CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Waddix_Bijlagen bij toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 26 maart 2025, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Bijlage 249.799 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Waddix Oudedreef Bestemmingsplan voor vaststelling (versie 29 januari 2025)

Waddix Oudedreef

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting

3

Bijlage 1

Parkeerbehoefte en oplossing Waddix, SPARK (d.d. 29 januari 2025)

4

Bijlage 2

MER aanmeldnotitie, Van Riezen & Partners (d.d. 2 oktober 2024)

12

Bijlage 3

M.e.r.-beoordelingsbesluit

32

Bijlage 4 Akoestisch onderzoek, Wolf Dikken adviseurs (R821123aaA0, d.d. 26 september 2024)

36

Bijlage 5 Akoestisch advies activiteitenbesluit, Wolf Dikken adviseurs (Project R821123aaA4 d.d. 26 september 2024)

106

Bijlage 6 Akoestisch advies uitrit parkeergarage, Wolf Dikken adviseurs (project R821123aaA7 d.d. 26 september 2024)

188

Bijlage 7 Advies geluid van buiten, Wolf Dikken adviseurs (Project R821123aaA3 d.d. 4 december 2024)

248

Bijlage 8

Besluit hogere waarden Wet geluidhinder (27 januari 2025)

285

Bijlage 9 Risico- en kansenanalyse spoortrillingen herinrichting Oude Dreef Versie 3.0, Equipe Adviseurs ( projectnummer 224496, d.d. 9 september 2024)

292

Bijlage 10 Historisch vooronderzoek bodem, Anteagroup (projectnummer 0458840.100 d.d. 17 december 2019)

312

Bijlage 11 2024)

Onderzoek externe veiligheid, Aviv (Project 224808, d.d. 11 september 336

Bijlage 12 maart 2005)

Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek, RAAB (Notitie 1071,

Bijlage 13 2021)

Quickscan ecologie, ECOlogisch (Projectcode MPNA2101 d.d. 9 november

356 373

Bijlage 14 Effecten stikstofdepositie, Cauberg Huygen (referentie 08405-55741-06v4, d.d. 19 december 2024)

394

Bijlage 15 Aanvulling quickscan ecologie, Bureau Schildwacht vof (Projectnr. 2431 d.d. 16 december 2024)

424

Bijlage 16 Aanvullend ecologisch onderzoek, Bureau Schildwacht vof (Projectnr. 2433 d.d. 16 december 2024)

426

Bijlage 17

440

Nota van beantwoording zienswijzen d.d. 29 januari 2025

2

Waddix Oudedreef

Bijlagen bij toelichting

3

Waddix Oudedreef

Bijlage 1 Parkeerbehoefte en oplossing Waddix, SPARK (d.d. 29 januari 2025)

4

Betreft: Opgesteld door: Datum: Aan:

1.

Parkeerbehoefte en oplossing Waddix Pieter Delleman 29 januari 2025 MRP, dhr. M. Mercan

Notitie

Inleiding

MRP is betrokken bij de ontwikkeling van het appartementengebouw Waddix in het nieuwe centrum van Waddinxveen. Het wooncomplex betreft een verdere fase in de ontwikkeling op en rond het winkelcentrum Gouweplein. Bezoekers aan de woningen parkeren in de openbare parkeergarage gelegen onder het winkelcentrum. Het bewonersparkeren zal plaatsvinden in de private delen van deze parkeergarage. Spark is gevraagd de uitgangspunten voor het bewonersparkeren nader te beschouwen.

2.

