Bijlage 1. Beleidsmodule
Tekst van het document
Die regels zouden zich kunnen beperken tot die gebieden die niet als grondwaterbeschermingsgebied zijn aangewezen. Overigens zou de provincie ook zelf regels kunnen stellen aan (bepaalde) activiteiten buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Gemeente Gemeenten hebben de zorg voor een drietal specifieke watertaken (art. 2.16 Ow): • Inzameling en transport van stedelijk afvalwater. • Gemeenten vullen deze taak meestal in door de aanleg en het beheer van een openbaar vuilwaterriool. Maar een gemeente kan ook gebruik maken van andere passende systemen (zoals individuele of geclusterde decentrale zuiveringen) als daarmee hetzelfde niveau van milieubescherming wordt bereikt. Ook is het mogelijk om een andere rechtspersoon (zoals een waterschap, een bedrijf of vereniging van eigenaren) te belasten met het beheer van deze systemen. • Stedelijk afvalwater is “huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater.” 2. Inzameling, transport en verwerking van afvloeiend hemelwater (kortweg de hemelwatertaak genoemd).
1
Bijlage 4 • De gemeente heeft een inspanningsverplichting voor een doelmatige inzameling, transport en verwerking van afvloeiend hemelwater, maar alleen als de houder hiervan het afvloeiend hemelwater redelijkerwijs niet op of in de bodem of in het oppervlaktewater kan brengen. Nb: een perceeleigenaar is in beginsel zelf verantwoordelijk voor het verwerken van overtollig hemelwater. Voor het afvloeiende hemelwater van openbaar terrein geldt hier een verantwoordelijkheid voor de eigenaar/beheerder. 3. Het treffen van maatregelen in het openbaar gemeentelijke gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de (…) aan de fysieke leefomgeving toegedeelde functies zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Een en ander voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet behoort tot de taak van een waterschap, een provincie of het Rijk (kortweg de grondwatertaak genoemd). • De grondwatertaak bevat zeven elementen die tezamen bepalen of de gemeente verantwoordelijk kan worden gehouden om nadelige grondwaterstandgevolgen te voorkomen of te beperken. Het moet gaan om het: 1. treffen van maatregelen 2. in openbaar gebied 3. om structureel nadelige gevolgen voor de grondwaterstand 4. voor de aan de grond gegeven bestemming 5. zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, 6. mits dit doelmatig is en voor zover er 7.
geen verantwoordelijkheid bestaat voor waterschap, provincie of Rijk (RWS).
Zuiveringsbeheerder Waterschappen zijn belast met de zorg voor de zuivering van het stedelijk afvalwater (art. 2.17). Daarnaast, en ook die taak heeft relaties met het stedelijke waterbeheer, zijn waterschappen regionaal watersysteembeheerder. Die meer algemene zorgplicht volgt uit zowel de Omgevingswet als de Waterschapswet. In relatie tot het stedelijk waterbeheer is van belang dat hier de KRW doelen relevant kunnen zijn. Ook is het aan de waterschappen om wateroverlast vanuit het regionale oppervlaktewater (inundatie) zoveel mogelijk te voorkomen. De wateroverlastnormen zijn opgenomen in de provinciale omgevingsverordening Bevoegd Gezag directe lozingen in de AWZI Lozingen in de AWZI die niet via de gemeentelijke riolering lopen, zijn vergunning plichtig op grond van de Waterwet. Het hoogheemraadschap is als beheerder van de AWZI bevoegd gezag voor deze lozingen. Het hoogheemraadschap is bevoegd om als zuiveringsbeheerder toezicht te houden op de indirecte lozingen. Als daarvoor aanleiding is, kunnen zij het bevoegde gezag verzoeken om te handhaven. Verder kunnen de hoogheemraadschappen het bevoegde gezag adviseren bij de verlening van omgevingsvergunningen voor indirecte lozingen vanuit inrichtingen. Waterbeheerder De waterbeheerder moet het oppervlaktewater op peil houden (peilbeheer). Hiervoor stellen hoogheemraadschappen en Rijkswaterstaat peilbesluiten vast.
Het peilbeheer kan grote invloed hebben op de grondwaterstand in de nabijheid van de watergangen en raakt daarmee direct aan de gemeentelijke grondwaterzorgplicht. Ook in de overige wateren voert zij het beheer uit. Het hoogheemraadschap betrekt gemeenten daarom bij de totstandkoming van peilbesluiten. De waterbeheerder voert in primaire watergangen in principe het beheer en onderhoud uit. De waterbeheerder is niet verantwoordelijk voor het onderhoud van overige wateren, en voor het onderhoud van dammen, bruggen e.d. in primair water. Dat ligt bij de eigenaar. Het hoogheemraadschap financiert de watersysteemtaken via de watersysteemheffing. Rijkswaterstaat financiert het systeembeheer van de Rijkswateren uit de algemene middelen. Op grond van de Waterwet is de waterbeheerder bevoegd gezag voor directe lozingen in oppervlaktewater. Ook is hij verantwoordelijk voor de kwantitatieve aspecten van lozingen in oppervlaktewater, geregeld in de Waterregeling (Rijkswateren) en de keur (regionale wateren).
2
Bijlage 4 Waterbeheerders zijn bevoegd gezag voor de meeste grondwateronttrekkingen en infiltraties. Regels over dergelijke handelingen staan in de Keur. Net als het peilbeheer heeft deze bevoegdheid raakvlakken met de gemeentelijke grondwaterzorgplicht.
3
Bijlage 5 BIJLAGE 5 DOELEN, FUNCTIONELE EISEN, MAATSTAVEN, MEETMETHODEN, WATERKETEN EN 5A GEGEVENS AFVOERNORMEN ZUIVERING Doelmatigheid is tegenwoordig een belangrijk begrip. Daarom is het belangrijk om de doelen en functionele eisen helder vast te leggen. Zonder duidelijk omschreven doel, kan immers ook geen goede doelmatigheidsafweging gemaakt worden. De vertaling van beleid naar (doelmatige) uitvoering van de watertaken vindt primair plaats door middel van de zogenaamde DoFeMaMe-systematiek (doelen, functionele eisen, maatstaven, meetmethoden). In de doelen ligt vast wat men wil bereiken. De functionele eisen stellen de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de doelen te bereiken. Via de getalsmatige uitwerking, maatstaven, worden de functionele eisen uitgewerkt. De meetmethode geeft aan op welke manier de maatstaf wordt getoetst. Jarenlang heeft de rioleringssector in deze uitwerking gefocust op de te leveren inspanning. Maar de ervaring leert dat deze focus op inspanning niet altijd resulteert in het treffen van effectieve maatregelen. Er wordt nog onvoldoende gebruik gemaakt van de beoordelings- en sturingsmogelijkheden op de kwaliteit en het functioneren van de riolering en de achterliggende maatschappelijke doelen die de DoFeMaMe-systematiek biedt. Om de waterketen doelmatiger te maken, moet de focus verschuiven van inspanningen naar resultaten.
In dit IWKp 2024-2028 is een eerste voorzet gemaakt voor een nieuwe DoFeMaMe waarin de gewenste systeemprestatie vastgelegd wordt, en de wijze waarop deze prestatie wordt getoetst. Zolang het systeem presteert conform de beschreven systeemprestatie is er geen directe reden om in te grijpen/bij te sturen. Het niet voldoen aan de beschreven systeemprestatie kan worden beschouwd als een soort van alarmbel waarbij de rioolbeheerder kan gaan bijsturen via bijvoorbeeld voorlichting, extra onderhoud, het verrichten van nader onderzoek of verbeteringsmaatregelen e.d. 1
Bijlage 5 Deze omslag van inspanning naar prestaties vergt een hele andere benadering. Dit kost tijd. De komende planperiode kan daarom worden beschouwd als een proefperiode om te zien hoe een dergelijk nieuwe systematiek in de praktijk uitwerkt. Ook kunnen de benodigde meetmethoden nader uitgewerkt worden. Complicerende factor hierbij is echter wel dat de prestaties vaak pas over een lange(re) termijn zijn te meten. Denk hierbij aan een zware bui die maar eens in de zoveel tijd valt.
