013 Bijlage 1 Cultuurhistorische Verkenning
Tekst van het document
Wassenaar, ANWB-kantoor Wassenaarseweg 220
Auteur: Drs. ing. A.G. Oldenmenger
Cultuurhistorische verkenning
BAAC Rapport B-19.0107
CONCEPT RAPPORT d.d. 19 april 2019 DEFINITIEF RAPPORT d.d. 23 mei 2019 (redactionele op- en aanmerkingen verwerkt, stelling met betrekking tot aanbouwen rotonde toegevoegd alsmede enkele voetnoten, visie toegevoegd met betrekking tot het stedenbouwkundige plan uit 2018). d.d. 21 juni nog enkele redactionele opmerkingen verwerkt en een inhoudsopgave en samenvatting toegevoegd.
ISSN:
1873-9350
Redactie:
ir. R.J.W.M. Gruben
Veldwerk:
drs. ing. A.G. Oldenmenger
Fotografie:
drs. ing. A.G. Oldenmenger
Teksten:
drs. ing. A.G. Oldenmenger
Waardering:
ir. R.J.W.M. Gruben drs. ing. A.G. Oldenmenger drs. L. van Hemert
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of BAAC bv.
BAAC Archeologie en Bouwhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl
Cultuurhistorische verkenning
2
Inhoud
1
Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4
2 3 4 5
Historische inleiding Ruimtelijke ontwikkeling Eerste ontwerpen Het kantoorgebouw 5.1 5.2 5.3 5.4 5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.5 5.6 5.6.1 5.6.2 5.6.3 5.6.4
6
7
10 12 15 23
Algemeen De ontwerpgeschiedenis Bouwmassa Het exterieur Architectuur De bouwkunde Ornamentiek De constructie Het interieur De trappenhuizen De kluis De kunstwerken Recenter interieur
De rotonde 6.1 6.2 6.3 6.3.1 6.3.2 6.4
5
Uitgangspunten Bouwhistorisch onderzoek Monumentale waarde en monumentenbeleid De waarderingsmethodiek - leeswijzer
39
Bouwmassa De constructie Het exterieur De gevels De entree Het interieur
Het tuinontwerp
57
7.1 Algemeen 7.2 Ontwerpen 7.3 Huidige toestand 7.3.1 De Kuystenpromenade en de waterkant 7.3.2 De entreezone 7.3.3 Zone voorlangs het kantoorgebouw 7.3.4 Zone achterlangs het kantoorgebouw
8
9
De brug 8.1
Algemeen
8.2
Constructie
De parkeerplaats 9.1 9.2 9.3 9.4
3
Het parkeerterrein in eerste aanleg De eerste uitbreiding De tweede uitbreiding De laatste uitbreiding
78
80
9.5
10
De huidige opluistering
Waardering
97
10.1 Waardendefinities 10.2 Waardering 10.2.1 Algemene historische waarde 10.2.2 Ensemblewaarden en stedenbouwkundige waarden 10.2.3 Architectonische waarden 10.2.4 Bouwhistorische waarden 10.2.5 Waarden vanuit de gebruikshistorie 10.3 Waardenstellingen 10.3.1 Waardenstellingen met betrekking tot het kantoorgebouw 10.3.2 Waardestellingen met betrekking tot de rotonde 10.3.3 Waardestellingen parkeerterrein 10.3.4 Waardestellingen tuinaanleg 10.3.5 Waardestellingen brug, pylonen en hek 10.3.6 Overige objecten
Verantwoording Stedenbouwkundig kader (2018) Samenvatting Over BAAC
Cultuurhistorische verkenning
124 125 128
4
1 1.1
Inleiding
Uitgangspunten
In verband met een voorgenomen ontwikkeling van het kantoorcomplex van de ANWB aan de Wassenaarseweg 220 in Wassenaar, is behoefte aan een document waarin de cultuurgeschiedenis van het complex uiteen wordt gezet en waarin een waardering wordt gegeven van alle zaken die een rol van betekenis kunnen spelen bij de planvorming die aan de ontwikkeling vooraf gaat. Dat het gebouw en het terrein van betekenis zijn, wordt duidelijk door de vrij recente (2014) aanwijzing van het hoofdgebouw (gebouw A), de parkeerplaats én de toegangsbrug als rijksmonument. De ANWB heeft deze aanwijzing omarmd, wat onder meer moge blijken uit een publicatie over de geschiedenis van het complex die met de aanwijzing gepaard ging. In de redengevende omschrijving van het de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is de onderstaande waardering opgenomen. Het monumentale ensemble is geregistreerd onder het monumentnummer 532194. De redengevende omschrijving luidt:
Hoofdkantoor ANWB, rotonde met luifel en bordes, parkeerterrein, groenaanleg met vijver, brug, hek met zijvleugels/traliehekwerk. In het kader van de aanwijzingsprocedure zijn wel documenten opgesteld die meer inzicht verschaffen in de reden waarom de minister heeft besloten om de status van rijksmonument te verlenen.1 De status van dit document is onduidelijk en er staan enkele fouten in. Terzijde zij opgemerkt dat aanwijzing als rijksmonument de laatste decennia een zeldzaamheid is. Dit geeft wel aan welk belang men het gebouw inmiddels toekent. Die redengevende omschrijving is bondig, gespeend van iedere vorm van onderbouwing en geeft geen inzicht in waardendifferentiatie. Met het oog op de voorgenomen ontwikkeling is de waardering door de RCE beperkt, omdat de betekenis van de verschillende onderdelen waaruit het complex is samengesteld niet of nauwelijks verklaard wordt. Het voornaamste doel van deze verkenning is om die lacune weg te nemen, maar ook om te komen tot een bredere basis voor de cultuurhistorische component in een stedenbouwkundige studie die in 2018 in opdracht van de gemeente Wassenaar werd uitgevoerd.2 Voor de verkenning van het complex is door de opdrachtgever voldoende tijd ter beschikking gesteld.
Het was mogelijk om archiefonderzoek uit te voeren in Het Nieuwe Instituut in Rotterdam, waar het archief van architect Johannes Fake Berghoef (1903-1994) wordt bewaard, het Haagse Gemeentearchief waar vooral beeldmateriaal is geraadpleegd én het archief van landschapsarchitect Wim Boer. Daarnaast is kennis genomen van voor het gebouw specifieke artikelen en literatuur. Het is van belang om daarbij op te merken dat dit onderzoek niet volledig is (zo is het bedrijfsarchief van de ANWB niet geraadpleegd, er werd 1 2
5
https://docplayer.nl/7438404-Monument-wassenaar-anwb-hoofdkantoor.html Zie hiervoor de korte bijdrage achterin deze rapportage.
volstaan met het bestuderen van het boekje dat door de bedrijfsarchivaris is geschreven ter opluistering van de toekenning van de monumentale status). Naar verwachting heeft dit geen consequenties voor de waardering in deze rapportage. Aan de ANWB-publicatie heeft een intensief onderzoek van het bedrijfsarchief ten grondslag gelegen.3 Na afronding van het archiefonderzoek vond het veldwerk plaats. Het complex is gedurende één dag verkend. De verkenning kende een non-destructief karakter. Er zijn geen afwerkingen verwijderd om dragers in het zicht te brengen. Tijdens de verkenning is een fotodocumentatie gemaakt die op een separate drager is aangeleverd.
Het gebouw rood gemarkeerd (BAG-viewer). Op dit kaartje is ook de gemeentegrens tussen Den Haag en Wassenaar weergegeven. De gemeentegrens is ook de grens tussen een rijksbeschermd stadsgezicht en een rijksbeschermd dorpsgezicht. Rechtsboven het complex het landgoed Clingendael.
