CConstaterende datwassenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Bestemmingsplan Klein Stoephout - toelichting

Raadsvergadering Wassenaar 23 april 2024, gemeente wassenaarBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Klein Stoephout (herstel bouwtitel Villawijken 2010)"16.731 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Aan de hand van het vigerende bestemmingsplan is in kaart gebracht wat voor bedrijfsactiviteiten er aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied. Hieronder wordt er besproken of er wordt voldaan aan de richtafstanden zoals die zijn aangeven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. Het plangebied kan worden aangegeven als 'rustige woonwijk'. Aan de hand van het vigerende bestemmingsplan is in kaart gebracht wat voor bedrijfsactiviteiten er aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied. Hieronder wordt er besproken of er wordt voldaan aan de richtafstanden zoals die zijn aangeven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. Het plangebied kan worden aangegeven als 'rustig woonwijk'. In de directe omgeving zijn de volgende activiteiten aanwezig: Activiteit

Adres

Milieucategorie

Kerk

Stoeplaan 4, 2243 CZ Wassenaar 2243 CR Wassenaar

2

Minimale afstand tot plangebied 30 meter

1

10 meter

Rijksstraatweg 675, 2245 CB Wassenaar Rijksstraatweg 703, 2245 CC Wassenaar

1

10 meter

1

10 meter

Begraafplaats Kantoor Apotheek

26

Afstand tot plangebied circa 90 meter circa 90 meter circa 590 meter circa 580 meter

Geconcludeerd kan worden dat het aspect milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. In 2021 is gebleken dat NO2 en fijn stof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt er één eengezinswoning gebouwd, waarbij er sprake zal zijn van een minimale toename in voertuigbewegingen van en naar het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als een NIBM-project; er is geen sprake van een 'groot' project waar meer dan 3% bij wordt gedragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2). De ontwikkeling draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Daarnaast is er nog wel gekeken naar de luchtkwaliteit rondom het plangebied met behulp van de Atlas leefomgeving. Hierbij blijkt het dat de concentratie fijnstof 16,46 µg/m³ PM 10, 8,3 µg/m³ PM2,5 en 16,2 µg/m³ NO2. Bij deze waarden wordt de grenswaarde van 40 µg/m³ voor beide categorieën niet overschreden, waardoor de wettelijke grenswaarden niet overschreden worden.

Er wordt niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030. Gesteld kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering zal vormen.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te

27

houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.

Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.

Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis

28

waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.

Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is door DGMR een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd: 'Onderbouwing Externe Veiligheid' (d.d. 6 december 2021), zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5. Onderstaande afbeelding toont de risicokaart rondom de locatie.

Risicokaart, met plangebied rood omkaderd (bron: Onderbouwing externe veiligheid, 6 december 2021)

Transportroute gevaarlijke stoffen Op 530 meter ten zuidoosten van het plangebied loopt de N44 (Rijksstraatweg), een transportroute voor vervoer van gevaarlijke stoffen. De N44 heeft een plaatsgebonden risico van 0 en er is geen

29

plasbrandaandachtsgebied van toepassing. Het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden van de weg bedraagt niet meer dan 10-6 per jaar. De afstand tot de N44 bedraagt meer dan 200 meter, zodat de bijdrage aan het groepsrisico verwaarloosbaar is. Volstaan kan worden te met een beperkte verantwoording, ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Inrichting Op een camping op een afstand van circa 1.300 m bevindt zich een chloorbleekloogtank van 1.500 liter. De camping valt onder het Activiteitenbesluit, waarbij voor de betreffende tank geen veiligheidsafstanden gelden. Op basis van de 'Leidraad Risico-inventarisatie - deel Gevaarlijke Stoffen' geeft een afstand van 880 m waar gezondheidsschade kan optreden. De kans dat dit een risico vormt voor het plangebied, kan daarmee worden uitgesloten. Aanzet tot verantwoording Zoals hierboven aangeven kan volstaan worden met een beperkte verantwoording, ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De bestrijdbaarheid van een calamiteit op de N44 verandert niet als gevolg van het onderhavige initiatief. De N44 is goed bereikbaar voor hulpdiensten. In het geval van en calamiteit kan men inpandig veilig schuilen. Daarvoor is het van belang tijdig te worden gealarmeerd. Het plangebied ligt binnen het bereik van het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS-palen).