Doel 1. Inzameling en transport van stedelijk afvalwater # A.1
A.2
Functionele eis Percelen binnen het gemeentelijk grondgebied waar afvalwater vrijkomt moeten zijn voorzien van een aansluiting op de riolering of een gelijkwaardig gestelde voorziening
Maatstaf A.1-1. Alle percelen (inclusief woonschepen) zijn/worden aangesloten op de riolering, tenzij het realiseren van een aansluiting onevenredig duur is en een IBA of een directe lozing is geoorloofd met het oog op kosten en milieu
Meetmethode Frequente check (elke 5 jaar bij opstellen rioleringsprogramma) op 100% aansluiting in aansluitregister
Benodigd (voor meetmethode) Actuele (5jaarlijks) lijst met niet aangesloten panden
Bij dwa moet het risico op contact met afvalwater voor mens en milieu zo klein mogelijk zijn. Hiervoor zo min mogelijk afvalwater ‘morsen’ via: - afvalwater in de woning (bij dwa) - afvalwater op straat (bij dwa) - foutaansluiting op hwa-voorziening - overstorting (bij dwa) - IBA - exfiltratie
A.2-1. Per jaar minder dan 10 meldingen per 100 km riool ‘afvalwater in de woning’ bij dwa toerekenbaar aan gemeente
Analyse van meldingen (inwoners)
Meldsysteem conform BOR-MELD Neerslagmeting
Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
Het meldsysteem moet nog ingericht worden gedurende planperiode 2024-2028
Bijvoorbeeld: door reiniging (‘plofpot’).
A.2-2. Per jaar minder dan 0,1 per 100km vuilwater leiding meldingen ‘afvalwater op straat’ bij DWA (onder droogweeromstandigheden)
Analyse van meldingen (inwoners én buitendienst)
Meldsysteem conform BOR-MELD
Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
A.2-3. Per jaar minder dan 0,1 meldingen ‘slechte waterkwaliteit door foutaansluitingen’ per 100km riool
Analyse van meldingen (inwoners én waterkwaliteitsbeheerder)
A.2-4. Per jaar minder dan 0,1 meldingen ‘afvalwater in hwa-voorziening’ per 100km riool
Analyse van meldingen (inwoners én buitendienst)
A.2-5. Per jaar minder dan 0,1 meldingen ‘slechte waterkwaliteit door overstorting bij dwa (onder droogweeromstandigheden)’ per 100km riool
Analyse van meldingen (inwoners én waterkwaliteitsbeheerder)
Toelichting Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”) Voor zover beschikbaar Praktisch: lijstje met niet-aangesloten panden afwerken
Het meldsysteem moet nog ingericht worden gedurende planperiode 2024-2028
Betreft de situatie dat er alleen dwa-afvoer is, zonder regenwater waarbij water op straat ontstaat. Bijvoorbeeld: door gemaalstoring, verstopping DWA-stelsel, persleidingbreuk.
Meldsysteem conform BOR-MELD Monitoring waterkwaliteit
Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
Het meldsysteem moet nog ingericht worden gedurende planperiode 2024-2028
Melding Slechte waterkwaliteit is breed: dit kan gaan om dode vis, zichtbare vervuiling, stank. Inwoner meldt probleem, beheerder bepaalt oorzaak
Meldsysteem conform BOR-MELD
Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
Het meldsysteem moet nog ingericht worden gedurende planperiode 2024-2028 Meldsysteem conform BOR-MELD Monitoring waterkwaliteit Neerslagmeting Het meldsysteem moet nog ingericht worden gedurende planperiode 2024-2028
Bijvoorbeeld: afvalwater in wadi, waterplein, etc. Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”) Slechte waterkwaliteit is breed: dit kan gaan om dode vis, zichtbare vervuiling, stank. Inwoner meldt probleem, beheerder bepaalt oorzaak
2
Bijlage 5 #
A.3
Functionele eis
Het afvalwater dat op een rwzi aankomt moet zo goed mogelijk behandelbaar zijn. Hiervoor zo min mogelijk ‘onnodige verdunning’ en ‘aanrotting’ van het afvalwater
Maatstaf
Meetmethode
Benodigd (voor meetmethode)
Toelichting Neerslagmeting is nodig om te bepalen of het onder droogweeromstandigheden gebeurde.
A.2-6. Per jaar minder dan 0,5 % van totaal areaal ofwel 10% leidingen per inspectie gevallen ingrijpmaatstaven waterdichtheid in riolen boven
Elke 20 jaar afpersen van riolen boven grondwaterspiegel volgens NEN-EN 1610, methode W
Testprogramma inbedden in dagelijks beheer Gedurende planperiode 2024-2028 wordt eerst onderzocht welk deel van de leidingen boven de grondwaterspiegel ligt.
Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”)
A.3-1. Een gemengd stelsel voert op een droogweerdag minder dan 25% extra af ten opzichte van theoretisch dwa
Analyse debietmetingen bij gemalen
Daarna pas deze maatstaf operationaliseren Inschatting theoretisch dwa Indien aanwezig kunnen debietmetingen bij (influent)gemalen gebruikt worden
Voorzorgsprincipe, wachten op effect (vervuiling omliggende grond en grondwater) niet wenselijk
Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”) Gemiddeld rioolvreemd water in NL is 25% van jaaraanvoer / 50% ten opzichte van theoretisch dwa. Ambitie is hier gelegd op helft van landelijk theoretische waarde. Idealiter debietmeters, maar alternatieve aanpak op basis van draaiuren/ stroomverbruik/ niveaumetingen in kelder is ook mogelijk, zij het met minder nauwkeurigheid. Bij vrij verval aansluitingen is analyse doorgaans niet mogelijk per rioleringsgebied. Rijnland is bezig om een goede Dwaas op te zetten. Dit vormt een aanvullende bron van informatie na gereedkoming.
A.3-2. Een vuilwater (DWA) stelsel voert op een droogweerdag minder dan 25% extra af ten opzichte van theoretisch dwa
Analyse debietmetingen bij gemalen
Inschatting theoretisch dwa Debietmetingen bij gemalen
Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”)
A.3-3. Een vuilwater(DWA)stelsel voert op een regenweerdag minder dan 25% extra af ten opzichte van theoretisch dwa
Analyse debietmetingen bij gemalen
Inschatting theoretisch dwa Debietmetingen bij gemalen
Conform A.3-1 Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”)
A.3-4. Drukriolering voert op een droogweerdag minder dan 25% extra af ten opzichte van theoretisch dwa
Analyse debietmetingen bij gemalen
Inschatting theoretisch dwa Debietmetingen bij gemalen
Conform A.3-1 Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”)
A.3-5. Drukriolering voert op een regenweerdag minder dan 25% extra af ten opzichte van theoretisch dwa
Meten/analyseren kan nu ook al door gedrag van de persinstallatie te controleren en analyseren.
Analyse debietmetingen bij gemalen
Inschatting theoretisch dwa Debietmetingen bij gemalen
Randvoorwaarde: telemetrie aanwezig zijn of aanbrengen. Aanbrengen moet wel kostenefficiënt zijn. Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”) Meten/analyseren kan nu ook al door gedrag van de persinstallatie te controleren en analyseren. Randvoorwaarde: telemetrie aanwezig zijn of aanbrengen. Aanbrengen moet wel kostenefficiënt zijn.
