Bijlage 8 Gewijzigde toelichting herstelbesluit Valkenhorst
Tekst van het document
5.2.1
Archeologie
Wettelijk kader Het Verdrag van Malta (1992) Nederland tekende in 1992 het Verdrag van Malta dat de omgang met het Europees archeologisch erfgoed regelt. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. Het Verdrag van Malta, ook wel het verdrag van Valletta genoemd, is er op gericht het bodemarchief beter te beschermen. Het bodemarchief bestaat uit alle archeologische waarden die zich in de bodem bevinden. Deze archeologische waarden dienen op een integrale wijze beschermd te
status: geconsolideerd
59
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
worden, waarbij de volgende drie principes gelden: 1. Tijdig rekening houden met eventuele aanwezigheid van archeologische waarden: Het is belangrijk dat bij de ruimtelijke inrichting van een gebied tijdig rekening gehouden wordt met mogelijk aanwezige archeologische resten. Daarom dient voorafgaand aan een nieuwe ontwikkeling onderzoek plaats te vinden naar archeologische waarden in de bodem van het plangebied. Hierdoor kunnen tijdig archeologievriendelijke alternatieven gezocht worden en wordt tevens een stukje onzekerheid tijdens de bouw van de ontwikkelingen weggenomen, doordat vooraf duidelijk is of er al dan niet archeologische resten in bodem te verwachten zijn. 2. Behoud in situ: Er wordt naar gestreefd archeologische waarden in de bodem te bewaren (behoud in situ). In de bodem blijven de resten immers goed geconserveerd. 3. Verstoorder betaalt: Degene die verantwoordelijk is voor het verstoren van de grond dient te betalen voor het doen van opgravingen en het documenteren van archeologische waarden, wanneer behoud in situ niet mogelijk is. Dit verdrag is in 2007 vertaald naar de Nederlandse situatie middels de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz). Onder deze wet, een wijzigingswet die onder andere de Monumentenwet 1998 heeft gewijzigd, zijn de gemeenten de bevoegde overheid inzake archeologie geworden.
Zij dienen het aspect archeologie onder meer te borgen in nieuwe bestemmingsplannen. Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De Erfgoedwet regelt dat bij ruimtelijke ingrepen en de besluiten die daarover genomen moeten worden rekening gehouden moet worden met archeologische waarden die ter plaatse van de ingreep (en in de directe omgeving) aanwezig zijn. Dit houdt in dat een afweging gemaakt moet worden ten aanzien van eventueel aanwezige archeologische (verwachtings-)waarden. De gemeente is verplicht archeologische waarden te beschermen in het bestemmingsplan. In de Erfgoedwet zijn ook bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed (waaronder de Monumentenwet) in Nederland gebundeld. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen: Vergunning tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; Bescherming van stads- en dorpsgezichten. De Erfgoedwet regelt dat bij ruimtelijke ingrepen en de besluiten die daarover genomen moeten worden rekening gehouden moet worden met het erfgoed dat ter plaatse van de ingreep (en in de directe omgeving) aanwezig is.
Dit houdt in dat een afweging gemaakt moet worden ten aanzien van eventueel aanwezige bouwkundige monumenten, archeologisch (verwachtings-)waarden en historisch-landschappelijke structuren.
Visie Romeinen in Katwijk Deze visie heeft geen juridische status, maar is wel van belang voor de gemeente Katwijk. De Visie beschrijft hoe de geschiedenis van de Romeinen en de Limes in Katwijk beter herkenbaar kan worden gemaakt en meer toeristisch, economisch en educatief benut kan worden. De Visie is tot stand gekomen in een interactief traject met geïnteresseerden en belanghebbenden. De Visie bestaat onder andere uit een zogenaamd verhalennetwerk. Dit zijn zes locaties waar informatie over de Romeinse Limes beschikbaar wordt gemaakt. Ongeveer 2000 jaar geleden maakte Nederland deel uit van het Romeinse rijk. De Limes, de noordgrens van het Romeinse rijk op het Europese vasteland, liep van Arnhem naar de Noordzee en eindigde bij Katwijk. Katwijk neemt onder de Limes gemeenten een unieke positie in door de twee beroemde forten, elk met hun eigen geschiedenis. Het was een militaire zone bestaande uit: een hoofdweg, forten, wachttorens en zowel burgerlijke als militaire nederzettingen. Langs deze grens ontstond een belangrijke handelsroute tussen de Romeinen en inheemse volkeren die hier al in de IJzertijd woonden, zoals de zogenaamde Cananefaten. De Limes is nu het grootste archeologische monument van Nederland en staat op de nominatie om voorgedragen te worden als werelderfgoed bij de UNESCO.
Toetsing Het plangebied wordt al vanaf 2007 onderzocht voor het aspect archeologie. Door Antea Group is een rapport opgesteld waarin alle uitgevoerde onderzoeken in beeld zijn gebracht. Het rapport is opgenomen als bijlage 5 bij
60
status: geconsolideerd
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
deze toelichting. Onderstaand zijn de resultaten uit het rapport beknopt beschreven. Specifiekere informatie per onderzoek is terug te vinden in het onderzoeksrapport.
Op basis van de onderzoeken die vanaf 2007 uitgevoerd zijn, is een overzicht gemaakt van vindplaatsen die ex-situ behouden moeten worden en is een overzicht gemaakt van vindplaatsen die in-situ behouden moeten worden. De insituvindplaatsen kennen de zwaarste bescherming in de vorm van de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie terrein van hoge archeologische waarde'. Deze dubbelbestemming beperkt de bouwmogelijkheden en vraagt voor (nagenoeg) iedere bodemingreep om een omgevingsvergunning. Hiermee worden de in-situ te behouden archeologische waarden beschermd conform een visie op het beheer en de inrichting van dergelijke archeologische waardevolle gebieden. In dit bestemmingsplan is een specifieke insituvindplaats bestemd als 'Groen' en voorzien van bovengenoemde dubbelbestemming.
Ten aanzien van de vindplaatsen die ex-situ behouden moeten worden geldt dat op een aantal locaties nog opgravingen plaats moeten vinden. Ex-situvindplaatsen die nog opgegraven moeten worden zijn in dit bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming om de aanwezige archeologische waarden te beschermen. Dit geldt ook voor de gronden die nog onderzocht moeten worden op de aanwezigheid van archeologische waarden. Op basis van de eerder onderzoeken is ook duidelijk geworden welke gebieden nog onderzocht moeten worden. Nog te onderzoeken gebieden zijn een gebied rond de gebouwen in het noordelijke deel van het plangebied, waaronder de huidige theaterhangaar, de gebieden in het noordoosten tegen de N206 en een gebied ten zuiden van een terrein waar het Hoogheemraadschap van Rijnland een grondverbeteringsinstallatie in bedrijf heeft.
