CConstaterende datWeesp
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Kinderdagverblijf Weespersluis bijlagen toelichting

Gemeenteraad 10 februari 2022, gemeente WeespBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Kinderdagverblijf Weespersluis29.792 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

KINDERDAGVERBLIJF WEESPERSLUIS Bestemmingsplan

1/1

2/2

KENMERK

NL.IMRO.0457.BPWSKinddv-VG01

PROJECT PROJECTLEIDER

Kinderdagverblijf Weespersluis Drs. W. Kraaijeveld

OPDRACHTGEVER

GEM Bloemendalerpolder CV

PROJECTNUMMER

20200622

OPDRACHTLEIDER

drs. W. Kraaijeveld

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

20200622

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Memo stikstof

Bijlage 2

AERIUS‐berekening gebruiksfase

Bijlage 3

AERIUS‐berekening aanlegfase

Bijlage 4

Compensatieplan Bloemendalerpolder

Bijlage 5

Bodemonderzoek

Bijlage 6

Veegontheffing Bloemendalerpolder

Bijlage 7

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling

Bijlage 8

Toelichting in pdf

bestemmingsplan Kinderdagverblijf Weespersluis Status: vastgesteld /

Rho Adviseurs B.V.

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

20200622

Bijlage 1 Memo stikstof

bestemmingsplan Kinderdagverblijf Weespersluis Status: vastgesteld /

Rho Adviseurs B.V.

MEMO Van

:

M.M.W. Backx, MSc

Project

:

Kinderdagverblijf Weespersluis

Opdrachtgever :

GEM Bloemendalerpolder B.V.

Datum

:

6 mei 2021

Betreft

:

Onderzoek stikstofdepositie

1. Inleiding In de Bloemendalerpolder worden de komende jaren 2.750 woningen gebouwd met bijbehorende voorzieningen gebouwd. Voor de gehele ontwikkeling is in het kader van het bestemmingsplan ‘Bloemendalerpolder Weesp’ destijds een stikstofberekening uitgevoerd. Na vaststelling van dit plan is besloten om een kinderdagverblijf in het gebied toe te voegen. Dit kinderdagverblijf wordt mogelijk gemaakt middels een paraplubestemmingsplan en is niet opgenomen in de stikstofberekening t.b.v. het bestemmingsplan ‘Bloemendalerpolder Weesp’. Ten behoeve van het planologisch mogelijk maken van het kinderdagverblijf dient de beoogde ontwikkeling onder andere te worden getoetst aan de eisen uit de Wet natuurbescherming. Uit recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het PAS als beoordelingskader niet juridisch houdbaar is. Om deze reden zijn depositieberekeningen uitgevoerd met de meest recente versie van het AERIUS-model (oktober 2020) waarin diverse aanpassingen zijn doorgevoerd naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State. In de nieuwe berekeningen is zowel de gebruiksfase als de aanlegfase beschouwd. In deze notitie wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en conclusie.

Figuur 1 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS)

blz. 1

2. Uitgangspunten aanlegfase Bij de toetsing aan de Wet natuurbescherming dient ook de aanlegfase te worden betrokken. Transportbewegingen ten behoeve van de aan en afvoer van materiaal en de inzet van werktuigen binnen het gebied leiden tot emissies en kunnen daarmee ook van invloed zijn op de stikstofdepositie binnen Natura 2000. Op basis van aannames van vergelijkbare gebouwen is bekeken of sprake kan zijn van een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000. Materieelinzet tijdens aanlegfase Voor het in te zetten materieel tijdens de totale aanlegfase is een worstcase inschatting gemaakt met de bijbehorende bedrijfstijden (tabel 1). De relevante emissies (NOx) worden bepaald door het verbruik, het vermogen en de ouderdom (stageklasse) van het materieel. In de berekeningen is uitgegaan van materieel van stageklasse IV, bouwjaar 2014, met het grootste vermogen. Daarnaast is voor al het materieel uitgegaan van een verbruik van 25 liter diesel per uur en is er vanuit gegaan dat het materieel 100% van de werkdag daadwerkelijk in bedrijf is. In AERIUS zijn de bronnen binnen het plangebied gemodelleerd als vlakbron omdat het materieel verspreid wordt ingezet. Ten tijden van het opstellen van de AERIUS-berekening waren er nog geen gegevens bekend over het materieelgebruik t.b.v. de aanlegfase van het kinderdagverblijf.

Er is daarom gerekend met worst case gegevens voor de aanleg van 10 woningen. Tabel 1 Uitgangspunten materieelinzet tijdens de aanlegfase Machine Stage klasse Uren Brandstof liter/uur Betonmixer Stage IV 130-560 48 25 kW bouwjaar 2014 Betonstorter/pomp Stage IV 130-560 48 25 kW bouwjaar 2014 Graafmachine Stage IV 130-560 84 25 kW bouwjaar 2014 Heistelling Stage IV 130-560 48 25 kW bouwjaar 2014 Kiepbak Stage IV 130-560 84 25 kW bouwjaar 2014 Hijskraan Stage IV 130-560 96 25 kW bouwjaar 2014 Ruw terrein Stage IV 130-560 32 25 heftruck kW bouwjaar 2014 Minigraver Stage IV 130-560 24 25 kW bouwjaar 2014

Totaal brandstofgebruik 1.200

1.200

2.100

1.200

2.100

2.400

800

600

Verkeersgeneratie tijdens aanlegfase Voor het aan- en afvoeren van materialen binnen het project is gerekend met in totaal 2 vrachtwagens per dag tijdens de bouw. Dat zijn in totaal 240 vrachtbewegingen tijdens de aanlegfase, uitgaande van een bouwperiode van 60 dagen. Daarnaast is er sprake van lichte verkeersbewegingen van werknemers. Hierbij gaat het om 10 busjes per dag. In totaal zijn dit 1.200 lichte verkeersbewegingen voor de totale aanlegfase.

blz. 2

Daarbij is ervan uitgegaan dat het bouwverkeer over de Bloemendalerpoldersingel en de Leeuwenveldseweg richting het kruispunt Weesperweg/Mariahoeveweg rijdt om vervolgens de A1 op te gaan. Hier gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Op grond van jurisprudentie worden de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Als gemiddelde afstand tot het verkeer opgaat in het heersende verkeerbeeld wordt 250 meter gehanteerd. In dit geval is er gemeten tot aan het kruispunt Weesperweg/Mariahoeveweg.

Figuur 2 Gemodelleerde bronnen aanlegfase (bron: AERIUS) De berekening van de aanlegfase in AERIUS geeft als resultaat: Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Derhalve leidt de aanlegfase niet tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. 3. Uitgangspunten gebruiksfase De (potentiële) gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 worden in de gebruiksfase uitsluitend bepaald door de emissies die samenhangen met de verkeersgeneratie. De verkeersaantrekkende werking is berekend aan de hand van kencijfers die CROW-publicatie 381, conform het gemeentelijke parkeerbeleid. Uitgaande van een maximum bvo van 1750 m2 heeft het kinderdagverblijf een verkeersgeneratie van 576 voertuigbewegingen per etmaal. Uitgangspunt is dat verkeerseffecten worden meegenomen tot deze opgaan in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de berekeningen is er van uitgegaan dat het verkeer van het kinderdagverblijf richting de woonwijken in de Bloemendalerpolder gaat.

De gehele oost-west richting van de Muiderslotlaan en het verlengde daarvan is als lijnbron in AERIUS ingevoerd voor de verkeersgeneratie.

blz. 3

Figuur 3 Gemodelleerde ontsluitingsroutes gebruiksfase (bron: AERIUS) De berekening in AERIUS laat voor de beoogde situatie een rekenresultaat zien van 0,00 mol/ha/j. Derhalve leidt ook de gebruiksfase niet tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. 4. Conclusie Zowel voor de gebruiksfase als voor de aanlegfase wordt geen stikstofdepositiebijdrage binnen Natura 2000gebieden berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot significante negatieve effecten. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist. Wel dient de AERIUS berekening vier jaar bewaard ter worden om aan te tonen dat het aspect stikstofdepositie is onderzocht.

blz. 4

20200622

Bijlage 2 AERIUS‐berekening gebruiksfase

bestemmingsplan Kinderdagverblijf Weespersluis Status: vastgesteld /

Rho Adviseurs B.V.

