CConstaterende datwassenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering Wassenaar 30 maart 2021, gemeente wassenaarBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenking Van Polanenpark 10513.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het volume sterk verontreinigde grond nabij het noordwestelijke gedeelte van het pand wordt geschat op 22 m3. Op basis van het geschatte volume (< 25 m 3) is geen sprake van een geval verontreiniging een historisch geval van bodemverontreiniging betreft (ontstaan voor 1987). Gezien geen sprake is van een ernstige bodemverontreiniging, vanwege de omvang van de sterk verontreinigde grond, is geen BUS-melding benodigd en is saneren niet verplicht. Echter, is het wenselijk om de gronden alsnog te saneren in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Omdat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en er bij de aangetoonde concentraties PAK in zowel de huidige als toekomstige situatie geen sprake is van humane risi volstaan worden met verwijdering van alle sterk met PAK verontreinigde grond. In dit kader wordt een plan van aanpak ten behoeve van de sanering opgesteld.

4.5.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.6 EXTERNE VEILIGHEID 4.6.1

Algemeen

Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 28

Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

4.6.2

Relatie tot ontwikkeling

Op de risicokaart is te zien dat: Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. figuur 12. Uitsnede risicokaart, plangebied aangegeven met paarse ster (bron: www.nederland.risicokaart.nl)

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 29

4.6.3

Conclusie

Het ini Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.7 GELUID 4.7.1

Algemeen

Bij een wijziging of ontheffing van een bestemmingsplan biedt de Wet geluidhinder het wettelijk toetsingskader voor nieuwbouw van geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen. In eerste aanleg dient onderzocht te worden of de toekomstige geluidbelasting van de gevel van de woningen vanwege de aanwezige gezoneerde wegen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Uitgangspunt voor het bepalen van de toekomstige geluidbelasting is de situatie 10 jaar na realisatie van de plannen.

4.7.2

Relatie tot ontwikkeling

In de directe omgeving van het plan zijn de Van Duivenvoordelaan en de van Cranenburchlaan gezoneerde wegen met een zone van 200 meter. De afstand van het plan tot de van Cranenburchlaan betreft circa 165 meter en tot de van Duivenvoorde bedraagt ca. 90 meter. Geconcludeerd kan worden dan het plan binnen de zone van deze wegen ligt. De aanwezige bebouwing grenzend aan deze wegen heeft een afschermend effect op de geluidbelasting van de achtergelegen bebouwing. Dit blijkt ook uit de geluidkaarten voor 2016 van de Gemeente Wassenaar die zijn opgesteld in het kader van de Europese richtlijn omgevingslawaai. Uit deze kaarten blijkt tevens dat ter plaatse van het bouwplan de geluidbelasting ten gevolge van alle wegen minder dan 50 dB bedraagt. Omdat er ingevolge de Wet geluidhinder een aftrekregeling van 5 dB geldt voor toetsing aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB betekent dit dat bij een feitelijke geluidbelasting van 53 dB nog aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. In figuren 13 en 14 zijn uitsneden opgenomen van de gemeentelijke geluidskaarten, hierop is het plangebied aangegeven met een paarse ster en is zichtbaar dat aan de geluidsbelasting voldaan wordt. figuur 13. Uitsnede Geluidscontouren Lden gemeente Wassenaar (bron: geluidskaarten Wassenaar 2016)

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 30

figuur 14. Uitsnede Geluidscontouren Lnight gemeente Wassenaar (bron: geluidskaarten Wassenaar 2016)

Met betrekking tot het maatgevende jaar 2028 zal alleen sprake zijn van autonome groei van het wegverkeer; er zijn geen grootschalige ontwikkelingen voorzien die tot een aanzienlijke toename van de verkeersintensiteit op deze wegen zou kunnen leiden. Derhalve zal ook in 2028 aan de voorkeursgrenswaarde worden voldaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ook het verkeer van de nabijgelegen wegen waarvoor geen zone is ingesteld beschouwd. Dit zijn wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur. Het Van Polanenpark wordt alleen gebruikt voor plaatselijk bestemmingsverkeer. Ook hier is de komende jaren geen grote toename van het verkeer te verwachten.

