Bijlage 1.1 Nota van uitgangspunten
Tekst van het document
Het Kerkehout & Laan van Pluymestein Wassenaar Nota van uitgangspunten 25 maart 2022
Inhoud 1.
2.
3.
4.
5.
Inleiding ............................................................................................................................................................................ 3 1.1.
Nota van Uitgangspunten ....................................................................................................................................... 3
1.2.
Aanleiding herontwikkeling en processtappen ....................................................................................................... 3
1.3.
Beoogd maatschappelijk effect ............................................................................................................................... 4
1.4.
Plangebied .............................................................................................................................................................. 4
Plangebied ........................................................................................................................................................................ 5 2.1.
Stedenbouwkundige context .................................................................................................................................. 5
2.2.
Kavel en huidig straatbeeld ..................................................................................................................................... 5
Relevant beleidskader ...................................................................................................................................................... 7 3.1.
Nationaal beleid ...................................................................................................................................................... 7
3.2.
Provinciaal beleid .................................................................................................................................................... 8
3.3.
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................................................. 12
Milieu- en omgevingsaspecten ....................................................................................................................................... 16 4.1.
Milieueffectrapportage ......................................................................................................................................... 16
4.2.
Bodem ................................................................................................................................................................... 17
4.3.
Akoestiek- geluid ................................................................................................................................................... 17
4.4.
Milieuzonering ...................................................................................................................................................... 18
4.5.
Luchtkwaliteit........................................................................................................................................................ 19
4.6.
Externe veiligheid.................................................................................................................................................. 20
4.7.
Ecologie ................................................................................................................................................................. 22
4.8.
Waterhuishouding ................................................................................................................................................ 23
4.9.
Cultureel erfgoed .................................................................................................................................................. 26
4.10.
Verkeer en parkeren ........................................................................................................................................ 28
4.11.
Duurzaamheid .................................................................................................................................................. 28
Planvisie en uitgangspunten ........................................................................................................................................... 30 5.1.
Het plan................................................................................................................................................................. 30
5.2.
Stedenbouwkundige inpassing ............................................................................................................................. 30
5.3.
Planopzet .............................................................................................................................................................. 31
5.4.
Participatie ............................................................................................................................................................ 32
5.5.
Grondexploitatie en planschade ........................................................................................................................... 32
Bijlage 1 – Reactie gemeente Wassenaar op principeverzoek ....................................................................................... 33 Bijlage 2 - Erfinrichtingsplan ........................................................................................................................................... 34
2 Nota van Uitgangspunten
1. Inleiding 1.1. Nota van Uitgangspunten Deze Nota van uitgangspunten bevat uitgangspunten voor de ontwikkeling van woningbouw aan Het Kerkehout en de Laan van Pluymestein in Wassenaar. De Nota van Uitgangspunten zal samen met initiatiefnemer te sluiten anterieure overeenkomst, na vaststelling de basis zijn voor het opstellen van het bestemmingsplan, het inrichtingsplan en de bouwplannen. In deze nota van uitgangspunten is het stedenbouwkundig plan op hoofdlijnen opgenomen zoals dat reeds is vormgegeven in aanloop naar het opstellen van dit document met de initiatiefnemer en adviseurs van de gemeente Wassenaar. De nota is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding voor de (her)ontwikkeling en de processtappen om te komen tot een gedragen nota van uitgangspunten die het toetsingskader vormt voor de beoordeling van de plannen. Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied, de stedenbouwkundige context en de eigendomssituatie. Hoofdstuk 3 is een opsomming en korte inhoudelijke weergave van de voor dit plan relevante beleidskaders die de gemeente gebruikt om de plannen van de initiatiefnemer te toetsen. In hoofdstuk 4 wordt per hoofdthema de inhoud van het plan toegelicht, waarna voor elk thema de belangrijkste beleidskaders van de gemeente worden aangegeven met het daaruit voortkomende toetsingskader dat bestaat uit uitgangspunten, minimumeisen en ambities.
Het geheel van alle thema’s vormt het integraal plan en toetsingskader.