Uitgangspunten

De volgende uitgangspunten voor deze parkeerbehoefte bepaling zijn aangehouden. 2.1 Beleid gemeente Waddinxveen met betrekking tot parkeernormering Het parkeerbeleid van Waddinxveen is in 2014 en 20171 vastgesteld. De gemeente heeft hierin geen eigen normen opgenomen en verwijst hiervoor naar de parkeerkencijfers van het CROW. De gemeente heeft in haar Commissie Ruimte + Infrastructuur dd. 22 maart 2023 aangegeven dat het huidige parkeerbeleidskader onvoldoende actueel is om het benodigd aantal parkeerplaatsen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen te beoordelen. In de notitie worden de onderstaande uitgangspunten ten behoeve van de parkeerbehoefte van het wooncomplex ‘Waddix’ gehanteerd. 2.1.1 Stedelijkheidsgraad De stedelijkheidsgraad van de gemeente Waddinxveen is gestegen tussen 2014 en 2024, daarom wordt uitgegaan van sterk stedelijk in plaats van matig stedelijk. Dit is conform de huidige adressendichtheid die het CROW hanteert om de stedelijkheidsgraad van een gemeente te bepalen. 2.1.2 Ligging/zone Waddix is onderdeel van het centrumplan van Waddinxveen. Het betreft een ontwikkeling op de locatie van Hoofdwinkelcentrum Gouweplein met veel voorzieningen (in het winkelcentrum zijn meerdere winkels voor dagelijkse boodschappen, zorg, etc.). Daarnaast bevindt zich op minder dan 500 meter van de beoogde ingang van het complex het treinstation Waddinxveen.

Daarom is uitgegaan van zone centrum in plaats van rest bebouwde kom.

1 Notitie 'Toepassing parkeerbeleid en resultaten', van de gemeente Waddinxveen, vastgesteld op 9 mei 2017

2.1.3 Positie op de bandbreedte Het CROW biedt per zone een bandbreedte aan bij haar parkeerkencijfers. Deze bandbreedte maakt het mogelijk om lokaal maatwerk te bieden bij het bepalen van de parkeervraag. Het gemeentelijk parkeerbeleid gaat in eerste aanleg uit van het midden van de bandbreedte. De gemeente heeft aangegeven dat er onder voorwaarden sprake kan zijn van een uitlegbare afwijking van deze positie. Een drietal mogelijkheden die potentieel aanleiding geven om af te wijken van het midden van de bandbreedte zijn: 1. 2. 3.

Beoogde doelgroep van de ontwikkeling; Stimuleren van fiets, voetgangers of gebruik van openbaar vervoer; Vergelijkbare ontwikkelingen in de direct omgeving (alleen betrekking op economische functies).

Voor Waddix wordt beroep gedaan op de 2e motivatie voor afwijking: het gebruik van de fiets. Als voorbeeld van een stimulans geeft de gemeente ‘een aantrekkelijke, veilige fietsenstalling die dichterbij is gelegen dan de parkeerplaats voor de auto’. Omdat de fietsenstalling(en) van Waddix maximaal 50 meter en de autoparkeerplaatsen op maximaal 400 meter van de hoofdingang zijn gelegen is het de verwachting dat bewoners sneller de fiets dan de auto zullen pakken, zeker nu zij woonachtig zijn in het centrum waardoor zij voor hun dagelijkse boodschappen e.d. geen grote afstanden hoeven af te leggen. In het ontwerp van Waddix is daarom een comfortabele, inpandige fietsenstalling voorzien die uitnodigt tot het gebruik van de fiets als dagelijks vervoermiddel. Het betreft een gemeenschappelijke, gelijkvloerse berging op maaiveldniveau die kan worden afgesloten. Het gebouw wordt zo ontworpen dat de stalling direct is te benaderen vanuit de centrale hal met lift. De stalling wordt ingericht met inachtneming van de kwaliteitseisen uit de Leidraad Fietsparkeren (CROW-publicatie 291, hoofdstuk 6), met specifieke aandacht voor toegankelijkheid, bereikbaarheid, inrichting en bruikbaarheid, waarbij grotendeels wordt aangesloten op de Amsterdamse Bouwbrief voor fietsenstallingen. Binnen dit kader worden gemeenschappelijke fietsenberging(en) gerealiseerd.

• Afsluitbaar is; • In één gelijkvloerse ruimte wordt gerealiseerd; • Met een loopafstand tot de in-/uitgang voor fietsers van het te bouwen gebouw als bedoeld onder 4.2.1 van maximaal 50 meter, met dien verstande dat als de gemeenschappelijke fietsenberging(en) zich bevindt beneden peil: a. het hoogteverschil wordt overbrugd door een lift die geschikt is voor het meenemen van fietsen; b. de gemeenschappelijke fietsenberging(en) vanuit de lift bereikbaar is via 1 deur; en c. de loopafstand tussen de gemeenschappelijke fietsenberging(en) en de lift maximaal 25 meter bedraagt; • Voldoende fietsplaatsen biedt per woning, namelijk: o 3 fietsplaatsen voor een appartement < 75 m² gbo; o 4 fietsplaatsen voor een appartement van 75-100 m² gbo; o 5 fietsplaatsen voor een appartement > 100 m² gbo. • De hart op hart afstand tussen twee fietsparkeerplaatsen minimaal 0,50 m;

