Visie buitengebied Het land van Wageningen Wageningen in het land
Tekst van het document
In Wageningen is het buitengebied, een belangrijke bron van groen, meestal dichtbij maar niet overal goed bereikbaar. De aanwezigheid van groen in de nabije omgeving heeft een bewezen positief effect op de mentale gezondheid van mensen. Het bui-
tengebied van Wageningen heeft een belangrijke waarde voor een goede fysieke en mentale gezondheid. Subjectieve gezondheid heeft te maken met de vraag of je zelf de indruk hebt dat je grip hebt op je gezondheid. Nabijheid van groen, mogelijkheden om de kwaliteit van je eigen leefomgeving te bevorderen zijn aspecten van subjectieve gezondheid. De hiervoor genoemde drie gezondheidsaspecten zien we ook terug in het begrip positieve gezondheid dat we hanteren binnen het sociale beleid van de gemeente. We willen dat begrip ook binnen het ruimtelijke domein meer inhoud geven. Onder andere door ons in dit hoofdstuk te richten op bewegingsbevordering. En we kijken naar recreatie en de combinatiemogelijkheden voor natuur met andere functies. Want niet alleen bewegen, ook verblijven in de natuur is aantoonbaar goed voor de gezondheid. We richten ons in dit hoofdstuk op bewegingsbevordering. En we kijken naar recreatie en de combinatiemogelijkheden voor natuur met andere functies. De eerste honderd meter langs de stad is de belangrijkste zone om mensen op te vangen en uit te nodigen om meer te bewegen. Het is dus nodig dat er goede routes vanuit de stad zijn, dat het buitengebied fijnmazig toegankelijk is, dat er wat te beleven is en dat het aantrekkelijk is.
Met name vanuit de Nude en voor een deel ook in het Binnenveld is die toegankelijkheid en aantrekkelijkheid lager dan aan de andere zijde van de stad. Er is ook niet zoveel te beleven, zeker niet vergeleken met de Eng of de uiterwaarden. Een goede bereikbaarheid en toegankelijkheid zijn
voor iedereen belangrijk, maar voor mensen met lichamelijke, visuele of andere beperkingen zijn dit noodzakelijke voorwaarden. Is het buitengebied voor deze groepen voldoende toegankelijk? Verschillende groepen stellen sowieso andere eisen aan de toegankelijkheid. Wanneer is het bijvoorbeeld veilig voor jonge kinderen om naar ‘buiten’ te gaan? De plattelandswegen zijn lang niet altijd uitnodigend voor fietser en voetganger. Vaak omdat de auto veel ruimte inneemt, en, voor het Binnenveld, deels omdat het rechte eenvormige wegen zijn. Recreanten kunnen de leefomgeving van bewoners van het buitengebied beïnvloeden, denk bijvoorbeeld aan loslopende honden. Dit heeft ook te maken met de looplijnen, de verbindingen tussen stad en land. Zijn die wel geschikt voor recreatie? In de gebieden waar belangrijke natuur voorkomt, Wageningse Berg/bos en Uiterwaarden, speelt een heel ander vraagstuk. Hier is het soms te druk en is het de vraag of die recreatie wel past bij de natuurdoelen. Soms loopt dit vraagstuk hoog op zoals bij de discussie over een waterplas in de uiterwaarden. Die waterplas voldoet aan een maatschappelijke behoefte van afkoeling en recreatie en draagt misschien ook bij aan de natuurdoelen voor het gebied, maar brengt ook verstoring. Voor beweging en recreatie is ook relevant dat beleving een van de belangrijkste drijfveren in de samenleving aan het worden is.
Het moet wel wat zijn! Uniek, bijzonder, zichtbaar, maar ook: zelf invulbaar. Denk bijvoorbeeld aan een ‘hangplek’ in de groene omgeving. Belevingsversterking kan op veel manieren. Je kunt betekenis toevoegen door informatie aan te bieden, je kunt mensen dicht bij
de natuur brengen (vlonder over water), je kunt bijzondere momenten vergroten, of je kunt vrijheid van gebruik aanbieden (een plek waar je een kampvuur kunt maken), je kunt oogstaanleidingen creëren (een walnotenlaan bijvoorbeeld). Een voorbeeld van beleving is het project waterlicht van Daan Roosegarde. Van 26 februari tot 1 maart 2016 wandelden er 20.000 mensen in de uiterwaarden van Westervoort. https://www.studioroosegaarde.net/ project/waterlicht Zeker voor jongeren is beleving een belangrijk punt. De concurrentiekracht, misschien afleiding, van de smartphone, is enorm. Wat is er buiten nu extra te beleven? Dit is een probleem. Deze jonge generatie beweegt veel minder en gaat echt geen wandeling over een vogeluitzichtpuntenpad maken als daar slechts een paar vogels te zien zijn. Technologie kan een rol spelen om uit te dagen tot meer beweging. Denk aan hoe het spel Pokémon Go daadwerkelijk aanzette tot meer beweging zoals de spelers het spel interessant vonden. Augmented reality en virtual reality bieden steeds meer kansen. Visie: iedereen naar buiten We willen het buitengebied van de gemeente inzetten om beweging te stimuleren en daarmee de gezondheid van de samenleving te bevorderen. Actieve vormen van recreatie dus. Buiten bewegen moet maatschappelijk inclusief zijn, daarom richten we ons op iedereen.
Niet iedereen gaat uit zichzelf naar buiten, ook niet als het eigenlijk goed zou zijn voor de mentale of fysieke gezondheid. Voor mensen die psychisch kwetsbaar zijn en voor mensen die lichamelijke klachten
43
Wandelmogelijkheden vanuit de stad Bron: De Strava wandelkaart is gebruikt om de huidige uitloop wegen/paden te bepalen. De topografische ondergrond en Strava wandelkaart kaart zijn gebruikt om de potentiële uitloop wegen/paden te bepalen. De grenzen van bedrijventerreinen en de campus zijn bepaald aan de hand van Google maps. (zoals obesitas) ervaren is extra aandacht nodig, want groen kan een belangrijk onderdeel zijn van hun herstel. We gaan ervan uit dat je, met het juiste aanbod, iedereen van jong tot oud naar buiten kunt krijgen. Verschillende aspecten spelen hierin een rol: voldoende plekken waar je mag komen en waar je vrij en veilig kunt bewegen ook als je een fysieke beperking hebt, mogelijkheid tot ontmoeting, belevingswaarde, ervaring van rust en vrijheid en eenvoudige toegankelijkheid vanuit de stad naar het buitengebied’.
bij de paragraaf beleving en slimme gerichte recreatie). We willen naar een slimmer gebruik van de huidige voorzieningen, zoals paden, en fysieke kenmerken, zoals bomen en hellingen. In het transformatiegebied aan de westzijde van de gemeente (zie ook het volgende hoofdstuk) kunnen juist nieuwe paden, plekken en andere voorzieningen worden aangelegd. Het contrast met de stad moet wel helder blijven, het buitengebied is groen. Beleid
In de gebieden die het belangrijkste zijn voor natuur zijn we terughoudend met nieuwe plekken voor recreatie. We gaan naar een slimme variant van recreatie in de natuur die erop gericht is zo weinig mogelijk te verstoren in die natuur. Die recreatie moet daartoe meer datagestuurd worden: ‘slimme gerichte recreatie’ (zie voor een toelichting
Iedereen naar buiten We willen voorzieningen in het buitengebied hebben die iedereen in onze gemeente aanspreken en die hen aan het bewegen zetten. We weten zeker dat we daarvoor volledig nieuwe dingen moeten doen want lang niet iedereen gaat nu regelmatig
naar buiten. Daarom gaan we actief werven om een brede vertegenwoordiging van de Wageningers te betrekken bij dit doel. Vooral in het transformatiegebied verwachten we nieuwe kansen. Daar wordt een nieuw landschap aangelegd waar ook ruimte is voor nieuwe voorzieningen. We richten hier een programma voor in waarin we de samenleving zelf plannen willen laten maken. In het transformatiegebied komt bij ieder energieproject ruimte beschikbaar. Het ‘aanboren’ en werven van een brede bevolkingsvertegenwoordiging loopt via de contacten in het sociale domein en via algemene publiciteit. Fysieke bereikbaarheid verbeteren Toegankelijkheid en directe nabijheid van het buitengebied (waaronder bos, maar dus ook de andere gebieden) is voor iedere Wageninger belangrijk
Individueel sporten in het buitengebied en zeker voor kwetsbare groepen (mensen met verschillende vormen van een beperking). Belangrijk is dat je makkelijk de wijk uit kunt en snel in verbinding staat met het buitengebied voor een simpel ommetje, fietstocht of ontmoeting. Dit wil je in een in een veilige omgeving en met passende voorzieningen kunnen doen. Bijvoorbeeld ook een auto kunnen parkeren om daarna met rolstoel/rollator verder te kunnen, voldoende brede paden, ruimte voor de hond. We gaan alle verbindingslijnen tussen stad en land, ter hoogte van de stadsrand inventariseren op de verbinding- en gebruikskwaliteit. We komen met verbetervoorstellen als er knelpunten zijn. Bij de transitiezone gebruiken we deze inventarisatie om de startpunten van nieuwe lijnen te inventariseren. Beleving en slimme gerichte recreatie We zien belevingsversterking als het belangrijkste middel om meer beweging op gang te krijgen.