1.2
Bouwhistorisch onderzoek
Bouwhistorici analyseren de draagconstructies, de gevels én het interieur van historische gebouwen. Vormen, materialen en bouwtechnieken hebben veelal tijdsgebonden eigenschappen die door de bouwhistoricus worden herkend. Daardoor wordt het voor de bouwhistoricus mogelijk om inzicht te geven in de wijze waarop het pand werd gebouwd, en hoe het daarna door verbouwingen is getransformeerd in het gebouw zoals dat tegenwoordig is. Het nut van het bestuderen van constructies, structuren en afwerkingen is primair het vergroten van kennis omtrent het bouwen in het verleden. Die kennis is in brede zin noodzakelijk om op verantwoorde wijze met gebouwd erfgoed in Nederland om te gaan. Daarbij valt niet alleen te denken aan restauraties, maar ook aan verbouwingen. De kennis over het historische bouwen stelt de bouwhistoricus ook in staat om bij objectgericht onderzoek uitspraken te doen ten aanzien van de monumentale waarde, van het object als geheel en van de onderdelen waaruit het is samengesteld. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek (2009) waarin als toetsingscriteria de mate van authenticiteit en zeldzaamheid zijn genoemd. 3
De bedrijfsarchivaris is gevraagd om dit conceptrapport van commentaar (verbeteringen en aanvullingen) te voorzien.
Cultuurhistorische verkenning
6
De door de bouwhistoricus vervaardigde rapportage met waardering en waardenstellingen kunnen gebruikt worden door architecten en planontwikkelaars ter inspiratie voor noodzakelijk geachte ontwikkelingen en door overheden en monumentencommissies om de rapporten en verbouwplannen te toetsen.
Het complex omstreeks 1962 met de tuin in aanlegfase.
1.3
Monumentale waarde en monumentenbeleid
Het besef dat er door de overheid moet worden gestreefd naar het behoud van het gebouwde erfgoed met als doel deze objecten als nalatenschap van voorouders te behouden tegen sloop, is in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstaan. Dit besef resulteerde in 1875 in het oprichten van de afdeling Kunsten en Wetenschappen bij het Departement van Binnenlandse zaken. Wetgeving met als doel bescherming te bieden aan het gebouwde erfgoed zou nog lang op zich laten wachten. Na de Tweede Wereldoorlog kwam er de Tijdelijke Wet Monumentenzorg waarin stond dat onroerende zaken vermeld in de Voorlopige lijst der Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst (1908-1933), niet mochten worden gesloopt of veranderd zonder toestemming van de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen. De eerste ‘echte’ monumentenwet werd pas in 1961 van kracht. Daarin werd een definitie opgenomen voor een (beschermd) monument, namelijk: alle vóór ten minste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde. 4 In 1965 waren 1784 rijksmonumenten geregistreerd. Tegenwoordig (2017) zijn er 5 in Nederland zo’n 63.000 rijksmonumenten. Aanwijzing van een pand als rijksmonument is tegenwoordig een zeldzaamheid. Lange tijd lag de verantwoordelijkheid voor het aanwijzen van monumenten bij het Rijk.
Dat veranderde in 1988 toen de monumentenzorg werd gedecentraliseerd. Veel gemeenten ontwikkelden een eigen erfgoedbeleid, wat vaak gepaard ging met de aanwijzing van gemeentelijke monumenten. Hoeveel gemeentelijke monumenten er in ons land zijn, is door verspreide registratie niet bekend. Volgens schattingen zijn er ongeveer 55.000 gemeentelijke monumenten. 4 5
7
http://erfgoedmonitor.nl/indicatoren/gebouwde-rijksmonumenten-aantal. http://erfgoedmonitor.nl/indicatoren/gebouwde-rijksmonumenten-aantal.
De term monument is voor gebouwd erfgoed nogal abstract in de zin dat zij zich moeilijk laat definiëren, anders dan zijnde een juridische status met bescherming tot doel. Het woord monument is een afgeleide van het Latijnse monumentum, dat gedenkteken betekent. In relatie tot het gebouwde kan dit vrij vertaald worden als een ‘herinnering aan’: een bouwwijze, architectuur, gebruik (cultuur) of historische gebeurtenis. Ook de term waarde heeft iets abstracts, omdat waarde (geen grootheid) vaak sterk persoonsgebonden is. Wat voor de één veel betekenis heeft, kan door een ander als rommel worden ervaren. In de context van gebouwd erfgoed wordt waarde gedefinieerd als term voor wat de samenleving als geheel belangrijk vindt, vaak met het oog op de eigen cultuur en identiteit. De door BAAC opgestelde waardering is een zo objectief mogelijke waardering, uitsluitend gebaseerd op de gegevens die in deze rapportage zijn gepresenteerd. Objectiviteit wordt nagestreefd door de waardering niet alleen op te stellen, maar door drie bouwhistorici samen. Verder is het van belang te vermelden dat ter voorkoming van subjectiviteit aspecten als de bouwtechnische toestand, gebruikersbelangen, ontwerpoverwegingen en economische aspecten buiten beschouwing zijn gelaten.
In het traject van ontwikkeling dienen de hier genoemde aspecten afgewogen te worden tegen de op bouwhistorische gronden opgestelde waardering in deze rapportage. Naarmate monumentale waarden hoger zijn, zal men met meer kracht van argument moeten kunnen verdedigen dat aantasten nodig en toelaatbaar is. Het kan dus zo zijn dat bouwtechnische omstandigheden, economische belangen of bijvoorbeeld duurzaamheid er toe leiden dat monumentaal hoog gewaardeerde onderdelen van het object verdwijnen. De beoordeling en afweging is te maken door de toetsende instanties.
1.4
De waarderingsmethodiek - leeswijzer
In de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek (2009) wordt ten aanzien van het bepalen van de monumentale waarde onderscheid gemaakt in drie gradaties, te weten; hoge monumentale waarde, positieve monumentale waarde en indifferente monumentale waarde. De begripsbepalingen in de richtlijnen laten echter veel onduidelijk. Vast staat dat bij alle drie de gradaties sprake is van monumentale waarde. Indifferente monumentale waarde dient namelijk te worden toegekend aan elementen die van relatief weinig belang zijn voor de structuur en/of de betekenis van het object. De richtlijnen laten geen ruimte om elementen aan te duiden die volstrekt van geen betekenis voor de structuur en/of het object zijn. BAAC hanteert derhalve een vierde gradatie; geen monumentale waarde. In deze categorie zullen in principe elementen worden geplaatst die relatief - recent zijn aangebracht, met dien verstande dat daarop uitzonderingen denkbaar zijn (bijvoorbeeld restauratiewerk, reconstructiewerk of een duidelijk aantoonbare toegevoegde kwaliteit). Deze elementen zijn veel voorkomend. Het is ook mogelijk dat ze een aantasting zijn van de onderdelen met een hogere monumentale waarde. Positieve monumentale waarde dient volgens de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek toegekend te worden aan elementen die van belang zijn voor de structuur en/of de betekenis van het object.
Hoge monumentale waarde moet worden toegekend aan zaken die van cruciaal belang zijn voor de structuur of de
Cultuurhistorische verkenning
8
betekenis van het object. Deze definities laten ruimte voor interpretatie doordat het onderscheid tussen ‘van belang’ en ‘van cruciaal belang’ niet is gegeven. BAAC geeft het verschil in definitie inhoud door positieve monumentale waarde als basiswaarde te beschouwen en hoge monumentale waarde toe te kennen wanneer sprake is van een bijzondere of uitzonderlijke situatie. In het hoofdstuk ‘waardering en waardenstelling’ zal uitvoerig worden ingegaan op de definitie van de toetsingscriteria en de waardencategorieën om ervoor te zorgen dat eigenaren, planvormers en plantoetsers in onderling overleg de termen eenduidig hanteren. Tevens wordt een vertaalslag gegeven van de vastgestelde monumentale waarden naar praktische handvaten met het oog op mogelijke ingrepen.
9
2
Historische inleiding
Om de betekenis van de ANWB in Nederland te kunnen duiden, kan niet voorbij worden gegaan aan de vroegste geschiedenis, die ons terugbrengt in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. In 1883 werd door verschillende wielerverenigingen besloten om naar Engels voorbeeld een Bond op te richten met als doel fietstoerisme te stimuleren, bijvoorbeeld door fietskaarten (met pleisterplaatsen) te publiceren, bewegwijzering te plaatsen en een bondsblad (de Kampioen) uit te brengen. Het is de tijd dat rondgereden werd op de zogenaamde hoge bi, de ijzeren fiets met groot voorwiel en klein achterwiel en fietsen nog een noviteit was. Aan het begin van de twintigste eeuw werd besloten ook belangen te behartigen van gemotoriseerd toerisme (met name automobiel, maar ook de pleziervaart) die in de beginjaren ondersteunende voorzieningen ontbeerden. Daarna werd geparticipeerd in en vaak ook het voortouw genomen om verkeersveiligheid voor alle gebruiker te verbeteren en de toerist gedragsregels bij te brengen door middel van affiches en campagnes. In de jaren dertig en veertig werden de pijlen gericht op kampeertoerisme en op de pechhulp (de wegenwacht). De organisatie groeide door de jaren heen gestaag.