1.2. Aanleiding herontwikkeling en processtappen April 2019 heeft initiatiefnemer en eigenaar een aanvraag vooroverleg gedaan bij de gemeente met het verzoek de voormalige kassen aan de Laan van Pluymestein te slopen en daarvoor twee woningen te bouwen en de sloop van de bedrijfsgebouwen aan het Kerkehout 64 met een functiewijziging van bedrijfswoning tot reguliere (burger)woning. De gemeente is bereid om in afwijking van het bestemmingsplan medewerking te verlenen aan een functiewijziging van de bedrijfswoning aan het Kerkehout naar wonen en de bouw van twee woningen, namelijk op beide adressen één nieuwbouwwoning (zie bijlage 1). De gewenste nieuwe woonfunctie op deze plek moet voldoen aan een goed woon-en leefklimaat. De gemeente stelt met deze Nota van Uitgangspunten een concreet toetsingskader op om de haalbaarheid van het plan te kunnen beoordelen en om te bepalen wat er in deze specifieke situatie nodig is om te voldoen aan een ‘goed woon-en leefmilieu’. De Nota van Uitgangspunten vormt het toetsingskader voor de beoordeling van de genoemde transformatie. Deze Nota van Uitgangspunten (NvU) is het resultaat van overleg, uitwisseling van ideeën en beleidskaders.
De NvU vormt het toetsingskader voor de plannen van de initiatiefnemer en beschrijft uitgangspunten en concrete maatregelen op het vlak van: Wonen & woonkwaliteit; Stedenbouwkundige uitgangspunten & Beeldkwaliteit gebouw; Kwaliteit buitenruimte; Bereikbaarheid (ontsluiting) & parkeren; Duurzaamheid; Communicatie en draagvlak omwonenden/belanghebbenden. Bovenstaande thema’s zijn belangrijke uitwerkingsaspecten voor de toekomstige ruimtelijke uitstraling van de nieuwe woonfunctie. De gemeente bepaalt aanvaardbare uitgangspunten en voorwaarden waaraan het plan van de initiatiefnemer moet voldoen. Deze zijn vastgelegd in deze door de gemeente opgestelde Nota van Uitgangspunten. De NvU benadert de planvorming op een integrale wijze. Alle relevante thema’s en aspecten zijn met elkaar in samenhang bekeken en beoordeeld. De gemeente realiseert zich dat economische haalbaarheid een belangrijk criterium is voor de initiatiefnemer.
3 Nota van Uitgangspunten
Fig. 1. Ligging plangebied, Het Kerkehout 64 en de Laan van Pluymestein
1.3. Beoogd maatschappelijk effect De inzet is dat de ontwikkeling van woningen een positief effect heeft op de omgeving. De ontwikkeling zal een kwalitatieve toevoeging vormen aan de woningvoorraad en een goede invulling zijn van een locatie met vervallen bedrijfsgebouwen.
1.4. Plangebied
Fig. 2. Begrenzing plangebied & kadastrale situatie
4 Nota van Uitgangspunten
2. Plangebied 2.1. Stedenbouwkundige context Het Kerkehout 64 Op het perceel aan Het Kerkehout staat een (voormalige) melkveebedrijf. Het bedrijf bestaat uit een hoofdgebouw met een bedrijfswoning en uit een viertal agrarische opstallen van ca. 1500 m2. Het hoofdgebouw met de bedrijfswoning dateert uit 1909, de boerderij met het typerende mansardedak, brandde in augustus 1917 af en werd vervolgens herbouwd. Het vormt een afsplitsing van de Kerkewoning op nummer 103 en wordt ook wel de 'Nieuwe Kerkewoning' genoemd. Daarachter is een vrijstaande werktuigenloods aanwezig. In de jaren ‘70 een melkveestal gerealiseerd. Tegen deze stal is een schuur aanwezig die zich thans in een vervallen toestand zonder dak bevindt. Aan de andere zijde van de melkveestal is een stal uit 1992 aanwezig die inmiddels ook in vervallen toestand en zonder dak is. Aansluitend was nog een kweekkas aanwezig, maar deze is inmiddels goeddeels ontmanteld. Het bedrijf wordt ontsloten via Het Kerkehout, waarvan het laatste deel een eigen weg betreft. Die eigen weg wordt overigens mede gebruikt door wandelaars en mensen die hun hond uitlaten en die weg is ook ter ontsluiting van het perceel Het Kerkehout 103. Ten oosten van Het Kerkehout 64 is de woonboerderij ‘De Kerkewoning’ (Het Kerkehout 103) aanwezig, een Rijksmonument uit de 17e eeuw.
