CConstaterende datwassenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1 Nota van uitgangspunten

Raadsvergadering Wassenaar 31 mei 2022, gemeente wassenaarBij agendapunt: Start bestemmingsplanprocedure Laan van Pluymestein 11 en Het Kerkehout 6413.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

20 Nota van Uitgangspunten

Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt

21 Nota van Uitgangspunten

vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont de risicokaart.

Risicokaart (plangebied zwart omkaderd, bron: Atlas Voor Leefomgeving) In de directe omgeving staan geen risicovolle inrichtingen. Wel loopt op 200 meter ten noordwesten van het deelgebied aan de Laan van Pluymestein de N44. Op de N44 vindt de vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De N44 heeft een plaatsgebonden risico van 0. Het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden van de weg bedraagt niet meer dan 10-6 per jaar. Beide deelgebieden bevinden zich verder dan 200 meter van de transportroute. Daarmee is het niet noodzakelijk om het groepsrisico te berekenen. Bovendien voorziet de ontwikkeling slechts in twee extra woningen ten opzichte van de huidige situatie. Er kan gesteld worden dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N44 geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.

4.7. Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime

22 Nota van Uitgangspunten

andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden de twee plangebieden getransformeerd. Hierbij dienen bestaande gebouwen op de plangebieden te worden verwijdert. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels twee ecologische onderzoeken wordt de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het de plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Soortenbescherming De beide deelgebieden hebben geen essentiële betekenis voor beschermde dierensoorten.

De planlocaties zijn mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Hiervoor geldt de Algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming Het deelgebied aan Het Kerkehout maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Het deelgebied aan de Laan van Pluymestein is wel gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Derhalve is met een 'Nee tenzij toets onderzocht wat de invloed van de beoogde ontwikkeling is op het NNN. Het saneren van het huidige vervallen kassencomplex en verwijderen van grondopslag ten behoeve van de realisatie van een woning aan de Laan van Pluymestein 11 te Wassenaar leidt niet tot significante aantasting van het Natuurnetwerk Nederland. Doordat de planlocatie momenteel deels bestaat uit vervallen kassen en is overwoekerd met planten zoals braam en brandnetel, zijn de huidige natuurwaarden en samenhang met het Natuurnetwerk Nederland laag. Landschappelijke inpassing bij de beoogde ontwikkelingen zullen mogelijk leiden tot een hogere natuurwaarden en een betere samenhang. Derhalve wordt zo ook de robuustheid en aaneensluiting van het NNN verbeterd.

De beoogde werkzaamheden leiden niet tot een toename van bebouwing. Er is dan ook geen sprake van afname van oppervlak van het NNN. Stikstofberekening Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dient middels een berekening met de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden of er sprake is van negatieve effecten. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

4.8. Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

23 Nota van Uitgangspunten

Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsbeleid Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.

In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016-2021. Dit is een uitwerking van het coalitieakkoord (2015), waarin het bestuur van Rijnland de koers voor de komende jaren heeft uitgezet. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Waterbeheerplan

24 Nota van Uitgangspunten

Voor de planperiode 2016 - 2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); • andere waterstaatswerken (o.a.

bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); • de bodem van kwelgevoelige gebieden. Maar ook aan: • onttrekken en lozen van grondwater; • aanbrengen van verhard oppervlak. Per 13 mei 2020 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.

Planspecifiek Er wordt een digitale watertoets uitgevoerd. Watercompensatie Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van een afname van de totale verharding. Voor het perceel aan Het Kerkehout wordt er ca. 1.500 m² aan schuren en opstallen gesloopt. Hiervoor komt alleen een woning terug. Voor het perceel aan de Laan van Pluymestein 11 worden de bestaande kassen gesloopt van ca. 950 m². Ook hier wordt één woning gebouwd. Dit betekent dat er voor beide deelgebieden sprake is van een aanzienlijke afname van verharding en dus geen watercompensatie is verreist. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Hoogheemraadschap Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn: • de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; • de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken, waardoor het zuiveringsrendement

25 Nota van Uitgangspunten

verbetert; • schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden. Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd door het te laten infiltreren in de bodem. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Oppervlakte- en grondwater Met de beoogde ontwikkeling wordt het oorspronkelijke slotenpatroon op het perceel Het Kerkehout 64 hersteld. Dit betekent dat daar gegraven zal worden en dat er nieuw oppervlaktewater zal worden aangelegd. Gezien het bovenstaande kan gesteld worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.

4.9. Cultureel erfgoed Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. In de Structuurvisie 2025 wordt verwezen naar het provinciaal beleid (Visie Ruimte en Mobiliteit) waarin Wassenaar is ingedeeld als beschermingscategorie 1 Kroonjuweel Cultureel Erfgoed. Dat betekent dat de instandhouding - en mogelijk verdere ontwikkeling - van de cultuurhistorische waarden voorrang heeft boven alle andere ontwikkelingen. Het erf aan de Kerkenhout is een afsplitsing van het erf van de zogenoemde Oude Kerkewoning, de nieuwe boerderij ter onderscheiding de Nieuwe Kerkewoning genoemd. Het erf maakt deel uit van het boerderijlint dat parallel aan de structuur van strandwallen en -vlaktes loopt. De ligging van de boerderijen is op de overgang van het gesloten naar het open landschap. In het Gebiedsprofiel Duin Horst en Weide wordt daarover gezegd: linten blijven linten.