3
Bijlage 5 #
Functionele eis
Maatstaf
A.3-6. Een hemelwaterstelsel van een VGS voert niet meer dan 66% van de jaarlijkse netto neerslag af richting rwzi
A.3-7. Per jaar minder dan 10% van de inspecties geven ingrijpmaatstaven aantasting volgens NENEN13508-2
Meetmethode
Analyse debietmetingen bij gemalen
Benodigd (voor meetmethode)
Debietmeting bij VGS-gemalen Neerslagmeting
Toelichting Bijvoorbeeld checken of pomp vaker aangaat en daarna onderzoek doen. Kan ook door meting/analyse per rioleringsgebied op rioolvreemd water. Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”) VGS (4 mm + 0,3 mm/h) voert gemiddeld 2/3e van afstromende neerslag af naar rwzi. Als dit meer is, is er vaak sprake van rioolvreemd water (infiltratie en/of binnenstromen over drempel
Reguliere inspectie (elke 10-20 jaar)
Regulier inspectieprogramma
Vraag: hebben we in 2024 nog ergens VGS’en. Anders kunnen we deze schrappen Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”) Visuele inspectie als indicatie voor aanrotting afvalwater (via schadebeeld ‘aantasting (chemisch en mechanisch)’). Voor relatie met stabiliteit, zie maatstaf D.1
4
Bijlage 5 Doel 2. Inzameling en verwerking van hemelwater # B.1
B.2
B.3
B.4
Functionele eis Percelen binnen het gemeentelijke grondgebied waar hemelwater vrijkomt wat de perceeleigenaar redelijkerwijs niet zelf kan verwerken of afvoeren naar oppervlaktewater en waarvan hij zich wenst te ontdoen, moeten zijn voorzien van een aansluiting op de riolering
Maatstaf B.1-1. Al deze percelen zijn voorzien van een aansluiting op de riolering of een gemeenschappelijke voorziening bijvoorbeeld een Wadi
Meetmethode Frequente check (elke 5 jaar)
Bij de verwerking van hemelwater moet het risico op contact met rioolwater (vuil water) voor de mens zo klein mogelijk zijn, zowel binnenshuis als buitenshuis
B.2-1. Per jaar minder dan 20 toerekenbare meldingen ‘rioolwater in de woning’ bij hemelwater per 100km riool
Analyse van meldingen
B.2-2. Per jaar minder dan 75 meldingen ‘rioolwater op straat’ bij hwa doordat regenwater de kolk niet kan inlopen vanwege een verstopte kolk
Analyse van meldingen
B.3-1. Of: Bij bui 70mm in 1 uur geen schade en/of overlast
Stresstest met ontwerpbui op maaiveldmodel/ rioleringsmodel met maaiveldmodel
Stresstestmodel
Inspanningsgerichte maatstaf (“welke inspanning levert de beheerder?”)
B.4-1. Per jaar minder dan 10 meldingen ‘vuiluitworp riolering oorzaak knelpunt waterkwaliteit’ per 100km riolering
Analyse meldingen (inwoners, waterkwaliteitsbeheerder & buitendienst)
Meldsysteem conform BOR-MELD Monitoring waterkwaliteit
Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
Bij extreme neerslag waarbij de riolering niet in staat is om de neerslaghoeveelheden ondergronds af te voeren moet schade aan gebouwen en hinder van verkeer tot een minimum beperkt blijven De vuiluitworp vanuit rioolstelsels op oppervlaktewater dient beperkt te zijn vanuit gemengd systeem. Stelsel voldoet aan basisinspanning.
Benodigd (voor meetmethode) Up-to-date aansluitregister: - controle bij nieuw- en verbouw
Toelichting Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”) Zorgplicht hemelwater: de eigenaar van het terrein waarop hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de afvoer van het hemelwater.
Meldsysteem conform BOR-MELD Neerslagmeting
Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
Het meldsysteem moet nog ingericht worden gedurende planperiode 2024-2028
Het gedeelte huisaansluiting op eigen terrein is verantwoordelijkheid van de eigenaar, Verstoppingen op dit deel zijn niet toerekenbaar. Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
Meldsysteem conform BOR-MELD Het meldsysteem moet nog ingericht worden gedurende planperiode 2024-2028
In deze situatie blijft de druklijn onder het maaiveld en ontstaat water op straat door beperking in de inloopcapaciteit door (bijvoorbeeld) verstopte kolk
Risico Overstorten worden gemonitord via de toets “smalle waterkwaliteitsspoor” (toetsing aan basisinspanning) Dit zijn de “oranje en rode overstorten” die met de toets worden geïdentificeerd. Meten van bepaalde overstorten kan hierbij een toegevoegde waarde hebben.
5
Bijlage 5
Doel 3. Grondwaterzorg: het voorkómen of beperken van structureel nadelige gevolgen door te hoge of te lage grondwaterstanden in relatie tot de grondbestemming #
Functionele eis
Maatstaf
Meetmethode
C.1
De grondwaterstand mag niet structureel te hoog liggen
C.1-1. Per jaar minder dan 5 melding ‘grondwateroverlast’ per 100km riolering
Analyse van meldingen (bewoners, organisaties)
Benodigd (voor meetmethode) Meldsysteem conform BORMELD
C.1-2. In de openbare ruimte van woon-/werkgebieden staat de gemiddelde grondwaterstand in elke peilbuis minder dan 14 dagen per jaar hoger dan 50 cm onder maaiveld staat
Analyse van peilbuisregistraties
Peilbuisregistratie Maaiveldhoogtes
Toerekenbaarheid aan grondwaterstand; Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”)
C.1-3. Onder wegen staat de grondwaterstand in elke peilbuis minder dan 14 dagen per jaar hoger dan 50 cm onder maaiveld
Analyse van peilbuisregistraties
Peilbuisregistratie Maaiveldhoogtes
Veel beheerders maken grondwatermetingen publiek via openbare websites/portals Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”)
C.2-1. Per jaar minder dan 3 meldingen ‘grondwateronderlast’ per 100km riool
Analyse van meldingen (bewoners, organisaties)
Meldsysteem conform BORMELD
Veel beheerders maken grondwatermetingen publiek via openbare websites/portals Let op: in gebieden met geringe drooglegging kan beheerder kiezen om minder strenge eis te formuleren. Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
C.2
De grondwaterstand mag niet structureel te laag liggen
Toelichting Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
C.2-2. In de openbare ruimte van woon-/werkgebieden staat de grondwaterstand in elke peilbuis minder dan 14 dagen per jaar meer dan 70 cm onder maaiveld (en gemiddeld nooit lager dan 85 cm onder maaiveld)
Analyse van peilbuisregistraties
Peilbuisregistratie Maaiveldhoogtes
Relevant bij houten funderingspalen, natuurgebieden, etc. Type fundaties bepalen eisen. Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”)
C.2-3. Onder wegen staat de grondwaterstand in elke peilbuis minder dan 14 dagen per jaar meer dan 70cm onder maaiveld (en gemiddeld nooit lager dan 85 cm onder maaiveld)
Analyse van peilbuisregistraties
Peilbuisregistratie Maaiveldhoogtes
Resultaatgerichte maatstaf (“hoe functioneert het systeem?”)
Benodigd (voor meetmethode) Meldsysteem conform BORMELD
Toelichting
Meldsysteem conform BORMELD
Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
Doel 4. Minimaliseren overlast voor de omgeving #
Functionele eis
Maatstaf
Meetmethode
D.1
De stabiliteit van riolen moet zodanig zijn dat calamiteiten (instortingen) zich zo min mogelijk voordoen
D.1-1. Per jaar minder dan 3 meldingen ‘instorting riool’ per 100km riool.
Analyse van meldingen (inwoners, buitendienst, wegbeheerder)
D.2
De riolering moet zo min mogelijk stinken
D.2-1. Per jaar minder dan 10 meldingen ‘stank vanuit de riolering’ per 100km riool.
Analyse van meldingen (inwoners, buitendienst)
Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
6
Bijlage 5 #
Functionele eis
Maatstaf
Meetmethode
D.3
De riolering moet zo min mogelijk geluidsoverlast veroorzaken
D.3-1. Per jaar minder dan 1 melding ‘geluidsoverlast door riolering’ per 100km riool.
Analyse van meldingen (inwoners, buitendienst)
Benodigd (voor meetmethode) Meldsysteem conform BORMELD
Toelichting Effectgerichte maatstaf (“wat merken inwoners, of de omgeving?”)