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. S28bVFK5yABQ (19 april 2021) pagina 1/5

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

M.Backx

Fort Diemerdamstraat, 1384AH Weesp

Omschrijving

AERIUS kenmerk

KDV Weespersluis

S28bVFK5yABQ

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

19 april 2021, 14:07

2022

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

42,64 kg/j

NH3

2,91 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

gebruiksfase

Situatie 1

S28bVFK5yABQ (19 april 2021) pagina 2/5

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Bron Sector

Bron 1 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

Resultaten

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

2,91 kg/j

42,64 kg/j

S28bVFK5yABQ (19 april 2021) pagina 3/5

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx NH3

Resultaten

Bron 1 131338, 481244 42,64 kg/j 2,91 kg/j

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Standaard

Licht verkeer

576,0 / etmaal NOx NH3

42,64 kg/j 2,91 kg/j

Situatie 1

S28bVFK5yABQ (19 april 2021) pagina 4/5

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Database versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020

Resultaten

Situatie 1

S28bVFK5yABQ (19 april 2021) pagina 5/5

20200622

Bijlage 3 AERIUS‐berekening aanlegfase

bestemmingsplan Kinderdagverblijf Weespersluis Status: vastgesteld /

Rho Adviseurs B.V.

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RzVQGB1ewjAn (19 april 2021) pagina 1/6

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

M.Backx

Fort Diemerdamstraat, 1384AH Weesp

Omschrijving

AERIUS kenmerk

KDV Weespersluis

RzVQGB1ewjAn

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

19 april 2021, 14:05

2021

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Situatie 1

NOx

40,02 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Toelichting

Aanlegfase

Resultaten

Situatie 1

RzVQGB1ewjAn (19 april 2021) pagina 2/6

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Resultaten

Bron Sector

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

Materieelinzet bouwperiode Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie

< 1 kg/j

36,65 kg/j

Verkeersgeneratie aanlegfase Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

3,37 kg/j

RzVQGB1ewjAn (19 april 2021) pagina 3/6

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx NH3

Voertuig

Resultaten

Materieelinzet bouwperiode 131547, 481138 36,65 kg/j < 1 kg/j

Omschrijving

Brandstof verbruik (l/j)

Stationair bedrijf (uren/j)

Cilinder Stof inhoud (l)

Emissie

STAGE IV, 130 <= Betonmixer kW < 300, bouwjaar 2014 (Diesel)

1.200

0

0,0 NOx NH3

3,85 kg/j < 1 kg/j

STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)

Betonstorter/pomp

1.200

0

0,0 NOx NH3

3,70 kg/j < 1 kg/j

STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)

Graafmachine

2.100

0

0,0 NOx NH3

6,48 kg/j < 1 kg/j

STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)

Heistelling

1.200

0

0,0 NOx NH3

3,70 kg/j < 1 kg/j

STAGE IV, 130 <= Keipbak kW < 300, bouwjaar 2014 (Diesel)

2.100

0

0,0 NOx NH3

6,73 kg/j < 1 kg/j

STAGE IV, 130 <= Hijskraan kW < 300, bouwjaar 2014 (Diesel)

2.400

0

0,0 NOx NH3

7,69 kg/j < 1 kg/j

STAGE IV, 130 <= Ruw terrein kW < 300, bouwjaar heftruck 2014 (Diesel)

800

0

0,0 NOx NH3

2,56 kg/j < 1 kg/j

STAGE IV, 130 <= Minigraver kW < 300, bouwjaar 2014 (Diesel)

600

0

0,0 NOx NH3

1,92 kg/j < 1 kg/j

Situatie 1

RzVQGB1ewjAn (19 april 2021) pagina 4/6

Resultaten

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Soort

Voertuig

Standaard

Standaard

Situatie 1

Verkeersgeneratie aanlegfase 132007, 480991 3,37 kg/j < 1 kg/j

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Zwaar vrachtverkeer

240,0 / jaar NOx NH3

2,50 kg/j < 1 kg/j

Licht verkeer

1.200,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

RzVQGB1ewjAn (19 april 2021) pagina 5/6

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Database versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020

Resultaten

Situatie 1

RzVQGB1ewjAn (19 april 2021) pagina 6/6

20200622

Bijlage 4 Compensatieplan Bloemendalerpolder

bestemmingsplan Kinderdagverblijf Weespersluis Status: vastgesteld /

Rho Adviseurs B.V.

Compensatieplan Bloemendalerpolder te Weesp & Muiden

Versie 27 maart 2017

Samenvatting Binnen de Bloemendalerpolder wordt

Inhoud

H 01

2 — Aanleiding

Op 30 juni heeft de raad van Weesp het bestemmingsplan over de Bloemendalerpolder aangenomen, welke de bouw 2750 woningen mogelijk maakt

een woonwijk ontwikkeld. Uit onderzoek is gebleken dat er effecten zijn op beschermde soorten die in de polder voorkomen. Voor het compenseren van de effecten is een compensatieplan opgesteld. Voor de compensatie van de effecten is de heikikker de soort gebleken die bepalend is voor de inrichting en oppervlakte. Er zijn drie alternatieven af-

3 — Beschrijving bouwproject

een effect niet is te vermijden. Mitigatie geeft onvoldoende mogelijkheid om effecten te vermijden. Daarom is een compensatieplicht op de woningbouw gelegd conform de Wet natuurbescherming.

20 — Compensatie

In het voorliggende rapport wordt de compensatie van het verloren habitat van de verschillende soorten toegelicht en beschreven. Het rapport start met

26 — Planning

een beschrijving van de bouwplannen en een actuele beschrijving van de

1. inrichten van een metapopulatie;

30 — Conclusie

3. realocatie.

naar de aanwezigheid van beschermde planten en dieren is gebleken dat

16 — Actuele verspreiding

27 — Monitoring

maar geïsoleerde - populatie;

in een groene setting van 1/3 rood en 2/3 groen-blauw. Uit de onderzoeken

6 — Beschrijving huidige polder

gewogen:

2. handhaven van een levensvatbare -

Aanleiding

huidige Bloemendalerpolder en de daarin aangetroffen beschermde soorten. Op basis van deze gegevens is een compensatieplan opgesteld. Deze bestaat uit het stimuleren van de ontwikkeling van een metapopulatie in de Bloemendalerpolder en aangrenzende gebieden. In gegaan wordt tevens op de

30 — Bronnen

werkwijze van de ontwikkeling van het compensatiegebied. Tot slot wordt een voorstel voor monitoring gegeven, deze is noodzakelijk vanwege de om-

32 — Bijlagen

vang en de aard van de compensatie.

Het inrichten van een metapopulatie Het compensatieplan is opgesteld door een ecoloog van Els & Linde en een

voor het handhaven van een duur-

ecoloog van RAVON. De voorstellen zijn overlegd met belanghebbenden en

zaam levensvatbare populatie van de

hun adviseurs.

heikikker (en de andere soorten). Er wordt een kengebied - ter hoogte van de eendekooi - ingericht met voor de heikikker geoptimaliseerd habitat van 40 ha. Tussen deze locatie en de faunapassage over de A1 nabij de Vecht komt een “verbindingszone” van gemiddeld 100 meter breedte. Deze verbindingszone wordt ingericht als habitat voor de te compenseren soor-

Colofon Opdrachtgever

GEM

Projectnummer Datum Auteur Gecontroleerd Status

15.036 27 maart 2017 I. Janssen & P.J.H. van der Linden definitief

ten. Ten noorden van de A1 liggende - potentieel aanwezige habitats - worden door middel van gerichte maatregelen

(faunapassages)

ontsloten.

