CConstaterende datwassenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering Wassenaar 8 juli 2025, gemeente wassenaarBij agendapunt: Weigering Verklaring Van Geen Bedenkingen voor het legaliseren van een paddock/buitenstallen op de Katwijkseweg 22a15.899 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.

Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

4.3.2

Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Omdat onderhavige ruimtelijke onderbouwing geen betrekking heeft op een geluidgevoelige functie, hoeft er in die zin geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai plaats te vinden. Voor wat betreft de geluiduitstraling van de gebruiksgerichte paardenactiviteiten wordt verwezen naar paragraaf 4.4. Voor wat betreft de geluiduitstraling van de hondenopvang wordt verwezen naar het uitgevoerde akoestisch onderzoek industrielawaai in paragraaf 4.4.

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

27

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit ruimtelijke plan.

4.4

Milieuzonering

4.4.1

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.

4.4.2

Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Het projectgebied kan vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de Katwijkseweg (N441), het niet-agrarische bedrijf ten westen en de agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel zelf aangemerkt worden als een gemengd gebied. Gebruiksgerichte paardenactiviteiten (onoverdekte manege) Een manege (SBI: 931) kent op basis van de VNG-publicatie een richtafstand van 30 m in een gemengd gebied. Het maatgevende aspect hierbij is geur. Voor de beschouwing van het aspect geur van agrarische bedrijven wordt verwezen naar paragraaf 4.5.

28

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Wat betreft geluiduitstraling is er gezien de beperkte extra voertuigaantrekkende werking (zie subparagraaf 4.1.1) als gevolg van de activiteiten binnen het projectgebied geen significant verschil tussen een:  een productiegerichte paardenhouderij, waar uitsluitend fokkerij-activiteiten plaatsvinden en;  een productiegerichte paardenhouderij, waar naast fokkerij-activiteiten ook gebruiksgerichte paardenactiviteiten plaatsvinden in de vorm van het geven van rijlessen in de buitenlucht en het pensionstallen van paarden. Bovendien vinden de rijlessen plaats aan de noordoostzijde van het projectgebied, op ruime afstand van de omliggende woningen en niet aan de westzijde. Zodat ook voldaan wordt aan de richtafstand van 10 m voor stof. Hondenopvang Er is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd naar de hondenopvang ter plaatse van de woning in het projectgebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd. In het onderzoek is uitgegaan van 15 honden. De honden die worden opgevangen zijn klein tot middelgroot, maar niet groter dan een labrador. Activiteitenbesluit (milieu) Uit de rekenresultaten (hoofdstuk 4 van het onderzoek) blijkt dat ter plaatse van alle beoordelingspunten aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidsniveaus uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan.

In het Activiteitenbesluit zijn geen grenswaarden voor de indirecte hinder opgenomen. Gesteld kan worden dat de beoogde hondenopvang inpasbaar is in de omgeving. Woon- en leefklimaat (toetsing RO) Uit de rekenresultaten (hoofdstuk 4 van het onderzoek) blijkt dat ter plaatse van alle woningen in de omgeving aan de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt voldaan. Gesteld kan worden dat ter plaatse van woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit ruimtelijke plan.

4.5

Geur

4.5.1

Regelgeving

Vergunningplichtige veehouderijen moeten voor wat betreft geur van dierenverblijven voldoen aan de Wet geurhinder en veehouderij. Verder moeten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de beste beschikbare technieken worden toegepast. Veehouderijen die onder het Activiteitenbesluit vallen, moeten voldoen aan de in dat besluit genoemde minimumafstanden en of norm voor de geurbelasting tot geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. De Wgv stelt alleen eisen aan de geurhinder vanwege dierenverblijven. De Wgv maakt hierbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren:  De wet schrijft voor dat bij dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld de geurbelasting op een 'geurgevoelig object' niet meer mag bedragen dan een bepaalde waarde. De geuremissiefactoren zijn opgenomen in bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv).  Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen, moet tenminste een minimale afstand tussen een veehouderij en een 'geurgevoelig object' worden aangehouden.