4.7.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.8 LUCHTKWALITEIT 4.8.1

Algemeen

In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De 2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 31

woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

4.8.2

Relatie tot ontwikkeling

In onderhavig geval is sprake van de toevoeging van 260 woningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 19 augustus 2020). Tabel 2.

Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl)

Jaar

GCN-achtergrondconcentratie locatie ID 117502 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3) PM2,5 (µg/m3)

2020 2030

18.4 12

19.4 16.8

11.3 9.1

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.

4.8.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.9 NATUUR 4.9.1

Algemeen

Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 32

Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn.

Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN -tenzijfhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

4.9.2

Relatie tot ontwikkeling

Ten behoeve van de ontwikkeling is door ATKB Buro Bakker een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van 14 augustus 2020 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend beschreven. Soortenbescherming In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beschermde soorten die op basis van het literatuur en veldonderzoek (mogelijk) aanwezig zijn binnen het plangebied.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 33

Tabel 3. Mogelijke beschermde soorten (bron: quickscan Wnb ATKB Buro Bakker)

Bij het planvoornemen dient men rekening te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten (tabel 3 houden met de (binnen de provincie Zuid-Holland) van bescherming vrijgestelde soorten (o.a. huisspitsmuis, egel) en overige in het wild levende flora en fauna. In onderstaande tabel zijn benodigde voorzorgsmaatregelen opgenomen. Tabel 4. Benodigde voorzorgsmaatregelen (bron: quickscan Wnb ATKB Buro Bakker)

De voorzorgsmaatregelen worden nageleefd en genomen waardoor geen ontheffing in het kader van de Wnb benodigd is. Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 34

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 1,5 kilometer) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door geluid, trilling en licht) verwacht. Het plangebied ligt niet in het NNN of overige provinciaal beschermde gebieden. Direct negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 1 kilometer) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Op basis van bovenstaande is toetsing aan de planologische gebiedenbescherming van het NNN en/of overige provinciaal beschermde gebieden niet van toepassing. Daarnaast zijn door ATKB Buro Bakker eveneens AERIUS-berekeningen uitgevoerd. De rapportage van 20 oktober 2020 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden hieronder beschreven.

Op basis van de AERIUS-berekeningen wordt geconcludeerd dat, zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase, in geen enkel Natura 2000-gebied sprake is van een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jr als gevolg van de nieuwbouw van appartementen aan het Van Polanenpark in Wassenaar. Zodoende is geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Ten aanzien van stikstof is het plan uitvoerbaar, er is geen vergunning Wnb (via het Stikstofregistratiesysteem) nodig

4.9.3

Conclusie

Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.10 VERKEER EN PARKEREN 4.10.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

4.10.2 Relatie tot ontwikkeling Parkeren Auto Voor het in kaart brengen is gebruik gemaakt van de CROW 318. In de CROW wordt onderscheid gemaakt in verschillende stedelijkheidsgraden. Vanaf een omgevingsadressendichtheid > 2.500 is sprake van een zeer sterk stedelijk gebied. Op basis van het CBS is sprake van een bevolkingsdichtheid van 2.920 in de wijk Weteringspark en 7.186 in de wijk Zijlwatering en haven. Het plangebied is gelegen in een van deze wijken en gezien de bevolkingsdichtheid kan uit worden gegaan van een zeer sterk stedelijk gebied. Verder is voor het berekenen van de parkeerbehoefte gebruik gemaakt van de volgende eigenschappen: - Acht woningen; - Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur); - Locatie: rest bebouwde kom.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 35