Hierdoor wordt een meta-populatie ontwikkeld.

De Bloemendaler- en Gemeenschapspolder tussen Weesp en de A1.

geeft de grootst mogelijke zekerheid

Het proces wordt gemonitoord en begeleid door een ecoloog. Het beheer is gericht op verschraling en het geschikt houden van het habitat. Economische functie zijn niet uit te sluiten onder voorgaande voorwaarden.

Els & Linde B.V. Spechtstraat 59 1223 NX Hilversum mob 06 - 27564247 e-mail vanderlinden@elsenlinde.nl

Stichting RAVON Postbus 1413 6501 BK Nijmegen 06 - 16355484 i.janssen@ravon.nl Pagina 2

H 02

Beschrijving bouwproject Binnen de Bloemendalerpolder dienen 2750 woningen en bijbehorende ondersteunende voorzieningen gerealiseerd te worden. Daarnaast is er ruimte gereserveerd voor natuur, water en recreatie. Grofweg zal binnen het plangebied 1/3 bebouwd worden terwijl de overige 2/3 bestemd is voor natuur, water en recreatie. Naast de realisatie van deze 2750 woningen komt er ook een ontsluitingsweg vanaf de verlegde A1 naar deze nieuwe wijk. Deze verlegging van de A1 hangt samen met de aanleg van een natte passage van de A1 onder de Vecht. Dit hoofdstuk geeft de doelen van het bouwproject weer zoals omschreven in de belangrijkste rapportages betreffende de Bloemendalerpolder.

De Samenwerkings- en uitvoeringsovereenkomst De gemeenteraden van Muiden en Weesp hebben in september 2012 het ruimtelijk kader voor de ontwikkeling van de Bloemendalerpolder vastgelegd. Daarnaast is er een samenwerkings- en uitvoeringsovereenkomst (SUOK) getekend. De ruimtelijke uitgangspunten zoals beschreven in de SUOK betreffen: 1. Als ruimtelijke uitgangspunten voor de Gebiedsontwikkeling gelden de uitgangspunten zoals weergegeven in het Ruimtelijk kader 2. Partijen hebben in het Ruimtelijk kader de volgende randvoorwaarden voor de Gebiedsontwikkeling vastgesteld: a. 2/3 deel van de oppervlakte van het Plangebied exclusief de nieuw te realiseren Rijksweg A1 geldt als Strategisch groen-blauw, waaronder de Brediuslocatie b. indien de Brediuslocatie in de toekomst van bestemming wijzigt waardoor deze (gedeeltelijk) niet meer kan worden aangemerkt als Strategisch groen-blauw heeft dit geen gevolgen voor de verhouding 2/3 en 1/3 als bedoeld onder sub a en sub d c. circa 174,8 hectare van het exploitatiegebied wordt ingericht als Strategisch groen Globale inrichting van de Bloemendalerpolder na realisatie van de woonwijk, de bosstructuur zal - in verband met compensatie-eisen - veranderen en kleiner worden.

–blauw d. 1/3 deel van de oppervlakte van het Plangebied exclusief de nieuw te realiseren Rijksweg A1 wordt bestemd voor Woongebied (waaronder de te handhaven percelen), Hoofdinfrastructuur en Ontsluitingsweg e. er vindt geen Opstalontwikkeling plaats in de Vechtzone, met uitzondering van de bebouwing van 3 kavels, zoals vermeld in het Tracébesluit van maart 2011 en conform hetgeen in sub f is vermeld f. in de Vechtzone kan, op eigen grond door het Consortium, voor eigen rekening en risico, een sluis – voor sloepen en fluisterboten – een horecagelegenheid en een haven voor pleziervaart worden gerealiseerd g. het Consortium zal voor haar rekening zorgdragen voor de (gefaseerde) aanleg van de Ontsluitingsweg conform het bepaalde in deze overeenkomst h. AGV is binnen het plangebied verantwoordelijk voor de uitvoering van haar wettelijke taken, waaronder die op het gebied van waterveiligheid, en zal daartoe de noodzakelijke maatregelen nemen i. bij de ontwikkeling van het Woongebied neemt, in toenemende afstand van het pagina 3

station Weesp en het toekomstige voorzieningencentrum van de Bloemendalerpolder, de woningdichtheid af 3. De Bloemendalerpolder is een aantrekkelijke locatie voor toekomstige bewoners mede door haar bereikbare ligging voor spoor, weg en luchthaven. Aan deze ligging ten opzichte van verkeersstromen zijn ook nadelen gekoppeld, waaronder geluidshinder. Ter beperking van overdracht van geluid van de Rijksweg A1 en het spoor zijn in deze overeenkomst maatregelen opgenomen De Ruimtelijke opgave zoals beschreven in de SUOK omvat op hoofdlijnen de volgende onderdelen: l De ontwikkeling van het Exploitatiegebied bestaat uit: o ontwikkeling en realisatie van het Strategisch groen-blauw bestaande uit: het Robuust groen-blauw en het Gemeentelijk groen-blauw o ontwikkeling en realisatie van de Woonvelden inclusief Bouwprogramma o ontwikkeling en realisatie van de Ontsluitingsweg o ontwikkeling en realisatie van de Hoofdinfrastructuur (inclusief herprofilering van Korte Muiderweg) o eventuele ontwikkeling en realisatie van de sluis, horecagelegenheid en/of haven voor pleziervaart in de Vechtzone conform het bepaalde in artikel 24 lid 6 l de mogelijke ontwikkeling van een verbinding tussen bestaand Weesp en de Bloemendalerpolder in het zoekgebied door Gemeente Weesp zoals aangegeven op de kaart in bijlage X overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 lid 2 l het treffen van noodzakelijke

maatregelen aan waterkeringen ten behoeve van de waterveiligheid in het Plangebied door AGV waaronder een dijkverzwaring overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 lid 3 l de ruimtelijke inpassing van de nieuwe Rijksweg A1 met alle bijbehorende aanpassingen aan kabels en leidingen en natuur- en watercompensatie door Rijkswaterstaat inclusief de ontwikkeling en realisatie van het Strategisch groen-blauw aan de noordzijde van de nieuwe rijksweg A1 (ligt buiten exploitatiegebied)

Waterhuishouding in de Bloemendalerpolder Het huidige waterpeil in de Bloemendalerpolder is gebaseerd op een agrarisch peilbeheer. Bij een bebouwing zal dit beheer worden omgezet naar een ‘natuurlijk’ peilbeheer met in de winter een hoge waterstand (200 cm -NAP) en ‘s zomers een lagere waterstand (230 cm -NAP)

Het Landschapsontwikkelingsplan Op basis van de SUOK is een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld (Strootman, 2015). Op hoofdlijnen gaat dit LOP om het volgende: l samenhang aanbrengen tussen de woonvelden op het niveau van het hele gebied l woonkwaliteit ontlenen aan het landschap, optimale verweving van wonen en landschap l de gebruikswaarde van het landschap is extensief recreatief zoals slootje springen, struinen, kanoën. Het gebied heeft naast een functie voor de bewoners van de BloePagina 4

mendalerpolder een belangrijke functie als recreatiegebied voor de bewoners van Muiden Weesp l vastleggen van het landschappelijk raamwerk: de waterstructuur, lanen, dijken en paden l ruimte voor toekomstige invulling van vooral de open landschapsdelen samen met betrokken partijen l beheer wordt daarbij ingezet als inrichtingsinstrument doordat tijdens de beheerfase het beeld en gebruik van het landschap binnen het LOP vastgelegde kaders nog kan veranderen Er worden in het LOP vier plandelen onderscheiden: l bos, half open landschap en landschapvingers aan de noordkant l parken, lanen en gracht aan de oostkant l lanen en singels aan de zuidkant l de Gouw als centrale waterpartij Conclusie Uit de genoemde rapporten zijn de volgende doelen te destilleren aangaande het bouwproject. 1. in de Bloemendalerpolder dienen maximaal 2750 woningen gerealiseerd te worden; 2. 2/3 van de Bloemendalerpolder bestemd voor groen, water en recreatie Deze twee hoofddoelstellingen zijn uiteraard gebonden aan een heel scala van (wettelijke) randvoorwaarden zoals beschreven in genoemde rapportages. Zodoende ontstaat het raamwerk waarbinnen het onderhavige project zich dient af te spelen.

