CConstaterende datwassenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering Wassenaar 30 maart 2021, gemeente wassenaarBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenking Van Polanenpark 10513.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Datum Auteur

Polanenpark 105 te Wassenaar Definitief 20207 9 november 2020 M.L. Baboeram

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085

744 08 38

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 2

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving 2.1 Projectlocatie 2.2 Projectplan 2.3 Vigerend bestemmingsplan

4 5 5 5 7

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid

9 9 12 18 19

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Stedenbouwkundige motivering / Landschappelijke inpassing 4.2 Motivering behoefte / Ladder voor duurzame verstedelijking 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Bodem 4.6 Externe veiligheid 4.7 Geluid 4.8 Luchtkwaliteit 4.9 Natuur 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Water 4.12 (Vormvrije) m.e.r-beoordeling

23 23 24 25 26 27 28 30 31 32 35 36 37

Hoofdstuk 5 Beschrijving uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

40 40 40

Hoofdstuk 6 Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid

41

Bijlagen 1 Adviesdocument archeologie (RAAP 2020) 2 Bodemonderzoek (Terrascan 2020) 3 Quickscan Wet natuurbescherming (ATKB Buro Bakker 2020) 4 Stikstofdepositieberekeningen (ATKB Buro Bakker 2020)

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 3

Hoofdstuk 1 Inleiding In opdracht van de Wassenaarsche Bouwstichting heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van 8 woningen ter plaatse van de Van Polanenpark 105 te Wassenaar. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 4

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving 2.1 PROJECTLOCATIE De projectlocatie is gelegen aan de Van Polanenpark 105 te Wassenaar en maakt onderdeel uit van het kadastrale perceel: gemeente Wassenaar, gemeentecode WSBO1, sectie B, perceelnummer 8879. Het perceel bedraagt circa 1.195 m2. De gronden ter plaatse van de projectlocatie zijn in eigendom van de Wassenaarsche Bouwstichting en zijn in gebruik door Ad Hoc leegstandsbeheer. Aan elke zijde van de projectlocatie zijn woningen gelegen. In figuur 1 is een luchtfoto opgenomen, de projectlocatie is hierop aangegeven met een rode stippellijn. figuur 1. Luchtfoto projectlocatie

2.2 PROJECTPLAN De projectlocatie is gelegen aan Van Polanenpark 105, in figuur 2 is de projectlocatie weergegeven. De bebouwing is in beheer van Ad Hoc leegstandbeheer en de gronden zijn in eigendom van de Wassenaarsche Bouwstichting. Van Polanenpark is een uitbreidingswijk begrensd door de Oostdorperweg aan de westkant

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 5

en de Van Duivenvoordelaan aan de oostkant. De rechthoekige structuur van wegen (wijkontsluitingsweg, buurtontsluitingsweg, woonstraat) en sloten is in deze wijk heel herkenbaar. De wijk is opgebouwd uit buurten die overwegend uit rijtjeswoningen bestaan. Een aantal bouwblokken vormen een vierkant met een informeel binnenterrein. Af en toe is sprake van functionele (school, winkels) of typologische verbijzonderingen (hoogbouw en middelhoogbouw). figuur 2. Huidige situatie (bron: wassenaarder.nl)

Het voornemen is om huidige bebouwing te slopen en hier 8 nieuwbouwwoningen te realiseren. De woningen worden gerealiseerd als portiek woningen, de bebouwing wordt circa 6,5 meter hoog en de woningen bevinden zich in de sociale huursector. Bij de woningen worden een fietsenberging, 10 parkeerplaatsen en groenvoorzieningen gerealiseerd. Voor de herontwikkeling is een participatietraject doorlopen. Uit het participatietraject is het definitieve ontwerp ontstaan van 8 portiekwoningen. In eerste instantie zouden 10 galerijwoningen worden gerealiseerd. De keuze van het toepassen van een portiek leidt ertoe dat geen galerij meer nodig is. De toepassing van een portiek heeft als gevolg dat meer ruimte voor de portieken nodig is, waardoor in plaats van 10 woningen, 8 woningen worden gerealiseerd. De vermindering van woningen heeft als gevolg dat het totale woonblok iets minder lang wordt en minder parkeerplaatsen nodig zijn. Verder is door de toepassing van portiekwoningen en minder parkeerplaatsen, meer ruimte voor groenvoorzieningen. In figuur 3 in een ontwerp/plattegrond tekening van de toekomstige situatie opgenomen.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 6

figuur 3. Ontwerp toekomstige situatie (bron: VO Wassenaarsche Bouwstichting d.d. 27 oktober 2020)