Parkeerbehoefte en oplossing Waddix /9 januari 2025

2/7

Binnen deze richtlijnen is enige flexibiliteit mogelijk, zodat de bergingen optimaal kunnen worden afgestemd op de specifieke situatie en het uiteindelijke ontwerp. Spark acht het reëel, dat gezien bovengenoemde uitwerking van de fietsparkeeroplossing, een lagere parkeernorm van toepassing is voor alle beoogde woning categorieën van Waddix. Ten opzichte van het midden is dit 0,1 minder. Bezoekersparkeren De gemeente Waddinxveen hanteert – conform de CROW richtlijnen voor het bezoekersparkeren (publicatie 744) een norm van 0,1 (ongeacht ligging of type woning).

3.

De parkeerbehoefte van Waddix

Voor deze notitie is uitgegaan van het worst case scenario door te kijken naar de maximale planologische mogelijkheden, uitgaande van een thans maximaal aantal van 46 vast beschikbare parkeerplaatsen in de nabijgelegen parkeergarage voor de bewoners van ‘Waddix’. Het programma zal naar verwachting bestaan uit een mix van voornamelijk appartementen variërend van 0 tot 75 m², 75 tot 100 m² en een beperkt aantal appartementen van circa 100 m². Onderstaand worden de woningcategorieën voor het bestemmingsplan ‘Waddix’ gekoppeld aan de geldende parkeerkencijfers uit de CROW-publicatie 744 (juni 2024). Hierbij is uitgegaan van het scenario met koopappartementen, aangezien deze een hogere parkeernorm kennen dan huurappartementen. De onderstaande tabellen tonen de minimale, maximale en gemiddelde parkeerscenario’s, gebaseerd op het huidige maximale aantal van 46 parkeerplaatsen. Mocht er in de toekomst meer parkeerruimte beschikbaar komen, dan zal dit als nieuw uitgangspunt worden gehanteerd. Aantal m2 BVO

Soort appartement

Parkeernorm volgens vigerend beleid (CROW kencijfers)

0-75 m2

Koop

0,9

75-100 m2

Koop

1,0

> 100 m2

Koop

1,1

Tabel 1 Categorie indeling woonfuncties naar vloeroppervlak en vigerende parkeernorm

Op basis van de eerder genoemde uitgangspunten, dus inclusief de aftrek voor fietsparkeren, kunnen voor het beoogde woonprogramma de volgende normen worden aangehouden: Soort appartement

Woninggrootte (m2 BVO)

parkeernorm (exclusief bezoekers)

Koop

0-75 m2

0,8

Koop

75-100 m2

0,9

Koop

>100m2

1,0

Tabel 2 Woningtype en te hanteren normen na maatwerk correctie

Gezien de woonfunctie is er geen sprake van dubbelgebruik en daarom wordt een aanwezigheidspercentage van 100% gehanteerd. Wanneer als uitgangspunt wordt genomen dat er

Parkeerbehoefte en oplossing Waddix /9 januari 2025

3/7

maximaal 46 parkeerplaatsen in de parkeergarage beschikbaar zijn voor de parkeerbehoefte van de eigen bewoners, dan zijn de volgende gemaximaliseerde scenario’s mogelijk: Scenario maximaal Koop >100m2 m2 BVO

NORM

Koop

0-75 m2

0,8

Koop

75-100 m2

0,9

Koop

>100m2

1,0

aantal woningen

Totaal

p.pl behoefte 0 0

46

6

46

46

Max

46

Scenario maximaal Koop 75-100m2 m2 BVO

Norm

Koop

0-75 m2

0,8

Koop

75-100 m2

0,9

Koop

>100m2

1,00

Aantal woningen

Totaal

p.pl behoefte 0

51

46 0

51

Max

46 46

Scenario maximaal Koop 0-75m2 m2 BVO

Norm

Koop

0-75 m2

0,8

Koop

75-100 m2

0,9

0

Koop

>100m2

1,00

0

Totaal Max

Parkeerbehoefte en oplossing Waddix /9 januari 2025

Aantal woningen

p.pl behoefte

58

46

58

46 46

4/7

4.