Pagina 5

H 03

Beschrijving huidige polder, groene geschiedenis

Legenda

De Bloemendaler- en Gemeenschapspolder is een veenweide die ten noorden van Weesp en ten zuiden van de A1 ligt. In het westen loopt door de polder het Amsterdam Rijnka-

l

naal. Het deel van de polder ten westen van het kanaal valt buiten het project en wordt

dekzand

daarom niet nader beschouwd. In het oosten wordt de polder begrensd door de Vecht, en beekdal

het plangebied door de weg tussen Weesp en Muiden, binnen de beide gemeente resp. de Korte Muiderweg en de Weesperweg genoemd. In het zuiden van de polder is al eerder

l

veen

l

wad

l

water

l

riviervlakte

l

ingedijkt

l

polder

een woonwijk ontwikkeld en tijdens het onderzoek wordt het Leeuwenveld ontwikkeld. 8000 VC

5500 VC

Deze gebieden vallen eveneens buiten het plangebied en worden in het verdere rapport buiten beschouwing gelaten. In het oosten van de polder staan enkele boerderijen en woonhuizen. Aan de noordzijde zijn de boerderijen ten behoeve van de A1 gesloopt.

Groene geschiedenis Strikt genomen is de Bloemendaler- en Gemeenschapspolder geen polder. Het weidegebied is niet ontstaan door drooglegging en de polder is niet omringd met een ringvaart en dijkstelsel. De Bloemendaler- en Gemeenschapspolder is ontstaan door ontwatering 3850 VC

2750 VC

van een veengebied. Het oorspronkelijke verkavelingspatroon is nog goed zichtbaar in de huidige polder. De Bloemendaler- en Gemeenschapspolder heeft een onregelmatige blokverkaveling. In de polder loopt de landbouwontsluitingsweg; de Papelaan. Op de Paleografische kaart van 8000 v. Chr. is een dekzandgebied met in het westen een krekenstelsel zichtbaar. Dit zandgebied is tijdens de voorlaatste ijstijd opgeschoven door het landijs tot de Goois-Utrechtse Heuvelrug. Na de ijstijd is de zeespiegel geleidelijk weer gestegen (zichtbaar door het ontstaan van wadden). Toen is er veel zand afgezet op de kust, waardoor er strandwallen ontstonden en het achterland werd afgesloten van

500 VC

100 NC

de zee. Achter deze strandwallen ontstonden, door regenwater, grondwater en rivieren ondiepe zoete wateren en natte gebieden. In het laagland ontwikkelde zich uitgestrekte moerasbossen en rietmoerassen. Het zogenaamde Hollandveen werd gevormd. Dit veen bestaat uit de resten van verschillende soorten planten. In de Bloemendalerpolder is zo een dik pakket veen ontstaan uit zegge en uit moerasbos. Op de paleografische kaart van 5500 v. Chr. is de aanzet tot dit veenmoeras zichtbaar. Ook zichtbaar op die kaart is een wad in het noorden van het gebied – de aanwezigheid van een wad maakt duidelijk dat de waterstanden toentertijd beduidend hoger waren dan in voorgaande era. Vanaf dat moment is constant een veenmoeras aanwezig. Pas na de invoering van de verbeter-

800 NC

1500 NC

de ontwatering rond 1200 was in deze gebieden landbouw mogelijk. In eerste instantie is de occupatie vanaf de oeverwal langs de Vecht zichtbaar (zie 1500 n. Chr.), pas daarna is de occupatie verder landinwaarts gegaan. De ontwikkelingen vanaf de Vecht zijn rond 1000 n. Chr. gestart (Anonymus 2010, Weijs 2015).

Paleografische kaarten.

l

Normaal gesproken wordt dood plantenmateriaal in aanwezigheid van zuurstof snel afgebroken door bacteriën. Op vochtige tot natte bodems gaat de afbraak langzamer dan de groei van nieuwe planten; er volgt ophoping en veenvorming. De vorming van 1850 NC

2000 NC

laagveen of hoogveen is afhankelijk van de ecohydrologische situatie. Laagveen wordt gevormd onder invloed van grondwater, hoogveen wordt ook regenwaterveen genoemd pagina 6

Bodemkaart kVb Bosveen, hVc zeggeveen.

naar de belangrijkste watercomponent die hier bepalend is voor de ecohydrologie. In de Vechtstreek heeft tijdens het Atlanticum in eerste instantie limnisch en telmatisch veenvorming plaats gevonden. Limnisch veen groeit onder de waterspiegel en telmatisch veen groeit op de waterspiegel. Op den duur beginnen afgestorven plantenresten in de begroeiing zich te isoleren van het grondwater, zodat de voedingsstoffen opraken en verzuring optreedt. Bovenop het laagveen kan zodoende een veenheide of hoogveen ontstaan. Nadat deze - veenbulten, die bestaan uit veenmossen die als een spons het water vasthouden, zijn ontstaan - wordt er terrestisch veen gevormd, dat boven de waterspiegel groeit. Terrestisch veen blijft alleen behouden als er veenbulten en dus hoogveen wordt gevormd. Hoogveen wordt ook ombrogeen veen genoemd en is vrijwel altijd oligotroof. Ombrogeen veen bestaat voornamelijk uit veenmossen. In de Bloemendalerpolder is een combinatie van laagveen (bosveen) en hoogveen (zeggeveen) aanwezig. Dit is een normale situatie in West-Nederland, waar de verschillende

Hoogtekaart

ontstaansvormen van veen naast – en vaak boven – elkaar voorkomen. In de Bloemendalerpolder is sprake van verdronken hoogveen op die plekken waar laagveen bovenop de hoogveen is ontstaan. Deze lagen ontstaan door bijvoorbeeld de stijging van de waterspiegel als gevolg van smeltend ijs. Door de ontwatering en de bodembewerking wordt het veen blootgesteld aan zuurstof. Onder invloed van bacteriën oxideert het veen en klinkt de bodem in. De bouwvoor – dat is het deel van de bodem die voor landbouwtoepassingen wordt bewerkt – veraard. Bij deze processen komt kooldioxide vrij en breken fosfaatcomplexen af, waardoor fosfaat vrij opneembaar wordt. De afbraak van veen leidt eveneens tot de toename van sulfaat is het milieu. De sulfaat versterkt de vermestende werking van fosfaat. Het eertijds oligotrofe milieu wordt mesotroof. Met de bemesting door de agrariërs neemt de voedselrijkdom verder toe – vaak tot eutroof en soms hypertroof. Sommige veenweide hebben hierdoor een fosfaatverzadiging. Voor zover af te leiden uit de literatuur (Schoumans 2004, CBS 2008) is er in de Bloemendalerpolder sprake van fosfaatverzadiging.

Isohypsen van het eerste watervoerende pakket.