Direct ten noordoosten van het agrarische bedrijf bevindt zich 'Tuinpark het Kerkehout, een kleinschalig volkstuinencomplex van de Wassenaarse Volkstuinvereniging. Tussen deze volkstuinen en de weg Het Kerkehout bevindt zich een grasland dat eigendom is van initiatiefnemer. Ten noorden is het sportcomplex van S.V. Wassenaar gevestigd, aan de rand van de woonwijk Kerkehout. Laan van Pluymestein 11 Op het perceel aan de Laan van Pluymestein 11 bevond zich een hoveniersbedrijf/handelskwekerij. Het perceel bestaat voor een deel uit kassen. Echter is het hoveniersbedrijf al 15 jaar niet meer actief waardoor de kassen in zeer slechte staat zijn geraakt. Hierdoor maakt het perceel een zeer vervallen en verwilderde indruk. Het betreffende perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 3.000 m², waarop kassen met een oppervlak van zo’n 950 m² aanwezig zijn. Op het eerste stuk vanaf de Rijksstraatweg na, vormt de Laan van Pluymestein een eigen weg van initiatiefnemer. De weg geeft toegang tot het onderhavige perceel en het verderop gelegen agrarische bedrijf Laan van Pluymestein 36 en enkele woningen. Ten oosten van het perceel bevindt zich de historische buitenplaats Oud Clingendaal. De parkaanleg van deze buitenplaats vormt een Rijksmonument.
In het park is nog een kwekerij aanwezig en er zijn enkele monumentale panden aanwezig, waaronder Villa Sijthoff (waarin nu Zorggroep Vandaegh is gehuisvest).
2.2. Kavel en huidig straatbeeld
Fig. 3. Aanzicht van Het Kerkehout 64
5 Nota van Uitgangspunten
Fig. 4. Aanzicht kassencomplex Laan van Pluymestein De locaties liggen aan de rand van de wijk Kerkehout. De weg het Kerkehout is gedeeltelijk een eigen weg, de woning staat kort op de onverharde weg. Het erf rondom de woning is bebouwd met schuren. De locatie met vervallen kassen ligt aan de geasfalteerde Laan van Pluymestein, dit is eveneens een eigen weg. Beide kavels worden omgeven door groen.
6 Nota van Uitgangspunten
3. Relevant beleidskader Een aantal voor de plantoets relevante beleidskaders is in dit hoofdstuk benoemd en beschreven. Uit deze beleidskaders zijn eisen en ambities voor de plantoets geformuleerd die in hoofdstuk 4 nader zijn omschreven in termen van toetsingskader.
3.1. Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond.
Planspecifiek De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plangebied aan de Laan van Pluymestein is gelegen in het Natuurnetwerk Nederland.
Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt een beschermingsregime om significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het plangebied te voorkomen en om te voorkomen dat het Natuurnetwerk Nederland niet in oppervlakte afneemt. Ten behoeve van het Natuurnetwerk Nederland is een onderzoek uitgevoerd. Dit is verder te lezen in toelichting paragraaf 4.7. De beoogde ontwikkeling zal het Natuurnetwerk Nederland niet aantasten. De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt verder niet aan één van de andere nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe
7 Nota van Uitgangspunten
stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. 3. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Met de beoogde ontwikkeling worden twee woningen gebouwd. Bij het mogelijk maken van 2 extra woningen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Met de beoogde ontwikkeling wordt de agrarische bebouwing en de kassen gesloopt waardoor een afname zal zijn van bebouwing in de plangebieden. Derhalve is de beoogde ontwikkeling niet ladderplichtig. Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2. Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 7 augustus 2021. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1. Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
2. Ambities en sturing De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom
8 Nota van Uitgangspunten
vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
3. Omgevingskwaliteit Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit: een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken; een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'. 4. Beleidskeuzes De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1. Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2. Ambities en sturing De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3. Omgevingskwaliteit Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang.
Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. Het plangebied is gelegen in het kustcomplex. De kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Navolgend wordt ingegaan op de relevante kaartlagen hiervan. Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in het kustcomplex. Het kustlandschap is opgebouwd uit een opeenvolging van zee, strand, jonge duinen, strandvlakten en strandwallen parallel aan de kust. Bij de beoogde ontwikkeling zal zorg dragen voor behoud en herkenbaar houden van het kustcomplex waar nodig. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan de kwaliteiten van het kustlandschap.
9 Nota van Uitgangspunten
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in het landgoederenlandschap. Herkenbaar en afwisselend patroon van historische buitenplaatsen en landgoederen, volgroeide bossen en open ruimtes met nog deels een agrarische functie. Hier is de landschapsgradiënt van duin naar veen nog herkenbaar terug te vinden. Deze gebieden hebben een hoge recreatieve en cultuurhistorische waarden. De beoogde ontwikkeling zal geen afbreuk doen aan het landgoederenlandschap; het levert veeleer een positieve bijdrage aan het landgoederenlandschap doordat (vervallen) bebouwing wordt verwijderd. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen binnen het gebied aangegeven als 'Stads- en dorpsranden'. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. Met de beoogde ontwikkeling zal er weinig veranderen. Beide deelgebieden zijn al deels bebouwd. De ontwikkeling zal een kleine verandering betekenen voor de stads- en dorpsranden en daaraan juist een positieve impuls geven. 4.
Beleidskeuzes De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Horst, Duin en Weide'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante aspecten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart. Kwaliteit in dorpsgebied Het plangebied is gelegen in de villawijken van Wassenaar. Met name Wassenaar ontwikkelde zich vanaf het begin van de 20e eeuw tot een villadorp voor rijke Hagenaars en Rotterdamse industriëlen. Door de aanwezige buitenplaatsen en landgoederen vestigden zich ook andere welgestelden in de regio. Deze villawijken zijn veelal tegen het bestaande dorp gebouwd, maar hebben een eigen, ontworpen, aanleg. Met de beoogde ontwikkeling worden de waardevolle patronen en structuren herkenbaar opgenomen. Linten blijven Linten Beide deelgebieden zijn gelegen aan wegen gekenmerkt als Boerenervenlint.
Het boerenervenlint bestaat uit een aantal historische boerderijen die vanaf dezelfde weg worden ontsloten. Met de beoogde ontwikkeling wordt de boerderij op Kerkehout behouden. De twee nieuw te bouwen woningen zullen passend zijn bij de rest van de omgeving van het plangebied. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie, en de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 augustus 2020 in werking getreden. Per 7 augustus 2021 is een nieuwe versie van de omgevingsverordening in werking is getreden. Hierin is onder andere artikel 6.50 (Risico’s van klimaatverandering) toegevoegd. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe
10 Nota van Uitgangspunten
stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a)
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Voor het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 op de ladder voor duurzame verstelijking ingegaan. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, derhalve hoeft het voorgenomen plan niet nader getoetst te worden aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a)
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; c) als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Natuurnetwerk Nederland Het perceel gelegen aan de Laan van Pluymestein 11 is gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Ontwikkelingen in het Natuurnetwerk Nederland zijn in principe niet mogelijk, tenzij er geen sprake is van aantasting of verslechtering van de wezenlijke kenmerken en waarden. Uit nader onderzoek is gebleken dat de beoogde ontwikkeling mogelijk is. Dit is verder in toelichting paragraaf 4.7 toegelicht. Gebied met zeer hoge archeologische waarde Het perceel gelegen aan de Laan van Pluymestein 11 is gelegen binnen een gebied aangegeven als gebied met zeer hoge archeologische waarde. Voor alle werkzaamheden die dieper reiken dan 30cm onder het maaiveld archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Middels dit archeologische onderzoek moet aangetoond worden dat de archeologische waarden niet worden aangetast.