De maximaal toegestane geurbelasting op 'geurgevoelige objecten' is bij dieren met een geuremissiefactor afhankelijk van de liggen van de objecten. Deze maximale waarde voor de geurbelasting is opgenomen in artikel 3 van de Wgv en wordt uitgedrukt in aantallen Europese odour units in een volume-eenheid lucht (OUe/m³). Hierbij wordt uitgegaan van de 98-percentiel

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

29

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

geurconcentratie. Dat betekent dat de berekende geurconcentratie gedurende 98 procent van het jaar niet wordt overschreden. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

4.5.2

Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Uit de handreiking 'De paardenhouderij in het omgevingsrecht', d.d. mei 2014 valt op te maken dat er rekening mee gehouden moet worden dat paardenhouderijen een zekere geurbelasting vanuit de dierenverblijven veroorzaken. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (zoals paarden), moeten vaste afstanden aangehouden worden. Er gelden op basis van de Wet geurhinder en veehouderij vaste afstanden voor de geurbelasting van paarden. De wet maakt daarbij onderscheid tussen bedrijven gelegen binnen de bebouwde kom en bedrijven gelegen buiten de bebouwde kom. De afstand vanuit het dierenverblijf in het projectgebied tot aan een geurgevoelig object zoals (bedrijfs)woningen moet (bij nieuwe situaties) minimaal 50 m zijn omdat de omliggende geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom zijn gelegen. Ingevolge artikel 4 van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt deze afstand gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van een dierenverblijf, dan wel - indien het dierenverblijf niet overdekt is - tot het punt van de begrenzing van het onoverdekte dierenverblijf dat het dichtst bij het desbetreffende geurgevoelig object is gelegen.

Een dierenverblijf is ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij een al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201103534/1/A4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, intensief gebruikte buitenverblijven waar gedurende de dag-, avonden nachtperiode paarden verblijven aangemerkt worden als dierenverblijf in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Omdat stal 1 en 2 zijn gerealiseerd ter plaatse van een deel van het projectgebied dat voorheen in gebruik was als paddock (wat op grond van artikel 1.13 van het geldende bestemmingsplan is toegestaan: 'een zeker uitloopgebied'), waar vanaf 2006 circa 15 van de (toentertijd) 17 paarden vanaf circa 10.00 in de ochtend tot circa 18.00 uur in de middag (als het weer het toeliet ook 's avonds) aanwezig waren, is sprake van een bestaand planologisch recht om paarden te houden tot op de grens van het bestemmingsvlak. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Regelgeving

Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:  negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken.  mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

30

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

  

er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.6.2

Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Het aantal extra voertuigbewegingen als gevolg van gebruiksgerichte paardenactiviteiten en de hondenopvang neemt beperkt toe (zie subparagraaf 4.1.1) en daarmee is er sprake van een NIBMbijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit wordt bevestigd door het gebruik van de NIBM-tool (versie 24 april 2024):

Goede ruimtelijke ordening In het kader van artikel 5.16 Wm zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Hierbij is gebruik gemaakt van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), waaruit de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2022 (monitoringsronde 2023) zijn bepaald ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt op de meest nabij gelegen gemonitorde weg, de Katwijkseweg (N441).

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

31

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Uit het CIMLK blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) met waarden van circa 14,2 µg/m3 NO2, circa 16,3 µg/m3 PM10 respectievelijk circa 8,0 µg/m3 PM2,5 ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m 3. De daggemiddelde norm komt overeen met ongeveer 32 µg/m3 jaargemiddeld (Bron: www.infomil.nl). Met een waarde onder de 17 µg/m³ wordt in het projectgebied, ook voor deze daggemiddelde norm voor PM 10, ruimschoots aan deze lagere norm voldaan. Dit wordt bevestigd door het CIMLK waarbij ter hoogte van het meest nabij gelegen toetspunt voor wat betreft het aantal overschrijdingsdagen voor PM 10 met 6 overschrijdingsdagen, ruim onder de norm van 35 overschrijdingsdagen wordt gebleven. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit ruimtelijke plan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een ruimtelijk plan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.

