CConstaterende datWeesp
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Kinderdagverblijf Weespersluis bijlagen toelichting

Gemeenteraad 10 februari 2022, gemeente WeespBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Kinderdagverblijf Weespersluis29.792 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Verlandende sloot nabij de voormalige volkstuintjes

gebied is aannemelijk. Het geheel is – ondanks de aanwezigheid van ringslang of ransuil – niet bovenmatig interessant of onvervangbaar. De wegbermen van de Papelaan bestaan uit matig voedselrijk, vochtig en kruidenrijk grasland. Verschillende eutrafente kruiden als hondsdraf (Glechoma hederacea) en witte dovenetel (Lamium album) worden hier aangetroffen. Door de bloemrijke grasberm worden hier veel insecten waargenomen. De bermen langs de Kanaaldijk zijn ingeplant met drie rijen laanbomen, de kanaaldijk is een belangrijke migratieroute voor de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii). Mogelijk maken ook andere soorten gebruik van de laan als migratieroute. De overige wegbermen zijn van sterk ondergeschikt belang.

Woningen en boerderijen De woningen en boerderijen zijn vooral van belang voor enkele cultuurvolgers. Huismus en gierzwaluw vinden in huizen nestgelegenheid, huiszwaluw en boerenzwaluw worden meer aangetroffen bij boerderijen en woningen in het landelijk gebied. Verschillende vleermuizen zoeken een schuilplek in gebouwen; de gewone dwergvleermuis (Pipistellus pipistrellus), laatvlieger (Eptesicus serotinus) en waarschijnlijk de kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) zoeken een schuilplek in nauwe ruimten zoals de spouw of onder het dakbeschot. De gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) wordt meer op grote zolders of boerenstallen verwacht. De ruige dwergvleermuis kan nabij of in gebouwen overwinteren, vaak op volstrekt onverwachte plekken zoals onder houtstapels. De rugstreeppad overwinterd vaak nabij gebouwen onder allerlei materiaal.

Pagina 15

Actuele inventarisaties beschermde soorten vogels met een jaarrond beschermd nest.

H 04

Ten behoeve van de ontwikkeling is in 2014 een inventarisatie van de beschermde soorten in de Bloemendalerpolder uitgevoerd (Emond & Brandjes 2014). Tien jaar eerder is eveneens een inventarisatie in de polder uitgevoerd (Groen e.a. 2004). Beide inventarisaties geven globaal hetzelfde resultaat. Naast deze inventarisaties is de NDFF opgevraagd. Tot slot zijn er enkele resultaten uit de afvangen voor fase 1 en een kort onderzoek naar de compensatiebehoefte (Janssen & Van der Linden 2016) die waarnemingen hebben opgeleverd. Een ecologisch onderzoek heeft een houdbaarheid van twee tot drie jaar, dat betekend dat een actualisatie van de inventarisatie noodzakelijk is. Deze zal gericht zijn op het belang van de polder voor beschermde zoogdieren, amfibieën, reptielen en vogels. Om te beoordelen wat de huidige natuurwaarde van de Bloemendalerpolder is (los van de aanwezigheid van beschermde soorten) is inventarisatie van de vegetatie en libellen nodig, deze vormt tevens de basis voor de monitoring. Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. In de wet zijn bepalingen voor gebiedsbescherming en bepalingen voor bescherming voor soorten opgenomen (die oorspronkelijk in de Flora en faunawet beschermd waren) en is de Boswet geïntegreerd in de Wet natuurbescherming. De wet kent twee beschermingsregimes voor soorten: -

die soorten die beschermd zijn via de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (de internationale verplichtingen);

Vleermuizen.

-

een lijst met overige soorten (het nationale beschermingsregime).

Op die laatste lijst mogen provincies

Rugstreeppad

Bufo calamita

Heikikker

Rana arvalis

Ringslang

Natrix natrix

Havik

Accipiter gentilis

Sperwer

Accipiter nisus

geen bescherming meer genieten in

Gierzwaluw

Apus apus

Noord-Holland. De marterachtigen

Ransuil

Asio otus

(wezel, hermelijn en bunzing) genieten

Buizerd

Buteo buteo

in Noord-Holland met de inwerkingtre-

Ooievaar

Ciconia ciconia

ding van de Wet natuurbescherming

Roek

Corvus frugilegus

wel bescherming. In de Flora en fauna-

Boomvalk

Falco subbuteo

wet - de wet waarop de inventarisaties

Grote Gele Kwikstaart

Motacilla cinerea

zijn gestoeld - waren deze marters niet

Huismus

Passer domesticus

uitzonderingen maken door die soorten de beschermingstatus te ontnemen. Noord-Holland heeft hiervoor een besluit gepubliceerd, waardoor een flink aantal zoogdieren en enkele amfibieën

beschermd. De inventarisatie van wezel, Wespendief hermelijn en bunzing moet daarom Laatvlieger

Pernis apivorus Eptesicus serotinus

worden aangevuld. De zorgplicht blijft

Meervleermuis

Myotis dasycneme

voor de overige soorten wel van toepas-

Ruige dwergvleermuis

Pipistrellus nathusii

Gewone dwergvleermuis

Pipistrellus pipistrellus

Gewone grootoorvleermuis

Plecotus auritus

sing, zodat de overheid bij haar besluit moet kenbaar maken op welke wijze

pagina 16

Amfibieën en reptielen.

hiermee rekening is gehouden. Met het maken van de verspreidingskaartjes is hiermee rekening gehouden. In de tabel is een overzicht opgenomen van de in de Bloemendalerpolder aangetroffen beschermde soorten, die in de NDFF zijn opgenomen. Op de kaartjes is weergegeven waar de verschillende groepen (vogels, vleermuizen en herpetofauna) zijn waargenomen. Als bijlage is een kaartje opgenomen per soort, en is een complete lijst opgenomen van in de Bloemendalerpolder aangetroffen soorten. De waarnemingen tijdens het afvangen van de heikikker en andere soorten zijn opgenomen in de kaart. Dat geeft een vertekend beeld van de verspreiding omdat in de overige delen van de polder niet zo intensief is gezocht. De waarnemingen van de heikikker ten behoeve van de compensatie-opdracht zijn eveneens opgenomen in de NDFF en dus in de kaartjes. De kaartjes vormen een weergave van de bestaande kennis van de soorten in de polder, er kan dus een afwijking zijn met de werkelijke verspreiding. De kans dat er soorten gemist zijn is niet groot.

Vaatplanten Binnen de Bloemendalerpolder zijn geen planten waargenomen die in de Wet natuurbescherming als beschermd worden beschouwd. De enkele orchideeën en de zwanenbloem die in de Bloemendalerpolder zijn waargenomen zijn vanaf januari niet langer beschermd.

Zoogdieren Vleermuizen zijn de enige strikt beschermde groep zoogdieren die zijn waargenomen. De concentratie van de waarnemingen loopt langs de randen en via de Papenlaan. Onduidelijk is of er sprake is van een inventarisatie-effect, ofwel niet bekend is of het gehele intensief op vleermuizen is geïnventariseerd. Gezien het bekende gedrag van vleermuizen - de soorten die zijn aangetroffen zijn allemaal soorten die in gebouwen een verblijfplaats vinden - komt het beeld redelijk overeen met de verwachting. Uitzondering zijn de schaarse waarnemingen van de ruige dwergvleermuis, waarvan bekend is dat de laan langs het Amsterdam-Rijnkanaal een belangrijke migratie route is waar ook parende dieren bekend zijn (eigen waarneming PvdL ten zuiden van de Bloemendalerpolder). Voor de vleermuizen is geen compensatie van de verblijfplaatsen nodig (er worden geen gebouwen gesloopt) en is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Wel is het verstandig om in de woonwijk voorzieningen aan te brengen voor vleermuizen (de extra kosten zijn marginaal). Dat kan door ondergeschikte aanpassingen aan de gevel. Naast bovenstaande soorten die in gebouwen een verblijfplaats hebben zijn er meldingen van de rosse vleermuis in boven de Bloemendalerpolder. Het is een soort die in holle bomen zijn verblijfplaats heeft, ook de winterverblijven worden in holle bomen aangetroffen.

Bekend is dat de rosse vleermuis zijn verblijfplaats zoekt op plekken waar vrij veel bomen met holten aanwezig zijn. De rosse vleermuis jaagt boven moerasgebieden en weilanden. Er zijn geen verblijfplaatsen van de rosse vleermuis aangetroffen. Aangetroffen broedvogels (Bron: Emond 2014).