De oorsprong van de ANWB ligt in fietsvertier en toerisme.
Het hoofdkantoor was eerst gevestigd aan de Parkstraat in Den Haag, waar door aankoop van buurpanden en panden in de buurt ruimte werd gevonden voor de expansie. In 1930 kwam Hendrik Jan van Balen (1897-1973) aan het roer van de ANWB te staan. Hij gaf leiding tijdens roerige decennia van recessie, oorlog en
wederopbouw en ontvouwde in 1952 zijn plannen om een nieuw kantoorgebouw op te laten richten. Doel daarvan was onder andere om een einde te maken aan de gebreken van de in een groot aantal stadspanden ondergebrachte onderneming. De voornaamste tekortkomingen waren gebrekkige communicatie, hoge exploitatiekosten, parkeerproblemen en uitbreidingsmogelijkheden. De jaren 1952-1962 stonden in het teken van planvorming, planwijziging, het verkrijgen van bouwtoestemming en de daadwerkelijke bouw. Het was een complex traject, mede vanwege de ligging van het bouwterrein, in Wassenaar, aan de gemeentegrens met Den Haag, in een recreatiegebied dat deel uitmaakte van een waardevol landgoed (Clingendaal) waardoor ook provincie en het ministerie hun zegen moesten geven. Het was een periode waarin de auto gemeengoed werd, kampeertoerisme een grote vlucht nam en het aantal medewerkers van de ANWB sterk groeide. We zien in deze tijd ook de eerste praatpalen langs de snelweg verschijnen, de eerste (dagelijkse) files en de verkeersinformatie én de oprichting van de alarmcentrale.
Kantoor van de ANWB aan de Parkstraat in Den Haag. Deze panden bestaan thans nog, de gevelbekleding links op de foto is wel verdwenen. Rechterfoto Hendrik Jan van Balen tijdens zijn afscheid in 1955.
11
3
Ruimtelijke ontwikkeling
Het gaat te ver om binnen de kaders van deze verkenning diep in te gaan op de geschiedenis van het landgoed Clingendael. Zonder informatie over de ontwikkeling van dit goed, kan het rapport echter ook niet. De oorsprong is vóór 1600 te zoeken, wanneer hier een boerderij met landerijen zal hebben gelegen. Het vormt de basis voor het buitenhuis/landgoed dat hier in de zeventiende eeuw gebouwd/aangelegd zou worden. Het goed bestaat uit het hoofdhuis met bijgebouwen, een tuin en uiteraard de nodige bossen, veegronden en akkers. De tuinen zijn aanvankelijk vóór en achter het huis te vinden. Door de tijd heen wordt de tuinaanleg gemoderniseerd en uitgebreid. Het terrein waar de ANWB omstreeks 1953 het oog op liet vallen, zal vrijwel zeker sinds de cultivering een agrarische bestemming hebben gehad.
Kaart van Clingendael uit 1733 met rechts onder (O en P) het terrein waar ruim twee eeuwen later het hoofdkantoor van de ANWB zou worden gebouwd. Bron: Gemeentearchief Den Haag. Percelen zijn in 1832 (kadastrale kaart) onveranderd.
De grond die nodig was voor de bouw van het nieuwe onderkomen van de ANWB werd verkregen van de Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen Laan van Meerdervoort.6 Die maatschappij had de gronden in 1952 aangekocht van de laatste particuliere eigenaar van Clingendael. In de plannen van de gemeente Den Haag speelde Clingendael een belangrijke rol vanwege het landelijke karakter aan de grens van de stad en de mogelijkheden die dat de stadsbewoners ter recreatie bood. Het zal ook om die reden zijn dat de gemeente Den Haag in 1954 besloot om Clingendael aan te kopen. Het stadsbestuur zal dan 6
wikipedia.org/wiki/Maatschappij_tot_Exploitatie_van_Onroerende_Goederen_Laan_van_Meerdervoort
ook zeker niet blij zijn geweest, toen een essentieel stuk van het landgoed in 1953 door de Maatschappij aan de ANWB werd verkocht.
Uitsneden van topografische kaarten uit 1876 (Clingendael en Smokkelbrug), 1912 (sportterrein), 1934 (Van Alkemadelaan), 1952 (uitbreidingswijken Den Haag en Paddock?), 1958 (Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en 1964 (ANWB). Bron: topotijdreis.nl
De ten tijde van de grondaankoop door de ANWB bestaande situatie was zeker niet ledig. Op de kruising van de rond 1925 aangelegde Van Alkemadelaan en de veel oudere Wassenaarseweg was sinds 1943 manege Paddock gevestigd. Iets verderop aan de laan stonden het complex van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, dat daar in 1946 werd gevestigd (nu staat daar de Koningin Beatrixkazerne). Langs de laan en de weg liep reeds een sloot/gracht waarvan de wal aan de zijde van Clingendael met bomen was beplant. Dit blijkt uit foto’s van vlak vóór de bouw van het nieuwe kantoor van de ANWB. Zoals gesteld was er sprake van een ingewikkelde stedenbouwkundige situatie door de verschillende begrenzingen die hier samenkwamen: gemeente Wassenaar, gemeente Den Haag en landgoed Clingendael. Bij de planvorming moest worden onderhandeld met de gemeenten, met de provincie, met het rijk én met enkele belangenverenigingen (natuur). De gemeente Wassenaar diende de rooilijn aan de Wassenaarseweg te bepalen, de rooilijn aan de Van Alkemadelaan werd vastgesteld door de gemeente Den Haag, om maar een
13
voorbeeld te noemen. De rooilijn aan de Wassenaarseweg werd op 50 meter gelegd, een afstand die voor wat problemen zorgde omdat de rotonde deze rooilijn dreigde te doorsnijden. Het lijkt er overigens op dat de halve hectometer van hogerhand werd opgelegd door het ministerie, dat hiermee het landelijke karakter van de Wassenaarseweg trachtte te behouden.7
Kadasterkaart waarop de kavel, gemeentegrenzen en de rooilijnen zijn ingetekend. Bron: Het Nieuwe Instituut, archief Berghoef.
Opname uit de tijd dat het terrein in gebruik was door Manege Paddock, met rechts de Van Alkemadeweg en in de achtergrond de bomen langs de Wassenaarseweg. Bron: Gemeentearchief Den Haag.
7
Zwijnenburg (red), p.14
Cultuurhistorische verkenning
14
4
Eerste ontwerpen
Aan vrijwel ieder ontwerp gaan schetsontwerpen vooraf. Voor het ANWBcomplex is dat zeker het geval, zo blijkt uit een aantal schetsen aangetroffen in het archief van architect Berghoef. De schetsen van Berghoef op calquepapier zijn niet allemaal gedateerd. Het leidt nauwelijks twijfel dat deze van één moment zijn (januari 1955) en bedoeld waren om de ANWB-directie een keuze te laten maken. Een intrigerend ontwerpplan in het archief van de architect is niet van eigen hand, maar van architect Leonard Johannes de Klerk en dateert van september 1953.8 Op deze tekening is door deze kort daarvoor afgestudeerde architect (hij rondde zijn opleiding aan de Technische Hogeschool in Delft in 1952 af) een kantorencomplex getekend. Er staat niet bijgeschreven dat het gaat om een ontwerpplan voor de ANWB, maar in het plan zijn enkele componenten (ontsluiting, massaoriëntatie) aan te wijzen die we in de eerste plannen van Berghoef zien terugkomen, waardoor dit wel mogelijk geacht wordt.
Ontwerp van de hand van architect L.J. de Klerk uit 1953.