7
Bijlage 5 Maatstaven Zuivering; gegevens afvoernormen Tabel 1: Afvoernorm Parameter DWA [m3/h]
Type stelsel alle
Woongebied 12 l/h per inw
Bedrijventerrein Werkelijk (o.b.v. heffingsgegevens)
POC [m3/h]
gemengd
0,7mm/h keer werkelijk aangesloten oppervlak
gescheiden
0,7mm/h keer aangesloten oppervlak 0,3mm/h keer aangesloten oppervlak n.v.t.
alle
175/150 i.e. per inwoner
Werkelijk (o.b.v. heffingsgegevens)
verbeterd gescheiden
i.e./v.e.
0,3mm/h keer werkelijk aangesloten oppervlak n.v.t.
Tabel 2: Standaard kengetallen nieuwbouwsituatie Parameter
Woongebied
Bedrijventerrein
Type stelsel
gescheiden stelsel
gescheiden stelsel
Woningbezetting
2,5 inw./won.
n.v.t.
Aangesloten verhard oppervlak
n.v.t.
n.v.t.
POC
n.v.t.
n.v.t.
i.e./v.e
175/150 i.e. per inwoner
DWA/0,017 of 50 i.e. per ha bruto oppervlak
DWA
12 l/h*inw.
1,8m3/h*ha bruto oppervlak
Tabel 3: Standaard berekening vuilvracht Parameter
Waarde
Eenheid
CZV
95
g O2/i.e./d
BZV
35
g O2/i.e./d
NKj
9
g N/i.e./d
Ptot
1,3
g P/i.e./d
SS
41
g/i.e./d
Tabel 4: Relevante gegevensbronnen die standaard worden vastgelegd Bron Gemeentelijke informatie (uit BRP’s of actueler) Heffingsgegevens afkomstig van de BSGR/handhaving Regulier overleg P+V met gemeente / clusteroverleggen
Soort gegevens Cijfers uit kenmerkenbladen (inwoners, woningen, type stelsel, aangesloten verhard oppervlak, DWA bedrijven en recreatie), kaart met rioleringsgebieden Cijfers bedrijven (v.e. en m3/jaar plus schatting m3/h)
Beschikbaar via RIOKEN
Diverse relevante informatie
RIOKEN en bestand “Achtergrondinformatie” (13.17172)
Team Monitoring
Tabel 5: Mogelijk relevante bronnen die aanvullend kunnen worden gebruikt Bron
Soort gegevens
Beschikbaar via
GRP
Ontwikkelingen, cijfers afkoppelen
Corsa (nr. beschikbaar via Gegevensbeheerteam
Evaluatie GRP
Ontwikkelingen, cijfers afkoppelen
CBS
Inwoners, woningen, bevolkingsgroei
Internet (www.cbs.nl)
BZU
Werkelijke aanvoer, knelpunten praktijk
Teamleiders, procesvoerders
Meetgegevens gemalen
Tijdreeksen
Team Monitoring
GBKN
Verhard oppervlak (niet alleen afvoerend)
RIOKEN
Ruimtelijkeplannen.nl
Dossiers met bestemmingsplannen, structuurvisies
Internet (www.ruimtelijkeplannen.nl)
(Drink)watercijfers
(Drink)waterverbruik
Team Monitoring (BSGR), controleurs meetbedrijven
Plantoetsers (P+V)
Nieuwbouwplannen
Via rioleurs bij P+V of direct
Afvalwaterakkoorden
Afspraken tussen Rijnland en gemeenten,
Gegevensbank op intranet
afvalwaterketen, MON) Corsa (nr. beschikbaar via Gegevensbeheerteam afvalwaterketen, MON)
(Handhaving) of drinkwaterbedrijven
gemaalcapaciteiten, afvalwaterhoeveelheden BSGR
Aanvullende informatie over heffingsgegevens
WEBIS PORTAL
1
Bijlage 6 BIJLAGE 6 PROCEDURE ONGERIOLEERDE LOZINGEN Inleiding Wet- en Regelgeving bepaalt dat gemeenten en hoogheemraadschappen op lokaal niveau afspraken dienen te maken over ongerioleerde lozingen. Hierbij hoort een afstemmingsprocedure die past bij de huidige tijdgeest. De procedure Ongerioleerde Lozingen beschrijft hoe om te gaan met lozingen van stedelijk afvalwater van huishoudelijke aard op het oppervlaktewater. Vertrekpunt is de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, meer specifiek de zorg voor huishoudelijk afvalwater, wat in bestaande situaties al dan niet is vermengd met bedrijfsafval-, hemel- en/of grondwater. Algemeen Zuiveren van afvalwater voor het teruggebracht wordt in het milieu of rioleren heeft de voorkeur. In paragraaf 4.2.2. staan de uitgangspunten omschreven. Nieuwe lozingspunten kunnen ertoe leiden dat de aanleg van riolering voor een cluster van bestaande ongerioleerde percelen doelmatig wordt. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen lozingen van huishoudelijk afvalwater uit huishoudens, woonboten of bedrijven. Type voorziening Voor IBA-lozingen op oppervlaktewater geldt het volgende. ➢ ➢
➢
buiten de bebouwde kom betreft dit minimaal een wettelijke zuiveringsvoorziening. na afstemming met Rijnland kan ook binnen de bebouwde kom worden besloten een perceel niet te rioleren. In dat geval wordt een doelmatige voorziening met een zuiveringsrendement vergelijkbaar met een AWZI, bijvoorbeeld een VST met helofytenfilter aangelegd. voor IBA-lozingen in de bodem is gemeente (Omgevingsdienst) bevoegd gezag.
Zorgplicht en kosten Binnen de bebouwde kom is de gemeente verantwoordelijk voor het functioneren van de voorzieningen en is ontheffing van de zorgplicht niet mogelijk. Buiten de bebouwde kom kan de gemeente ontheffing van de zorgplicht verlenen, mits de waterkwaliteit dit toestaat. Na verleende ontheffing is de particulier zelf verantwoordelijk voor het verwerken van zijn afvalwater. Voor deze particuliere lozingen gelden de regels van het gemeentelijk omgevingsplan. Voor het aansluiten van de betreffende percelen kan de gemeente kiezen voor een ”brede” of een “smalle” invulling van de zorgplicht. Bij een brede zorgplicht draagt de gemeente de kosten voor het aansluiten. Kosten voor een aansluitleiding kunnen bij de perceeleigenaar in rekening worden gebracht. Bij smalle zorgplicht wordt de verantwoording voor het aanleggen en onderhouden van een IBA overgedragen aan de particulier. De gemeenten kiezen voor een brede zorgplicht waarbij de gemeenten verantwoordelijk zijn voor aanleg en onderhoud van de voorziening. Hiermee wordt aan de betreffende eigenaar de rioolheffing geheven. Waterkwaliteit Ongerioleerde lozingen mogen niet tot waterkwaliteitsproblemen leiden. Daarom zijn dergelijke lozingen op gevoelige wateren niet toegestaan. Onder gevoelige wateren vallen alle meren en plassen en alle wateren met zwemwater- of natuurfunctie (o.a.
Natura 2000, EHS-water, en waterparels). In geval van zwemwater- of natuurfunctie wordt tevens een afstand van 1 km of meer gehanteerd tussen de (‘bovenstroomse’) lozing en het gevoelige water. Binnen het cluster Leidse Regio moet rekening worden gehouden met de volgende gevoelige wateren: plassen en meren met zwemwaterlocaties Valkenburgse meer, ’t Joppe, Kagerplassen, De Vlietlanden, Zoetermeerse plas, Klinkenberger plassen, natuurgebieden De Wilck, Vogelplas Starrevaart, De Plas en recreatiegebieden Benthuizerplas en Cronensteijn. Afstemming De gemeenten en Rijnland stemmen via onderstaande procedure met elkaar af hoe we omgaan met bestaande en nieuwe ongerioleerde lozingen van huishoudelijk afvalwater en welke overgangstermijn bij bestaande lozers wordt gehanteerd. 1
Bijlage 6
Procedure Beeldvorming
I
Inventarisatie situatie ongerioleerde lozingen
Beleidvorming
II
Visie / beleid Rijnland
Visie / beleid gemeente
Afstemming
III
Overleg Rijnland en gemeente
Rapportage
IV
Gezamenlijk beleid ongerioleerde lozingen
Figuur 1 - Schematische weergave van de voorgestelde vier-stappen-procedure. Ad I.