Vogels De vogels zijn ruwweg in twee groepen te verdelen: de vogels die in kleine bosjes een nest hebben en de vogels die hun nest in bebouwing zoeken. Voor de laatste - de gierPagina 17

soort

compensatie

methode

ontheffing nodig

zwaluw en de huismus geldt dat er geen woningen worden gesloopt. Voor deze vogels

Rugstreeppad

verplicht

kwaliteit

ja

kunnen eenvoudig voorzieningen worden aangebracht in de nieuwbouw. Vooral voor de

Heikikker

verplicht

metapopulatie

ja

huismus zijn goede resultaten te behalen. Er is voor de huismus en de gierzwaluw geen

Ringslang

verplicht

metapopulatie

ja

Havik

niet verplicht

Sperwer

geadviseerd

nieuw bosje

nee

Op de vogels die in bosjes een nest hebben is een effect niet te vermijden. Voor de vogels

Gierzwaluw

geadviseerd

verblijfplaatsen

nee

die in de eendekooi broeden is er geen effect - de kooi blijft als bos behouden. Voor de

Ransuil

verplicht

nieuw bosje

ja

vogels die op de gemeentewerken broeden is compensatie verplicht (aanplant nieuwe

Buizerd

verplicht

nieu bosje, bomen

ja

bosjes). Voor deze soorten is een ontheffing noodzakelijk. Er komt in de plannen vol-

Ooievaar

lift mee

nee

doende bos terug dat als broedlocatie voor deze vogels kan dienen. Het is wel zaak de

Roek

niet verplicht

nee

ontwikkeling van een deel van deze bosjes in een vroegtijdig stadium te stimuleren.

Boomvalk

lift mee

nee

Grote Gele Kwikstaart

niet verplicht

nee

Veel van de waarnemingen van vogels hebben een algemene aanduiding “overvliegend”

Huismus

verplicht

ja

of “ter plaatse”. Zeker niet alle waargenomen vogels met een nest dat het hele jaar is

Wespendief

niet verplicht

nee

beschermd broed daadwerkelijk in de Bloemendalerpolder. Denk aan de grote gele kwik-

Laatvlieger

geadviseerd

verblijfplaatsen

nee

Meervleermuis

geadviseerd

verblijfplaatsen

nee

Ruige dwergvleermuis

geadviseerd

verblijfplaatsen

nee

Uit de inventarisatie in 2014 (Emond 2014) volgt dat er in de Bloemendalerpolder drie

Gewone dwergvleermuis

verplicht

verblijfplaatsen

ja

vogelsoorten zijn met een jaarrond beschermd nest. Het gaat om buizerd, havik en huis-

Gewone grootoorvleermuis

niet verplicht

nee

mus. Opvallend is dat de ransuil - er zijn roepende dieren en jongten gezien - niet wordt

nee

inrichting woonwijk

Beschermde soorten aanwezig in de Bloemendalerpolder.

ontheffing nodig. Voor de huismus kunnen vogelvides worden aangebracht en voor de gierzwaluw zijn speciale gevelstenen beschikbaar.

staart, ooievaar, roek en veel van de waarnemingen van de buizerd. Waarnemingen in de NDFF moeten altijd kritisch geanalyseerd worden - rijp en groen staat door elkaar.

vernoemd. De ransuil broed in de bosjes langs de Papenlaan.

Vissen In de nieuwe Wet natuurbescherming zijn geen vissen beschermd die in polders kunnen voorkomen. De aangetroffen soorten wijken niet af van de gebruikelijke visfauna in een veenweidegebied. Uiteraard moet er wel zorgvuldig worden omgegaan met de aanwezige vissen. Alle vissen vallen onder de zorgplicht zoals die is geformuleerd in de Wet natuurbescherming.

Reptielen De ringslang wordt ogenschijnlijk vooral in het centrale deel van de Bloemendalerpolder aangetroffen. Het is bijna zeker een waarnemerseffect (niet gekeken en dus niet gezien). Wij verwachten dat de ringslang in de gehele Bloemendalerpolder - al dan niet frequent - kan worden waargenomen. Het gehele gebied is geschikt als habitat voor deze mobiele soort. De huidige polder functioneert als foerageergebied en verbindingszone tussen de winterverblijven in het spoortalud en de deelleefgebieden elders. Het habitat van de ringslang wordt fors kleiner door de ontwikkelingen in de Bloemendalerpolder. Dat betekent dat er compensatie voor de ringslang nodig is. Dat kan in kwantiteit of in kwaliteit. Compensatie in de vorm van oppervlakte is niet goed uitvoerbaar, daarom wordt ingezet op een kwaliteitsverbetering. De aan te leggen ecologische structuur is hiervan een onderdeel. Voor de ringslang ontstaat dan een stabiele metapopulatie. De ringslang is vooral langs de zuidrand en langs de Papelaan waargenomen. Zeer waarschijnlijk vormt het kaartbeeld niet de werkelijkheid en komt de ringslang verspreid Pagina 18

Rugstreeppad

over de gehele Bloemendalerpolder voor. Voor de ringslang is compensatie noodzakelijk en is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.

Amfibieën De Bloemendalerpolder biedt alle hier voorkomende amfibieën een compleet leefgebied:; waar de volledige levenscyclus plaatsvind. Dit betekend dat de Bloemendalerpolder zowel als overwinteringshabitat, foerageerhabitat en voortplantingshabitat functioneert. De heikikker komt verspreid over de gehele Bloemendalerpolder voor. De stelling van Bureau Waardenburg dat er weinig dieren voorkomen berust op een geringe onderzoeksinspanning. Ook in 2004 is niet de juiste methode van inventariseren gebruikt. Uit de NDFF blijkt dat de heikikker overal kan worden waargenomen. De st. Flora en Faunabescherming heeft in 2015 en 2016 heikikkers afgevangen in een klein deel van het weidegebied. Tijdens het afvangen zijn resp. 17 en 26 heikikkers overgezet. Op basis van het afgezette gebied - 7 ha in 2016 - en het aantal gevangen heikikkers kan de populatie geschat worden op globaal 1.000 - 1.500 dieren. Ook de auteurs hebben met gericht onderzoek in het juiste seizoen verspreid over de Bloemendalerpolder de heikikker aangetroffen. De Bloemendalerpolder wordt omgeven door - voor de heikikker - absolute barrière. Het Amsterdam-Rijnkanaal, de (oude) A1, de Vecht en de bebouwde kom van

Gewone dwergvleermuis

Weesp zijn voor de heikikker onneembare hindernissen. Er is dus sprake van een geïsoleerde populatie. Voor de heikikker is afdoende compensatie nodig en zal een ontheffing van de wet natuurbescherming nodig zijn. Vanuit ecologische motieven heeft de ontwikkeling van een metapopulatie de voorkeur. De rugstreeppad wordt voornamelijk ten oosten van de Papelaan waargenomen. In hoeverre er sprake is van onvoldoende gerichte inventarisatie is niet duidelijk. Het deel westelijk van de Papelaan is natter wat wellicht leidt tot afwezigheid of tot spaarzaam aanwezige rugstreeppad. Voor de rugstreeppad is compensatie van belang voor het behoud van een duurzame en stabiele populatie. Tijdens de ontwikkelingsfase van de woonwijk kan er een explosie van waarnemingen ontstaan. Van groot belang is het om tijdens de bouw een goed functionerende afscherming in stand te houden. Compensatie voor de rugstreeppad is geen groot probleem. Alle overige amfibieën vallen onder de zorgplicht zoals die is geformuleerd in de Wet natuurbescherming.

Overige soorten Van de overige beschermde soorten - conform de Wet natuurbescherming - zijn geen waarnemingen in de Bloemendalerpolder bekend. Veel van de overige soorten vallen onder de zorgplicht zoals die is geformuleerd in de Wet natuurbescherming.

Pagina 19

Compensatieplan: keuze voor inrichting, onderbouwing Heikikker

H 05

In de wetenschap dat compensatie voor de heikikker maatgevend is voor de omvang en de aard van de compensatie is onderzocht wat de noodzakelijke oppervlakte compensatiegebied is (Janssen & Van der Linden 2016). De noodzakelijke omvang is niet realiseerbaar binnen de Bloemendalerpolder. Het ontwikkelen van een metapopulatie voor onder andere de heikikker blijkt wel uitvoerbaar. Met de metapopulatie wordt een robuust systeem ontwikkeld waarbinnen de heikikker, rugstreeppad en de ringslang duurzaam kunnen bestaan. De eveneens verplichte compensatiesoorten als buizerd en ransuil profiteren hier ook van, voor deze beide soorten zijn enkele bosjes nodig binnen het gebied als alternatief broedbiotoop (deze worden geïntegreerd in de landschapsontwikkeling). Voor de huismus en de gewone dwergvleermuis is het noodzakelijk verblijfplaatsen op te nemen in de nieuwbouw. Het compensatiegebied zal een geschikt jachtgebied vormen voor deze soorten.

Effecten op beschermde soorten Voor een uitgebreide beschrijving van de effecten verwijzen wij naar de MER die t.b.v. het bestemmingsplan is gemaakt. De aanwezigheid van de heikikker is onvoldoende onderkent, daarom wordt een effectanalyse hierna toegevoerd. De heikikker heeft een geïsoleerde populatie in de Bloemendalerpolder. De geschatte omvang is gloaal 1.000 - 1.500 dieren. Door de geplande ontwikkeling verdwijnt zoveel Ringslang

habitat in de Bloemendalerpolder, dat een levensvatbare populatie hier niet meer kan voorkomen. Gegeven het feit dat het een geïsoleerde populatie betreft, is er tevens geen alternatieve lokatie voor het habitat aanwezig binnen de rijkwijdte van het project. Mitigatie van het effect is niet uitvoerbaar.