Het lijkt er op dat Berghoef aanvankelijk twee varianten inbracht. Het eerste plan voorziet in een kantoorgebouw met daarvoor de ons bekende rotonde en in een hoek achterop het terrein een gebouw dat vermoedelijk het technisch bijgebouw met technostation is. Dezelfde ingrediënten zien we in een alternatief plan dat voorzien is van een compacter (en iets hoger) kantoorgebouw in combinatie met een publieksgebouw op een rechthoekige grondslag, wat als voordeel lijkt te 8
15
http://www.artindex.nl/zuidholland/
hebben dat er voor het complex meer ruimte ontstaat voor tuin en parkeerplaats. Aan de Van Alkemadelaan lijkt in beide gevallen sprake te zijn van een tuin. Een ontsluiting aan deze zijde is door Berghoef in ieder geval nimmer overwogen (hij voorzag verkeerstechnische problemen bij een aansluiting op een verlangrijke verkeersader).
Schetsontwerp gedateerd 25 januari 1955. We zien een gespiegelde hoofdopzet die al veel overeenkomt met het uiteindelijke ontwerp. Wel valt op dat de inrichting en ontsluiting van het terrein (minder ruimte voor parkeren) geheel anders is. Rechts een alternatief met een hoger (compacter) kantoor en een publieksgebouw op rechthoekige grondslag.
Schetstekening van drie varianten voor het publieksgebouw, vermoedelijk gemaakt om de directie van de ANWB voor te leggen in een vroege fase van ontwerp.
In het archief van architect Berghoef is een schetstekening aangetroffen die vermoedelijk drie varianten toont van het publieksgebouw. De eerste op rechthoekige grondslag, de tweede met een vierkante plattegrond en de laatste met de ons bekende rotonde. Publieksruimten zijn in deze schetsen wit gelaten,
Cultuurhistorische verkenning
16
de ruimten voor het ANWB-personeel is in grijstint geaccentueerd. Uit een vroege, vrij gedetailleerd uitgewerkte schetstekening van de architect uit december 1954 zouden we op kunnen maken dat de rotonde zijn voorkeur genoot (van de andere varianten ontbreken vergelijkbare tekeningen), al is dat op basis van de geraadpleegde stukken natuurlijk niet te bewijzen. De tekening uit 1954 laat zien dat de architect op dat moment rekening hield met een rotonde rechtsvoor de kantoorschijf.
Eén van de vroegst gedateerde tekeningen in het archief van Berghoef dateert van december 1954 en laat het concept van de centraalbouw aansluitend op de kantoorschijf zien.
Een behoorlijk ver uitgewerkte tekening gedateerd januari 1955 met daarop een doorsnede over de rotonde en de kantoorschijf, laat zien dat rond die tijd het besluit moet zijn genomen om het plan met de rotonde verder uit te werken. Het ontwerp vertoont dermate veel gelijkenis met de gerealiseerde toestand, dat we het ontwerp voor het ANWB-complex voor wat betreft kantoorschijf en rotonde in 1954-1955 mogen dateren, dat is 6 tot 7 jaar vóór de voltooiing van de bouw, midden in de periode van wederopbouw. Het duurt nog wel enige tijd voordat besloten wordt om de rotonde te verplaatsen naar linksvoor de kantoorschijf. In 1955 worden verschillende situatietekeningen vervaardigd waarop de rotonde steevast rechtsvoor de kantoorschijf te vinden is. Die plaats is ook niet onlogisch omdat de lichte trapeziumvorm van het bouwterrein hier wat meer ruimte biedt. De architect houdt bij deze plannen rekening met een toe- en afrit aan vanaf de Wassenaarseweg en een derde ontsluiting die van en naar een parkeerterrein in de oksel van de kantoorschijf en de rotonde leidde.
17
In januari 1955 zijn al tekeningen gemaakt met onder andere de doorsnede over kantoorschijf en rotonde.
We zien op deze tekeningen vooral wijzigingen ontstaan die betrekking hebben op het technostation (dat op de tekeningen op verschillende wijze is vormgegeven). Op een tekening van december 1955 is voor het eerst het verblijfsgebouw voor de wegenwacht weergegeven en zijn er woningen gekoppeld aan de kantoorschijf. De tekeningen uit 1955 tonen ook dat architect Berghoef met zijn opdrachtgever al had nagedacht over de wijze waarop het complex stedenbouwkundig moest worden ingebed in de omgeving, namelijk door middel van lanen en bosschages, met enkele doorzichten vanaf de Wassenaarseweg (vooral ter plaatse van ontsluitingen) en de Van Alkemadelaan. Een tuinarchitect werd in deze fase vermoedelijk nog niet bij het ontwerp betrokken.
Situatietekening van maart 1955 met technostation en garageboxen in een L-vorm in de achterhoek van de kavel en een in omvang relatief bescheiden parkeerterrein.
Cultuurhistorische verkenning
18
Situatietekening van april 1955 waarin ook lanen en andere boomstructuren prominent zijn weergegeven.
Situatietekening van december 1955 waarop het verblijfsgebouw van de wegenwacht wordt geïntroduceerd én de woningen gekoppeld aan de kantoorschijf. De groenstructuren en zones op deze tekening zien we ook al op schetsen uit begin 1955.
19
Situatietekening eind 1955, mogelijk begin 1956, met verplaatsing van de rotonde en herziening van de ontsluiting en de parkeerinrichting van het terrein.
Door het ontbreken van dateringen op een aantal tekeningen in het archief van de architect is het niet helemaal met zekerheid te zeggen, maar vermoedelijk al in de nadagen van december 1955, werd het stedenbouwkundige plan aangepast door de rotonde richting de Van Alkemadelaan te verplaatsen. Die verplaatsing heeft er mogelijk ook voor gezorgd dat er reductie plaatsvond van de diameter van de rotonde (van 25 meter naar 24 meter radiaal). Bij de verplaatsing moest namelijk rekening worden gehouden met de rooilijn die door de gemeente Wassenaar op 50 meter vanaf de Wassenaarseweg was geprojecteerd. Het is vooralsnog gissen naar de exacte reden van verplaatsing. Meest waarschijnlijk achten wij een relatie met de ontsluiting van het terrein vanaf de Wassenaarseweg of de wens om het parkeerterrein vanuit de stad geredeneerd aan het zicht te onttrekken. Waar aanvankelijk drie toegangsbruggen waren voorzien, is na verplaatsing van de rotonde nog maar sprake van één toegang tot een veel groter parkeerterrein dan aanvankelijk was voorzien. Het is zeer goed mogelijk dat de rappe opkomst van het autogebruik in de vroege jaren vijftig hiertoe heeft bijgedragen, maar zeker weten doen we dat niet. Met de verplaatsing van de rotonde kon het onderkomen voor wegenwachtpersoneel dieper op het terrein worden geplaatst.
Cultuurhistorische verkenning
20
Herzien plan na verplaatsing van rotonde en reductie van het aantal bruggen.
Een andere mogelijkheid is dat aanpassing afgedwongen werd door het afketsen van plannen om ook aan de zijde van de Van Alkemadelaan parkeergelegenheid te realiseren. Op de nieuwe situatietekeningen zien we aan de beide straten nu een aaneengesloten rij met geboomte getekend. Na deze aanpassingen worden de eerste perspectieftekeningen gemaakt. Prominent zijn op deze tekeningen de ononderbroken bomenrijen langs de straten te zien. Deze perspectieftekening is ook aangetroffen in het archief van tuinarchitect Wim Boer. Uit archiefstukken kan worden opgemaakt dat Berghoef deze tekening toezond na een overleg tussen beide. De tekening diende als een basis ofwel kader voor de verdere uitwerking door Boer.
Herzien situatieplan met centrale entree, opnieuw ontworpen parkeergelegenheid en een tuinaanleg in ontwerpfase.
Latere situatietekeningen (ongedateerd, uit de fase van planvorming), tonen een vrij heldere structuur waarbij een ruime parkeerplaats omzoomd door gebouwen en groen, voorafgaat aan de kantoorschijf en het verblijfsgebouw voor de wegenwacht. Tussen beide gebouwen is een doorgang naar het technostation met bijbehorende (garage)boxen getekend. Vanuit hier kon men doorrijden en via een brug de Van Alkemadelaan bereiken. Uit stukken in het archief van Berghoef is op te maken dat hier gebruik werd gemaakt van een al bestaande brug (wat vermoedelijk nog wel wat voeten in de aarde zal hebben gehad met betrekking tot de belasting van de brug). Nog voordat met de bouw werd begonnen, werd de parkeerruimte uitgebreid ten koste van een groenstrook. Aan het eerdere plan lag vermoedelijk het idee ten grondslag dat bij het oprijden bezoekers van het wegenwachtgebouw rechtsaf werden gestuurd, en de overige bezoekers (en medewerkers) rechtdoor werden geleid. Dit mag worden opgemaakt uit ontwerptekeningen van de parkeerplaats zelf, waarin ruimte voor parkeervakken en de vlaggenmast ter markering van de entree van de rotonde zijn opgenomen.