Dit is onderzoek is uitgevoerd en is verder in toelichting paragraaf 4.9 toegelicht. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.50 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de
11 Nota van Uitgangspunten
gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. overstroming; 3. hitte; 4. droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag De planlocatie is gelegen ten nooordoosten en zuidoosten van Kerkehout waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn. Met de ontwikkeling is er sprake van een afname in het aantal verharding in het plangebied. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat voor het plangebied een extreem kleine kans op overstromingen van tussen de 1/30.000 per jaar geldt. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Hitte In het stedelijk gebied speelt het thema hittestress een belangrijke rol. Met de beoogde ontwikkeling neemt de verharding in het plangebied af en wordt het plangebied veel groener ingericht dan wat nu het geval is. Het planten van nieuwe bomen zorgt voor meer groen en schaduw. Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress.
Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Met de beoogde ontwikkeling neemt het aantal verharding in het plangebied fors af. Door het plangebied groen in te richten wordt een bijdrage geleverd in het vasthouden van water. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.
3.3. Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Wassenaar 2015 - Landgoed aan zee Op 22 maart 2017 is de Structuurvisie 2025 ‘Landgoed aan zee’ vastgesteld. Dit document beschrijft de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Wassenaar op middellange termijn. De ruimtelijke opgave voor de komende jaren richt zich op de instandhouding en versterking van deze ruimtelijke hoofdstructuur. De structuurvisie geeft nut en noodzaak aan van het duurzaam behoud van de unieke kwaliteiten van Wassenaar voor volgende generaties. Wassenaar wordt niet verder uitgebreid. Nieuwbouw in het dorp is mogelijk door vervanging van bestaande voorraad, herbestemming of op vrijgekomen locaties. Nieuwe ontwikkelingen moeten passen in maat en schaal bij het groene, kleinschalige en historische karakter van Wassenaar. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden de twee percelen opnieuw ingericht. De bestaande kassen op het perceel aan de Laan van Pluymestein zijn in zeer slechte staat en zullen met de beoogde ontwikkeling verdwijnen. Ook zullen de opstallen bij de boerderij van het perceel aan Het Kerkhout verdwijnen. Hiervoor in de plaats zal de oude boerderij opgeknapt worden en twee nieuwe vrijstaande woningen worden gebouwd. Deze ontwikkeling zal een aanzienlijk kwalitatieve verbetering opleveren.
Beide percelen zullen groener ingericht worden en de oude slotenverkaveling bij het perceel aan de Kerkehout zal worden hersteld.
12 Nota van Uitgangspunten
De beoogde ontwikkeling zal aansluiting vinden met het historische karakter, de kleinschaligheid en het groen van Wassenaar. Met al deze drie punten is met de beoogde ontwikkeling rekening gehouden. Met de nieuwbouw is sprake van een herontwikkeling van de huidige bebouwing, waarbij de bestaande kwaliteiten van het gebied aanzienlijk worden versterkt. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de structuurvisie van de gemeente Wassenaar. 3.3.2 Woonvisie Wassenaar 2021-2025 In de Woonvisie Wassenaar 2021-2025 (vastgesteld op 17 december 2019) is het woonbeleid van de gemeente voor de komende vier jaar geschetst. De woonvisie is een document van de gemeente, waarin de gemeente verwoord wat ze voor ogen heeft met het wonen in Wassenaar, wat zij daar zelf aan bijdraagt en wat van andere partijen wordt gevraagd. In deze woonvisie wordt op basis van een analyse, taken die op gemeenten afkomen vanuit landelijk beleid en interviews met stakeholders invulling gegeven aan de opgaven. Uit de analyse blijkt dat de druk op de woningmarkt hoog blijft gezien de voorziene bevolkingsontwikkeling. Dit betekent een nadrukkelijke rol voor de gemeente om de schaarse ruimte voor nieuwbouw zo gericht mogelijk in te zetten. Planspecifiek In de gemeente moeten er tot en met 2030 ca. 950 woningen worden bijgebouwd.