Het compensatieplan Binnen het ecosysteem Bloemendalerpolder is isolatie het grootste knelpunt. Door de bouw van de woningen wordt de omvang van de Bloemendalerpolder - althans het leefgebied binnen het weidegebied - zo gering in omvang dat voor veel dieren geen levensvatbare populatie meer mogelijk is. De heikikker is daarvan de meest zichtbare soort. Dit knelpunt kan worden opgeheven door een ecologische netwerk te stimuleren met de gebieden ten noorden van de A1. Op die manier wordt bestaanszekerheid geleverd voor de te beschermen soorten in de Bloemendalerpolder. Daarnaast zullen verscheidene andere - niet-beschermde - soorten meeliften. Ten noorden van de A1 zijn een aantal gebieden aanwezig die - al dan niet in potentie - geschikt zijn als leefgebied voor de soorten die ook in de Bloemendalerpolder voorkomen. Deze gebiedjes zijn nu te gering in omvang voor een zelfstandige populatie van de heikikker. In het compensatieplan worden deze gebiedjes verbonden met het kerngebied binnen de Bloemendalerpolder. Bij de inrichting van het landschap van de oude A1 wordt hierop aangesloten. Het compensatieplan bestaat uit het inrichten c.q. optimaliseren of ontsluiten van vier gebiedjes ten noorden van de A1 en het inrichten van een pagina 20

5

4

3

2

1

C

A

B

Legenda verantwoording GEM verantwoording provincie verantwoording derden

Pagina 21

Rietorchis

geoptimaliseerd habitat in de westelijke helft van de Bloemendalerpolder. Tussen deze gebieden worden ecologische verbindingen ontwikkeld. Op de kaart is het te ontwikkelen ecologisch netwerk schematisch weergegeven. Bij de verschillende delen zijn cijfers (gebieden) of letters (verbindingen) geplaatst. De knelpunten en toekomstige onderdelen worden hierna per onderdeel besproken.

1.

kerngebied Bloemendalerpolder In de westelijke helft van de Bloemendalerpolder, ter hoogte van de voormalige eendenkooi, wordt een kerngebied ontwikkeld voor dieren en planten van moerassen en natte veenweide. Het gebied wordt optimaal ingericht voor de heikikker, rugstreeppad en ringslang. In de eendekooi wordt het broedgebied voor de havik gehandhaafd. Gestreefd wordt naar een dichtheid die voldoet aan een kerngebied binnen een metapopulatie. De omvang van dit gebied wordt ongeveer 40 ha. Door dit gebied loopt de ontsluitingsweg. Deze kan een barrière vormen. De beide zijden van de weg worden met elkaar verbonden via twee grote faunapassages. Deze zijn zo groot dat er in de faunapassage begroeiing aanwezig is. De hoogte van de faunapassage is ongeveer 1,5 meter, de breedte is minimaal 10 meter. Ter plekke is de rijbaan gescheiden. In de faunapassage wordt een plasdras situatie ontwikkeld zodat het habitat van de heikikker en de ringslang zo goed mogelijk op elkaar aansluit.

2.

Natuurontwikkeling oude Rijksweg De Rijksweg A1 wordt in zuidelijke richting verschoven om een aquaduct bij de Vecht te kunnen ontwikkelen. Het oude tracé van de A1 wordt opgerold en krijgt een bestemming voor natuur - als compensatie voor de verbreding van de A1. Het gebied wordt mede geschikt gemaakt voor de heikikker en de ringslang door natte en vochtige habitats te ontwikkelen naast de reeds voorziene droge habitats. Het gebied is zandig (door het oorspronkelijke talud van de rijksweg). Het zal dus afwijken van het habitat in de Bloemendalerpolder. Onder conditie dat er enkele poelen worden aangelegd met een glooiende noordoever en er grazige vochtige ruigten komen (drooglegging 10 tot 20 cm) kan dit gebied prima functioneren binnen het te ontwikkelen netwerk. Ook een plas-drasoever van watergangen zal functioneel zijn voor de ringslang en de heikikker.

3.

De Noord- of Rietpolder (westelijk van de kruidfabriek) Deze polder heeft een geringe omvang. De Rietpolder ligt al geruime tijd ecologisch geïsoleerd te opzichte van de Bloemendalerpolder. Verwacht wordt dat hier oorspronkelijk - voor de aanleg van de Muidertrekvaart - ook heikikkers voorkwamen. Doordat het gebied te klein werd en geïsoleerd kwam te liggen zijn er tegenwoordig in de polder geen heikikkers meer aanwezig. De ringslang wordt wel aangetroffen in de Rietpolder - deze mobiele soort is langs de kust van de randmeren en het IJmeer vrij algemeen. Het habitat van de Rietpolder is geschikt als leefgebied voor de heikikker. De verwachting is dat met de geplande ontwikkelingen de Rietpolder een perfecte schakel wordt binnen de metapopulatie. Pagina 22

4.

Successie

Gemeenschapspolder, ten noorden van Maxis Voor het restant van de Gemeenschapspolder ten noorden van de Rijksweg en

In natuurlijke omstandigheden zal door successie een vegetatie op den duur veranderen. Meestal is bos in Nederland de

Maxis geldt eveneens dat het oorspronkelijk onderdeel was van het leefgebied van

climax-vegetatie. Uitzondering hierop zijn gebieden waar door de fysieke omgeving (veel dynamiek) een vegetatie behouden

de heikikker, maar dat door de geïsoleerde ligging de heikikker hier is uitgestorven.

blijft door het telkens tegengaan van successie. Deze dynamische vegetaties worden vaak aangetroffen langs de grote rivie-

Het gebied heeft een geschikt habitat voor de heikikker, maar ligt geïsoleert.

ren, waar periodieke overstromingen de successie telkens terugwerpt, of in de duinen waar de saltspray een successie onmogelijk maakt. Met beheer wordt een gewenste successiestadium vaak langdurig gefixeerd. Denk aan de heidevelden die door begrazing al vanaf de dertiende eeuw op de zandgronden van Nederland voorkomen.

5.

PEN-eiland Het is een kunstmatig schiereiland dat is aangelegd in de jaren zestig van de twintigste eeuw. Het gebied heeft zich ontwikkeld tot een imposant moerasbos. Plaatse-

In de Bloemendaler- en gemeenschapspolder is een successie van veenmoerassen te verwachten. In schoon, ondiep en zwak

lijk is er in het gebied sprake van veenvorming. Het PEN-eiland vormt een geschikt

zuur water ontstaat een begroeiing met krabbescheer. Als het water te diep of te voedselrijk is ontstaan andere vegetaties en

habitat voor de heikikker, maar is tot op heden niet bereikbaar. De ringslang heeft

ook een andere successie. De meest gewenste start met een begroeiing van krabbescheer. Uit deze wateren met krabbescheer

op het PEN-eiland een belangrijke kernpopulatie. Door het aanleggen van een

ontstaat een natuurlijke verlanding die uit trilveen bestaat. Deze begroeiing drijft op het water, als men er op loopt beweegt

(simpele) faunapassage in de Maxisweg worden de gebieden 3, 4 en 5 ontsloten en

deze begroeiing wat de naam trilveen verklaard. Deze vegetatie groeit van bovenaf steeds verder aan, waardoor het niet meer

toegevoegd aan de metapopulatie.

gevoed wordt door het oppervlaktewater, maar door het zuurdere regenwater. Door de verzuring ontstaat veenmosrietland. Deze gaat langzaam over in berkenbroekbos. In een natuurlijke omgeving is dit berkenbroekbos het eindstadium.

A. Verbindingszone in de Bloemendalerpolder Binnen het te ontwikkelen netwerk als compensatie voor de beschermde soorten in

Met de inrichting en het beheer maken we gebruik van deze natuurlijke systemen. Het principe is eenvoudig. Er worden een

de Bloemendakerpolder is de oost-west verbinding cruciaal. Deze moet voldoende

aantal ondiepe waterpartijen gegraven – mits onder de juiste conditie – start de genoemde successie. Door na verloop van

omvang hebben om te functioneren als leefgebied voor een (kleine) populatie van

tijd het ontstane berkenbroek te rooien en hier weer een waterpartij te graven start de cyclus opnieuw. Door laag frequent

de heikikker. Ook moet de verbindingszone geschikt habitat bieden voor de ring-

waterpartijen te graven blijft – op termijn – iedere successiestadium in het gebied aanwezig en ont-

slang en enkele bosbewonende soorten.

staat een natuurgebied dat landschappelijk zeer aantrekkelijk is en een hoge biodiversiteit herbergt.