De inventarisatie geeft een actueel en compleet beeld van de huidige lozingssituatie (zie inventarisatiegegevens verderop voor de in te winnen gegevens), de mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen inclusief een inschatting van de termijn waarop deze plaats vinden en de waterkwaliteitsproblematiek. De gemeente neemt in het kader van haar zorgplicht het voortouw bij het uitvoeren van deze inventarisaties. Noot: Hiermee kunnen ook gelijk de gegevens zoals ze bekend zijn bij Rijnland gecontroleerd worden (bijvoorbeeld belastinggegevens).
Ad II. Ad III.
Ad IV.
Samen met de inventarisatie vormen de visie/beleid van de gemeenten en van Rijnland de basis voor de afstemming. Gemeenten en Rijnland stemmen met elkaar op basis van gelijkwaardigheid af hoe wordt omgegaan met bestaande en nieuwe ongerioleerde lozingen van huishoudelijk afvalwater. Daarvoor dienen de uitgangspunten met betrekking tot ongerioleerde lozingen duidelijk te zijn. Deze afspraken omvatten o.a. a. Afbakening: voorwaarden waaronder ongerioleerde lozingen zijn toegestaan. b. Ruimtelijke ordening: waar ongerioleerde lozingen nu (huidige situatie) en later (wenselijke situatie) toelaatbaar zijn. De uitkomsten van het overleg worden in vGRP of integraal Waterketenprogramma (IWKp) vastgelegd. Resultaat van de afstemming is een lijst (adreslocatie, type lozing) en een kaart met invulling van de zorgplicht (waar smal, waar breed) en afspraken op welk moment wordt overgegaan op aansluiting op riool. Deze maatregelen worden begroot en in het vGRP/IWKp in het maatregelenoverzicht/maatregelmodule opgenomen.
Een goede communicatie met de betreffende inwoners/eigenaars is belangrijk. Afhankelijk van de afspraken neemt de Gemeente hiertoe het initiatief. Rijnland wordt betrokken bij deze communicatie.
2
Bijlage 6 De interne communicatie (o.a. vergunningverlening en ruimtelijke ordening) is belangrijk en maakt onderdeel uit van de onderlinge afstemming. Zowel Gemeente als Rijnland dragen hiervoor zorg tijdens het doorlopen van het protocol. Afspraken De ongerioleerde lozingen worden elke planperiode geactualiseerd. In 2018 zijn alle gemeenten in cluster Leidse Regio door Rijnland in het kader van deze procedure geactualiseerd. Inventarisatiegegevens: Huidige ongerioleerde lozingen: 1. Adres: postcode, straatnaam, huisnummer (+toevoeging) en woonplaats 2. X- en Y-coördinaat (in RD-stelsel) 3. Objectcode: code die de gemeente hanteert 4. Type object: woning, bedrijf of beide 5. Klasse voorziening: type IBA, oude septic tank, gesloten put, overig of onbekend 6. Bouwjaar/Aanlegjaar (schatting mag ook) 7. Type lozing: bodem, oppervlaktewater, geen van beide 8. Beheer: particulier, gemeente, Rijnland (in opdracht van gemeente) 9. Metadata: wat is de bron, wanneer is dit ingewonnen, nauwkeurigheid x-, y-coördinaten. De geometrie wordt bij voorkeur aangeleverd als punt in shapefile(.shp) of geodatabase(.gdb). Ad. 1 Een koppeling/relatie tussen het X- Y-coördinaat en de BAG zou eigenlijk mooier zijn. Dit kan wanneer de gemeente het BAG ID meegeeft. Ad.
5 Middels analyse wordt het bouwjaar/aanlegjaar gecategoriseerd naar de volgende categorieën: <1970, 1970<1990, 1990-<2000, vanaf 2000 het aanlegjaar
3
Bijlage 7 BIJLAGE 7 PROCEDURE AFVALWATERPROGNOSES
1
Bijlage 7
2
Bijlage 7
3
Bijlage 7
4
Bijlage 7
5
Bijlage 8 BIJLAGE 8 PROCES WATERTOETS De watertoets is een hulpmiddel bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De toets moet ervoor zorgen dat initiatiefnemers (inclusief gemeenten) van ruimtelijke plannen en waterbeheerders in een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke plannen met elkaar in contact komen. Het doel daarbij is goede afspraken maken over de toepassing en uitvoering van het ruimtelijk beleid waarbij de waterbelangen gewaarborgd worden. De meerwaarde van het watertoetsproces is dat het zorgt voor een vroegtijdige systematische aandacht voor wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit (o.a. verzilting) en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: 1. 2.
de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt meestal in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
De waterschappen hebben de eerste verplichting voor de initiatiefnemers makkelijk gemaakt met de Digitale Watertoets. Zo kunnen initiatiefnemers van ruimtelijke plannen online nagaan of hun ruimtelijk plan in eerste instantie voldoende rekening houdt met water. Uit de Digitale Watertoets volgt een advies met welke wateraspecten relevant zijn voor het plan en waarom.
1
Bijlage 9
BIJLAGE 9: PROCEDURE DROGE-VOETENTOETS VOOR HEMELWATERUITLATEN EN RIOOLOVERSTORTEN Inleiding De droge-voeten-toets voor hemelwateruitlaten en riooloverstorten (droge-voeten-toets) is een belangrijk uitgangspunt om de riolering doelmatig en klimaatbestendig op het watersysteem aan te sluiten De droge-voeten-toets vervangt de vergunning (kwantitatief) voor hemelwateruitlaten en riooloverstorten. Met de droge-voetentoets wordt in kaart gebracht of het watersysteem de (plaatselijke) aanvoer uit het riool aan kan en of dit ook in de toekomst het geval zal zijn. Ook voor nieuwe hemelwateruitlaten en overstorten of zwaardere belasting van bestaande lozingspunten is de droge-voetentoets van belang. Het maakt het mogelijk de meest doelmatige lozingslocaties te vinden, die geen overlast veroorzaken in het bestaande watersysteem, of om noodzakelijke aanpassingen in het watersysteem vast te stellen en de uitvoering daarvan tijdig in te plannen. Als het gaat om nieuwe overstorten, het verplaatsen van bestaande overstorten of het zwaarder belasten van overstorten moet ook de procedure voor de invloed op de waterkwaliteit worden doorlopen. Zo draagt de droge-voetentoets bij aan het bereiken van zo laag mogelijke maatschappelijke kosten voor de dimensionering van riolering en afvoerend watersysteem zonder daarbij te grote risico’s te nemen op het gebied van waterkwantiteit.
Daarmee is de droge-voetentoets de basis om te komen tot een doelmatig investeringsprogramma. Procedure De eerste stap (zie figuur 1) is het bepalen van de omvang van het afvoerende verharde oppervlak. Dit is een theoretische berekening op basis van het rioleringsmodel en wordt door de gemeente uitgevoerd. De verharde oppervlakken worden naar rato van de uitstroomhoeveelheid uit het model verdeeld over de hemelwateruitlaten en riooloverstorten. Hiervoor kan een bui8, bui9 of bui10 berekening worden gebruikt. Na overdracht van de benodigde gegevens wordt getoetst of de afvoeren bergingscapaciteit van het watersysteem voldoet. Indien er mogelijk maatregelen genomen moeten worden, wordt eerst nog nader onderzoek gedaan. Dit kan een korte scan zijn van de problemen in de praktijksituatie, of een uitgebreidere studie naar een optimalisatie van het (afval)watersysteem. Uiteindelijk bepalen de gemeente(n) en Rijnland in overleg welke maatregelen genomen worden, wat de hoogte van de benodigde investeringen is en wordt indien nodig een kostenverdeling gemaakt. Procedure De eerste stap (zie figuur 1) is het bepalen van de omvang van het afvoerende verharde oppervlak. Dit is een theoretische berekening op basis van het rioleringsmodel en wordt door de gemeente uitgevoerd.
