaan zonder dat een keurvergunning nodig is. Wanneer de activiteit onder een verbod van de Keur valt en er geen vrijstelling op rust dan moet een vergunning worden aangevraagd.

Het waterschap beoordeelt de vergunningsaanvraag en bepaalt de voorwaarden met behulp van de beleidsregels Keurvergunningen. Als regelgeving is ook de Waterschapswet van toepassing. Op verzoek van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) is alle waterinformatie in een aparte waterparagraaf opgenomen. Dit neemt niet weg dat water integraal onderdeel is van de ruimtelijke en beleidsmatige afweging in dit bestemmingsplan. In de subparagraafindeling is dezelfde indeling gehanteerd zoals AGV die in haar 'Handleiding Watertoets en vergunningverlening ' toepast (deel III, Werkwijze per planvorm). Dit om op overzichtelijke wijze in te kunnen gaan op de door AGV bij een watertoets gewenste informatie. In deze paragraaf en subparagrafen staat informatie over de direct watergerelateerde onderwerpen. Indirect watergerelateerde onderwerpen als bijvoorbeeld natuurwaarden, water als onderdeel van de

37

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool infrastructuur of het overige provinciale beleid is in andere hoofdstukken te vinden. Regelgeving en beleidskader KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) (van kracht vanaf 22 december 2000) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (waaronder het herstel van verbindingen tussen infiltratie- en kwelgebieden). De KRW verwoordt het streven om emissie naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterwet De acht voormalige bestaande wetten op watergebied, waaronder de Wet gemeentelijke watertaken, zijn vervangen door de Waterwet. Deze Waterwet is inclusief de invoeringsregeling en de Invoeringswet op 22 december 2009 in werking getreden. De Waterwet stelt een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De belangrijkste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name in het ruimtelijke domein.

Verschillende vergunningenstelsels zijn met de invoering van de Waterwet gebundeld tot een watervergunning voor alle handelingen in het watersysteem. Hierin zijn de vergunningenstelsels uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet verontreiniging zeewater, de Wet op de waterhuishouding, de Grondwaterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en de verordeningen (de Keur) van de waterschappen samengevoegd. Veel handelingen in het watersysteem vallen onder algemene regels en dan is er geen watervergunning nodig. Een melding is vaak wel noodzakelijk. Vergunningplichtige handelingen volgen uit de Waterwet en uit de Keur van het Waterschap. Nationaal Bestuursakkoord Water actueel (NBW actueel) en Bestuursakkoord Water In 2003 is door het Rijk, de provincies, de waterschappen (Unie van Waterschappen) en de gemeenten (VNG) het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend in navolging van het advies Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het doel van het NBW is om rekening houdend met klimaatveranderingen, zeespiegelrijzing, bodemdaling en verstedelijking, het watersysteem in 2015 op orde te hebben en voor de toekomst op orde te houden. In 2008 werd het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) geactualiseerd.

In mei 2011 hebben het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) het Bestuursakkoord Water ondertekend. Doel van het Bestuursakkoord Water is te blijven zorgen voor veiligheid tegen overstromingen, goede kwaliteit van water en voldoende zoet water. Het NBW en het Bestuursakkoord Waterketen hebben de basis gelegd voor het Bestuursakkoord Water. Nationaal Waterplan Op 22 december 2009 is het eerste Nationaal Waterplan vastgesteld door het Rijk. Het Nationaal Waterplan verving de vierde Nota Waterhuishouding. In het Nationaal Waterplan 2009-2015 wordt beschreven welk beleid het Rijk voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Op 14 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Het NWP2 geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de periode 2016-2021 en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingrisico's. Tegelijk met het NWP2 is het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 (Bprw) vastgesteld met daarin de operationele uitwerking van het NWP2 voor de rijkswateren.

Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met het NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming

38

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij wordt gestreefd naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Watervisie 2021, met het Uitvoeringsprogramma 2016-2021 Op 16 november 2015 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Watervisie 2021 vastgesteld. De Watervisie 2021 vervangt het Waterplan 2010-2015. De Watervisie biedt een doorkijk voor het provinciale regionale waterbeleid tot 2040 en geeft aan waar in de periode 2016-2021 de prioriteiten liggen voor waterveiligheid en schoon en voldoende water. Het toekomstige waterbeleid wordt gekenmerkt door het integrale karakter; de Watervisie maakt meer dan voorheen onderdeel uit van het (strategisch) omgevingsbeleid. Waterbeheerplan Amstel, Gooi en Vecht 2016-2021 “Waterbewust en waterrobuust” Het waterschap heeft de zorg voor het regionale watersysteem: optimale bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van schoon water en efficiënte zuivering van afvalwater.