Rekening houden met het kleine risico en de mogelijkheid om inpandig te schuilen en de ventilatie uit te schakelen, worden geen aanvullende maatregelen gesteld. De gemeente Wassenaar kan deze aanzet overnemen, waarbij advies wordt ingewonnen bij de Veiligheidsregio Haaglanden. Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Derhalve geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten. Hiertoe is door Ecoresult een Quickscan uitgevoerd: 'Quickscan in het kader van de wet natuurbescherming en omgevingsverordening Zuid-Holland' (d.d. 27 augustus 2021), zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Meijendel & Berkheide' op circa 1,2 ten westen van het plangebied. Er is, in tegenstelling tot wat er in de Quickscan staat, een nadere beoordeling middels Aerius-

30

berekening nodig (zie hieronder). Negatieve effecten door andere verstoringsvormen dan stikstof zijn uitgesloten. Het treffen van vervolgstappen is niet nodig. Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De afstand tot het dichtstbijzijnde NNN-gebied is circa 160 meter. Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt op voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en Strategische reservering natuur. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig. Stikstofdepositie Om na te gaan of er sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden, is hiernaar een onderzoek uitgevoerd. Het 'Onderzoek stikstofdepositie Klein Stoephout, Wassenaar' (DGMR, d.d. 14 november 2023) is als bijlagen bij toelichting, bijlage 7 bijgevoegd. Voor het berekenen van de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de AERIUS Calculator (versie 2023). De stikstofdepositie is voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase berekend. Uit de berekeningen volgt dat het plan geen significant effect veroorzaakt op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving. De berekende stikstofdepositie voldoet aan de grenswaarde van afgerond 0,00 mol/ha/jaar.

Daarmee kan geconcludeerd worden dat geen overschrijding van de grenswaarde ontstaat. Het plan heeft daardoor geen significant effect op een Natura 2000-gebied. Soortenbescherming Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van sperwer of ransuil. In het plangebied is een voor deze soorten geschikte nestplaats aangetroffen. Gedurende het veldbezoek konden echter niet alle bomen vanwege het bladerdek voldoende worden geïnspecteerd. Geadviseerd wordt om in de periode 1 november - 1 maart (na de bladval) een extra veldbezoek uit te voeren om alle potentieel geschikte nestplekken in kaart te brengen. Omdat de exacte werkzaamheden nog niet bekend zijn, is een specifieke effectenbeoordeling nog niet mogelijk. Indien de plannen nader bekend zijn, dient een herbeoordeling plaats te vinden. Indien uit deze herbeoordeling blijkt dat negatieve effecten op de omringende boomgroepen niet op voorhand zijn uit te sluiten, is in ieder geval nader onderzoek naar ransuil en sperwer noodzakelijk. Mogelijk onderzoek naar andere soorten kan van toepassing zijn afhankelijk van de extra controle in het winterseizoen. In het plangebied is een bezette nestkast van bosuil aanwezig. Omdat de exacte werkzaamheden nog niet bekend zijn is een specifieke effectenbeoordeling nog niet mogelijk. Indien de plannen nader bekend zijn dient een herbeoordeling plaats te vinden.

De aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen en bomen is niet uit te sluiten. Gedurende het veldbezoek konden echter niet alle bomen vanwege het bladerdek voldoende worden geïnspecteerd. Geadviseerd wordt om in de periode 1 december - 1 maart (na de bladval) een extra veldbezoek uit te voeren om alle potentieel geschikte boomholten in kaart te brengen. Mogelijke werkzaamheden zoals renovatie van de schuur, mogelijke bomenkap of het aanbrengen van verlichting kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Omdat de exacte werkzaamheden nog niet bekend zijn, is een specifieke effectenbeoordeling nog niet mogelijk. Indien de plannen nader bekend zijn dient een herbeoordeling plaats te vinden. Het plangebied is voorts geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van boommarter en eekhoorn. Gedurende het veldbezoek konden echter niet alle bomen vanwege het bladerdek voldoende worden geïnspecteerd. Geadviseerd wordt om in de periode 1 november - 1 maart (na de bladval) een extra veldbezoek uit te voeren om alle potentieel geschikte boomholten en mogelijke boomnesten van de eekhoorn in kaart te brengen. Tevens dient dan gekeken te worden naar de potentie van deze boomholten voor boommarter door middel van een boomcamera.

