CConstaterende datwassenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering Wassenaar 8 juli 2025, gemeente wassenaarBij agendapunt: Weigering Verklaring Van Geen Bedenkingen voor het legaliseren van een paddock/buitenstallen op de Katwijkseweg 22a15.899 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing

Ontwerp (9 juli 2024)

Katwijkseweg 22A Wassenaar

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging projectgebied 1.3 Geldend(e) bestemmingsplan(nen) 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5 7

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande (gewenste) situatie

8 8

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie

15 15 16 21 24

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Geur 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Vormvrije MER-beoordeling

25 25 26 26 28 29 30 32 34 37 38 41 41

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

42 42 42

Bijlagen bij ruimtelijke onderbouwing

44

Bijlage 1

Voertuigaantrekkende werking

45

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek industrielawaai hondenopvang

46

Bijlage 3

Aerius berekening extra voertuigbewegingen

47

Bijlage 4

Digitale watertoets

48

2

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Ruimtelijke onderbouwing

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

3

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft de gemeente aan de eigenaren van het perceel Katwijkseweg 22a te Wassenaar een last onder dwangsom opgelegd in verband met zonder vergunning opgerichte bouwwerken en met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Dit ten aanzien van: a. het bedrijfsmatig opvangen van honden; b. het bedrijfsmatig houden van paarden anders dan in het kader van een paardenfokkerij; c. het verwijderen en verwijderd houden van 2 paardenstallen (stal 1 en 2) en het terugbrengen van 1 paardenstal (stal 3) in overeenstemming met de vergunde situatie. Op 22 december 2023 is een vergunningaanvraag ingediend om de stallen (en als afgeleide het strijdige gebruik daarvan voor gebruiksgerichte paardenactiviteiten) te legaliseren. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt onderbouwd dat ten aanzien van onderdeel: a. er ook bij bedrijfsmatige opvang van honden sprake is van een goede ruimtelijke ordening; b. de gebruiksgerichte paardenactiviteiten (maximaal 23 paarden) in de vorm van lesgeven in de buitenlucht en pensionstallen van paarden op het perceel (= onoverdekte manege) niet leiden tot extra milieubelasting voor de omgeving vergeleken met productiegerichte paardenactiviteiten (=paardenfokkerij); c.

bij stal 3 (= hoofdgebouw agrarisch bedrijfsperceel) sprake is van een vergunningvrije uitbreiding van de vergunde situatie en dat het voorste deel van stal 2 ook binnen de regels voor vergunningvrij bouwen is gerealiseerd. Voor stal 1 en het zonder vergunning gerealiseerde deel van stal 2 wordt onderbouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Indien afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 1°of 2° Wabo niet mogelijk is biedt de Wabo de mogelijkheid om buitenplans van het bestemmingsplan af te wijken bij omgevingsvergunning. Mits de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Via een uitgebreide (afwijkings)procedure op basis van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, sub a, onder 3 van de Wabo kan de gemeente medewerking verlenen aan de beoogde legalisatie van bedrijfsmatige hondenopvang en het legaliseren van de gebruiksgerichte paardenactiviteiten en het legaliseren van de niet-vergunningvrij gerealiseerde delen van de stallen. In onderhavige onderbouwing wordt daarom uiteengezet waarom de voorgenomen ontwikkeling toelaatbaar is en waarom het aanvaardbaar is om in dit geval af te wijken van de regels uit het geldende bestemmingsplan.

Voor de gebouwen (sub b en c) is voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit ingediend. Ingevolgde artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing tot het besluit van kracht is. Voor de onderdeel a wordt gelijktijdig met deze ruimtelijke onderbouwing een aanvraag omgevingsvergunning (bopa) aangevraagd.

1.2

Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen aan de Katwijkseweg 22A in Wassenaar. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Wassenaar, sectie B nrs. 3.493, 8.460 en 9.514 en heeft een oppervlakte van circa 13.900 m². Het projectgebied wordt begrensd door:  Noordwestzijde: het Natura 2000-gebied 'Meijendel & Berkheide';  Noordoostzijde: een agrarisch perceel en de zijdelingse perceelsgrens van het woonperceel aan de Katwijkseweg 23;  Zuidoostzijde: de parallelweg van de Katwijkseweg (N441);  Zuidwestzijde: de zijdelingse perceelsgrenzen van het woonperceel aan de Katwijkseweg 22 en het bedrijfsperceel aan de Katwijkseweg 21A. Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het projectgebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het projectgebied wordt verwezen naar de illustratie van de plangrens.

4

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Globale ligging projectgebied (Bron: maps.google.nl, rode druppel)

Globale begrenzing projectgebied (rode omkadering)

1.3

Geldend(e) bestemmingsplan(nen)

Voor de gronden in het projectgebied geldt het bestemmingsplan 'Landelijk gebied'', zoals de gemeenteraad van Wassenaar dat heeft vastgesteld op 7 april 2015 en zoals dat op een klein onderdeel is aangepast bij uitspraak van de Raad van State op 6 april 2016.

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

5

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Het projectgebied heeft hierin de bestemming 'Agrarisch - Paardenfokkerij (artikel 5)' en is daarnaast voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie (artikel 53)'. De archeologische dubbelbestemming uit dit bestemmingsplan is komen te vervallen met de vaststelling (d.d. 24 april 2018) van het Paraplubestemmingsplan 'Cultureel Erfgoed Wassenaar - Panden, objecten en archeologie'. Het hele projectgebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3 (artikel 4)'. Het achterste deel van het projectgebied valt daarnaast binnen de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - munitie C'. De gronden ter plaatse van deze aanduiding zijn naast de andere bestemmingen die op deze gronden gelden mede bestemd voor het garanderen van de veiligheid rondom defensiecomplex De Kom. De C-zone ligt om de B-zone, waarbij de straal ongeveer 2 x de straal van de B-zone is. De restrictie die binnen deze zone geldt betreft gebouwen met vlies- of gordijngevelconstructies en voorts gebouwen met zeer grote glasoppervlakten, waarin zich als regel een groot aantal personen bevindt. Daarvan is echter in het projectgebied geen sprake. Aan de straatzijde is de bedrijfswoning voorzien van een bouwvlak. Deze woning is echter per abuis nooit omgezet naar een burgerwoning. In de brief d.d.