Beoogde parkeeroplossing

4.1 De parkeergarage voor bewoners en hun bezoek Het bewoners parkeren kan volledig worden opgelost in de private, niet openbare delen van de parkeergarage van Gouweplein. Hiertoe zijn 46 vaste parkeerplaatsen beschikbaar (eigendom). Deze parkeerplaatsen zijn 24/7 toegankelijk voor de bewoners van ‘Waddix’. De beschikbare parkeerplaatsen zijn verdeeld over twee al gerealiseerde privé garages. De garages zijn gelegen aan de westelijke en oostelijke zijde van het winkelcentrum Gouweplein en worden gescheiden door de openbare parkeergarage die (aangrenzend) tussen de bewonersgarages in ligt. In het bestemmingsplan ‘Centrum’, vastgesteld op 7 februari 2010, is opgenomen dat het bezoekersparkeren in het openbare deel van de parkeergarage is voorzien. De bestaande beschikbare capaciteit van de parkeergarage is hierop berekend blijkens de ‘Parkeernormen Centrumplan, Gemeente Waddinxveen’ d.d.15 mei 2008 van Goudappel & Coffeng, dat als bijlage b is aangehecht aan de regels van het bestemmingsplan ‘Centrum’, waarin is vermeld dat het parkeerkencijfer van wonen een samengesteld kencijfer – zowel bewoners als bezoekers – betreft. Uitgaande van het minimale vastgoedprogramma komt het aantal parkeerplaatsen uit op 1.019 stuks. Bij het maximale vastgoedprogramma komt dit aantal uit op 1.359 parkeerplaatsen.

Ten aanzien van het maximaal noodzakelijk aantal parkeerplekken in en rondom het bestemmingsplan ‘Centrum’ is op basis van de rapportage van Goudappel & Coffeng, geconcludeerd dat er bij het maximale vastgoedprogramma minimaal 1.359 parkeervakken gerealiseerd zouden moeten worden. Uit waarnemingen van de verkeerskundige van de gemeente op meerdere maatgevende momenten (weekend, weekdagavond) blijkt dat er voldoende capaciteit is. Bezoekers van de bewoners van Waddix parkeren dus in het openbare deel van de parkeergarage Gouweplein. De parkeergarage is geopend van 7.00 tot 23.00 uur, maar uitrijden is 24/7 mogelijk. Overigens geldt dat op het moment van schrijven van deze notitie de eerste twee uur parkeren gratis zijn. Dit en het feit dat men overdekt en veilig in een garage een parkeerplaats heeft alsook nog gebruik kan maken van het winkelcentrum Gouwe maakt dat het merendeel van de bezoekers naar verwachting ook daadwerkelijk van de parkeergarage gebruik zal maken. 4.2 Lopen van en naar de woning De woningen bevinden zich aan het zuidelijke uiteinde van de westelijke garage. Hierdoor liggen de parkeerplaatsen in deze garage op een minimale afstand van de woningen. De aangewezen parkeerplaatsen in de oostelijke garage liggen verder weg, op minder dan 400 meter werkelijke loopafstand (zie figuur 1)