21
Ontwerpplan voor de parkeeraanleg, waarbij opvat dat geheel rechts een door een gazon geisoleerde zone is, vermoedelijk bedoeld voor bezoekers van het wegenwachtgebouw daarboven.
Uitzetplan voor de parkeerplaats.
Cultuurhistorische verkenning
22
5
Het kantoorgebouw
5.1 Algemeen Hoewel dat oorspronkelijk niet de bedoeling zal zijn geweest, werd de bouw van het complex van de ANWB in twee fasen uitgevoerd. Vermoedelijk werd hiermee het ministerie gunstig gestemd, omdat beschikbare middelen (zowel aan materiaal als aan arbeidskracht was gebrek) op die manier over een langere (bouw)periode konden worden uitgespreid. De keuze om eerst het kantoorgebouw tot stand te brengen lag daarbij om vele redenen voor de hand. De behoefte om het kantoorpersoneel zo snel mogelijk in één gebouw onder te kunnen brengen, was daarvan de voornaamste. Daarbij: een bezoekersgebouw kon zonder kantoor niet functioneren.
Faseringsplan met links de als eerste te bouwen kantoorschijf en rechts de later te realiseren gebouwen waaronder de rotonde, het technostation en het verblijfsgebouw voor de wegenwacht.
5.2 De ontwerpgeschiedenis Afgaande op het materiaal in het archief van architect Berghoef, is in de ontwerpfase niet bijzonder veel over het ontwerp gediscussieerd. In een vroeg stadium zijn door de architect twee schetsontwerpen gemaakt. Slechts één van die ontwerpen is verder uitgewerkt, waarbij opvalt dat er eigenlijk geen grote veranderingen meer zijn doorgevoerd ten aanzien van bouwmassa en exterieur. Al vroeg was duidelijk dat er een kantoorschijf gerealiseerd zou worden die evenwijdig gericht was aan de Wassenaarseweg, niet daar waar de weg langs het terrein liep, maar het deel van de weg in de gemeente Den Haag. Dit was conform eisen van de gemeente Den Haag, die hiermee wilde voorkomen dat er net buiten de gemeentegrens een brede barrière werd opgeworpen tussen de (uitbreidingswijken van de) stad en het landgoed Clingendael dat recreatiemogelijkheden bood voor de inwoners van de stad. Het is niet zeker of de situering van het gebouw zo is gekozen dat vanuit de Van Zaeckstraat ook nog net een zichtlijn langs de voorgevel van de kantoorschijf mogelijk is. Die
23
zichtlijn werd immers sowieso doorbroken door de verbindingsgang tussen het kantoorgebouw en de rotonde. De verplaatsing van de rotonde in de richting van de Van Alkemadelaan had nog wel wat gevolgen, namelijk een spiegeling van het kantoorontwerp, zoals op afbeeldingen in het voorgaande hoofdstuk is te zien. In het archief van de architect is nog wel een aantal varianten uitgewerkt voor de schoorsteen ten behoeve van de verwarmingsinstallatie van het pand. De plaats was al vroeg bepaald, het ging met name om de vormgeving ervan. Aanvankelijk was een strakke en moderne variant getekend, uiteindelijk werd door de architect een veel traditioneler ontwerp gemaakt, een ontwerp dat ten uitvoer zou worden gebracht. Het is aannemelijk dat de architect dit ontwerp niet uit eigen beweging aanpaste, maar dat hier hiertoe verzocht werd door zijn opdrachtgever.
Uitzetplan voor het kantoorgebouw met onder andere de rooilijnen.
5.3 Bouwmassa De bouwmassa van het gebouw is door de tijd heen ongewijzigd gebleven. Het ontwerp is éénvoudig, in de zin dat er sprake is van een rechthoekig grondplan, dat langgerecht en verhoudingsgewijs ondiep is. Waar de bouwmassa aanvankelijk door de lengte en hoogte geïmponeerd zal hebben, is dat effect wat teloor gegaan, met de realisatie van in hoogte vergelijkbare kantoorgebouwen aan weerszijden en aan de achterkant van het gebouw, maar ook vanwege de schaalvergroting die het parkeerterrein (ten koste van tuin en gazon) heeft ondergaan. Doordat de architect keuken en kantine op het dak situeerde en hier koos voor een opvallende schaaldakconstructie, is voorkomen dat het bouwvolume een kantoordoos genoemd kan worden. De exacte beweegredenen om hier voor een schaaldak te kiezen, kon niet worden achterhaald. Het is verleidelijk om hierin
Cultuurhistorische verkenning
24
een relatie of verbindende vorm te zien met de rotonde.9 De kantineopbouw op het dak is ten opzichte van de gevels van de onderliggende bouwlagen iets teruggelegd. Ondergeschikte dakopbouwsels, waaronder het trappenhuis en de machinekamer voor de lift, zijn op grote afstand van de voorgevel geplaatst, waardoor ruimte werd gecreëerd voor een door een pergola omzoomd dakterras én er voor werd gezorgd dat deze opbouwen voor bezoekers vanaf de openbare weg niet zichtbaar waren.
De voorgevel van het pand in huidige toestand. Vernieuwing van de vensters met behoud van oorspronkelijke vensterindeling is de voornaamste aanpassing. De rail voor de glazenwasser dateert ook niet uit de bouwtijd.
Het silhouet van het pand is gewijzigd met de sloop van de schoorsteen ten behoeve van de verwarmingsinstallatie. Hierin kan men een aantasting van het oorspronkelijke ontwerp zien. Anderzijds zal de schoorsteen voor de architect (en opdrachtgever) vermoedelijk niet meer zijn geweest dan een strikt noodzakelijk kwaad. Er zijn verschillende ontwerpen voor de schoorsteen in het archief van Berghoef bewaard gebleven, waaruit wij voorzichtig op menen te kunnen maken dat het schoorsteenontwerp een worsteling was voor ANWB en architect. Architectonisch zou aan de schoorsteen nog wel een rol kunnen worden toegedicht als tegenhanger van het ANWB-embleem dat het dak bekroont.
Oorspronkelijke (l) en secundaire opbouw op het dak. Hierachter stond de schoorsteen.
9
Berghoef schreef hierover dat de bouwvakkers zich met de bouw van de kantine konden bekwamen, zodat zij zonder problemen de technisch meer uitdagende rotonde konden realiseren.
25
Pergola op het dak, met in de achtergrond het golfdak van één van de jongere kantoorgebouwen.
5.4 Het exterieur 5.4.1 Architectuur De gevels van het pand verkeren in behoorlijke mate van authenticiteit. Er zijn in de loop der tijd wijzigingen doorgevoerd waarbij oorspronkelijke substantie is verdwenen. Het gaat dan vooral om het vernieuwen van de vensters in de gevel, overigens met behoud van de wengéhouten kozijnen. Wat aardig is aan de gevels, is dat metselwerk en vensteropeningen in evenwichtige verhouding zijn en dat ondanks de sterke architectonische regelmaat een gevelbeeld is gecreëerd dat alles behalve saai of steriel is. Ook hier heeft de in stijl bijna conflicterende kantine op het dek een belangrijke rol als ook de grote erkervensters in de vierde bouwlaag. De gevels zijn rijk geornamenteerd, waarbij moderniteit en traditie behoorlijk in balans zijn. In de tijd van het ontwerp, tweede helft jaren vijftig, werd het architectonisch nog verantwoord geacht om door middel van figuratief metselwerk expressie te geven aan de functie van een gebouw. In de loop van de jaren zestig zou dat geleidelijk veranderen. Interessant aspect van het kantoorgebouw is dat de voorgevel in feite geen eigen entreepartij heeft (met betreedt het gebouw via de rotonde die als entree beschouwd kan worden) en dat de zijgevels en achtergevel ook een representatief karakter hebben gekregen. In de zijgevels zijn in bakstenen gemetselde kunstwerken uitgevoerd.