32

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).

4.7.2

Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding projectgebied (blauwe cirkel, Bron: www.risicokaart.nl) Inrichtingen c.q. bedrijven Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het projectgebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting.

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

33

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Vervoer van gevaarlijke stoffen Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in de directe nabijheid van een transportroute voor gevaarlijke stoffen (vaarweg, weg of spoorlijn). Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in de directe nabijheid van een buisleiding. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit ruimtelijke plan.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022 - 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer.

Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022 - 2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsbeleid Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het projectgebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het

34

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnlandrioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Waterbeheerplan Voor de planperiode 2022 - 2026 is het waterbeheerplan 'Water wijst de weg, WBP6' van hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Hiermee maakt het hoogheemraadschap van Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan de wettelijke taken en ambities.

Het WBP6 legt meer dan voorheen accent op klimaatuitdagingen, waarbij het hoogheemraadschap een positieve bijdrage wil leveren aan de circulaire economie, de energietransitie, de ruimtelijke kwaliteit, het recreatieve medegebruik en versterking van de biodiversiteit. Dát is zorgen voor een gezonde en duurzame leefomgeving. Er is een interactieve Visiekaart opgesteld met vier landschapstypen. Onderhavig gebied maakt deel uit van het landschapstype 'zand'. Het Rijnlands zandlandschap aan de Noordzeekust bestaat uit duingebied en bollenstreek. Toerisme, recreatie en agrarische productie zijn de belangrijkste functies. De belangrijkste waterontwikkelingen zijn:  kwelwater van hoge kwaliteit uit de duinen stroomt af en raakt vervuild als het in contact komt met het oppervlaktewatersysteem;  de hoge ecologische kwaliteit van het duingebied staat onder druk, ook door gewasbeschermingsmiddelen uit de bollenteelt waarvan de restanten in het grondwater terechtkomen;  de vraag naar ruimte voor drinkwaterwinning wordt groter. De Blauwe Lens De gevolgen, kansen en oplossingen van klimaatverandering voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland zijn onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek is het rapport 'De Blauwe Lens, transitieopgaven verbonden door water' (januari 2021).

De Blauwe Lens geeft aan dat het gebied en het watersysteemveerkrachtiger en flexibeler moeten worden. Een belangrijk inzicht is dat problemen niet afgewenteld moeten worden op de omgeving, maar dat water juist moet worden ingezet als ordenende kracht in ruimtelijke ontwikkeling. Met deze constatering bevestigt De Blauwe Lens de noodzaak om water leidend te maken. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is hoogheemraadschap van Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:  waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);  watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);  andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);  de bodem van kwelgevoelige gebieden. Maar ook aan:  onttrekken en lozen van grondwater;  aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur van Rijnland 2020 gaat uit van een 'ja, tenzij'-benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen.

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

35

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.

4.8.2

Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Er is een digitale watertoets uitgevoerd via www.dewatertoets.nl (zie bijlage 4). Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het hoogheemraadschap. In deze fase van de planvorming kan volgens het hoogheemraadschap worden volstaan met dit automatisch gegeneerd wateradvies (= korte procedure). Bodemopbouw Uit de website www.bodemdata.nl blijkt dat de bodem in het projectgebied behoort tot de lage enkeerdgronden en voornamelijk bestaat uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Dit zijn dikke eerdgronden met een esdek bestaande uit zand en een lage ligging ten opzichte van het grondwater (Gt III en lager). De bovengrond bestaat uit leemarm of zwak lemig fijn zand. Oppervlaktewater Aan de noord- en zuidzijde van het projectgebied liggen primaire watergangen. Aan de oost- en westzijde van het projectgebied liggen overige watergangen. Deze watergangen blijven verder ongewijzigd. Grondwater Uit het Dinoloket volgt dat de grondwaterstand zich dieper dan 1,4 à 1,8 m onder maaiveld bevindt. Het projectgebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Het grondwater in het projectgebied wordt niet beïnvloed. De berging van hemelwater vindt plaats boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Hemelwater wordt zoveel mogelijk geïnfiltreerd en er wordt geen grondwater onttrokken.