Aanvullend op het voorgaande is in andere delen van het plangebied al onderzoek uitgevoerd. Voor zover dit onderzoek niet leidt tot de conclusie dat insitubehoud nodig is (zie boven), geldt dat deze gronden archeologievrij zijn. Op deze gronden rust derhalve geen dubbelbestemming meer en gelden er geen verplichtingen met betrekking tot archeologie.
Conclusie Een groot deel van het plangebied is in het verleden reeds onderzocht en is vrijgegeven voor het aspect archeologie. Voor de delen van het plangebied die nog niet vrijgegeven kunnen worden, zijn een passende dubbelbestemmingen (artikel 17 18, 19 en 20) opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Er is derhalve geen sprake van een belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Het opnemen van deze dubbelbestemmingen betekent dat bij ontwikkelingen in de delen van het plangebied waar de dubbelbestemming van toepassing is eerst onderzoek naar archeologische waarden plaats moet vinden en vast moet staan dat dergelijke waarden niet geschaad kunnen worden door de voorgenomen ontwikkeling voordat de ontwikkeling toegestaan kan worden. Bij dit onderzoek moet het bepaalde uit de Erfgoedverordening gemeente Katwijk (zie subparagaaf 5.1.5.11) en het vigerend gemeentelijk archeologiebeleid in acht worden genomen bij de voorbereiding en uitvoering van dit onderzoek. Tevens dient onderzoek te voldoen aan de richtlijnen die in de verordening en/of het vigerend gemeentelijk archeologiebeleid vervat zijn.
5.2.2
Bedrijven en milieuzonering
Met de Wet milieubeheer tracht de Nederlandse overheid de wederzijdse hinder tussen bedrijven en instellingen en de woonomgeving te voorkomen. Hiervoor wordt er gebruik gemaakt van milieucategorieën met een zonering. Door de VNG zijn voor deze categorieën richtafstanden opgesteld, daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gemengde gebieden en rustige woongebieden. Beoogde ontwikkeling in relatie tot milieu Het bestemmingsplan heeft in hoofdzaak betrekking op een woongebied. Om deze woonfunctie te beschermen dient aandacht te worden geschonken aan mogelijk conflicterende bestemmingen. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden.
status: geconsolideerd
61
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
Toetsingskader Om het begrip milieuzonering hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de VNG. Bedrijven zijn opgenomen in een tabel die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf/branche is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandstabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd maar zijn indicatief. Door middel van deze zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing wordt de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De indeling van de bedrijven is vastgelegd in een afstandstabel, waarin de diverse aspecten van bedrijven in normatief opzicht zijn weergegeven. Op grond van deze lijst kan een beleidsmatige selectie worden gemaakt van de binnen het plangebied toe te laten bedrijfsactiviteiten. Ook bestaande bedrijven kunnen aan deze lijst getoetst worden. Bij deze selectie dienen milieuoverwegingen een belangrijke rol te spelen. Bedrijven die voorkomen in de categorieën 1 en 2 hebben een relatief geringe milieubelasting en zullen in het algemeen niet conflicteren met de woonbestemming. Bedrijven die als categorie 3 zijn gekwalificeerd dienen van geval tot geval te worden bezien, waarbij met name de afstand tot de woonbestemming in relatie tot de bedrijfsbestemming van belang is.
Bedrijven die in categorie 4 of hoger worden gerangschikt dienen van vestiging binnen een woonomgeving te worden uitgesloten.
Onderzoek Er is door Antea Group een onderzoek uitgevoerd naar bedrijven en milieuzonering. In het onderzoek zijn de beoogde ontwikkelingen getoetst aan de hand van de VNG-milieuzoneringsmethodiek. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. Onderstaand is het resultaat uit het onderzoek opgenomen. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels braakliggend. Er zijn daarnaast verschillende bedrijven aanwezig binnen en rondom het plangebied. In de toekomstige situatie wordt het gebied getransformeerd tot een woongebied. De VNG-methodiek van de milieuzoneringen maakt onderscheid in een 'rustige woonwijk' en een 'gemengd gebied'. In een gemengd gebied wordt hinder meer getolereerd in vergelijking met een rustige woonwijk. De hinderafstanden zijn daarom in een gemengd gebied kleiner. Voor de beoordeling volgens de VNG Methodiek is het plangebied opgedeeld in twee delen met fasen (I en II). Hiervoor is gekozen omdat voor het zuidelijk deel van het plangebied een abstractere invulling is gekozen dan voor het noordelijk deel. In het noordelijk deel zijn al bouwvlakken bekend voor het zuidelijk deel nog niet. Figuur 5.2.2.1 geeft de tweedeling weer welke is toegepast voor deze beoordeling.
62
status: geconsolideerd
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
Figuur 5.2.2.1: Tweedeling VNG-zonering
Fase 1 Aan de noordoostzijde van het plangebied is de woonkern Valkenburg gelegen. Hier zijn enkele bedrijfsbestemmingen opgenomen. Het plangebied ligt echter verder van deze bestemmingen af dan de huidige woonbestemmingen in de woonkern. Aan de zuidoostzijde van het plangebied zijn er bedrijven op korte afstand van fase I gelegen. Dit betreft tuinbouwbedrijven (milieucategorie 2) en een aannemersbedrijf (milieucategorie 2). Voor deze bedrijven geldt een richtafstand van 30 meter. Hier wordt aan voldaan. Ten zuidwesten van het plangebied zijn er geen bedrijven op korte afstand van Fase I gelegen. Verder naar het noorden zijn er enkele bestemmingen op korte afstand van Fase I gelegen. Direct ten westen van de bebouwingsvlakken ligt een gemengd gebied. Ten noorden van het hangargebied is een gemengd gebied dat in gebruik is genomen als Asielzoekerscentrum. Een asielzoekerscentrum kan vergelijkbaar worden geacht met een gezondheidszorg functie. De maximale milieucategorie van een gezondheidszorg is categorie 2. Verder zijn er enkele bedrijfsbestemmingen, recreatiebestemmingen, en tuinbouwbestemmingen. Voor deze bedrijven geldt dat ze op relatief grote afstand van het plangebied zijn gelegen. Er wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden.