In de afgelopen jaren is vergeleken met de rest van Nederland weinig bijgebouwd. In Wassenaar is er sprake van achterstand van het aantal te bouwen woningen. Voor de komende jaren heeft de gemeente de ambities om 50 tot 70 woningen per jaar te bouwen. 50% van de te bouwen moeten worden gebouwd in de middeldure sector. De beoogde ontwikkeling ziet toe op de bouw van twee vrijstaande woningen buiten de dorpsgrenzen van Kerkehout. Daarmee kan een kleine bijdrage worden geleverd aan de te bouwen woningen in de gemeente. In de woonvisie wordt ook veel aandacht besteed aan de duurzaamheidsaspecten. De woningen van de beoogde ontwikkeling worden onder andere gasloos gebouwd. De duurzaamheidsaspecten worden verder verwoord in toelichting paragraaf 4.11. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de woonvisie van de gemeente Wassenaar. 3.3.3 Erfgoedvisie Wassenaar 2018-2024 Op 23 januari 2018 is door het college van burgemeester en wethouders de Erfgoedvisie Wassenaar 20182024 ‘Naar een erfgoedzorg voor iedereen’ vastgesteld. De Erfgoedvisie is, middels de campagne ‘doe een erfgoedwens’, samen met de inwoners van Wassenaar opgesteld. De visie is gestoeld op twee belangrijke fundamenten: 1. De intrinsieke waarde van erfgoed: de schoonheid en de historie in erfgoed te herkennen; 2.
De duurzame gebruikswaarde: erfgoed en monumenten worden benut voor wonen, werken en recreëren en voor het beleven. Wassenaar bezit als "Landgoed aan zee" een breed spectrum aan bijzondere cultuurhistorische kwaliteiten. Deze vertegenwoordigen een groot kapitaal en is ook een sterk merk. Nieuwe ontwikkelingen dienen de identiteit en authenticiteit te waarborgen en waar mogelijk te versterken. In de erfgoedvisie zijn zeven erfgoedthema's te onderscheiden. Deze thema’s bepalen voor een belangrijk deel de kernkwaliteiten van het Wassenaarse erfgoed. De thema’s van Het Verhaal van Wassenaar zijn als volgt: 1. het historisch dorpscentrum met haar woon-winkelcultuur, de bedrijvigheid en bouwhistorisch waardevolle bebouwing; 2. het agrarisch erfgoed (incl. de bollencultuur); 3. de buitenplaatscultuur; 4. de villacultuur (incl. automobielcultuur); 5. de bad- sport- en recreatiecultuur; 6. de ankerpunten in de wijk en historische elementen;
13 Nota van Uitgangspunten
7. militair erfgoed. Planspecifiek Voor de twee deelgebieden zijn met name de buitenplaatscultuur en de villacultuur van belang. Uniek voor de omgeving van het plangebied is de aaneengesloten landgoederenzone die op de strandwallen is ontstaan en de ruggengraat vormt van het Landgoed aan zee. De historische parken vertegenwoordigen een meer dan 400 jaar oude traditie van omgaan met de natuur. Huis en tuin zijn bij de buitenplaatsen ruimtelijk en functioneel onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het plangebied gelegen aan de Laan van Pluymestein 11 is gelegen grenzend aan Landgoed Oud Clingendael. Tegenover het perceel van Het Kerkehout 64 staat 'De Kerkewoning’, een Rijksmonument uit de 17e eeuw. Het is duidelijk dat de twee deelgebieden onderdeel zijn van een gebied van hoge cultuurhistorische waarde. Om die reden is een cultuurhistorische analyse uitgevoerd: zie toelichting paragraaf 4.9 Cultuurhistorie. Daaruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling vanuit ruimtelijk-historisch oogpunt mogelijk is. 3.3.4 Groen- en Watervisie 2015 - 2019 De Gemeente Wassenaar heeft in 2016 de Groen- en Watervisie 2015-2019 vastgesteld. Deze visie gaat onder ander in op de vraag op welke wijze het unieke groene karakter van Wassenaar behouden en versterkt kan worden. In de visie is het streven vastgelegd om de groenste gemeente van de Randstad te zijn.