Gecombineerde sportvoorzieningen golf en voetbal Belevingsversterking kan op veel manieren denk bijvoorbeeld aan: • extra voorzieningen aanbrengen • de toegankelijkheid (meer paden) uitbreiden en verbeteren • extra informatie bieden (verhalen over plekken, de historie ervan, camera’s in nestkastjes) • interactie organiseren (nachtwandeling, persoonlijke gids, waadpaden) Voor de uiterwaarden en de Wageningse Berg versterken we binnen de bestaande situatie de beleving en bevorderen we de beweging door er slimmer, specifieker en gerichter gebruik van te maken. Daarvoor moet je veel weten over je gebied. Hoe meer je weet, hoe meer er mogelijk is. Weet je precies waar je oudste bomen staan? Weet je waar je beste klimbomen staan? Weet je welk dier welke route volgt? Weet je waar je paden met rul zand lopen? Weet je waar je tamme kastanjes staan? Weet je waar welke paddenstoelen voorkomen? Welke
cultuurhistorische objecten kun je als inspiratie gebruiken? Met dit soort informatie kun je bijzondere, specifieke, dynamische persoonlijke toepassingen maken voor smartphone- en AR-apparaten. Routes, speurtochten, spellen, verhalen: de mogelijkheden zijn enorm. En je kunt toepassingen maken die mensen van alle groepen in beweging brengen. Meer informatie kunt u lezen in de Bijlage: Technologie en kennis. Om het proces van slimme gerichte recreatie op gang te krijgen zijn twee deelprocessen nodig. Ten eerste moeten we omgevingsdata beschikbaar maken en ten tweede is er een stimuleringsprogramma nodig voor app-bouwers. Voor het beschikbaar stellen van data is inmiddels een redelijk doorontwikkelde infrastructuur beschikbaar met het ‘CBS urban data centre’. https://www. cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/cbs-urban-data-centers
Overzicht instrumenten en rollen Instrument
Rol gemeente
Rol samenleving
Betrokken organisaties
Afwegingskader (onderdeel visie)
Geen specifiek afwegingskader
Beoordelaar
Programma
Iedereen naar buiten
Partner
Partner
Sociaal domein gemeente maatschappelijke organisaties
Omgevingsdata beschikbaar stellen en toepassingen stimuleren
Partner
Partner
Data-genererende partijen
Verbeteren stad-land verbindingen
Trekker/partner
Adviseur/partner
Sociaal domein gemeente maatschappelijke organisaties, bewoners buitengebied
Project
45
4.3. Energie In dit hoofdstuk geven we aan hoe we de opgave voor energieopwekking aanpakken. We richten ons op drie vragen. Hoeveel energie willen we zelf, op Wagenings grondgebied, opwekken? Welke verhoudingen tussen windenergie en zonne-energie kiezen we? Waar willen we die energie opwekken? De antwoorden op deze vragen hangen samen en leveren een afweging op voor de opgave voor energie aan de ene kant en de mogelijkheden van ons gebied aan de andere kant. De uitkomsten van de afweging zijn in hoofdlijnen: • Hoeveel energie? We kiezen voor de opgave die we ons zelf eerder stelden in de Routekaart Wageningen Klimaatneutraal 2030. Dat is 250 TJ. Als het lukt om meer dan twee windmolens te realiseren kunnen we iets hoger uitkomen bovenop het op pag. 52 genoemde aantal hectare zonneparken. Hier kunt u meer lezen over de energieopgave en Routekaart Wageningen Klimaatneutraal 2030. (Link naar bijlage) • Welke verhouding zon-wind? We richten ons vooral op zonne-energie. We onderzoeken of een beperkt aantal windmolens haalbaar is. • Waar? We zetten nog meer dan nu in op zonneenergie op dak in de hele gemeente. Onze ambitie is dat alle geschikte en alle geschikt te maken daken vol komen te liggen met zonnepanelen. Voor zonnevelden leggen we het accent op het overgangsgebied van de stad naar het Binnenveld en de Nude.
Daar kunnen we de opwekking van zonne-energie goed combineren met andere gemeenschappelijk doelen (transformatiegebied).
Potentiële windmolenlocaties Bron: gemeente Wageningen
Wat er speelt Het opwekken van duurzame energie is geen doel op zich maar een middel om het verdergaande klimaatprobleem tegen te gaan. Daarbij moeten we ook fors teruggaan in ons energieverbruik. We verbreken de laatste jaren stelselmatig warmterecords. Volgens het IPCC hebben we geen tien jaar de tijd meer voordat we ons CO2-budget hebben verbruikt voor een opwarming van 1,5 C. Boven een temperatuurstijging van 1,5 C neem het risico op langdurige en onomkeerbare gevolgen van klimaatverandering toe. Het energiegebruik van alle Nederlanders, ook van de inwoners van Wageningen, is ontzettend hoog. Het overgrote deel wordt nog ‘grijs’ opgewekt, met alle gevolgen voor het klimaat van dien. De gemeente Wageningen heeft geen snelwegen op haar grondgebied en geen zware industrie. Relatief gezien valt haar energieverbruik mee in vergelijking met andere gemeenten. Toch is het nog steeds een forse opgave. We hebben windmolens en zonnevelden nodig, ook al benutten we al ons dakoppervlak, ook al
Denkbare locaties voor zonnevelden Bron: Nationale Energie Atlas
gaan we 50% minder energie verbruiken en ook al gaan we warmte uit de ondergrond of de lucht halen. Veel bewoners zijn zich hiervan bewust, maar vragen zich af waarom dat in Wageningen moet. Waarom niet bij buurgemeenten langs snelwegen of op zee? Daarnaast opperen inwoners regelmatig dat het beter is te wachten op innovaties die minder ruimte in beslag nemen. Innovatie is zeker nodig. Die innovatie loopt samen op met investeringen in energieprojecten. Op die manier dwing je innovatie af. Wachten zou een onverantwoordelijke houding zijn ten opzichte van toekomstige generaties. Voor meer achtergrondinformatie over alternatieve technologieën voor energieopwekking kunt u de bijlage energie lezen. Naast zon en wind op land heeft het Rijk zeer grootschalige plannen voor windmolens op zee. Alle belanghebbende partijen hebben onlangs een akkoord gesloten over hoe onze kust wordt ingedeeld. De energieopbrengst van windmolens op zee wordt voor een groot deel toegerekend aan onze zware industrie en aan de randstad waar de ruimte schaars is. Energieopwekking op land is aanvullend nodig.
In Regio Foodvalley zijn in het kader van de Regionale Energie Strategie zoekgebieden aangewezen langs infrastructuur voor de ontwikkeling van duurzame energie. Dit zijn locaties die op veel draagvlak kunnen rekenen. Maar deze locaties zijn zeker niet toereikend voor de energieopgave voor Regio Foodvalley. En dus moeten er ook, aanvullend, op ons grondgebied energie worden opgewekt opwekken. Lees meer informatie over de opgave van de gemeente Wageningen ten opzichte van andere gemeenten in de regio de bijlage energie. We hebben een vrij klein buitengebied dat intensief gebruikt wordt voor natuur, voedselproductie, recreatie en andere waarden en functies. Het is dus woekeren met de ruimte. Daar komt nog eens bij dat de ‘onderzoeksruimte’ voor windmolens extra beperkt is omdat veel gebieden zijn uitgesloten om reden van kwetsbare natuur, veiligheid en geluid. Zonnevelden zijn in principe overal mogelijk, behalve in de uiterwaarden. En voor zon vallen uiteraard ook de bossen af met uitzondering van voormalig afvalstortplaats de Keijenberg.