Fase 2 Omdat er voor fase II nog geen bouwvlakken bekend zijn, wordt de VNG-systematiek toegepast vanaf de plangrens. Dit betekent dat het uitgangspunt is dat de woningen aan de rand van het plangebied worden gerealiseerd. Als worst-case aanname wordt er uitgegaan van een 'rustige woonwijk'. Voor het gebied ten zuidwesten van fase II geldt dat er twee bestemmingen (bedrijfsbestemming en een maatschappelijke bestemming) zijn gelegen op korte afstand van het plangebied. Verder zijn er diverse bedrijfs-, horeca en gemengde bestemmingen in de nabijheid van het plangebied. Voor deze versnipperde bestemmingen geldt dat het plangebied op grotere afstand is gelegen dan de omliggende woonbestemmingen. Ten zuiden van het plangebied ligt de bedrijfsbestemming zandwinning. Dit bedrijf heeft in de herziening (Zandwinning, 1e partiele herziening van het bestemmingsplan Landelijk gebied 1994) de milieucategorie categorie 4.1 (zie paragraaf 4.1 van de toelichting van deze herziening). In het nadien vastgestelde bestemmingsplan Valkenburg Landelijk Gebied (onherroepelijk op 12 maart 2013) zijn de bestaande rechten voor de zandwinning overgenomen. De afstand van bedrijf tot de plangrens is voldoende om te voldoen aan de richtafstand. Direct ten zuiden van het plangebied is, op het grondgebied van de gemeente Wassenaar, een
status: geconsolideerd
63
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
milieustraat gelegen (categorie 3.1). Ook hier is de afstand van de woonbestemming tot aan het bedrijf groter dan de richtafstand. Ten zuidwesten van fase II zijn er land- en tuinbouwbestemmingen gelegen op korte afstand van het plangebied. De milieucategorie van deze bedrijven is 3.2. Er wordt voldaan aan de richtafstanden. In het noordwesten van het plangebied is een gemengd gebied gelegen (UMV). Voor dit gebied is een uitgebreid milieuonderzoek verricht (Unmanned Valley Testlocatie voor RPAS op de locatie Valkenburg: Voortoets Wet natuurbescherming, RHDHV 2019). Uit dit onderzoek komt naar voren dat de te beoordelen milieuaspecten geen hinder buiten de eigen terreingrenzen veroorzaken. Daarmee zullen de beoogde woningbouwlocaties geen onaanvaardbare hinder van de UMV ondervinden. Verder zijn er diverse bedrijfs-, horeca en gemengde bestemmingen ten zuidwesten van het plangebied gelegen. Voor deze versnipperde bestemmingen geldt dat het plangebied op grotere afstand is gelegen dan de omliggende woonbestemmingen. Conclusie Uit de beoordeling blijkt dat er geen bedrijven in de omgeving van het plangebied zijn met relevante hinderafstand ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. In het gebied worden tevens enkele centrumvoorzieningen beoogd. Omdat dit een gemengd gebied betreft is de hinderafstand kleiner dan voor een rustige woonwijk.
De functies die worden beoogd zijn toelaatbaar mits deze bouwkundig worden gescheiden van woningen.
5.2.3
Bodem
Wettelijk kader Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Toetsing Huidige situatie Voor bodemkwaliteit zijn de bekende en verwachte verontreinigingen in de bodem onderzocht. Het onderzoek naar deze verontreinigingen is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. Het gebied is op basis van het huidige ruimtegebruik te verdelen in drie deelgebieden, waar drie kleuren aan gekoppeld zijn: Vliegkamp (oranje) Noordoost (rood) Van Leeuwen (blauw) Onderstaand is de huidige situatie van de drie deelgebieden beschreven. Vliegkamp (oranje) In het deelgebied Vliegkamp is voor het gehele deelgebied bodeminformatie beschikbaar. Er zijn circa 100 onderzoeksrapporten beschikbaar. Naar verwachting zijn alle verontreinigingen reeds gesaneerd of worden momenteel gesaneerd.
Op basis van de informatie die in de huidige situatie beschikbaar is kan geconcludeerd worden dat er enkele restverontreinigingen achtergebleven zijn, zowel in de grond als in het grondwater. In dit gebied kan onderscheid kan worden gemaakt in het ontmantelingsgebied en het hangargebied. Het onmantelingsgebied betreft het (nagenoeg) onbebouwde gebied waar de start- en landingsbanen waren gesitueerd. Dit deel van het gebied is thans, op een aantal (bouw)wegen na, braakliggend. Het hangargebied betreft het noordelijk deel van het plangebied, dit deel van het gebied is nog grotendeels in gebruik, grotendeels verhard en bebouwd met diverse loodsen en hangars. Ontmantelingsgebied: In het ontmantelingsgebied is de bodem in de periode 2014-2018 gebiedsdekkend onderzocht en zijn meerdere bodemsaneringen uitgevoerd. In bijlage 7 in bijlage 3 zijn de gesaneerde locaties aangegeven. Op twee plaatsen (nabij het VIP gebouw) is nog sterke restverontreiniging met zware metalen (van beperkte omvang) achtergebleven. Deze sterke restverontreinigingen dienen voorafgaande aan de herontwikkeling nog te worden verwijderd. Daarnaast is binnen het ontmantelingsgebied, ter plaatse van
64
status: geconsolideerd
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
de voormalige brandweeroefenplaats, een sterke verontreiniging met PFAS in grond en grondwater aanwezig. Een deel van de met PFAS verontreinigde grond is daarnaast ook sterk verontreinigd met PCB. De omvang van de sterke verontreiniging wordt geschat op 3.450 m3 (grond) respectievelijk 42.500 m3 (grondwater). Ook deze verontreiniging zal voorafgaande aan herontwikkeling nog gesaneerd moeten worden. Verder dient ter plaatse van het “buizerdbos”, in het zuidelijk deel van het plangebied, nog een nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de ernst en omvang van de verontreiniging met zware metalen en PAK. De aanwezigheid van een buizerdhorst heeft ervoor gezorgd dat dit nader onderzoek vooralsnog niet heeft kunnen plaatsvinden. Op basis van eerder onderzoek wordt verwacht dat het gaat om een verontreiniging van circa 1.500 m3 , die bij herontwikkeling van dit deel van het plangebied gesaneerd zal moeten worden. Hangargebied: Ter plaatse van hangargebied is in 2019 een gebiedsdekkend verkennend en actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat binnen het hangargebied diverse verontreinigingen in de grond en het grondwater aanwezig zijn. De ernst en omvang van deze verontreinigingen dienen nog nader vastgesteld te worden. Hiertoe zal in 2020/2021 nader bodemonderzoek worden uitgevoerd.
Bij herontwikkeling zal de bodem geschikt gemaakt te worden voor het toekomstig gebruik (wonen). Verder is uit nader onderzoek uit 2019/2020 gebleken dat, ter plaatse van de voormalige brandweerkazerne, een sterke verontreiniging met PFAS in grond en grondwater aanwezig. De omvang van de sterke verontreiniging met PFAS ter plaatse van de brandweerkazerne wordt geschat op 1.400 m3 (grond) respectievelijk 1.350 m3 (grondwater). Deze verontreiniging zal voorafgaande aan herontwikkeling van dit deel van het gebied gesaneerd moeten worden. PFAS: In 2019 is een gebiedsdekkend onderzoek naar PFAS in de grond uitgevoerd op het voormalig vliegkamp. Hieruit is gebleken dat de gehalten aan PFAS (P95) in de grond onder de in het Tijdelijk Handelingskader vastgestelde waarden voor natuur/landbouw liggen. Noordoost (rood) Er is in de huidige situatie geen bodeminformatie beschikbaar voor het volledige plangebied. Van het volkstuinencomplex is geen bodeminformatie beschikbaar. Uit de beschikbare onderzoeksrapporten kan geconcludeerd worden dat er slechts licht verhoogde gehaltes van zware metalen aangetoond zijn. Er is slechts op één locatie onderzoek naar asbest uitgevoerd. Van Leeuwen (blauw) Het deelgebied Van Leeuwen is een bedrijfslocatie waar loodsen, schuren, opslag van materiaal en enkele bedrijfswoningen aanwezig zijn.