Wassenaar streeft daarom naar uitbreiding van het groen en het behoud en versterking van het groen in de landgoederenzone en in de villawijken. Wassenaar is een groene gemeente, maar om zich te onderscheiden van zijn omgeving en te voldoen aan de behoeften die er in de samenleving zijn, moet er nog meer groen bij. Gemeente Wassenaar heeft in 2016 de Groen- en Watervisie 2015-2019 vastgesteld. Deze visie geeft antwoord op de vraag op welke wijze het unieke groene karakter van Wassenaar behouden en versterkt kan worden. In de visie is het streven vastgelegd om de groenste gemeente van de Randstad te zijn. Wassenaar streeft daarom naar uitbreiding van het groen en het behoud en versterking van het groen in de landgoederenzone en in de villawijken. Wassenaar is een groene gemeente, maar om zich te blijven onderscheiden van zijn omgeving en te voldoen aan de behoeften die er in de samenleving zijn, dient de kwaliteit van het groen behouden te blijven en, waar mogelijk, versterkt te worden. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden twee deelgebieden opnieuw ingericht. Voor beide gebieden geldt dat er sprake zal zijn van een aanzienlijk toename van groen. Voor het gebied aan Het Kerkehout worden er meerdere agrarische opstallen gesloopt en wordt er slechts één woning bijgebouwd. De rest van het perceel wordt groen ingericht, passend bij de omgeving.
Voor het plangebied aan de Laan van Pluymestein geldt dat de bestaande kassen worden gesloopt en dat ook hier slechts één woning voor terugkomt. Met de beoogde ontwikkeling wordt het groene karakter van Wassenaar versterkt en verbeterd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de groen- en watervisie van de gemeente Wassenaar.
3.3.5 Geldend bestemmingsplan Het plangebied is onderdeel van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015' dat is vastgesteld door de gemeente Wassenaar op 6 april 2015. Ook valt een deel bij Het Kerkehout 64 binnen het bestemmingplan 'Kerkehout 2010', dat is vastgesteld door de gemeente Wassenaar op 11 april 2011. Tevens geldt het 'Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar - Panden, objecten en archeologie', vastgesteld door de gemeente Wassenaar op 12 april 2018. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van de geldende bestemmingsplannen.
14 Nota van Uitgangspunten
Uitsnede geldend bestemmingsplannen, globale begrenzing plangebied: rode omkadering (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Het Kerkehout 64 In het geldende bestemmingsplan ‘Landelijke Gebied 2015’ hebben de betreffende gronden de bestemming ‘Agrarisch - Bedrijfscentrum’, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch bedrijfscentrum - bouwstede’, bedoeld voor (rund)veehouderijbedrijven. Verder is een ‘bedrijfswoning’ aangeduid. De ontsluiting van het aangrenzende perceel Het Kerkehout 103 verloopt via de agrarische bestemming. Een deel van het plangebied valt binnen het bestemmingplan 'Kerkehout 2010'. Hier geldt grotendeels de bestemming 'Recreatie - Volkstuin'. Verder zijn hierin water-, groen- en verkeersbestemmingen opgenomen, conform de bestaande situatie. Laan van Pluymestein 11 In het geldende bestemmingsplan ‘Landelijke Gebied 2015’ hebben de betreffende gronden de bestemming ‘Bedrijf – Hoveniersbedrijf'. Het perceel is voorzien van een bouwvlak van ca. 950 m² ter plaatse van de bestaande kassen. Paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar - Panden, objecten en archeologie Een deel van het deelgebied Kerkehout 64 is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - karakteristieke of beeldbepalende zaak'.
Deze gronden zijn bestemd voor het behoud en zo mogelijk de versterking van de aan deze gronden, panden en objecten eigen zijnde cultuurhistorische waarden. De gronden van Het Kerkehout 64 hebben ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3', voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. Bij werkzaamheden groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm dient er archeologisch onderzoek plaats te vinden. De gronden van het deelgebied Laan van Pluymestein hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Bij werkzaamheden dieper dan 30 cm dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. Met de beoogde ontwikkeling wordt op beide percelen bebouwing en bouwwerken gesloopt. Vervolgens worden op beide percelen een woning toegevoegd en wordt een bestaande woning aangewend als burgerwoning. Dit past niet binnen de mogelijkheden van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen.