Parkeerbehoefte en oplossing Waddix /9 januari 2025

5/7

1 Verwachte loopafstanden door de winkelstraten

Voor het project Waddix gelden een aantal redenen waardoor een langere loopafstand voor deze specifieke woningen acceptabel is. Zoals beschreven in publicaties van het CROW is de beleving en acceptatie van een looproute grotendeels afhankelijk van de kwaliteit van deze route. De routes die de toekomstige bewoners van Waddix gaan belopen zijn van een hoge kwaliteit. De eerste mogelijke route leidt door de levendige en autoluwe winkelstraten van het centrum. De tweede mogelijkheid is zo goed als volledig overdekt en leidt door de openbare parkeergarage. Hierdoor zullen de bewoners bij slecht of koud weer droog, schoon en behaaglijk bij hun auto arriveren. Beide routes maken daarnaast gebruik van voor het publiek afgesloten trappenhuizen, waardoor het gevoel van veiligheid wordt versterkt. Naast de kwaliteit van de looproute betreft het ook dedicated parkeerplekken. Er is dus voor de parkeerder een gegarandeerde parkeerplek waarvoor hij niet hoeft te zoeken. En waar de auto droog en veilig geparkeerd zal staan. De ligging van de woning binnen de gemeente is van belang bij de acceptatie van de loopafstand van parkeerplaats tot voordeur. Hoe hoger de bebouwings- en voorzieningsdichtheid hoe hoger de maximaal acceptabele loopafstand wordt. Een reden hiervoor is dat bij een hogere voorzieningsdichtheid de afhankelijkheid van een auto lager wordt.

Zodra bijvoorbeeld een supermarkt binnen loopafstand ligt zal het niet meer nodig zijn om voor de boodschappen de auto te pakken. Dit betekent dat er minder met de auto gereisd hoeft te worden en dat de loopafstand tot die auto minder belangrijk wordt.

Parkeerbehoefte en oplossing Waddix /9 januari 2025

6/7

Om een idee te geven wat een loopafstand van een bepaald aantal meters werkelijk betekent is in de tabel hiernaast een overzicht gegeven van de werkelijke reis(wandel) tijd bij bepaalde loopafstanden. Een loopafstand van 300 meter betekent hierin slechts een extra reistijd van ongeveer 3 minuten.

Afstand in meters

Werkelijke reistijd (in minuten)

100

1

300

4

500

7

Loopafstanden omgerekend naar reistijd (bron: Google)

Concluderend kan worden gesteld dat verruiming van de loopafstanden tot maximaal 400 meter een reële oplossing is voor een goed functionerend parkeerconcept van Waddix. Hierbij speelt voornamelijk het karakter en de kwaliteit van de omgeving een belangrijke rol. Het betreft een centrumlocatie waarin een grote verscheidenheid aan voorzieningen wordt geboden. Hiervoor zullen de bewoners beperkt gebruik hoeven maken van hun auto waardoor het aantal korte verplaatsingen met de auto wordt geminimaliseerd. Ook de route naar de auto is van veilig en comfortabel.

4.2.1 Borging van het gebruik van de parkeeroplossing Bij het verlengen van de loopafstanden in ongereguleerde gebieden ontstaat een (beperkt) risico voor de directe omgeving van de ruimtelijke ontwikkeling, alhoewel dat risico als gering wordt ingeschat gelet op de hiervoor gegeven toelichting. Dit risico betreft het parkeren in de omgeving op openbare parkeerplaatsen die voornamelijk voor overige buurtbewoners of gebruikers van daar aanwezige voorzieningen bestemd zijn. Om te voorkomen dat bewoners van Waddix hier in de avond en nacht gebruik van zullen maken en hierdoor overlast gaan veroorzaken moet het gebruik van de parkeerplaatsen in de bewonersgarage zo veel mogelijk geborgd worden. Alle woonadressen (zowel bij koop als huur) worden daarom 1-op-1 gekoppeld aan een parkeerrecht in de parkeergarage met als strekking dat de parkeerrechten onlosmakelijk verbonden zijn met de woningen (zodat een parkeerrecht / parkeerplaats b.v. niet kan worden verkocht of verhuurd aan een derde). Dit zal contractueel worden geregeld op basis van een (derden/ketting)beding/kwalitatieve verplichting met een genoegzame boetebepaling. Flexibiliteit in parkeerrechten In het project Waddix heeft niet iedere woning een parkeerplaats. Kopers/huurders weten dit vooraf, alle informatie over de (on)mogelijkheden van parkeren bij de woning zal in de kopers/huurdersinformatie worden opgenomen.