2.3 VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied is het Hofcamp 2013 10 juni 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Wassenaar. De projectlocatie heeft de bestemming Waarde - Archeologie functieaanduiding Specifieke vorm van waarde archeologie 5 een maximum bebouwingspercentage van 80%, een maximum bouwhoogte van 4,5 meter en een maximum goothoogte van 4,5 meter. Figuur 4 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan, de projectlocatie is aangegeven met een blauwe stippellijn. Vervolgens worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover relevant voor de ontwikkeling en daarmee niet limitatief. Verder is ook het van kracht, vastgesteld op 12 april 2018. Via dit paraplubestemmingsplan worden de regels voor alle bestemmingen archeologie uit de vigerende bestemmingsplannen in Wassenaar vervangen. Op basis van het paraplubestemmingsplan geldt ter plaatse van de projectlocatie de dubbelbestemming . Gevolg hiervan is dat de dubbelbestemming rm van waarde vervallen.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 7

figuur 4. Uitsnede bestemmingsplankaart (www.ruimtelijkeplannen.nl geraadpleegd op 3 juli 2020)

Artikel 11 Maatschappelijk a. b. c. d.

bestemd voor: maatschappelijke functies van levensbeschouwelijke aard (religie), sociaal-medische (artsen en therapeuten), sociaal (huisvesting sociale werkvoorziening), sociaal-culturele (buurtcentra), educatieve en sociaal-educatieve aard (scholen, gymzalen en kinderopvang); openbaar toegankelijke speelterreinen ter plaatse van bestaande schoolpleinen, mits buiten de schooltijden tussen 10.00 en 22.00 uur; bij de bestemming behorende tuinen, erven, parkeerplaatsen

Toets aan bestemmingsplan De ontwikkeling van woningen is op een tweetal onderdelen in strijd met het vigerende bestemmingsplan. De strijdigheden zijn gelegen in: het gebruik: het is niet toegestaan om woningen te realiseren binnen de geldende bestemming de bouwhoogte: de maximum bouwhoogte van 4,5 meter wordt overschreden. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een Bij het doorlopen van de planologische procedure dient tevens rekening te worden gehouden met het bepaalde ten aanzien van archeologie. Voor dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van voorliggende rapportage.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 8

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleid 3.1 RIJKSBELEID 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. figuur 5. Afwegen met de NOVI. Bron: Nationale Omgevingsvisie.

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 9

Drie afwegingsprincipes van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling Uit de uitwerking van prioriteit 3 volgt dat steden zich duurzaam dienen te ontwikkelen en dat het woningaanbod moet aansluiten bij de vraag. Verder gaat de voorkeur uit naar verstedelijking. De sociale woningen worden aardgasvrij gerealiseerd sluiten aan bij de vraag naar betaalbare woningen. De woningen worden tevens binnen stedelijk gebied gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij . oor een woningvoorraad die aansluit op de het vergroten van de woningvoorraad in een fijne leefomgeving om te voorzien in de huidige behoefte aan woningen. Onderhavige ontwikkeling draagt bij aan deze opgave. 3.1.1.2 Conclusie Het plan is in lijn met de Nationale omgevingsvisie.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Conclusie Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.

3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder is als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 10

de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Artikel 3.1.6 van het Bro: Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Lid 3: indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Lid 4: een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat het bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.

Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Tevens wordt de mogelijkheid geboden in het derde lid, om de toepassing van de Ladder door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. De verwachting is dat de Ladder hierdoor beter hanteerbaar zal zijn, beter aansluit bij het geheel aan vereisten aan een toelichting bij bestemmingsplannen en tot minder 3.1.3.1 Relatie tot ontwikkeling Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een ruimtelijk plan voorziet in niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt (bron: uitspraak 201608869/1/R3, kenmerk: ECLI:NL:RVS:2017:1724). De voorgenomen ontwikkeling beoogt de realisatie van 8 woningen. In de voormalige situatie was sprake van 0 woningen. Ten aanzien van het aantal woningen geldt een toename van 8 eenheden. Voor het voorgenomen plan geldt in dit kader dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft om deze reden niet te worden gemotiveerd. Wel bestaat de algemene verplichting tot het aantonen van de nut en noodzaak van het plan.

Dit wordt in de opvolgende paragrafen aangetoond.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 11

3.1.3.2 Conclusie De ladder hoeft niet doorlopen te worden.

3.2 PROVINCIAAL BELEID 3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de omgevingsvisie is het al bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld. Naar een klimaatbestendige delta Het inrichten van de fysieke leefomgeving op een manier waarop deze klimaatbestendig blijft. Voorbeelden daarvan zijn: meer ruimte bieden aan water en het rekening houden met de impact van klimaatverandering bij nieuwe ruimtelijke projecten. Naar een nieuwe economie: the next level De stap van fossiele economie naar een circulaire economie in 2050, met grote gevolgen voor onder andere het haven-industrieel complex en de glastuinbouw. Er wordt ingezet op bijvoorbeeld digitalisering en een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving. Naar een levendige meerkernige metropool De stap naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Er moet een fors aantal woningen worden gerealiseerd en de woonvoorraad dient te worden verduurzaamd.

