Waddix _Toelichting
Tekst van het document
Duurzaamheidskompas Het duurzaamheidskompas is een instrument waaruit de relevante thema's, de doelen en hun onderlinge samenhang duidelijk wordt en dat de gemeente helpt bij het kiezen en houden van een koers naar een duurzame toekomstbestendige samenleving. Het kan door iedereen gebruikt worden om te bepalen
26
Waddix Oudedreef waar we staan, waar we tekortschieten en waarop we moeten inzetten. En als we actie ondernemen, hoe die acties dan weer onderdelen van het duurzaamheidskompas beïnvloeden. Eerste opgave: Klimaatverandering tegengaan Klimaatverandering gaat over de opwarming van de aarde. Als we de CO2 uitstoot niet drastisch reduceren wordt de kritische grens van gemiddeld 1,5 graad opwarming op aarde gepasseerd. De CO2 reductie bewerkstelligen we via de energietransitie. Dat de aarde opwarmt is wetenschappelijk een feit, zoals ook recentelijk bevestigd door de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering. Dit is een organisatie van de Verenigde Naties om de risico's van klimaatverandering te evalueren (2021)13. We merken de gevolgen al en we moeten ons (gaan) aanpassen aan de nog komende gevolgen van die opwarming. Hiervoor zetten we in op een klimaatadaptatiestrategie. Met deze aanpak zijn we natuurlijk al begonnen in Waddinxveen. Tweede opgave: Herstellen van biodiversiteitsverlies Een grote biodiversiteit is van essentieel belang voor de leefomgeving van mensen. Gezonde ecosystemen voorzien in de essentiële behoeften of diensten die als vanzelfsprekend beschouwd worden. Het biodiversiteitsverlies wereldwijd - en ook in Nederland en Waddinxveen - is groot en de biodiversiteit neemt nog steeds af14.
Door het creëren van meer natuur (hierna genoemd 'groen') moeten we dit tegengaan. Biodiversiteit krijgt al veel aandacht in Waddinxveen. Derde opgave: Reductie van ons grondstoffenverbruik Klimaatverandering en biodiversiteitsverlies worden ook veroorzaakt doordat we te veel grondstoffen uit de aarde halen. En in een tempo waarin de aarde dit niet opnieuw kan aanvullen. De overgang van de lineaire economie naar de circulaire economie moet daar verandering in brengen. De transities beïnvloeden verschillende aspecten van de duurzaamheidskompas Het is te verwachten dat de hierboven genoemde veranderingen niet alleen een verbetering moeten brengen in de opgave waarvoor ze worden ingezet. Ze hebben ook effect op veel van de andere thema's van het duurzaamheidskompas. De transities beïnvloeden elkaar De 4 transities werken op elkaar in. Zo draagt de circulaire economie ook bij aan tegengaan van klimaatverandering. Dit is omdat we voor het delven van grondstoffen en voor het maken van nieuwe producten minder energie nodig hebben dan voor het hergebruiken van bestaande grondstoffen. Maatregelen ter bevordering van klimaatadaptatie werken ook positief door op het vraagstuk van biodiversiteit herstel. Tegelijk kunnen bepaalde maatregelen voor de energietransitie mogelijk negatieve impact hebben op biodiversiteitsherstel. Met deze invloeden moeten we in de aanpak rekening houden.
De genoemde opgaven en transities zijn in (inter)nationale wetten en kaders beschreven Aan elk van de beschreven opgaven en veranderingen moet ieder land, stad, dorp en individu bijdragen. Deze transities zijn beschreven in het klimaatakkoord van Parijs (2015), het klimaatakkoord in Nederland (2019), de Deltawet Ruimtelijke Adaptatie (2018), Nederland Circulair 2050 en de EU Biodiversiteitsstrategie (2021). Dezen wetten en akkoorden brengen ons ook de hoofddoelen van de duurzaamheidskoers:
27
Waddix Oudedreef
Afbeelding: Overzicht transities, doelen en beleidsbasis.
De hiervoor beschreven transitie's en thema's zijn natuurlijk ook voor belang voor woningbouw (zie volgend tabel).