De verharde oppervlakken worden naar rato van de uitstroomhoeveelheid uit het model verdeeld over de hemelwateruitlaten en riooloverstorten. Hiervoor kan een bui8, bui9 of bui10 berekening worden gebruikt. Na overdracht van de benodigde gegevens wordt getoetst of de afvoer- en bergingscapaciteit van het watersysteem voldoet. Blijkt uit de toetsing dat er mogelijk maatregelen genomen moeten worden, wordt eerst nog nader onderzoek gedaan. Dit kan een korte scan zijn van de problemen in de praktijksituatie, of een uitgebreidere studie naar een optimalisatie van het (afval)watersysteem. Uiteindelijk bepalen de gemeente(n) en Rijnland in overleg welke maatregelen genomen worden, wat de hoogte van de benodigde investeringen is en wordt indien nodig een kostenverdeling gemaakt. Jaarlijks dient de droge-voeten-toets te worden geactualiseerd. Tevens dient er een actualisatie te worden uitgevoerd wanneer er wijzigingen in het systeem plaatsvinden. Door de gegevens 5-jaarlijks te actualiseren worden sterk uiteenlopende planningen van werkzaamheden voorkomen. Bovendien blijft hiermee de inspanning minimaal en wordt systeemkennis opgefrist
1
Bijlage 9
Figuur 1 - Schematische weergave procedure droge-voetentoets voor hemelwateruitlaten en riooloverstorten
Toelichting De droge-voetentoets laat zien wat de invloed van bestaande en toekomstige lozingspunten op het functioneren van het watersysteem is en of hiermee knelpunten ontstaan in de waterafvoer of een ongewenste peilstijging. Voor de toetsing hanteert Rijnland o.a. de eisen en normen die de Provincie heeft vastgelegd in de “Waterverordening Rijnland”. Bijkomend voordeel van een droge-voetentoets is dat de rapportage een handig overzicht biedt van de situatie in de verschillende polders en boezemgebieden binnen een gemeentegrens. De in tabel 1 beschreven basisgegevens zijn voor de berekening noodzakelijk en worden door de gemeenten aangeleverd en actueel gehouden. De gegevens van het watersysteem worden door Rijnland beschikbaar gesteld. Aanvullende informatie, bijvoorbeeld details over de exacte ligging van kunstwerken in secundaire (gemeentelijke) watergangen, is welkom en daarmee kan de nauwkeurigheid van de analyses verbeteren. Voor de droge-voetentoets wordt uitgegaan van de huidige situatie of concrete (her)inrichtingsplannen voor een bepaald gebied. Afwijkingen Met behulp van rekenmodellen wordt afgewogen of de omvang van de lozing (overstort) verantwoord is en niet leidt tot meer risico op wateroverlast. In een gebied met kleine watergangen of met veel
2
Bijlage 9 verharding kan de invloed op het waterpeil in de watergang van een lozing snel aanzienlijk zijn. Een dergelijke uitkomst wordt getoetst aan waarnemingen uit de dagelijkse praktijk. Voor bestaande lozingknelpunten is het de kunst om desondanks een oplossing te vinden. Hiervoor bieden renovaties vaak onverwachte kansen. Ook is hier meestal aanvullend onderzoek nodig en kan een nog gedetailleerde modelstudie uitkomst bieden bij het vinden van een doelmatige oplossing Gaat het echter om nieuwe lozinglocatie of om uitbreidingen van bestaande lozingen dan vraagt dit om een inpassing, die de bestaande situatie niet verslechtert. Belangrijk hierbij is dat dit in goed overleg en op basis van een degelijke onderbouwing gebeurt. Afspraken De droge-voetentoets wordt geactualiseerd aan de hand van nieuwe ontwikkelingen of veranderingen van de bestaande situatie. De gemeente levert de benodigde gegevens aan Rijnland, Rijnland vult deze aan met gegevens over het watersysteem en voert de analyses uit. Rijnland koppelt de resultaten van de analyse individueel per gemeente terug. Gezamenlijk worden afspraken over het vervolg gemaakt (wat moet verder onderzocht worden?). Indien de droge-voetentoets wordt gebruikt voor projecten is het nodig vroegtijdig met elkaar in overleg te treden zodat de voortgang van de projecten niet wordt gehinderd. De gemeente neemt hiertoe het initiatief.
In dat geval kan het nuttig zijn om extra informatie te betrekken. Op basis hiervan wordt de droge voeten toets geactualiseerd. Als onderdeel van het opstellen van het BRP wordt de droge voeten toets voor het hele grondgebied van de gemeente doorlopen. In het kader van het dataportal wordt gekeken naar een optimalisatie zodat uitwisseling van gegevens efficiënter wordt. Eenheid
Gegevensbron
Soort data
Code hemelwateruitlaat of overstort Code gerelateerde rioleringsgebied Locatie hemelwateruitlaat
Gemeente Gemeente
administratief administratief
Gemeente
GIS-data
Locatie overstortconstructie
Gemeente
GIS-data
Locatie overstortuitlaat
Gemeente
GIS-data
m t.o.v. NAP ha
Gemeente
administratief
Gemeente
administratief
Bui 8, 9 of 10 datum
Gemeente
administratief
Gemeente Gemeente
administratief GIS-data
b.o.b. van hemelwateruitlaat of overstortuitlaat Afvoerend oppervlak lozend per afvoerpunt (voor ieder afvoerpunt theoretisch bepaald obv modelberekening en bui) Toegepaste Leidraad bui nr. Datum modelberekening Vlakkenkaart (vlakken niet aangesloten op riolering (voeren via maaiveld af) niet weergeven of voorzien van een herkenbare codering)
Bestandsformat (zie noot)
.gdb of .shp (of x,y coördinaten in Rijksdriehoeksstelsel) .gdb of .shp (of x,y coördinaten in Rijksdriehoeksstelsel) .gdb of .shp (of x,y coördinaten in Rijksdriehoeksstelsel)
.gdb of .shp
Tabel 1 - aan te leveren gegevens door gemeente
3
Bijlage 10 BIJLAGE 10 PROCEDURE WATERKWALITEITSSPOOR OVERSTORTEN Inleiding De Wet- en Regelgeving stelt aan dat Gemeenten en Waterschappen decentraal op lokaal niveau afspraken dienen te maken over onderwerpen zoals lozingen vanuit overstorten. De waterkwaliteitstoets voor overstorten is hiervoor het instrument en vervangt de keur- c.q. watervergunning. In de afgelopen decennia zijn de emissies als gevolg van overstortlozingen dusdanig verminderd, dat deze meestal geen (groot) probleem meer vormen voor het waterkwaliteitsbeheer. Met het voldoen aan de basisinspanning en de komst van de Waterwet wordt door het Nederlands waterbeheer tegenwoordig anders aangekeken tegen de problematiek met overstorten. Uitgangspunt van deze procedure is dat iedere Gemeente ruimte heeft voor het voeren van een eigen plaatselijk beleid. Het is noodzakelijk dat er een evenwichtige afweging van Rijnlandse en Gemeentebelangen plaats vindt. Hiervoor is overleg en afstemming tussen Gemeente en hoogheemraadschap nodig. De procedure beschrijft op welke wijze Rijnland en de Gemeente de komende jaren invulling geven aan de beoordeling van overstorten in het kader van het waterkwaliteitsspoor. De procedure betreft enkel de lozingen van stedelijk afvalwater uit riooloverstorten op het oppervlaktewater. De procedure brengt op basis van beschikbare informatie eventuele probleemlocaties snel in beeld.
Hiervoor kan dan zo nodig een gezamenlijke strategie worden bepaald. Procedure In figuur 1 is de procedure weergegeven. Ad 0. Ad I.
Ad II.
Ad III.
