Bijlage 1. Beleidsmodule
Tekst van het document
Daarvoor is nog veel werk te verrichten. Dat bleek ook uit de pilot data uitwisselportaal (2019) van Rijnland met drie gemeenten. In 2021 is gestart met een follow up: het data uitwisselportaal 2.0 tussen gemeenten, drinkwaterbedrijven en Rijnland. Dit draagt bij aan het benutten van die kansen. Er zijn globaal drie niveaus van data gedreven organisaties en samenwerken: 1) 2)
3)
Betere beslissingen maken door data beschikbaar te maken. Bij dit niveau kunnen gebruikers zelfstandig en relatief eenvoudig de gegevens verzamelen en analyseren om gebruikersvragen te beantwoorden. Snellere en betere beslissingen maken. Als dit niveau is behaald worden verschillende datasets op voorhand gecombineerd, geanalyseerd, gevisualiseerd en ontsloten om gebruikers in overzicht antwoord te geven op hun vragen. Real time sturen op basis van data. Op basis van de uitkomsten van analyses wordt een asset (gemaal, stuw, klep, overstort) aangestuurd om een bepaald doel te bereiken (minder overstorten en/of beter zuiveringsrendement en het ontlasten van een buurgemeente).
Op de middellange termijn (5-10 jaar) is niveau 2 in de samenwerking haalbaar qua samenwerken, landelijke ontwikkelingen en technische mogelijkheden. Dat is de inzet van de partners bij het samen werken aan het Dataportaal. Onderstaande afbeelding schetst de Roadmap voor de ontwikkeling van het Dataportaal. 50
LEIDSE REGIO
Figuur 7.5.4.1 Roadmap ontwikkeling Dataportal
7.6 Afstemming Reiniging, inspectie en beoordeling 7.6.1 Werkwijze Inspecties en Reiniging Elke organisatie inspecteert en/of reinigt assets. De inspecties geven o.a. inzicht op het functioneren en voldoen aan wetgeving. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: Algemeen ➢ Waar mogelijk is inzicht aanwezig over maatgevende schademechanismen die tot falen kunnen leiden. ➢ Waar mogelijk is inzicht in het moment waar dit faalmoment in de toekomst ligt, zodat bewust en tijdig onderhoudsmaatregelen, renovaties of vervangingen ingepland kunnen worden. Vrijverval ➢ Er wordt planmatig en per (deel)systeem of bemalingsgebied of aaneengesloten delen daarvan gereinigd en geïnspecteerd. De frequenties kunnen per systeem of bemalingsgebied verschillen, keuze areaaleigenaar. ➢ Prioriteit van maatregelen wordt bepaald door de vooraf ingeschatte kans op falen o.b.v. leeftijd en/of omgevingsfactoren. ➢ Delen van het stelsel kunnen eerder worden geïnspecteerd in het kader van herinrichtingen. ➢ Falen heeft betrekking op waterdichtheid, constructie en afstroming. Rioolgemalen en pompputten ➢ De gemalen worden periodiek conform beoordelingsrichtlijn BRL K14020/01 geïnspecteerd. ➢ Inspecties van pompputten worden 1 of meerjaarlijks uitgevoerd, afhankelijk van risico’s en leeftijd; ➢ Ook kan geïnspecteerd worden na signalen van afwijkend functioneren o.b.v.
meldingen of telemetrie ➢ Hijsmiddelen worden jaarlijks gekeurd Installaties ➢ Installaties worden regelmatig volgens NEN 3140 gekeurd ➢ Besturingen worden na signalen van afwijkend functioneren o.b.v. meldingen of telemetrie geïnspecteerd Persleidingen en drukriolering ➢ Het reinigen van de leidingen vindt veelal gelijktijdig plaats met grootschalige vervangingen van mechanische en/of elektrische onderdelen van de aangesloten pomp- of vacuüminstallaties.
51
LEIDSE REGIO ➢ H2S-vorming leidt geregeld tot aantasting van betonnen riolering en stankoverlast. Als onderzoeksmaatregel moet worden gekeken naar het voorkomen van H2S vorming door lange verblijftijden in het persleidingsysteem. Bijzondere voorzieningen (berg/retentie-bassins, bijzondere putten, IBA's): ➢ De (visuele) inspecties van deze objecten worden in combinatie met reiniging uitgevoerd. AWZI: ➢ Het hoogheemraadschap inspecteert volgens standaard en dagelijks beheer. Riooltransportgemalen • Het hoogheemraadschap inspecteert volgens standaard en dagelijks beheer. Riooltransportpersleidingen ➢ Het hoogheemraadschap inspecteert volgens standaard en dagelijks beheer.
7.6.2 Beoordeling, Maatregelenplannen en uitvoering Iedere waterpartner stelt maatregelplannen op, op basis van inzichten in de kwaliteit, het functioneren en raakvlakken met andere disciplines. De werkwijze is onderstaand beschreven. Reparatie en renovatie ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
Noodzaak voor repareren (of renoveren bij grotere omvang van schades) wordt bepaald op basis van de individuele DoFeMaMe. Reparaties worden uitgevoerd op basis van functiebehoud en de technische of financiële eindlevensduur van het object nog niet is bereikt. Er kan bewust worden gekozen voor een beperkte verlenging van de levensduur via reparatie of renovatie waarbij een geclusterde grootschaliger vervangingsopgave centraal staat; Bij de keuze voor een reparatietechniek of –methode wordt rekening gehouden met een mogelijke toekomstige renovatie of reparatie, waarbij wordt uitgegaan van functiebehoud tijdens de overgebleven levensduur van het object. Reparaties worden zoveel mogelijk geclusterd. Het samenwerken hierin wordt door de waterpartners (o.a. in TKNverband) overwogen. Incidentreparaties worden direct uitgevoerd. Hiervoor wordt een incidentencontract afgesloten tussen de waterpartners en een externe aanbieder.
Vervangingen en modificaties ➢ ➢
➢
➢
Objecten worden bij voorkeur vervangen net voor of rondom het ingeschat moment van falen. Modificaties worden uitgevoerd als de functie wordt gewijzigd (op basis van maatregelen die zijn beschreven in het BRP). Een wijziging van functie is onderbouwd in het BRP (Basis Rioleringsplan) of BZP (Basis Zuiveringsplan) en dient te passen in (nog op te stellen) afvoerstructuurplannen (blauwdruk toekomstige stelsels). Dit wordt afgestemd met andere werkzaamheden. Vervanging vindt plaats bij beëindiging van de financiële of technische levensduur op basis van de actuele toestand en de bijbehorende risicoafweging. Ook kunnen vervangingen vervroegd of vertraagd worden op basis van omgevingsfactoren. Rekening wordt gehouden met de doelstelling voor doelmatige ontvlechting van waterstromen; afkoppelen waar mogelijk/doelmatig/beheersbaar.
7.6.3
Optimalisatiekansen
➢ Het uitvoeren van reiniging, inspecties en onderzoeken kan op basis van risico gestuurd beheer, waarbij onder meer gekeken wordt naar impact van falen, ligging, leeftijd en materiaal. Dit wordt in een onderzoeksmaatregel nader uitgewerkt. Zie ook paragraaf 7.2. De kwaliteit van de inspectie en reinigingswerkzaamheden verbeteren door de aanpak en de contracten verder met elkaar af te stemmen. Onderzoeken of we de komende planperiode tot een gezamenlijke beoordeling van de inspecties kunnen komen. ➢ Door middel van het maken kaartmateriaal met inzichten en wenselijke aanpassingen/correcties is integrale afstemming met andere disciplines in de openbare ruimte beter mogelijk. Resultaat is dan een meerjarenplanning onderhoud riolering/openbare ruimte. Dit is ook input voor het afvoerstructuurplan, omdat de marsroute grotendeels bepaald wordt door de onderhoudsplanning. Tijdens de komende planperiode zijn de waterpartners en stakeholders hiermee aan de slag.