Ook zullen steden met elkaar verbonden moeten worden tot één metropolitaan gebied. In dit gebied zullen we moeten inzetten op het versterken van het leef- en vestigingsklimaat. Energievernieuwing Zuid-Holland wil de fossiele bronnen vervangen door hernieuwbare bronnen. Er worden maatregelen genomen om energie te besparen en het gebruik van aardgas drastisch te verminderen. Ook wordt ingezet op innovatie: nieuwe mogelijkheden voor energiegebruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte. Best bereikbare provincie De provincie moet optimaal verbonden zijn en blijven met regionale, landelijke en internationale centra. Er worden verkeersknelpunten aangepakt en de mobiliteitssector kan schoner worden gemaakt en verduurzaamd. Ook wordt ingezet op OV, gebruik van de fiets en vervoer over water. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Een groene leefomgeving draagt bij aan een gezonde leefstijl van de inwoners van de provincie, maar het landschap en de biodiversiteit staat ook onder druk door het groeiend aantal inwoners, economische ontwikkeling en klimaatverandering. De kwaliteit van de leefomgeving kan worden versterkt door natuur, water, recreatie, landbouw, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden.

Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 12

interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten. De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Inpassing.

Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied.

Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 13

figuur 6. Soorten ontwikkeling (bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland)

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Gebieden met topkwaliteit (beschermingscategorie 1) Een relatief beperkt aantal gebieden is zo bijzonder, waardevol of kwetsbaar, dat de instandhouding en mogelijk verdere ontwikkeling van de waarden die ze vertegenwoordigen, voorrang heeft boven alle andere ontwikkelingen. Deze gebieden dragen in hoge mate bij aan de identiteit, beleving en biodiversiteit van ZuidHolland, vormen een tegenhanger van het stedelijk gebied en versterken aldus het onderscheidend karakter van de provincie Gebieden met bijzondere kwaliteit (beschermingscategorie 2) De provincie wil een aantal specifieke waarden en gebieden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn.

In die hoedanigheid leveren ze een belangrijke en specifieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. De instandhouding van deze waarden vraagt om hierop toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling, naast de generieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het in stand houden van de specifieke waarden. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling Het voornemen is op de huidige bebouwing op de projectlocatie te slopen en hier 8 appartementen de realiseren. Gekeken is welke kwaliteitskaarten van toepassing zijn op de projectlocatie en welke richtlijnen hierbij horen. Daarnaast wordt in deze paragraaf beoordeeld van welke soort ontwikkeling sprake is: inpassing, aanpassing of transformatie. Laag van ondergrond De projectlocatie is gelegen in Rivierdeltacomplex

Mees Ruimte & Milieu | 20207

7.

Pagina | 14

figuur 7.

projectlocatie aangegeven met rode ster

Het richtpunt voor ontwikkelingen in dit gebied is: ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het projectgebied is gelegen in renl figuur 8.

van cultuur- en natuurlandschappen

, zie figuur 8. aangegeven met rode ster

De richtpunten voor ontwikkelingen in dit gebied zijn: ontwikkelingen dragen bij aan het vergroten van de herkenbaarheid van het landgoederenlandschap als samenhangend geheel. ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de afwisseling tussen beboste strandwallen met landgoederen en buitenplaatsen en open strandvlakten.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 15

ontwikkelingen dragen bij aan de verbetering van de kwaliteit van het ensemble van het landhuis, bijgebouw, tuin en park en de herkenbaarheid van het landgoed in het landschap. Laag van stedelijke occupatie , zie figuur 9. figuur 9.

aangegeven met rode ster

De richtpunten voor ontwikkelingen in dit gebied zijn: ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur; een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving; ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur; een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand; cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd; het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt; historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied; bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. Laag van de beleving Het projectgebied gebieden. De richtlijnen die horen bij voornoemde kaart zijn niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling Soort ontwikkeling Zoals eerder benoemd wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren.

De beoogde ontwikkeling is aan te merken als een ontwikkeling onder het type: inpassen. De ontwikkeling sluit aan bij de huidige gebiedsidentiteit, gezien aan elke zijde van het projectgebied reeds woningen zijn

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 16

gelegen. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Bij de herontwikkelingen in het projectgebied zullen de richtpunten zoals voortgekomen uit de kwaliteitskaarten in acht worden genomen. Beschermingscategorieën Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden. Beschermingscategorie 1 en 2. De projectlocatie is niet gelegen binnen één van de gronden aangewezen met beschermingscategorie 1 of 2. 3.2.1.2 Conclusie Bij het beoordelen van de ruimtelijke kwaliteit van het plan zijn de richtpunten zoals voortgekomen uit de kwaliteitskaarten van belang. De ontwikkeling voorziet in het type ontwikkeling 'inpassing'. De ontwikkeling is passend bij de aard van de omgeving.