15 Nota van Uitgangspunten
4. Milieu- en omgevingsaspecten In een ruimtelijke onderbouwing moet aandacht worden besteed aan milieu- en omgevingsaspecten. Van belang is te weten of een planvoornemen in overeenstemming is met wettelijke normen. Er wordt aandacht besteed aan de volgende thema’s: Milieueffectrapportage Bodem Akoestiek- geluid Milieuzonering Luchtkwaliteit Externe veiligheid Ecologie Waterhuishouding Cultureel erfgoed Verkeer en parkeren Duurzaamheid
4.1. Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.beoordeling aan de orde is, moet:
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
16 Nota van Uitgangspunten
Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met de voorgenomen ontwikkeling worden meerdere agrarische opstallen en verouderde kassen gesloopt. Hiervoor in de plaats worden twee vrijstaande woningen gebouwd. Daarmee worden er twee woningen toegevoegd ten opzichte van de huidige (planologische) situatie. Echter nemen de bebouwingsmogelijkheden niet toe ten opzichte van de bestaande (planologische) situatie. Er kan dan ook gesteld worden dat er naar aard en omvang geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht.
Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2. Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Aangezien op de beide locaties sprake is van een verandering naar een strenger bodemgebruik, is een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) vereist om aan te tonen dat de gronden geschikt zijn voor de beoogde woonfunctie. Hiertoe wordt een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
4.3. Akoestiek- geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
17 Nota van Uitgangspunten
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). De locatie Het Kerkehout 64 ligt buiten de zone van de N44.
De locatie ligt aan het eind van Het Kerkehout, een doodlopende weg die alleen wordt gebruikt door aanwonenden. Deze weg is om die redenen akoestisch niet relevant. Voor deze locatie is geen verder onderzoek noodzakelijk. De beoogde woning op het deelgebied Laan van Pluymestein 11 ligt binnen de wettelijke geluidzone van de N44, zodat een akoestisch onderzoek vereist is om aan te tonen dat voldaan wordt aan de bepalingen van de Wgh. Er wordt een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd.
4.4. Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.
In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
18 Nota van Uitgangspunten
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Aan de hand van het vigerende bestemmingsplan is in kaart gebracht wat voor bedrijfsactiviteiten er aanwezig zijn in de nabijheid van de twee plangebieden. Hieronder wordt per plangebied besproken of er wordt voldaan aan de richtafstanden zoals die zijn aangeven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. Beide plangebieden kunnen worden aangegeven als 'rustig buitengebied'. Het Kerkehout 64 In de nabijheid van het perceel gelegen aan Het Kerkehout 64 liggen ten noorden de sportvelden van Sport Vereniging Wassenaar. Voor sportvelden met lichtmasten geldt een milieucategorie van 3.1 en een richtafstand van 50 meter. Het meest dichtgelegen sportveld, een honkbalveld zonder lichtmasten, bevindt zich op ruim 50 meter van het plangebied, zoals op onderstaande afbeelding te zien. De beoogde ontwikkeling zal geen belemmering ondervinden van de sportvelden. Er zijn geen andere activiteiten in de omgeving van het perceel aan Het Kerkehout 64.
Laan van Pluymestein 11 Het plangebied aan de Laan van Pluymestein is gelegen in rustige buitengebied. Wel bevinden zich ten oosten van het plangebied gronden met de bestemming 'Bedrijf - Hoveniersbedrijf'. Bij een oppervlakte groter dan 500 m² moet er worden uitgegaan van een millieucategorie van 3.1 en een richtafstand van 50 meter. Het plangebied ligt op ruim 90 meter afstand en voldoet daarmee aan de richtafstand. Er zijn geen andere bedrijfsactiviteiten in de omgeving van dit deelgebied aanwezig. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering ondervindt voor wat betreft het aspect milieuzonering
4.5. Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
19 Nota van Uitgangspunten
Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden twee woningen gebouwd.
Er zal sprake zijn van een minimale toename van de voertuigbewegingen van en naar het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als een NIBM-project; er is geen sprake van een 'groot' project waar meer dan 3% bij wordt gedragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De ontwikkeling draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m³ voor zowel fijnstof PM10 als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) aan Het Kerkehout bedragen respectievelijk 17 μg/m³ PM10, 9 μg/m³ PM2,5 en 17 μg/m³ NO2. en aan de Laan van Pluymestein respectievelijk 17 μg/m³ PM10, 9 μg/m³ PM2,5 en 18 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden en wordt voldaan aan de door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) en GGD bepaalde advieswaarden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
4.6. Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.