52
LEIDSE REGIO 7.7 Incidentenplan Riolering De waterpartners vinden het belangrijk over een rioolincidentenplan te beschikken. Het gaat daarbij om specifieke gemeentelijke rioolincidenten. Incidenten aan zuiveringtechnische werken van Rijnland zijn hierin niet opgenomen. Als er door een incident aan een Rijnlands asset problemen optreden in het gemeentelijk stelsel, treedt mogelijk wel het gemeentelijk rioolincidentenplan in werking. Voor gevolgen van incidenten aan zuiveringtechnische werken van Rijnland, heeft Rijnland een eigen Calamiteitenbestrijdingsplan. Gedurende de vorige planperiode is een Incidentenplan voor de Leidse Regio opgesteld. Dit waterketenincidentenplan is gericht op het beheersen van incidenten en/of de bestrijding van de effecten ervan. Deze incidenten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op: -
het breken van een persleiding;
-
het instorten/falen van één of meerdere strengen in het rioolstelsel;
-
een langdurige storing van een rioolgemaal;
-
het lozen van schadelijke stoffen zoals bluswater of chemicaliën op de waterketen (riolering en oppervlaktewater);
-
wateroverlast.
De doelstelling van dit waterketenincidentenplan is: ‘Het beschrijven van de gemeentelijke noodprocedure voor incidenten waarbij de riolering betrokken is om schadelijke gevolgen van deze incidenten voor de volksgezondheid, het milieu of het functioneren van het riolerings- en afvalwatersysteem te minimaliseren’. 7.8 Rekenkameronderzoek Beleid en Beheer Riolering Leiden en Leiderdorp In 2022 heeft de Rekenkamercommissie Leiden en Leiderdorp een onderzoek uitgevoerd naar het beleid en beheer van de riolering. Een van de aanbevelingen is om te onderzoeken in hoeverre een financiële prikkel via het tariefsysteem van de rioolheffing kan bijdragen aan het anders omgaan met regenwater door inwoners en bedrijven. Aanpassingen in het tariefsysteem van de rioolheffing, bijvoorbeeld door de hoogte van de heffing mede afhankelijk te maken van het watergebruik of het verhard oppervlak, kunnen bijdragen aan een afname van de belasting van het gemeentelijk vuil- en hemelwaterriool en het beter vasthouden van regenwater op particulier terrein. Het is de bedoeling dit in de planperiode 2024-2028 uit te zoeken en de voor- en nadelen van tariefdifferentiatie in een notitie uiteen te zetten. Deze notitie kan dan als basis dienen voor een gesprek met de raden.
7.9 Communicatie gebruik en/of benutten Regenwater In het kader van klimaatadaptatie en met name het tegengaan van de effecten van periodes van droogte, is hoe we omgaan met regenwater belangrijk. Regenwater kan niet alleen teruggebracht worden in de bodem om de sponswerking van de ondergrond te bevorderen, maar ook hergebruikt worden. Bij het hergebruik van hemelwater als grijswater heeft het de voorkeur wanneer dit water gebruikt wordt voor bijvoorbeeld bevloeiing van dakbeplanting, het tegengaan van hittestress en het tegengaan van uitdroging van de bodem. Ook (huishoudelijk) hergebruik is mogelijk, dan wordt bespaard op drinkwaterverbruik. Een extra voordeel is dat hemelwater veel minder kalk bevat dan drinkwater. Daarom kan met een eigen hemelwatersysteem ook bespaard worden op was- en reinigingsmiddelen. Daarnaast kan regenwater voor andere doeleinden gebruikt worden als bevloeiing van bomen en groenvoorziening of hergebruikt als grijs water. De mogelijkheden voor hergebruik van hemelwater zijn nog relatief onbekend. Daarom willen we deze planperiode een communicatie-instrument ontwikkelen om meer bekendheid te geven aan de mogelijkheden van hergebruik of benutten van water.
7.10 Onderzoeksmaatregelen Leidse regio planperiode 2024-2028 In onderstaande tabel is weergegeven wat de onderzoeksmaatregelen zijn die in de komende planperiode binnen de Leidse regio uitgewerkt gaan worden. Tevens zijn hierbij, waar van toepassing, de bedragen opgenomen die beschikbaar zijn voor de uitvoering van de onderzoeken.
53
LEIDSE REGIO
Onderzoeksmaatregelen Planperiode 2024-2028 Opstellen Afvoerstructuurplannen
Verbeteren/inrichten meetnet riolering
Invoeren Risicogestuurd beheer/Asset Management Data basis op orde: Onderzoek opzet en standaardisatie basisdata, invoeren GWSW Waterloket verbeteren en Klachtenprocedure conform SufMeld 2.0
Leids Grondwatermodel regionaal maken
Beheer als 1: gezamenlijk beheer gemalen
Onderzoek verkeerde aansluitingen DWA op HWA
Ontwikkelen Communicatie instrument bekendheid hergebruik regenwater
Onderzoek Voor- en nadelen Tariefdifferentiatie rioolheffing
Ontwikkelen Data Uitwisselportal Bruidsschat Lozingregels beoordelen voor opname in definitief Omgevingsplan
Hfst module 5 Droge voeten
4 Volksgezondheid 5 Droge voeten 7 Beheer als 1
7 Beheer als 1
7 Beheer als 1
Doorlopend IWKp 20192023? ja
Ja
Leiden X €
€
45.000
€
7 Beheer als 1
€
X
Ja
€
€
€
5.000
€
20.000
€
5.000
€
X
X
X
X
X
X 75.000
X
X
X €
X 40.000
€
X
7.500
X
X
35.000
X
X 7.500
€
5.000
gereed
X
Rijnland
20.000 X
X €
X 7.500
€
X
35.000
Dunea
X 15.000
X
X
X 10.000
20.000
X
X
X
€
X
€
Voorschoten
X 20.000
X
10.000
€
€
€
X
gereed 4. Volksgezondheid
20.000
X 50.000
X
Ja
€
X
X
Zoeterwoude
X 20.000
X
X
€
Oegstgeest
X 50.000
X €
Ja
Ja
Leiderdorp
X 7.500
X
X
4. Volksgezondheid
X
X
?
?
?