Het plangebied is verder potentieel geschikt voor Nationaal beschermde faunasoorten welke vrijgesteld zijn van een ontheffing in de provincie Zuid-Holland. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, egel en muizen zoveel mogelijk dient

31

te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied, indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Tijdens het veldbezoek werd binnen het plangebied, langs de zuidgrens, een groeiplaats van Japanse duizendknoop aangetroffen. Geadviseerd wordt om bij werkzaamheden rekening te houden met deze groeiplaats om verspreiding te voorkomen. Indien de groeiplaats binnen de werkzaamheden valt is het aan te raden deze volledig te saneren. Ten slotte wordt geadviseerd contact op te nemen met de grondeigenaar van het perceel ten zuiden van het plangebied om het beheer van de groeiplaats nader af te stemmen om hervestiging binnen het plangebied te voorkomen. Houtopstanden Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. In dit geval is de Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde houtopstanden niet van toepassing. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat verdere onderzoeken, zoals aanbevolen in dit rapport, pas nodig zijn wanneer de bouw- en inrichtingsplannen bekend zijn en voorafgaand aan de feitelijke werkzaamheden. Aanbevelingen Los van de onderzoeksresultaten, maar als duurzame inrichtingsmaatregel 'inclusief bouwen voor vleermuizen en vogels', heeft het uit ecologisch oogpunt de voorkeur om rekening te houden met de wensen van vleermuizen en vogels in het nieuwe ontwerp.

Dat betreft bijvoorbeeld inbouwkasten voor vleermuizen en broedvogels binnen het plangebied. Tevens kan worden ingespeeld op te verwachten ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied.

4.8 Waterhuishouding ²De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten

32

voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsbeleid Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water.

Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnlandrioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Waterbeheerplan Voor de planperiode 2022 - 2026 is het waterbeheerplan 'Water wijst de weg, WBP6' van hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Hiermee maakt het hoogheemraadschap van Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan de wettelijke taken en ambities.

Het WBP6 legt meer dan voorheen accent op klimaatuitdagingen, waarbij het hoogheemraadschap een positieve bijdrage wil leveren aan de circulaire economie, de energietransitie, de ruimtelijke kwaliteit, het recreatieve medegebruik en versterking van de biodiversiteit. Dát is zorgen voor een gezonde en duurzame leefomgeving. Er is een interactieve Visiekaart opgesteld met vier landschapstypen. Onderhavig gebied maakt deel uit van het landschapstype 'zand'. Het Rijnlands zandlandschap aan de Noordzeekust bestaat uit duingebied en bollenstreek. Toerisme, recreatie en agrarische productie zijn de belangrijkste functies. De belangrijkste waterontwikkelingen zijn:

•

kwelwater van hoge kwaliteit uit de duinen stroomt af en raakt vervuild als het in contact komt met het oppervlaktewatersysteem;

•

de hoge ecologische kwaliteit van het duingebied staat onder druk, ook door gewasbeschermingsmiddelen uit de bollenteelt waarvan de restanten in het grondwater terechtkomen;

•

de vraag naar ruimte voor drinkwaterwinning wordt groter.

De Blauwe Lens De gevolgen, kansen en oplossingen van klimaatverandering voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland zijn onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek is het rapport 'De Blauwe Lens, transitieopgaven verbonden door water' (januari 2021). De Blauwe Lens geeft aan dat het gebied en het watersysteemveerkrachtiger en flexibeler moeten worden. Een belangrijk inzicht is dat problemen niet afgewenteld moeten worden op de omgeving, maar dat water juist moet worden ingezet als ordenende

33

kracht in ruimtelijke ontwikkeling. Met deze constatering bevestigt De Blauwe Lens de noodzaak om water leidend te maken. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

onttrekken en lozen van grondwater; aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur van Rijnland 2020 gaat uit van een 'ja, tenzij'-benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Door IDDS is de 'Notitie Watertoets' (d.d. 7 december 2021) opgesteld: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8. In dat kader is een watertoets uitgevoerd, in verband met de voorgenomen toevoeging van verhardingen en de nieuwbouw van een woning.