Opbouw polder De Bloemendaler- en Gemeenschapspolder bestaat vrijwel uitsluitend uit veenweide. De bodem van de polder bestaat uit bosveen en zeggeveen. Het eutrofe bosveen ligt aan de oostzijde en de noordzijde van de polder. Het mesotrofe zeggeveen ligt centraal en westelijk in de polder. De drooglegging in de polder is overal tussen de 20 en 30 cm onder het maaiveld, wat een gebruikelijke ontwatering is voor veenweiden. De watergangen zijn over het algemeen smal en hebben een relatief rijke vegetatie. In de Leidraad landschap en cultuurhistorie wordt de Bloemendaler- en Gemeenschapspolder ingedeeld bij het veenrivierenlandschap, wat vooral afwijkt van de veenpolders door de kavelstructuur en het aandeel oppervlaktewater in de polders (Anonymus 2010). De polder is zeer weinig geaccidenteerd, slechts de lage terpen langs de Vecht zijn iets hoger dan de polder, en een strook langs het Amsterdam Rijnkanaal – inclusief de voormalige eendenkooi – ligt iets lager. Op de doorsneden is de voormalige kooiplas als een lager liggend deel herkenbaar. Uit de isohypsen van het eerste watervoerend pakket is op te maken dat de polder op een waterscheiding ligt - het grondwater stroomt daardoor - in een natuurlijke situatie - zowel in oostelijke als in westelijke richting. Deze waterPagina 7

Aardkundewaardekaart

scheiding is in de sloten niet herkenbaar, dat wordt veroorzaakt door het gemaal langs het Amsterdam Rijnkanaal dat de stroming van het oppervlaktewater sterk beïnvloed. Naar het gemaal loopt een historische watergang, de Molenwatering (van Zanten 2012). De strook grond langs de Vecht (begrensd door de Korte Muiderweg) heeft aardkundige waarden. De polder zelf heeft een matige cultuurhistorische waarde. De polder ligt aan de binnenzijde van de Stelling van Amsterdam. De grens van de inundatievlakte loopt over de weg Weesp-Muiden. De polder wordt als het ware door de stelling van Amsterdam beschermd (Anonymus 2008). Van Rooyen e.a. (2013) suggereren dat de eendenkooi vanaf de achttiende eeuw aanwezig is; na een opsomming van voor het onderzoek gebruikte oude kaarten (uit 1740, 1754, 1824, 1647 en 1771) volgt de passage: “Het onderzoekgebied is in de historische periode grotendeels in gebruik geweest als weidegrond met her en der bebouwing. Langs de Zuiderzee, het huidige IJmeer, loopt de Zuiderdijk. In de Gemeenschapspolder was een eendenkooi aanwezig.” Soonius & de Boer (2010) melden een eendenkooi voor de

Cultuurhistorische waardekaart

achttiende eeuw. De kooi is al decennia niet meer in gebruik, heeft geen kooirecht meer en de vangpijpen en vangplas zijn verland. Vegetatiekundig is de kooi te classificeren als een zwak ontwikkelde vorm van het moerasvaren-elzenbroek (Thelypterido-Alnetum). Het is een typerende vegetatie op laagveengronden. In het Naardermeer komen goed ontwikkelde voorbeelden van deze bossen voor.

Natura 2000 De oorspronkelijke Europese beschermingsconstructie via de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn is gecombineerd tot de Natura 2000. Ten noorden van de Bloemendaler- en Gemeenschapspolder ligt het Natura 2000 gebied Markermeer en IJmeer. Dit strikt beschermde gebied ligt ten noorden van de A1. Meer naar het oosten ligt het Natura 2000 gebied Naardermeer, wat aansluit op de Oostelijke Vechtplassen. De kustzone bij Muiden was aangewezen als Beschermd Natuurmonument, maar bij de definitieve aanwijzing van het Natura 2000 gebied is deze extra bescherming vervallen. Ook de bescherming als wetland volgens de conventie van Ramsar is geïntegreerd in de Natura 2000.

Cultuurhistorie: verkaveling en rivier.

Het Naardermeer is een natuurlijk meer op de overgang van een glaciale stuwwal naar het laaggelegen zeekleilandschap. Door verlanding van het meer is een gevarieerd mozaïek ontstaan van natte bossen, rietlanden, veenmosrietlanden en open water met waterplanten. Het gebied is van groot belang voor moerasvogels als grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus) en purperreiger (Ardea purpurea). Een groot deel van de omliggende polders is in de afgelopen jaren omgevormd tot natte, open moerasgebieden, die grote aantallen watervogels en steltlopers herbergen. De bodem van het Naardermeer is zandig, met uitzondering van het westelijke deel waar een steeds dikker wordende kleilaag op het zand aanwezig is. In de polders rond de kern van het Naardermeer ligt een wisselend kleipakket op veengronden. Wat veroorzaakt is door overstroming van de Vecht toen het Naardermeer onderdeel was van dit riviersysteem. Na het verdwijnen van de natuurlijke dynamiek in dit systeem door de aanleg van dijken verlandden de randen van het meer vrij snel. Uit 1559 stammen de eerste plannen om het Naardermeer droog te leggen om zo landbouwgrond te creëren, maar het zou tot Pagina 8

H3150

Vechtplassen

Kranswierwateren

Naardermeer

H3140

Marker- en Ijmeer

Vechtplassen

Naardermeer

Marker- en Ijmeer

Habitattypen

droog gelegen, omdat snel daarna de Waterlinie in werking werd gesteld, waarbij het Naardermeer werd gevuld om oprukkende Spaanse legers tegen te houden. In de negentiende eeuw is het meer nog drie keer vrijwel drooggelegd, maar dit werden fiasco´s. De drooglegging pakte erg duur uit en in de gewonnen landerijen trad sterke zoutkwel op, waardoor deze zo goed als onbruikbaar waren. In het begin van de twintigste eeuw

Niet-broedvogels x

1629 duren tot het zover kwam. Het meer heeft toen slechts kort (minder dan een jaar)

wilde de gemeente Amsterdam het meer gebruiken voor afvalberging. Dit leidde tot de

x

x

A005

Fuut

x

Meren met krabbenscheer

x

x

A017

Aalscholver

x

H4010B

Vochtige heiden

x

x

A034

Lepelaar

x

H6410

Blauwgraslanden

x

x

A041

Kolgans

H6430A

Ruigten en zomen (moerasspirea)

x

A043

Grauwe Gans

x

H6430B

Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

x

A045

Brandgans

x

H7140A

Trilvenen

x

A050

Smient

x

x

Een karakteristieke soort is klein glanswier (Nitella hyalina), die in het Naardermeer even-

H7140B

Veenmosrietlanden

x

A051

Krakeend

x

x

wel vrij schaars is. Lokaal is de Associatie van ruw kransblad (Charetum asperae) aanwe-

H7210

Galigaanmoerassen

x

A056

Slobeend

x

x

zig. In het Naardermeer zijn twaalf soorten kranswieren waargenomen. Ze worden op

H91D0

Hoogveenbossen

x

A058

Krooneend

x

A059

Tafeleend

x

A061

Kuifeend

x

Associatie van glanzig fonteinkruid (Potametum lucentis). Op meer beschutte plekken zijn

x

x

Habitatsoorten

oprichting van de Vereniging Natuurmonumenten en zo, in 1905, tot de aankoop van x

haar eerste reservaat. Het gebied heeft daarmee als een belangrijke katalysator gefungeerd voor de Nederlandse natuurbescherming.

x

x

x

x

Het heldere water van het Naardermeer herbergt op grote schaal kranswierbegroeiingen behorend tot de Associatie van Sterkranswier (Nitellopsidetum obtusae), met veel sterkranswier, breekbaar kransblad (Chara globularis) en brokkelig kransblad (Chara contraria).

veel plaatsen vergezeld door groot nimfkruid (Najas marina). x

De watervegetatie wordt verder gekenmerkt door velden fonteinkruiden, veelal van de

H1042

Gevlekte witsnuitlibel

x

x

A062

Toppereend

x

over vrij grote oppervlakten met Krabbenscheer (Stratiotes aloides) aanwezig. De Krab-

H1082

Gestreepte waterroofkever

x

x

A067

Brilduiker

x

benscheervegetatie heeft in het Naardermeer een vrij losse structuur. In deze water-

H1134

Bittervoorn

x

x

A068

Nonnetje

x

H1149

Kleine modderkruiper

x

x

A070

Grote Zaagbek

x

zeer talrijke broedvogel. Eind tachtiger jaren van de vorige eeuw was de soort volledig

H1163

Rivierdonderpad

x

x

A125

Meerkoet

x

verdwenen uit het gebied. Door het uitleggen van nestvlotjes kon ze verleid worden tot

H1318

Meervleermuis

x

x

A177

Dwergmeeuw

x

hervestiging, en nu broeden er jaarlijks 20-30 paren op de vlotjes. De aan Krabbenscheer