5. Droge Voeten
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
5. Droge Voeten
5. Droge Voeten
7 Beheer als 1
Nee
Nee
Ja Nee
X
X
X
X
Tabel 7.10.1 Onderzoeksmaatregelen planperiode 2024-2028 Leidse Regio
54
LEIDSE REGIO
BIJLAGE 1
Begrip
Aanbod op AWZI Afkoppelen Afnamehoeveelheid Afvalwater Afvalwaterketen Afvalwaterzorgplicht - breed Afvalwaterzorgplicht - smal Afvalwaterzuiveringsinrichting (AWZI) Afvloeiend hemelwater Algemene regels BAW BasisInspanning Basisrioleringsplan (BRP)/verbreed BRP
BBV Basiszuiveringsplan (BZP) Bedrijfsafvalwater Bemalingsgebied Bergbezinkbassin Berging Bergingsverlies Berging Tijdelijk
Berging Watersysteem
VERKLARENDE WOORDENLIJST
Beschrijving BAL Besluit Activiteit leefomgeving BBL Besluit Bouwwerken Leefomgeving BKL Besluit Kwaliteit Leefomgeving Blbi Besluit lozen buiten inrichtingen Blah Besluit lozing afvalwater huishoudens BRP BasisRioleringsPlan DWA DroogWeerAfvoer VGRP Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan HWA HemelWaterAfvoer IBA Installatie voor individuele Behandeling van Afvalwater IWKP Integraal Waterketenprogramma AWZI AfvalwaterWaterZuiveringsInrichting Wm Wet milieubeheer Wvo Wet verontreiniging oppervlaktewateren TEO Thermische Energie Oppervlaktewater TEA Thermische Energie Afvalwater De totale hoeveelheid afvalwater die wordt aangeboden aan de AWZI. Het op de gemengde of vuilwaterriolering aangesloten afvoerend verhard oppervlak loskoppelen en aansluiten op een hemelwatervoorziening. De toegestane hoeveelheid stedelijk afvalwater dat op het overnamepunt wordt aangeboden. Al het water waarvan de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
Het geheel van riolering, technische en zuiveringtechnische werken (waaronder riolering, gemalen, persleidingen, AWZI) De gemeente draagt de kosten voor aansluiting van het afvalwater op een voorziening De eigenaar draagt de kosten voor aansluiting van het afvalwater op een voorziening Een inrichting (werk) waar het afvalwater wordt ontdaan (van een groot deel) van de verontreinigingen. Neerslag die tot afstroming komt. De lozingen worden tegenwoordig hoofdzakelijk geregeld via algemene regels (AMvB’s). Uitgangspunt: de lozer mag nietsdoen waarvan hij kan verwachten dat het problemen oplevert voor het riool, de zuivering of het (water)milieu. Bestuursakkoord Water Een theoretische referentiewaarde voor de vuilemissie, gedefinieerd middels de vuilemissie uit een referentiestelsel. Voor stelsels zijn minimumwaarden voor een aantal stelselkarakteristieken, zoals berging, pompovercapaciteit en randvoorzieningen aangegeven. Plan waarin de hydraulische afvoercapaciteit, de vuilemissie en het aanbod op de AWZI wordt getoetst voor de bestaande en toekomstige plansituatie (planhorizon ca. 10-15 jaar). Het plan bevat in de regel verbeteringsmaatregelen om in de toekomstige situatie te voldoen aan de wensen/eisen van gemeente en waterbeheerder. In een verbreed BRP zijn de zorgplichten grondwater en hemelwater meer expliciet uitgewerkt.
Besluit Begroting en Verantwoording Het BZP geeft een beschrijving per zuiveringskring van de zuiveringtechnische werken (rioolgemalen, transportleidingen en AWZI) en een toetsing of deze objecten aan de gestelde eisen voldoen. Afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is. Een gebied dat door één rioolgemaal wordt bemalen. Bij drukriolering en vacuümriolering betreft het, het totale gebied dat op het systeem van pompputjes c.q. vacuümputten is aangesloten. Een open of gesloten bassin dat dient voor de tijdelijke berging van overstortwater. Door een speciale vormgeving van het bassin is de stroomsnelheid laag, waardoor bezinking van vuil zal optreden. Nuttige inhoud van een rioolstelsel uitgedrukt in m3 dan wel gerelateerd aan het daarop aangesloten verhard oppervlak (mm). Onderscheid wordt onder meer gemaakt tussen statische berging, dynamische berging, verloren berging en berging op straat en op daken. De vermindering van berging door permanente vulling in de riolering als gevolg van verzakkingen.
• Maaiveldberging; ‘waterdiepte op straat’ of tijdelijke berging (maatlat); ruimte op maaiveld onder het vloerpeil bebouwing (exclusief vergunde perceelberging die is uitgevoerd als bodemberging) • Bodemberging; ruimte op of onder het maaiveld die niet kan afstromen maar wel infiltreert (bijvoorbeeld de ‘20 millimeter van Rijnland’); deze kan middels een vergunning worden aangemerkt als alternatieve berging mits voldaan wordt aan randvoorwaarden • Perceel berging; vergunde berging in de zin van de Hemelwaterverordening, uitgevoerd als bodemberging (met infiltratie/bodempassage) of als reservoir (geen infiltratie wel leegloopvoorziening) • Oppervlaktewaterberging; ruimte in sloot/watergang
Bijlage 1 Begrip
Classificatie Drainage Drooglegging Droogweerafvoer DoFeMaMe Drukriolering DWAAS DWA-systeem Gemeentelijk rioleringsplan (GRP)/verbreed GRP
Gemengd rioolstelsel Gescheiden rioolstelsel HAAS H2S-gas Hemelwaterafvoer (HWA) Hemelwatersysteem Hoofdrioolgemaal Huishoudelijk afvalwater Hydraulische afvoercapaciteit IBA Industrieel afvalwater Ingrijpmaatstaf Inspecteren IPPC-bedrijf
Lozing
Keur OAS Omgevingswet Algemene Zorgplicht Omgevingswet: Algemeen verbod Omgevingswet: Specifieke zorgplicht Openbare riolering Ontwatering Ontwaterings-diepte Onverhard oppervlak
Beschrijving • Rioolberging; ruimte in de riolering die na afvoersituatie weer leeg staat (effectieve berging van gemengde riolering of hooggelegen hemelwaterriolering) • Alternatieve berging; vergunde berging in de zin van de Keur, uitgevoerd als bodemberging (met infiltratie/bodempassage) of reservoir met leegloopvoorziening De indeling van toestandsaspecten in klassen. Een systeem van doorlatende, geperforeerde kunststof pijpen in de bodem, waarin opvang en afvoer van overtollig grondwater plaatsvindt, waardoor de grondwaterstand beheerst kan worden. Afstand tussen het oppervlaktewaterpeil en het maaiveld. De hoeveelheid afvalwater die per tijdseenheid in een droogweersituatie via het rioolstelsel wordt afgevoerd. Toetsingskader van Doelen, functionele eisen, maatregelen en meetmethoden, volgens de leidraad riolering, module A1050. Een mechanisch rioleringssysteem waarbij het afvalwater via kleine pompjes en persleidingen wordt verpompt naar een ontvangstput. Drukriolering wordt vaak toegepast in het buitengebied. Om naast de verwachte droogweerafvoer ook de aanwezige hoeveelheden rioolvreemd water in kaart te brengen wordt gebruik gemaakt van de Droogweerafvoer Analyse Systematiek (DWAAS) van de Stowa Zie vuilwatersysteem.
Een strategische nota waarin op hoofdlijnen de visie van het gemeentebestuur voor de komende planperiode is neergelegd met betrekking tot aanleg en beheer van het rioleringssysteem. Het GRP is een verplicht planinstrument volgens de Wet Milieubeheer. Na ingang van de Omgevingswet vervalt deze wettelijke verplichting. In een verbreed GRP zijn de watertaken m.b.t. de zorgplichten grondwater en hemelwater concreet uitgewerkt. Rioolstelsel waarbij afvalwater en regenwater door één buizenstelsel worden ingezameld en afgevoerd. Rioolstelsel waarbij afvalwater en regenwater door afzonderlijke buizenstelsels worden ingezameld en afgevoerd. Het afvalwater wordt afgevoerd naar een AWZI, (een groot deel van) het regenwater wordt rechtstreeks afgevoerd naar het oppervlaktewater. Om de werkelijke hoeveelheid hemelwater in de riolering en daarmee het werkelijk aangesloten verhard oppervlak in kaart te brengen wordt gebruik gemaakt van de Hemelwater Afvoer Analyse Systematiek (HAAS) van de Stowa Waterstofsulfide is een giftig gas afkomstig van het rottingsproces van rioolslib Hemelwaterafvoer Het geheel aan voorzieningen voor de gescheiden inzameling en transport van hemelwater. Eindgemaal, meestal in beheer en eigendom van een waterbeheerder, via welke het afvalwater wordt getransporteerd naar een AWZI.
Afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden. De capaciteit van een rioolstreng of rioleringssysteem om overtollig water af te voeren. Systeem voor Individuele Behandeling van Afvalwater. Afvalwater afkomstig van industrieën of bedrijven Grenstoestand van een rioleringsobject waarbij ingrijpen noodzakelijk is en maatregelen moeten worden opgesteld. Het waarnemen, herkennen en beschrijven van de toestand van rioleringsobjecten. Integrated Pollution Prevention and Control, Dit zijn veelal de bedrijven die het milieu sterk kunnen belasten. Voorbeelden van IPPC-bedrijven zijn onder meer afvalverbrandingsinstallaties met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur, chemische installaties voor de fabricage van gehalogeneerde koolwaterstoffen of intensieve pluimveehouderijen met meer dan 40 000 plaatsen voor pluimvee Lozingen zijn te verdelen in directe en indirecte lozingen op oppervlaktewater. Lozingen op de riolering zijn per definitie indirecte lozingen. Bij directe lozingen wordt het afvalwater direct in het milieu, oppervlaktewater of bodem gebracht. Indirecte lozingen vinden plaats in een rioolstelsel waarmee het afvalwater wordt ingezameld. Indirecte lozingen worden op hun beurt weer onderscheiden in lozingen in een schoonwaterriool (hemelwaterriool of een ontwateringstelsel) en een vuilwaterriool.
Het vuilwaterriool voert het afvalwater af naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie, waar het na zuivering wordt geloosd in het milieu. De hoogheemraadschappen stellen in de keur regels over de watersystemen in hun beheer. Optimalisatie afvalwatersysteem, waarbij een optimalisatie wordt gezocht in zowel de zuivering als in het gemeentelijk afvalwatersysteem Overheden, bedrijven én burgers zijn verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Een specifieke zorgplicht geldt voor specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan specifieke zorgplichten. Het gedeelte van de buitenriolering in eigendom en beheer bij de overheid (in de meeste gevallen is dit de gemeente). Afvoer van water uit percelen over en door de grond en eventueel door drains, kleine sloten en greppels naar een stelsel van grote waterlopen met als functie afwatering. Afstand tussen de hoogste grondwaterstand tussen twee ontwateringsmiddelen (sloot, drain) en het maaiveld. Oppervlak in stedelijk gebied waar neerslagwater kan infiltreren (plantsoenen, tuinen, bermen).
2
Bijlage 1 Begrip Overstort Overstorting Overlastfrequentie Overnamepunt Persleiding Pomp Over Capaciteit (POC) Randvoorziening Regenwaterriool Regenwateruitlaat Regenwaterafvoer (RWA) Relinen Retentiebassin Riolering Rioleringsbeheer Rioolheffing
Rioolbeheerder Rioolgemaal Rioolvreemd water Stedelijk afvalwater/ gemeentelijk afvalwater STOWA Verbeterd gemengd rioolstelsel (VGM) Verbeterd gescheiden rioolstelsel (VGS) Verhard oppervlak Vrijvervalriolering Vuilemissie Vuilwaterriool Vuilwatersysteem Waarschuwingsmaatstaf Water-op-straat Wateroverlast Zorgplicht stedelijk afvalwater Zorgplicht hemelwater
Zorgplicht grondwater
Beschrijving Voorziening die bij hevige of langdurige neerslag in werking treedt en het overtollige regenwater loost op een voorziening of direct op oppervlaktewater. De lozing van afvalwater via een overstortdrempel naar oppervlaktewater. Het theoretisch gemiddeld aantal malen per jaar dat ernstige hinder of wateroverlast optreedt als gevolg van o.a. een gebrekkige hydraulische afvoercapaciteit. Punt waar de overdracht plaatsvindt van het afvalwater uit de riolering aan het transportsysteem van het hoogheemraadschap. Een leiding waardoor rioolwater met gebruikmaking van een of meerdere pompen onder overdruk wordt afgevoerd. het deel van de Pompcapaciteit dat beschikbaar is voor regenwaterafvoer in een rioleringsgebied Vloeistofdichte voorziening als onderdeel van het rioolstelsel met als het doel het afvangen van vuil en/of bergen van overtollig afvalwater. Dergelijke voorzieningen worden toegepast ter verbetering van de waterkwaliteit. Riool alleen bestemd voor de inzameling en het transport van afstromend regenwater. Voorziening bedoeld voor de directe lozing van regenwater op oppervlaktewater of groene berging. Afvoer van ingezameld hemelwater. Het inbrengen van een flexibele kous die door hete lucht, of water en/of licht uithardt en de buis duurzaam herstelt. Een ruimte al of niet overdekt, voor het tijdelijk opslaan van overtollig regenwater.
Het geheel van riolen, rioolputten en bijbehorende voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater. Zorg voor het goed functioneren van het rioleringssysteem. De belasting die burgers en bedrijfsleven moeten betalen om gebruik te mogen maken van de riolering. De heffing kan uit een aansluitheffing en een afvoerheffing bestaan. De aansluitheffing is voor het hebben van een aansluiting op het gemeentelijk riool. De rioolafvoer heffing is voor het afvoeren van rioolwater afkomstig van de gebruiker van een onroerend goed. Openbaar lichaam belast met de zorg voor (het goed functioneren van) de riolering. Bouwwerk met een inrichting voor het verpompen van afvalwater. Rioolvreemd water is een verzamelnaam voor infiltratiewater (de riolering in), ex-filtratiewater (de riolering uit), water dat de riolering bereikt via ontwateringsystemen zoals drainage, permanente bronnering, en dergelijke. Huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer Gemengd rioolstelsel met ter plaatse van één of meerdere lozingspunten een randvoorziening met als doel vuilemissiereductie. Gescheiden rioolstelsel waarbij een deel van het (meest vervuilde) regenwater wordt verpompt naar de AWZI of alternatieve locatie voor de behandeling van verontreinigd regenwater.
Het op de riolering aangesloten oppervlak van wegen en gebouwen dat tijdens neerslag regenwater afvoert naar het rioleringssysteem. Rioleringssysteem waarbij het transport van afvalwater plaatsvindt door middel van zwaartekracht. Het totaal aan vervuilende stoffen afkomstig uit het rioleringssysteem dat (in)direct via riooloverstortputten wordt geloosd op oppervlaktewater. Riool alleen bestemd voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. Het geheel aan voorzieningen voor de gescheiden inzameling en transport van stedelijk afvalwater. Grenstoestand van een rioleringsobject waarbij de actuele toestand discutabel is en nader onderzoek benodigd. Het verschijnsel tijdens hevige of langdurige neerslag dat water uit de riolering op straat komt te staan of dat regenwater niet in de riolering kan stromen als gevolg van een onvoldoende of belemmerde afvoercapaciteit. Het verschijnsel dat "water op straat" overgaat in wateroverlast in de vorm van ernstige hinder (langdurige onbereikbaarheid) of leidt tot waterschade (bijvoorbeeld water in de woning). De gemeente draagt zorg voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen.
De gemeente draagt zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. De gemeente draagt zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van het hoogheemraadschap of de provincie behoort.
3
Bijlage 2 BIJLAGE 2
TOELICHTING STEDELIJK WATER EN RIOLERING
Algemeen Het stedelijk watersysteem maakt deel uit van de hydrologische kringloop (zie onderstaande figuur).
Wolken
Neerslag Stedelijk Gebied
Zee
Figuur 1. Hydrologische Kringloop
13
Het watersysteem in het stedelijk gebied bestaat grofweg uit vijf delen. • • • • •
Productie en transport van drinkwater naar huishoudens De riolering: afvoer van het overschot van water (afval-, hemel- en grondwater) naar zuivering of oppervlaktewater. De zuivering van afvalwater en terugbrengen van het gezuiverde water in het oppervlaktewater. Het grote systeem van oppervlaktewater: de vijvers, grachten, rivieren, kanalen en sloten. Het grondwatersysteem, dat in het hele stedelijk gebied onder de wegen, woningen en parken zit.