3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Onderstaand artikel is van toepassing op het plangebied. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b.

als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Bestaand stads- en dorpsgebied Uitgangspunt voor de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkelingen vinden daardoor primair plaats binnen BSD. Op onderstaand figuur is te zien dat de projectlocatie is gelegen binnen BSD.

De contour bestaand stads- en dorpsgebied 2018 (figuur 10) is vastgesteld op 20 februari 2019.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 17

figuur 10. Bestaand stads- en dorpsgebied 2018, projectlocatie rood omlijnd. (bron: https://staatvan.zuidholland.nl/portfolio_page/bestaand-stads-en-dorpsgebied/, geraadpleegd 7 juli 2020

3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling Uit artikel 6.9 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland volgt dat een ruimtelijke ontwikkeling moet passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit en de ruimtelijke ontwikkeling niet mag leiden tot een wijziging op structuurniveau indien sprake is van een inpassing. In de omgeving van de projectlocatie zijn woningen gelegen, de realisatie van acht woningen sluit aan bij de gebiedsidentiteit. Qua architectuur zoekt de nieuwbouw aansluiting bij de bestaande blokken, zie ook paragraaf 4.1. De beoogde bebouwing wordt circa 6,5 meter hoog, waardoor het structuurniveau van de omgeving niet zal wijzigen, gezien omliggende woningen ongeveer dezelfde hoogte hebben. Verder is de ontwikkeling gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied, hiermee wordt voldaan aan het uitgangspunt om binnen bestaand stads- en dorpsgebied te bouwen. 3.2.2.2 Conclusie De ontwikkeling is in lijn met provinciaal beleid.

3.3 REGIONAAL BELEID 3.3.1

Woondeal zuidelijke Randstad

Algemeen In woningbouwopgave, zowel op de korte termijn (tot 2025) als de lange termijn (tot 2040). De betrokken gemeenten en de provincie Zuid-Holland zetten reeds volop in op versnellen van de woningbouw, het borgen van voldoende plancapaciteit en het toegankelijk houden van de woningmarkt voor verschillende doelgroepen. De grootste druk op de regionale woningmarkten in de zuidelijke Randstad bevindt zich daarbij in de steden Den Haag en Rotterdam.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 18

Kernafspraken In de woondeal zuidelijke Randstad - Samenwerkingsagenda voor toekomstbestendige verstedelijking (3 juni 2019) zijn enkele kernafspraken opgenomen. Hieronder zijn drie kernafspraken omschreven, waarvoor gemeenten en provincie zich in dienen te zetten. 1. Voldoende plancapaciteit voor de bouwproductie van 230.000 woningen tot 2040, aansluitend op de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. 2. De productie van ruim 100.000 woningen in de periode 2018 - 2025 waarvan: - bijna de helft in de gemeenten Den Haag en Rotterdam; - een aanzienlijk deel in het betaalbare segment. 3. Evenwichtige verdeling onder doelgroepen en bevordering van spreiding van betaalbare woningen voor lagere en middeninkomens. Verstedelijking In de woondeal is opgenomen dat verstedelijking met voorrang plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied en in nabijheid van hoogwaardig openbaar vervoer. Dit vanwege een combinatie van uitbreidingsbehoefte aan (centrum)stedelijke woonmilieus, schaarste aan open groengebieden, de druk op het wegennet, de samenhang tussen verstedelijking en hoogwaardig OV, benutting van voorzieningen, nabijheid van werkgelegenheid, de aanpak van leefbaarheidsproblemen in stadswijken en toenemende aandacht voor een gezonde leefomgeving. Borgen betaalbaar aanbod De sociale woningbouwopgave is groot.

In de Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-2021 is vastgesteld dat gemiddeld ruim 31 procent van de inwoners in de woningmarktregio Haaglanden behoort tot de sociale doelgroep. Op basis van de Woningmarktverkenning 2016 komt de toename van de sociale doelgroep in 2025 uit op ruim 17.500 huishoudens. Dit leidt tot 2025 tot een groei in de behoefte aan sociale huurwoningen van de woningcorporaties in Haaglanden van circa 12.230 woningen. 3.3.1.1 Relatie tot ontwikkeling In de woondeal is de kernafspraak opgenomen dat onder andere gemeenten zich in dienen te zetten voor de productie van 100.000 woningen, waarvan de helft in Den Haag en Rotterdam gerealiseerd dient te worden. Verder wordt aangegeven dat verstedelijking met voorrang plaatst moet vinden in stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen in stedelijk gebied en voorziet in de realisatie van woningen, hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de voornoemde kernafspraak en in de wens binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Daarnaast blijkt uit de woondeal dat met name behoefte is aan sociale huurwoningen, de ontwikkeling voorziet in 8 sociale huurwoningen. 3.3.1.2 Conclusie De ontwikkeling is in lijn met de woondeal zuidelijke Randstad.