Hemelwater Pas als een initiatiefnemer meer dan 500 m² extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van de totale verharde oppervlakte. Er is weliswaar nieuwe bebouwing opgericht in het projectgebied, maar de extra bebouwing betreft grotendeels al gerealiseerde vergunningvrije bebouwing waarvoor al eerder in de benodigde waterberging is voorzien. De vergunningvrije bebouwing telt daarom niet mee als extra verhard oppervlak. Alleen het achterste deel van stal 2 en stal 1 moeten nog vergund worden. Dit betreft een oppervlakte van 52,2 m² voor het achterste deel van stal 2 en 87,4 m² voor stal 1, samen 139,6 m². Deze oppervlakte ligt ruimschoots onder de vrijgestelde oppervlakte van 500 m². Afvalwater Er is geen sprake van extra afvalwater als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De mest van de paarden en de honden wordt 26 x per jaar opgehaald door een mestophaaldienst. Conclusie Het beleid en de regelgeving van het hoogheemraadschap zijn gericht op hydrologisch neutraal bouwen. Uitbreiding van verhard oppervlak boven de 500 m² moet gecompenseerd worden. Er is volgens het beleid van het hoogheemraadschap geen extra waterging noodzakelijk voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit ruimtelijke plan.

36

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

4.9

Ecologie

4.9.1

Regelgeving

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen.

De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

37

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

4.9.2

Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Soortenbescherming Er wordt met de voorliggende ontwikkeling geen nieuwe bebouwing opgericht in het projectgebied (de extra bebouwing betreft al gerealiseerde vergunningvrije bebouwing), en ook geen bebouwing gesloopt, zodat het niet zinvol is om ecologisch soortenonderzoek uit te voeren. Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich ten noorden van het projectgebied en valt samen met het Natura 2000-gebied, 'Meijendel & Berkheide'. Aangezien het planvoornemen in combinatie met de afstand geen effect heeft op het nabijgelegen onderdeel van het Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone, zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone niet aan de orde. Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen, maar wel aangrenzend aan een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ''Meijendel & Berkheide', bevindt zich direct ten noorden van het projectgebied. Externe effecten als gevolg van licht en geluid door de voorgenomen plannen in het projectgebied zijn inherent aan het huidige (planologische toegestane en feitelijke) als agrarisch bedrijf en hoeven daarom niet beoordeeld te worden.

Uiteraard wordt er wel rekening met het Natura 2000-gebied gehouden door vanuit het agrarisch bedrijf geen lampen te richten op het Natura 2000-gebied en geluidveroorzakende activiteiten op het bedrijf vinden vooral plaats te laten vinden ter hoogte van de bedrijfsbebouwing, die gelegen is op enige afstand van het Natura 2000-gebied. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de omvang van de ontwikkeling en de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied mogelijk aanwezig. Daarom is er voor de extra voertuigaantrekkende werking als gevolg van de gebruiksgerichte paardenactiviteiten en de hondenopvang samen een stikstofberekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. Worst-case is er hierbij vanuit gegaan dat alle voertuigbewegingen die zijn toe te schrijven aan de gebruiksgerichte activiteiten nieuw zijn. De bijbehorende Aerius-berekening is opgenomen in bijlage 3. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit ruimtelijke plan.

4.10

Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.

38

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

De inwerkingtreding van de Omgevingswet vindt plaats op 1 januari 2024. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussenliggende periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.