Deze delen staan met elkaar in verbinding en worden gevoed door neerslag (regen, hagel, sneeuw) dat op het oppervlak valt en via de grond in het grondwater terecht komt. De afvoer van hemel- en grondwater wordt op verschillende wijzen voortgezet, een en ander volgens Figuur 2. • Het hemelwater wordt apart van het afvalwater ingezameld (gescheiden stelsel) en direct getransporteerd naar het oppervlaktewater of wordt geïnfiltreerd in de bodem; • Het hemelwater wordt gezamenlijk met afvalwater ingezameld (gemengd stelsel); • Het grondwater stroomt in de regel naar het oppervlaktewater; • Het grondwater inzamelen en transporteren naar het oppervlaktewater (RWA-riool in een gescheiden stelsel);
Neerslag Rioolwaterzuivering
Overstort
Riolering
Figuur 2. Stedelijk watersysteem 13 Bronvermelding voor de figuren: © Mark van Dijk, Royal HaskoningDHV, Bronvermelding voor de tekst: Bron: GRP-teksten Leiden, Royal HaskoningDHV
Bijlage 2 Afvalwater - volksgezondheid Om de volksgezondheid te beschermen, heeft de gemeente tot taak het stedelijk afvalwater in te zamelen en af te voeren. Hiervoor wordt riolering aangelegd en in stand gehouden. Het afvalwater bestaat voornamelijk uit huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met hemelwater (zie onderstaande figuur).
Figuur 3 - invulling afvalwaterzorgplicht
Stedelijk water – Droge voeten Het oppervlaktewater is primair bedoeld voor de berging en de afvoer van overtollig hemelwater. Deze functies moeten met goed beheer en onderhoud van het oppervlaktewater worden geborgd. Gedurende heftige en kortdurende buien is het voor het functioneren van de riolering van belang dat het waterpeil van het oppervlaktewater onder de drempel van de overstort blijft (zie figuur 3 en 4). Daarom worden riooloverstortdremels voldoende hoog aangelegd. Om te beoordelen of hieraan wordt voldaan worden werknormen aangehouden die zijn vastgelegd in de DoFeMaMe. Ook worden duikers, watergangen e.d. goed onderhouden volgens de regels van de Keur. In de situatie van extreme neerslag kunnen de werknormen worden overschreden. De berging en afvoermogelijkheden van het oppervlaktewater zijn dan maximaal benut. Echte overlast ontstaat wanneer water vanaf straat of vanuit het oppervlaktewater in de bebouwing terecht komt. Door de openbare ruimte dusdanig (her) in te richten dat rekening wordt gehouden met locatie specifieke omstandigheden, kan wateroverlast worden beperkt of soms zelfs worden voorkomen.
Figuur 4 - zorgplicht stedelijk water
2
Bijlage 2 Stedelijk water - Grondwater
Figuur 5 – Grondwater
Voor een bewoonbaar stedelijk gebied is een van de basisvoorwaarden: droge voeten. Het grondwaterpeil moet voldoende: • diep liggen om vochtproblemen in woningen te voorkomen; • hoog liggen om houten funderingspalen te beschermen en om verdroging van planten en bomen te voorkomen. In stedelijk gebied is de invloed van het oppervlaktewaterpeil op de grondwaterstand zeer beperkt (vooral door de over het algemeen grote afstand tussen watergangen). De grondwaterstand in stedelijk gebied wordt veel meer bepaald door drainagebuizen, lekke riolering en voorkeursstroming via zandige grondlagen (cunetten). Om de grondwaterstand te reguleren, kan gecombineerd met de rioolvervanging drainage worden aangelegd. Monitoring van de grondwaterstand en de registratie van grondwaterklachten geeft een beter inzicht in de oorzaken en de mate van eventuele grondwateroverlast.
3
Bijlage 3
BIJLAGE 3
TOELICHTING BELEIDSKADER
De wetgeving met betrekking tot watergerelateerde onderwerpen is verdeeld over verschillende wetten. Sommige wetten, zoals de Waterwet, richten zich uitsluitend op waterbeheeraspecten en andere wetten zoals de Wet milieubeheer (Wm), de Wet bodembescherming (Wbb) en de Wet algemene bepalingen omgevingrecht (Wabo) zijn slechts deels van toepassing op waterzaken. In deze bijlage wordt een overzicht van ontwikkelingen en relevante wetgeving weergegeven. Waterbeheer 21ste eeuw In het kader van Waterbeheer 21ste eeuw (WB21) moet de omgang met regenwater veranderen op basis van de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’. Dit beleid is gericht op het zoveel mogelijk terugkeren naar de natuurlijke wijze van afvoeren, zoals die was voor de verstedelijking. Dat betekent niet alleen dat regenwater door afkoppelen zoveel mogelijk uit de riolering moet worden gehaald, maar ook bij voorkeur via de bodem wordt afgevoerd in plaats van door een (regenwater)riool. Kaderrichtlijn Water (KRW) Vanuit Europa dient de Kaderrichtlijn Water (KRW) te worden geïmplementeerd. De uitwerking van de stroomgebied visies om aan dit Europese beleid gestalte te geven verkeert in een vergevorderd stadium. De uitwerking vindt integraal plaats met die voor Waterbeheer 21ste eeuw.
De schaalgrootte van de waterlichamen die voor de uitwerking in deze fase zijn gekozen, zijn zodanig dat het aandeel van rioollozingen ten opzichte van andere bronnen (landbouw, verkeer, enz.) meevalt. Op dit moment zijn dan ook nauwelijks maatregelen voor de riolering in KRW-verband te verwachten. Als het uitwerkingsniveau echter zou worden verfijnd tot waterlichamen die beter corresponderen met de situatie in het stedelijk gebied, dan kunnen daaruit alsnog aanvullende maatregelen naar voren komen. Wet Milieubeheer (WM) De Wet milieubeheer voorziet in de bescherming van het milieu in de breedste zin van het woord. De zorgplichten voor het doelmatig inzamelen van afvalwater, hemelwater en grondwater zijn in deze wet en de Waterwet benoemd. In de wet is ook een voorkeursvolgorde opgenomen over de omgang met afvalwater. De gemeenteraad kan bij verordening regels en termijnen vastleggen voor de omgang met afvloeiend hemelwater en grondwater op particulier terrein. Ook krijgt de gemeente de mogelijkheid om in plaats van het afvalwater door een openbaar vuilwaterriool (of gemengd riool) naar een zuiveringsinrichting te leiden, dit ook door andere gelijkwaardige systemen te verwerken. Dat betekent dus dat bijvoorbeeld IBA’s onder de zorgplicht kunnen komen te vallen.
De Wet milieubeheer zal grotendeels opgaan in de nieuwe Omgevingswet Waterwet De Waterwet (2009) integreert negen wetten, waaronder de Wet verontreiniging oppervlaktewater (WVO), tot één integrale wet. Een aantal lozingen is ondergebracht in algemene regels in het Activiteitenbesluit (Ab) en het Besluit lozen buiten inrichtingen Blbi). Op grond van het Blbi moet de gemeente in het IWKP (als vervanger van het GRP) een overzicht opnemen, waarop alle overstortvoorzieningen en nooduitlaten voorkomen. In de praktijk zal het erop neerkomen dat het hoogheemraadschap en de gemeente gezamenlijk rioleringsgerelateerde waterkwaliteitsproblemen in beeld brengen en hiervoor een doelmatige oplossing bewerkstelligen. Alle indirecte lozingen worden onder de Wet milieubeheer gebracht. Hiermee is de bevoegdheid van de waterbeheerder om voor bepaalde categorieën van indirecte lozingen vergunning te verlenen, zoals zeefdrukkerijen, ziekenhuizen, oppervlaktebehandelaars e.d. komen te vervallen. Veel indirecte lozingen zijn ondergebracht onder het Activiteitenbesluit. De waterwet gaat bijna volledig op in de Omgevinsgwet. Bestuursakkoord water (minder meer) Het bestuursakkoord water is op 31 december 2020 afgesloten. De minister van Infrastructuur en waterstaat heeft op 26 mei 2021 in een brief aan de Tweede Kamer het resultaat van dit bestuursakkoord Water voorgelegd.