19 december 2022 aan de initiatiefnemer heeft de gemeente aangegeven dat de bedrijfswoning met aangewezen erf (circa 1.400 m²) als burgerwoning (eengezinswoning) met bijgebouwen gebruikt mag worden. Deze omissie wordt hersteld bij de eerstvolgende wijziging van het Omgevingsplan Wassenaar. In het vervolg van deze ruimtelijke onderbouwing gaan we uit van de fictieve, door de gemeente toegezegde planologische situatie, dat ter plaatse van een perceel van 1.400 m² de bestemming 'Wonen-1' geldt, gelijk aan het naastgelegen woonperceel. Daarnaast is er ongeveer in het midden van het perceel een (agrarisch) bouwvlak aanwezig zonder nadere aanduiding. Aan de rechterkant van het perceel is daarnaast een groot vlak aangeduid als 'rijbak'. Binnen deze aanduiding zijn onder andere paddocks toegestaan.

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan met globale begrenzing projectgebied (rode omkadering) Om de door de gemeente geconstateerde overtredingen, zoals opgesomd in paragraaf 1.1, te kunnen herstellen, zal (voor sommige, maar niet alle onderdelen) van het geldende bestemmingsplan moeten worden afgeweken, om legalisatie mogelijk te maken. In paragraaf 2.1 wordt de bestaande (gewenste) situatie besproken en wordt gemotiveerd dat, ondanks dat de bestaande situatie op onderdelen niet passend is binnen de regeling van het geldende bestemmingsplan, sprake is van een ruimtelijk aanvaardbare situatie.

6

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

1.4

Leeswijzer

De ruimtelijke onderbouwing bestaat uit meerdere onderdelen: een illustratie waarop de grens van het projectgebied is aangegeven en een toelichting waarin de achtergronden van de ruimtelijke onderbouwing is beschreven. In de toelichting worden de keuzes die in de ruimtelijke onderbouwing worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in drie delen: Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planafwijking beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de bestaande (gewenste) situatie in het projectgebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieu- en omgevingsaspecten uiteengezet. Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 5) gaat in op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

7

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Hoofdstuk 2

Gebiedsvisie

2.1

Bestaande (gewenste) situatie

2.1.1

Algemeen

Op navolgende afbeelding zijn de verschillende bestaande (gewenste) onderdelen in het projectgebied weergegeven:

   

Een bedrijfsmatige hondenopvang in en om de als zodanig bestemde (bedrijfs)woning aan de Katwijkseweg 22A; Stal 3 centraal op het perceel Stal 2 aan de westzijde van het perceel; Stal 1 aan de westzijde van het perceel, net achter stal 2;

2.1.2

Hondenopvang bij woning

Zoals eerder onder 1.3 aangegeven gaan we in deze ruimtelijke onderbouwing uit van de fictieve, door de gemeente toegezegde planologische situatie, dat ter plaatse van de woning in het projectgebied de bestemming 'Wonen-1' geldt, gelijk aan het naastgelegen woonperceel. Het hobbymatig opvangen van honden is niet in strijd met het bestemmingsplan. De vraag of sprake is van hobbymatige opvang van honden, hangt af van de ruimtelijke uitstraling van de opvang (aard, intensiteit en omvang), en de aard van de omgeving (Rb. Limburg, 3 juli 2017, ECLI:NL:RBLIM:2019:6217) Er is volgens jurisprudentie sprake van hobbymatige opvang als er slechts voor een beperkt aantal honden wordt gezorgd op een niet-commerciële manier. Er mag geen sprake te zijn van externe gerichtheid (bijvoorbeeld adverteren) of van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie (ABRvS 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1907). Er mag geen marktconforme prijs voor de opvangdiensten worden ontvangen. Een kleine vergoeding betekent echter nog niet dat meteen sprake hoeft te zijn van bedrijfsmatige exploitatie van een hondenopvang. Daarnaast mag er geen sprake zijn van externe gerichtheid, wat inhoudt dat er geen reclame wordt gemaakt voor de opvangdiensten (ABRvS 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1907).

8

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

In het projectgebied is sprake van kleinschalige hobbymatige opvang (maximaal 10 honden). De honden die worden opgevangen zijn klein tot middelgroot, maar niet groter dan een labrador. Er is geen sprake van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie omdat de honden tegen kostprijs worden opgevangen. Er wordt niet geadverteerd en er is geen webpagina online. Om de stap te kunnen zetten van het hobbymatig opvangen van 10 honden naar de gewenste bedrijfsmatige hondenopvang aan huis voor 15 honden is bekeken wat de ruimtelijke effecten zijn. In dat kader zijn de geluiduitstraling en de extra voertuigbewegingen relevant. Uit het akoestisch onderzoek naar de kleinschalige hondenopvang met 15 honden blijkt dat de geluiduitstraling naar de omliggende geluidgevoelige bestemmingen aanvaardbaar is. Zie voor de resultaten paragraaf 4.4 Milieuzonering. Wat betreft de extra voertuiggeneratie is sprake van maximaal 16 extra voertuigbewegingen als gevolg van de groei van 10 honden naar 15 honden. Dit beperkte aantal extra voertuigbewegingen kan prima opgevangen worden op de ventweg van de Katwijkseweg. Zie verder subparagraaf 4.1.1. Uit een Aerius-berekening van de extra voertuiggeneratie van de gebruiksgerichte paardenactiviteiten en de bedrijfsmatige hondenopvang samen (zie subparagraaf 4.9.2) blijkt er geen sprake te zijn van een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j.