Het kapitale van de twee kunstwerken is in de rechter zijgevel verwerkt, de zijde die de bezoekers te zien kregen wanneer zij over de brug een blik in de richting van het gebouw wierpen. In de achtergevel is de gevelornamentiek gelijk aan de voorgevel, wat niet alledaags is.
Cultuurhistorische verkenning
26
Ontwerptekening van de achtergevel, laat stadium, maar met nog onuitgewerkte schoorsteen.
Ten tijde van de uitbreiding van het complex in de jaren negentig, waarbij flankerende kantoorgebouwen werden opgetrokken, is er op beide zijgevels een tussenlid (verbindingsgang) aangesloten. Dit heeft als gevolg gehad dat de voorgevel van het gebouw meer het karakter van een façade heeft gekregen en de samenhang tussen de verschillende gevels visueel is gereduceerd.
Vensters uit de bouwtijd links op een foto uit de jaren zestig, rechts de huidige vensters en toegevoegde buitenzonwering. De vensters uit de bouwtijd werden geleverd door de firma Radefa uit Apeldoorn (faillissement in de jaren tachtig).
Alle vensters in de gevel zijn, met behoud van Wengéhouten kozijnen, vernieuwd. Daarbij is wel vastgehouden aan de oorspronkelijke vensterindeling. Foto’s van net na de bouw laten zien dat de vensters aanvankelijk waren uitgevoerd met twee tuimelramen die boven elkaar zijn geplaatst. Bij één van de vensters op de foto zijn beide tuimelramen geopend, waarbij opvalt dat er blijkbaar geen sprake was van een vaste tussendorpel. Ramen konden op deze manier van binnenuit gewassen worden. Dat werd in de praktijk echter als bijzonder onpraktisch ervaren, zo blijkt uit correspondentie in het architectenarchief. De foto’s geven ook aanleiding te veronderstellen dat er geen buitenzonwering aanwezig was. In de kantine en de vergaderzalen hingen wat oubollig ogende gordijnen, zoals op foto’s is te zien. 5.4.2 De bouwkunde Uit ontwerp- en detailleringstekeningen (4-B-6b) in het archief van architect Berghoef is uitermate goed op te maken hoe de gevelschil voor de constructie van gewapend beton werd aangebracht. Tegen de draagconstructie werd Ytong
27
gezet, gevolgd door een laag Bitalu. Daartegen werd met metselmortel de baksteen aangebracht. Uiteraard kon dat niet zonder de benodigde ankers, die in roodkoper en tweezijdig gevorkt zijn uitgevoerd. De messing haakankers waarmee het Wengé kozijnhout werd bevestigd, werden in het hout geschroefd en vervolgens in de muurdammen gemetseld. Er vond ook verankering van het kozijnhout met de betonnen kolommen plaats. In de betonconstructie was een strip verwerkt die in een sponning in het kozijnhout werd gelaten. Hout en strip werden vervolgens doorschroefd. Berghoef zou Berghoef niet zijn wanneer hij dit detail niet liet uitwerken in een aparte tekening (tekening 5-k-5).
Isometrietekening en details waaruit de werkwijze met geprefabriceerde gevelelementen duidelijk wordt.
Ter plaatse van de borstweringen werd als eerste een opstand met Ytongelementen gemaakt. Hierin werden boutgaten voorgeboord ten behoeve van de bevestiging van borstweringselementen die geprefabriceerd werden. In de literatuur wordt hier steevast vermeld dat die prefabricage het gevolg is van materiaal- en arbeidsschaarste, met name een gebrek aan metselaars. Deze werkmethode werd overigens ook toegepast voor de horizontale banen metselwerk boven de vensters. De fabricage van de elementen vond naar verluidt plaats in een bouwloods op het terrein. Men kon gebruik maken van gekliste bakstenen die in een mal werden gelegd. Daaroverheen werd beton gestort. Er werden in het beton beugels geplaatst die om in de draagconstructie gestorte bouten konden worden ingelaten. Bij de borstwerkingen volstonden volgens tekening twee van deze beugels. Berghoef werkte dit plan uit in isometrietekeningen.
Cultuurhistorische verkenning
28
Het metselwerk van de muurdammen is vanaf de steiger gemetseld, al het overige werk is geprefabriceerd en betreft beklede elementen van beton.
De voor de bouwtijd karakteristieke, en functioneel noodzakelijke (dakterras) balustrade heeft bakstenen kolommen en een dek- en voetlijst van natuursteen elementen. Verankering van de kolommen met dek- en voetlijst, geschied door middel van ommetselde betonnen blokken. Behalve daar waar de stuitnaden van de natuursteen elementen aanwezig zijn. Daar is sprake van een geheel in beton uitgevoerde kern waarin de wapening van de dakconstructie doorloopt. De verankering van de deklijst geschiedt door middel van doken. Dit alles blijkt uit tekeningen van de architect. Bij de kopgevels zijn van oudsher schansmuren gemetseld.
De balustrade op de dakrand.
29
Bouwtekening waaruit de wijze van vervaardiging van de balustrade blijkt.
De gevels van de kantine, op grote hoogte en deels gemaskeerd door de balustrade langs de dakrand, vormen een combinatie van gewapend betonnen portalen, schoonmetselwerk en elementen waarvan de kozijnen goeddeels nog oorspronkelijk zijn, maar de vensters en deuren zelf overal zijn vernieuwd. We zien ook hier dat de architect aandacht heeft besteed aan detaillering van het metselwerk, deels ingegeven door aansluiting op de boogvorm van de schaaldaken, maar deels ook omdat het een uitdrukkelijke wens van de ANWB was om in de gevels hommage te doen aan de bouwtraditie in ons land.
Deel van de gevels van de kantine, met siermetselwerk aansluitend op de schaaldaken.
5.4.3 Ornamentiek De gevel is opgeluisterd met ornamenten waarbij het metselmozaïek het eerst in het oog springt. De mozaïek is van de hand van de Haagse kunstenaar Jan Goeting (1918-1984). Hij ontwierp de 99 vogels die onder evenveel vensters in de lange gevels te vinden zijn én de composities in de kopgevels van het gebouw.
Cultuurhistorische verkenning
30
Aan de basis van het ontwerp van het grootste van de mozaïeken lag de dienende en beschermende taak van de ANWB waarbij bewegwijzering, autotechniek en recreatie de belangrijkste componenten zijn. Het kleine mozaïek, op de stad gericht, verbeeldt dag, nacht, water en lucht. De getekende ontwerpen van de grote kunstwerken werden, zo blijkt uit foto’s uit de tijd van de vervaardiging, op het binnenspouwblad gehangen en zijn dus nog in het gebouw aanwezig.
Vogels naar ontwerp van Jan Goeting verbeelden reislust.
Pinakels op de erkervensters, komen ook terug bij het (vernieuwde) toegangshek, symboliek is onbekend. Rechts het van het Haagse Bos al zichtbare embleem (werk van Henk Etienne) van de ANWB.
In de gevels zijn onder andere blokken tufsteen verwerkt, een materiaal dat vooral geassocieerd wordt met de vroegste natuursteenbouw in Nederland en waarvan het gebruik een opleving kende in de periode van traditionalisme in de decennia vóór en na de Tweede Wereldoorlog.10 Door die relatie kunnen de stukken als ornament worden beschouwd. 10
31
Details zijn uitgewerkt door Putter Partners Architecten.
Kunstwerken naar ontwerp van Jan Goeting met thematiek passend bij de ANWB.
5.5 De constructie De bouw van het kantoorgebouw zal voor aannemer Dura niet bijzonder complex zijn geweest (het dak van de kantine uitgezonderd). De constructiemethode en de toe te passen technieken vormden in de bouwtijd min of meer de standaard voor dit type gebouwen. Begonnen werd met het storten van een dikke plaatvloer van gewapend beton. Dit vormde de basis voor de kolommen die het gewicht van de verdiepingsvloeren naar het fundament van het gebouw overbrengen.
Kolommen op de verdiepingen staan van oudsher vrij van de vrijdragende gangwanden. Dit met uitzondering van de kelder, waar gangmuren tussen de kolommen (bekistingssporen) zijn geplaatst.