De conclusie was dat de doelmatigheidswinst is bereikt. Tevens concludeerde de minister dat daarmee het BAW is afgerond. De minister heeft de verwachting uitgesproken dat de samenwerking in de waterketen door alle partijen wordt voortgezet.
1
Bijlage 3
Omgevingswet De Omgevingswet bundelt de wetgeving en regels omtrent ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water en regelt daarmee het beheer en ontwikkeling van de leefomgeving. Met de Omgevingswet wordt het stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien, gebaseerd op de principes uit het Europese recht. Verwacht wordt dat de wet (gedeeltelijk) in 2023 van kracht wordt. De Europese Unie heeft voor diverse aspecten van de fysieke leefomgeving richtlijnen vastgesteld, zoals voor milieu, natuur en water. Europese richtlijnen moeten in Nederlands recht omgezet worden. Voorbeelden zijn de Richtlijn industriële emissies (geïmplementeerd in onder andere de Wet Milieubeheer), de Habitatrichtlijn (geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998) en de Kaderrichtlijn water (geïmplementeerd in de Waterwet). De EU maakt echter geen integraal omgevingsbeleid. Het Europese recht is een belangrijk uitgangspunt voor de Omgevingswet, maar er is daarnaast ook ruimte voor nationaal beleid. Vanwege de Europese invloed op het omgevingsrecht heeft het ministerie bekeken welke ordening uit het Europese recht gedestilleerd kan worden. De Europese richtlijnen over de fysieke leefomgeving hebben in grote lijnen een beleidscyclus gemeenschappelijk, die is gericht op het actief bereiken van bepaalde doelen.
Deze beleidscyclus (weergegeven in Figuur C1 - beleidscyclus fysieke leefomgeving) is als uitgangspunt voor de Omgevingswet gehanteerd. Door in de Omgevingswet uit te gaan van deze beleidscyclus, is het gemakkelijker om de verplichtingen uit Europese richtlijnen in het Nederlandse recht te implementeren. Uitgangspunt daarbij is dat Nederland niets anders of méér regelt dan dat wat de EUrichtlijnen voorschrijven, tenzij daarvoor na afweging van alle belangen aanleiding is. Een tweede uitgangspunt is dat het niveau van bescherming van gezondheid en veiligheid gelijkwaardig blijft aan het huidige niveau. Dat betekent echter niet dat er niets verandert; het bestaande beschermingsniveau kan op een andere wijze dan nu worden vormgegeven. Zo zal de Omgevingswet meer dan nu het geval is de nadruk leggen op een actieve aanpak om doelstellingen of normen te bereiken, maar ook meer mogelijkheden bieden voor flexibiliteit en lokaal maatwerk. Dit vraagt om een geheel andere werk- en denkwijze van overheden, burgers en bedrijven. Open, samenhangend, flexibel, uitnodigend en innovatief zijn hierbij de kernwoorden. De doelstelling van de Omgevingswet is opgenomen in artikel 1.3 van de wet: het, met het oog op duurzame ontwikkeling en in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
2
Bijlage 3 b. op een doelmatige wijze beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Naast de maatschappelijke doelen van de wet, zijn er ook enkele algemene verbeterdoelen voor de gehele stelselherziening. Deze verbeterdoelen zijn gericht op vereenvoudiging en verbetering van het omgevingsrecht en moeten leiden tot vermindering van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven en de bestuurlijke lasten voor overheden. De vier verbeterdoelen voor de vernieuwing van het omgevingsrecht zijn: a. het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht; b. het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving; c. het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de leefomgeving; d. het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de leefomgeving. De verbeterdoelen staan soms op gespannen voet met elkaar en met de doelstellingen van de wet. Zo kan het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte juist leiden tot vermindering van de voorspelbaarheid van het omgevingsrecht.
Als lokale overheden meer ruimte hebben om een eigen afweging te maken, wordt de uitkomst van die afweging immers minder goed voorspelbaar. Deels zijn hierover in het wetsvoorstel al keuzes gemaakt, maar ook bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel in de uitvoeringsregelgeving zullen (politieke) keuzes gemaakt moeten worden over de verhouding tussen de verbeterdoelen. De Omgevingswet biedt overheden zes kerninstrumenten, waarmee de zorg voor de fysieke leefomgeving wordt vormgegeven. Dit zijn: omgevingsvisies, programma’s, decentrale regelgeving, algemene rijksregels, omgevingsvergunningen en projectbesluiten. Omgevingsvisies Een omgevingsvisie is de integrale langetermijnvisie van een overheidsorgaan op de fysieke leefomgeving die hij beheert. De omgevingsvisie vervangt onder meer de huidige milieubeleidsplannen, structuurvisies op grond van de Wet ruimtelijke ordening, het provinciale waterplan en verkeers- en vervoersplannen. De ene omgevingsvisie maakt het mogelijk om daadwerkelijk integraal beleid te voeren op alle aspecten van de fysieke leefomgeving: milieu, water, natuur, bodem, infrastructuur, monumenten, etc. Het Rijk en de provincies zijn verplicht een omgevingsvisie vast te stellen. Voor gemeenten is het vaststellen van een omgevingsvisie facultatief. Waterschappen stellen geen omgevingsvisie op.
Het waterbeleid is onderdeel van de provinciale omgevingsvisie, waterschappen maken geen integraal beleid. Een omgevingsvisie is niet bindend voor anderen dan de overheid die de omgevingsvisie vaststelt. Dit is vergelijkbaar met de juridische status van de huidige milieubeleidsplannen, waterplannen en structuurvisies. Programma’s Programma’s zijn bedoeld om de beleidsdoelen van omgevingsvisies te operationaliseren. In een programma worden de maatregelen opgenomen voor de ontwikkeling of de bescherming van de fysieke leefomgeving. Het huidige gemeentelijke rioleringsplan wordt – in ieder geval voor wat betreft de uitvoeringsgerichte aspecten – een rioleringsprogramma. Bepaalde programma’s, die een Europese basis hebben, zijn in de Omgevingswet verplicht gesteld. Zo is het Rijk verplicht om stroomgebiedbeheerplannen vast te stellen op grond van de Kaderrichtlijn water. Decentrale regelgeving De Omgevingswet gaat er van uit dat provincies, gemeenten en waterschappen hun regelgeving over de leefomgeving in één centrale regeling onderbrengen. Voor gemeenten is dit het omgevingsplan, voor provincies de omgevingsverordening en voor waterschappen de waterverordening. De huidige keur van de waterschappen bevat in principe al alle regels die waterschappen over de leefomgeving vaststellen. Gemeenten zullen echter verschillende bestaande regelingen moeten integreren in het 3
Bijlage 3 omgevingsplan: bestemmingsplannen, kapverordeningen, monumentenverordeningen en de delen van de Algemene plaatselijke verordening die over de fysieke leefomgeving gaan. Het ligt voor de hand dat ook de hemelwater- en grondwaterverordening (op grond van het huidige artikel 10.32a Wet Milieubeheer) in het omgevingsplan zal worden geïntegreerd. Het doel van deze integratie is met name dat burgers en bedrijven alle regels van de gemeente die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in één document kunnen vinden. De VNG heeft met het ministerie afgesproken dat de overstap van bestemmingsplan naar omgevingsplan via een “dynamisch ingroeimodel” zal geschieden. De VNG en ministerie delen het eindbeeld dat één omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente zal worden gemaakt, met daarbinnen de mogelijkheid tot gebied specifieke uitwerkingen. In de Omgevingswet zal voorlopig echter de mogelijkheid gecreëerd worden dat er één of meerdere omgevingsplannen worden vastgesteld. Algemene rijksregels De Omgevingswet maakt de definitieve omslag van regulering via vergunningen naar regulering via algemene regels. Als het Rijk nationaal voorwaarden wil stellen aan activiteiten van burgers of bedrijven, dan doet het dat in principe in de vorm van algemene regels: rechtstreeks werkende regels die aangeven wat wel en niet is toegestaan.