Daarin wordt evenwel nog uitgegaan van een maximum bebouwd oppervlak van de woning van 350 m², terwijl dat later is bijgesteld naar maximaal 200 m². Op basis van geboden bouwmogelijkheden (voor de nieuwbouwwoning, de tuinen, de benodigde verhardingen voor paden en parkeerplaatsen (al zullen deze veelal in halfverharding worden uitgevoerd), kan uitgegaan worden van de in de 'Notitie Watertoets' berekende toename van verhard oppervlak met circa 644 m² (gecorrigeerd voor de kleinere omvang van de nieuwbouwwoning). Rekening houdend met een eventuele tennisbaan (circa 220 m²) en/of zwembad (maximaal 65 m²) en vergunningvrije mogelijkheden (circa 50 m²), zal de toename van verhard oppervlak op het onderhavige perceel maximaal (644 + 315 =) circa 960 m² bedragen. Indien een initiatiefnemer meer dan 500 m² extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van de totale verharde oppervlakte. Dat komt neer op een vereiste watercompensatie met (15% van 960 m² =) 144 m². In het plangebied wordt een waterverbinding (tussensloot) hersteld, waarbij de hoeveelheid oppervlaktewater toeneemt met circa 430 m². Daarmee is binnen het plangebied ruimschoots voorzien in een eventueel benodigde watercompensatie.

Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening

34

houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. De watergang ten zuidoosten van het onderhavige perceel is primair water/een hoofdwatergang. De beschermingszone bij een primaire watergang is vijf meter en verzocht wordt om deze zone vrij te houden van objecten. De rest zijn overige watergangen. De Legger oppervlaktewater van het hoogheemraadschap is van toepassing ten aanzien van de onderhoudsverplichtingen en de minimale breedte van de watergang. Het plangebied valt, volgens de legger van het hoogheemraadschap, niet binnen een beschermingszone van een waterkering, zodat geen planologische bescherming nodig is in de vorm van een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Hemel- en vuilwater De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

• •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstort van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken, waardoor het zuiveringsrendement verbetert;

•

schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd door het te laten infiltreren in de bodem volgens het principe vasthouden – bergen/hergebruiken – afvoeren. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Grondwaterbescherming Er is sprake van een grondwaterbeschermingsgebied, zoals aangegeven in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland 2021. Met dit belang is rekening gehouden in het voorliggende bestemmingsplan, middels de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied', waarbij ingrepen in de bodem alleen zijn toegestaan als deze zich verdragen met het gestelde in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland. Zo is voor het aanleggen van riolering vermoedelijk een grondwateronttrekking nodig. Het onttrekken van grondwater moet altijd worden gemeld. In het onderhavige gebied geldt dat er zoveel mogelijk water moet worden retourbemalen of worden geïnfiltreerd in de bodem. Hierover dient ook contact te worden opgenomen met de Omgevingsdienst, aangezien zij ook eisen stellen aan onttrekkingen in PMV-gebieden. Conclusie Gezien het bovenstaande kan gesteld worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.

4.9 Cultureel erfgoed 4.9.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hierbij zijn de regelingen uit het geldende bestemmingsplan 'Villawijken 2010' relevant, alsmede het 'Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar - Panden, objecten en Archeologie'. Dit paraplubestemmingsplan is opgesteld als gevolg van de erfgoednota 'Voortbouwen op eigen waarde' om zo de bescherming te waarborgen voor panden op de Gemeentelijke Inventarisatie Project met een hoge of zeer hoge cultuurhistorische waarde.

35

Planspecifiek Het plangebied is onderdeel van het beschermde dorpsgezicht 'Landgoederenzone Wassenaar, Voorschoten, Leidschendam-Voorburg'. Het plangebied is in het geldende bestemmingsplan 'Villawijken 2010' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' en had daarin ook voorzien moeten zijn van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie en landschap'. Het plangebied is tevens in het paraplubestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie - karakteristieke of beeldbepalende zaak'. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud en zo mogelijk de versterking van de aan deze gronden, panden en objecten eigen zijnde cultuurhistorische waarden, met een verwijzing naar de uitgevoerde Cultuurhistorische analyse: 'Hoofdkenmerken en waardering van waardevolle cultuurhistorische gebouwen en objecten in de gemeente Wassenaar'. De bevindingen ten aanzien van het plangebied zijn als bijlage 2 bij de regels opgenomen. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een aangepaste juridische regeling middels de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie en landschap'. Voor onderhavig initiatief is de notitie 'Buitenplaats Klein Stoephout, Tuinhistorisch onderzoek en waardestelling' opgesteld (korneel aschman erfgoedadvies, d.d. 29 december 2020): zie bijlagen bij regels, bijlage 3.