47
Een belangrijk kenmerk van ons buitengebied is het grote verschil in landschapstypes. Dat is zichtbaar in de bodem, de natuur, het bodemgebruik, de verkaveling, de waterstanden, het wegenpatroon en de beplanting. Uiteindelijk leidt dat ook tot grote verschillen tussen open en besloten gebieden zoals dit kaartje laat zien. Hoe opener het gebied, hoe zichtbaarder windmolens en zonnevelden zijn (zonnevelden kun je wel makkelijker aan het oog onttrekken). Ons buitengebied wordt in de Eng, het bos en de uiterwaarden intensiever gebruikt voor recreatie en bewegen dan in de Nude, Binnenveld en het Bennekomse Veld. Dat komt vooral door de lage dichtheid van paden en wegen. De behoefte is er wel. De lichte kleuren op de Stravakaart geven aan dat er ook daar veel wandelaars en fietsers op de bestaande wegen zijn. Sfeer en beeld zijn twee van de opgehaalde criteria voor de beoordeling van modellen voor grootschalige opwekking. In de bijlage kunt u het volledig overzicht met criteria terugvinden die zijn opgehaald tijdens de gebiedsconferentie.
Strava wandel en hardloopkaart Bron: Strava https://www.strava.com/heatmap#13.39/5.66400/51.98136/hot/run
49
Ruimtemassakaart Bron: De kaart is samengesteld met de volgende kaartlagen uit de atlas leefomgeving: ligging en normen primaire waterkeringen, bouwjaar panden, bomen in Nederland, struiken in Nederland, actuele administratieve grenzen.
Visie: nadruk op zon op dak, zonnevelden in transformatiegebieden Het gaat bij de visie om drie zaken: hoeveel energie wekken we op, welke keuze maken we tussen wind en zon, en waar komen de panelen of de windmolens. We vinden dat er veel meer dan nu zonne-energie op daken moet worden opgewekt. De hoofdlijn is dat op lange termijn zoveel mogelijke daken met panelen bedekt moeten worden, behalve als er esthetische redenen zijn om dat niet te doen, of als de energieopbrengst aantoonbaar niet rendabel is. Voor windmolens is er maar heel weinig ruimte in de gemeente. We hebben dat al eens eerder onderzocht. Ook nu weer is gebleken dat er technisch zeer beperkt mogelijkheden zijn en dat het, afhankelijk van de locatie, veel maatschappelijke discussie oproept. Het is onzeker hoeveel energie windmolens hier kunnen opwekken en het is zeker dat het nooit voldoende kan zijn. Voor zonnevelden is er, technisch, voldoende ruimte. Er is wel een groot gebied voor nodig. Om de ambitie te halen kan dat wel oplopen naar 80 ha. Bij dergelijke oppervlaktes kun je de zonnevelden niet meer ‘inpassen’ in een bestaand landschap, maar is het nodig om een nieuw landschap te maken (landschapstransformatie) waarin die velden een passende, niet al te overheersende plek krijgen. Een landschapstransformatie moet wel een bredere aanleiding dan alleen energie hebben.
In de randen van het Binnenveld is er én voldoende ruimte voor zonnevelden én een historische aanleiding
voor een transformatie naar een hagenlandschap. Precies dat type landschap is geschikt voor het landschappelijk ‘opnemen’ van zonnevelden. In dit gebied zijn er ook andere aanleidingen om het landschap te transformeren. Ten eerste is er hier veel nieuwe biodiversiteit toe te voegen, denk aan hagen, brede sloten, bermen en schrale graslanden. Ten tweede is dit gebied veel beter toegankelijk te maken als uitloopgebied voor Wageningers die aan de westzijde van de stad wonen, door paden en wegen aan te leggen. Daar voegt het ook echt wat toe en kunnen we een echte bijdrage aan het bevorderen van beweging maken. En ten derde is het land voor meer vormen van natuurinclusieve landbouw bruikbaar te maken. Als we dan kijken naar de keuzes waar we voor staan. We kiezen voor een ambitie die ons als Wageningse gemeenschap de tijd geeft om te beoordelen of de landschapstransformatie inderdaad goed uitpakt en die tegelijkertijd wel een echte stap is. Met de ambitie van 250 TJ volgen we grofweg Routekaart Wageningen Klimaatneutraal 2030 Als je die 250 TJ helemaal met zonnevelden wilt opwekken heb je ruim 80 ha netto zonneveld nodig5. Daarvan is ruim 10 ha te vinden op de voormalige vuilstort en verspreid in Wageningen. Voor het transformatiegebied gaan we uit van een maximum van 70 ha netto zonnevelden tot 2030.
Het is een maximum omdat we de opbrengst van 2 te realiseren windmolens in mindering brengen (10 ha/windmolen). Het minimum is dus 50 ha netto zonneveld6. Lees meer over de onderbouwing van
5. Uitgaande van panelen met een vermogen van 350 Wattpiek en 3000 panelen op een ha zonneveld. 6. Met zonnepark Haarweg wordt binnenkort reeds 7 ha bruto en 5,5 ha netto gerealiseerd.
de energieopgave in de bijlage energie. Het bruto ruimtebeslag van de zonnevelden is groter vanwege de landschappelijke inrichting. Het wordt dan 75 ha tot 105 ha. We kiezen voor substantieel meer zonne-energie dan windenergie. Maar we onderzoeken wel of enkele windmolens toch haalbaar zijn. Het is namelijk wenselijk om ook windenergie in onze energiemix te hebben voor een efficiënter gebruik van het net met een betere netbalans. Als het lukt om windmolens te realiseren dan wordt het gebied met zonnevelden verkleind. De eerste twee molens worden gebruikt om 20 ha zonneveld minder aan te leggen. Als er meer dan 2 molens te realiseren zijn dan komt dat bovenop onze ambitie. We concentreren de opgave in het transformatiegebied (zie verder bij de gebiedsuitwerking van het transformatiegebied). Daarnaast zijn er andere locaties die ook een bijdrage kunnen leveren, zoals het zonnepark op de voormalige vuilstort of zonnepanelen boven parkeerplaatsen. In aanvulling willen we kleinschalige initiatieven die onderdeel zijn van een erfinrichting ook mogelijk maken op de Eng. In de rest van Wageningen willen we kleinschalige initiatieven niet direct afwijzen, maar apart beoordelen. Naar verwachting zijn dit bewonersinitiatieven. Beleid Zon op dak Uit de internetconsultatie blijkt dat mensen vinden dat je eerst de daken vol moet leggen met zonne-
51
Historische hagen Bron: Deze kaart is gemaakt op basis van de historische kaarten van topotijdreis.nl in de jaren 1900 en 1920.