De lengte tussen de habitats van de heikikker (gebied 1 en 2) is vrij lang. De lengte

In het inrichtingsplan gaan we dieper in op dit systeem en op de fysieke voorwaarden voor succes.

maakt dat de verbindingszone robuust wordt uitgevoerd en geen additionele barrieres bevat.. De gemiddelde breedte is 100 meter. De inrichting bestaat uit ondiep water, plasdras gebieden en landhabitat. Dat betekent dat de verbindingszone ook als habitat zal functioneren.

B. Korte Muiderweg & A1 langs de Vecht Langs de Vecht is al een passage over de A1 in aanleg. Deze heeft een voldoende dimensie om te functioneren voor de soorten die in de Bloemendalerpolder gecom-

open water

krabbescheer

trilveen

rietland

moerasbos

penseerd moeten worden. Onder de Korte Muiderweg ligt nog geen faunapassage. Aan de noordrand van de

De faunapassage onder de Maxisweg kan eenvoudiger worden uitgevoerd, omdat de weg smal is en er weinig verkeer over gaat. De status van deze faunapassage is lager omdat het een verbindingszone betreft en niet het belangrijkste leefgebied van de soorten bevat.

Bloemendalerpolder loopt de Korte Muiderweg iets omhoog, voldoende om relatief eenvoudig onder de weg een droog-nat duiker aan te brengen. De dimensie van de duiker moet gelijk zijn aan de duikers die bij de A1 zijn aangelegd en die onder de nog aan te leggen ontsluitingsweg.

C. Maxisweg Tussen de Rietpolder en het natuurontwikkelingsterrein op de oude A1 moet westelijk van de Kruidfabriek een faunapassage onder de Maxisweg worden gelegd. Dat kan een droog-nat duiker zijn of een watergang met een brug. De Muidertrekvaart is hier voldoende smal om geen absolute barrière te vormen. Wel is het van belang dat de oevers ter hoogte van de faunapassage glooiend worden en niet beschoeid zijn. Eventueel kan dat worden opgevangen met een vooroever aan beide zijde van de Muidertrekvaart. Pagina 23

Heikikker als sleutelsoort

Veenmoeras Heikikker, ringslang, rugstreeppad,

ronde zonnedauw, veenmossen,

Uitbreiding habitat c.q. standplaats of

De Bloemendalerpolder herbergt een geisoleerde populatie van de heikikker (Rana arva-

watervleermuis, blauwborst

wezel, moeraswolfsklauw, kikkerbeet,

jachtgebied

lis). De heikikker is een zeldzame soort in Noord-Holland en komt alleen voor op Texel,

moeraswespenorchis, groot

het Vechtplassengebied tussen Hilversum en Amsterdam, plaatselijk op de hogere zand-

blaasjeskruid, oeverzegge

gronden van het Gooi én in de Bloemendalerpolder (Herder, 2010).

Havik, Ransuil, Sperwer, Buizerd,

ooievaar, grote gele kwikstaart, gewone Verbetering habitat c.q. standplaats of

Boomvalk, rosse vleermuis, hermelijn,

grootoorvleermuis, wilde bijen, libellen,

platte schijfhoorn, geelgerande

dagvlinders, snoek, kleine karekiet,

de heikikker. Het leefgebied van deze geisoleerde populatie zal grotendeels verdwijnen

waterroofkever

rietzanger, veenmol, dwergmuis

of ongeschikt raken door de nieuwe inrichting waardoor de gunstige staat van instand-

Heikikker, ringslang

Hermelijn, wezel, snoek, dwergmuis

jachtgebied

Ontsluiting door faunapassage

De voorgenomen ingrepen in de Bloemendalerpolder hebben een zeer grote impact op

houding voor deze soort in het geding komt. Die gunstige staat van instandhouding speelt eigenlijk alleen een rol bij de heikikker, andere beschermde soorten komen of voor binnen een metapopulatie (o.a. ringslang) of zijn algemeen aanwezig in de directe

Ruigte (onder spoortalud en elders), bosjes Rugstreeppad, ringslang, Ransuil,

Sperwer, Roek, Boomvalk, Wespendief, Uitbreiding habitat c.q. standplaats of

Buizerd

heggemus, nachtegaal, hooibeestje,

Aangezien geen enkele andere soort in de Bloemendalerpolder in een zo’n precaire

distelvlinder Rosse vleermuis

omgeving (rugstreeppad en andere soorten).

jachtgebied

wilde bijen, grasmus, brede

Verbetering habitat c.q. standplaats of

situatie verkeert én de habitat van de heikikker bewoond kan worden door de andere

wespenorchis,

jachtgebied

(beschermde) soorten van de Bloemendalerpolder is de heikikker de sleutelsoort, met andere woorden: als het lukt om de heikikker te behouden voor de Bloemendalerpolder zullen de andere (beschermde) soorten profiteren van de genomen compensatiemaatre-

Stadspark en Stedelijke waterpartij Rugstreeppad, watervleermuis,

Kroeskarper, rietorchis, libellen,

Uitbreiding habitat c.q. standplaats of

laatvlieger

dagvlinders, koolmees, pimpelmees,

jachtgebied

gelen.

holenduif, voorn, atalanta, snoek,

Aanvullende soorten

dagpauwoog, kleine karekiet,

De compensatie wordt geoptimaliseerd voor de soorten waarvoor compensatie verplicht

rietzanger, kroeskarper, roodborst,

is. Naast de verplichte soorten zijn er ook soorten die meeliften met de geplande inrich-

winterkoning, merel, egel, grote

ting van het compensatie gebied. Dat kan zijn doordat hun habitat wordt verbeterd of

boterbloem

uitgebreid, hun standplaats wordt ontwikkeld of doordat de polder als leefgebied wordt ontsloten. Dit is niet de plaats om hier uitgebreid bij stil te staan, maar een kort overzicht van de potentie kan een en ander al duidelijk maken. Het gaat om soorten van

Stedelijk gebied - woningen Huismus, gewone dwergvleermuis,

ruige dwergvleermuis, huiszwaluw,

Uitbreiding habitat, verblijfplaatsen c.q.

veenmoeras, ruigte, parken en woonwijken. Sommige soorten zullen van verschillende

gierzwaluw, laatvlieger, meervleermuis

dagpauwoog, koolmees

standplaats of jachtgebied

maatregelen profiteren. Voor het overzicht zijn de soorten in tabelvorm opgenomen, de

Tabel met soorten waarvoor de maatregelen worden genomen. In de eerste kolom staan de doelsoorte, in de tweede kolom staan de volgsoorten en in de laatse kolom de habitats.

lijst is niet uitputtend. In de eerste kolom staan de doelsoorten en in de tweede kolom de volgsoorten.

Onderbouwing landschapstype-keuze Bij de herinrichting van het compensatiegebied in de Bloemendalerpolder is gekozen voor het landschapstype ‘laagveen’. Deze keuze is vanuit meerdere invalshoeken bezien de meest logische: • heikikker De heikikker komt voor in laagveengebieden zoals het Naardermeer. Laagveen vormt een geschikt habitattype voor deze soort. • andere soorten Andere beschermde soorten van de Bloemendalerpolder kunnen in een laagveen hun niche vinden. • nabijheid van reservoirs Pagina 24

In de directe omgeving van de Bloemendalerpolder bevinden zich twee laagveengebieden (Naardermeer en PEN-eiland) die als reservoir kunnen dienen voor het compensatiegebied. Zo kunnen laagveensoorten vanuit deze twee gebieden het te realiseren compensatiegebied koloniseren waardoor er een duidelijke meerwaarde kan ontstaan ter plaatse. • Historie Historisch gezien is een herinrichting als laagveen de enige juiste. Immers zonder menselijk ingrijpen was de Bloemendalerpolder nog altijd een laagveenmoeras. • Beheer Vanuit beheersperspectief is een herinrichting in de vorm van laagveen kosteneffectief: er is weinig beheer nodig. Het benodigde beheer zal grotendeels in de vorm van extensieve begrazing vorm krijgen. • Bosschages Langs de rijksweg komen enkele bosschages die een geschikt broedhabitat vormen voor roofvogels en andere boombewoners.

Sfeerbeeld Het compensatiegebied in de Bloemendalerpolder zal als laagveenmoeras en veenweide vorm krijgen. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de meest kritische soorten in de polder (oa heikikker) en wordt er aansluiting gevonden bij de twee Natura2000 gebieden in de directe omgeving (Naardermeer en IJmeer) die beiden ook (deels) als laagveen beschouwd kunnen worden. Met de voorgenomen inrichting van het compensatiegebied zetten we als het ware een flinke stap terug in de tijd; laagveen(moeras) is immers het landschapstype dat hier van nature zou voorkomen. Daarmee zal de toekomstige Bloemendalerpolder een zeer spannende inrichting krijgen: naast een hypermoderne woonwijk en de recent verlegde en vernieuwde rijksweg A1 is er dus ook ruimte voor oud-hollandse oernatuur (laagveen) waarin gestruind, gespeeld en genoten kan worden.