3.4 GEMEENTELIJK BELEID 3.4.1

Structuurvisie Wassenaar 2025: Landgoed aan Zee

visie is het opstellen van een breed gedragen, gebiedsdekkend ruimtelijk afwegingskader voor Wassenaar tot 2025. Wassenaar is opgebouwd uit afwisselende buurten en wijken met tussen de wijken veelal een groene zone in de vorm van kleine parken, weteringen en speelweides. Het merendeel van de bebouwing heeft een menselijke maat met een gevarieerde korrelgrootte, beperkte bouwhoogte, een afwisselende rooilijn en variatie in materiaalgebruik en detaillering. In de openbare ruimte worden diverse vormen van verharding toegepast. De tuinen zijn verzorgd en in combinatie met het wijkgroen en laanbeplanting dragen zij bij aan een gepersonaliseerd straatbeeld. Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 19

Wonen Wassenaar heeft landelijke bekendheid vanwege haar fraaie groene woonomgeving. Wassenaar kent meerdere woonmilieus en biedt meer diversit duingebied, het bosareaal en de vele historische landgoederen, buitenplaatsen, monumenten en de historische dorpskern maken Wassenaar tot een zeer aantrekkelijke (woon)- gemeente. Indicatoren als basisvoorzieningen (winkels en basisscholen), plusvoorzieningen (nabijheid zorg en hoger onderwijs), werkgelegenheid, groen en een harmonieus leefklimaat scoren hoog. Kernboodschap van het woonbeleid is behoud van Wassenaar als aantrekkelijke woongemeente voor alle doelgroepen. Nieuwbouw bij transformatie of herontwikkeling staat in het teken van vitaliteit. Er wordt gestreefd naar gedifferentieerde wijken waarbij geen grote concentratie van kwetsbare groepen aanwezig is. Energietransitie en duurzaamheid Klimaatverandering en de uitputting van natuurlijke hulpbronnen (fossiele brandstoffen) maken een energietransitie noodzakelijk. Op het gebied van energie worden grote veranderingen verwacht. De komende decennia moet met behulp van technologische vernieuwing overgeschakeld worden op alternatieve technieken. De energietransitie in combinatie met de verduurzamingstrend zal er in Wassenaar toe leiden dat steeds meer woningeigenaren en bedrijven de overstap maken naar duurzame energiebronnen (bv. zonnepanelen op de daken en bodemenergiesystemen).

Ook zullen woningen steeds beter geïsoleerd worden. Daarbij moeten er voor een gezond binnenmilieu voldoende mogelijkheden zijn om te ventileren. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling De realisatie van woningen in de huursector draagt bij aan het realiseren van woningen voor alle doelgroepen. Verder worden de woningen aardgasvrij gerealiseerd. 3.4.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de structuurvisie Wassenaar.

3.4.2

Woonvisie Wassenaar 2016 - 2021

In deze woonvisie beschrijft de gemeente Wassenaar het beleid voor het wonen voor de periode 2016-2021. De woonvisie vormt de basis voor de woningbouw in de gemeente en voor de prestatieafspraken met de corporaties. Woningmarkt Typerend voor de woningmarkt van Wassenaar is de verhouding huur- en koopwoningen. De helft van de woningen in Wassenaar is huurwoning en daarvan is ruim de helft in bezit is van corporaties. Daarnaast kent Wassenaar relatief hoge woningprijzen. Deze kenmerken leiden er toe dat bepaalde doelgroepen zoals starters en huishoudens met een middeninkomen moeilijk aan een woning komen. De bevolkingsopbouw van Wassenaar dreigt daardoor wat eenzijdig te worden. De woningmarktmogelijkheden voor huishoudens met een lager inkomen (tot EU grens) zijn relatief beperkt in Wassenaar. Deze doelgroep is volledig aangewezen op de sociale voorraad. Echter geschiedt de helft van de sociale verhuringen naar mensen van buiten Wassenaar. Verder zijn nauwelijks huurwoningen in de eengezinswoning en heeft een relatief hoge huurprijs. Starters zoeken juist vaak klein en goedkoper aanbod en dat aanbod is in Wassenaar beperkt (ligt onder het regionaal gemiddelde).