In dat verband is de tuinhistorische waardering van de verschillende onderdelen en structuren weergegeven, met onderdelen die van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van de aanleg (blauw), onderdelen die tuinhistorisch van belang zijn voor de structuur en/of de betekenis van de aanleg (groen) en delen met tuinhistorisch een indifferente waarde van relatief weinig belang (geel).

Klein Stoephout in de actuele situatie, met daarop aangegeven de tuinhistorische waardering van de verschillende onderdelen en structuren (Bron: Buitenplaats Klein Stoephout, Tuinhistorisch onderzoek en waardestelling)

36

Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling een verbetering zal betekenen voor de cultuurhistorische waarden van het plangebied, als de adviezen opgevolgd worden in het rapport bij de herontwikkeling van het terrein. Uit het Startdocument kwam de aanbevelingen om de vervallen erfgoedwaarden van Klein Stoephout te herstellen, namelijk de schuur, tuinmuren en restanten van parkbos. Dit is als zodanig, in de vorm van de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie en landschap, geregeld in het voorliggende bestemmingsplan.

4.9.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gronden van het plangebied hebben in het 'Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar Panden, objecten en Archeologisch erfgoed 2016 van de gemeente Wassenaar' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Archeologisch onderzoek is nodig indien sprake is van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 100 m² of een bouwwerk waarbij de bodemingreep dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld.

Bij de beoogde nieuwe woning wordt de oppervlaktemaat naar verwachting overschreden en is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door IDDS genaamd 'Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Landgoed Klein Stoephout, Wassenaar, Gemeente Wasseneer' (d.d. 06/2023), zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9. Hierbij is de conclusie dat de archeologische verwachting voor het gebied zeer laag is wegens een mix van omstandigheden, waaronder landschapstypen en betere beschikbare locaties in de omgeving. De uitzondering hiervan ligt in de noordoostelijke hoek van het plangebied waar een vegetatiehorizont is aangetroffen en een hoge archeologische verwachtingswaarde heeft. Hierbij is de aanbeveling om in geval dat er gegraven wordt in het noordoostelijke deel van het plangebied gegraven wordt onder -0,1 NAP een aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit onderzoek moet nog goedgekeurd worden door de gemeente Wassenaar, maar onder de aanname dat deze goedgekeurd wordt kan er gesproken worden dat de archeologische waarden van het plangebied niet aangetast worden. Het aspect vormt geen belemmering voor het beoogde plan.

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen

37

voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het bureau DGMR heeft een onderzoek naar verkeer en parkeren uitgevoerd (d.d. 4 juli 2023), zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2. In dit onderzoek is onder andere beschouwd of er in de beoogde situatie sprake is van een goede verkeersafwikkeling. Op basis van CROW-publicatie 381 is berekend dat het plan een verkeersgeneratie van 5,8 verkeersbewegingen per etmaal met zich meebrengt. Ten opzichte van de al bestaande motorvoertuigbewegingen in de wijk Nieuw-Wassenaar is dit een beperkte toename. De directe ontsluiting van de locatie is op de Stoeplaan. Dit is een lokale weg waaraan woningen liggen. Op dit moment zijn verschillende woningen op vergelijkbare wijze ontsloten via de Stoeplaan. De ontsluiting van de nieuwe woning is daarmee inpasbaar op deze weg. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Planspecifiek Zoals reeds in toelichting paragraaf 4.10.1 aan bod kwam heeft het bureau DGMR heeft een onderzoek naar verkeer en parkeren uitgevoerd (d.d. 4 juli 2023), zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2. In dit onderzoek is onder andere beschouwd of er in de beoogde situatie sprake is van een passende parkeersituatie. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is aangesloten bij publicatie 381 van het CROW, ‘Toekomstbestendig parkeren’. Het parkeerkencijfer van een vrijstaande koopwoning in een matig stedelijk gebied ligt tussen de 1,8 en 2,6 (min-max). Hierbij is het aandeel van bezoekers meegenomen als 0,3 pp per woning. Dit houdt in dat er sprake is van een parkeerbehoefte van twee parkeerplaatsen. Gezien de ruime oppervlakte van het plangebied kan er redelijkerwijs gezegd worden dat er genoeg ruimte is om de parkeerbehoefte op te vangen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmering voor het beoogde plan vormt.