Afbeelding: Overzicht te behalen resultaten 'inwoners'
Woningen dienen klimaatadaptief en robuust ingericht te worden. Verstening dient tegengegaan te
28
Waddix Oudedreef worden. Woningen en daken dienen hierbij vergroend te worden. Bij het bouwen wordt gestreefd naar circulair bouwen. Bij nieuwbouw is gasloos bouwen uitgangspunt. De nu voorziene woningen worden gasloos gebouwd. De nieuwbouw zal volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voldoen aan de huidige normen wat betreft duurzaamheid en energiezuinigheid (Bijna Energieneutrale Gebouwen, BENG). Diverse bouwkundige en installatietechnische maatregelen zullen in het ontwerp worden meegenomen om te voldoen aan de actuele normen. Zo worden op de nieuwbouw zonnepanelen geplaatst. 4.3.8
Conclusie gemeentelijk beleid
De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningbouw past binnen het beleid van de gemeente.
4.4
Conclusie
De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningbouw past binnen het beleid van alle overheden.
29
Waddix Oudedreef
Hoofdstuk 5 5.1
Water
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de Watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
5.2
Beleidskader rijk en provincie
5.2.1
Rijk
Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd.
5.2.2
Provincie
Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. In de Omgevingsvisie is veel ruimtelijk waterbeleid geïntegreerd. De visie omvat onder andere het wettelijk verplichte regionale waterplan als genoemd in artikel 4.4 van de Waterwet. Voor de provincie zijn naast de Waterwet (Omgevingswet in 2021) en de Drinkwaterwet ook andere kaders en plannen bepalend en richtinggevend voor het beleid ten aanzien van de drinkwatervoorziening.
30
Waddix Oudedreef
Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijven ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: Waarborgen waterveiligheid Zorgen voor mooi en schoon water Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad. Dit is vervolgens verwerkt in het gemeentelijk beleid.
5.3
Beleid gemeente
Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010). Dit Waterplan is een gezamenlijk plan van de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze partijen hebben het Waterplan opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen de gemeenten en de hoogheemraadschappen met het Waterplan zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven. De verwachting is dat hierdoor kostenefficiënter kan worden gewerkt. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied. Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten.
Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot: een veilig en robuust watersysteem; het voorkomen van wateroverlast en watertekort; een goede waterkwaliteit en een ecologisch gezond watersysteem; het benutten van mogelijkheden voor beleving en recreatie; het optimaliseren van beheer en onderhoud; het optimaliseren van communicatie binnen en tussen partijen. Met het voorgenomen plan is rekening gehouden met de bovenstaande punten. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 5.5.
31
Waddix Oudedreef
5.4
Beleid hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard. Dit hoogheemraadschap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap haar visie en ambities voor het waterbeheer voor de komende jaren. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken.
Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding.
Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te
32
Waddix Oudedreef voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK.
5.5
Waterhuishouding
Beschrijving watersysteem Het plangebied maakt waterstaatkundig onderdeel uit van de Zuidplaspolder. Het deel van de Zuidplaspolder waarin Waddinxveen ligt, watert in zuidoostelijke richting af en wordt bemalen door gemaal “De Zuidplas”, welke het water op de Ringvaart uitslaat. Er spelen geen grote knelpunten in de Zuidplaspolder. De wateropgave binnen de bestaande wijken is inzichtelijk gemaakt in het Waterplan (februari 2010), dat gezamenlijk met de voormalige gemeente Boskoop is opgesteld.
Veiligheid en waterkeringen Er bevinden zich geen waterkeringen in en nabij het plangebied, waarmee in het kader van dit bestemmingsplan rekening moet worden gehouden.
Oppervlaktewater Er bevindt zich geen oppervlaktewater in het plangebied.
Wateropgave De planlocatie maakt onderdeel uit van het centrum van Waddinxveen. Het bestemmingsplan Centrum voorziet ter plaatste al in volledige bebouwing. In het kader van dat bestemmingsplan heeft hierover afstemming met het Hoogheemraadschap plaatsgevonden. In dit bestemmingsplan wordt niet voorzien in een toename aan verharding ten opzichte van wat op grond van het bestemmingsplan Centrum reeds verhard mag worden. Voor de ontwikkeling van deze locatie is dan ook geen extra watercompensatie vereist.
Waterafvoer Het hemelwater van de daken van het gebouw zal worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het riool worden aangesloten op de bestaande riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen.
Materiaalkeuze Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitloogbare bouwmetalen.