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 20

Ambitie en speerpunten Kernboodschap van het woonbeleid is behoud van Wassenaar als aantrekkelijke woongemeente voor alle doelgroepen. Verder wil de gemeente zorgdragen voor voldoende beschikbaar aanbod, waardoor woningzoekenden zich binnen redelijke tijd kunnen huisvesten in een passende woning. De gemeente wil de sociale voorraad voldoende op peil houden voor de sociale doelgroep en heeft aandacht voor middeninkomens die in Wassenaar onvoldoende slaagkans hebben. Daarnaast wordt in de woonvisie aangegeven dat bij nieuwbouwprojecten de prioriteit wordt gegeven aan sociale huurwoningen. Zichtbaar is dat er weinig beschikbaar aanbod op de sociale huurmarkt is voor starters (jongeren tot en met 26 jaar en jonge huishoudens). Een groot deel van de sociale voorraad is eengezinswoning en heeft een relatief hoge huurprijs. Starters zoeken juist vaak klein en goedkoper aanbod en dat aanbod is in Wassenaar beperkt (ligt onder het regionaal gemiddelde). Speerpunten van het woonbeleid zijn: alle doelgroepen (jongeren, gezinnen, ouderen, alleenstaanden) kunnen goed wonen in Wassenaar; vergroten van de slaagkansen voor middeninkomens, jongeren, starters en jonge gezinnen op de woningmarkt; een levensloopvriendelijke gemeente: langer zelfstandig wonen in de wijk in een passende woning voor ouderen en mensen met een beperking.

Aandacht voor kwetsbare groepen; verduurzaming van de woningvoorraad; het borgen van de uitvoering van het woonbeleid door goede samenwerking met corporaties en andere partijen en monitoring. 3.4.2.1 Relatie tot ontwikkeling Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van acht sociale huurwoningen. Uit de Woonvisie blijkt dat in Wassenaar behoefte is aan woningen voor huishoudens met een lager inkomen. Deze doelgroep is aangewezen op de sociale huur. Het aanbod aan sociale huur in Wassenaar is echter beperkt, er zijn voornamelijk voor jongeren tot 26 jaar en starters beperkte mogelijkheden. Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het woningbouwaanbod van sociale huurwoningen. Hiermee wordt voorzien in de behoefte aan sociale huurwoningen. Dit sluit eveneens aan op de ambitie van de gemeente om de slaagkansen voor jongeren, starters en jonge gezinnen op de woningmarkt te vergroten. 3.4.2.2 Conclusie De ontwikkeling is in lijn met de Woonvisie.

3.4.3

Uitwerking woningbouwprogrammering naar locaties

In de uitwerking woningbouwprogrammering is de woningbouwopgave van Wassenaar vertaald naar verschillende locaties die in ontwikkeling kunnen worden genomen. In de uitwerking is een aantal locaties opgenomen die in voorbereiding en/of uitvoering zijn. Dit zijn locaties die meetellen in het woningbouwprogramma. Eén van de locaties die in de uitwerking is opgenomen onder Van Polanenpark 105 te Wassenaar. Deze locatie wordt benoemd als potentiële locatie die zo optimaal mogelijk wordt ingezet voor woningbouwproductie, voor het in beweging krijgen van de woningenmarkt. Hiermee wordt voorkomen dat de woningmarkt in Wassenaar op slot dreigt te gaan, waardoor het inwoners aantal zal krimpen. 3.4.3.1

Relatie tot ontwikkeling

uitwerking wordt aangegeven dat het plan is om 10 woningen te realiseren, waarbij overleg met de omgeving nog bezig is. Inmiddels bevindt de ontwikkeling zich in een later stadium, waarbij naar aanleiding van verdere afstemming met de omgeving het definitieve plan van acht sociale-huurwoningen tot stand is gekomen.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 21

Het plangebied is opgenomen als specifieke locatie om woningbouw te realiseren, de beoogde ontwikkeling geeft hier invulling aan. 3.4.3.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling geeft invulling aan de woningbouwprogrammering van de gemeente Wassenaar.

3.4.4

Groen- en watervisie Wassenaar

De Groen- en watervisie van Wassenaar geeft antwoord op de vraag op welke wijze het unieke groene karakter van Wassenaar behouden en versterkt kan worden. Streven is om het groenste dorp in de randstad te zijn. Met dit in het achterhoofd wordt bekeken welke ruimtelijke ontwikkelingen onder welke voorwaarden en binnen welke randvoorwaarden er mogelijk zijn. In de visie is voor de periode 2015 tot 2019 met een doorloop naar 2025, een streefbeeld voor groen en water geformuleerd. Om het streefbeleid te behalen, zijn verschillende doelstellingen geformuleerd. De volgende doelstellingen zijn van belang voor de voorgenomen ontwikkeling: Doelstelling 5: Versterken van het groen op buurt- en wijkniveau. Groen op het niveau van buurten en wijken is belangrijk voor alle bewoners. Parken, soms gemeentelijk of rijksmonument, zijn vaak ontworpen met een bepaald idee en ontwerp, zodat bewoners er recreatief gebruik van kunnen maken. Als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen, nieuwe wensen of aanpassingen in onderhoud en beheer, is het oorspronkelijke ontwerp niet altijd meer zichtbaar. Per park moet bekeken worden of het vasthouden aan, of terugbrengen van het oorspronkelijk ontwerp belangrijk is; dit ook in relatie met de gebruikswaarde van de parken.