H1340

Noordse woelmuis

x

A197

Zwarte Stern

x

gebonden libel groene glazenmaker (Aeshna viridis) is uiterst schaars in het gebied. Alge-

H1903

Groenknolorchis

x

x

mener zijn de vroege glazenmaker (Aeshna isosceles), glassnijder (Brachytron pratense) en

H4056

Platte schijfhoren

x

x

de donkere waterjuffer (Coenagrion armatum). Recent is de platte schijfhoren (Anisus vor-

x

x

vegetatie hoort van nature de Zwarte stern (Chlidonias niger) thuis. Dit was vroeger een

ticulus) op diverse plekken in het gebied aangetroffen. Rond de wateren is op veel plekken een vrij brede rietkraag aanwezig, die deels ook in het water staat. Dit is het biotoop

Broedvogels

x

van de grote karekiet, waarvan jaarlijks enkele paartjes in het Naardermeer broeden.

x

A017

Aalscholver

A021

Roerdomp

x

A022

Woudaapje

x

A029

Purperreiger

A119

Porseleinhoen

A193

Visdief

A197

Zwarte Stern

A229

IJsvogel

A292

Snor

A295

Rietzanger

A298

Grote karekiet

x

Daarnaast is het een belangrijk broedgebied voor de moerasvogels rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus), kleine karekiet (Acrocephalus scirpaceus) en snor (Locustella luscinioides).

x

De oudste successiestadia in de verlandingsreeks worden gevormd door de bossen van

x

het Naardermeer. Het gaat inmiddels om ruim 250 hectare, veelal bestaand uit laagveen-elzenbroek (Thelypterido-Alnetum) en Zompzegge-Berkenbroek (Carici curtae-Betul-

x x

x x

x

x

x

etum pubescentis). De bossen in het Naardermeer kenmerken zich door een nagenoeg ongestoorde ontwikkeling. De moerasbossen die onder invloed staan van oppervlaktewater of kwelwater, behoren tot de genoemde elzenbroekbossen. Deze zijn weliswaar flink van omvang, maar niet erg soortenrijk. In sommige delen is moerasvaren (Thelypteris

x

palustris) dominant, maar ook zijn redelijke oppervlakten van de kruidlaag bedekt door

x

moeraszegge (Carex acutiformis) of oeverzegge (Carex riparia). Op een kleine oppervlakte in het zuidelijke deel van het Naardermeer is Beekdal-Elzenbroek (Carici elongatae-Alnetum) aanwezig, gekarakteriseerd door de aanwezigheid van haar naamgever elzenzegge Pagina 9

Natura 2000.

(Carex elongata) en de kensoort zwarte bes (Ribes nigrum). Op veel plekken domineren veenmossen, waaronder stijf veenmos (Sphagnum capillifolium), gewoon veenmos (Sphagnum palustre), fraai veenmos (Sphagnum fallax) en het karak-

natura 2000

teristieke violet veenmos (Sphagnum russowii). Van belang is de voorzichtige ontwikkeling van het Dophei-Berkenbroek (Erico-Betuletum pubescentis) uit het Zompzegge-Elzenbroek. Dit is af te leiden uit de aanwezigheid van hoogveenveenmos (Sphagnum magellanicum), wrattig veenmos (Sphagnum papillosum) en rood veenmos (Sphagnum rubellum). De verbossing en het ouder worden van het bos heeft een grote invloed gehad op de vogelfauna. Kleine bonte specht (Dendrocopos minor), appelvink (Coccothraustes coccothraustes), glanskop (Parus palustris) en havik (Accipiter gentilis), zijn sterk aan bos gebonden broedvogels die veelvuldig voorkomen. Watervogels, vooral ganzen en duikeenden, zijn in de wintermaanden in flinke aantallen te zien en ook de visarend (Pandion haliaetus) is geregeld en vaak langdurig aanwezig. In een hoogspanningsmast in het gebied is een kunstnest geplaatst in de hoop dat zich een paartje zal vestigen. De meeste hooi- en rietlanden in het Naardermeer zijn redelijk bloemrijk en vormen rijk gestructureerde overgangen naar het bos en water. Op twee kleine perceeltjes aan de oostkant van het gebied is een vegetatie aanwezig die kan worden toegerekend tot de Associatie van schorpioenmos en ronde zegge (Scorpidio-Caricetum diandrae). Bijzonder

Natura 2000 (rood) en de beschermde natuurmonumenten (blauw) in de regio.

is de grote en stabiele populatie groenknolorchis (Liparis loeselii). Op een beperkt aantal plekken is de successie van de gemaaide rietlanden in de richting van Moerasheide (Sphagno palustris-Ericetum) ingezet. In de afgelopen jaren is hard gewerkt aan een ambitieus herstelplan voor het Naardermeer, op tal van punten met succes. Zo is de waterkwaliteit sterk verbeterd, zijn grote bufferzones aangekocht en ingericht als open moerasgebied en hebben tal van soorten zich hersteld. Verder is een brede ecologische verbinding aangelegd met de Oostelijke Vechtplassen. Onderzoek heeft een beter inzicht verschaft in het hydrologisch functioneren van het Naardermeer. Het Markermeer en IJmeer is een groot, ondiep zoetwatermeer dat wordt begrensd door dijken en dammen. Een belangrijk verschil met het IJsselmeer is de slibrijke bodem en de geringere diepte, die er voor zorgt dat dit slib gemakkelijk door de wind wordt opgewerveld, zodat het meer gemiddeld troebeler is. Toch foerageren ook hier grote aantallen watervogels, in het bijzonder viseters en eters van bodemfauna. In heldere delen, zoals de Gouwzee en de kust van Muiden, komen goed ontwikkelde kranswierbegroeiingen voor, waarop krooneenden (Netta rufina) foerageren. Net als in het IJsselmeer vormen watervogels de meest in het oog springende natuurwaarde.

De aantallen kuifeenden (Aythya fuligula) in de winter volgden in hoge mate de veranderingen in het voorkomen van driehoeksmosselen (Dreissena polymorpha): in de jaren 1970 vond een verschuiving plaats van oost naar west, in de jaren 1990 volgde een drastische afname. In de zomer en in de ruitijd, wanneer ander voedsel wordt benut, zijn de aantallen juist toegenomen. Nog sterker is de afname bij de tafeleend (Aythya ferina), al heeft die enigszins geprofiteerd van de opkomst van de kranswieren in de Gouwzee. Ook de aantallen van viseters als nonnetje (Mergus albellus) en fuut (Podiceps cristatus) zijn sinds 1990 afgenomen. De laatste jaren geeft een voorzichtig positieve Pagina 10

Naardermeer

trend in het doorzicht hoop op enig herstel. Het lot van sommige vissoorten, met name de rivierdonderpad (Cottus gobio), is mogelijk gekoppeld aan dat van de driehoeksmossel. De vis komt hier, behalve op de stenen van het onderwatertalud van de dijken, ook voor op de mosselbanken. De Oostelijke Vechtplassen bestaan uit een reeks van laagveenmoerassen, veenweiden en plassen en op de grens van Noord-Holland en Utrecht, tussen de Vecht en de Utrechtse Heuvelrug. Het veen in het gebied is op veel plaatsen vergraven, waardoor een afwisseling van land en water is ontstaan met grote plassen, sloten, rietlanden en andere moerassen, graslanden en bossen. Van Europees belang zijn de begroeiingen van open water, restanten trilveen, de grote oppervlakte aan moerasbos, populaties van de Noordse woelmuis (Microtus oeconomus), grote aantallen foeragerende vleermuizen en diverse water- en moerasvogels. De vegetatie van het Natura 2000-gebied is gevarieerd dankzij de afwisseling van land en water (met allerlei verlandingsstadia), en de verschillen in veendikte, waterkwaliteit en beheer. De hoogste natuurwaarden zijn te vinden in gebieden met goede waterkwaliteit. Kranswieren zijn over een grotere oppervlakte aanwezig in de westelijke Ankeveense Plassen, daar samen met groot nimfkruid.