Bij ingebruikname zal dit geen probleem vormen, gezien het verwachtte mobiliteitsprofiel van de potentiële bewoners. Het kan zijn dat gedurende de gebruiksperiode van de woningen er wisselingen zijn in autobezit. Het is mogelijk dat een parkeerplaats overgaat naar een andere woning, maar alleen binnen het complex Waddix. Daarbij geldt als uitgangspunt dat er maximaal één parkeerplaats per woning beschikbaar is. Hieraan zal een (derden/ketting)beding/kwalitatieve verplichting met een genoegzame boetebepaling worden gekoppeld

Parkeerbehoefte en oplossing Waddix /9 januari 2025

7/7

Waddix Oudedreef

Bijlage 2 M ER aanmeldnotitie, Van Riezen & Partners (d.d. 2 oktober 2024)

12

MER Aanmeldnotitie BP Waddix Oudedreef, gemeente Waddinxveen Datum:

2 oktober 2024

1. Inleiding 1.1.

Aanleiding Een initiatiefnemer is van plan om aan de zuidrand van het nieuwe centrum van Waddinxveen een woongebouw met maximaal 65 appartementen te realiseren. Hiervoor is inmiddels ook al een overeenkomst gesloten met de gemeente. Dit voornemen past niet geheel binnen de kaders van het bestemmingsplan Centrum, zodat voor de realisatie van het voornemen een nieuw bestemmingsplan als toetsingskader voor vergunningverlening vastgesteld moet worden. De benodigde onderzoeken ten behoeve van het nieuwe op te stellen bestemmingsplan zijn reeds uitgevoerd en deze worden ook beschreven in de voorliggende aanmeldnotitie.

1.2.

Wettelijk kader Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip, van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpbestemmingsplan is op 8 juli 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze bestemmingsplanprocedure en de hierbij horende stukken de Wet ruimtelijke ordening, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Dat geldt dan ook voor de voorliggende aanmeldnotitie. De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten) en activiteiten die m.e.r.beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten).

1

De voorgenomen ontwikkeling valt onder categorie D 11.2 “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. De omschrijving van de drempelwaarden behorend bij deze categorie is opgenomen in onderstaande tabel.

Voor deze categorie D 11.2 activiteit uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een ondergrens voor een m.e.r.-beoordelingsplicht. De activiteit die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt (maximaal 65 appartementen) blijft ruim onder deze drempelwaarden. Dit betekent dat er in dit geval geen m.e.r.- beoordeling, maar een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden. In de herziene m.e.r.-richtlijn die per 7 juli 2017 in werking is getreden betekent dit o.a. dat een MER-Aanmeldnotitie dient te worden opgesteld. De voorliggende MER - Aanmeldnotitie bevat de informatie op basis waarvan het bevoegd gezag kan en moet besluiten of er sprake is van "belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu", die het doorlopen van de m.e.r.-procedure wenselijk/noodzakelijk maken. De toets wordt gedaan op basis van dezelfde criteria die ook gelden bij een m.e.r.-beoordeling. Deze beoordeling is dus gekoppeld aan de richtlijnen in bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie criteria met uitgangspunten per criterium benoemd: kenmerken van de activiteit, plaats van de activiteit en kenmerken van het potentiële effect (zie volgende tabel).

2

Criterium Beoordelingscriterium 1. Kenmerken Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden van de genomen: projecten • de omvang van het project, • de cumulatie met andere projecten, • gebruik van natuurlijke hulpbronnen, • de productie van afvalstoffen, • verontreiniging en hinder, • risico van ongevallen, vooral gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. 2. Plaats van Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de de projecten projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • het bestaande grondgebruik, • relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, • het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: 1. wetlands 2. kustgebieden 3. berg- en bosgebieden 4. reservaten en natuurparken 5. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn 6. gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden 7. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid 8. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang 3.

Kenmerken Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang van het met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden potentiële genomen: effect • het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), • het grensoverschrijdende karakter van het effect • de waarschijnlijkheid van het effect, • duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

1.3.

Naam en adresgegevens initiatiefnemer De initiatiefnemer is MRP Development, Postbus 69369, 1060 CK Amsterdam.

3

2. Kenmerken van het project 2.1.

Aanleiding van de activiteit Initiatiefnemer is van plan om aan de zuidrand van het nieuwe centrum van Waddinxveen een woongebouw met maximaal 65 appartementen te realiseren. Het appartementencomplex wordt geplaatst tegen de bestaande bebouwing aan waar nu een parkeerplaats en de uitrit van de parkeergarage is gelegen. De uitrit wordt in het nieuwe plan geïntegreerd. Het huidige bestemmingsplan voorziet ter plaatse al in de mogelijkheid om woningen te realiseren met uitzondering van de begane grond. Het nu voorliggende plan voorziet ook in woningen op de begane grond en heeft een maximum bouwhoogte van 24 meter in plaats van 21 meter. Dit past niet binnen het vigerende bestemmingsplan 'Centrum', zodat het nodig is om een nieuw bestemmingsplan op te stellen.