De gemeente levert actuele gegevens over de overstorten. Bij de bureaustudie worden alle overstorten in eerste instantie individueel geïnventariseerd en gecategoriseerd in overstorten die wel (1) of geen (2) probleem vormen. Bij de categorisering van de overstorten wordt het principe gehanteerd ‘geen nieuws is goed nieuws’; zolang geen informatie beschikbaar is waaruit blijkt dat om en nabij een overstort problemen optreden, wordt aangenomen dat deze overstort geen probleem vormt.14 Rijnland neemt in het kader van haar rol als bevoegd gezag het voortouw bij het uitvoeren van deze bureaustudie, en initieert het overleg. De Gemeente en Rijnland bespreken gezamenlijk de bevindingen uit de bureaustudie en stemmen af welke overstorten nog aandacht verdienen. Daarbij worden waar mogelijk ook gelijk afspraken gemaakt over eventueel te treffen maatregelen. Dit kunnen rioolmaatregelen, maatregelen in het ontvangende watersysteem of onderzoeksmaatregelen betreffen. Als vervolgonderzoek nodig is voor het bepalen van de mogelijke oplossingsrichtingen dan wordt aangegeven wie het onderzoek gaat uitvoeren. Desgewenst wordt met een gezamenlijk veldbezoek beter inzicht verkregen in het probleem of de oplossingsrichting. Naar aanleiding van het overleg stelt Rijnland een rapportage op waarmee een actueel beeld van alle overstorten is opgenomen.
Rijnland en Gemeente zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de inhoud van de rapportage.
14 In het overleg en na afstemming met de Gemeente (zie volgende stap) krijgen de overstorten hun definitieve oordeel.
1
Bijlage 10
Uitwisseling gegevens
Drie stappen procedure voor de waterkwaliteitstoets voor overstorten
Situatie overstort
Snelle schifting
ja
1 (water)natuurgebied of zwemwater?
probleemindicatoren 3
I: Bureaustudie
nee 2 Water met bijzondere bescherming?
Risico voor gezondheid mens of dier?
ja
4 Score modellering (bijvoorbeeld oude TEWOR)
Nee (geen een keer ja)
5
nee
Klachten of meldingen?
Ja (een keer of meer)
II: afstemming
Geen maatregelen Vermelding in vGRP is voldoende
Mogelijk extra maatregelen
Maatregelen vereist
Overstort vormt mogelijk een probleem 6 Besprekingsnotititie (mogelijke)
probleemlocaties
Eventueel vervolg
III: plan van aanpak
7 Overleg met gemeente en veldbezoek
8 Rapport waterkwaliteitsspoor
Nader onderzoek
Figuur 1 - drie stappen procedure voor de waterkwaliteitstoets voor overstorten
2
Bijlage 10
Toelichting Hieronder worden enkele inhoudelijke aspecten toegelicht. Geen waterkwaliteitsproblemen Hoewel riooloverstortingen vanuit perspectief van de waterkwaliteit niet wenselijk zijn, zijn deze vanuit de afvoer van overtollig hemelwater wel noodzakelijk. Algemeen uitgangspunt is dat lozingen vanuit riooloverstorten niet mogen leiden tot waterkwaliteitsproblemen. Een lastig aspect hierbij is dat het effect van deze lozingen op de waterkwaliteit of ecologische toestand vaak niet of nauwelijks zichtbaar te maken is. Meestal zijn de effecten overwegend lokaal en tijdelijk van aard en ook niet overstort specifiek (bijvoorbeeld vissterfte, stankoverlast, algenbloei enz.). Om bij de beoordeling enige houvast te hebben zijn enkele generieke vuistregels opgesteld. Rijnland en de Gemeente bespreken gezamenlijk in hoeverre deze ook voor de locatie specifieke situatie van betreffende overstort van toepassing is. 1) Gevoelige wateren Rijnland heeft een aantal grote gevoelige wateren (meren en plassen en alle wateren met zwemwater- of natuurfunctie (Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS-water of waterparels)) binnen haar beheergebied waar overstorten onwenselijk zijn Lozingen uit een overstort hebben een negatieve invloed op zowel de natuurwaarde als het behalen van de zwemwaterdoelstellingen.
In geval van zwemwater- of natuurfunctie wordt een afstand van 1 km gehanteerd tussen de (‘bovenstroomse’) lozing en het gevoelige water. Naast deze grote wateren kunnen ook doodlopende watergangen en watergangen met een klein profiel of slechte doorstroming gevoelig zijn voor de effecten van riooloverstortingen. 2) Water geen bijzondere bescherming Binnen Rijnland zijn de grote boezemkanalen aangewezen als wateren die geen bijzondere bescherming behoeven. Er is doorgaans geen sprake van een probleemlocatie als de overstort op betreffende wateren loost. Een overstort op een van deze wateren valt altijd binnen de categorie overstorten waarvoor vermelding in het vGRP voldoende is en geen aanvullende maatregelen behoeven. Het betreft de wateren die vallen binnen de KRW-waterlichamen Ringvaart Haarlemmermeer, Trekvaartsysteem of Oude Rijnsysteem (m.u.v. de Leidse singels en deel van de Haarlemmertrekvaart ten zuiden van Oegstgeesterkanaal). 3) Risico voor gezondheid van mens of dier Als een overstort de volksgezondheid of diergezondheid in gevaar brengt dan is er sprake van een probleem. Tijdens het veldbezoek wordt dit duidelijk bijvoorbeeld in geval van speelveldjes, sportvelden, recreatievoorzieningen, volkstuintjes, vee drenking of inundatie van weidegrond.
4) Slechte score modelberekeningen In het kader van de bureaustudie worden geen uitvoerige modelberekeningen uitgevoerd, maar grijpen we terug naar oude TEWOR-berekeningsresultaten. Een nieuwe TEWOR-berekening kan deel uitmaken van de eventuele aanpak. In 2010 heeft STOWA een nieuwe beoordelingsmethode (STOWA-rapportnummer 20101) ontwikkeld voor de prioritering voor de aanpak van overstorten in het kader van het waterkwaliteitsspoor. Deze is echter alleen geschikt voor stromende wateren en binnen Rijnland niet van toepassing. 5) Klachten of meldingen Rijnland en de gemeenten registreren binnengekomen klachten over de waterkwaliteit of werking van een overstort. Deze registratie wordt – naast op “overstort” - gescreend op eutrofiëringsproblemen als “vissterfte”, “drijflagen”, “stankoverlast” en dergelijke. Indien van een bepaalde locatie bekend is dat hierover een of meerdere klachten (afgelopen 5 jaar) zijn ingediend, is dat een aanwijzing dat een nabijgelegen overstort mogelijk overlast voor de omgeving heeft veroorzaakt. Ook operationele kennis van medewerkers van Rijnland of Gemeente over de waterkwaliteit in relatie tot de werking van de overstort of het watersysteem is hierbij van belang.15
15 Wanneer iets een probleem is, wordt in deze procedure niet gedefinieerd. Er wordt vooral van waarnemingen rond een overstort uitgegaan.
3
Bedrijfswaardenmatrix Leiden
Bijlage 11
BIJLAGE 11 BEDRIJFSWAARDENMATRIX GEMEENTE LEIDEN Onderstaande is ter illustratie voorbeeld voor een bedrijfswaardenmatrix en kan desgewenst dienen als blauwdruk voor de Leidse Regio. Om de hoogte van de risico’s te kunnen beoordelen wordt een afwegingskader gebruikt met de volgende organisatiewaarden: ”Veiligheid, Imago (media), Bereikbaarheid (Prestatie), Aanzien Buitenruimte/Beeldkwaliteit, Milieu en Kosten in €” Ieder risico wordt voor elke organisatiewaarden apart afgewogen. Zodra er 1 risico onacceptabel is, (ernstklasse gecombineerd met de verwachte kans op optreden is rood), zullen er risicobeperkende maatregelen moeten worden genomen. Als het gaat om een (ernstige) gebeurtenis die al heeft plaatsgevonden, worden de gevolgen daarvan altijd eerst hersteld. De matrix helpt echter ook hierdoor te beoordelen of er ook aanvullende maatregelen geformuleerd moeten worden om herhaling te voorkomen (voor vergelijkbare assets) om zo het risico op herhaling te verlagen. Als een potentiële gebeurtenis (bijv. een storing) leidt tot kosten voor herstel, neem je in de afweging van het risico de hoogte van de herstelkosten en de eventuele gevolgschade mee. Dit afwegingskader wordt een organisatiewaardenmatrix of risicomatrix genoemd: eigenlijk is er één risicomatrix per organisatiewaarde.