Belangrijke kernwoorden daarbij zijn 'duurzaam' en 'kosteneffectief'. Het waterschap vindt de intrinsieke waarde van water als beeldbepalend element in de leefomgeving heel belangrijk. Het waterschap wil bereiken dat mensen zich bewuster worden van het belang van een veilig en 'robuust' (toekomstbestendig) watersysteem. In het Waterbeheerplan Amstel, Gooi en Vecht 2016-2021 zijn de volgende strategische doelen voor de langere termijn (2030) opgenomen: samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit; een klimaatbestendig en waterrobuust gebied; steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte; een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid; water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie; gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water; gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen; vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit; afstemming over alle watertaken per stroomgebied; behoud van de zelfstandige bevoegdheid. Om de strategische doelen te behalen ligt de focus van het Waterschap (AGV) op onder andere de volgende punten: Veiligheid staat voorop; Schoon en voldoende oppervlaktewater; Stedelijk waterbeheer.

In het waterbeheerplan legt het waterschap beleidsdoelen, maatregelen en kosten op hoofdlijnen vast. Het beleid van het waterschap is uitgewerkt in beleidsnota's per thema of taak. In een watergebiedsplan vindt de verdere beleidsuitwerking plaats voor een deel van het beheergebied van het waterschap. Het beleid in het waterbeheerplan is het uitgangspunt voor de watergebiedsplannen, die leiden tot peilbesluiten en waterinrichtingsplannen, en voor stedelijke waterplannen die gemeenten in afstemming met het waterschap maken. De Keur, en Beleidsregels De Keur is een eigen verordening van het Waterschap die van oudsher zo heet. De Keur dient ter bescherming van de waterhuishoudkundige infrastructuur, de waterkeringen en de handhaving van het waterpeil. De Keur kent 'verboden' en 'geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. Voor een deel van de verboden activiteiten uit de Keur kan onder voorwaarden een watervergunning worden verleend. Het bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft de nu vigerende Keur vastgesteld: de Keur AGV 2017, met het Keurbesluit Vrijstellingen, en de Beleidsregels.

39

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool

Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in stedelijk gebied meer dan 1.000 m2 verhard oppervlak aan te brengen. Bij de aanleg van nieuw verhard oppervlak dient voldoende ruimte gereserveerd te worden voor de opvang van regenwater (minimaal 10%), tenzij het regenwater op een andere wijze wordt opgevangen en opgeslagen of gebruikt. Resultaat en conclusie Watercompensatie Het voornemen gaat uit van de bouw van nieuwe bebouwing. Er wordt geen water gedempt, compensatie in de vorm van nieuw open water is daarmee niet aan de orde. In de referentiesituatie is de kavel deels bebouwd en verhard. Er is daarmee sprake van een toename van het bebouwde/verharde oppervlak met ca. 2.405 m2 waarvoor compensatie nodig is. In dat oppervlak zijn ook de halfverharde nieuwe parkeerplaatsen door het Waternet als 'verharding' gerekend en in is al rekening gehouden met de eventueel later aan te leggen extra 12 parkeerplaatsen. Gemeente, BPD en Waternet zijn daarover met elkaar in overleg. Tijdens het vooroverleg heeft Waternet aangegeven voor deze locatie een compensatie percentage te hanteren van minimaal 10%. Uitgaand van een toename van het totaal verhard oppervlak met circa 2.405 m2 betekent dit dat er minimaal 241 m2 gecompenseerd te moeten worden.

Deze compensatie dient binnen hetzelfde peilgebied plaats te vinden én het liefst in dan wel in de directe nabijheid van het plangebied te worden gerealiseerd. Aan de hand van het stedenbouwkundig plan en de vastliggende bouwopgave is er gezocht naar mogelijkheden om de vereiste watercompensatie binnen de toekomstige openbare ruimte van de Weesperschool te realiseren. De watercompensatie wordt uiteindelijk gerealiseerd middels een "waterbergende weg". Dit betreft een weg met daaronder een waterbergende fundatie. Vanuit deze fundering kan het water infiltreren dan wel gecontroleerd/gedoseerd via een hemelwater- / DT riool overlopen op het oppervlaktewater. Met deze oplossing kan worden voldaan aan de watercompensatie eis van Waternet. Zowel Waternet als de gemeente kunnen zich vinden in deze wijze van compensatie. Grondwater Er worden geen ondergrondse constructies gerealiseerd, waardoor er geen veranderende invloed is op de ondergrondse grondwaterstromen. Wateroverleg In de fase van het opstellen van het voorontwerpbestemmingsplan heeft mondeling overleg met AGV plaatsgevonden. Tevens heeft AGV de conceptversie beoordeeld alvorens het voorontwerp ter inzage is gelegd.