2.2.

De locatie van het project Het plangebied bevindt zich aan de zuidrand van het winkelcentrum van Waddinxveen, aan de Oudedreef en heeft betrekking op het perceel, kadastraal bekend als Gemeente Waddinxveen, sectie D, nummer 3605 (gedeeltelijk ter grootte van 800 m2). In de volgende afbeelding zijn de ligging en begrenzing van het plangebied indicatief weergegeven.

Afbeelding: ligging en begrenzing plangebied (indicatief)

4

2.3.

Een beschrijving van de activiteit Het gebouw zal het hele bouwvlak in beslag nemen en heeft een footprint met een omvang van rond 800 m2. Het gebouw zal uit 8 bouwlagen bestaan met een bouwhoogte van maximaal 24 meter peil dakrand (zonder liftopbouwen of andere technische ruimten en installaties). De bebouwing sluit direct aan op de huidige bebouwing van het winkelcentrum.

Afbeelding: impressie aanzicht nieuwbouw vanuit het zuidoosten

Ter plaatse van de uitrit van de parkeergarage van het winkelcentrum wordt in het gebouw een onderdoorgang geïntegreerd. In het gebouw worden maximaal 65 woningen gerealiseerd. De woningen bevinden zich op alle bouwlagen van het gebouw en variëren in grootte van circa 40 tot 90 m2. Uitgangspunt is dat hier zowel vrijesector huur als ook koopwoningen worden gerealiseerd . Enkele grotere woningen vallen in het duurdere segment. Bij de doelgroep gaat het om starters, stellen, jonge gezinnen, alleenstaande. Op de begane grond bevindt zich naast de woningen ook een fietsenstalling voor 146 fietsen, technische ruimten en de hoofdentree van het gebouw. Deze bevind zich aan de oostkant, waar zich ook de toegang tot het winkelcentrum via een brede trap bevindt. Tevens bevindt zich op de begane grond ook de onderdoorgang ten behoeve van de uitrit van de parkeergarage van het winkelcentrum. Er zijn voldoende parkeerplaatse in de omgeving beschikbaar voor dit project. 2.4.

Het tijdspad van de activiteit Zodra de omgevingsvergunning verleend is wordt de verwezenlijking van het bouwplan gestart. Nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is zal worden begonnen met de bouw. Een volledige oplevering in 2026/27 is te verwachten. De ontwikkeling is voor onbepaalde tijd.

5

2.5.

Productieproces of wijze van aanleg Gelet op de aard van de ingreep en de locatie van het project is geen sprake van grootschalig gebruik van natuurlijke hulpbronnen of van productie van afvalstoffen. Wel is sprake van afvoer van bouw- en sloopafval, en in de gebruiksfase van productie en verwijdering van huishoudelijk afval e.d. De doelstelling hierbij is de grondstoffen zo veel mogelijk in gesloten kringlopen te houden, ofwel door hergebruik/revisie/upcyclen ofwel door middel van herinvoering in productieprocessen. Voor de afvoer van huishoudelijk afval worden de reguliere procedures en processen gevolgd, waardoor geen sprake is van belangrijke (rest)effecten in relatie tot een m.e.r.-procedure.

2.6.

Cumulatie-effecten met nabijgelegen projecten De projectlocatie bevindt zich midden in een bestaand stedelijk gebied. Er zijn geen projecten in uitvoering of in voorbereiding waarvan de effecten het zeer lokale niveau overstijgen. Bij de voorliggende ontwikkeling wordt bij ieder ruimtelijk deelaspect rekening gehouden met de directe effecten.

3. Plaats van het project Een voorgenomen activiteit vindt altijd plaats in een bepaalde omgeving, bijvoorbeeld een binnenstedelijk gebied, een historisch veenlandschap of een gebied met hoge ecologische waarden. Deze verschillende gebieden zijn in meer of mindere mate kwetsbaar voor nieuwe activiteiten. De projectlocatie ligt in een in een bestaand centrumbied. Van een voor nieuwe activiteiten kwetsbaar gebied is geen sprake.