Op basis van het bovenstaande geldt een parkeernorm van 1,5 per woning, waarvan 0,3 parkeerplaats voor bezoekers toegankelijk dienen te zijn. Voor 8 woningen dienen 12 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Voor de ontwikkeling is ook een parkeerbalans opgesteld, waaruit blijkt dat 15 parkeerplaatsen benodigd zijn, tot de behoefte van 13 parkeerplaatsen. Op eigen terrein worden 10 parkeerplaatsen gerealiseerd en 3 parkeerplaatsen worden in de openbare ruimte opgelost. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbalans en de CROW-norm. Fiets Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. Bij de beoogde ontwikkeling worden 16 fietsparkeerplaatsen in een berging gerealiseerd. Door het CROW is een rapportage (maart 2020, versie 4) uitgebracht, met daarin fietsparkeercijfers, Hieruit volgt dat voor appartementen met fietsenberging in ieder geval 0,75 per 25 m2 bvo aan fietsparkeerplaatsen gerealiseerd moet worden. De appartementen zijn circa 60 m2 bvo. Dit leidt ertoe dat 15 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Hier wordt aan voldaan. Verkeersgeneratie en ontsluiting Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de publicatie 381 geraadpleegd. Hierbij hebben de volgende invoergegevens als uitgangspunt gediend: Huur, appartement, midden/goedkoop (incl.

sociale huur rest bebouwde kom Wassenaar. Hieruit volgt een verkeersgeneratie van 29 mvt/etmaal. In de CROW publicatie zijn geen kencijfers opgenomen voor een buurtvereniging, echter is op basis van het bestemmingsplan ook een kinderopvang mogelijk ter plaatste van de projectlocatie. Hiervoor zijn wel kencijfers opgenomen. In dat geval is sprake van een verkeersgeneratie van 81 mvt/etmaal. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling een kleinere verkeersaantrekkende werking heeft dan functies die momenteel ter plaatse van de projectlocatie mogelijk zijn. Op basis hiervan kan eveneens geconcludeerd worden dat de ontsluitingsweg Van Polanenpark de verkeersbewegingen kan opvangen.

4.10.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.11 WATER 4.11.1 Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.

4.11.2 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Ten behoeve van deze ontwikkeling is op 23 september 2020 de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de gegeven antwoorden concludeert het systeem dat zij geen belang heeft bij de plannen. De beoogde ontwikkeling heeft geen (significant) negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 36

Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen die in contact kunnen komen met hemelwater, zoals lood, koper en zink niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit In de huidige situatie is het plangebied volledig verhard. Het beoogde plan zal door de tuinen bij de woningen en het groen in het plangebied leiden tot een afname in het verhardoppervlak. Derhalve is watercompensatie niet. Beschermde gebieden De projectlocatie ligt niet in of in de beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. Derhalve treden geen belemmeringen op voor het project. figuur 15. Legger regionale waterkeringen Hoogheemraadschap van Rijnland, plangebied aangegeven met paarse ster

Riolering Het projectgebied kent een gemengd rioolstelsel, waarbij het hemelwater tijdens hevige regenval via overstorten op het oppervlaktewater geloosd wordt. De afvoer van regen- en vuilwater zal conform de daarvoor geldende eisen worden ontworpen.

4.11.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.12 (VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING 4.12.1 Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 37

De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

4.12.2 Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van acht woningen. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject ex D 11.2 van het Besluit m.e.r. laat ruimte voor interpretatie. Het antwoord op de vraag of sprake is van (aanleg van) een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van (de voorziene aanleg van) de ontwikkeling een rol spelen. Eén en ander volgt uit de uitspraken van de ABRvS d.d. 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694), 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) en 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2414).

Uit diezelfde uitspraken volgt dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, niet afhankelijk is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan als gevolg van het project. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van onderdeel D, categorie 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om bouwprojecten zoals woningen, parkeerterreinen, bioscopen, inhoudt kan van regio tot regio verschillen. De vorm van een vorm-vrije m.e.r. is niet bepaald, maar de inhoud waar een m.e.r.-beoordeling aan dien te voldoen is wel bepaald. In de vormvrije m.e.r. dient de volgende inhoud te zijn vermeld: 1. Kenmerken van de projecten. 2. Plaats van de projecten. 3. Kenmerken van het potentiële effent. 1. Kenmerken van de projecten Het voornemen is om de huidige bebouwing ter plaatse van de projectlocatie te slopen en acht sociale huurwoningen te realiseren. De appartementen hebben een oppervlak van circa 60 m2 bvo en de maximale bouwhoogte bedraag circa 6,5 meter. 2. Plaats van de projecten