5.9

Natuur

Algemeen Natuur en groen wordt over het algemeen positief gewaardeerd. Zowel in als buiten de stad vertoeven veel mensen in hun vrije tijd graag in de bossen en de parken in en rond de stad. De aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een woongebied. Ook de aanwezigheid van dieren, bijvoorbeeld vogels, in de stad wordt over het algemeen als positief ervaren. De aanwezigheid van voedsel-, nest- en rustgebied is voor deze dieren van essentieel belang. Regelgeving Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de wet- en regelgeving inzake natuur, flora en fauna. Zowel een groot deel van de flora en fauna zelf als de leefgebieden van diverse soorten kennen wettelijke bescherming. Die bescherming vloeit voort uit zowel Europese als nationale regelgeving. Zo richt de EG-Habitatrichtlijn zich expliciet op de bescherming van de habitat van wilde planten en dieren en beschermt de EG-Vogelrichtlijn op soortgelijke wijze broed- en trekvogels. In het kader van deze richtlijnen heeft Nederland zogenoemde speciale beschermingszones (“Natura 2000” gebieden) aangewezen.

40

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool

Gebiedsbescherming was in het Nederlands recht geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Per 1 januari 2017 is hiervoor de Wet Natuurbescherming in de plaats gekomen. Daarnaast is er ook sprake van juridische natuurbescherming via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en provinciale ruimtelijke omgevingsverordeningen. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dat een samenhangend netwerk van natuurgebieden is. Inmiddels is de EHS opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij het NNN zijn ook de door de Europese Unie vastgestelde Natura 2000 gebieden van groot belang. Resultaat In opdracht van de gemeente is op 21 november 2016 een Verspreidingsonderzoek beschermde flora en fauna uitgevoerd. Omdat binnen de gemeente Weesp veel ingrepen plaatsvinden is in 2015 besloten om de hele gemeente te laten onderzoeken op het voorkomen van beschermde flora en fauna. Deze gegevens zijn verwerkt in de online applicatie FloraFaunaCheck.nl, waarmee per object direct kan worden nagegaan welke beschermde flora en fauna aanwezig zijn. Op 27 februari 2018 is deze applicatie toegepast voor de ontwikkellocatie. Het resultaat daarvan is dat er beschermde soorten te verwachten zijn waarop de ingreep een negatief effect kan hebben.

Voorts is vermeld dat overtreding van de Wet natuurbescherming inzake gebiedsbescherming niet is uitgesloten. Onderzoek Een quick scan ecologie is door ecologisch adviesbureau Els & Linde uitgevoerd. De quick scan is als bijlage bij de bestemmingsplanherziening gevoegd (Quick scan ecologie, Sinnigvelderstraat te Weesp, Els & Linde B.V., 25 januari 2019). Op 11 januari 2019 is de projectlocatie bezocht en is beoordeeld of er beschermde planten- en diersoorten aanwezig zijn binnen de planlocatie en of deze soorten schade ondervinden van de gewenste ontwikkelingen. Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat de aanwezigheid van beschermde soorten binnen de grenzen van de planlocatie op voorhand uit te sluiten zijn. Een afdoend onderzoek naar beschermde soorten is niet nodig en er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. De zorgplicht dient in acht te worden genomen. Aangetroffen dieren die niet uit zich zelf het werkgebied kunnen verlaten, dienen - onder begeleiding van een ecoloog - in veiligheid te worden gebracht en buiten het werkgebied te worden uitgezet. Schuilplekken zoals bladhopen, hout- en steenstapels e.d. dienen eerst te worden gecontroleerd op schuilende dieren. In zijn algemeenheid dienen geschikte schuil- en overwinteringsplekken voor dieren buiten het werkterrein intact te worden gelaten.