Afweging alternatieven Er zijn twee alternatieven gewogen op haalbaarheid en wenselijkheid. ten eerste het handhaven van een levensvatbare populatie binnen de Bloemendalerpolder en ten tweede het realoceren van de heikikkerpopulatie. 1.

De minimaal noodzakelijke oppervlakte voor een levensvatbare geïsoleerde populatie is 100 hectare. Rekening houdend met de geplande ontwikkelingen en de randeffecten is een oppervlakte geschikt habitat van 100 hectare niet realiseerbaar binnen het project (c.q. de Bloemendalerpolder).

2.

Bij realocatie van amfibieën zijn grote onzekerheden aanwezig. Dat betekent dat uitgebreid wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk is voordat realocatie een serieus alternatief kan zijn. De IUCN heeft voor dergelijke activiteiten stringente voorwarden gesteld. Daarnaast zijn er ethische bezwaren tegen zo’n vorm van compensatie.

Pagina 25

H 06

Compensatie: planning en werkwijze Vanuit wet- en regelgeving en jurisprudentie moet een compensatiegebied functioneel

100 meter

zijn voordat de aantasting van het huidige leefgebied plaats vind. Ook vanuit ecologie is dat de juiste volgorde. Concreet betekend dit in het voorliggende geval dat met name de

o

o o

o

ecologsiche structuur aanwezig moet zijn. Denk daarbij aan de verschillende faunapassages en het optimaliseren van de verbindingszones. Parallel aan deze werkzaamheden wordt gewerkt aan het optimaliseren van het kerngebied dat rondom de eendenkooi ligt. Feitelijk is dit de eerste activiteit die moet worden uitgevoerd in de Bloemendalerpolder.

oo oo

oo oo

Het moet in ieder geval voordat er substantieel wordt gebouwd of opgespoten.

Afrasteren Het raster moet minimaal een maand functioneel aanwezig zijn voordat de werkzaam-

o o

o o

heden starten. Het raster kan geplaatst worden tussen 1 april en 1 september. Het raster is uiterlijk per 1 september sluitend. In de maand nadat het raster is geplaatst, worden de ingesloten dieren afgevangen. De werkzaamheden kunnen starten na een maand, of nadat de ecoloog heeft aangegeven dat er voldoende inspanning is verricht voor het afvangen. De rasters worden per fase geplaatst. In de tekening staat een principe voor het

oo oo

plaatsen van het raster en de vangemmers. De emmers worden in een grid van 50 meter

oo oo

geplaatst, de vangsresultaten worden vergroot door het plaatsen van vangkruizen.

Werkwijze compensatiegebied Voor de uitvoering van de werkzaamheden in het compensatiegebied (kerngebied en

o

o o

o

verbindingszone) wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld. Als basisprincipe geldt dat er gewerkt wordt vanuit het kerngebied en dat er niet meer over aangelegde terreinen wordt gereden. De in het afgerasterde gebied gevangen dieren worden verspreid

50 meter Schematische weergave van het afvangsysteem voor amfibieen en muizen. De groene lijnen geven de vangschermen en de vangkruizen weer. deze zijn ingegegraven en steken 30 cm boven het maaiveld uit. De cirkels geven de vangemmers weer.

over het compenatiegebied uitgezet, waarbij juist ook dieren worden uitgezet in delen waar nog geen dieren voorkomen (uiteraard pas nadat het terrein functioneel is gemaakt).

Maten en oppervlakte Het kerngebied wordt 40 hectare groot. De verbindingszone heeft een gemiddelde breedte van 100 meter. Bij de faunapassages komt een landschappelijke geleiding naar de passage. De faunapassages hebben een dimensie die minimaal gelijk is aan de faunapassage die momenteel langs de Vecht zijn aangelegd.

Afvangen binnen deelgebieden Voordat gestart kan worden met bouwrijpmaken van projectdelen moeten de dieren binnen het deelproject worden afgevangen en elders uitgezet. Het afvangen van de dieren kan alleen binnen de actieve periode en buiten de kwetsbare periode. Voor de Bloemendalerpolder ligt de periode van afvangen in augustus - september. Dat betekent dat het raster in die periode geplaatst wordt en aansluitend een maand wordt afgevangen, of zolang als aangegeven door de ecoloog. pagina 26

Monitoring en beheer compensatiegebied Tangpantserjuffer

H 07

De voorgestelde natuurcompensatie beoogt de ontwikkeling van een metapopulatie van de heikikker in en rondom de Bloemendalerpolder (blz. 21). Zoals eerder duidelijk werd geldt de heikikker als dé sleutelsoort voor de natuurcompensatie in de Bloemendalerpolder en zullen andere soorten profiteren van het netwerk dat voor deze soort wordt gecreëerd. Om de effectiviteit van deze innovatieve aanpak te duiden is een monitoringsplan onontbeerlijk. Zo kan de effectiviteit van de natuurcompensatie op basis van gegevens worden gewogen en beoordeeld.

Welke soorten te monitoren? Heikikker Aangezien het compensatieplan uitgaat van de heikikker als sleutelsoort is het niet meer dan logisch dat bij een toekomstige monitoring deze soort een prominente plaats inneemt. Libellen Deze soortgroep is om meerdere redenen zeer geschikt om opgenomen te worden in het monitoringsplan:

Bruine korenbout

-

door hun levenswijze (aquatisch en terrestrisch) heeft deze soortgroep een hoge indicatieve waarde betreffende de kwaliteit van de aquatische en terrestrische habitat

-

monitoring van libellen is in Nederland goed georganiseerd (De Vlinderstichting) waardoor er eenvoudig kan worden aangesloten bij bestaande handleidingen en protocollen

-

libellen zijn relatief eenvoudig te monitoren

Vegetatie De vegetatieontwikkeling is een zeer belangrijke graadmeter voor de effectiviteit van de compensatiemaatregel. Om deze ontwikkeling te volgen is het maken van vegetatieopnames een geschikte methode. Een vegetatieopname is opsomming van een aantal plantensoorten die op een bepaald tijdstip met bepaalde hoeveelheid samen voorkomen op een afgebakende plek (het proefvlak of pq = permanent quadrant). Door de ecologische kenmerken te koppelen aan de soorten kunnen de abiotische omstandigheden van de lokatie worden achterhaald.

Hoe te monitoren? Heikikker De heikikker wordt in Nederland gemonitord binnen het NEM Meetnet Amfibieën. De monitoring in de Bloemendalerpolder zal aansluiten bij de methodiek die voor dit meetnet is opgesteld (Goverse et al., 2015). Aangezien de ecologie van de heikikker in veenweidegebied afwijkt van de vindplaatsen op de hogere zandgronden zal de mepagina 27

thode van monitoren worden aangepast naar de laatste inzichten betreffende heikikkers in veenweidegebied. Zo zijn roepende dieren gedurende de voortplantingstijd vrijwel onvindbaar in veenweidegebied vanwege het simpele feit dat voortplantende dieren niet aggregeren en derhalve geen (makkelijk) hoorbare koren produceren. Ook het zoeken naar eiklompen, een beproefde methode in heidegebieden, is in veenweidegebied vrijwel niet uitvoerbaar vanwege de overdaad aan potentieel voortplantingswater. Hetzelfde geldt voor het scheppen naar larven. Om toch inzicht te krijgen in de populatieontwikkeling van de heikikker zijn avondlijke veldbezoeken gedurende de (na)zomer prima geschikt (Goverse, 2014). Vanaf 2017 stellen wij voor de heikikker de volgende monitoringsmethode voor: -

2 bezoeken in het voorjaar om voortplanting vast te stellen

-

2 bezoeken in de (na)zomer om voortplantingssucces vast te stellen

Deze monitoring zal plaatsvinden op vijf lokaties: -

2 transecten in het compensatiegebied in de Bloemendalerpolder

-

1 transect in de robuuste verbindingszone in de Bloemendalerpolder

-

1 transect in de Waterlandtak ten noorden van de A1

-

1 transect op het PEN-eiland

Om überhaupt heikikkers waar te nemen in deze lastige habitat zal deze monitoring moeten worden uitgevoerd door een ecoloog met ruime ervaring met heikikkers in dit type leefgebied (veenweide/laagveen). Libellen Libellen worden in Nederland gemonitord binnen het NEM Meetnet Libellen. De monitoring in de Bloemendalerpolder zal aansluiten bij de methodiek die voor dit meetnet is opgesteld (Swaay et al., 2011). Deze methode voorziet in een telling elke twee weken gedurende de periode half mei – begin september onder geschikte weersomstandigheden voor het vinden van libellen. Vanaf 2017 stellen wij voor libellen de volgende monitoringsmethode voor: -

8 bezoeken gedurende de periode half mei – begin september

Deze monitoring zal plaatsvinden op vijf lokaties: -

2 transecten in het compensatiegebied in de Bloemendalerpolder

-

1 transect in de robuuste verbindingszone in de Bloemendalerpolder

-

1 transect in de Waterlandtak ten noorden van de A1

-

1 transect op het PEN-eiland

Vegetatie Het maken van vegetatieopnames kent een lange geschiedenis. De in Nederland meest gebruikte methodiek is de begin vorige eeuw door Braun-Blanquet ontwikkelde methode. Pagina 28

Bruine kikker

Voor de methodiek wordt verwezen naar het protocol ‘Vegetatieopname’ (Hennekens, 2009). Op vijf plekken in de nabijheid van de heikikker- en libellentransecten zullen proefvlakken (pq’s) worden uitgezet en worden vegetatieopnames worden gemaakt.