panelen voordat je met zonnevelden begint. Ook willen mensen weten hoe de gemeente zon op dak stimuleert. In de berekeningen hoeveel windmolens en zonnevelden we nodig zouden moeten hebben om duurzame energie op te wekken is uitgegaan dat we al het geschikte dak benutten voor zonne-energie. We hebben als doelstelling dat we in 2030 een zeer groot gedeelte hiervan hebben gerealiseerd7. Om onze klimaatdoelen te halen, zal ook buiten het stedelijk gebied veel zonne-energie moeten worden opgewekt. En om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graad, moeten we alle zeilen bijzetten. De ene oplossing kan dus niet meer op de andere wachten. Wat doen we als gemeente op dit moment aan het stimuleren van zon op dak? Voor projecten zon op particulier dak en bedrijfsdaken hebben we een heel pakket van hulp: ontzorging, gratis advies, goedkope lening etc. Daarnaast hebben we duurzaam-bouwen-beleid, waarbij we zo vroeg mogelijk met ontwikkelaars van nieuwe gebouwen om de tafel gaan om zoveel mogelijk zon op dak bij nieuwbouw te organiseren. Maar we kunnen dat niet wettelijk eisen. • Via de RES (Regionale Energie Strategie) is een lobby gestart om de verplichting van zon op dak bij nieuwbouw en bestaande bouw wettelijk te regelen • We gaan door met collectieve inkoopacties zonnepanelen en ontzorging
• We beginnen met enkele pilots van daken waarop zonnepanelen nu niet mogelijk zijn door type aansluiting of dakbedekking door toch deze daken te benutten, en zo gaan we leren Het uitnodigingskader voor zonnevelden: een ontwerp door regels De meeste zonnevelden komen in het transformatiegebied. Alleen daar zijn grote nieuwe zonneprojecten mogelijk. De transformatie van het gebied vindt in eerste instantie plaats via regels voor de aanleg van zonnevelden. Door het volgen van die regels groeit stap voor stap een nieuw landschap. Daarin komen vervolgens andere, meest groene, functies. Dat bepreken we bij de gebiedsbeschrijving in H5. Het uitnodigingskader is dus een set transformatieafspraken en met die afspraken wordt het gebied ontwikkeld. Deze manier van denken en werken komt niet zo vaak voor in gebiedsontwikkeling8. Hij wordt gebruikt bij de ontwikkeling van woonwijk Oosterwold waar bewoners zelf, op basis van een set regels, een hele woonwijk aanleggen, zelfs de infrastructuur. Er is wel een zonering en een min of meer verwacht eindbeeld maar geen totaalplan. https://maakoosterwold.nl/. Gelukkig is de ontwikkeling van een hagenlandschap met zonnevelden op een bestaande verkaveling een stuk minder complex en is de uitkomst voorspelbaarder. Daarom is het verantwoord deze werkwijze voor de transformatie te volgen.
De keuze voor deze planningsmethodiek is noodzakelijk. We willen en kunnen niet als gemeente één projectlocatie of verschillende projectlocaties aanwijzen. Ten eerste werkt dat prijsopdrijvend en ten tweede zouden we dan nu, op dit moment, met grondeigenaren afspraken moeten maken. En dat gaat niet. Gelijktijdig willen we wel dat er een samenhangend totaalbeeld ontstaat, niet ‘uniform’ maar samenhangend. Deze planmethodiek, ontwerpen met regels, komt er in de praktijk op neer dat de ‘toetsingsprocedure’ uit twee fases bestaat. De globale indeling van het project en de reservering van ruimte voor inpassing volgen direct uit de regels. De toetsing is voor deze fase alleen gericht op de vraag of de transformatieregels goed zijn toegepast. In de tweede fase gaat het om de inpassing zelf. Daar moet een inrichtingsplan voor gemaakt worden. Gemeente en samenleving maken dit gezamenlijk en toetsen dit aan het gebied. Dit is dus een veel bredere toetsing. Daarnaast evalueren we na ieder uitgevoerd project de effecten van de regels en passen we de regels één maal per jaar aan als dat nodig blijkt te zijn. Uitnodigingskader duurzame energie In dit uitnodigingskader beschrijven we de regels en toetsingscriteria voor de aanleg van zonnevelden. Het is een specifiek beleidskaders (zoals beschreven in de visie op de uitvoering) om te sturen op functieverandering.
Om deze reden is het gedetailleerder dan andere onderdelen van deze visie.
7. Ambitie: In 2030 heeft 40% van de woningen met een schuin dak één dakvlak vol met zonnepanelen, 85 % van alle appartement-/flatdaken liggen vol met zonnepanelen en 60% van de bedrijven met een plat dak hebben 85 % van het dakoppervlak vol liggen met zonnepanelen. 8. In feite is dit geparametriseerd ontwerpen. In de architectuur is dit een steeds,meer gebruikte ontwerpwijze. Kijk bijvoorbeeld naar een ontwerptool als Grasshopper.
De regels sturen op een bepaald eindbeeld. Maar het is geen vast eindbeeld. We weten immers niet welke grondeigenaren initiatieven zullen nemen. En als er eenmaal een project is aangelegd dan heeft de volgende initiatiefnemer daar mee te maken. In het overzicht op de volgende pagina’s hebben we bij de regels aangegeven wat het doel van die regels is. Iedere regel is een bouwsteen voor het nieuwe landschap. Bij elkaar geven ze een indruk van het landschap dat we willen bouwen. In het hoofdstuk over de gebieden hebben we ook een illustratie opgenomen. Dit is een van de vele mogelijke uitkomsten van deze regels.
53
Kleinschalig landschap met hagen in de Nude
Energiegerelateerde elementen in het landschap
Enkele begrippen
Uitleg
Het projectgebied
Het grondstuk van de initiatiefnemer, een projectgebied kan uit verschillende percelen bestaan. Het hoeft niet aaneengesloten te zijn
Het perceel
De kadastrale eenheid die zichtbaar wordt in het stuk landbouwgrond. De bestaande gemiddelde perceelbreedte in de Nude en het Binnenveld loopt van ongeveer 55 meter tot 80 meter. De lengte is zo’n 300 tot een kleine 500 meter. De maat is dus zo’n 1,6 tot 4 ha per perceel, gemiddeld 2,8 ha. Bij percelen groter dan 4 ha moet het perceel in de lengte worden gesplitst zodat het binnen de genoemde bandbreedte van de bestaande percelen past. Het perceel bestaat uit het zonneveld en de landschappelijke inrichting rond het veld. De verhouding is 75%-25%. (let op: er moet nog een extra haag elders worden gemaakt. Daardoor komt de totale verhouding zonneveld-landschappelijke inrichting binnen het projectgebied uit op 2/3-1/3)
Het zonneveld
Dit is het gebied dat begrensd wordt door hekken waarbinnen zonnepanelen, onderhoudspaden en installatiegebouwen staan.
Exploitatie-eenheid
Een of verschillende zonnevelden die technisch als eenheid functioneren.
De standaardopstelling Op het zuiden gerichte rijen zonnepanelen waarbij in het bovenaanzicht maximaal 55% van de ruimte bedekt is met panelen. De onderzijde van de panelen is minimaal 0,75 meter boven maaiveld, de bovenzijde niet hoger dan 3 meter. Er mogen maximaal 3 rijen standaardpanelen (480 cm) aan elkaar worden gekoppeld. Initiatieforganisatie
De bv die het initiatief neemt
Nr.
Regel
Doel van de regel
1
Projectgebieden liggen in het transformatiegebied.
Spreekt voor zich.
2
Een projectgebied kan niet groter zijn dan 15 ha. Tussen twee projectgebieden moet minimaal 110 meter afstand zijn (2 percelen dus afhankelijk van locatie 110-160 meter). Eén initiatiefnemer kan verschillende projectgebieden ontwikkelen.
Hiermee zoeken we een balans tussen enerzijds voldoende omvang van een project zodat het interessant is voor een initiatiefnemer terwijl we anderzijds willen voorkomen dat alles in één deel van het gebied plaatsvindt. We willen ‘lucht’ in het landschap houden.
3
Zonnevelden liggen niet binnen 50 meter van de tuingrens van de woningen in de stadsrand of de rand van buurtschap Oude Nude (de groene rand zoals weergegeven op de plankaart) en niet binnen 30 meter van de tuingrens aan de voorzijde van individuele woningen in het buitengebied. De landschappelijke inrichting behorende bij een zonneveld mag wel binnen deze 50 meter plaatsvinden.
Hiermee willen we voldoende uitzicht en ruimte voor woningen regelen.
4
Een zonneveld ligt op een perceel. Een exploitatie-eenheid kan uit verschillende zonnevelden bestaan.
Hiermee leggen we een vast verband tussen de schaal van een zonneveld en de huidige verkaveling. Daarmee ontstaat er automatisch al een behoorlijke goede landschappelijke inpassing, zeker in combinatie met de volgende regel.
5
Een perceel bestaat altijd voor 75% uit een zonneveld en 25% uit een strook voor landschappelijke inrichting. Dat komt als volgt tot stand: op een perceel is een strook van 9% aan beide zijden van de breedte in de breedte en 4,5% aan beide zijden van de lengte in de lengte voor landschappelijke aanleg gereserveerd. Dus zo’n 5 tot 8 meter aan weerszijden in de breedte en 15 tot 25 meter in de lengte. Die maat is de totale maat tussen de grens van het perceel en de grens van het zonneveld (het hek).