Het patroon van de watergangen in het deelgebied doet vermoeden dat deze in het verleden gedempt zijn. Er is geen geschikte bodeminformatie beschikbaar in de huidige situatie om de bodemkwaliteit vast te kunnen stellen.
status: geconsolideerd
65
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
Figuur 5.2.3.1: Deelgebieden Valkenburg bodemkwaliteit Bodemopbouw Het plangebied bevindt zich in een laaggelegen gebied aan de rand van de duinen. De verschillen in hoogteligging zijn in figuur 5.2.3.2 weergegeven. Op de hoogteprofielen is goed te zien dat het grootste gedeelte van het plangebied onder NAP ligt. Alleen aan de flanken zijn enkele hoger gelegen gronden aanwezig.
Figuur 5.2.3.2: Hoogteligging en de locatie van de twee hoogteprofielen (zie hieronder)
Figuur 5.2.3.3: Hoogteprofielen (Variatie in maaiveldhoogte binnen het projectgebied (bron: AHN3)) Bodemsamenstelling en bodemzetting
66
status: geconsolideerd
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
De ondiepe bodem van het plangebied bestaat grotendeels uit zeekleigronden, met een dikte van plaatselijk slechts 1 meter tot meer dan 5 meter. De gronden zijn gevormd als gevolg van overstromingen vanuit zee, waardoor zand en klei afgezet werden. De bodem ter plaatse van de projectlocatie is overwegend zandig. In het plangebied is rond NAP 0 m een laag klei en kleiig zand aanwezig met een dikte van enkele meters. In het gebied zijn verschillende sonderingen en boringen uitgevoerd. Over het algemeen wordt tot minimaal 1 à 2 m –mv. en maximaal 5 à 7 m –mv. klei en/of wadzand aangetroffen. Wadzand is uiterst fijn en kleiig zand, dat een geringe doorlatendheid heeft en eerder als weerstandslaag wordt gezien dan als watervoerende laag. Vanuit civieltechnisch oogpunt heeft de bodem tot 2 à 7 m –mv. een geringe doorlatendheid en een hoge weerstand. Voor de drainage of infiltratie van water is deze bodem weinig geschikt. Het risico bestaat dat op deze bodem regelmatig water blijft staan, dat niet in de ondergrond weg kan zakken.
Conclusie Bodemkwaliteit In de toekomstige situatie wordt het plangebied ontwikkeld tot een gemengd woon- en werkgebied. Er worden maximaal 5.600 woningen gerealiseerd. Om het gebied te kunnen gebruiken voor de functie 'Wonen', dient de bodemkwaliteit hier geschikt voor te zijn. Om te bepalen in hoeverre hier aan wordt voldaan, is er door Antea Group een milieu hygiënisch vooronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). in het MER (bijlage 19) is per deelgebied een beschrijving van de toekomstige situatie en het milieueffect opgenomen. Bodemopbouw De bodemsamenstelling is niet zonder meer geschikt voor de beoogde woon- en werkfunctie van het gebied. Uit zettingsberekeningen blijkt dat rekening moet worden gehouden met gemiddeld 0,5 tot 1,0 m ophoging. Dit hangt sterk samen met de wateraspecten, dit wordt verder toegelicht in de paragraaf Water. Uit het uitgevoerde milieuhygiënische vooronderzoek is gebleken dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake is van een verontreiniging. De eigenaar van de betreffende gronden dient, voorafgaande aan het in gebruik nemen van de gronden, aantoonbaar te maken dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiervoor is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
Voor het overige geldt dat de bodemkwaliteit aansluit bij de voorziene woonfunctie en derhalve geen noodzaak is tot nader onderzoek/sanering. Vanwege de nabijheid van drinkwaterwinningen bij het plangebied wordt het bodembeheer in de toekomstige situatie zo vormgegeven dat de bodemkwaliteit geen bedreiging kan vormen voor de drinkwaterwinning in aangrenzende delen van het grondwaterlichaam. Die aangrenzende delen liggen buiten het plangebied van dit bestemmingsplan.
5.2.4
Cultuurhistorie
Tientallen eeuwen van ontginnen, bouwen, wonen en werken hebben Zuid-Holland gemaakt tot een cultuurlandschap bij uitstek. Kerken, boerderijlinten, bollenschuren, dorpsgezichten maar ook dijken, verkavelingspatronen en archeologische vindplaatsen getuigen hiervan. Deze cultuurhistorische waarden zijn van grote betekenis voor onze leefomgeving. Daarom willen Rijk, provincie en de gemeente Katwijk deze cultuurhistorie behouden of inpassen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Naast archeologische waarden zullen ook cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk worden meegewogen bij de voorbereiding van bestemmingsplannen. Vergelijkbaar met de huidige regelgeving voor beschermde stads- en dorpsgezichten dient in ieder bestemmingsplan een afweging gemaakt te worden over de wijze waarop met de cultuurhistorische belangen wordt omgegaan. Daarnaast is in het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan (regels, verbeelding) een analyse verplicht naar de aanwezige cultuurhistorische waarden en een beschrijving van de wijze waarop hiermee is omgegaan. Cultuurhistorische waarden Om inzicht te krijgen in de cultuurhistorische waarden in het plangebied is er een cultuurhistorische analyse uitgevoerd. Het rapport is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Onderstaand wordt ingegaan op de resultaten uit de analyse.
Landschappelijke beschrijving Het huidige landschap heeft geleidelijk vorm gekregen vanaf de middeleeuwen, met een patroon van wegen en waterlopen, vormen van percelering en bodemgebruik die nauw samenhingen met de fysisch-geografische
status: geconsolideerd
67
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
gesteldheid (bodem, waterhuishouding en hoogteligging). Het geleidelijk gegroeide landschap is af te lezen aan de percelering, de bebouwingsstructuur, het patroon van wegen en waterlopen en de verdeling van open en meer besloten ruimten. In 1939 is hier een nieuw element ingebracht – het vliegveld met de daarmee samenhangende militaire objecten – die een eigen vormenwereld met zich mee bracht. Het zijn deze twee ontwikkelingen die de cultuurhistorische essentie van het onderzoeksgebied bepalen.Na de Tweede Wereldoorlog is het vliegveld uiteindelijk in gebruik genomen door de Marine Luchtvaartdienst. Over een periode van 50 jaar heeft dit gebruik visuele sporen nagelaten op het vliegveld, zoals het aanpassen en verlengen van de landingsbanen, de bouw van de verkeerstoren en het plaatsen van kantoren en hangars op het terrein. Het vliegveld speelde een rol in de Koude oorlog. Omdat de gebouwen binnen het vliegveldterrein nog niet cultuurhistorisch gewaardeerd zijn (niet meegenomen in de Cultuurhistorische inventarisatie), moet voorafgaande aan de aanvraag tot sloop eerst onderzocht worden wat de cultuurhistorische waarde is. Door de aanleg van het vliegveld in 1939 is het open karakter van het centrale gebied niet gewijzigd.