4.10.2 Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing Archeologie Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht in het projectgebied (de extra bebouwing betreft al gerealiseerde bebouwing), zodat er geen nieuwe bodem wordt geroerd en het dus niet zinvol is om archeologisch onderzoek uit te voeren. Cultuurhistorie Raadpleging van de cultuurhistorische atlas laat zien dat er geen specifieke cultuurhistorische waarden in het projectgebied zijn. Het hele projectgebied is in het geldende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Omdat er wat betreft de uitbreiding van stal 3 sprake is van een vergunningvrij bijgebouw (bouwen en gebruik) op basis van artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht dat is gerealiseerd rond 1998, dus ruim voor 11 juni 2015 (toen de dubbelbestemming in werking is getreden), hoeft niet getoetst te worden aan de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie (artikel 53)' uit het geldende bestemmingsplan. Ook voor het vergunningvrije deel van stal 2 hoeft niet getoetst te worden aan deze dubbelbestemming.

Het voorste deel van de stal is namelijk een vergunningvrij bijgebouw (bouwen en gebruik) op basis van artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht dat is gerealiseerd in februari/ maart van 2015, dus net voor 11 juni 2015 (toen de dubbelbestemming in werking is getreden), hoeft niet getoetst te worden aan de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie (artikel 53)' uit het geldende bestemmingsplan. Op navolgende bouwfoto's (voorzien van data) is dit terug te zien:

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

39

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Voor het niet-vergunningvrije deel van stal 2 en de recht daar achter liggende stal 1 moet wel getoetst worden of de cultuurhistorische kwaliteiten niet onevenredig worden aangetast (artikel 53.2.1 onder a). Het projectgebied is volgens de kaart 'Deelgebieden op basis van de landschapsstructuur' op blz. 71 van de toelichting van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied' uit 2005 gelegen op de overgang van de 'zone Landgoederen / strandwallen / strandvlakten' en de zone 'Zeekleigebied / polders'. In beide zones wordt het behouden van openheid gezien als aanvullend uitgangspunt en versnippering door bebouwing. Ook het behouden van 'vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch en natuurwetenschappelijk oogpunt waardevolle beplantingselementen en hakhoutbossen' is een belangrijk uitgangspunt. Dergelijke elementen zijn echter niet aanwezig in het projectgebied, zodat dit uitgangspunt niet van toepassing is. Omdat zowel het niet-vergunningvrije deel van stal 2 alsmede stal 1 in lijn staan (= achter elkaar gezien vanaf de Katwijkseweg) met het voorste deel van stal 2, dat vergunningvrij gerealiseerd is, is er geen sprake van een verdere aantasting van de openheid op het perceel. Er is juist sprake van een concentratie van bebouwing met de bedrijfspanden op het perceel ten (noord)westen van het projectgebied (op nr. 21A).

Dit om versnippering door bebouwing te voorkomen en de openheid niet onevenredig aan te tasten. De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit ruimtelijke plan.

40

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

4.11

Leidingen

4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing In of in de directe omgeving van het projectgebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van dit ruimtelijke plan relevant zijn.

4.12

Vormvrije MER-beoordeling

4.12.1 Regelgeving Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. 4.12.2 Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren’ (activiteit D14). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 stuks paarden of pony's, waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. De voorgenomen activiteiten in het plan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

41

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende planschaderisico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is zodoende verzekerd.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit gedurende 6 weken ter visie zal worden gelegd. Hierbij wordt de mogelijkheid geboden voor een ieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hier aan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd. Te zijner tijd zal de ontwerp omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter visie gelegd worden. Eén ieder heeft tijdens deze periode de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.

42

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

43

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Bijlagen bij ruimtelijke onderbouwing

44

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Bijlage 1

Voertuigaantrekkende werking

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

45

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Bijlage 2

46

Akoestisch onderzoek industrielawaai hondenopvang

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Bijlage 3

Aerius berekening extra voertuigbewegingen

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

47

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Bijlage 4

48

Digitale watertoets

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=6940cc46-674c-4f67-a1ee-6129af7e1bcf