Advies Hoogheemraadschap Het hoogheemraadschap adviseert het volgende: om overlast te voorkomen, moeten ondergrondse bouwwerken waterdicht zijn zodat geen grondwater kan binnentreden. Bij het ontwerp moet rekening worden gehouden met mogelijk peilstijgingen van het oppervlaktewater; en omdat het bestemmingsplan het mogelijk maakt om parkeerkelders te realiseren wordt geadviseerd om de inrit, eventuele ramen en ventilatieopeningen van de parkeerkelders ruim boven het maximale waterpeil aan te leggen, zodat geen wateroverlast optreedt bij forse peilstijgingen; nabij het plan ligt een duikerverbinding. Deze verbinding moet in stand worden gehouden, alsook dat het aansluiten van de hemelwaterafvoer op deze duikerverbinding niet is toegestaan. Bij verder uitwerking van het bouwplan zal hiermee rekening worden gehouden. 33
Waddix Oudedreef
Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen woningbouw.
34
Waddix Oudedreef
Hoofdstuk 6 6.1
M ilieu en omgevingsaspecten
Milieu
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid.
6.1.1
M.E.R.
Wettelijk kader In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden, zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is; een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen); een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r.
neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen dan voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betrof het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.
Voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. De diepgang van de vormvrije m.e.r.-beoordeling hangt af van: 1. 2. 3. 4.
de aard van de voorgenomen activiteit; de (gevoeligheid van de) omgeving waarin de activiteit is gesitueerd; de maatschappelijke aandacht voor de activiteit; mate van beschikbaarheid van informatie, bijvoorbeeld over de gevoeligheid van gebieden.
35
Waddix Oudedreef
Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd in werking getreden, naar aanleiding van een wijziging van de Europese Richtlijn m.e.r. Deze wijziging heeft tot gevolg dat voor elke vergunningsaanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is de volgende procedurestappen doorlopen moeten worden: door de initiatiefnemer moet een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag moet binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit moet genomen zijn voor de ter inzage legging van het ontwerpbesluit; het besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden, maar wel via andere (digitale) kanalen bekend worden gemaakt; het (vormvrije)-m.e.r.-beoordelingsbesluit moet onderdeel zijn van de vergunningaanvraag. M.e.r. en m.e.r.-beoordeling Het eerder vastgestelde bestemmingsplan Centrum voorziet ter plaatse van dit bestemmingsplan al in de mogelijkheid om een gebouw met onder andere woningen te realiseren. Het nu voorliggende bouwplan wijkt slechts op onderdelen af van de regels uit dat plan. De activiteit die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt (maximaal 65 appartementen) blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt voldoende aangetoond dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn.
In het kader van dit bestemmingsplan is ook een MER aanmeldnotitie opgesteld (zie MER aanmeldnotitie, Van Riezen & Partners d.d. 2 oktober 2024 Bijlage 2). Hieruit is gebleken dat het uitvoeren van een MER niet aan de orde is. De gemeente heeft hierover een MER-beoordelingsbesluit genomen (zie Bijlage 3). Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER. 6.1.2
Milieuzonering
Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in volgende tabel vermeld. Tabel: Richtafstanden en omgevingstype. Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
Onderzoek/ beoordeling
36
Waddix Oudedreef Het plangebied ligt aan de rand van het nieuwe winkelcentrum van Waddinxveen. Hier bevindt zich een mix van voorzieningen, kantoren en woningen. Bedrijven uit hogere milieucategorieën zijn niet aanwezig. Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit Voor deze locatie is alleen het aspect geluid relevant vanwege de installaties van een supermarkt op het dak. Uit onderzoek is gebleken dat voldaan wordt aan de eisen van het Activiteitenbesluit (zie hiervoor paragraaf 6.1.3). Conclusie Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.
6.1.3
Geluid
Wettelijk wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Wettelijk kader railverkeerslawaai Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register.
Voor het spoortraject tracé Gouda - Alphen aan den Rijn (traject 521) geldt een geluidszone van 300 m. Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Wettelijk kader wet milieubeheer De Wet milieubeheer (Wm) is de belangrijkste milieuwet. Deze wet bepaalt welk wettelijk gereedschap kan worden ingezet om het milieu te beschermen. Hierin zijn tevens wettelijke eisen vastgelegd om het geluidsniveau in woningen te beperken. In onderstaande tabel zijn de relevante eisen weergegeven.