Burgers en bedrijven kunnen zo zonder individuele toestemming van de overheid activiteiten ontplooien. Voorbeelden van bestaande algemene rijksregels zijn het Bouwbesluit 2012 en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Als het nodig is dat de overheid van tevoren op de hoogte is van activiteiten, dan kan het Rijk in de algemene regels een meldplicht of mededelingsplicht opnemen. Het nadeel van algemene rijksregels – het gebrek aan afstemming met lokale omstandigheden – wordt ondervangen door het bevoegd gezag waar nodig de mogelijkheid te bieden om de algemene regels bij te stellen in de vorm van een maatwerkvoorschrift of maatwerkregels. Omgevingsvergunningen Als een beoordeling van het bevoegd gezag gewenst is voordat burgers of bedrijven activiteiten in de leefomgeving starten, dan is de omgevingsvergunning daar het instrument voor. De huidige omgevingsvergunning (op grond van de Wabo) wordt uitgebreid met onder andere de vergunningen op grond van de Ontgrondingenwet, de Spoorwegwet en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Verder blijft de systematiek in grote lijnen hetzelfde. Er zijn twee voorbereidingsprocedures voor de omgevingsvergunning: de reguliere (met een beslistermijn van in principe acht weken) en de uitgebreide procedure (die tot zes maanden kan duren).
Bij de reguliere procedure geldt dat de vergunning van rechtswege wordt verleend als de overheid de aanvraag niet binnen de beslistermijn afhandelt. Het ministerie wil dat de uitgebreide procedure in vergelijking met de huidige situatie minder vaak van toepassing zal zijn. Projectbesluiten Het projectbesluit biedt tot slot een uniforme procedure voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving door de overheid, zoals de aanleg van wegen of een dijkverlegging. Het projectbesluit is gebaseerd op de eerdergenoemde ‘sneller en beter’-aanpak. Dat betekent onder andere dat vooraf een verkenning van alternatieven plaatsvindt en dat burgers en belangenorganisaties vroegtijdig worden betrokken. Het projectbesluit vervangt onder meer het inpassingsplan op grond van de Wet ruimtelijke ordening en het projectplan op grond van de Waterwet, met de bijbehorende coördinatieprocedures. Het projectbesluit kan het omgevingsplan van de gemeente wijzigen en kan in principe de omgevingsvergunning en andere besluiten vervangen die nodig zijn om het project te realiseren. De overheid heeft met het projectbesluit dus een krachtig instrument om ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving tot stand te brengen. Zorgplicht Omgevingswet De Omgevingswet kent een algemene zorgplicht, een algemeen verbod en een specifieke zorgplicht.
Deze maken het mogelijk voor toezichthouders en handhavers op te treden als er evidente nadelige
4
Bijlage 3 gevolgen zijn als iemand een activiteit verricht die een veilige en gezonde fysieke leefomgeving in gevaar brengen. Er geldt sowieso een algemene zorgplicht, die als een soort vangnet functioneert. Daarnaast is er een algemeen verbod als er aanzienlijke negatieve gevolgen zijn. En tot slot is er een specifieke zorgplicht. Deze is specifiek toegespitst op specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. Het is raadzaam dat ook in het omgevingsplan specifieke zorgplichten worden opgenomen. Als een bepaalde activiteit wordt gezien als ongewenst, maar het is wellicht wat minder evident, dan is het mogelijk om via maatwerkvoorschriften en niet via de zorgplicht een bedrijf of burger alsnog tot de orde te roepen. De Omgevingswet biedt hiervoor meer ruimte dan de huidige wetgeving. Aangezien de wet meer uitgaat van vertrouwen en verantwoordelijkheid, is het denkbaar dat bij het opstellen van regels telkens de vraag wordt gesteld of dat ongewenst gedrag eventueel via een (al dan niet specifieke) zorgplicht, via het algemene verbod of eventueel via het achteraf opleggen van maatwerkvoorschrift kan worden aangepakt. Vaak zal het afhankelijk zijn of het veel voor komt en wie de doelgroep is of je kiest voor vergunning, meldingen informatieplichten, algemene regels of dat de zorgplicht ook prima kan werken.
Keuze voor meer werken/vertrouwen met het werken met zorgplichten vraagt echter wel iets van de kennis en ondersteuning van de toezichthouders en handhavers. Algemene en specifieke zorgplichten De algemene zorgplicht (artikel 1.6 Ow) houdt in dat eenieder bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt. Concreter is aangegeven dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, verplicht is maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen (art. 1.7 Ow). Voor zover dat niet mogelijk is, is hij verplicht die gevolgen zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Als ook dat onvoldoende mogelijk is, is hij verplicht de activiteiten achterwege te laten, mits dit in redelijkheid gevraagd kan worden. En activiteiten die aanzienlijke nadelige gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving zijn verboden (art. 1.7a Ow). Hiertoe behoren onder andere activiteiten waarbij direct of indirect stoffen in water, bodem of lucht worden gebracht, waardoor aanzienlijke schade aan de kwaliteit van water, bodem of lucht ontstaat of dreigt te ontstaan (art. 1.3 Ob). Daarnaast kent het Bal een specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten (art. 2.11 Bal). Dit is een concrete uitwerking van de algemene zorgplicht.
De specifieke zorgplicht is een basisnorm waaraan steeds moet worden voldaan, ook als er meer uitgewerkte regels in het Bal zijn opgenomen. Deze zorgplicht ziet op kwantiteits- en kwaliteitsaspecten van de lozingsactiviteiten voor stoffen, water en warmte. Ook als er algemene regels of een vergunningplicht gelden, geldt de zorgplicht. Een soortgelijke specifieke zorgplicht maakt ook onderdeel uit van de bruidsschat voor zowel het omgevingsplan als de waterschapsverordening. Zorgplicht stedelijk afvalwater Gemeenten hebben op grond van artikel 2.16 Omgevingswet een zorgplicht ten aanzien van de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. Onder stedelijk afvalwater wordt afvalwater verstaan dat bestaat uit huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. In de praktijk wordt hier invulling aan gegeven door de aanleg en beheer van een openbaar vuilwaterriool. Hemelwatertaak (Zorgplicht) De wetgeving gaat ervan uit dat hemelwater in principe schoon genoeg is om zonder zuiverende voorziening in het milieu terug te brengen. De zorgplicht hemelwater legt nadruk op de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar om het hemelwater zoveel mogelijk zelf te verwerken (inspanningsverplichting particulier).