Daarmee is bij de bedrijfsmatige hondenopvang aan huis sprake van een goede ruimtelijke ordening. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de omliggende woningen.

2.1.3

Gebruiksgerichte paardenhouderij (onoverdekte manege)

Omdat de fokkerijactiviteiten bij recht zijn toegestaan en de gebruiksgerichte paardenactiviteiten niet is er in deze ruimtelijke onderbouwing bekeken wat het verschil is qua ruimtelijke uitstraling tussen:  een productiegerichte paardenhouderij, waar uitsluitend fokkerij-activiteiten plaatsvinden en;  een productiegerichte paardenhouderij, waar naast fokkerij-activiteiten ook gebruiksgerichte paardenactiviteiten plaatsvinden in de vorm van het geven van rijlessen in de buitenlucht en het pensionstallen van paarden. Er bevinden zich op dit moment 22 à 23 paarden in het projectgebied, waarvan 20 eigen paarden en 2 à 3 pensionpaarden. Worst-case wordt uitgegaan van 23 paarden. Van de eigen paarden zijn er 12 merries en 8 ruinen. De 20 paarden worden allemaal voor het lesgeven gebruikt en alle 12 merries worden ook in de fokkerij gebruikt. Er is in het projectgebied sprake van een onoverdekte manege met bijbehorende activiteiten, want er is (in aansluiting op begripsbepaling 1.94 uit het geldende bestemmingsplan) sprake van: "Een besloten plaats waar het paardrijden wordt beoefend. Een manege bestaat in de regel uit een grote rijhal met een zandvloer, al dan niet voorzien van bepaalde voorwerpen die ingezet kunnen worden bij het springen, bij dressuuroefeningen, paardrijlessen of andere activiteiten van paard en ruiter.

Daarnaast zijn er meer stallen voor de paarden, soms nog andere ruimtes voor de opslag van materiaal, voer en behandeling van de paarden." In het projectgebied is echter geen grote rijhal aanwezig en er is slechts in beperkte mate voorzien in extra ruimtes voor het stallen van paarden en andere ruimtes voor de opslag van materiaal, voer en de behandeling van de paarden. In die zin is er daarmee sprake van een andere situatie dan in de regel gebruikelijk is. Dit betekent dat het belangrijkste onderscheid vanwege het lesgeven en het pensionstallen van paarden in de voertuigaantrekkende werking van deze activiteiten zit. Op een fokkerij lopen paarden immers ook buiten en worden paarden afgericht (= onderdeel van het houden, trainen/ dresseren van paarden) en moet ook voorzien worden in een stal voor de te fokken paarden. Alleen het lesgeven in de buitenlucht is daarmee aanvullend op de activiteiten die bij een fokkerij plaatsvinden. In subparagraaf 4.1.1 Verkeer is nader uiteengezet wat de voertuigaantrekkende werking van het huidige feitelijke gebruik is. Uit dit overzicht blijkt dat er slechts in beperkte mate sprake is van een extra voertuigaantrekkende werking als gevolg van de gebruiksgerichte activiteiten.

Uit een Aeriusberekening van de extra voertuiggeneratie van de gebruiksgerichte paardenactiviteiten en de bedrijfsmatige hondenopvang samen (zie subparagraaf 4.9.2) blijkt er geen sprake te zijn van een

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

9

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j. Daarnaast zijn er extra paarden in het projectgebied aanwezig omdat er gebruiksgerichte activiteiten plaatsvinden. In paragraaf 4.5 wordt uiteengezet waarom er wat betreft geur niet voldaan hoeft te worden aan de vaste afstand van 50 m uit de Wet geurhinder en veehouderij. Daarmee is er in de praktijk ook qua ruimtelijke uitstraling nauwelijks verschil tussen:  een productiegerichte paardenhouderij, waar uitsluitend fokkerij-activiteiten plaatsvinden en;  een productiegerichte paardenhouderij, waar naast fokkerij-activiteiten ook gebruiksgerichte paardenactiviteiten plaatsvinden in de vorm van het geven van rijlessen in de buitenlucht en het pensionstallen van paarden. 2.1.4

Stal 3 (Hoofdgebouw)

Centraal in het projectgebied is in het geldende bestemmingsplan een bouwvlak aanwezig. Op deze locatie bevindt zich een stal (consequent stal 3 genoemd in alle onderlinge correspondentie), die deels buiten het aangegeven bouwvlak is gelegen. Omdat er in het projectgebied sprake is van een agrarisch bedrijf op gronden met een agrarische bestemming, moet deze stal aangemerkt worden als hoofdgebouw in het projectgebied. Op basis van de begripsbepaling in artikel 1.70 van het geldende bestemmingsplan wordt een hoofdgebouw namelijk aangemerkt als:  "Een gebouw, of een gedeelte daarvan, noodzakelijk voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is." Nameting van het bouwvlak leert dat het hoofdgebouw een maximum oppervlak van 109,2 m² kan hebben binnen het bestaande bouwvlak en de oppervlakte van de daadwerkelijk aanwezige bebouwing buiten in het veld circa 205 m² bedraagt, dan zijn er 205 – 109 = 96,0 m² aan vergunningvrije uitbreidingen die hebben plaatsgevonden. Aangezien het achtererfgebied van dit hoofdgebouw ruimschoots groter is dan 900 m², mag er vergunningvrij 150 m² bijgebouwd worden. Op navolgende afbeelding is het achtererfgebied rood omkaderd:

Omdat de uitbreidingen van het hoofdgebouw zich bevinden op een afstand van maximaal 4,0 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw en niet hoger zijn dan 5,0 m c.q. niet hoger zijn dan het oorspronkelijke hoofdgebouw, wordt voldaan aan artikel 2, onderdeel 3 onder a van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

10

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Daarmee is stal 3, inclusief de vergunningvrij gerealiseerde uitbreidingen, bouwkundig gezien legaal. Omdat sprake is van een vergunningvrije uitbreiding van het hoofdgebouw, die is gerealiseerd voordat het bestemmingsplan uit 2015 in werking trad (waarin deze dubbelbestemming is geïntroduceerd), hoeft het gebruik ook niet getoetst te worden aan de dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie' uit het geldende bestemmingsplan. In paragraaf 4.5 wordt uiteengezet waarom er wat betreft geur niet voldaan hoeft te worden aan de vaste afstand van 50 m uit de Wet geurhinder en veehouderij. Voor het overige is alleen het aspect waterhuishouding relevant, maar omdat het extra verhard oppervlak vergunningvrij is gerealiseerd, hoeft er geen aanvullende compensatie plaats te vinden. Zie verder paragraaf 4.8.

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

11

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

2.1.5

Stal 2

Aan de noordwestzijde van het projectgebied bevindt zich een bijgebouw (consequent stal 2 genoemd in alle onderlinge correspondentie), dat buiten het aangegeven bouwvlak is gelegen, maar wel binnen het achtererfgebied van het hoofdgebouw (=stal 3). De oppervlakte van deze stal bedraagt 106,2 m². Uitgaande van de oppervlakten voor stal 3 betekent dit dat er van stal 2 nog 150 – 96,0 = 54,0 m² binnen de vergunningvrije meters valt. De initiatiefnemer wil de overige 52,2 m² van het gebouw graag legaliseren. Omdat het vergunningvrije deel van stal 2 het bestaande (gewenste) vergunningplichtige deel van stal 2 aan het zicht vanaf de Katwijkseweg onttrekt, is er geen sprake van een verdere aantasting van de openheid op het perceel. Zie verder paragraaf 4.10. Bovendien is er bij de locatiekeuze voor het vergunningvrije deel van de stal gekozen voor een concentratie van bebouwing met de bedrijfspanden op het perceel ten (noord)westen van het projectgebied. In paragraaf 4.5 wordt uiteengezet waarom er wat betreft geur niet voldaan hoeft te worden aan de vaste afstand van 50 m uit de Wet geurhinder en veehouderij. Voor het overige is alleen het aspect waterhuishouding relevant, maar omdat het extra verhard oppervlak deels vergunningvrij is gerealiseerd en voor het overige in zijn totaliteit onder de 500 m² blijft, hoeft er geen aanvullende compensatie plaats te vinden.

Zie verder paragraaf 4.8.

12

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

2.1.6

Stal 1

Aan de noordwestzijde van het projectgebied bevindt zich een bijgebouw (consequent stal 1 genoemd in alle onderlinge correspondentie), dat buiten het aangegeven bouwvlak is gelegen. De oppervlakte van deze stal bedraagt 87,4 m². De initiatiefnemer wil dit gebouw graag legaliseren. Omdat het vergunningvrije deel van stal 2 de bestaande (gewenste) vergunningplichtige stal 1 aan het zicht vanaf de Katwijkseweg onttrekt, is er geen sprake van een verdere aantasting van de openheid op het perceel. Zie verder paragraaf 4.10. Door stal 1 in lijn met stal 2 te positioneren is sprake van een concentratie van bebouwing met de bedrijfspanden op het perceel ten (noord)westen van het projectgebied. In paragraaf 4.5 wordt uiteengezet waarom er wat betreft geur niet voldaan hoeft te worden aan de vaste afstand van 50 m uit de Wet geurhinder en veehouderij. Voor het overige is alleen het aspect waterhuishouding relevant, maar omdat het extra verhard oppervlak in zijn totaliteit onder de 500 m² blijft, hoeft er geen aanvullende compensatie plaats te vinden. Zie verder paragraaf 4.8.

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

13

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

14

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Nationaal beleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:  Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;  De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;  Steden en regio's sterker en leefbaarder maken;  Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een ruimtelijk plan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek In het Barro zijn geen regels opgenomen die van belang zijn voor het projectgebied. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het projectgebied.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting van een ruimtelijk plan een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

15

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek De laddertoets geldt alleen voor stedelijke ontwikkelingen. Artikel 1.1.1 onder i van het Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Er is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling: het projectgebied betreft gronden waarop een agrarische (bedrijfs-)functie rust, en die overeenkomstig die functie worden gebruikt.

3.1.4

Conclusie

In het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van de Novi, het Barro en de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Het provinciale landbouwbeleid is erop gericht om de landbouwsector en het voedselsysteem te verduurzamen. Dat is gebaseerd op de Innovatie Agenda Duurzame Landbouw (2016) en de Hoofdlijnennotitie Vitale Landbouw (2020). Ambitie is dat Zuid-Holland in 2030 hét toonbeeld is van een hoog-innovatieve en circulaire agrarische sector en voedselketen in een stedelijke omgeving waar een goede boterham in verdiend kan worden. De sector is toekomstbestendig, levert tal van groenblauwe diensten en heeft een rijke variëteit aan ecosysteemdiensten. Dit alles in een aantrekkelijke omgeving waarin het goed wonen, werken en recreëren is en waarin voldoende en gezond voedsel geproduceerd kan worden. Deze ‘vitale landbouw’ kent een brede maatschappelijke inbedding en heeft als randvoorwaarde dat er sprake is van gezonde economische basis voor de sector, ketenpartners en afzonderlijke boerenbedrijven. Verdere kenmerken zijn: Kringlooplandbouw, ruimte voor biodiversiteit, water, landschap en een lokaal voedselsysteem. Om de openheid van het karakteristieke agrarisch landelijk gebied te waarborgen, worden enkele beperkingen gesteld aan agrarische bebouwing en bedrijfsvoering.