Daarnaast is ook particulier groen van groot belang voor het buurten wijkgroen en in het streven om de groenste gemeente van de randstad te worden. Doelstelling 12: Tegengaan van verstenen van tuinen. De doelstelling is dat met uitgebreide communicatiestrategie aan bewoners van Wassenaar duidelijk wordt gemaakt wat de effecten zijn van het bestraten van een tuin. Geprobeerd wordt om mensen die hun tuin al hebben betegeld, over te halen om de tegels weer te verwijderen in ruil voor een nog te bedenken presentje. 3.4.4.1 Relatie tot ontwikkeling Het behouden en versterken van het groen rondom het plangebied is een belangrijk uitgangspunt. De bestaande bomen worden, daar waar mogelijk, behouden en daarnaast worden extra groenvoorzieningen gerealiseerd op het perceel. De ontwikkeling sluit hiermee aan op de Groen- en Watervisie. De ontwikkeling is derhalve in lijn met het gemeentelijk beleid. 3.4.4.2 Conclusie De ontwikkeling is in lijn met de groen- en watervisie.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 22

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 STEDENBOUWKUNDIGE MOTIVERING / LANDSCHAPPELIJKE INPASSING De buurt Van Polanenpark bestaat met name uit grondgebonden twee-laags woningen met een kap. De buurt is georganiseerd binnen een sterke omliggende groenstructuur. Twee groene assen verdelen de wijk in vier kwarten. De groene assen zijn autovrij en vormen het centrum van de buurt. Het parkeren is deels langs de hoofdstraten en deels in ruimtes tussen de grondgebonden woningen georganiseerd door middel van parkeervakken en garages. In de buurt zijn rijtjeswoningen, 4-onder-1-kap-woningen en ook 3 laags drive-in woningen als typologie aanwezig. De projectlocatie is als afwijkende locatie in de stedenbouwkundige structuur opgenomen. De Wassenaarsche Bouwstichting heeft het voornemen om op de huidige locatie een acht sociale huurwoningen te realiseren. Het plan is opgesteld door een plangroep, waarbij architect, opdrachtgever en de direct omwonenden op een evenwaardige manier vertegenwoordigd zijn. Aan de hand van verschillende stedenbouwkundige modellen is naar het huidige stedenbouwkundig model toegewerkt. Ten tijde van de bewonersbijeenkomst (juni 2020) zijn een aantal belangrijke keuzes gemaakt. Zo worden portiek in plaats van galerij woningen gerealiseerd, dit leidt ertoe dat geen galerij meer benodigd is en twee trappenhuizen komen te vervallen.

Dit zorgt voor meer privacy voor de omwonende en dat het trappenhuis niet meer door de rooilijn van de aangrenzende woningen heen steekt. Daarnaast worden minder woningen gerealiseerd dan in eerste instantie beoogd was. Hierdoor behoeven eveneens minder parkeerplaatsen gerealiseerd te worden en ontstaat meer ruimte voor groen. De nieuwe woningen krijgen hun ontsluitingskant aan de westzijde, aan de kant van de Van Polanenstraat. Qua architectuur zoekt de nieuwbouw aansluiting bij de bestaande blokken. De architectuur bestaat uit lichte tinten met een heldere kleurstelling. In figuur 11 is het ontwerp van de voor- en achtergevel opgenomen.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 23

figuur 11. Ontwerp voor- en achtergevel (bron: VO Wassenaarsche Bouwstichting

A3 Architecten d.d. 27 oktober 2020)

4.2 MOTIVERING BEHOEFTE / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING 4.2.1

Algemeen

De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.1.6 van het Bro: Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. or nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 24

4.2.2

Relatie tot ontwikkeling

De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied, zie ook paragraaf 3.2.2. De ontwikkeling omvat de realisatie van 8 woningen en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, niet worden getypeerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Zie ook paragraaf 3.1.3. De ontwikkeling kan niet getypeerd worden als ruimtelijke ontwikkeling. Echter, de nut en noodzaak van het plan met het oog op een goede ruimtelijke ordening blijft van belang. Uit de voorgaande paragrafen is gebleken dat in Wassenaar behoefte is aan woningen voor huishoudens met een lager inkomen. Deze doelgroep is aangewezen op de sociale huur. Het aanbod aan sociale huur in Wassenaar is echter beperkt, er zijn voornamelijk voor jongeren tot 26 jaar en starters beperkte mogelijkheden. Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het woningbouwaanbod van sociale huurwoningen, zie ook paragrafen 3.4.2.1 en 3.4.3.1. De projectlocatie is in de uitwerking woningbouwprogrammering naar locaties opgenomen als locatie waar woningbouw voorzien wordt, de voorgenomen ontwikkeling geeft hier invulling aan, zie paragraaf 3.4.3.