4.11 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2023 dient verder de bijdrage van duurzame energie 16 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden.

38

Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De BENG kijkt naar de energieprestatie van een gebouw aan de hand van de drie energieprestatie-indicatoren: 1. 2. 3.

de energiebehoefte indicator; de primaire fossiele energie-indicator; en het aandeel hernieuwbare energie.

Milieuprestatie Gebouwen (MPG) De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Planspecifiek De woning wordt gasloos gerealiseerd. Verder wordt waar mogelijk rekening gehouden met een duurzame inrichting en duurzaam materiaalgebruik. Maar de belangrijkste winst, ook op het gebied van duurzaamheid is dat de relevante erfgoedwaarden worden hersteld, waarmee het perceel weer betekenisvol is voor de komende generaties. Hiernaast wordt de nieuwe woning BENG conform, waardoor het energiegebruik teruggebracht wordt.

39

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Basisregistratie Grootschalige Topografie en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);

40

• •

afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.5 Wijze van bestemmen Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1. Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3. Groen De bestemming 'Groen' is toegekend aan het perceelsgedeelte deels binnen de historische keermuur/tuinmuur. De bestemming si gericht op het behoud, bescherming, versterking en/of herstel van bos. Hierbij zijn ook voetpaden toegestaan. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tuinmuur' is een tuinmuur toegestaan, met maximaal de bestaande danwel de oorspronkelijke maten. Artikel 4. Tuin De bestemming 'Tuin' is toegekend aan zones nabij het openbare gebied, conform het geldende bestemmingsplan 'Villawijken'.

In aanvulling daarop is ook een zone langs de Wiittenburgerweg en de voormalige moestuin en een deel van de boomgaard bestemd als 'Tuin'. Op deze gronden mogen uitsluitend erfscheidingen worden opgericht. Om een regulier toegangshek mogelijk te maken is de entree aan de zijde van de Stoeplaan voorzien van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - toegangshek', waarbij bepaald is dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding één toegangshek is toegestaan. Artikel 5. Water De bestaande watergangen en de nieuwe 'tussensloot' zijn voorzien van de bestemming 'Water'. Deze gronden zijn bestemd voor water, waterberging en daarbij behorende oevers en voorzieningen ten behoeve van de bestemming. Er zijn uitsluitend andere bouwwerken toegestaan, waaronder bruggen, dammen en/of duikers en kunstwerken en beschoeiingen. Artikel 6. Wonen - 1 De gronden in het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Wonen - 1'. Bij een woning is het gebruik voor een aan huis verbonden beroep en bed and breakfast -onder voorwaarden- toegestaan. Er is een 'specifieke bouwaanduiding - nieuwbouw' opgenomen waarbinnen de beoogde woning is toegestaan. De regeling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Villawijken'. De maximum goot- en bouwhoogten van de woning (resp. 7 en 10 m) en het maximum bebouwd oppervlak zijn op de verbeelding opgenomen.

Verder dient de voorgevel van het hoofdgebouw met de entree te worden gebouwd ter plaatse van de figuur 'gevellijn', dan wel maximaal 1 m daarachter.

41

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' is het (bestaande) bijgebouw toegelaten. Verder zijn bouwregels voor andere bouwwerken opgenomen. Tevens worden de gebruikelijke mogelijkheden voor zwembaden, tennisbanen en steigers geboden. Tevens is een 'voorwaardelijke verplichting Wet natuurbescherming' opgenomen. Hierin is geregeld dat voldaan wordt aan het soortenbeschermingsregime, zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming en zoals nader benoemd in de uitgevoerde Quickscan. Artikel 7. Waarde - Archeologie 3 Ter bescherming van archeologische waarden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Hier mag niet worden gebouwd, tenzij het gaat om een vervanging waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, of voor een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 100 m² waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld, of als een bouwwerk betreft dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Er worden afwijkingsmogelijkheden geboden. Tevens is een regeling opgenomen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Artikel 8. Waarde - Cultuurhistorie en landschap Het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie en landschap'.