Verdichting door bebouwing vond plaats aan de randen van het vliegveld en aan de 1e Mientlaan, bospercelen langs de tankgracht, aan de westkant van het vliegveld en aan de 1e Mientlaan. De openheid van het vliegveld heeft verband met de militiare betekening van het gebied. De verdedigingswerken rondom het vliegveld moesten een vrij schootsveld hebben. Door de voorgenomen bouw van 5.600 woningen op het voormalige vliegveld betekent dat de openheid van het centrale deel van het onderzoeksgebied verloren gaat. Wel worden cultuurhistorische waarden aan de randen van het gebied zo veel als mogelijk bhouden (zie volgende alinea).
Cultuurhistorische waardenkaart Onderstaande kaart toont de cultuurhistorische waardering van het plangebied. Zichtbaar is dat het te ontwikkelen gedeelte een zeer hoge cultuurhistorische waarde kent als representatie van een vliegveld dat haar wortels heeft in de Tweede Wereldoorlog enerzijds en als representatie van het vooroorlogs polderlandschap anderzijds.
Figuur 5.2.4.1: Cultuurhistorische waardenkaart in en rond het plangebied (bron: Lantschap, 2019) De verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische waarde van deze plek is gebaat bij het gebruik van de vormentaal van en de overblijfselen van het vliegveld als structurerende elementen. Het plan voorziet hierin door de landingsbanen herkenbaar in het landschap terug te brengen. Andere onderdelen van het militaire landschap zijn geen onderdeel van het stedenbouwkundig ontwerp. Over de waardevolle onderdelen die samenhangen met het militair verleden vindt nog overleg plaats betreft het behoud van deze bebouwing. Zo liggen er in het perceel ten noorden van het 'bunkerbos' vijf bunkers, die gemeentelijk- of rijksmonument zijn. Deze bunkers moeten worden ingepast in het stedenbouwkundig ontwerp van dit gedeelte, waarmee ze een bijzonder karakter kunnen geven aan de ontwikkelingen hier. In dit bestemmingsplan zijn deze monumenten voorzien van een aanduiding
68
status: geconsolideerd
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
(van toepassing op de bunkers zelf en een zone rondom de individuele bunkers). Aan de aanduiding zijn regels gekoppeld die de monumenten bescherming tegen aantasting van hun cultuurhistorische waarde.
Werelderfgoed Het kassengebied direct ten noorden van het voormalige vliegveld Valkenburg is onderdeel van de Limes, de noordelijke grens van het Romeinse rijk. Het terrein is beschermd en aangewezen als werelderfgoed. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die de invulling van de monumentale zone wezenlijk verandert. Het bestemmingsplan maakt daarmee geen aantastingen van de cultuurhistorische waarde van het archeologische erfgoed mogelijk.
Landschappelijke structuren Onderstaande kaart toont de meest van belang zijnde (historisch) landschappelijke structuren.
Figuur 5.2.4.2: Waardevolle landschappelijke structuren en elementen Samengevat zijn in het plangebied de volgende monumenten en cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig: de Oude Broekweg; de landingsbanen; de verkeerstoren; ontvangstgebouw met Koninklijke wachtkamer; hangars; bunkers; Huis Torenvliet; historische wegen, verkavelingen en waterlopen. Bescherming ligt op: Boerderij Welgelegen (gemeentelijk monument) aan de Oude Broekweg; Hoeven Zonneveld aan de Zonneveldslaan (gemeentelijk monument); Tankgracht (rijksmonument); Bunkerbos (rijksmonument) met bunkers ten noorden daarvan (gemeentelijke en rijksmonumenten). Conclusies De instandhouding van cultuurhistorische (landschaps)elementen en bebouwing is geborgd in de vorm van regels voor cultuurhistorie (artikel 21), het slopen (artikel 26) van bestaande bebouwing en het kappen van houtopstanden (artikel 27) in dit bestemmingsplan. Het slopen respectievelijk kappen is uitsluitend toegestaan na het verkrijgen van een omgevingsvergunning, waarbij door erfgoeddeskundigen een advies is uitgebracht
status: geconsolideerd
69
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
over de gevolgen voor de cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn verder zoveel mogelijk als dragers verwerkt in de stedenbouwkundige raamwerken voor de voorgenomen ontwikkeling. Deze elementen zijn zo ingepast dat zij in stand blijven tijdens en na de ontwikkeling van het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst'.
5.2.5
Duurzaamheid
Door de Rijksoverheid en de gemeenten is het Klimaatakkoord ondertekend. Daarin ligt de doelstelling vast om klimaatverandering tegen te gaan. Het akkoord stelt het doel dat Nederland in 2030 49% minder CO2 uitstoot ten opzichte van 1990. Voor 2050 is het doel om vrijwel emissieloos te zijn. Om deze doelstelling te realiseren is het pakket aan maatregelen voor het Klimaatakkoord vastgesteld. Deze maatregelen gaan over reductie van de uitstoot van schadelijke stoffen, energiebesparing en een vergroting van het aandeel duurzame energie.
In het Rijksbrede programma Nederland Circulair in 2050 is als doel gesteld dat in 2030 Nederland 50% minder primaire grondstoffen zal gebruiken (mineralen, metalen en fossiel). Nederland wil in 2050 een circulaire economie zijn. Een economie zonder afval, waarbij alles draait op herbruikbare grondstoffen. Beoogde ontwikkeling in relatie tot milieu De nationale doelen gelden ook voor Katwijk. Katwijk streeft er naar bij elke ruimtelijke ontwikkeling de schade aan het milieu en gezondheid op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. We willen daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de stedelijke ontwikkeling op een zo hoog mogelijk niveau brengen. In het duurzaamheidsbeleid van de gemeente worden vier thema's met name beschouwd: energie, circulariteit, mobiliteit en klimaat.
Deze thema's worden in beleidsregel duurzaamheid uitgewerkt. Voor het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' zijn duurzaamheidsmaatregelen die een uitwerking hebben op beeldkwaliteit ook opgenomen in het beeldkwaliteitsplan. Beleidsregel en beeldkwaliteitsplan maken integraal deel uit van de regels van dit bestemmingsplan. Om te bepalen welke duurzaamheidsmaatregelen een bijdrage kunnen leveren aan de duurzame ontwikkeling van het plangebied, voeren wij onderzoek uit. De beleidsregel duurzaamheid is mede gebaseerd op de resultaten. We onderzoeken verder en passen ons toekomstig beleid daarop aan, teneinde nog beter ons op de duurzaamheidsdoelen te kunnen richten.