4.2.3

Conclusie

De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden, echter dient wel de nut en noodzaak van de ontwikkeling aangetoond te worden. De nut en noodzaak wordt aangetoond in de beleidsparagrafen. De ontwikkeling is in lijn met het beleid.

4.3 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 4.3.1

Algemeen

Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2021 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.

4.3.2

Relatie tot ontwikkeling

Archeologie Op basis van de geldt op de projectlocatie, De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. Daarnaast mag ter plaatse van deze bestemming mag niet worden gebouwd, tenzij het bouwplan betrekking heeft op een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 2.000 m2, waarbij de bodemingreep niet dieper reikt

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 25

dan 100 cm beneden maaiveld. Er is echter sprake van het bouwen van een bouwwerk waarvoor en omgevingsvergunning is vereist. Hierdoor is vooraf schriftelijk archeologisch advies van de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag benodigd. Het bevoegd gezag kan het verzoek doen om een archeologisch rapport op te laten stellen. Ten behoeve van de ontwikkeling is een adviesdocument opgesteld (31 juli 2020) door RAAP. Dit document is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. De omvang van de plannen (specifiek de grootte van het plangebied) ligt beneden de vrijstellingsgrens als opgenomen in het vigerende Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar Panden, objecten en archeologie. In het kader van de huidige plannen hoeft geen archeologisch onderzoek in het kader van de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te worden uitgevoerd. Cultuurhistorie Op basis van het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied geen dubbelbestemming waarbij cultuurhistorische waarden worden gewaarborgd. Tevens is de huidige bebouwing niet aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van beschermd stads- en dorpsgezicht. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3.3

Conclusie

De projectlocatie kent op basis van het paraplubestemmingsplan een dubbelbestemming voor archeologie. Aangezien sprake is van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, is schriftelijk archeologisch advies benodigd. Uit het advies volgt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is. Ten aanzien van cultuurhistorie treden geen belemmeringen op, omdat geen sprake is van cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor deze ontwikkeling.

4.4 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING 4.4.1

Algemeen

Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 26

Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.

4.4.2

Relatie tot ontwikkeling

Maatschappelijk voornamelijk Wonen . Op basis hiervan kan worden geconcludeerd geen dat sprake is van gemengd gebied, maar van een het omgevingstype rustige woonwijk. In de directe nabijheid van de projectlocatie zijn woningen gelegen, de beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering voor de reeds bestaande woningen en vice versa. Aan elke zijde van de projectlocatie zijn woningen gelegen, wat betekent dat de te realiseren woningen ter plaatse van de projectlocatie niet zullen zorgen voor extra belemmeringen voor eventuele omliggende milieubelastende activiteiten. Er zijn immers al woningen op een kortere afstand gelegen van mogelijke milieubelastend activiteiten in de huidige situatie. De dichtstbijzijnde locatie waar enkele activiteiten opgenomen in de VNG drijven en mogelijk zijn ligt op circa 135 meter afstand . Echter, direct naast deze locatie zijn woningen mogelijk waardoor de mogelijke activiteiten ter plaatste reeds beperkt worden. Daarnaast betreft dit de locatie aan de Van Polanenpark 243, waar eveneens door Wassenaarsche Bouwstichting woningen gerealiseerd gaan worden door middel van een verleende omgevingsvergunning. Dit neemt niet weg dat planologisch gezien de activiteiten binnen de bestemming nog mogelijk zijn.

4.4.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.5 BODEM 4.5.1

Algemeen

Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem.

Mees Ruimte & Milieu | 20207

Pagina | 27

De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

4.5.2

Relatie tot ontwikkeling

De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een aanvullend en nader bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Terrascan. De rapportage d.d. 28 oktober 2020 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. De resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek worden als volgt samengevat: In de bodem is (af)wisselend siltig zand en/of zandig klei aangetroffen tot de einddieptes van de boringen. Plaatselijk zijn bodemvreemde bijmengingen met fragmenten baksteen en/of kooldeeltjes aangetroffen. In de grond die geanalyseerd is ten behoeve van het aanvullend onderzoek is hoogstens een lichte verontreiniging met kobalt aangetoond. In de grond die geanalyseerd is ten behoeve van het nader onderzoek naar PAK is een sterke verontreiniging met PAK aangetoond. Deze verontreiniging is vervolgens in twee onderzoeksfasen ingeperkt. Geschat wordt dat ca. 22 m3 grond sterk verontreinigd is met PAK. Met betrekking tot het nader onderzoek naar PAK is gebleken dat er plaatselijk sprake is van een sterke verontreiniging met PAK.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=15188e41-205e-412d-8293-20c2739a8de3