Met deze regel wordt de ruimte voor landschappelijke inrichting geregeld én wel op zo’n manier dat de bestaande verkaveling zichtbaar blijft in het nieuwe landschap en er veel potentiele doorgangen ontstaan. Bij de koppen komen er met deze regel ook plekjes waar verblijfsruimte kan worden gemaakt.
6
Voor de inrichting van het landschap wordt over 33% van het projectgebied 5 euro/m2 (prijspeil 2020 en excl. btw) door de initiatiefnemer in het landschapsfonds gestort. De landschapsinrichting vindt plaats op het perceel in het gebied buiten de hekken én op een strook grond elders in het transformatiegebied (regel 11). Bij elkaar bedraagt dit dus 33% van de omvang van het projectgebied (bestaande uit 25% op het perceel en 8% op een strook elders in het gebied). Dit bedrag wordt gelabeld en kan vanuit het fonds alleen aan het projectgebied worden besteed.
Door dit vaste bedrag vast te pinnen aan de locatie kan het gesprek over de inrichting geheel over de inhoud gaan. Als je dit niet zou doen dan wordt dat gesprek een onderhandeling over de inrichtingskosten. Alle regels over de kosten van de inrichting hebben ook tot doel om duidelijkheid voor de initiatiefnemer te scheppen.
7
De landschappelijke inrichting wordt openbaar aanbesteed.
Ook deze regel heeft tot doel er voor te zorgen dat het gesprek over de inrichting alleen over de inhoud gaat. Het wordt namelijk objectief zichtbaar wat de prijs van de inrichting. Als je dit niet zou doen wordt dat gesprek een onderhandeling over de inrichtingskosten
8
De initiatiefnemer maakt in overleg met de gemeente een plan voor landschappelijke Spreek voor zich. inrichting. Daarbij worden de buurt en een brede vertegenwoordiging uit de samenleving betrokken. Het inrichtingsplan kent een verplicht en een vrij deel. De verplichting is dat er altijd een haag wordt aangelegd in de eerste meters aan de buitenzijde van het hek (dit is de strook zoals bedoeld onder regel 5). Het type haag is maatwerk op voorwaarde dat de haag een passende groene afscherming van de zonnevelden maakt. De haag moet ook in de winter enige afscherming bieden. Het uitgangspunt is dat de hagen uit inheemse soorten bestaan en het beheer zo is dat de hagen uit kunnen groeien tot brede, natuurlijke hagen. Met de overige inrichting worden doelen voor bewegen, verblijf, natuur en natuurinclusieve landbouw uitgewerkt.
9
De initiatieforganisatie moet er vanuit gaan dat er op ieder perceel ten minste één openbaar pad in lengte en dwarsrichting komt.
Initiatiefnemers zullen de toegankelijkheid proberen te beperken. Vandaar deze regel. Het is geen verplichting de paden aan te leggen.
10
Het budget van 5 euro/m2 (prijspeil 2020) voor de inrichting (te bepalen in een openbare aanbesteding) is beschikbaar gesteld door de initiatieforganisatie. Als het inrichtingsplan duurder is dan wordt dat door derden betaald. Als het inrichtingsplan goedkoper is dan blijft het resterende bedrag in het landschapsfond en komt het beschikbaar voor algemene inrichtingsdoelen.
Het kan zijn dat sommige partijen iets extra’s willen realiseren. Dat kan, maar dan moeten ze er zelf het geld voor regelen.
11
Het project draagt bij aan de realisatie van het totale hagenlandschap. Daarom wordt elders in het (transformatie)gebied een strook door de initiatiefnemer toegevoegd van dezelfde omvang als één lange strook van de begrenzing van het zonneveld (zie regel 5). Het uitgangspunt is dat deze strook wordt ingericht met samengestelde landschapselementen waaronder in ieder geval een haag. Situationeel kan bepaald worden dat een andere landschappelijke inrichting dan een haag, aansluitend op landschapstype en benodigd habitat voor specifieke doelsoorten, nodig is. Als er op het perceel al een landschapsstrook met haag van de gewenste maat (zie regel 5) aanwezig is voor aanvang van het project, dan moeten er elders in het (transformatie) gebied twee nieuwe landschapsstroken met haag worden aangelegd. Het realiseren van deze strook of stroken elders in het gebied kan ook worden afgekocht door een afdracht van 8 euro/m2 (prijspeil 2020, excl. btw) in het landschapsfond te storten voor de financiering van de afwaardering van de bestemming agrarisch naar de bestemming landschap. De landschapsstrook elders in het gebied wordt in dat geval vanuit het landschapsfonds gerealiseerd. Daarnaast dient er, zoals ook aangegeven bij regel 6, 5 euro/ m2 (excl. btw) voor de aanleg van groenvoorzieningen in het landschapsfonds gestort te worden.
De haag en de landschapsstrook die met deze regel worden gemaakt zijn essentieel voor de transformatie van het gebied. De landschapsstrook wordt namelijk elders in het transformatiegebied aangelegd. In combinatie met de inrichting rond de zonnevelden ontstaat zo het hagenlandschap dat we met deze visie voor ogen hebben.
12
Het zonneveld wordt ingezaaid met een gevarieerd hooilandmengsel (in overleg met gemeente te kiezen). Er wordt een op verschraling gericht beheerregiem van maaien en afvoeren van ‘natuurhooi’ ingesteld. Er mag geen mest worden opgebracht.
Hiermee wordt de biodiversiteit onder en langs de zonnevelden geregeld. In de praktijk is er niet zoveel keuze in beheer: er zijn ofwel schapen ofwel het terrein wordt gemaaid en het maaisel afgevoerd. Bij schapenbeheer is de biodiversiteitswinst niet zo hoog.
13
De initiatiefnemer beheert het projectgebied op zo’n wijze dat de doelen van het inrichtingsplan gerealiseerd worden.
Dit spreekt voor zich.
14
Lokale partijen moeten de mogelijkheid krijgen om minimaal 50% in lokaal eigendom te hebben.
Lokale financiële participatie moet daadwerkelijk mogelijk worden gemaakt.
15
De initiatieforganisatie creëert een gezekerd doelfonds waarmee na 25 jaar het zonneveld Dit spreekt voor zich. kan worden opgeruimd. Dit opruimen vindt ook daadwerkelijk plaats. Het zonneveld is dus een tijdelijke voorziening die maximaal 25 jaar kan blijven staan.
55
16
De landschappelijke inrichting wordt positief bestemd als groenvoorziening. Dit is een permanente voorziening. Als er na 25 jaar nog steeds behoefte is aan energie uit zonnevelden, te bepalen in gemeentelijk beleid, heeft de initiatieforganisatie het recht de locatie nogmaals te gebruiken voor zonnepanelen.
Dit spreekt voor zich.
17
De initiatieforganisatie deelt de opbrengstgegevens realtime op een platform dat de gemeente inricht. Technische gegevens van de opstelling worden gekoppeld aan deze gegevens.
Met deze regel is het voor nieuwe partijen makkelijker om opbrengsten te voorspellen. Daarnaast is het cruciale input voor de ontwikkeling van een ‘smart grid’. En dat is weer nodig voor een stabiel elektriciteitssysteem. Het is ook een basis voor ondernemers die een buffervoorziening willen maken of, bijvoorbeeld, een waterstoffabriekje.
18
Tijdens de uitwerking van een project zoals bedoeld in regel 8, kan het college afwijken van de gestelde breedtes van een landschapselement zoals gesteld in regel 5 mits het totale aandeel aan landschapselementen op het perceel (25%) gelijk blijft en de individuele landschapselementen voldoende robuust blijven voor de biodiversiteit en landschap.
Landschappelijk gezien, maar ook vanuit participatie kan het situationeel meerwaarde hebben om een landschapselement in een projectgebied wat breder of wat smaller te maken. Met deze regel is er ruimte voor maatwerk binnen de doelen.