Met andere woorden, de boerenerven aan het lint, worden bij herbestemming compact ingericht. De ruimtes tussen de erven worden niet verdicht. Nieuwe ontwikkelingen doen recht aan de korrelgrootte en de typologie van het erf. Transformaties sluiten aan bij de bestaande kavelopbouw: een hoofdgebouw voorop het erf met een of meer bijgebouwen en hoog opgaande beplanting (streekeigen soorten) rondom. Eventuele nieuwbouw past binnen de erftypologie en vormt een moderne interpretatie van de historische boerderijgebouwen (inclusief bijgebouwen). Daarbij is sprake van een eenduidige ontsluiting, in dit geval Het Kerkehout, zelf ook een waardevolle laanbeplanting.

26 Nota van Uitgangspunten

Kadastrale Minuut 1811-1832, de Oude Kerkewoning binnen het oorspronkelijke boerenerf. De uitbreiding van de Nieuwe Kerkewoning vindt plaats binnen dezelfde contouren. De bebouwing op het erf is agrarisch van karakter, Kerkehout 64 beeldbepalend (opgenomen op de lijst behorende bij het Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar Panden, Objecten en Archeologie. De bijgebouwen zijn van geen bijzondere waarde, zij het dat het agrarisch karakter in de typologie bijdraagt aan de herkenbaarheid van het boerenerf. Het bosperceel aan de Laan van Pluymestein valt geheel binnen het gesloten landschap, bosachtig met hoge boomaanplant. De inrichting is groen en de bebouwing bescheiden. De typologie van de bebouwing sluit aan bij de (kleine tuinders) villabebouwing, niet zozeer bij de agrarische typologieën. Ten opzichte van de bestaande situatie is sprake van een aanzienlijke verbetering en versterking van de natuurwaarden door het opschonen van de bestaande kassen. Omdat de bedrijfsmatige functie (Hoveniersbedrijf) van de enclave midden in de natuur verdwijnt is evenzeer sprake van een (lichte) verbetering ten opzichte van de bestaande toestand. Cultuurhistorische analyse reeds uitgevoerd.

Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het

27 Nota van Uitgangspunten

Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gronden aan de Laan van Pluymestein 11 hebben in het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 2015’ de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. De beoogde woning wordt gebouwd ter plaatse van bestaande kassen. De gronden van het perceel aan Het Kerkehout hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Gezien dat er voor beide plandelen een woning zal worden gebouwd wordt een archeologisch onderzoek uitgevoerd.

4.10.

Verkeer en parkeren Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Planspecifiek In de toekomstige situatie zullen op beide deelgebieden één extra woning gebouwd worden. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is voor beide locaties uitgegaan van 'Weinig stedelijk' en 'Buitengebied'. Per vrijstaande woning geldt hiervoor een verkeersgeneratie van gemiddeld 8.2. Gezien deze beperkte toename is de verwachting dat de Laan van Pluymestein deze toename zal kunnen opvangen. Voor het perceel aan Het Kerkehout was er oorspronkelijk een melkveebedrijf aanwezig. Hierbij gepaard ging een hogere verkeersgeneratie dan in de toekomstige situatie. Er zal op deze locatie sprake zijn van een afname van de verkeersgeneratie. Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Planspecifiek Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de CROW-publicatie 'toekomst bestendig parkeren'. Hierbij zijn bij de woningen uitgegaan van 'Weinig stedelijk' en 'Buitengebied.

Bij vrijstaande woningen geldt een gemiddelde parkeerbehoefte van 2.4. per woning. Op de deelgebieden is genoeg ruimte om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren.

4.11.

Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2023 dient verder de bijdrage van duurzame energie 16 % van het

28 Nota van Uitgangspunten

totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is.

Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De BENG kijkt naar de energie prestatie van een gebouw aan de hand van de drie energieprestatie-indicatoren: 1. de energiebehoefte indicator; 2. de primaire fossiele energie-indicator; en 3. het aandeel hernieuwbare energie. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden meerdere maatregelen getroffen met betrekking tot duurzaamheid. De nieuwe woningen worden energiezuinig gebouwd. Uitgegaan wordt van gasloos bouw. Ook bij de renovatie van Het Kerkehout 64 wordt aandacht besteed aan duurzaamheid. Dit wordt nader uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunningen.