De watervegetatie van matig voedselrijke, ondiepe petgaten en plassen met ondergedoken en drijvende planten is algemeen in het Natura 2000 gebied. Het belang van de goede waterkwaliteit van Het Hol en de Westbroekse Zodden wordt onderstreept door de aanwezigheid van een populatie van de gestreepte waterroofkever (Graphoderus bilineatus). Deze weet hier al vele jaren stand

Oostelijke Vechtplassen

te houden. Typische laagveenlibellen als bruine korenbout (Libellula fulva), vroege glazenmaker, glassnijder en groene glazenmaker worden in het Vechtplassengebied veelvuldig gesignaleerd. De platte schijfhoren en de zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana) zijn van diverse plekken bekend. Binnen de verlandingsvegetatie worden trilvenen beschouwd als de parels van het laagveenmoeras, dit vanwege hun hoge soortenrijkdom aan vaatplanten en mossen. De areaals in Het Hol, het Weerslootgebied, de Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven en de Westbroekse Zodden behoren tot de meest waardevolle begroeiingen van het Natura 2000-gebied. Hier worden zeldzame soorten aangetroffen als groenknolorchis en veenmosorchis (Hammarbya paludosa). De trilvenen van de Vechtplassen hebben een hoge rijkdom aan sieralgen. Het belang van de aanwezigheid van de Natura 2000 gebieden nabij het plangebied is enorm. Deze gebieden – en dan vooral het Naardermeer en het verderop gelegen Oostelijke Vechtplassen – vormen een kerngebied van waaruit de nieuw te ontwikkelen natuur in de Bloemendaler- en Gemeenschapspolder kan worden “bevoorraad”. Zeker na het gereedkomen van de ecologische passage langs de A1 ontstaan goede mogelijkheden. Het zoeken van een effectieve aansluiting op het Naardermeer maakt de kans van slagen van de ontwikkelingen veel groter.

Een uitvoerige beschrijving van het Naardermeer is daarmee een wezenlijk onderdeel van het compensatieplan.

Natuurnetwerk Nederland In de zestiger jaren van de twintigste eeuw is door MacAthur en Wilson (1967) ontdekt dat op eilandjes die voor de kust van Florida lagen een significant verschil in biodiversiPagina 11

Natuurnetwerk Nederland

teit is vast te stellen. Daarbij zijn kleine eilandjes minder soortrijk dan grote eilanden, en zijn eilanden die verder van de kust liggen minder soortrijk dan even grote eilanden die dicht bij de kust liggen. Deze eilandtheorie blijkt ook toepasbaar op het vaste land, waar natuurgebieden in een afwijkende “zee” van landbouwgebieden en steden liggen. Op basis van dat idee is een oplossing ontstaan in de vorming van kerngebieden en verbindingen tussen die kerngebieden. Hierdoor ontstaat een netwerk van natuurgebieden die gezamenlijk een betere overleving en een hogere biodiversiteit hebben. De afwezigheid van verschillende soorten van moerasbos in de eendenkooi wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door de geïsoleerde ligging van de kooi, met het doortrekken van de ecologische verbinding tussen het Naardermeer en de IJmeerkust naar de eendenkooi is de isolatie voor een belangrijk deel opgeheven.

PEN-eiland Ten noorden van de Bloemendaler- en Gemeenschapspolder ligt de PEN-centrale. Een energiecentrale die tot eind jaren tachtig van de vorige eeuw eigendom van de provincie (wat leid tot de naamgeving Provinciale Energiecentrale Noord-Holland). Ten behoeve van die centrale is in 1967 een schiereiland ingedijkt en opgevuld met grond dat vrijkwam bij de bouw van de centrale, later aangevuld met zand dat vrijkwam bij de verbreding van het Amsterdam Rijnkanaal. Het schiereiland is alleen gebruikt als grondDe Bloemendalerpolder

depot. In de jaren negentig is het overgedragen aan Staatsbosbeheer en sindsdien is het als natuurgebied annex natuurpark in beheer. Met de ontwikkeling van IJburg maakt de herinrichting van het PEN-eiland voor de stadsbewoner onderdeel uit van de plannen. Het PEN-eiland is volgens Besteman e.a (1997) begroeit met de associatie van grauwe wilg (Salicerum cinereae) en op de nattere delen met moerasvaren-elzenbroek (Thelypterido-alnetum). Ten tijden van het onderzoek van Besteman e.a. wordt vooral het elzenbroek aangemerkt als een jonge ontwikkelingsstadium. De laatste twee decennia heeft het moerasbos zich verder ontwikkeld en heeft dezelfde basis als het Natura 2000 gebied Naardermeer. Het PEN-eiland is een stapsteen binnen de ecologische structuur van de IJmeerkust. Door de ontwikkeling gedurende decennia kan het als een brongebied worden beschouwd voor de komende natuurontwikkeling in de Bloemendalerpolder.

Huidige habitats in de polder Verreweg de belangrijkste en meest voorkomende habitat in de huidige Bloemendaler- en Gemeenschapspolder is veenweide met een omvangrijk slotenpatroon. Naast dit dominante habitat zijn er enkele habitattypen te onderscheiden met een geringere omvang – wat niet automatisch leidt tot een geringere waarde. Zonder uitputtend te willen zijn worden de volgende habitats onderscheiden:

Veenweide met sloten Het is een veenweide met een drooglegging van 20-30 cm. Door aanwezige verstoring (o.a. Rijksweg A1, woonwijk) rondom de polder zijn er weinig weidevogels. De veenweide wijkt in die zin dus af van de overige Hollands-Utrechtse veenweide die vooral voor weidevogels van groot belang zijn. Door het gebruik als weiland zijn er in de polder veel (soms goed ontwikkelde) kamgrasweide (Lolio-Cynosuretum) aanwezig. Een graslandtype dat in stand blijft door begrazing en slecht tegen hooilandbeheer kan. Op plaatsen waar Pagina 12

De weilanden nabij de eendenkooi, ruiger en natterdan elders in de polder

het weiden van dieren wordt gestaakt ontstaat – op den duur – het glanshaververbond (Arrhenatheretum elatioris) dat goed standhoud bij hooilandbeheer. In de sloten is – vaak goed ontwikkeld – de associatie van stijve waterranonkel (Ranunculetum circinati) vrijwel overal aanwezig. De vegetatie wordt aangetroffen in sloten met voedselrijk, hard water waarvan de bodem is bedekt met een laag sapropelium. Meestal is het forfaatgehalte in de sloot vrij laag (vaak doordat fosfaat wordt gebufferd door de calciumionen en -complexen in het oppervlaktewater en als slib neerslaat). Het weiland en de sloten vormt het habitat voor de ringslang (Natrix natrix), heikikker (Rana arvalis), veldmuis (Microtus arvalis), bruine kikker (Rana temporaria), bastaardkikker (Pelophylax klepton esculenta), kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) en rugstreeppad (Bufo calamita). In de sloten zijn naast de amfibieën kleine modderkruiper (Cobitis taenia taenia) en kroeskarper (Carassius carassius) aanwezig. Mogelijk dat de waterspitsmuis (Neomys fodiens) aanwezig is, maar deze soort is nog niet aangetoond in de polder.

De Bloemendaler- en Gemeenschapspolder is rijk aan libellen, de laagveensoorten als blauwe glazenmaker (Aeshna cyanea), vroege glazenmaker (Aeshna isoceles), paardenbijter (Aeshna mixta) en glassnijder zijn aangetroffen, naast enkele umbiquiste soorten als lantaarntje (Ischnura elegans), variabele waterjuffer (Coenagrion pulchellum) en vuurjuffer (Pyrrhosoma nymphula). Ogenschijnlijk tegenstrijdig is de fosfaatverzadiging die wordt waargenomen in het terrein; deze fosfaatverzadiging bevindt zich in het grondwater en komt via de uitspoeling in het oppervlaktewater, waar het neerslaat. Bij natuurontwikkeling is het belangrijk om met dit proces rekening te houden, bijvoorbeeld door het uitmijnen. Rondom de gemeentewerf en de volkstuintjes is sprake van hypertrofie met een gesloten

Bosrand bij de eendenkooi

kroosdek (RG Lemna minor) als gevolg. Gezien de onderling afwijkende richting van de sloten is er geen sprake van door de wind opgeblazen drijfbladvegetaties.