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 38

De projectlocatie is gelegen aan het Van Polanenpark 105 te Wassenaar. Aan elke zijde van de projectlocatie zijn woningen gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is gelegen op een afstand van circa 1.500 meter van de projectlocatie. Daarnaast is het dichtstbijzijnde NNN op een afstand van circa 1.000 meter van de projectlocatie gelegen. 3. Kenmerken van het potentiële effect In hoofdstuk 4 van deze ruimtelijk onderbouwing zijn de omgevingsaspecten behandeld. Hierin komt onder andere naar voren dat geen sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Daarnaast leidt de realisatie van acht sociale huurappartement tot een afname van verkeersaantrekkende werking. Overige milieuaspecten leiden eveneens niet tot significant negatieve effecten, waardoor geconcludeerd kan worden dat geen m.e.r.beoordeling noodzakelijk is voor onderhavig project.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 39

Hoofdstuk 5 Beschrijving uitvoerbaarheid 5.1 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan Van Polanenpark 105 te Wassenaar is een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Wassenaar en De Wassenaarsche bouwstichting. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.

5.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 5.2.1

Participatie

De direct omwonenden rondom de locatie Polanenpark 105 zijn in september 2019 uitgenodigd voor een bewonersavond. Hiervoor waren circa 50 bewoners uit de directe omgeving uitgenodigd. Tijdens deze avond is aangegeven dat omwonenden de mogelijkheid hebben om deel te nemen aan de plangroep sessie. Het doel hiervan was het voeren van een inhoudelijk dialoog over de stedenbouwkundige- en ontwerp uitgangspunten van de te realiseren ontwikkeling. Hiervoor hebben 6 bewoners en 1 vertegenwoordiger van de buurtvereniging zich aangemeld en deelgenomen aan deze plangroep sessies. Hierin participeert ook de gemeente, de Wassenaarsche Bouwstichting en de Architect. De plangroep sessies hebben op diverse momenten van november 2019 tot en met juni 2020 plaatsgevonden onder leiding van een onafhankelijke procesbegeleider. In de plangroep zijn de kernwaarden geformuleerd voor de herontwikkeling van de locatie. De architect heeft diverse stedenbouwkundige modellen gepresenteerd aan de plangroep. De stedenbouwkundige modellen gingen in beginsel uit van 10 woningen. In plangroep zijn vanuit de bewoners opmerkingen gemaakt op de het aantal van 10 woningen. Dit heeft ertoe geleid dat de architect het plan heeft geoptimaliseerd en een plan met 8 woningen heeft gepresenteerd. De plangroep was unaniem enthousiast over de variant van 8 woningen.

Het plan is na de laatste plangroep sessie in juni 2020 verder uitgewerkt naar een definitief ontwerp. Het definitief ontwerp is ter kennisgeving naar de plangroep gestuurd.

5.2.2

Planologische procedure

Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Tijdens de inzagelegging van het ontwerpbesluit bestaat de mogelijkheid voor eenieder gedurende deze periode van zes weken mondeling dan wel schriftelijk ziens wijzen in te dienen. Vervolgens bestaat de mogelijkheid voor belanghebbenden in beroep te gaan en/of een voorlopige voorziening aan te vragen bij de Raad van State ten tijde van de ter inzagelegging van het vastgestelde besluit. De bestuursrechter doet uitspraak binnen 6 maanden na afloop van de beroepstermijn. Door middel van de plangroep sessies en de mogelijk tot inzage wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 40

Hoofdstuk 6 Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid De initiatiefnemer heeft als doel 8 sociale huur appartementen te realiseren van ca. 60 m2. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=15188e41-205e-412d-8293-20c2739a8de3