In de aanwezige bomen en begroeiing zijn algemene broedvogels niet uit te sluiten. Om verstoring te voorkomen dienen de werkzaamheden buiten om de broedperiode - maart tot en met juli - van vogels te starten. Stikstofdepositie Sinds 15 oktober 2020 is een nieuwe rekentool voorgeschreven. Deze rekentool (AERIUS Calculator 2020) was niet eerder dan 15 oktober 2020 beschikbaar. Op dat moment lag het ontwerpbestemmingsplan al ter inzage. Het is daarom nodig geweest om het onderzoek te actualiseren. Dat is op 27 oktober 2020 door Sweco gedaan (zie bijlage). In de notitie van Sweco d.d. 27 oktober 2020 is het onderzoek stikstofdepositie beschreven. Hierbij is in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur nagegaan of er vanuit deze wet- en regelgeving mogelijke belemmeringen zijn voor de planontwikkeling. Als onderdeel hiervan dienen de effecten van het plan op de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden inzichtelijk te worden gemaakt. Daarbij dient te worden nagegaan of ten gevolge van het plan significante negatieve effecten optreden in 1) stikstofgevoelige habitattypen en/of 2) stikstofgevoelige leefgebieden. In deze notitie zijn de uitgangspunten en resultaten vastgelegd van de berekeningen van de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling, waarbij rekening wordt gehouden met zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.

Rondom het plangebied zijn de volgende Natura-2000 gebieden met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden aanwezig: Naardermeer (4,6 kilometer tot plangebied)

41

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool Oostelijke Vechtplassen (4,9 kilometer tot plangebied) Eemmeer & Gooimeer Zuidoever (9,6 kilometer) Botshol (8,6 kilometer) Gebruiksfase Met het plan wordt een drietal gebouwen met een totaal van acht rijtjeswoningen en 80 appartementen gerealiseerd. Deze gebouwen worden niet aangesloten op het gasnet, maar worden op een duurzame manier verwarmd. Hierdoor ontstaan bij de verwarming van deze woningen geen emissies van stikstof. Het jaar van de ingebruikname van de woningen is op 2023 gesteld. De verkeersgeneratie in de gebruiksfase is berekend aan de hand van de van de CROW-richtlijnen in de categorie ‘rest bebouwde kom’ met locatie gemeente Weesp. Er zijn op basis van de gehanteerde uitgangspunten geen rekenresultaten in de AERIUS Calculator 2020 hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Aanlegfase Voor de aanlegfase zijn de volgende uitgangspunten van toepassing: Start uitvoering: 2022 Duur uitvoering: 1,75 jaar Maatgevend jaar: 2022 Voor de berekening stikstof in de AERIUS Calculator 2020 vormt 2022 het maatgevend jaar, omdat in dit jaar de hoogste stikstofemissie plaatsvindt door de aanleg. De totale draaiuren van de in te zetten mobiele werktuigen en de voertuigbewegingen zijn naar rato toegekend aan het maatgevend jaar. Voor de aanlegfase geldt dat hier geen toename van de stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar is.

Hierbij dient wel met mobiele werktuigen te worden gewerkt die minimaal Stage-klasse IV of hoger zijn, met uitzondering van de heistelling. Met dit scenario is het project niet vergunningplichtig onder de Wet natuurbescherming. In de uitgevoerde berekening is gebruik gemaakt van de Standaard Rekenmethode 2 (SRM2), waarbij de effecten van wegverkeer op een afstand groter dan 5 km vanaf de bron niet worden berekend. Zekerheidshalve is aanvullend ook onderzocht of er toch depositie van stikstofdepositie plaats kan vinden op meer dan 5 km van het plangebied. Daartoe zijn aanvullende berekeningen gemaakt (zie bijlagen). Ook uit deze berekeningen volgt dat er, zowel voor de aanleg- als de gebruiksfase, geen sprake is van toename aan stikstofdepositie (0,00 mol/ha/jaar) op Natura 2000-gebieden in een straal van 100 kilometer rondom het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen ecologische waarden worden verstoord als gevolg van het project. Er zijn op dit punt geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten, zowel niet in het plangebied als het studiegebied. De Wet natuurbeheer vormt geen belemmering voor het vaststellen of verwezenlijken van dit bestemmingsplan.

5.10

Kabels en leidingen

Er bevinden zich binnen het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen.

5.11

Milieueffectrapportage

In het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt in MER-beoordelingsplichtige activiteiten en MER-plichtige activiteiten. Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten waar op grond van het Besluit niet direct een MER-beoordelingsplicht of MER-plicht geldt, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Uit die rechtspraak volgt voorts dat of per saldo aanzienlijke gevolgen

42

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool voor het milieu kunnen ontstaan, daarbij niet van belang is (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6907). De wetgeving en jurisprudentie zijn voor interpretatie vatbaar en laten daarom beoordelingsruimte aan het bevoegd gezag. In dit geval is sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, nu het plan voorziet in de nieuwbouw van 88 woningen. Daarom is beoordeeld of het project vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben een milieueffectrapport is vereist. Dit betreft de Aanmeldnotitie MER die als Bijlage 12 bij deze bestemmingsplantoelichting is gevoegd. Bij deze beoordeling is betekenis gehecht aan de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn. Uit de beoordeelde effecten in samenhang bezien met voornoemde criteria wordt geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat er daarom geen aanleiding is om een m.e.r.-procedure te voeren.