37
Waddix Oudedreef
Onderzoek/ beoordeling Wet geluidhinder Op grond van de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek verplicht in geval een ruimtelijk besluit de bouw van nieuwe woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen mogelijk maakt. In september 2024 is door Wolf Dikken adviseurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd (projectnummer R821123aaA0, zie Bijlage 4). Hieruit is gebleken dat de hoogst optredende geluidbelasting wordt veroorzaakt door het railverkeer en bedraagt 62 dB. De maximaal te ontheffen waarde wordt hierdoor niet overschreden. De hoogst optredende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen en railverkeer bedraagt 65 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh. Op grond van aanvullend uitgevoerd onderzoek is gebleken dat het treffen van maatregelen ter verlaging van de geluidbelastingen niet doeltreffend is en stuit op bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard. Bij de nadere planuitwerking is aansluiting gezocht bij het hogere waardenbeleid van de regio Midden-Holland en zijn de benodigde geluidwerende voorzieningen vastgesteld (Project R821123aaA3 d.d. 4 december 2024, zie Bijlage 7). Het bovenstaande in acht nemende, wordt aanbevolen om Burgemeester en wethouders te verzoeken een hogere grenswaarde aan de gevels van woningen met een geluidbelasting welke hoger is dan 55 dB vast te stellen.
In volgende tabel is aangegeven voor hoeveel woningen dit geldt. Tabel: overzicht hogere grenswaarden
Bij het verlenen van de hogere grenswaarde is beoordeeld of de plattegronden van de woningen voldoen aan het ontheffingenbeleid Midden-Holland (aanwezigheid geluidluwe gevels en buitenruimten). Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit Op het dak van de LIDL zijn klimaatinstallaties geplaatst. Deze zijn afgeschermd middels een metselwerk wand. In het kader van een melding op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) is door onderzoeksbureau Wolf Dikken onderzoek gedaan 38
Waddix Oudedreef naar het optredende geluidbelastingen ten gevolge van de genoemde installaties van de supermarkt (Project R821123aaA6 d.d. 26 september 2024, zie Bijlage 5). De geluidbelastingen zijn bepaald op de gevels van de omliggende woningen. Uit het onderzoek is gebleken dat in het maximaal optredende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in de dag- en avondperiode met 50 respectievelijk 49 dB(A) voldaan wordt aan de eisen van het Activiteitenbesluit. Alleen in de nachtperiode wordt ter plaatse van slaapkamers van woningtype B (zie rapport) vanaf de 4e tot en met de 6e verdieping met 48 dB(A) niet voldaan aan de eisen, zodat hier dove gevels of maatwerkvoorschriften (vastgesteld door het bevoegd gezag) toegegast moeten worden. Het gaat hierbij om 10 woningen. Om de realisatie van het bouwplan mogelijk te maken, dienen de drycooler en het koelaggregaat te worden voorzien van een geluidwerende lamellenconstructie. Hiermee wordt een etmaalwaarde van 49 dB(A) bereikt, waarmee aan de eisen wordt voldaan. De maximaal optredende geluidbelasting bedraagt 52 dB(A), waarmee aan de eisen wordt voldaan. Daarnaast is ook onderzoek verricht naar de indirecte hinder door in-/uitrit parkeergarage (Project R821123aaA7 d.d. 26 september 2024, zie Bijlage 6). Hieruit is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden met een etmaalwaarde van maximaal 57 dB(A).
Bron- en overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting tot op de voorkeurswaarde terug te brengen stuiten op stedenbouwkundige- en financiële bezwaren. Er wordt wel voldaan aan het vereiste binnenniveau van maximaal 35 dB(A), zodat deze overschrijding aanvaardbaar wordt geacht. Maatregelen geluidbelaste woningen Tenslotte is in december 2024 ook onderzocht op welke wijze voldaan kan worden aan de eisen die zijn gesteld aan de woonfunctie, welke binnen de zone van en spoor zijn gelegen, waarvan de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB (Project R821123aaA3 d.d. 4 december 2024, zie Bijlage 7). Daartoe is gekeken of wordt voldaan aan het ontheffingenbeleid Midden-Holland en is de karakteristieke geluidwering berekend van de geluidbelaste gevels van verblijfsgebieden en verblijfsruimten. Geconcludeerd wordt dat de balkons van diverse woningtypes moeten worden voorzien van een verdiepingshoog, afsluitbaar scherm om een geluidsluwe buitenruimte en gevel te realiseren. Om te voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is in de geluidbelaste gevels geluidwerend glas met dubbele kierdichting nodig.
Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, nadat een procedure hogere grenswaarde ten gevolge van het wegverkeerslawaai en spoorweglawaai is doorlopen en de in Bijlage 7 beschreven maatregelen worden toegepast. Het ontwerp besluit hogere waarden Wet geluidhinder is opgenomen in Bijlage 8. Ook het Activiteitenbesluit vormt geen onoplosbare belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
6.1.4
Trillingshinder
In september 2024 is door onderzoeksbureau Equipe Adviseurs onderzoek verricht naar mogelijke trillingshinder vanwege het spoor (Projectnummer 224496 d.d. 9 september 2024, zie Bijlage 9). Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de kans op schade aan de geplande bebouwing door spoortrillingen verwaarloosbaar klein is (<1%). Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de mate van hinder door spoortrillingen voor de bewoners/gebruikers van de nieuw te bouwen appartementen voldoet aan het gestelde in de meet- en beoordelingsrichtlijn SBR-B. De omgerekende Vef f ,max -waarden, waarmee de toetsing is uitgevoerd, gelden ook voor de vloeren op de hogere verdiepingen. Deze Vef f ,max -waarden zijn worst-case berekend waarbij de afname van het
39
Waddix Oudedreef trillingsniveau als gevolg van verspreiding en demping tijdens de voortplanting door het gebouw niet zijn meegenomen. De berekening is uitgevoerd met conservatieve waarden waarbij rekening is gehouden met enige mate van onzekerheid. Bij het bepalen van de correctiefactoren is uitgegaan dat de nieuwbouw wordt voorzien van een betonnen fundering op palen. De onzekerheid voor de gebruikte correctiefactor van bodem naar fundering (factor: 0,7) is voor dit type bouwwerk klein. De correctiefactor voor fundering naar vloer is sterk afhankelijk van de eigenfrequentie van de toegepaste vloer. Hoe meer de eigen frequentie van de vloer in de buurt komt van de dominante frequenties van de spoortrillingen, hoe groter de correctiefactor en dus de versterking. De maximale correctiefactor voor de versterking van fundering naar vloer bedraagt 2,3 (circa +7 dB). Dit komt overeen met een betonnen vloeren met minimale eigen frequentie van > 18 Hz. In het bestemmingplan zijn bouwregels opgenomen om het risico op trillingshinder zo veel mogelijk te beperken. Aanvullend onderzoek naar hinder door spoortrillingen ten behoeve van de betreffende geplande bebouwing is niet noodzakelijk. 6.1.5
Bodem
Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' van oktober 2013. Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is als veel bekend van de bodemkwaliteit. Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert. In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen.
De beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Waddinxveen op 4 maart 2014 vastgesteld. Onderzoek/ beoordeling In 2019 is door onderzoeksbureau Anteagroup een historisch vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725 uitgevoerd (projectnummer 0458840.100 van 17 december 2019, zie Bijlage 10). Hieruit is gebleken, dat de bovengrond de bodemkwaliteitsklasse 'wonen' heeft . Er worden geen verontreinigingen in deze laag verwacht. De ondergrond heeft ook de bodemkwaliteitsklasse 'wonen'. Hier zijn plaatselijk lichte verontreiniging met PAK en minerale olie aangetoond. In het grondwater in de omgeving zijn lichte verontreinigingen met PAK geconstateerd, maar er wordt niet verwacht dat dit invloed heeft op de kwaliteit van de onderzoekslocatie. Verder is het grondwater matig verontreinigd met arseen, maar hier wordt uitgegaan van een verhoogde achtergrond concentratie. De bodem is niet asbestverdacht. Conclusie Er zullen geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteiten op het onderhavige plangebied.
40
Waddix Oudedreef
6.1.6
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In volgende tabel is een overzicht gegeven van de grenswaarden. Tabel: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer stof
jaargemid uurgemiddel 24-uursgemidde Opmerkingen delde de lde
NO2
40 µg/m3 200 µg/m3
n.v.t.
Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden
PM2,5
25 µg/m3 n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
PM10
40 µg/m3 n.v.t.