Dit betreft:  Agrarische ontwikkelingen (in de vorm van bebouwing en kassen) vinden plaats op bouwpercelen of anderszins geconcentreerd en houden rekening met de aanwezige landschappelijke kenmerken en waarden;  Nieuwvestiging van intensieve veehouderij wordt niet toegelaten binnen de provincie. Intensieve veehouderij is vanwege de schaal en de aard van de bedrijfsvoering en de daarmee samenhangende ruimtelijke verschijningsvorm, in het algemeen niet passend bij het ZuidHollandse landschap en het karakteristieke gebruik daarvan;  Voor glastuinbouw, boom- en sierteelt en bollenteelt zijn speciale gebieden aangewezen, buiten die gebieden gelden beperkingen. Binnen het landelijke gebied zijn meerdere ruimtevragers aanwezig, soms zijn deze gemeentegrens overstijgend. Het is wenselijk de ruimtevraag voor agrarische ontwikkelingen op een vergelijkbare manier te accommoderen en dit niet per gemeente op gehele andere wijze in te vullen. Op deze wijze ontstaat een goede balans tussen het belang van goede ruimtelijke kwaliteit en ruimte voor agrarische ontwikkelingen passend bij een vitale landbouw. Planspecifiek De bebouwing in het projectgebied is geconcentreerd a) binnen het bestaande agrarische bouwvlak

16

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

(= bestaande hoofdgebouw (stal 3)) en direct aansluitend daarop en b) aan de noordwestzijde in de directe nabijheid van de bestaande grootschalige bedrijfsbebouwing op het perceel Katwijkseweg 21A. Daarmee zijn de gebouwen gerealiseerd binnen een agrarisch bouwperceel of anderszins geconcentreerd. Los hiervan is in hoofdstuk 2 uiteengezet dat de uitbreiding van het hoofdgebouw (stal 3) en het noordelijke deel van stal 2 vergunningvrij kunnen worden gerealiseerd. Kwaliteitskaart De provincie beschikt over een kwaliteitskaart die de kwaliteitsambities van de provincie toont. De kwaliteitskaart staat met de bijbehorende uitwerking en richtpunten aan de basis van de 'gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit'. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). Dit beleid maakt naar zijn aard meerdere uitleg mogelijk. Vanuit de sturingsfilosofie is dit een kans en geen bedreiging. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. Daarmee ontstaat ruimte voor maatwerk. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Voor het projectgebied zijn de 'laag van de ondergrond', de 'laag van de cultuur- en natuurlandschappen' en de 'laag van de beleving' relevant. Alleen de relevante kaarten en richtpunten worden besproken. Laag van de ondergrond - Bijzonder reliëf en aardkundige waarden Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde.

Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. Op de Kwaliteitskaart zijn de genoemde aardkundige structuren met archeologische waarde globaal aangegeven. Het watersysteem beslaat zowel het oppervlakte- als het grondwater en is daarmee zeer bepalend voor het functioneren van de provincie in al haar facetten. Daarmee is het watersysteem ook medebepalend voor de ruimtelijke kwaliteit en vormt het een structuurdrager van de Zuid-Hollandse identiteit. Richtpunten:  Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand.  Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Planspecifiek De ontwikkeling in het projectgebied zorgt niet voor een verandering aan de kavelpatronen. Ook wordt er geen nieuwe bebouwing opgericht (de extra bebouwing betreft al gerealiseerde vergunningvrije bebouwing), zodat er geen nieuwe bodem wordt geroerd. Er is dus ook geen sprake van het meer herkenbaar maken van deze kavelstructuren. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen - Strand- en duinenlandschap Dit is een reliëfrijk, overwegend niet gecultiveerd, zandlandschap van strand en jonge duinen met hoge natuur- en recreatiewaarden.

Natuurlijke processen als verstuiving, vernatting en bosvorming zijn duidelijk zichtbaar door de voortdurende dynamiek van zand, golven en wind. Duingebieden worden afgewisseld door grote en kleine badplaatsen en havens. Het gebied is van belang voor de waterveiligheid en drinkwatervoorziening. De kust is een aantrekkelijke plek om te recreëren. Gedurende het strandseizoen kenmerkt het strand zich door een afwisseling van (drukke) strandopgangen en boulevards, waar strandtenten en strandhuisjes vaak het beeld bepalen, naar

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

17

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

zeer rustige stranden zonder bebouwing. Dit contrast en deze diversiteit zijn kwaliteiten van het strand als belangrijke openbare en recreatieve ruimte van Zuid-Holland. Het is van groot belang om in de directe nabijheid van de stad plekken te weten waar rust en openheid het beeld bepalen. Richtpunten:  Ontwikkelingen dragen bij aan of versterken de bijzondere landschappelijke en natuurlijke kwaliteit van het strand en de duinen.  Ontwikkelingen dragen zorg voor het behoud van het openbare karakter en de afwisseling in de belevingskwaliteit (van druk naar rustig) langs de kust van Zuid-Holland. Nieuwe strandbebouwing voor verblijfsrecreatie nabij duingebied op rustige stranden is daarmee niet toegestaan. Planspecifiek Het projectgebied is geen onderdeel van het strand en de duinen, maar hoort gezien de agrarische bedrijfsfunctie eerder bij de aangrenzende landgoederenzone aan de andere zijde van de Katwijkseweg. De aangegeven richtpunten zijn niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling in het projectgebied. Laag van de beleving - Groene buffers De groene buffer is een niet verstedelijkt landschap van relatief beperkte omvang tussen of grenzend aan de steden. De bufferende werking hiervan is van grote waarde. De kwaliteit “niet-verstedelijkt gebied" of luwte blijft behouden of wordt waar mogelijk versterkt.