Cultuurhistorische verkenning
32
De structuurbepalende kolommen ín het gebouw, kregen een ronde doorsnede, met uitzondering van de exemplaren in de kelder, die vierkant en met een paddenstoelkop werden uitgevoerd. Nu is op die kolommen nog goed de afdruk te zien die het bekistingshout op het beton heeft achtergelaten. Foto’s van tijdens de bouw van het gewapend betonnen skelet van het kantoor laten dit fraai zien. Sluitstuk van het constructiewerk vormde het plaatsen van de geprefabriceerde, voorgespannen schaalelementen boven de kantine. Deze werden met twee kranen op hun plek gehesen, wat in het boek uit 2014 prachtig met foto’s is verbeeld. Op één van die foto’s is overigens nog een deel van een loods van voormalige manege Paddock te zien, vermoedelijk toen tot bouwloods bestemd. In het archief zijn veel, heel veel betontekeningen van aannemer Dura bewaard gebleven.
Isometrietekening van de aansluiting van de verschuifbare plafonddelen op de ronde kolommen van de draagconstructie.
5.6 Het interieur Waarschijnlijk door ervaring van de beperkingen die huisvesting in verschillende aangrenzende stadspanden (woonhuizen) met zich meebracht, werd er door de ANWB aangestuurd op zo groot mogelijke flexibiliteit in het interieur. Met dat oogpunt werd het gebouw groter dan het werknemersaantal vereiste (er werd groei voorzien, alleen niet op de schaal waarop dat in de jaren zestig geschiedde) en werden delen van het interieur vrij indeelbaar door een systeem van verrijdbare wanden en verschuifbare plafonds. Dit wil overigens niet zeggen dat de indeling volledig vrij was. Uiteraard kregen liften, trappen, toiletgroepen en werkkasten een vaste plaats en werden deze, zoals gebruikelijk, geclusterd. Daarnaast werden op de meeste verdiepingen grote (vergader)ruimten gecreëerd aan de kopse zijde, om hier de beperkende maatvoering die de middengang met zich meebracht te kunnen ontwijken. Ook de bouwlaag met de erkervensters kreeg een stringentere indeling omdat bij de vensters onder andere de directeurskamer en een kleine vergaderruimte waren voorzien. In het archief van Berghoef zijn veel tekeningen bewaard gebleven van het toch wel bijzondere interieur dat door de architect werd uitgedacht. Daaronder verschillende isometrietekeningen die tot op de spijkers aan toe lieten zien hoe de verschillende interieuronderdelen vervaardigd dienden te worden.
Alleen dit geeft al aan dat het hier geen standaardwerk betrof.
33
Tekening van een verplaatsbare binnenwand met in isometrie weergegeven de wijze waarop de stijlen gesteld konden worden. Berghoef zag zich gedwongen zelf het ontwerp ter hand te nemen omdat bestaande systemen niet voldeden, zo blijkt uit correspondentie.
In 1999 is vrijwel het gehele interieur gesloopt. Het is gelet op de omvang van de toen uitgevoerde renovatie bijna verwonderlijk dat de trappenhuizen gespaard zijn gebleven. En eigenlijk ook weer niet. Aan het flexibele interieur van Berghoef bleken bijvoorbeeld de nodige nadelen te kleven, één ervan was de gehorigheid van de verschuifbare wanden (wat zelfs tot een arbitragezaak leidde). Een ander nadeel betrof de minimalistische, grauwe afwerking die typisch is voor de bouwtijd, maar mede aanleiding zal zijn geweest om tot ingrijpende renovatie over te gaan. Het ontwerp van de trappenhuizen daarentegen is oorspronkelijk heel sterk, met name voor wat betreft akoestiek en duurzaamheid (het trappenhuis ziet er bij wijze van spreken uit alsof het gisteren pas werd opgeleverd). Behoudens de genoemde trappenhuizen is in de kelder nog een kluis bewaard gebleven.
Ontwerptekening van de trappenhuizen waaruit de mate van oorspronkelijkheid is af te lezen.
Cultuurhistorische verkenning
34
5.6.1 De trappenhuizen In de redengevende omschrijving die door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed werd opgesteld, worden de trappenhuizen bijzonder genoemd. Dat is met recht. Eén van de eerste zaken die opvalt, is het grote contrast met het exterieur van het gebouw. De trappenhuizen ademen moderniteit van omstreeks 1960, daar waar het exterieur een traditionele uitstraling heeft. Qua constructie biedt het trappenhuis weinig bijzonders. Het gaat om een gewapend betonnen trap waarvan de bordessen en de treden met kwartsiet zijn afgewerkt. Bijzonderheid zit hem met name in de roestvrijstalen rasterwerken en de nog aanwezige akoestische elementen (wandbekledingselementen en plafonds). Aanpassingen zijn summier. Zo zijn de oorspronkelijke lichtarmaturen naar verluidt technisch gemoderniseerd, zijn toegangsdeuren vervangen en is mogelijk ook de afwerking van de bordessen vernieuwd. Uit tekeningen van Berghoef maken we op dat hier roestvrijstalen plinten waren voorzien (wat met het oog op schoonmaak van de vloer waarschijnlijk niet ideaal is, waardoor het ook zou kunnen dat in de plan- of uitvoeringsfase al tot wijziging werd besloten). Nu treffen we er plinten van kwartsiet aan. Het lijkt er ook op dat er in de bevestiging van de leuning aan de muren een minieme aanpassing is gedaan om de blusleiding te kunnen plaatsen.
Opname van één van de trappenhuizen.
Rockwool, een poreuze laag zwart papier en lattenwerk uit de bouwtijd, aangebracht als akoestiekmaatregel.
35
Ouder ontwerp voor de geluiddempende wandpanelen.
Ook de diensttrap die toegang geeft tot het dakterras is tot in detail uitgewerkt door de architect, zo blijkt onder andere uit tekeningen in het archief van de architect. Afwerkingen, elementen en ook de radiator op de foto dateren uit de bouwtijd.
Oorspronkelijke vormgeving van de lichtarmaturen in het trappenhuis, rechts de diensttrap naar het dakterras.
Cultuurhistorische verkenning
36
Ontwerptekening voor de diensttrap, tot in detail uitgewerkt. Rechts één van de hoofdtrappenhuizen direct na oplevering.
5.6.2 De kluis In de kelder is een kluis behouden, een fabricaat van de firma Lips.
Kluisdeur in de kelder. Eén van de weinige oorspronkelijke elementen in het kantoor.
5.6.3 De kunstwerken In het interieur, tegen de rechter zijgevel van het gebouw, zijn reliëfstucwerken van kunstenaar Jan Willem Rädecker (1924-2009) aanwezig. Deze dateren uit de bouwtijd en sierden aanvankelijk vergaderruimten die hier gecreëerd waren. De werken zouden een verbeelding zijn van reizen. Ook hier zijn weer vogels verbeeld die symbool staan voor uitvliegen/reizen. Ze lijken uit een doolhof (de dagelijkse leefcirkel?) weg te vliegen. Aan de kunstwerken gaat een lange geschiedenis vooraf. Aanvankelijk werd er een prijsvraag uitgeschreven waarvoor drie jonge kunstenaars werden benaderd. Uiteindelijk werd het werk van de door de jury uitverkoren kunstenaar door het bestuur afgewezen. In het archief van Berghoef is hierover een op fenomenale wijze geschreven brief van Berghoef aan de juryvoorzitter bewaard gebleven.
37
De gestucte wandreliëfs in de voormalige vergaderzalen zijn gemaakt door Jan Willem Rädecker.
5.6.4 Recenter interieur In het huidige interieur zijn behoudens de bovengenoemde elementen, geen zaken uit de bouwtijd meer waar te nemen. Nagenoeg alles is vernieuwd. Het gaat dan om vloerbedekkingen, wandafwerkingen, nieuwe binnendeuren, plafonds, technische installaties, tot aan de vensterbanken aan toe.
Cultuurhistorische verkenning
38
6
De rotonde
De rotonde is zonder twijfel een eyecatcher, ook nu nog. Het is verleidelijk om aan de grondvorm en de koepel die is toegepast, betekenis toe te kennen. Uitgaande van wat Berghoef daar zelf over heeft geschreven, kunnen we ons die moeite besparen. Hij beroept zich steevast op artistieke grondslag. In het archief van Berghoef komen we enkele alternatieven voor de rotonde tegen, maar nooit verder uitgewerkt dan een eerste schetstekening. Wanneer we louter uitgaan van wat de ANWB en de architect over de rotonde hebben opgetekend of op hebben laten tekenen, ontstaat het beeld dat er een fantastisch gebouw werd neergezet.