50 µg/m3
24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld. AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten
41
Waddix Oudedreef samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek/ beoordeling De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningen vallen duidelijk onder de hiervoor genoemde aantallen. Dat geldt ook als gekeken worden naar het hele winkelcentrum. De ontwikkeling kwalificeert dan ook als een NIBM-project. Via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is de luchtkwaliteit van de locatie bestudeerd. Hieruit is gebleken dat ter plaatse van het plangebied de luchtkwaliteit als volgt is:
Afbeelding: meetpunten uit het CIMLK, het geselecteerde meetpunt is rood omcirkeld
Uit het voorafgaande blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan alle relevante grenswaarden. 42
Waddix Oudedreef Daarnaast voorziet dit bestemmingsplan in veel minder woningen dan hiervoor genoemd en kwalificeert dan ook als NIBM. Ter bevestiging is het effect van het project ook berekend met de NIBM-tool.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
6.1.7
Externe veiligheid
Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen.
Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Over de naastgelegen spoorbaan Gouda-Alphen aan den Rijn vindt geen transport van gevaarlijke stoffen
43
Waddix Oudedreef plaats. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Binnen 200 meter van de planontwikkeling zijn geen rijks- of provinciale wegen aangeduid als route gevaarlijke stoffen. De transportroute vormt dan ook geen belemmering voor het plangebied. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt vanaf 1 januari 2011 de AMvB Buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in de AMvB. Er ligt in de nabijheid van het plangebied (parallel langs zuidwest zijde van de spoorbaan) op circa 50 meter afstand een 12 inch (309 mm) 40 bar regionale aardgastransportleiding. Voor deze hogedruk gasleiding dient voor kwetsbare objecten een belemmeringenstrook te worden aangehouden van 4 meter vanaf het hart met een invloedsgebied van 140 m. Voor het overige liggen er in de directe nabijheid geen leidingen, die voor externe veiligheid relevant zijn. In volgende afbeelding is de buisleiding W-517-01 weergegeven.
Afbeelding: plangebied en risicobron
Voor de buisleiding is in september 2024 door onderzoeksbureau Aviv een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (Project 224808 d.d. 11 september 2024, zie Bijlage 11). Hieruit is gebleken dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het plangebied. Het plangebied ligt buiten de belemmeringenstrook. Het groepsrisico is in zowel de huidige als toekomstige situatie kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Door de ontwikkeling neemt het groepsrisico niet toe. Er kan volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De onderdelen waaruit deze verantwoording dient te bestaan worden beschreven in paragraaf 4.2.1 van het rapport (Project 224808 d.d. 11 september 2024, zie Bijlage 11). De onderdelen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid maken deel uit van het advies van de
44
Waddix Oudedreef Veiligheidsregio (zie verderop in deze paragraaf). Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt.
Advies Veiligheidsregio Hollands Midden De Veiligheidsregio heeft het volgende geadviseerd: Hogedruk aardgasleiding Bij het ontwerp van het bouwplan zal rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de hiervoor beschreven hogedruk aardgasleiding, door bijvoorbeeld het glasoppervlakte aan die zijden die gericht zijn op de aardgasleiding te beperken alsook tenminste één van de vluchtroutes en (nood)uitgangen van de aardgasleiding af te richten. Zelfredzaamheid In het plangebied van het bestemmingsplan is en zal geen sprake zijn van een clustering van verminderd zelfredzame personen: dit betekent dat niet te veel verminderd zelfredzame personen ter plaatse mogen wonen, omdat de wettelijke opkomsttijd van de woonfunctie voor brandweer en ambulance reeds met circa 1 tot 2 minuten wordt overschreden. Het bestemmingsplan voorziet niet in woningen met zorg, zodat ervan uit kan worden gegaan dat het aantal verminderd zelfredzame personen beperkt is. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
6.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De plankaart laat zien dat er in dit deelgebied een lage trefkans op archeologische sporen is. 45
Waddix Oudedreef
Archeologiebeleid gemeente Waddinxveen (2012) De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op grond van de Monumentenwet op 14 november 2012 de 'Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen' vastgesteld. Op de waarden- en verwachtingenkaart is voor het plangebied af te lezen waar welke verwachtingswaarden voorkomen. Deze beleidskaart is aan veranderingen onderhevig: door voortschrijdend inzicht en nieuwe onderzoeken kunnen nu betere keuzes gemaakt worden. In verband hiermee is in het document 'Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente van Waddinxveen' van 11 januari 2018 de archeologische beleidskaart aangepast. Deze dient als aanvulling op de toelichting van het gemeentelijke archeologiebeleid uit 2012. De vastgestelde Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen uit 2012 blijft ongewijzigd. Op de geactualiseerde archeologische beleidskaart heeft het westelijk deel van het plangebied een lage verwachtingswaarde. Het oostelijk deel ligt in een gebied met hoge verwachtingswaarden. De verwachtingswaarden zijn voorzien van een beleidsadvies. Overeenkomstig de archeologische beleidskaart heeft het oostelijke gedeelte van het plangebied in het paraplubestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' (zie ook paragraaf 1.3).
Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij geplande bodemverstoringen met oppervlakten, gelijk aan of groter dan 100 m² in het gedeelte met hoge verwachtingswaarde en dieper dan 30 cm beneden het maaiveld. Omdat deze aanduiding binnen het plangebied kleiner is dan 100 m2 komt deze aanduiding in dit bestemmingsplan te vervallen.
Onderzoek/ beoordeling In maart 2005 is door archeologisch onderzoeksbureau RAAB archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Notitie 1071 van maart 2005, zie Bijlage 12). Uit het onderzoek is gebleken dat voor vrijwel het gehele onderzoeksgebied een lage archeologische verwachting geldt. Tijdens het onderzoek zijn in het meest zuidwestelijke deel van het plangebied geulafzettingen aangetroffen, waarvan vooraf niet bekend was dat deze in het gebied voorkomen. De archeologische verwachting voor dergelijke afzettingen is in de regel hoger; voor deze afzettingen geldt daarom een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten vanaf het Mesolithicum. De kans dat dergelijke resten in het plangebied aanwezig zijn wordt echter zeer klein geacht. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er cultuurhistorische elementen in het plangebied aanwezig zijn. Tijdens het veldonderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor vindplaatsen in het plangebied. De kans dat daadwerkelijk Mesolithische resten in het plangebied aanwezig zijn wordt zeer klein geacht. De vindplaatsen uit die periode kenmerken zich in veel gevallen tevens door een zeer kleine omvang en een lage vondstdichtheid, zodat ze bijzonder moeilijk op te sporen zijn met behulp van booronderzoek.
Het uitvoeren van vervolgonderzoek, met als doel het opsporen en in kaart brengen van dergelijke resten, wordt daarom niet zinvol geacht. Er wordt daarom ten aanzien van het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen.
Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
Cultuurhistorie en Monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij nieuwe ontwikkelingen. Conclusie
46
Waddix Oudedreef In het plangebied staat geen bebouwing. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
6.3
Flora en fauna
Wettelijk kader Voor dit bestemmingsplan blijft de Wet Natuurbescherming van toepassing. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Voor nog aan te vragen sloop- en bouwaanvragen geldt de nieuwe Omgevingswet als toetsingskader.
Onderzoek/ beoordeling Quickscan ecologie en stikstofdepositie In november 2021 is door onderzoeksbureau ECOlogisch een quickscan ecologie uitgevoerd (Projectcode MPNA2101 van 9 november 2021, zie Bijlage 13). Gebiedsbescherming Binnen het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 6 kilometer van het projectgebied en betreft Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein. Op ruim 2 kilometer van het projectgebied liggen gedeeltes van het NNN. Dit betreft bestaande en nieuwe natuur in het westen en een ecologische verbindingszone in het oosten. De afstand van het plangebied tot beschermde gebieden is voldoende om directe effecten uit te sluiten. Een toename in stikstofemissie kan op voorhand niet worden uitgesloten. Daarom is in september 2024 door onderzoeksbureau Cauberg Huygen een Aeriusberekening uitgevoerd (Referentie 08405-55741-06v4 , d.d. 19 december 2024, zie Bijlage 14). Hieruit is gebleken, dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus voor dit aspect geen vergunning benodigd ingevolge de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten De bebouwing direct naast het plangebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen.
De openingen in de bebouwing die kunnen fungeren als verblijfplaatsen van vleermuizen bestaan uit stootvoegen, openingen bij de dakrand en ruimtes tussen de aanhechting op de zuidelijke muur. De groenstructuren in de omgeving bieden geschikte schuilplaatsen voor algemene zoogdieren zoals de egel en algemene muizensoorten. De groenstructuren in de omgeving en bebouwing kunnen door algemene vogels als broedbiotoop gebruikt worden. Indien er werkzaamheden in het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden
47
Waddix Oudedreef gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen in het kader van de zorgplicht (art. 1.11 Wnb). Het is dus nodig om een afdoend onderzoek uit te voeren. Vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek is besloten om mitigerende maatregelen te nemen om een ontheffing van de Wet natuurbescherming te kunnen krijgen.