Moerasbos (Eendenkooi) De eendenkooi is niet meer als zodanig in beheer en door achterblijven van het beheer ontwikkeld tot het moerasvaren-elzenbroek. In de kooi zijn de vangpijpen en de kooivijver niet meer als zodanig herkenbaar. De sloot rondom de kooi is bedekt met kroos (bultkroos-verbond, Lemnion minoris) en heeft daarmee een vegetatie die ruwweg vergelijkbaar is met de – plaatselijk aanwezige – voedselrijke sloten elders in de polder. Hier is er echter een natuurlijke oorzaak, namelijk de bladval van de bomen in de kooi. Op de doorsnede van de hoogtekaart is de voormalige vijver als een depressie herkenbaar. Er is geen gericht en recent onderzoek naar de ecologische waarden van de eendenkooi bekend. Er zijn wel vrij veel losse waarnemingen bekend uit de kooi en omgeving ervan. Opvallend is dat er voornamelijk roofvogels als broedend worden gemeld voor de kooi. Alleen aan de randen worden enkele andere vogels gemeld. De kooi is daarmee, volgens de categorieën van SOVON (1995), als een gebied te beschouwen voor de havik-groep. Het zijn roofvogels van bossen. Naast deze vogels wordt in het bos slechts de ijsvogel (Alcedo atthis) gemeld. De buizerd (Buteo buteo) wordt overigens gemeld voor de hele strook langs de voormalige A1.

Nat grasland en rietland Naast de eendenkooi is weiland aanwezig dat duidelijk natter is dan de overige weilanden. Hier groeit pitrus (Juncus effusus) in pollen. Het weiland is oneffen en is plaatselijk Pagina 13

Een sloot begint te verlanden

plas-dras. Langs de Kanaaldijk ligt een strook rietland. Achter de gemeentewerf ligt een pitrus-veldje dat droger is, maar in dezelfde categorie wordt gevat. Er is op de pitrusveldjes geen goede vegetatie ontwikkeld. Pitrus ontstaat in dominante begroeiingen als gevolg van verstoring, meestal door wisselende grondwaterpeilen. In natte weilanden kan het ook veroorzaakt worden doordat de grassen selectief worden begraasd en de pitrus wordt vermeden. Het pitrus-veldje achter de gemeentewerf is verruigd en plaatselijk begroeid met grote brandnetel (Urtica dioica) en braam (Rubus fruticosus s.l.). In de vegetatie van Nederland (1996) wordt het rompgemeenschap van pitrus als volgt beschreven: “Op standplaatsen met een instabiele waterhuishouding die onder een zekere invloed van bemesting staan of gestaan hebben, kan pitrus tot dominantie komen. In van oorsprong oligotroof en zuur milieu, zoals heidevennen, ontwikkelt zich gewoonlijk de DG Juncus effusus-Sphagnum; in minder voedselarme, beweide omgeving spreken we van een klasse-overschrijdende rompgemeenschap, van de Molinietalia en het Lolio-Potentillion anserinae. Hier vormt pitrus dicht opeen staande pollen, waartussen zich een lagere, grazige vegetatie bevindt met soorten als gladde witbol (Holcus lanatus), Ruw beemdgras (Poa trivialis), Fioringras (Agrostis stolonifera) en Scherpe boterbloem (Ranunculus repens).

Omdat pitrus veel zaad produceert die gemakkelijk verspreid worden (door wind, dieren, water en landbouwwerktuigen) en lang hun kiemkracht behouden, is de soort in staat zeer snel nieuwe plekken te koloniseren; voldoende licht en een vochtige bodem zijn daarvoor de voornaamste voorwaarden. Zo kan Pitrus explosief tevoorschijn komen in verwaarloosde laaggelegen weilanden die opnieuw in begrazing worden genomen”. De pitrus-veldjes en het rietland zijn belangrijk voor de ringslang en de heikikker. Moge-

Het fietspad op het spoortalud

lijk dat hier ook de wezel (Mustela nivalis), bunzing (Mustela putorius) of hermelijn (Mustela erminea) kan worden aangetroffen. De vogelstand in hier is vrij laag en niet specifiek.

Talud met ruigte Op de helling van het spoortalud is een subspontane ontwikkeling naar struweel en ruigte aanwezig. Ogenschijnlijk sluit dit aan op de kleine gebiedjes onder het talud (gemeentewerf, volkstuintjes), maar de opbouw is hier op essentiële onderdelen anders, en daarvan afgeleid is ook het verwachtingspatroon anders van kleur. De begroeiing van het spoortalud bestaat uit stroken met verschillende vegetaties. De meest dominante is het verbond van bramen en sleedoorn (Pruno-Rubion radulae) uit de klasse van de doornstruwelen. Deze gaat over in plaatselijk goed ontwikkelde vegetaties van kapvlakten uit de wilgenroosjes-associatie (Senecioni sylvatici-Epilobietum angustofolii) wat overgaat naar kruidenrijke graslanden die niet te classificeren zijn. Aan de teen is een subspontale opslag van wilgenstruweel uit het verbond van wilgenbroekstruwelen (Salicion cinereae). Deze struwelen bieden veel dekking aan vogels. Veel soorten uit de grasmus-groep vinden hier een broedplek. Vooral de heggemus (Prunella modularis) en de nachtegaal (Luscinia megarhynchos) worden vooral voor deze zone gemeld. Naast een hoge diversiteit aan broedvogels worden hier veel dagvlinders en andere nectareters aangetroffen. Het is een belangrijk winterhabitat voor de ringslang.

Braakliggend terrein Het braakliggende terreintje achter de gemeentewerf is voor een belangrijk deel begroeid met pitrus waarin nitrofiele soorten opduiken als braam, grote brandnetel en Pagina 14

Wezel

akkerdistel (Cirsium arvense). Het is wat droger dan de weilanden met pitrus naast de eendenkooi. De verdroging zorgt dat de ruigtekruiden hier kunnen blijven groeien en de pitrus niet absoluut domineert. De vogeldichtheid is hier laag. Aan de Korte Muiderweg ligt ook een braakliggend terreintje. Deze ligt op een lage terp en is droger dan de rest van de polder. Het terreintje bestaat uit een grasveld met een strook bomen en struiken er langs. Het terreintje biedt dekking van verschillende soorten. Het is minder van belang dan het braakliggend terreintje achter de gemeentewerf.

Antropogeen gebied Onder dit containerbegrip worden in dit kader de gebiedjes geduid die recent door de mens zijn beïnvloed. Het betreft de gemeentewerf, de voormalige volkstuintjes en de wegbermen, etc. De terreintjes liggen naast elkaar aan de Papelaan. Op beide terreintjes ligt veel rommel en is afval gedumpt. De begroeiing van vooral de volkstuintjes bestaat voor het merendeel uit exoten – vaak coniferen, maar ook andere tuinplanten zijn aangetroffen. De gemeentewerf is iets minder exotisch, maar bestaat eveneens uit aangeplante en uit plantsoenafval opgeschoten soorten. De sloten rondom deze terreintjes hebben een gesloten kroosdek en ook hier staan niet-inheemse soorten. Mede vanwege de begroeiing met coniferen worden hier soorten als goudhaantje (Regulus regulus) en vuurgoudhaantje (Regulus ignicapillus) aangetroffen. Verder zal een uil of een roofvogel hier een nest of schuilplaats hebben. Ook kunnen zoogdieren als egel (Erinaceus europaeus) of bunzing hier dekking zoeken. Overwintering van de ringslang in dit

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10999209/1