29 Nota van Uitgangspunten

5. Planvisie en uitgangspunten 5.1. Het plan De ontwikkeling bestaat uit het toevoegen van een nieuwbouwwoning aan de Laan van Pluymestein, een nieuwbouwwoning aan het Kerkehout en een functiewijziging naar ‘Wonen’ van het Kerkehout 64. Beide locaties zijn zeer omvangrijk, waardoor vrijstaande woningen geschikt zijn.

5.2. Stedenbouwkundige inpassing Een mogelijke ontwikkeling op deze locatie wil de gemeente graag laten inpassen en aansluiten op bestaande kwaliteiten van de omgeving, zoals een groene leefomgeving net buiten de woonbuurt. Een plan sluit aan op de directe omgeving, zowel in vorm en massa als in programma en zoekt het naar een juiste stedenbouwkundige inpassing. De omgeving laat zich kenmerken als vrij, groen en weids. Aan de Laan van Pluymestein is een vrijstaande woning passend. Een dergelijk woonprogramma aan het Kerkehout van grondgebonden woningen in een erfstructuur sluit goed aan. Uitgangspunten stedenbouwkundige opzet Voor de uitwerking van het stedenbouwkundig model dat wordt voorgesteld gelden de volgende uitgangspunten: Sloop bebouwing Aan de Laan van Pluymestein wordt ca. 950 m2 aan kassen gesloopt. De oude schuren aan Het Kerkehout van ca. 1.500 m2 worden gesloopt. Rooilijn (onderbouwing) De woning aan de Laan van Pluymestein blijft achter de rooilijn van de naastgelegen woning aan het Oud Clingendaal 9, de voorgevel richt zich naar de straat. Om een erfensemble te creëren aan het Kerkehout is de rooilijn van ondergeschikt belang. Kavel De gehele kavel aan de Laan van Pluymestein wordt gebruikt voor de vrijstaande woning. De kavel(s) aan Het Kerkehout worden vormgegeven als twee ruime kavels met duidelijke erfafscheiding.

Vrijstaande woning Beide nieuwbouwwoningen worden uitgevoerd in één bouwlaag en een kap. De maximale bouwhoogte bedraagt 9 meter en de maximale goothoogte 3 meter. Alle gebouwen (incl. de renovatie) worden voorzien van een bijgebouw/schuur van ca. 48 m2. De nieuwbouwwoning aan de Laan van Pluymestein heeft een maximale inhoud van 650 m3, de nieuwbouw aan het Kerkehout heeft een maximale inhoud van 1.000 m3. Groene tuinen Groene tuinen en onverharde tuinen komen hier de leefkwaliteit ten goede. Het streven is naar zoveel mogelijk groen dat ook de biodiversiteit bevordert. Parkeren in- en uitrijden Voor de twee nieuwbouwwoningen en de renovatie van de woonboerderij worden twee parkeerplaatsen per woning op eigen terrein gerealiseerd. De erven/kavels beschikken over voldoende ruimte om het parkeren voor bezoekers mogelijk te maken. Aansluiting openbare ruimte Bij de Laan van Pluymestein is de overgang van openbaar naar privé duidelijk afgebakend met een verhoogde afscheiding (het liefst groen met inheemse beplanting). De in/uitrit is open en de bestrating verschilt in materiaal. Het erfensemble aan het Kerkehout beschikt over een gezamenlijke inrit. Het onverharde Kerkehout loopt door op de kavels.

30 Nota van Uitgangspunten

5.3. Planopzet De initiatiefnemer heeft een schetsontwerp overhandigd dat grotendeels op bovenstaande ruimtelijke uitgangspunten aansluit. Zie ook het erfinrichtingsplan (bijlage 2).

Fig. 5. Planopzet

31 Nota van Uitgangspunten

5.4. Participatie Initiatiefnemer staat regelmatig in contract met de bewoners van de aangrenzende percelen. De bewoners van de aangrenzende bewoners zijn op de hoogte van de voorgenomen plannen. Alvorens het ontwerpbestemmingsplan aangeleverd wordt, zal een informatief schrijven uitgaan met bijbehorende documenten aan de belanghebbenden. Met de bewoners van de aangrenzende percelen wordt een afspraak ingepland voor een mondelinge toelichting van de plannen waarbij ideeën aangedragen kunnen worden. De inbreng van de belanghebbenden wordt schriftelijk vastgelegd. Tijdens het ontwikkeltraject worden de belanghebbenden op de hoogte gehouden van de resultaten en voortgang.

5.5. Grondexploitatie en planschade Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek Het project wordt op initiatief van de grondeigenaar gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de grondeigenaar als initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend.

Voor de gemeente zijn er verder geen kosten aan de ontwikkeling verbonden. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief zal met het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Wassenaar worden geregeld. Hierin zal opgenomen worden dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.

32 Nota van Uitgangspunten

Bijlage 1 – Reactie gemeente Wassenaar op principeverzoek

33 Nota van Uitgangspunten

Bijlage 2 - Erfinrichtingsplan

34 Nota van Uitgangspunten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=22b8eee3-64c6-4c2d-a559-4aa786676803