Aanvulling quickscan ecologie 2024 Op 13 mei 2024 heeft bureau Schildwacht vof een eerder uitgevoerde quickscan geactualiseerd (Projectnr. 2431 d.d. 16 december 2024, zie Bijlage 15). Zoals hiervoor is beschreven is uit de vorige quickscan gebleken dat er vervolgonderzoek voor vleermuizen moest plaatsvinden voor het plangebied. Dit onderzoek is verricht en hieruit bleek dat er een verblijfplaats is van een gewone dwergvleermuis in het plangebied. Sinds het uitvoeren van de QuickScan in november 2021 is de omgeving van het plangebied gewijzigd; er is een nieuw schoolgebouw vlakbij het plangebied gebouwd en er zijn vleermuiskasten op gehangen aan panden en bomen nabij het plangebied. Hierdoor bestaat de kans dat het verblijf van de gewone dwergvleermuis dat is aangetroffen tijdens het vervolgonderzoek niet meer aanwezig is. Buiten deze factoren is het plangebied ongewijzigd en kan geconcludeerd worden dat de bevindingen in de Quickscan van november 2021 nog gelden. Echter wordt geadviseerd om het vervolgonderzoek naar vleermuizen opnieuw uit te voeren, omdat er een kans bestaat dat de vleermuizen hier niet meer aanwezig zijn.
Aanvullend ecologisch vervolgonderzoek vleermuizen 2024 In 2024 is opnieuw vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd door bureau Schildwacht vof (Projectnr. 2433 d.d. 16 december 2024, zie Bijlage 16). Hieruit is gebleken dat er nog steeds een verblijf van een gewone dwergvleermuis aanwezig is in het te slopen object. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied. Ook zijn er geen paar-, kraam- of massaoverwinterverblijfplaatsen aanwezig in het plangebied. Een verblijfplaats van een gewone dwergvleermuis vormt essentieel leefgebied voor de soort. Het verwijderen of slopen van een verblijfplaats is daarom in strijdt met de Omgevingswet. Hierdoor zijn de voorgenomen werkzaamheden in strijd met artikel 11.46 van het Bal van de Omgevingswet. Om een omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteiten te verkrijgen mogen de voorgenomen werkzaamheden geen afbreuk doen van de gunstige staat van instandhouding van een soort in een gebied. Het plangebied vormt voor slechts 1 gewone dwergvleermuis, de meest algemeen voorkomende vleermuissoort in Nederland, essentieel leefgebied. Het is bekend dat er meerdere en grotere gewone dwergvleermuiskolonies in Waddinxveen zijn. De gunstige staat van instandhouding van de soort zal als gevolg van de vernietiging van het verblijf niet negatief uitvallen.
Conclusie Uit het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat dit aspect geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het project. Wel is het noodzakelijk een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten aan te vragen om de werkzaamheden uit te mogen voeren.
48
Waddix Oudedreef
6.4
Duurzaamheid
Conform de visie 'Koers naar Duurzaam Waddinxveen' dienen woningen klimaatadaptief en robuust ingericht te worden. Verstening dient tegengegaan te worden. Woningen en daken dienen hierbij vergroend te worden. Bij het bouwen wordt gestreefd naar circulair bouwen. Bij nieuwbouw is gasloos bouwen uitgangspunt. De nu voorziene woningen worden gasloos gebouwd. De nieuwbouw zal volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voldoen aan de huidige normen wat betreft duurzaamheid en energiezuinigheid (Bijna Energieneutrale Gebouwen, BENG). Diverse bouwkundige en installatietechnische maatregelen zullen in het ontwerp worden meegenomen om te voldoen aan de actuele normen. Zo worden op de nieuwbouw zonnepanelen geplaatst.
6.5
Explosieven
Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied verdacht is op ontplofbare oorlogsresten. De omgevingsdienst Midden-Holland adviseert om hier bij werkzaamheden rekening mee te houden. Het opsporen van ontplofbare oorlogsresten waaronder ook detectieonderzoek is voorbehouden aan gecertificeerde bedrijven. Voor het opsporen van ontplofbare oorlogsresten moet een projectplan worden opgesteld. Wanneer de openbare orde en veiligheid in het geding kan zijn, moet de initiatiefnemer hierover afstemming zoeken met de gemeente. De gemeente moet een afschrift ontvangen van het proces-verbaal van oplevering van het project.