Toetsingskader Regionaal Beleidskader Duurzame Stedenbouw (RBDS) Het RBDS beoogt duurzaamheid een vaste en volwaardige plek te geven in het planproces van ruimtelijke plannen voor gebieden en in een vroeg planstadium van werkzaamheden en bouwprojecten te betrekken met een hogere ambitie dan wettelijk verplicht. Daarbij gaat het om gebieden groter dan 1 hectare of bouwprojecten met meer dan 10 woningen. Duurzaamheid is hierbij ruim gedefinieerd als "People, Planet, Profit" (PPP). Dit betekent dat naast ambities op het gebied van milieu ook maatschappelijke/sociale en economische ambities een plek hebben gekregen in het beleid. Met het vaststellen van deze richtlijn heeft de gemeente een instrument in handen om een duurzame ambitie te bepalen. Een ambitietabel maakt deel uit van het RDBS. Met die tabel kunnen de duurzaamheidsambities bepaald worden: tijdens de initiatieffase, voor het vaststellen van de relevante duurzaamheidthema's; tijdens de definitiefase voor het bepalen van de basisambitie van de relevante duurzaamheidthema's en daarbovenop van minstens één duurzaamheidthema een extra ambitie te kiezen, en deze te realiseren; in de realisatiefase om de duurzaamheidambities te monitoren.
Regionale DuBoPlus Richtlijn De nagestreefde kwaliteit en duurzaamheid van een (nieuw)bouwproject dienen op basis van een overeenkomst tussen de gemeente en de bouwer/ontwikkelaar geborgd te worden. Voor de woning- en utiliteitsbouw worden de duurzame prestaties berekend met het instrument 'Gemeentelijke Prestatierichtlijn' GPR-Gebouw en de resultaten per aspect gepresenteerd in een schoolcijfer (1-10). Een 7 is de minimale norm. De ambitie ligt hoger.
70
status: geconsolideerd
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
Het Energieprogramma 2015-2020 heeft in algemene zin als doelstelling het terugdringen van de energievraag (besparing) en het inzetten van zo veel mogelijk duurzame energiebronnen (transitie). Het beoogde resultaat is een afname van het gebruik van fossiele brandstoffen, waardoor de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen verder afneemt. Het Energieprogramma richt zich op energiebesparing en energietransitie woningen en bedrijven, mobiliteit, grootschalige duurzame energieopwekking en energiemonitoring. Het Energieprogramma wordt vanaf 2021 verder opgenomen bij de uitwerking van de Regionale Energiestrategie (RES) en gaat over in de Lokale Energiestrategie (LES).
Het Grondstoffenbeleidsplan Katwijk gaat vooral in op scheiding, inzameling en verwerking van huishoudelijk afval in de gemeente. Inzet is een vermindering van de afvalstromen, het maximaliseren van afvalscheiding en een zo hoogwaardig mogelijk hergebruik als grondstof. Het plan bevat tevens een afwegingskader voor de te kiezen basisinzamelings- en verwerkingsstructuur.
Onderzoek Er wordt nog grondstoffenvisie voor het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' opgesteld. Daarin wordt aangegeven hoe binnen het plangebied met circulariteit kan worden omgegaan. De intentie van die visie is om grondstoffenketens zoveel mogelijk te sluiten. Daarbij worden de stromen van alle gebruiksfuncties (bouw, gebruik en aanleg) van het plangebied in beeld gebracht. Aan de hand van dit onderzoek wordt in ieder geval de afvalinzamelingstructuur voor de nieuwe wijk vastgesteld. Aanvullend op het voorgaande heeft tijdens het opstellen van het MER ook onderzoek plaatsgevonden naar duurzaamheid. In het MER (bijlage 19) worden de onderzoeksresultaten beschrijven en zijn duurzaamheidsmaatregelen benoemd. Deze maatregelen zijn waar mogelijk geborgd in de regels van dit bestemmingsplan of de beleidsregels die uitleg geven aan dit bestemmingsplan. Op deze manier werkt duurzaamheid in de gehele ontwikkeling van het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' door.
Warmtenetten zijn een middel om gebouwen van warmte te voorzien die op een duurzame manier opgewekt wordt. Een grote hoeveelheid warmtenetten of warmtekoude-installaties in de ondergrond kan tot interferentie leiden. Om dit te voorkomen heeft de gemeente interferentiebeleid en een bodemenergieplan opgesteld. Daarnaast heeft de gemeente warmtebeleid opgesteld. De beleidsregel 'Duurzaamheid' die uitleg geeft aan de bepalingen in de regels van dit bestemmingsplan, dwingt naleving van dit beleid af. Als er een collectief warmtenet in (delen van) het plangebied gerealiseerd wordt, dan moet daar op aangesloten worden tenzij er nog duurzamer alternatieven aawezig zijn. Een dergelijke aansluitplicht zal, indien nodig, onderdeel worden van het warmteplan dat voor het plangebied opgesteld wordt.
Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. In de planvorming is dit aspect als ordenend principe gebruikt. Door mogelijke duurzaamheidsmaatregelen te onderzoeken en vervolgens te verkennen of en hoe zij geborgd kunnen worden, werkt duurzaamheid in zowel de realisatie- als gebruiksfase door. Deze doorwerking krijgt vorm in zowel dit bestemmingsplan, de beleidsregels die uitleg geven aan dit bestemmingsplan en in privaatrechtelijke afspraken.
5.2.6
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid worden de risico's, die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen beschreven. Het juridisch kader voor externe veiligheid wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Hierin staan de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) centraal. Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit.
status: geconsolideerd
71
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
Toetsingskader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals bij de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij de herinrichting van een gebied bepalen deze risico's mede de ruimtelijke mogelijkheden. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle activiteiten in de nabijheid van het plangebied. Dat kan zowel inrichtingen als transporten betreffen. Van die activiteit dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) te worden bepaald en eventueel de toename hiervan. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet mag worden overschreden. Voor bestaande situaties wordt het niveau van 10-5 per jaar als grenswaarde gehanteerd, 10-6 per jaar geldt als richtwaarde. Voor nieuwe situaties geldt een grenswaarde van 10-6 per jaar. Een richtwaarde is daarbij niet van toepassing.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te zijn verantwoord. Onderzoek Om inzicht te verkrijgen in de externe veiligheidssituatie in het plangebied is er door Antea Group een onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. Onderstaand zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Er zijn geen revelante risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied. Daarentegen zijn er wel meerdere relevante risicobronnen, namelijk: vier hogedrukaardgastransportleidingen, N206 en Rijksweg A44.