Monitoringsperiode Het monitoringsplan heeft een looptijd van vijf jaar en zal starten in 2017. In het eerste jaar (2017) zal de monitoring zorgen voor de vastlegging van de uitgangssituatie. In de navolgende jaren wordt via de monitoring de effectiviteit van de compensatie gemeten. Indien de resultaten daartoe aanleiding geven kan besloten worden de compensatie bij te sturen.

Beheer Voor het beheer wordt nog overlegd met de potentiele beheerders. De inrichting van het compensatiegebied in de Bloemendalerpolder is kleinschalig van opzet en herbergt een grote verscheidenheid aan vegetaties in verschillende successiestadia. Het beheer van dit gebied behoort hierop aan te sluiten; ofwel kleinschalig en maatwerk. Voor het beheer worden daarom enkele richtlijnen opgegeven. 1.

het beheer is gericht op verschraling van de vegetatie, dat betekend niet of gericht

Moerasbos

mesten bij economisch uitnutten; 2.

gezien de fosfaatverzadiging zal geen fosfaatbemesting mogelijk zijn;

3.

het beheer is gericht op het stimuleren van de successie zoals verwoord op bladzijde 23;

4.

voor het beheer wordt zo min mogelijk zwaar mechanische apparatuur gebruikt of worden voertuigen voorzien van ballonbanden;

5.

de watergangen - met uitzondering van de hoofdwatergang - valt buiten de schouwplicht;

6.

het begrazingsbeheer heeft een maximum graasdruk van 1,0 gve/ha bij jaarrond begrazing;

7.

de geplande monitoring kan/zal van invloed zijn op het uit te voeren beheer.

Pagina 29

H 08

Conclusie Binnen de Bloemendalerpolder wordt een woonwijk ontwikkeld van ongeveer 2700 woningen. Uit onderzoek is gebleken dat er effecten zijn op beschermde soorten die in de polder voorkomen. Voor het compenseren van de

H 09

Bronnen Achterkamp B. & R.J.W. van de Haterd (2015) Algemene libellensoorten als indicatoren voor waterhabitats: een aanzet voor een praktisch hulpmiddel. Brachytron 17 (2): 87-99.

effecten is een compensatieplan opgesteld.

Anonymus (2006) Streekplan Noord-Holland Zuid. Uitwerking Bloemendalerpolder/KNSF-terrein. Provincie Noord-Holland.

Voor de compensatie van de effecten is de heikikker de soort gebleken die

Anonymus (2008) Provinciaal Beeldkwaliteitsplan Stelling van Amsterdam. DHV bv & Feddes/Olthof landschapsarchitecten bv.

bepalend is voor de inrichting en oppervlakte. Er zijn drie alternatieven afge-

Anonymus (2010) Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. Provincie NoordHolland, Directie Beleid

wogen: 1.

inrichten van een metapopulatie;

2.

handhaven van een levensvatbare - maar geïsoleerde - populatie;

3.

realocatie.

Het inrichten van een metapopulatie geeft de grootst mogelijke zekerheid voor het handhaven van een duurzaam levensvatbare populatie van de hei-

Anonymus (2012) Bloemendalerpolder. Een uniek woonlandschap tussen Muiden en Weesp aan de Vecht Strootman, landschapsarchitecten b.v. Anonymus (2014) soortenstandaard heikikker Rana arvalis. Rijsdienst voor Ondernemend Nederland Anonymus (2015) beeldkwaliteitsplan op hoofdlijnen Bloemendalerpolder. Strootman, landschapsarchitecten b.v.

kikker (en de andere soorten).

Anonymus (2015) Landschapsontwikkelingsplan Bloemendalerpolder. Strootman, landschapsarchitecten b.v.

Er wordt een kengebied - ter hoogte van de eendekooi - ingericht met voor

Bal, D., H.M. Beije, M. Fellinger, R. Haveman, A.J.F.M. van Opstal & F.J. van Zadelhoff (2001) Handboek Natuurdoeltypen in Nederland. Expertisecentrum, Ministerie van LNV

de heikikker geoptimaliseerd habitat van 40 ha. Tussen deze locatie en de faunapassage over de A1 nabij de Vecht komt een “verbindingszone” van gemiddeld minimaal 100 meter breedte. Deze verbindingszone wordt ingericht als habitat voor de te compenseren soorten. Ten noorden van de A1 ligegnde - potentieel aanwezige habitats - worden door middel van gerichte maatregelen (faunapassages) ontsloten. Hierdoor wordt een meta-populatie ontwikkeld. Het proces wordt gemonitoord en begeleid door een ecoloog. Het beheer is gericht op verschraling en het geschikt houden van het habitat. Economische functie zijn niet uit te sluien onder voorgaande voorwaarden.

Beltman, B., T. van den Broek & P. Vergeer (2005) Het beperkte succes van laagveenrestauratie. Landschap 22: 173-179. Bergmans, W. & A. Zuiderwijk, 1986. Atlas van de Nederlandse Amfibieen en Reptielen. Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Hoogwoud, Nederlandse vereniging voor herpetologie en terrariumkunde Lacerta. Besteman, B., R. Boeters, J. van Dijk, P. Duijn, E. Gies, M. Platteeuw & J. Verhagen (1997) Het PEN-eiland: Natuurwaarden en natuurontwikkeling in lokaal en regionaal perspectief. Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling, Bureau Stadsecologie Amsterdam, Dienst Ruimtelijke Ordening & Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en Waterbouwkunde. Camerik, R. (1999) Craag trajectstudie, Aquaduct Vecht. Rijkswaterstaat. Chardon, W.J, J.E. Groenenberg & G.F. Koopmans, (2014) Immobiliseren fosfaat met ijzerslib. Landschap 31: 117-122. Chardon. W.J. (2009) Mogelijkheden voor immobiliseren van bodemfosfaat in het kader van natuurontwikkeling. Alterra, Wageningen. Delft, J. van & R. Creemers, 2008. Distribution, status and conservation of the moorfrog (Rana arvalis) in the Netherlands. In: D. Glandt & R. Jehle, der Moorfrosch: 255-268. Laurenti Verlag Egmond, D. & G.J. Brandjes (2014) Veldonderzoek 2014 Bloemendalerpolder, Weesp. Verspreiding flora en fauna. Bureau Waardenburg b.v. Germano, J.M., K.J. Field, R.A. Griffiths, S. Clulow, J.

Foster, G. Harding & R.S. Swaisgood, 2015. Mitigation-driven translocations: are we moving wildlife in the right direction? Frontiers in Ecology and the Environment 13(2):100105. Glandt, D. (2006) Der Moorfrosch. Laurenti Verlag on the distribution pattern Pagina 30

of the moor frog, Rana arvalis. Journal of Apllied Ecology 35:44-56. Glandt, D. (2014). Rana arvalis, Moorfrosch. In: Grossenbacher, K., 2014. Handbuch der Reptilien und Amphibien Europas: 11-114. Aula Verlag, Wiesbaden

veenlandschap: relaties tussen hydrologie, ecosysteem-dynamiek en Natura 2000-habitattypen. Rapportage Fase 2. VBNE, Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren

Goverse, E., 2014. Heikikkers inventariseren in het veenweidegebied. Scubben & Slijm 19:6-9.

Rooyen, E. van, E. den Besselsen & G.P. Alders (2013) Archeologisch kader ten behoeve van het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2012, gemeente Muiden. Cultureel Compagnie Noord-Holland, Alkmaar

Goverse, E., A.M.P. de Zeeuw & J.E. Herder, 2015. Handleiding voor het Monitoren van Amfibieën in Nederland. Vierde herziene druk. RAVON werkgroep Monitoring, Amsterdam & Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

Schaminée, J.H.J., A.H.F. Stortelder & E.J. Weeda (1996) De vegetatie van Nederland. Deel 3. Plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden. Opulus Press, Leiden.

Groen, F.H. van, J.J. Spaargaren & M. van Straaten, 2004.Bloemendalerpolder, Inventarisatie flora en fauna. Rapport 2004-29 Van der Goes en Groot.

Schaminée, J.H.J., E.J. Weeda, V. Westhoff (1995) De vegetatie van Nederland. Deel 2. Plantengemeenschappen van wateren, moerassen en natte heiden. Opulus Press, Leiden.