Principe ruimte voor landschappelijke inrichting
Principe landschappelijke stroken
We realiseren ons dat we met het hele pakket aan transformatieregels de lat hoog leggen voor de initiatiefnemers. Maar het belang van maatschappelijk draagvlak, een goede inpassing, aandacht voor biodiversiteit en toegankelijkheid en een algemene verbetering van het hele transformatiegebied is voor ons erg belangrijk. Tegelijkertijd willen we óók onze doelstellingen behalen op het gebied van duurzame energieopwekking. Mocht er locatie specifiek om nu nog onbekende redenen niet aan alle regels kunnen worden voldaan, dan kan er gemotiveerd van de regels afgeweken worden zolang de hoofdrichting van de doelen niet wordt aangetast. Over dergelijke afwijkingen kan door het college worden besloten. Afwijkingen van regels met een significant financieel effect zijn alleen mogelijk als die afwijking opgenomen wordt in aangepaste algemene regels. Zo’n aanpassing wordt aan de raad voorgelegd. Uitvoeringssuggesties die afgesproken kunnen worden in het inrichtingsplan: 1. Denk aan spleten tussen panelenrijen, of een kleine ruimte van één tot een paar cm open tussen elke horizontale panelenrij. Bij regenval stroomt het water door de spleten en wordt gelijkmatiger verdeeld over de bodem. Ook kan er beter licht doorschijnen. Dit kan lokale verdroging onder de zonnetafels verminderen. 2. Bijenkasten voor honingbijen zijn ongewenst in een zonnepark.
Honingbijen concurreren namelijk met wilde bijen. Een bijenhotel voor wilde bijen kan wel worden geplaatst. (Van Vuurde et al., 2019)
3. Het hekwerk kan toegankelijk gemaakt worden voor klein wild. Houd dan onderaan een kleine ruimte van ongeveer 10 cm open. Of breng op 4. verschillende plekken gaten in het hekwerk aan. Dit zorgt ervoor dat kleine zoogdieren, reptielen en amfibieën het park kunnen gebruiken (Klaassen et al., 2018). 5. Pas liever geen verharding (voor onderhoud) en betonnen funderingen onder de panelen toe, want dat heeft een negatief effect op de biodiversiteit. Het toepassen van halfverharding (voor zover nodig) en van schroefpalen als fundering is een beter alternatief. • Gebruik liever geen metalen draagconstructies (bijvoorbeeld van zink). Deze leiden tot uitspoeling en hebben bovendien een hoge energie-footprint. Mogelijk is biocomposiet een goed alternatief. (diverse bronnen zoals ‘Gelderse Zonnewijzer’, ‘Gedragscode Zon op Land van Hollandsolar’ en de ‘constructieve zonneladder van de Natuur en Milieufederaties’) De ‘businesscase’ die bij de regels hoort De financiering van een zonneveldenproject kent 4 hoofdvariabelen. 1. De kosten van aanleg en beheer van het zonnepark. 2. De opbrengsten, opgewekte energie en subsidies 3. Het verwachte rendement op de investering BAR 4. De grondwaarde die residueel ontstaat door de ontwikkeling9` De regels hebben beperkte invloed op de kosten.
De grote knoppen waaraan gedraaid kan worden zijn het verwachte rendement op de investering en de verwachte grondwaarde. Die verwachtingen wordt met deze regels planologische getemperd. In de praktijk komt het er op neer dat het financiële rendement en de verwachte grondwaarde iets gedrukt worden. Windenergie Uit de internetconsultaties en participatieavonden is gebleken dat er een hele lichte voorkeur is voor zonne-energie ten opzichte van windenergie. Een combinatie van zon en wind heeft de voorkeur. Een evenwichtige verdeling van opwek door zon en wind is ook van belang voor het elektriciteitsnet. Door een goed evenwicht blijven de maatschappelijke kosten voor verzwaring van het netwerk beperkt. We willen geen enkele locatie voor wind vooraf uitsluiten. Reden is dat de ontwikkeling van windenergie erg lastig te realiseren is en daarnaast de ontwikkelingen van windenergie bij buurgemeenten groot effect hebben. Daarom streven we naar twee windmolens van 3 MW of 1 windmolen van 5,6 MW in de periode tot 2030. Op basis van de voorkeursvolgorde uit de internetconsultatie én onze eigen inschatting van belangen komen we tot de volgende onderzoeksvolgorde voor windmolens.
9. Het concept van residuele grondwaarde komt er op neer dat de waarde van het grondstuk geen input in de businesscase is maar het resultaat. Grond is dus geen kostenpost, een exploitatie die dat wel doet is misleidend. https://www.wikivastgoed.nl/index.php/r/254-residuele-grondwaarde-methode
57
1. Bennekomse Veld 2. Rondom de haven 3. Nude/Binneveld zuid 4. Kern Binnenveld 5. Wageningse Berg/bos De vraag wanneer we windmolens in de kern van het Binnenveld willen onderzoeken wordt, naast onze eigen voorkeursvolgorde, ook bepaald door de keuzes van de buurgemeenten. Als zij beslissen om windmolens hier te onderzoeken dringen we aan op een intergemeentelijk project. Daarbij zoeken we samen naar de beste ruimtelijke opzet en een goede verdeelsleutel voor de opbrengsttoedeling. We willen daarmee voorkomen dat de gemeentegrenzen dit plan gaan bepalen. Elk van de vijf locaties kent zijn beperkingen. Zo hebben windmolens in het Bennekomse Veld effect op het langjarig onderzoek op de proefvelden, ligt de haven vlak naast Natura2000-gebied, ligt het bos/Wageningse Berg in Natura2000-gebied en is het Binnenveld van belang voor weidevogels. Zo zijn er meer beperkingen te noemen. Doel van het onderzoek is om uit te zoeken welke beperkingen gemitigeerd of gecompenseerd kunnen worden. We zullen het volgende proces voor windmolens doorlopen: • Tot 2025 worden de locaties onderzocht en getracht te ontwikkelen. • Daarbij krijgen we ook meer inzicht in wat de plannen van buurgemeenten zijn. • Uiterlijk in 2025 moet een omgevingsvergunning worden afgegeven voor windenergie. Als dat niet lukt dan wordt de opbrengst met zonnevelden gerealiseerd.
Voor windenergie moeten we nog veel onderzoek en met geïnteresseerde grondeigenaren spreken. We hebben om die reden op dit moment slechts enkele harde randvoorwaarden. Dat zijn: • Financiële participatie inwoners en bedrijven Wageningen en streven naar minimaal 50% lokaal eigenaarschap; • Er moet een jaarlijkse bijdrage gedoneerd worden in het landschapsfonds gebaseerd op een vooraf afgesproken percentage van de omzet . • Afhankelijk van de locatie moet er maximaal gebruik worden gemaakt van technieken ter bescherming van vogels en vleermuizen. Een compleet overzicht van criteria voor de beoordeling van modellen voor grootschalige opwek is te lezen in de bijlage. https://nos.nl/artikel/2321832-molens-in-zeelandstaan-stil-voor-vogels-en-dat-kost-15-000-euro-permaand.html Ruimtelijke inpassing van duurzame warmteoplossingen Anno 2020 wordt nog steeds ruim meer dan 90% van onze huizen, kantoren en tapwater verwarmd met behulp van aardgas. Aardgas is relatief schoon, maar toch een fossiele brandstof. Daarom moeten we stapsgewijs overstappen naar duurzame warmtebronnen. Op het moment dat dit collectief gebeurt, spreken we van een warmtenet. Een warmtenet is, in vergelijking met wind- en zonne-energie, niet zichtbaar in het landschap. Het transport van de warmte vindt namelijk onder de grond plaats.
Vaak wordt er industriële restwarmte gebruikt, en de installaties daarvoor staan op de plek waar de restwarmte beschikbaar is. En als het gaat om putten voor Ultra Diepe Geothermie: deze worden doorgaans alleen geslagen waar industrie als eerste van deze hoogtemperatuurwarmte kan
profiteren. Toch zijn een aantal onderdelen bij grootschalige, collectieve warmtesystemen wél zichtbaar in onze gebouwde omgeving of in de groene rand langs de stad. We proberen deze elementen in de wijk zelf te situeren, maar dit is niet altijd haalbaar. Soms maken de installaties geluid en veroorzaken dan overlast in een wijk. Of ze zijn om veiligheidsredenen niet gewenst. Dan moeten we op zoek naar ruimte zo dicht mogelijk bij de wijk. Dit betekent: in de groenrand langs de stad. We hanteren de volgende volgorde: • Installaties voor warmtesystemen passen we zoveel mogelijk in de wijk zelf in. • Als dat niet mogelijk is zoeken we naar ruimte in een naburige wijk / op het terrein van naburige bedrijven. • Als dat ook niet lukt, zoeken we ruimte in de groene rand. Daarbij sluiten we bij voorkeur aan op gebouwtjes en opstallen die er al zijn. • Als die er niet zijn, passen we de installatie esthetisch in door deze bijvoorbeeld verdiept aan te leggen en groen eromheen aan te leggen.