43

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool

Hoofdstuk 6

Juridische planbeschrijving

De bestemmingsplanherziening bestaat uit regels, een verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling. De verbeelding en de regels vormen samen de bestemmingsplanregeling zoals deze door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Voorliggend bestemmingsplan is een partiële herziening van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Stedelijk Gebied' (ID-nr NL.IMRO.0457.BP0100SG-oh01). Met voorliggende partiële herziening wordt alleen voor de nieuwbouw van drie gebouwen de verbeelding herzien door het opnemen van de bestemmingen 'Wonen'. De regels van het bestemmingsplan 'Stedelijk Gebied' behoeven hiervoor niet te worden herzien en blijven derhalve van toepassing. Op de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl moeten voor de in deze herziening betrokken gronden de relevante regels zichtbaar zijn bij het 'aanklikken' van de desbetreffende adressen. De digitale verbeelding waarop de herziening betrekking heeft geeft daarom weer op welke gronden de herziening betrekking heeft, de van toepassing zijnde bestemming, de bouw- en maatvoeringsaanduidingen en de functieaanduidingen.

In de regels is aangegeven welke wijzigingen er als gevolg van de herziening worden doorgevoerd ten opzichte van het onderliggende van toepassing verklaarde bestemmingsplan 'Stedelijk Gebied' en wordt tevens benoemd dat aan overige artikelen van het onderliggende van toepassing verklaarde bestemmingsplan 'Stedelijk Gebied' geen wijzigingen worden aangebracht. Er wordt niet ondergronds gebouwd, daarom is artikel 32.1 van het bestemmingsplan (kelders bouwen) op dit plan niet van toepassing verklaard.

44

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

De gemeentelijke kosten worden verhaald door de uitgifte van de grond. Er hoeft daarom geen exploitatieplan vastgesteld te worden. Het project wordt voor rekening en risico door de ontwikkelaar uitgevoerd. Het betreft een rendabele woningbouwontwikkeling. Het bestemmingsplan is economisch uitvoerbaar. Door de ontwikkelaar is een marktconsultatie uitgevoerd. Conclusie van marktconsultatie was dat er een ruime vraag is naar woningen voor jongeren in Weesp in zowel de koop- en de huursector.

45

Stedelijk Gebied - herziening De Weesperschool

Hoofdstuk 8 8.1

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Over het voorontwerp van de bestemmingsplanherziening is op grond van artikel 3.1.1 Bro overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap. Er zijn geen provinciale en rijksbelangen met het plan gemoeid (zie paragrafen 2.1 en 2.2) en de woningbouwontwikkeling is regionaal afgestemd. Het vooroverleg heeft voor het overige geen inhoudelijke reacties opgeleverd.

8.2

Participatie

Op 8 juni 2017 is het Ruimtelijk Kader vastgesteld en het plangebied bepaald. Middels moties is tevens het woningbouwprogramma zodanig bijgesteld dat de maximale koop- en huurprijzen voor 75% van het programma werden begrensd op € 140.000,-- v.o.n. en/of € 414,-- maandhuur. In het voorjaar van 2018 is het Ruimtelijk Kader vervolgens vertaald in de uitvraag naar een risicodragend ontwikkelaar voor deze locatie. Daarbij was in de selectie het totaal aantal woningen in het plan, en daarmee ook het aantal sociale woningen, één van de zwaarstwegende criteria. Op 4 mei 2018 ontving BPD Ontwikkeling het bericht van de gemeente Weesp dat de Inschrijving "De Weesperschool" (ingediend maart 2018) op basis van prijs-kwaliteit het best scorende plan is voor de ontwikkeling van de voormalige Jan Woudsmaschoollocatie. Na winst van de tender heeft BPD in samenwerking met de gemeente een informatieochtend georganiseerd op zaterdag 16 juni 2018 om de inschrijving "De Weesperschool" te presenteren aan de buurtbewoners. Naar aanleiding van de bijeenkomst voor omwonenden op 16 juni 2018 is het plan "De Weesperschool" waar mogelijk aangepast. Gebouw III is 6 meter in zuidelijke richting verschoven, zodat de meest beeldbepalende bomengroep behouden blijft en er meer ruimte is tussen "gebouw III" en het bestaande woongebouw aan de Gemeenschapspolderweg ontstaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10049153/1