Hennekens, S., 2009. Protocol ‘Vegetatieopname’. Alterra, Wageningen. (http://www.ndff. nl/overdendff/validatie/protocollen/12-007-vegetatieopname/)

Schoumans, O., 2004. Inventarisatie van de fosfaatverzadiging van landbouwgronden in Nederland. Wageningen, Alterra.

Herder, J.E. (red.) 2010. Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen, Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen.

Smit, G.F.J. (2014) Flora- en faunawet beoordeling deelgebied 1a/1b Bloemendalerpolder. Bureau Waardenburg b.v.

Higler, B. (2000) Natuurlijke levensgemeenschappen van de Nederlandse binnenwateren deel 7, Laagveenwateren. EC-LNV, Wageningen

Smolders, A.J.P., J.T.A. Verhoeven, H.B.M. Tomassen, M. van Mullekom, M. van Kempen, J.G.M. Roelofs & L.P.M. Lamers (2013) Waterberging en veenvorming als klimaatbuffer. Kansen en valkuilen vanuit biogeochemisch perspectief. Landschap 30: 197-206

Janssen, I.A.W. & P.J.H. van der Linden (2016) Heikikker Bloemendalerpolder. RAVON & Els & Linde Jong, T.H. de & C.C. Vos, 2009. Heikikker, Rana arvalis. In: R.C.M. Creemers & J.C.W. van Delft. De amfibieen en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9: 199-208. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey Nederland. Lamers, L. J, Sarneel, J. Geurts, M. Dionisio Pires, E. Remke, H. van Kleef, M. Christianen, L. Bakker, G. Mulderij, J. Schouwenaars, M. Klinge, N. Jaarsma, S. van der Wielen, M. Soons, J. Verhoeven, B. Ibelings, E. van Donk, W. Verberk, H. Esselink & J. Roelofs (2010) Onderzoek ten behoeve van het herstel en beheer van Nederlandse laagveenwateren. Fase 2 Ministerie LNV, Directie Kennis. Lamers, L., J. Geurts, B. Bontes, J. Sarneel, H. Pijnappel, H. Boonstra, J. Schouwenaars, M. Klinge, J. Verhoeven, B. Ibelings, E. van Donk, W. Verberk, B. Kuijper, H. Esselink & J. Roelofs. (2006) Onderzoek ten behoeve van het herstel en beheer van Nederlandse laagveenwateren. Fase 1 Ministerie LNV, Directie Kennis. Lamers, L., M. Klinge & J. Verhoeven (2001) OBN Preadvies laagveenwateren. Ministerie LNV, Expertisecentrum.

Snel, L. (2015) Muiden, Bloemendalerpolder, bestemmingsplan. Rho-adviseurs, Rotterdam. Snel, L. (2015) Weesp, Bloemendalerpolder, bestemmingsplan. Rho-adviseurs, Rotterdam. Soonius, C.M. & G.H. de Boer (2014) Plangebied Bloemendalerpolder. Gemeenten Weesp en Muiden een cultuurhistorisch bureauonderzoek in het kader van de MER. Raap, Weesp. Stortelder, A.H.F., J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel (1999) De vegetatie van Nederland. Deel 5. Plantengemeenschappen van ruigten, struwelen en bossen. Opulus Press, Leiden. Van Swaay, C.A.M., Termaat, T. & C.L. Plate (2011). Handleiding Landelijke Meetnetten Vlinders en Libellen. Rapport VS2011.001, De Vlinderstichting, Wageningen & Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag. Veer, R. van ‘t (2009) Grasslands of brackish fen and of mesotrophic fen in Laag-Holland, The Netherlands. In: P. Veen, R. Jefferson, J. de Smidt & J. van der Straaten. Grasslands in Europe of high nature value. KNNV, Utrecht. Bladzijde: 123-133.

Lammers, M.C. (2015) Weesp en Muiden, Bloemendalerpolder. Milieueffectrapport. Rhoadviseurs, Rotterdam.

Vos, C. & J. Chardon, 1998. Effects of habtat fragmentation and road density

Lenssen, L.P.M. (z.j.) Species richness in reed marshes. Katholieke Universiteit Nijmegen,

Zanten, Chr. Van (2012) Nota Cultuurhistorie en Landschap, Gemeente Muiden

Lucassen, E.C.H.E.T., W.l. Chardon, E. Dorland, M.L. van der Sluys, M.D.M. Poelen & A.l. P. Smolders (2015) IJzerrijk drinkwaterslib en verschraling landbouwgronden. Landschap 32: 160-169

Zuiderwijk, A., P. de Wijer & I. Janssen (1999) Ringslangen en IJburg: teloorgang van een metapopulatie. De Levende Natuur (100) 6: 214-219.

MacArthur, R.H. & E.O. Wilson (1967) The Theory of Island Biogeography. Princeton, N.J.: Princeton

www.radarstation.nl

Meijer, H. (2006) MER/SMB Bloemendalerpolder/KNSF-terrein. DHV. Melchers, M. & G. Timmermans, 1991. Haring in het IJ. Stadsuitgeverij Amsterdam Mettrop, I.S., R. Loeb, L.P.M. Lamers. A.M. Kooijman, D.G. Cirkel & N.G. Jaarsma (2012) Een meer natuurlijk peilbeheer: relaties tussen geohydrologie, ecosysteem-dynamiek en Natura 2000. Rapportage Fase 1: Een kennisoverzicht op verschillende schaalniveaus voor het Nederlands laagveen- en zeekleigebied. Bosschap, bedrijfschap voor bos en natuur Mettrop, I.S., A.M. Kooijman, L.P.M. Lamers & C. Cusell (2015) Peilfluctuaties in het laag-