Energietuinen: tuinen waar je energie van krijgt! De natuur- en milieufederaties zijn in Nederland gestart met een nieuw concept voor duurzame energieopwekking: Energietuinen. Hiermee willen ze laten zien dat energieopwekking van waarde kan zijn voor landschap en omgeving.
Energietuinen Bron: De Natuur en Milieufederaties
Een energietuin is een voor eenieder toegankelijk terrein waar op duurzame wijze hernieuwbare energie wordt opgewekt, natuur is of wordt ontwikkeld en ruimte is voor recreatie en beleving. Deze elementen worden gecombineerd in een integraal ontwerp voor een landschap met oog voor ruimtelijke kwaliteit. Op de locatie vindt ook educatie/voorlichting plaats over duurzame hernieuwbare energie en natuur. Bij de ontwikkeling van een energietuin wordt de omgeving nauw betrokken, zodat de lokale gemeenschap kan meedenken, meedoen en mede-eigenaar zijn. In Wyhe, Assen en Montfoort worden momenteel dergelijke energietuinen opgezet. Elke energietuin wordt anders, want het is maatwerk, elke locatie is anders en de lokale gemeenschap wordt nauw betrokken bij de opzet van de energietuin. De Wageningen University & Research (WUR) is partner in deze projecten. De WUR is verant-
woordelijk voor het in co-creatie ontwerpen van de Energietuinen en monitort de biodiversiteit. Een energietuin in Wageningen? Het aansprekende concept zou goed in Wageningen passen. Veel criteria en randvoorwaarden die worden gesteld waaronder zonneparken ontwikkeld mogen worden passen in de doelstellingen van dit concept. Echter, de energietuin richt zich ook met name op de co creatie van deze parken met de lokale gemeenschap. En hiervoor is de gemeente ook afhankelijk van de initiatiefnemers en grondeigenaren die graag aan een dergelijk concept willen meewerken. In Wageningen zijn mensen mogelijk bezig met de voorbereiding van een dergelijke pilot.
Overzicht instrumenten en rollen Instrument
Rol gemeente
Rol samenleving
Uitnodigingskader veldopstellingen zon
Beoordelaar
Iniatiefnemer
Ruimtelijke inpassing duurzame warmteoplossingen
Beoordelaar en initiatiefnemer
Partner
Programma
Onderzoek windmolenlocaties
Trekker
Adviseur
Project
Pilot energietuinen
Beoordelaar voor de regels Partner voor de inrichting
Iniatiefnemer
Afwegingskader (onderdeel visie)
Betrokken organisaties
De Nieuwe Nu
59
4.4 Landbouw en voedsel Wat er speelt Landbouw hoort bij Wageningen; het is deel van onze identiteit. Agrarisch eigendom en gebruik is de basis geweest voor een deel van het huidige Wageningse buitengebied. Tot de komst van de WUR heeft het in cultuur nemen van de gronden door de eeuwen heen het ruimtelijke karakter van het landschap bepaald. De waarden ervan zijn gebaseerd op de verschillende landschapstypen in samenhang met een voor dat type kenmerkend agrarisch gebruik. In toenemende mate gaat dit ook samen met de ontwikkeling van nieuwe natuur. Als economische sector is landbouw in Wageningen maar klein. De bijdrage van Wageningse grond aan de nationale of wereldvoedselvoorziening is beperkt. Maar in onze dichtbevolkte Valleiregio heeft de voedselproductie ook maatschappelijke meerwaarde, die te maken hebben met biodiversiteit, gezondheid, leefbaarheid, recreatie, beweging, beleving, zinvol werk, educatie en rust voor inwoners van de regio. Een deel van het buitengebied, vooral in het transformatiegebied, is in beheer of bezit van agrariërs. Een flink aantal van deze boeren kun je zien als directe voedselproducent: veel producten die hier geteeld worden, worden hier ook gegeten. Maar ook zijn deze boeren beheerder van het landschap.
Het enige agrarische bedrijf in de Renkumse Benedenwaard, Lexkesveer Natuurbeheer Vof, is bijvoorbeeld bezig met een studie naar een vergaande vorm van natuurinclusieve landbouw (zij spreken van ‘landbouwinclusief natuurbeheer’) in
combinatie met nieuwe economische activiteiten. Als gemeente stimuleren we duurzame, lokale (regionale) voedselproductie in samenwerking met voedselproducenten, horeca, inwoners, de WUR, studenten, de Regio Foodvalley en de provincie. Maatschappelijk is er zeer veel belangstelling voor duurzame voedselproductie voor de regionale markt. Het leeft in Wageningen. De workshops bij de conferentie Buitengebied over natuurinclusieve landbouw en lokale voedselstromen zaten vol. Deelnemers gaven aan dat de transitie naar natuurinclusieve landbouw een belangrijk aandachtspunt is, ook onder invloed van de stikstof- en klimaatcrises. Knelpunten in wet- en regelgeving (zoals pachtwetten) werden genoemd en ook waren er vragen over het verdienmodel voor natuurinclusieve landbouw. Daarbij zijn voedselbossen een bijzondere optie. Er zijn in het land diverse experimenten met voedselbossen en die zijn interessant omdat ze andere ambities invullen, naast de reeds genoemde functies als voedsel, biodiversiteit en recreatie. Denk aan de voorziening in circulaire grondstoffen (bouwhout, vezels, harsen, verfstoffen etc.), CO2-opslag en energiebesparing (een voedselbos kan fossielvrij voedsel produceren). Visie: koppelen van verschillende ambities Juist bij de landbouw liggen kansen om verschillende ambities (voedsel, recreatie, biodiversiteit, landschap, klimaat, zinvol werk) te verknopen.
Want in de koppelkansen met een vitaal landschap, recreatie, biodiversiteit, educatie, zorg en zinvol werk ligt de grote toegevoegde waarde van landbouw en voedsel in ons buitengebied. Dit kan voedsel-
producenten en eigenaren in het buitengebied ook de financiële mogelijkheden te bieden om de gewenste transitie te realiseren. Lokale voedselproductie kan door al die maatschappelijke waarden van nog groter belang worden voor de inwoners van Wageningen, ook als een vorm van gemeenschapslandbouw. Voedselbossen hebben daarbij onze speciale aandacht. Vooral in het transformatiegebied zien we nieuwe mogelijkheden voor voedselbossen, boomgaarden, lokale productie en natuurinclusieve landbouw. Voor de meeste bedrijven die meedoen aan zonneveldprojecten moeten nieuwe bedrijfsmodellen bedacht worden voor de overige gronden. En omdat we meer mensen dit gebied in willen trekken (bevorderen beweging) en samen willen bouwen aan een kleinschalig landschap, zijn er ook daar nieuwe mogelijkheden. In het algemeen zien we voor natuurinclusieve landbouw in Wageningen ook een toekomst als onderdeel van maatschappelijke ‘waardenketens’. Dit loopt al volop, bijvoorbeeld op de Eng, en dit kan groeien. We willen daar meer inwoners, maatschappelijke organisaties en agrarische ondernemers bij betrekken, en we zullen daar een stimulerende rol bij vervullen.