Richtpunten:  Er vinden geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen plaats in de bufferzone.  Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. Planspecifiek In het projectgebied bevindt zich zowel in de planologische als de feitelijke situatie een agrarisch bedrijf. Zoals in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 4 (vooral subparagraaf 4.1.1 Verkeer en subparagraaf 4.9) is aangegeven is de ruimtelijke uitstraling van: a. een agrarisch bedrijf in de vorm van een productiegerichte paardenhouderij en b. een agrarisch bedrijf in de vorm van een productiegerichte paardenhouderij, waar naast fokkerijactiviteiten ook gebruiksgerichte paardenactiviteiten plaatsvinden in de vorm van het geven van rijlessen in de buitenlucht en het pensionstallen van paarden, vrijwel gelijk. Er is geen sprake van een grootschalige nieuwe planologische ontwikkeling en de bufferfunctie wordt niet (onevenredig) verstoord. Het betreft geen grootschalige nieuwe ontwikkeling omdat:  de functie van het gebied agrarisch bedrijf blijft en daarmee niet verandert  de identiteit van het gebied niet wijzigt. Er is en blijft een agrarisch (paarden)bedrijf in het projectgebied gevestigd;  de planologische bescherming van het gebied tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling blijft ongewijzigd.

Er ontstaan door de aanvullende gebruiksgerichte paardenactiviteiten geen extra grootschalige bouwmogelijkheden voor agrarische bedrijfsgebouwen waardoor de bufferfunctie gehandhaafd blijft en de kwaliteit "niet verstedelijkt gebied" behouden blijft. Door het geven van rijlessen draagt de beoogde ontwikkeling bovendien bij aan de recreatieve gebruikswaarde van het groene buffergebied. De Omgevingsvisie staat hiermee niet in de weg aan de voorliggende ontwikkeling.

18

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

3.2.2

Gebiedsprofiel Duin, Horst en Weide

Het gebiedsprofiel staat tussen de kwaliteitskaart van de structuurvisie en bijvoorbeeld een beeldkwaliteitsplan van de gemeente. Begin 2012 heeft Gedeputeerde Staten het gebiedsprofiel ‘Duin, Horst en Weide' vastgesteld. Dit vormt een handreiking om de ruimtelijke kwaliteit mee te nemen in de ruimtelijke planvorming. Het profiel is een gezamenlijk vertrekpunt ten aanzien van de karakteristiek, de ruimtelijke kwaliteit en de ambitie voor dit specifieke gebied. Het profiel verbeeldt en beschrijft wat wordt verstaan onder ‘ruimtelijke kwaliteit’, welke elementen aan die kwaliteit ten grondslag liggen in relatie tot de kwaliteitskaart en hoe sturing gegeven kan worden aan behoud en ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit. Het gebiedsprofiel is opgebouwd uit diverse elementen. Voor het projectgebied is alleen het element 'identiteitsdragers' in beperkte mate van belang. Duinen Kenmerkend voor het gebied is de unieke reeks van uiteenlopende landschappen parallel aan de kust: Duin, Horst en Weide. Een denkbeeldige doorsnede omvat 1) het natuurlijke duinlandschap, 2) de besloten strandwallen met landgoederen, boerderijen, buitens en dorpen en de open strandvlaktes daartussen en 3) de weidsheid van de polders van het veenweidegebied en droogmakerijen helemaal in het oosten. Dit zeer afwisselende landschap, vol contrasten is een grote kwaliteit en is uniek in Nederland.

Ambities  Versterken van de kwaliteit en identiteit van de opeenvolgende landschappen en de contrasten daartussen;  Versterken van de oost-westverbindingen en ontwikkelen van strategische knooppunten in het routenetwerk. Planspecifiek Het projectgebied is geen onderdeel van de duinen, maar hoort gezien de agrarische bedrijfsfunctie eerder bij de aangrenzende landgoederenzone aan de andere zijde van de Katwijkseweg. Omdat openheid een belangrijke kwaliteit is van dit gebied (zie hiervoor ook paragraaf 4.10), is het niet wenselijk om te voorzien in een landschappelijke inpassing in de vorm van extra opgaande beplanting in het projectgebied.

3.2.3

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland in werking getreden. In de Omgevingsverordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Planspecifiek Voor het projectgebied zijn alleen de artikelen over ruimtelijke kwaliteit en risico's van klimaatverandering relevant: Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 onder 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat: 'Een ruimtelijk plan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau.

Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen;

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

19

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.' In artikel 6.9 onder 6 is opgenomen dat 'Specifieke regels voor de gebiedstypen als opgenomen in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d.

6.9e, 6.9f en 6.9g, zijn van toepassing, tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 6.9e, in de weg staat.' In artikel 6.9 onder 9 is opgenomen dat: 'Een ruimtelijk plan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9b, 6.9c of 6.9d.' Omdat het projectgebied is gelegen binnen een groene buffer is artikel 6.9d van toepassing: 'Een ruimtelijk plan voor een locatie binnen groene buffers waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; b. de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; c. de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; d.

de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.' Omdat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit (=gebiedsprofiel, zie subparagraaf 3.2.2), geen wijziging voorziet op structuurniveau (de kavelstructuur wijzigt niet en er is en blijft ter plaatse van een agrarische functie), past bij de aard en schaal van het gebied (er blijft sprake van een agrarisch bedrijf) en rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit (= kwaliteitskaart, zie subparagraaf 3.2.1), zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft, is sprake van 'inpassen'. Daarnaast is het projectgebied gelegen binnen een zogenaamde 'groene buffer', zodat het betreffende artikel uit de Omgevingsverordening van toepassing is. In subparagraaf 3.2.1 is aangegeven onder de kop 'Laag van de beleving - Groene buffers' dat de bufferfunctie niet (onevenredig) wordt verstoord ter plaatse van het projectgebied. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: 1. wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. overstroming; 3. hitte; 4. droogte.