Om goed te kunnen bepalen in welke ernstklasse een risico valt, is het belangrijk dat de definities van de ernstklasses helder zijn, uniform in de organisatie gedragen worden en bij twijfel richting en uitsluitsel kunnen geven. Daarom zijn die definities hieronder allemaal uitgewerkt. Het is de bedoeling dat iedereen die de risicoafweging maakt – met gelijk inzicht van de situatie - bij hetzelfde vakje in de betreffende matrix uitkomt. Risico’s per organisatiewaarde De ernst van een risico wordt bepaald door de kans van optreden en het effect (ernstklasse) van de gebeurtenis op de organisatiewaarden. Als formule: Risico = kans * Effect. Kans van optreden van risico’s De kans op optreden van een risico is een belangrijke afweging die eerst moet worden gemaakt bij het beoordelen van risico’s. Hoe groot is de kans (kansen staan in de matrix in de kolommen) dat deze gebeurtenis of dit specifieke risico dat wordt onderzocht nogmaals (bij hetzelfde of bij een ander asset) optreedt. De vaststelling van de kans heeft betrekking op alle mogelijk voorkomende – vergelijkbare- gebeurtenissen binnen het gehele areaal van de vergelijkbare assets. (Bijv. als een gebeurtenis eens in de 10 jaar voor een assettype zou kunnen optreden, is de rekenkans als er 5 van die assets zijn: eens in de 2 jaar).
Effect van Risico’s per organisatiewaarde Nadat de kans is bepaald, wordt vervolgens voor iedere organisatiewaarde met de matrix getoetst wat het (in het slechtste geval) potentiële effect van de gebeurtenis ten opzichte van die organisatiewaarde is. Als het effect (effecten staan in de matrix in de regels) binnen de in de matrix gegeven mogelijkheden is gekozen, wordt gekeken wat de kleur is van de cel op het snijpunt van effect en kans. Als dat een groen vak is, dan is het risico acceptabel. Dat betekent dat er t.o.v. dit onderzochte risico voor die organisatiewaarde geen extra maatregelen nodig zijn. Het risico op (hernieuwd) optreden (met dezelfde kans * effect) wordt geaccepteerd. Bij een andere kleur vak is het wel of niet acceptabel (zie toelichting naast de matrix). Bij een rood vak zijn (extra) maatregelen gewenst om dit risico in de toekomst te beperken: dat wil zeggen maatregelen om ofwel de kans te verlagen ofwel het effect te beperken.
1
Bedrijfswaardenmatrix Leiden
Bijlage 11
Kans
11
12
13
14
15
16
Veiligheid
Bereikbaarheid (Prestatie)
Milieu (Omvang)
Milieu (Duur)
Beschikbaarheid (Prestatie)
Kosten €
zeer onwaarschijnlijk
onwaarschijnlijk
zeer zelden
zelden
soms
regelmatig
Het zou kunnen gebeuren
Vaker dan 1*/100 jaar, maar niet iedere 10 jaar
Vaker dan 1*/10 jaar, niet jaarlijks
1* per jaar
Een aantal keer per jaar
Zeer regelmatig
0,001
0,01
0,1
1
10
100
Ernst
1
geen letsel / pleister
geen belemmering in de bereikbaarheid
Geen invloed
Geen invloed
onderbreking van de beschikbaarheid < 1 uur
€
100,00
1
1
1
1
1
1
1
2
letsel zonder lichamelijke gevolgen, zonder blijvend letsel, lichte materiele schade
1 - 8 uur geen bereikbaarheid in een straat
Perceel
dagdeel
1 - 8 uur geen beschikbaarheid, 1 functie verstoord/prestatie verminderd
€
1.000,00
10
1
1
1
1
2
3
Straat / Buurt
dag - 24 uur
dag - week geen beschikbaarheid 1 functie of 1 - 8 uur geen beschikbaarheid meerdere functies, meerdere gebreken
€
10.000,00
100
1
1
1
2
3
3
Wijk
1 week
week - maand geen beschikbaarheid 1 functie of dag - week geen beschikbaarheid meerdere functies, meerdere gebreken
€
100.000,00
1000
1
1
2
3
3
3
Stadsdeel
2 weken
maand - 2 maanden geen beschikbaarheid 1 functie of week maand geen beschikbaarheid meerdere functies, meerdere gebreken, of dag tot week gehele uitval van de geplande functies, zonder workaround
€
1.000.000,00 10000
1
2
3
3
3
3
Stad
1 maand of langer
langer dan 2 maanden geen beschikbaarheid meer mogelijk
€
10.000.000,00 #####
2
3
3
3
3
3
3
4
5
6
dag - week geen letsel met lichamelijke bereikbaarheid in de straat gevolgen, met blijvend letsel, of 1 - 8 uur geen zonder invaliditeit, materiele bereikbaarheid van een schade hoofdstraat of centrum gebied week - maand geen letsel met lichamelijke bereikbaarheid in een gevolgen, met blijvend letsel, straat, meer dan een week met blijvende invaliditeit, in een wijk, 1 -7 dagen van aanzienlijke materiele schade een hoofdstraat of centrum gebied maand - jaar geen bereikbaarheid in een straat, een maand of langer 1 dode in een wijk, 8 dagen of langer van een hoofdstraat of centrum gebied meerdere doden
geen bereikbaarheid meer mogelijk
1
Bedrijfswaardenmatrix Leiden
Bijlage 11 Kans
21
22
Imago (media)
Imago (duur)
zeer onwaarschijnlijk
onwaarschijnlijk
zeer zelden
zelden
soms
regelmatig
Het zou kunnen gebeuren
Vaker dan 1*/100 jaar, maar niet iedere 10 jaar
Vaker dan 1*/10 jaar, niet jaarlijks
1* per jaar
Een aantal keer per jaar
Zeer regelmatig
0,001
0,01
0,1
1
10
100
Ern
geen enkel negatieve aandacht
Geen berichten
1
1
1
1
1
1
1
1 melding / klacht via gemeentelijke melddesk
1 dag media berichten
10
1
1
1
1
1
3
aandacht plaatselijke media, geringe aantasting imago
2 dagen media berichten
100
1
1
1
1
3
3
aandacht regionale media, aantasting imago
1 week media berichten
1000
1
1
1
3
3
3
aandacht landelijke media, ernstige aantasting imago
1 maand media berichten
10000
1
1
1
3
3
3
aandacht internationale media
structurele negatieve berichtgeving
#####
1
1
3
3
3
3
zeer onwaarschijnlijk
onwaarschijnlijk
zeer zelden
zelden
soms
regelmatig
Het zou kunnen gebeuren
Vaker dan 1*/100 jaar, maar niet iedere 10 jaar
Vaker dan 1*/10 jaar, niet jaarlijks
1* per jaar
Een aantal keer per jaar
Zeer regelmatig
0,001
0,01
0,1
1
10
100
1
1
1
1
1
1
1
10
1
1
1
1
1
1
kortdurend Beeldkwaliteit C / effect op schoon - heel veilig in een wijk
100
1
1
1
1
1
3
langdurend Beeldkwaliteit C / effect op schoon - heel veilig in het centrum gebied
1000
1
1
1
1
3
3
kortdurend Beeldkwaliteit D / effect op schoon - heel - 10000 veilig in meerdere wijken
1
1
1
3
3
3
langdurend Beeldkwaliteit D / effect op schoon - heel - ##### veilig in de hele stad
1
Kans
30
31
Aanzien buitenruimte / Beeldkwaliteit Ern st
geen effect aanzien buitenruimte / geen effect op schoon - heel - veilig incidentele overschrijding Beeldkwaliteit B / effect op schoon - heel - veilig in een straat
2 1
3
3
3
3