Kijk voor voorbeelden bijvoorbeeld bij ‘landbouw en voedsel’ op de pagina https://toekomstwageningen.nl/Algemeen/Uit-het-veld Beleid Waar mogelijk zetten we in op duurzame, circulaire natuur-inclusieve landbouw, passend in het landschap en mèt verdienmodel, waarin ook hagen,
boomsingels, wandelpaden, natuurontwikkeling en voedselbossen een plek kunnen krijgen (dit laatste vooral in het gebied de Oude Nude, waar zich van oudsher veel boomgaarden bevonden). Onze rol zien we in het organiseren, makelen en regelruimte creëren. Hierin is de afweging met andere belangen cruciaal. Er zijn veel wensen voor de beperkte ruimte, vooral in het transformatiegebied. Waar mogelijk zoeken we koppelkansen tussen voedselproductie en recreatie, landschap, biodiversiteit, gezonde bodems, klimaatadaptatie, zonneparken en windmolens. Waar dit niet lukt moeten we een afweging maken. Voedselstrategie 2020-2030 Wageningen We werken een programma uit: ‘Voedselstrategie 2020-2030 Wageningen’. Onderdelen van dat programma zijn: • Stimuleren natuurinclusieve duurzame landbouw (samen met het programma ‘biodiversiteitsplan’) • Gemeenschapslandbouw • Stimuleren samenwerking en kennisdeling voedselstromen • Knelpunten in wet- en regelgeving aanpakken • Financiële middelen zoeken voor transitie landbouw Gemeenschapslandbouw We stimuleren initiatieven die bijdragen aan ‘gemeenschapslandbouw’, waarin inwoners samen met boeren vormgeven aan de manier waarop voedsel wordt geproduceerd en vermarkt. Inwoners zijn dan bijvoorbeeld oogstaandeelhouder van een boerderij, of lid van een coöperatieve winkel, of mede-eigenaar van land.
61
Stimuleren samenwerking en kennisdeling voedselstromen Waar mogelijk en passend creëren we financiële, fysieke en beleidsmatige ruimte voor kennisontwikkeling en –deling over natuurinclusieve voedselproductie in het buitengebied, waaronder ook voedselbossen. We stimuleren innovatieve samenwerkingen tussen partners in de regionale voedselketen. Het faciliteren van pilots en experimenten hoort daarbij. Het Binnenveld kan een voorbeeldfunctie vervullen op dit gebied, ter inspiratie van Foodvalley en heel Nederland. Hier zoeken we samenwerking met kennisinstellingen zoals de WUR en maatschappelijke (boeren)organisaties. Knelpunten in wet- en regelgeving aanpakken Ook kijken we waar eventuele knelpunten in wet- en regelgeving zijn op te lossen. Waar dat helpt geven we regelruimte om de transitie naar natuurinclusieve landbouw mogelijk te maken. We verwachten dat de transformatiezone een nieuwe impuls geeft aan deze ontwikkeling. Intensief overleg met de bestaande boeren in deze zone is een voorwaarde om deze transitie tot stand te brengen. We stimuleren pachtarrangementen met zekerheid voor de boer en maatschappelijke waardes. Lokale voedselproductie is alleen levensvatbaar als er ook een vraag naar is. We lossen dus ook knelpunten in regelgeving op om de zichtbaarheid en toegankelijkheid van regionaal geproduceerd voedsel te vergroten.
Die knelpunten kunnen bijvoorbeeld te maken hebben met de afzet van lokaal geproduceerd voedsel bij zorginstellingen en horeca, het creëren van afzetpunten zoals winkels, dagbesteding op zorgboerderijen en logistieke obstakels.
Moestuinen op de Eng
Kruidenrijke akkerranden in het Binnenveld
Financiële middelen zoeken Over de mogelijkheden voor (neven)inkomsten om de transitie naar natuurinclusieve landbouw voor regionale markten te financieren, gaan we als gemeente in gesprek met de agrarisch ondernemer. Waar mogelijk zetten we hier gelden vanuit de regio voor in en sluiten zo aan bij de Regio Deal van Regio Foodvalley. Het Wageningse Landschapsfonds kan een stimulans zijn voor agrarisch ondernemers om elementen van biodiversiteit, landschap en recreatie, naast de agrarisch bedrijfsvoering te ontwikkelen. Er is een mooie kans om hierop in het Binnenveld samen te werken met de gemeente Ede, die ook de ambitie heeft om natuurinclusieve landbouw te realiseren. Daarbij geldt wel dat we voor andersoortige financiering afhankelijk zijn van stimuleringsmaateregelen van hogere overheden. We zoeken hiervoor dan ook samen met initiatiefnemers naar provinciale en landelijke subsidies.
63
Kleinschalige landbouw op de Eng
Overzicht instrumenten en rollen Instrument Afwegingskader (onderdeel visie)
Geen specifiek afwegingskader
Programma
Voedselstrategie 2020-2030
Project
Rol gemeente
Rol samenleving
Betrokken organisaties
Partner
Partner
Diverse partners in de voedselketen.
4.5 Aantrekkelijke wegen voor langzaam verkeer Wat speelt er? Als stad trekken we verkeersstromen aan in Wageningen. We voorzien dat dit in de komende jaren nog doorgroeit. Want het aantal arbeidsplaatsen blijft stijgen en de werknemers komen vooral uit de regio en het land. We zijn, gelet op de aanwezigheid van de universiteit, al een regionale ‘hotspot’ en dit wordt sterker. Een deel van het autoverkeer gaat via de kleine wegen in het buitengebied zoals de Geertjesweg, de Slagsteeg of de Grebbedijk. Dit is hoofdzakelijk doorgaand verkeer, ook wel sluipverkeer genoemd dat zich daar begeeft omdat er niet voldoende doorstroming is op de hoofdwegen. Meestal gaat het niet om veel auto’s maar ze verminderen wel sterk de gebruikskwaliteit van deze wegen voor fietsers, voetgangers en recreanten. Dit gaat ook ten koste van het gevoel van veiligheid. Veel mensen benoemden dit bij de internetconsultatie. Aan de andere kant: panden en bedrijven moeten wel bereikbaar blijven. Omdat we persoonlijke beweging zoals fietsen en lopen in het buitengebied willen bevorderen, gaan we juist de kleine wegen comfortabel maken voor langzaam verkeer. Visie: de fietser en voetganger voorop Onze positie vraagt om onorthodoxe maatregelen voor onze bereikbaarheid. Wij kunnen doorgroeien met arbeidsplaatsen als we gelijktijdig als ambitie
65
Te onderzoeken wegen voor langzaam verkeer Bron: Voor deze kaart is de laag ‘wegdelen’ gebruikt uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie. Het aanwijzen van de te onderzoeken wegen is gedaan door de gemeente Wageningen. hebben dat het merendeel van het inkomend verkeer met collectieve vervoersmiddelen of de fiets is. Bereikbaarheid is een onderwerp dat verder wordt uitgewerkt in de integrale omgevingsvisie. Als het gaat om het buitengebied, dan zien we een toekomst waarin al onze kleine wegen vrij zijn van doorgaand autoverkeer. Daarmee ontstaat verblijfskwaliteit op de kleine wegen en maken we veel meer ruimte voor bewegen, recreatie en natuur. Het gaat om de gemarkeerde wegen in het buitengebied van onze gemeente in de bovenstaande kaart.
Beleid Programma aantrekkelijke wegen voor langzaam verkeer We hebben een aantal redenen om de visie een programma onder te brengen. Ten eerste kunnen we deze alleen met aangrenzende gemeenten uitvoeren. Ten tweede ontstaan er effecten op de gehele bereikbaarheid van Wageningen en die effecten moeten we scherp hebben. Op de derde plaats zijn er gevolgen voor economisch, gezondheids- en recreatiebeleid. Voor een deel is dat voorzien in dit voorstel maar de gevolgen voor het stedelijk gebied moeten nog bekeken worden. Tot slot: de uitvoering kost tijd en geld en moet deze wellicht over vijf tot tien jaar uitgespreid worden. We onderzoeken de opties voor uitwerking eerst
technisch. Daar komen enkele scenario’s uit voort. Vervolgens kunnen we de effecten beoordelen. Pas daarna kunnen we de visie uitwerken en realiseren. Naast oplossingen in de inrichting van de weg en haar omgeving verwachten we dat ook technologie een belangrijk hulpmiddel wordt bij dit programma. Denk bijvoorbeeld aan dynamische en doelgroepgerichte afsluitingen. Daarom richten we als een apart project een permanent meetsysteem in voor autoverkeer op de kleine wegen en we delen deze data. We gaan uit van volledig anonieme metingen, we willen namelijk alleen aantallen permanent kunnen meten. Eventuele herkomst- en stromingsonderzoeken worden met andere methodiek en met eigen waarborgen ingericht.