Daarmee zijn de gronden primair bestemd voor het behoud en zo mogelijk de versterking van de cultuurhistorische waarden van de gronden, panden en objecten (schuur/stal, tuinmuren en restanten van het parkbos, moestuin, boomgaardweide, composteerterrein en watergang). Deze dubbelbestemming richt zich met name ook op natuur en landschapswaarden op deze gronden. Hierbij is bepaald dat voorafgaand aan de bouw van de woning een door bevoegd gezag goedgekeurd inrichtings- en herstelplan nodig is, waarmee voldoende vaststaat dat de erfgoedwaarden zijn hersteld, uiterlijk binnen drie jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan danwel twee jaar na het opleveren van de woning. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 9. Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 10. gemene bouwregels In dit artikel zijn regels over het voorkomen van strijdigheden, over ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en uitstekende delen buiten het dakvlak en over dakkapellen opgenomen. Artikel 11.

Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van gebruiksvormen die in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Artikel 12. Algemene aanduidingsregels In dit artikel is, in verband met de ligging in een grondwaterbeschermingsgebied, de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' opgenomen. Ingrepen in de bodem zijn alleen toegestaan als deze zich verdragen met het gestelde in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland. Artikel 13. Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Artikel 14 Overige regels In dit artikel zijn de regels omtrent parkeren opgenomen: er moet voorzien worden in voldoende parkeerplaatsen, uitgaande van de gemeentelijke parkeernormen. Hierbij wordt uitgegaan van de CROWpublicatie 'toekomstbestendig parkeren'.

42

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 15. Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 16. Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat de titel van het plan.

43

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het project wordt op initiatief van de grondeigenaar gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de ontwikkelaar. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de ontwikkelaar worden doorberekend. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten aan de ontwikkeling verbonden. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief zal met het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de ontwikkelaar en de gemeente Wassenaar worden geregeld. Hierin zal opgenomen worden dat het planschaderisico voor rekening van de ontwikkelaar komt. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.

44

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Participatie Op 8 juni 2023 heeft de initiatiefnemer een bezoek gebracht aan het naastgelegen landgoed 'De Schouwenburgh'. Hierbij is er gesproken over de voorgenomen verkoop van het perceel en de beoogde plannen voor het perceel. Hierbij zijn afgevaardigden van de Vereniging van Eigenaren (VvE) uitgebreid ingelicht over de plannen en is samen met de initiatiefnemer het terrein bezocht. In een reactie op deze informatie heeft de VvE aangegeven dat er tot heden nog geen reden tot zorg is over de verkoop van het perceel en de uitvoering van de beoogde bouw. Hierbij is aangegeven dat ervan uit wordt gegaan dat er tijdig overleg zal plaatsvinden tussen de VvE en de ontwikkelaar, met bijzondere aandacht voor het deel van de tuinmuur en verhoogd terras dat zich bevindt op het terrein van 'De Schouwenburgh'. Daarnaast is er ook nog met de buren aan de Stoeplaan 7/7A nog een gesprek geweest over het beoogde plan. De buren hebben de plannen ingezien en hebben geen bezwaar tegen het plan zoals deze nu is uitgewerkt, zolang het recht van overpad behouden blijft.

7.3 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het conceptontwerpbestemmingsplan op 6 juli 2023 voorgelegd aan de provincie Zuid-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijnland toegezonden. Beide organisaties hebben gereageerd op het plan. Op 21 augustus 2023 heeft Rijnland gereageerd en aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan, en geeft daarom een positief wateradvies. Er wordt daarbij aanvullende informatie toegestuurd dat gebruikt wordt in de toelichting behorende bij het bestemmingsplan. De vooroverlegreactie van provincie Zuid–Holland (d.d. 26 september 2023) wordt in de bijgevoegde Nota vooroverlegreacties behandeld: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=07821f5c-39cf-4aab-adf8-b22690700b1e