De gemeentelijke zorgplicht treedt in werking als de perceeleigenaar niet redelijkerwijs zelf het hemelwater kan infiltreren of bergen. Dit hemelwaterbeleid maakt duidelijk waar de grens ligt. Grondwatertaak (zorgplicht)
5
Bijlage 3 Met de omgevingswet heeft de gemeente een grondwatertaak: de zorg voor maatregelen bij structurele problemen grondwaterstanden (in openbaar gebied en onder bepaalde voorwaarden) voor zover dit niet onder de verantwoordelijkheid van waterschap of provincie valt. De zorgplicht grondwater benadrukt de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar om maatregelen te nemen die grondwaterproblemen voorkomen. De gemeentelijke zorgplicht treedt in werking als de perceeleigenaar niet redelijkerwijs een voldoende ontwatering kan realiseren en overtollig grondwater moet afvoeren. De gemeente heeft de regie als meerdere partijen betrokken zijn bij (dreiging van) een probleem. Besluit Lozing Afvalwater Huishoudens Het besluit lozing afvalwater huishoudens (BLAH) is per 1 januari 2008 in werking getreden. Het bevat algemene regels voor het lozen van huishoudelijk afvalwater door particulieren. Voor de lozingen geldt alleen een meldingsplicht. Er is geen vergunning of ontheffing meer vereist. Wel kan een waterkwaliteitsbeheerder maatwerkvoorschriften opleggen, als het belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt. Het BLAH maakt als onderdeel van de bruidsschat bij ingang van de omgevingswet onderdeel uit van het Omgevingsplan. Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit is sinds 1 januari 2008 van kracht.
Dit besluit geeft regels voor activiteiten in of vanuit een inrichting, bijvoorbeeld bedrijven. Het Activiteitenbesluit is in het leven geroepen om de administratieve lasten van de burgers en bedrijven te verlichten en te komen tot uniforme regelgeving. Het Activiteitenbesluit gaat uit van de een–loketgedachte. Het Omgevingsloket online, wat gebruikt kan worden voor het aanvragen van vergunningen of het doen van een melding, geeft hier invulling aan. Het activiteitenbesluit maakt als onderdeel van de bruidsschat bij ingang van de omgevingswet onderdeel uit van het Omgevingsplan. Voor het behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie geldt artikel 3.4. van het activiteitenbesluit. Artikel 3.4 1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater en het behandelen van dit afvalwater voorafgaand daaraan. Het lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem is toegestaan indien het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: a. b. c. d. e.
40 meter bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; 100 meter bij meer dan 10 doch minder dan 25 inwonerequivalenten; 600 meter bij 25 doch minder dan 50 inwonerequivalenten; 1500 meter bij 50 doch minder dan 100 inwonerequivalenten; en 3.000 meter bij 100 of meer inwonerequivalenten.
2. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 3. Indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, minder bedraagt dan de afstanden, genoemd in dat lid, kan het bevoegd gezag indien het belang van de bescherming van de bodem of de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toestaan: a. voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een afschrijvingstermijn van de bij de aanleg van het vuilwaterriool of het zuiveringtechnisch werk reeds bestaande zuiveringsvoorziening; of b. indien voor een deel van het huishoudelijk afvalwater dat vrijkomt binnen de inrichting waarvan de vervuilingswaarde niet groter is dan 3 inwonerequivalenten aansluiting op de bedrijfsriolering die op een vuilwaterriool is aangesloten niet doelmatig is, waarbij kan worden bepaald dat het afvalwater door een zuiveringsvoorziening wordt geleid. 4.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al regelmatig
6
Bijlage 3 plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
5.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
Besluit Lozen Buiten Inrichtingen Het besluit lozen buiten inrichtingen (BLBI) is in 2011 in werking getreden. Dit besluit regelt alle lozingen die niet vanuit een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer of een particulier huishouden plaatsvinden. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen uit gemeentelijke rioolstelsels, lozingen van grondwater bij ontwatering van gronden (zoals bronneringswater bij bouwactiviteiten), lozingen van afstromend regenwater van wegen en andere openbare ruimten en lozingen bij gevelreiniging. In navolging van het Activiteitenbesluit en het Besluit lozing afvalwater huishoudens is dit een integraal besluit, waarin alle lozingsroutes (bodem, oppervlaktewater, rioolstelsels) worden geregeld, gebaseerd op de Wet Milieubeheer, Wet bodembescherming en de Waterwet. Dit besluit geeft het bevoegde gezag voor verschillende onderwerpen de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften. (Dit geldt ook voor het BLAH en Activiteitenbesluit). Het BLBI maakt als onderdeel van de bruidsschat bij ingang van de omgevingswet onderdeel uit van het Omgevingsplan. Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION) Per 1 juli 2008 is de Wet Informatie-Uitwisseling Ondergrondse Netten (WION), beter bekend als de grondroerdersregeling, in werking getreden. De Wet heeft tot doel het voorkomen van graafincidenten bij kabels en leidingen.
De wet regelt primair de informatie-uitwisseling over de ligging van kabels en leidingen tussen netbeheerders en grondroerders. De wet bevat eveneens bepalingen over zorgvuldig graven en zorgvuldig opdrachtgeverschap en het treffen van voorzorgsmaatregelen bij gevaarlijke leidingen. Notitie Riolering van het BBV – november 2014 In november 2014 heeft de commissie BBV (Besluit Begroting en Verantwoording) een nieuwe notitie riolering uitgebracht. Met deze notitie verduidelijkt zij het onderscheid tussen voorzieningen en reserves. Bovendien bevestigt de commissie dat investeringen geactiveerd moeten worden, maar gemeenten ze vervolgens zowel langjarig kunnen afschrijven als op de voorziening kunnen afboeken. Uitgebreide informatie is te vinden op http://www.riool.net/-/nieuwe-verhelderende-bbv-notitieriolering.
7
Bijlage 4 BIJLAGE 4 TAKEN EN BEVOEGDHEDEN Provincie De provincies houden toezicht op de hoogheemraadschappen en gemeenten. De bevoegdheidsverdeling in het stedelijke waterbeheer is niet of nauwelijks veranderd met de komst van de Omgevingswet. De enige wijziging is dat de provinciale ontheffingsbevoegdheid voor de zorgplicht voor stedelijk afvalwater – van belang voor met name riolering in het buitengebied – vervalt. Simpel gezegd: provincies hebben in het nieuwe stelsel geen ‘bemoeienis’ meer met de gemeentelijke rioleringstaak Een belangrijk principe van Omgevingswet is dat elk bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden rekening houdt met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en zo nodig met deze andere bestuursorganen afstemt (art. 2.2). Dit betekent dat gemeente, provincie, waterschap en ook drinkwaterbedrijf elkaar vroegtijdig betrekken in plan- en ontwikkelprocessen. Er zijn onderwerpen die de provincie moet regelen in de omgevingsverordening. En er zijn in de omgevingswet een aantal onderwerpen genoemd die de provincie kan regelen. De Omgevingswet gaat uit van het beginsel decentraal tenzij. Dit betekent dat de gemeente of het waterschap als eerste aan zet is. De provincie mag alleen de onderwerpen regelen die van provinciaal belang zijn.
Voor een aantal van deze onderwerpen heeft het Rijk instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin staat wat er in de omgevingsverordening moet, kan en mag. Provincies kunnen instructieregels stellen over de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de Ow door gemeenten en waterschappen. Deze instructieregels kunnen gaan over de taken, omgevingsplannen, waterschapsverordeningen, maatwerkregels, maatwerkvoorschriften, omgevingsvergunningen en programma’s. Dergelijke instructieregels worden niet gesteld als er een provinciaal belang aan de orde is dat niet op doelmatige en doeltreffende wijze door gemeenten of waterschappen kan worden behartigd. Een provincie zou bijvoorbeeld in haar omgevingsverordening de instructieregel richting gemeenten (omgevingsplannen) kunnen opnemen dat er in overstromingsrisicogevoelige gebieden of in bodemdalingsgebieden niet (zonder meer) gebouwd mag worden. Voor veengebieden bijvoorbeeld zou bepaald kunnen worden dat (riool)leidingen onderheid aangelegd moeten worden. Ook zou de provincie via een instructieregel kunnen regelen dat zowel gemeenten als waterschappen in hun eigen omgevingsplan respectievelijk waterschapsverordening regels moeten stellen aan bodem en/of grondwaterkwaliteitbedreigende activiteiten.