Hogedrukaardgastransportleidingen In- en nabij het plangebied zijn de volgende vier hogedrukaardgastransportleidingen relevant: W-535-13, W-535-18, W-535-01 en A-650. Geen van de buisleidingen heeft een PR 10-6-contour. Er is een groepsrisicoberekening uitgevoerd voor de buisleidingen. Hieruit blijkt dat het groepsrisico van alle buisleidingen zich onder de oriëntatiewaarde bevindt. Het groepsrisico van twee buisleidingen nemen echter wel toe. In onderstaande tabel 5.2.6.1 is dit weergegeven. Tabel 5.2.6.1: groepsrisico buisleidingen
De toename van het groepsrisico van de buisleiding W-535-13 is het hoogst. Dit is verklaarbaar doordat deze buisleiding in het plangebied ligt. Door de beoogde ontwikkeling schuift de kilometer met het hoogste groepsrisico van de buisleidingen W-535-13 en W535-01 richting het plangebied. Aangezien het groepsrisico van de buisleidingen W-535-13 en W-535-01 met meer dan 10% toeneemt, is een verantwoording verplicht. In het onderzoek dat als bijlage 6 is opgenomen bij deze toelichting, zijn handvatten opgenomen voor de verantwoording van het groepsrisico. Er zijn geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De hogedrukaardgastransportleidingen worden beheerd door Gasunie transport services. Deze organisatie heeft beleid voor de plaatsing van opwekkingsvoorzieningen voor duurzame energie nabij gasleidingen (waaronder ook hogedrukaardgastransportleidingen) verstaan worden. Gasunie transport services hanteert als beleid dat het plaatsen van opwekkingsvoorzieningen voor windenergie binnen 245 meter van een gasleiding om overleg met de leidingbeheerder vraagt. Op dezelfde manier vraagt het realiseren van opwekkingsvoorzieningen voor
72
status: geconsolideerd
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
zonne-energie binnen 200 meter van gastransportleidingen om overleg met de leidingbeheerder. Deze eisen kunnen veranderen als bijvoorbeeld innovaties de combinatie van gasleidingen en opwekkingsvoorzieningen op kortere afstand veilig mogelijk maken. Omdat dit beleid kan veranderen zijn de eisen van Gasunie tranport services niet vertaald in de regels van dit bestemmingsplan, maar in de beleidsregel 'Duurzaamheid'. Die beleidsregel is immers gemakkelijk aan te passen naar nieuwe inzichten als dat noodzakelijk blijkt.
N206 Het plaatsgebonden risico van de N206 is met behulp van RBM II berekend. Hieruit volgt dat de weg geen plaatsgebonden risicocontour heeft. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden uit het Bevt. Doordat het plangebied binnen 200 meter van de N206 gelegen is, is er een groepsrisicoberekening met behulp van RBM II verricht. Hieruit volgt dat het groepsrisico niet toeneemt en zich onder de oriëntatiewaarde bevindt. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Er zijn geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De hogedrukaardgastransportleidingen lopen door het plangebied en de N206 ligt nabij het plangebied. Uit het voorgaande blijkt dat deze elementen risico's in het plangebied kunnen veroorzaken. De gebouwen die het dichtste bij deze elementen staan (de zogenoemde eerstelijnsbebouwing) kennen de meeste risico's en worden als eerste geconfronteerd met de gevolgen van een calamiteit. Om blootstelling van mensen aan dergelijke calamiteiten te beperken is in de regels van dit bestemmingsplan bepaald dat de vestiging van kwetsbare objecten uitgesloten is binnen de 1%-letaliteitscontour van de hogedrukaardgastransportleidingen. Daarnaast is bepaald dat de vestiging van kwetsbare objecten uitgesloten is in de eerstelijnsbebouwing bezien vanaf de locatie van gastransportleidingen en de N206.
Dit laatste heeft tevens een positief effect op de blootstelling van kwetsbare groepen aan luchtverontreiniging. Aanvullend daarop is bepaald dat bebouwing niet in een hogere dichtheid dan voorzien in het onderzoek in bijlage 6 bij deze toelichting gerealiseerd mag worden. Hiermee wordt voorkomen dat te grote groepen mensen blootgesteld worden aan risico's. Deze risico's zijn van toepassing op gronden met de functies 'Groen' en 'Woongebied - 1', de regels gelden derhalve alleen voor die functies. A44 Gezien de grote afstand (ongeveer 1300 meter) tot het plangebied is geconcludeerd dat het plangebied ruim buiten de plaatsgebonden risicocontouren en plasbrandaandachtsgebieden is gelegen. Omdat de ontwikkeling op grotere afstand is gelegen dan 200 meter van deze transportbronnen, wordt ten aanzien van deze bronnen geen groepsrisicoberekening vereist. Over de weg worden toxische stoffen vervoerd met een zeer groot invloedsgebied (vier kilometer). Hiervoor is in het onderzoek zoals opgenomen in bijlage 6 een verantwoording van het groepsricico opgenomen. Er zijn geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Windturbines Voor de oostzijde van het Valkenburgse Meer zijn al enkele jaren plannen in ontwikkeling om hier windturbines te plaatsen.
Deze windturbines worden in een afzonderlijke procedure mogelijk gemaakt, maar staan niet helemaal los van de ontwikkeling van het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst'. De woningbouw van het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' is op circa 1 kilometer afstand van de beoogde windturbines gelegen. Doordat er reeds woningen op kortere afstand van de windturbines aanwezig zijn, zal de ontwikkeling van het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' niet leiden tot (nieuwe) belemmeringen voor de realisatie van windturbines. Daarnaast bevindt de ontwikkeling van windturbines zich in de planvoorbereidingsfase en zullen de ruimtelijke procedures navolgend aan dit bestemmingsplan plaatsvinden.
Conclusie De conclusie luidt dat de veiligheid in het kader van dit bestemmingsplan niet in het geding is.
5.2.7
Flora en Fauna
5.2.7.1 Wettelijk kader Algemeen De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000- gebieden,
status: geconsolideerd
73
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. In de voorliggende Natuurtoets wordt niet ingegaan op de bescherming van houtopstanden omdat deze niet aan de orde is aangezien er geen bomen worden gekapt in voorliggend plangebied. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels; 3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora'). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogelen Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Bij voorliggende toetsing wordt tevens beoordeeld of soorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied.
Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en/of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden; de Natura 2000-gebieden maken daar deel van uit. Naast de Natura 2000-gebieden bevat het NNN ook overige leefgebieden van soorten en – om isolatie te voorkomen - gebieden die een verbinding vormen tussen natuurgebieden. Het NNN is onderdeel van het actieve beleid om bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De natuurgebieden die behoren tot het NNN en hun functies worden planologisch beschermd, hier geldt het ‘nee, tenzij’- principe. De planologische bescherming betekent in het kort dat geen nieuwe bestemmingen worden toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte, de kwaliteit en de samenhang van het NNN.