Wateroverlast door overvloedige neerslag Het projectgebied is gelegen ten zuiden van het Natura 2000-gebied 'Meijendel en Berkheide' waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn. Met de ontwikkeling is er sprake van een beperkte toename van bebouwing in het projectgebied. Er worden planologisch gezien nauwelijks extra 'verhardings'mogelijkheden gecreëerd. De bebouwing zoals in hoofdstuk 2 besproken betreft grotendeels bebouwing die op basis van de regels voor vergunningvrij bouwen gerealiseerd kan worden. Hiermee is in het geldende bestemmingsplan al rekening gehouden. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden in het projectgebied niet nodig geacht omdat de te legaliseren oppervlakte aan bebouwing (139,6 m²) de vrijstelling van 500 m² niet overschrijdt. Zie verder paragraaf 4.8.

20

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit raadpleging van de klimaateffectatlas blijkt dat voor het projectgebied een extreem kleine kans op overstromingen van tussen de 1/3.000 en de 1/30.000 per jaar geldt. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Hitte In het landelijk gebied, waarbinnen het projectgebied is gelegen, speelt hittestress geen belangrijke rol. Met de beoogde ontwikkeling worden bovendien planologisch gezien in beperkte mate extra 'verhardings'mogelijkheden gecreëerd. Zie hiervoor onder wateroverlast met betrekking tot het extra verhard oppervlak. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Omdat met de beoogde ontwikkeling planologisch gezien slechts in beperkte mate extra 'verhardings'mogelijkheden worden gecreëerd, speelt droogte geen belangrijk rol in het projectgebied. Zie hiervoor onder wateroverlast met betrekking tot het extra verhard oppervlak.

Voor het onderhavige projectgebied zijn geen andere relevante regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.2.4

Conclusie

In het projectgebied zijn geen provinciale belangen in het geding. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en de woondeal.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Wassenaar 2025 - Landgoed aan Zee

De gemeenteraad heeft de structuurvisie Wassenaar 2025 'Landgoed aan Zee' op 22 maart 2017 vastgesteld. De structuurvisie vormt een breed gedragen, gebiedsdekkend ruimtelijk afwegingskader voor Wassenaar tot 2025 en geeft nut en noodzaak aan van het duurzaam behoud van de unieke kwaliteiten van Wassenaar voor volgende generaties. Er is ook ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. De structuurvisie nodigt partijen uit te investeren in Wassenaar en biedt binnen een richtinggevend kader ruimte aan ambities van initiatiefnemers. Binnen de structuurvisie is een heldere balans aanwezig tussen het uitstippelen van een concrete ruimtelijke koers en tegelijkertijd de benodigde flexibiliteit om in te spelen op toekomstige trends en ontwikkelingen. De hoofdopgave ligt in het beschermen en verder versterken van de groene en vitale kwaliteiten van Wassenaar, zodat Wassenaar de groenste gemeente van Nederland wordt. Ondanks de toenemende vergrijzing blijft Wassenaar vitaal naar de toekomst toe. Wassenaar moet zich meer profileren met zijn vele natuur- en cultuurhistorische waarden om daarmee het verder dichtgroeien van de randstad te voorkomen. Dit leidt tot de keuze om te werken aan een groen en vitaal profiel van Wassenaar. Planspecifiek Op de structuurvisiekaart is te zien dat het projectgebied valt binnen het gebiedstype 'weidegebied':

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

21

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Impressie ruimtelijke hoofdstructuur met globale aanduiding projectgebied (rode omcirkeling) De laaggelegen strandvlakte (oostelijke zone) en het riviergebied (ten noorden van het dorp) bestaan hoofdzakelijk uit graslanden met veel weidevogels evenals een restant van de bollencultuur en akkerbouw. Het middeleeuwse verkavelingspatroon is nog goed herkenbaar in het landschap en de weteringen en kavelsloten zorgen voor een goede afwatering. De agrarische sector is de economische drager en beheerder van het weidegebied dat zich kenmerkt door zijn openheid.

22

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Uitsnede kaart gebiedsuitwerkingen met globale aanduiding projectgebied (rode omcirkeling) Er is voor het projectgebied geen (paarden)beleid in de structuurvisie opgenomen. Er is in de structuurvisie alleen vastgelegd dat in het gebied 'noordrand' geen bestaande agrarische bestemmingen mogen worden gewijzigd naar paardenhouderijen c.q. maneges omdat dit zou leiden tot aantasting van de beeldkwaliteit. Het projectgebied maakt echter geen onderdeel uit van het gebied 'noordrand' maar ligt daar ten noorden van, aan de andere zijde van de Katwijkseweg (N441): "2. Noordrand Het gebied tussen Wassenaar en Katwijk is een waardevol open polderlandschap met een belangrijke groenfunctie. Agrarische bedrijven zijn gelegen langs de Oostdorperweg en de Hoge Klei. De gebiedskwaliteiten van de Oostdorperweg liggen in de beleving van de openheid, de landschappelijke waarde met haar authentieke karakteristiek die voortkomt uit kleinschalig agrarisch gebruik, dimensionering en monumentale bebouwing. Voor de bedrijfslocaties, detailhandel en de milieustraat geldt dat deze functies op gespannen voet staan met het landschappelijk karakter van dit gebied. Er vindt verstoring plaats door (zwaar) verkeersaantrekkende activiteiten, gebiedsvreemd grondgebruik en aantasting van de beeldkwaliteit. Voor andere locaties geldt dat de paardenactiviteiten leiden tot aantasting van de beeldkwaliteit.