Rotonde met daarachter de kantoorschijf. Er is sprake van vier verkeersbanen, links voor de auto’s van leveranciers, de opgang met trottoirs voor automobilisten die inzittenen af willen zetten voor de hoofdingang, de trap voor bezoekers die met de fiets of het openbaar vervoer zijn gekomen en geheel rechts de buitenlus van de parkeerplaats.
Tekening van het interieur door Berghoef.
39
Wanneer we in het archief van Berghoef vergaderverslagen en correspondentie tussen onder andere ANWB (Van Balen) en de architect erop naslaan, dan verdient dat beeld toch wel wat correctie. Dit bereikt het hoogtepunt in 1966, wanneer Van Balen aan Berghoef bericht teleurgesteld te zijn over de ingebruikname van het gebouw, waarbij hij de verplaatsbare wanden (in het kantoorgebouw) zelfs als mislukking omschrijft en zijn onvrede uit over de vensters die voor verschillende (bouwfysische) problemen zorgen. Bovenaan het lijstje met problemen staan de bouwfysische aspecten van de rotonde, met name ten aanzien van de akoestiek en lekkages. De lekkages treden op in het dak (beschadigingen van het koper), in de kozijnen (voegproblemen, ramen die een fluitend geluid veroorzaken) en geluidsoverlast tussen kantoor- en publieksruimte. Onder andere TNO wordt ingeschakeld om verbeteringen te adviseren. Groot probleem is ook dat de vloer in het gebouw niet goed is gelegd. Al het linoleum moet er uit om de boosdoener, de vochtkerende laag, te vernieuwen. Een arbitragezaak wordt pas in 1974 afgesloten (ten nadele van de uitvoerende partij). De teleurstelling richt zich niet in het bijzonder tot de architect, hij krijgt immers ongeveer op hetzelfde moment (in 1965 al) opdracht om te werken aan een tweede kantoorgebouw als uitbreiding op het pas opgeleverde.
De rotonde vanaf het dak van het kantoorgebouw gezien.
6.1 Bouwmassa De vorm van de bouwmassa maakt de rotonde dermate bijzonder, dat het complex als geheel door de Rijksdienst is aangeduid als een toonbeeld voor wederopbouw. Het gaat daarbij in hoofdzaak ook om de wijze waarop op inventieve manier van de nood (voorschrift om zoveel mogelijk te prefabriceren) een deugd wordt gemaakt (de potentie van voorgespannen beton, waarbij de architect (Berghoef) en de constructeur (De Haas) in stukken doen voorkomen of de constructievorm min of meer op een toevalligheid berust.
Cultuurhistorische verkenning
40
Constructie van de begane grond van de rotonde bijna voltooid.
Uit het stukken in het archief van Berghoef is op te maken dat de rotonde aanvankelijk was bedacht met een diameter van 50 meter, maar die later werd teruggebracht tot 48 meter. Verplaatsing van de rotonde had vermoedelijk als gevolg dat de rooilijn bij een diameter van 50 meter werd overschreden. Dat met de reductie de straal van de koepel gelijk werd gesteld aan de hoogte van het kantoorgebouw (24 meter exclusief kantine), lijkt niet voorbedacht te zijn. In het archief van Berghoef zijn tekeningen aanwezig waarop het punt waar de rotonde de rooilijn ‘raakt’, is geschreven dat het uiterst belangrijk is dat de rooilijn niet wordt overschreden. De bouwmassa omvat twee bouwlagen, waarbij de onderste aanvankelijk als rijwielstalling diende, en op het laagste niveau tevens plaats bood aan het centrale magazijn aan de zijde van de entree én aan de routekamer. De kern van het gebouw zou daarnaast nog als schuilkelder kunnen dienen, zo blijkt uit een schrijven van Berghoef. Op de verdieping was de centrale publieksruimte, de ruimte onder de 11 meter hoge koepel, met daaromheen, in de buitenring, kasten en bureaus voor kantoorpersoneel werden geplaatst. Deze ruimten zijn onder schaaldaken gebracht. Berghoef presenteert in schrijven de vorm van de schaaldaken boven de kantine op het dak van het kantoorgebouw als een oefening voor de complexere dakconstructie van de rotonde.
Die oefening bestond er vooral in dat hij verwachte dat bouwvakkers op basis van opgedane ervaring met het dak van de kantine (dit soort schaaldaken vormde in de bouwtijd een noviteit in Nederland), geen grote problemen zouden ondervinden met de constructie van het dak van de rotonde. Toen de realisatie van de rotonde op zich liet wachten, klom Berghoef in de pen omdat hij bezorgd was dat de expertise die door de bouwvakkers was opgedaan bij het leggen van de dakdelen van de kantine, verloren zou gaan.
41
De publieksentree met onderdoorgang voor de auto’s van leveranciers.
De bouwmassa van de rotonde verkeert nog goeddeels in oorspronkelijke staat. De voornaamste wijziging bestaat er in dat er aan de zijde van de Van Alkemadelaan op een later moment uitbreiding plaatsvond, wat ten koste ging van de kamer van de chef. Een andere aanpassing die gedaan is, en die in zekere zin ook op de bouwmassa van invloed is, is het dichtmaken van de doorgang onder de centrale entree. Oorspronkelijk was dit een doorrit voor leveranciers die hun goederen afleverden (of ophaalden) bij het centrale magazijn dat op de begane grond was gevestigd. De uitgebouwde entrees voor zowel publiek als personeel horen ook tot de oorspronkelijke bouwmassa, waartoe eigenlijk ook de statietrap behoort. De forse luifels bekleed met het Braziliaanse Peroba de Campos zijn in hoge mate bepalend voor de receptie.
Cultuurhistorische verkenning
42
Buitenringconstructie nadert voltooiing.
Een deel van de timpanen is gezet. De basis voor de schaalelementen wordt gevormd door een tijdelijke draagconstructie die getimmerd is.
43
Bekende foto van de laatste plaatsing van de koepelelementen.
6.2 De constructie De constructie van het gebouw dateert nog geheel uit de bouwtijd. De basis wordt gevormd door twaalf kolommen die opgeklampt zijn met geprofileerde afdekplaten, zoals uit detailtekeningen blijkt. Uit die tekeningen kan ook worden opgemaakt dat de kolommen uit twee delen zijn geprefabriceerd en dat in het hart een uitsparing was voor de hemelwaterafvoer. Deze twaalf samengestelde kolommen dragen een koepelringbalk die eveneens is samengesteld uit geprefabriceerde betonelementen, zo blijkt uit de bouwtekening op de volgende pagina. Die ring vormt de basis voor de koepelelementen van geprefabriceerd voorgespannen beton. Uit beschrijving in onder andere Cement is op te maken dat de delen bij de productie ervan óp elkaar gestort werden (na uitharding van een element werd er plastic aangebracht, waarna het volgende geprepareerd en gestort kon worden). Bekend is de foto waarop het laatste wigvormige schaalelement met de kraan geplaatst wordt.
Detail van een van de twaalf hoofdkolommen onder de ringbalk. Detailopname van onderstaande tekening.
Cultuurhistorische verkenning
44
Constructietekening van onder andere de kolommen en de ringbalken.
Van de buitenring, door de architect ook wel de zijbeuk genoemd, werden eerste de geprefabriceerde kolommen opgericht. Deze werden radiaal voorzien van geprefabriceerde boogelementen die de basis vormden voor de schaalelementen die per boog in twee waren opgedeeld (wat onder andere verwerking vereenvoudigde). Om de aansluiting van de buitenring op de ringbalk en koepel mogelijk te maken, werden geprefabriceerde betonelementen met aan de onderzijde een toog gevormd naar de schaaldelen aangebracht. Deze werden door Berghoef en De Haas timpanen genoemd en uitgevoerd met onder andere een tandlijst en vormden de basis voor de lichtstraat. Constructief kunnen de koepel op kolommen en de buitenring met schaaldaken als zelfstandig worden beschouwd. De constructie van de verdiepingsvloer is wat eenvoudiger omdat hier geen conische elementen maar gewoon vlakke balken en platen konden worden toegepast.