Hieraan wordt getoetst bij de verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 5.2.7.2 Onderzoek Soortenbescherming Op 27 augustus 2020 door Eelderwoude een natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage 9 bij deze toelichting). Voor het plangebied zijn hiervoor de volgende bevindingen:
Vleermuizen De data van het meest recente integrale vleermuizenonderzoek dateren van 2014. Om de effecten van de ontwikkeling voor vleermuizen en een eventuele ontheffingsaanvraag te bepalen, is derhalve nader onderzoek naar vleermuizen nodig. Uit de eerdere onderzoeken is gebleken dat het open gebied van het voormalige vliegveld ongeschikt is voor vleermuizen. De gebouwen in het hangaargebied zijn wel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Bij sloop of renovatie van deze gebouwen kunnen verblijfplaatsen vernietigd worden. Indien er wel werkzaamheden aan bestaande gebouwen plaatsvinden, moet onderzoek aantonen of hier daadwerkelijk vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn. Het Bunkerbos en de Wassenaarsche Watering maken onderdeel uit van de vliegroutes van de vleermuizen. Hier zijn geen ontwikkelingen voorzien, maar woningbouw en infrastructuur in de nabijheid kan wel leiden tot
74
status: geconsolideerd
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
verstoring door lichthinder. Door een zone langs het Bunkerbos en de Wassenaarsche Watering vrij te houden van bebouwing of maatregelen voor verlichting voor de schrijven kan aantasting voorkomen worden.
Broedvogels en andere soorten van het open gebied Het plangebied heeft vooral voor broedvogels en andere soorten van het open gebied een belangrijke functie. Door de ontwikkeling neemt het areaal open agrarische gebied af en daarmee het leefgebied van vogels van open gebieden zoals de veldleeuwerik, graspieper, grutto, kievit, scholekster en tureluur. Dit is een aantasting van het leefgebied van deze groep vogels. Doordat het open gebied niet is aangewezen als beschermd (weidevogel)gebied is ten gevolge van de ontwikkeling geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming of het natuurbeleid.
Broedvogels van gebouwen met jaarrond beschermde nesten Een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wnb voor gebouwbewonende vogelsoorten is niet noodzakelijk aangezien de woningen en gebouwen waar recent huismusterritoria zijn vastgesteld (Eelerwoude, 2018) behouden blijven. Ter hoogte van de locatie Van Leeuwen zijn huismussen aanwezig. Omdat momenteel onduidelijk is of ter plaatse ontwikkelingen zullen plaatsvinden wordt een voorwaardelijke onderzoeksverplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.
Broedvogels van boselementen met jaarrond beschermde nesten Voor broedvogels van boselementen met jaarrond beschermde nesten zijn verblijfsplaatsen aangetroffen. Deze blijven behouden. Indien hiervan wordt afgeweken dient aangetoond te worden dat het voornemen uitvoerbaar is en ontheffing verleend te worden. Voor andere vogelsoorten is een ontheffing niet noodzakelijk. Wel dient met het onderstaande rekening te worden gehouden. 1. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te verstoren, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. 2. Om het gehele jaar het droneveld te kunnen gebruiken, is het noodzakelijk om te voorkomen dat vogels van het open gebied gaan nestelen op het droneveld. Bij het gebruik van het droneveld wordt altijd rekening gehouden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels (zie vorig punt). Daarnaast wordt op uitvoeringsniveau bezien of er maatregelen te nemen zijn waarmee voorkomen wordt dat vogels op het droneveld gaan nestelen.
Marterachtigen Het leefgebied van deze soort wordt aangetast door het planvoornemen. Echter voorziet de groene buffer voldoende compensatie als leefgebied.
Rugstreeppad Het laatste integrale onderzoek naar de rugstreeppad is gedateerd (2014). Om de effecten voor de beschermde amfibieënsoort rugstreeppad en een eventuele ontheffingsaanvraag te bepalen, is nader onderzoek naar de actuele verspreiding van de soort in het plangebied nodig.
Tengere distel In de zomer van 2020 is in het plangebied een groeiplaats van de tengere distel aangetroffen. De tengere distel is een plant die nagenoeg uitgestorven is in Nederland. Net als de beschermde diersoorten wordt de tengere distel beschermd door de Wet natuurbescherming. Bij eventuele ingrepen op of nabij de groeiplaats van deze beschermde plant moet aangetoond worden dat de handeling geen negatieve effecten op de tengere distel hebben.
status: geconsolideerd
75
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst"
Gebiedsbescherming Bij gebiedsbescherming gaat het om gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van het Natura 2000-gebied, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of belangrijke weidevogelgebieden. Natura 2000-gebieden Direct ten noordwesten van het plangebied ligt Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. Op grotere afstand liggen de Natura 20000-gebieden Coepelduynen, De Wilck, en Kennemerland-Zuid. Door Antea Group is een passende beoordeling inclusief stikstofonderzoek (bijlage 10 bij deze toelichting) uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in mogelijke effecten op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Met de ontwikkeling van het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' verandert de uitstoot van stikstof. De nieuwe woonwijk leidt in de gebruiksfase onder meer tot een toename van voertuigbewegingen, die een toename van de uitstoot van stikstof tot gevolg hebben. Daarnaast leidt de realisatie (bouw) van het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' tot stikstofemissie door de inzet van machines en het transport van materialen en personeel. Bij het berekenen van de stikstofuitstoot en -depositie wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen de gebruiksfase en de realisatiefase. Tegelijkertijd verdwijnen er functies en activiteiten in het gebied. De ontwikkeling van het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' leidt tot beëindiging van bedrijvigheid in het gebied.
Daarnaast zorgen aanpassingen aan de infrastructuur voor veranderingen in huidige verkeersstromen. Dit heeft een afname van stikstofuitstoot en -depositie tot gevolg. Middels berekening is aangetoond dat de ontwikkeling van het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op de stikstofgevoelige natuurgebieden. Voor het bestemmingsplan zijn stikstofberekeningen uitgevoerd. De gebruiksfase (toename van verkeer), de stikstofbronnen van de realisatiefase en de salderingsmaatregelen zijn hierin gemodelleerd. Om rekening te houden met de gefaseerde ontwikkeling van het 'Herstelbesluit Woongebied Valkenhorst' en te bepalen of het scenario met de hoogste stikstofemissie ook saldeert, zijn er meerdere scenario's doorgerekend. Uit de berekeningen voor de verschillende situaties blijkt dat het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Door het verdwijnen van bedrijvigheid met stikstofemissies is gemiddeld genomen zelfs een afname van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Hiermee is geen sprake van een significante verslechtering op de Natura 2000-gebieden. Derhalve vormt het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor de voortgang van het plan. Een uitgebreide beschrijving van de stikstofbronnen en berekende scenario's is op genomen in het stikstofonderzoek.