Daarom is het wenselijk om specifiek voor de paardenhouderijen en paardenfokkerijen langs de Oostdorperweg paardenbeleid op te stellen."

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

23

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Uitsnede visiekaart met globale aanduiding projectgebied (rode omcirkeling) Gelet hierop staat de structuurvisie niet aan de weg aan gebruiksgerichte paardenactiviteiten in het projectgebied.

3.3.2

Conclusie

In het projectgebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van de structuurvisie.

3.4

Conclusie

Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig met het beleid van de verschillende overheden.

24

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Hoofdstuk 4

Milieu- & omgevingsaspecten

4.1

Verkeer & parkeren

4.1.1

Verkeer

Op basis van input van de opdrachtgever is bepaald hoeveel voertuigbewegingen door de verschillende activiteiten in het projectgebied gerealiseerd worden. Dit overzicht is opgenomen in bijlage 3 waarbij de belangrijkste uitgangspunten zijn:  55 kinderen die wekelijks les krijgen, waarvan 60 % met de auto komt. 20% van de kinderen die met de auto komt, carpoolt samen. Dit leidt tot 11,5 extra lichte voertuigbewegingen gemiddeld per weekdag;  50% van de eigenaren komt met de auto dagelijks kijken naar 1 van de maximaal 3 pensionpaarden: Dit leidt tot 3,0 extra lichte voertuigbewegingen gemiddeld per weekdag;  Eén keer per 2 weken komt er een paardenvrachtwagen (middelzwaar vrachtverkeer) voor de gebruiksgerichte paardenactiviteiten. Dit leidt tot 52,0 extra voertuigbewegingen gemiddeld per jaar.  Voor de groei van de hondenopvang van maximaal 10 honden naar 15 honden wordt uitgegaan van 4 extra baasjes per dag die hun honden komen brengen (4 x 2 voertuigbewegingen) en 4 extra baasjes per dag die hun honden komen ophalen (4 x 2 voertuigbewegingen). Dit in aansluiting op het akoestisch onderzoek voor de hondenopvang (zie bijlage 2). In totaal 16,0 voertuigbewegingen. Uit deze berekening blijkt dat de extra voertuigaantrekkende werking als gevolg van de gebruiksgerichte paardenactiviteiten (rijlessen en pensionstalling) en de bedrijfsmatige hondenopvang beperkt zijn:

In totaal gaat het om 27,5 extra lichte voertuigbewegingen per dag en 52 extra middelzware vrachtbewegingen per jaar. Het projectgebied wordt ontsloten via de ventweg van de Katwijkseweg (N441). Deze ontsluiting blijft in zijn huidige vorm behouden en gezien het beperkte aantal extra voertuigbewegingen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling kunnen deze prima opgevangen worden op de ventweg van de Katwijkseweg. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit ruimtelijke plan.

4.1.2

Parkeren

Voor maneges geldt op basis van CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' dat er minimaal 0,3 parkeerplaats en maximaal 0,5 parkeerplaats per box aanwezig moet zijn. In het projectgebied is sprake van een onoverdekte manege. Er vinden naast de fokkerij ook gebruiksgerichte paardenactiviteiten plaats in de vorm van lesgeven in de buitenlucht en het pensionstallen van paarden, waar geen wedstrijden plaatsvinden. Het aantal benodigde parkeerplaatsen voor bezoekers is bij deze een onoverdekte manege daarom geringer dan bij een overdekte manege waar ook wedstrijden plaats vinden. Derhalve wordt uitgegaan van de onderkant van de bandbreedte: 0,3 parkeerplaats per box. Voor de parkeerberekening wordt uitgegaan van het bestaande aantal boxen in stal 3, stal 2 en stal 1: op basis van 7 paardenboxen in stal 3, 10 paardenboxen in stal 2 en 4 paardenboxen in stal 1 moet zorg gedragen worden voor 10 + 7 + 4 = 21 x 0,3 = 6,3 afgerond 7 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen zijn in de bestaande situatie al aanwezig en blijven behouden. Op het perceel zijn namelijk rondom stal 3 (=hoofdgebouw centraal op het perceel), aansluitend aan de inrit, 3 parkeerplaatsen aanwezig voor personenauto's aan de westzijde (minimaal 7,5 m breedte beschikbaar) en 4 parkeerplaatsen voor personenauto's aan de oostzijde (minimaal 10,0 m breedte beschikbaar).

Daarnaast is er aan de oostzijde ook nog ruimte voor een paardentrailer.

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

25

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

De bezoekers van de hondenopvang kunnen parkeren bij de woning. In de praktijk zullen er nooit meer dan 2 eigenaren tegelijk hun hond komen brengen c.q. halen. Het woonperceel is met 1.400 m² zodanig groot dat hier ruimschoots voldoende ruimte is om te voorzien in deze parkeerplaatsen. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit ruimtelijke plan.

4.2

Bodem

4.2.1

Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een ruimtelijk plan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

4.2.2

Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Omdat onderhavige ruimtelijke onderbouwing betrekking heeft op het legaliseren van diverse agrarische bedrijfsactiviteiten binnen de geldende agrarische bestemming, hoeft er geen bodemonderzoek plaats te vinden. Er is geen sprake van een gevoeligere functie als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit ruimtelijke plan.

4.3

Geluid

4.3.1

Regelgeving

Algemeen Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

26

Ruimtelijke onderbouwing "Katwijkseweg 22A Wassenaar" (ontwerp)

Ruimtelijke onderbouwing Katwijkseweg 22A Wassenaar

Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft.

Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:  waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;  waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB. Wegverkeerslawaai In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een ruimtelijk plan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het projectgebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel 76 lid 1 Wgh).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=6940cc46-674c-4f67-a1ee-6129af7e1bcf