Weijs, W. (2015) Natuur & landschap van de Vechtstreek. KNNV Uitgeverij, Utrecht

www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. www.natuurkennis.nl

Boomvalk

Buizerd

Havik

Sperwer

Wespendief

Ransuil

pagina 32

Gierzwaluw

Huismus

Ooievaar

Roek

Grote gele kwikstaart

Gewone dwergvleermuis

Ruige dwergvleermuis

Gewone grootoorvleermuis

Meervleermuis

Laatvlieger

Heikikker

Rugstreeppad

Ringslang

B 02

Waargenomen soorten in de Bloemendalerpolder

Fioringras

Agrostis stolonifera

Puntkroos

Lemna trisulca

Platte citroenkorst

Caloplaca aurantia

Zwart-op-wit-korst

Verrucaria muralis

Toendrarietgans

Anser serrirostris rossicus

Grote waterweegbree

Alisma plantago-aquatica

Wolfspoot

Lycopus europaeus

Mandarijnkorst

Caloplaca dichroa

Gewone stippelkorst

Verrucaria nigrescens

Graspieper

Anthus pratensis

Zwarte els

Alnus glutinosa

Grote kattenstaart

Lythrum salicaria

Valse citroenkorst

Caloplaca flavocitrina

Bleke stippelkorst

Verrucaria ochrostoma

Waterpieper

Anthus spinoletta

Gewone engelwortel

Angelica sylvestris

Moerasvergeet-mij-nietje

Myosotis scorpioides

Betoncitroenkorst

Caloplaca flavovirescens

Oranje dooiermos

Xanthoria calcicola

Boompieper

Anthus trivialis

Fluitenkruid

Anthriscus sylvestris

Slanke waterkers

Nasturtium microphyllum

Muurzonnetje

Caloplaca holocarpa

Vliegenzwam

Amanita muscaria

Gierzwaluw

Apus apus

Muurvaren

Asplenium ruta-muraria

Watertorkruid

Oenanthe aquatica

Kleine citroenkorst

Caloplaca lithophila

Gewone zwavelkop

Hypholoma fasciculare

Blauwe Reiger

Ardea cinerea

Grote kroosvaren

Azolla filiculoides

Pijptorkruid

Oenanthe fistulosa

Sinaasappelkorst

Caloplaca saxicola

Gewone beurszwam

Volvariella gloiocephala

Purperreiger

Ardea purpurea

Kleine watereppe

Berula erecta

Veenwortel

Persicaria amphibia

Kleine geelkorst

Candelariella aurella

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Ransuil

Asio otus

Knikkend tandzaad

Bidens cernua

Groot hoefblad

Petasites hybridus

Grove geelkorst

Candelariella vitellina

Woelrat

Arvicola amphibius

Pestvogel

Bombycilla garrulus

Veerdelig tandzaad

Bidens tripartita

Rietgras

Phalaris arundinacea

Donkere rookkorst

Catillaria chalybeia

Ree

Capreolus capreolus

Brandgans

Branta leucopsis

Heen

Bolboschoenus maritimus

Riet

Phragmites australis

Kopjes-bekermos

Cladonia fimbriata

Rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

Buizerd

Buteo buteo

Zwanenbloem

Butomus umbellatus

Ruw beemdgras

Poa trivialis

Rode heidelucifer

Cladonia floerkeana

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Ruigpootbuizerd

Buteo lagopus

Duinriet

Calamagrostis epigejos

Canadapopulier

Populus x canadensis

Zomersneeuw

Cladonia foliacea

Laatvlieger

Eptesicus serotinus

Kemphaan

Calidris pugnax

Gewone dotterbloem

Caltha palustris

Tenger fonteinkruid

Potamogeton pusillus

Gevorkt heidestaartje

Cladonia furcata

Egel

Erinaceus europaeus

Putter

Carduelis carduelis

Bosveldkers

Cardamine flexuosa

Haarfonteinkruid

Potamogeton trichoides

Bruin heidestaartje

Cladonia glauca

Haas

Lepus europaeus

Sijs

Carduelis spinus

Oeverzegge

Carex riparia

Sleedoorn

Prunus spinosa

Frietzak-bekermos

Cladonia humilis

Dwergmuis

Micromys minutus

Grote Zilverreiger

Casmerodius albus

Watergras

Catabrosa aquatica

Stijve waterranonkel

Ranunculus circinatus

Rafelig bekermos

Cladonia ramulosa

Aardmuis

Microtus agrestis

Boomkruiper

Certhia brachydactyla

Rankende helmbloem

Ceratocapnos claviculata

Blaartrekkende boterbloem

Ranunculus sceleratus

Kronkelheidestaartje

Cladonia subulata

Veldmuis

Microtus arvalis

Kleine Plevier

Charadrius dubius

Grof hoornblad

Ceratophyllum demersum

Dauwbraam

Rubus caesius

Dik geleimos

Collema tenax

Meervleermuis

Myotis dasycneme

Groenling

Chloris chloris

Haagwinde

Convolvulus sepium

Braam (G)

Rubus sp. indet.

Stofglimschoteltje

Lecania erysibe

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Kokmeeuw

Chroicocephalus ridibundus

Buntgras

Corynephorus canescens

Kluwenzuring

Rumex conglomeratus

Steenglimschoteltje

Lecania rabenhorstii

Ruige dwergvleermuis

Pipistrellus nathusii

Ooievaar

Ciconia ciconia

Eenstijlige meidoorn

Crataegus monogyna

Pijlkruid

Sagittaria sagittifolia

Kalkschotelkorst

Lecanora albescens

Gewone dwergvleermuis

Pipistrellus pipistrellus

Bruine Kiekendief

Circus aeruginosus

Rietorchis

Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa

Bezemkruiskruid

Senecio inaequidens

Kastanjebruine schotelkorst

Lecanora campestris

Gewone grootoorvleermuis

Plecotus auritus

Blauwe Kiekendief

Circus cyaneus

Bitterzoet

Solanum dulcamara

Verborgen schotelkorst

Lecanora dispersa

Bruine rat

Rattus norvegicus

Appelvink

Grote zandkool

Diplotaxis tenuifolia

Wilde lijsterbes

Sorbus aucuparia

Donkere schotelkorst

Lecanora horiza

Mol

Talpa europaea

Coccothraustes coccothraustes

Brede stekelvaren

Dryopteris dilatata

Grote egelskop

Sparganium erectum

Muurschotelkorst

Lecanora muralis

Vos

Vulpes vulpes

Holenduif

Columba oenas

Brede waterpest

Elodea canadensis

Veelwortelig kroos

Spirodela polyrhiza

Geelgroene schotelkorst

Lecanora polytropa

Havik

Accipiter gentilis

Houtduif

Columba palumbus

Smalle waterpest

Elodea nuttallii

Hazenpootje

Trifolium arvense

Lecanora semipallida

Lecanora semipallida

Sperwer

Accipiter nisus

Zwarte Kraai

Corvus corone

Brede/Duinwespenorchis

Epipactis helleborine

Grote brandnetel

Urtica dioica

Grijsgroene steenkorst

Lecidella scabra

Bosrietzanger

Acrocephalus palustris

Roek

Corvus frugilegus

Schapengras

Festuca ovina

Gewoon dikkopmos

Brachythecium rutabulum

Steenpurperschaaltje

Lecidella stigmatea

Rietzanger

Acrocephalus schoenobaenus

Kauw

Corvus monedula

Es

Fraxinus excelsior

Gesnaveld klauwtjesmos

Hypnum cupressiforme

Gewone poederkorst

Lepraria incana

Kleine Karekiet

Acrocephalus scirpaceus

Koekoek

Cuculus canorus

Kleefkruid

Galium aparine

Fijn laddermos

Kindbergia praelonga

Bleke poederkorst

Lepraria vouauxii

Staartmees

Aegithalos caudatus

Pimpelmees

Cyanistes caeruleus

Hondsdraf

Glechoma hederacea

Parapluutjesmos

Marchantia polymorpha

Kalkschriftmos

Opegrapha mougeotii

Veldleeuwerik

Alauda arvensis

Zwarte Zwaan

Cygnus atratus

Liesgras

Glyceria maxima

Gewoon sterrenmos

Mnium hornum

Kapjesvingermos

Physcia adscendens

IJsvogel

Alcedo atthis

Kleine Zwaan

Cygnus bewickii

Lidsteng

Hippuris vulgaris

Gesteelde haarmuts

Orthotrichum anomalum

Stoeprandvingermos

Physcia caesia

Nijlgans

Alopochen aegyptiacus

Wilde Zwaan

Cygnus cygnus

Gestreepte witbol

Holcus lanatus

Rond schaduwmos

Phaeophyscia orbicularis

Kopermos

Psilolechia leprosa

Slobeend

Anas clypeata

Knobbelzwaan

Cygnus olor

Gladde witbol

Holcus mollis

Groot platmos

Plagiothecium nemorale

UV-mos

Psilolechia lucida

Wintertaling

Anas crecca

Huiszwaluw

Delichon urbica

Kikkerbeet

Hydrocharis morsus-ranae

Zandhaarmos

Polytrichum juniperinum

Rhogogaster

Rhogogaster chlorosoma

Wilde Eend

Anas platyrhynchos

Grote Bonte Specht

Dendrocopos major

Gele lis

Iris pseudacorus

Spits smaragdsteeltje

Donkerbruine schotelkorst

Rinodina gennarii

Zomertaling

Anas querquedula

Kleine Bonte Specht

Dendrocopos minor

Zomprus

Juncus articulatus

Pseudocrossidium hornschuchianum

Ruderaalkorst

Steinia geophana

Krakeend

Anas strepera

Rietgors

Emberiza schoeniclus

Pitrus

Juncus effusus

Duinsterretje

Syntrichia ruralis

Gewoon sterschoteltje

Trapelia coarctata

Kolgans

Anser albifrons

Roodborst

Erithacus rubecula

Bultkroos

Lemna gibba

Kalkknoopjeskorst

Bacidia caligans

Engelse dropkorst

Verrucaria fuscella

Grauwe Gans

Anser anser

Smelleken

Falco columbarius

Klein kroos

Lemna minor

Rivierdijkzonnetje

Caloplaca atroflava

Bruine stippelkorst

Verrucaria macrostoma

Kleine Rietgans

Anser brachyrhynchus

Boomvalk

Falco subbuteo

Torenvalk

Falco tinnunculus

Goudvink

Pyrrhula pyrrhula

bruin blauwtje

Aricia agestis

Grote roodoogjuffer

Erythromma najas

Bonte Vliegenvanger

Ficedula hypoleuca

Waterral

Rallus aquaticus

Plat dambordje

Aspicilia calcarea

Kleine roodoogjuffer

Erythromma viridulum

Vink

Fringilla coelebs

Vuurgoudhaan

Regulus ignicapilla

Rond dambordje

Aspicilia contorta

Lantaarntje

Ischnura elegans

Keep

Fringilla montifringilla

Goudhaan

Regulus regulus

boomblauwtje

Celastrina argiolus

Platbuik

Libellula depressa

Meerkoet

Fulica atra

Oeverzwaluw

Riparia riparia

oranje luzernevlinder

Colias croceus

Gewone oeverlibel

Orthetrum cancellatum

Watersnip

Gallinago gallinago

Roodborsttapuit

Saxicola rubicola

eikenpage

Favonius quercus

Vuurjuffer

Pyrrhosoma nymphula

Waterhoen

Gallinula chloropus

Houtsnip

Scolopax rusticola

citroenvlinder

Gonepteryx rhamni

Bruine winterjuffer

Sympecma fusca

Gaai

Garrulus glandarius

Boomklever

Sitta europaea

argusvlinder

Lasiommata megera

Bruinrode heidelibel

Sympetrum striolatum

Scholekster

Haematopus ostralegus

Visdief

Sterna hirundo

kleine vuurvlinder

Lycaena phlaeas

Steenrode heidelibel

Sympetrum vulgatum

Spotvogel

Hippolais icterina

Turkse Tortel

Streptopelia decaocto

bruin zandoogje

Maniola jurtina

Gekorrelde veldloopkever

Carabus granulatus

Boerenzwaluw

Hirundo rustica

Zomertortel

Streptopelia turtur

bont zandoogje

Pararge aegeria

Kustsprinkhaan

Chorthippus albomarginatus

Zilvermeeuw

Larus argentatus

Spreeuw

Sturnus vulgaris

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10999209/1