4. Kenmerken van het potentiële effect De voorgenomen ontwikkeling kan nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In dit hoofdstuk zijn (de uitkomsten van de onderzoeken naar) de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling per onderwerp onderzocht en beschreven. Zoals beschreven in hoofdstuk 2 behelst het project de bouw van een woongebouw met maximaal 65 appartementen. Het bereik van het mogelijke effect beperkt zich tot de directe omgeving, omdat significante wijzigingen op de omgeving op het gebied van verkeer, geluid of luchtkwaliteit niet worden verwacht. Ook is er geen sprake van grensoverschrijdende effecten. Deze conclusie volgt uit de uitgevoerde onderzoeken die worden beschreven verderop in dit hoofdstuk.

6

Het plangebied is bestemmingsplangebied. Het studiegebied is het gebied tot waar de effecten als gevolg van de voorgenomen activiteit kunnen reiken. In geval van de voorliggende ontwikkeling omvat het studiegebied grofweg de omliggende wegen en een aan het plangebied grenzende bebouwing. Er is in dit geval sprake van een onomkeerbare ontwikkeling. 4.1.

Verkeer Het centrum ligt zeer gunstig voor alle vervoersvormen en is goed bereikbaar voor de auto, de fiets, de bus en zelfs per trein. Voor automobilisten is het centrum vanaf de zuidkant bereikbaar via de Kanaaldijk en de Dreef. Langs het spoor en op het plein bevinden zich parkeerplaatsen op maaiveld. De meeste parkeerplaatsen bevinden zich in de overdekte parkeervoorziening onder het centrum, buiten het plangebied van dit bestemmingsplan. Voor de fiets is gekozen voor een fijnmazig net. Er zijn twee doorgaande fietsverbindingen van noord naar zuid langs het centrum. Langs het spoor is de route vormgegeven als volledig vrijliggend fietspad in twee richtingen. De noord-zuid hoofdwinkelroute door het centrum is niet ingericht als fietsroute. In oost-west richting blijft een fietsverbinding via de Dreef mogelijk. In het gebied bevinden zich diverse fietsstallingen. Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan zijn dat 146 fietsplekken. Het hele centrumgebied is vormgegeven als voetgangersgebied. Vanaf de Dreef is het gebied via een trap en een flauwe hellingbaan bereikbaar. Op een aantal plaatsen in het plan zijn grote hoogteverschillen overbrugd door trappen. Direct naast het onderhavige bestemmingsplangebied bevindt zich zo'n trap. Het toepassen van hellingbanen is hier niet wenselijk vanwege het grote hoogteverschil (3,5 m). De locatie is goed te bereiken.

In de ontwikkeling van het centrum is ook rekening gehouden met de ontwikkeling van de onderhavige locatie met stedelijke functies. De nu voorziene woningen zullen niet voor significant meer verkeer zorgen. De bestaande wegen kunnen de verkeersproductie goed en veilig afwikkelen. De situatie geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER.

4.2.

Bodem De bodemkwaliteit is van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de toekomstige functie. Uit het milieuhygiënisch bodemonderzoek dat is uitgevoerd (Anteagroep, projectnummer 0458840.100 van 17 december 2019, zie bijlage) blijkt dat vanuit een milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen worden verwacht met betrekking tot de voorgenomen woningbouw. Toekomstige woonfunctie in de nieuwbouw heeft vanwege de activiteiten en de gebruikelijke afvalstoffen geen nadelige gevolgen voor de aanwezige bodemkwaliteit. Hiermee is aangetoond dat er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn die aanleiding geven tot het uitvoeren van een MER.

7

4.3.

Geluid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij is het aspect geluid ook van belang. Wet geluidhinder Op grond van de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek verplicht in geval een ruimtelijk besluit de bouw van nieuwe woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen mogelijk maakt. In september 2024 is door Wolf Dikken adviseurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd (projectnummer R821123aaA0, zie bijlage). Hieruit is gebleken dat de hoogst optredende geluidbelasting wordt veroorzaakt door het railverkeer en bedraagt 62 dB. De maximaal te ontheffen waarde wordt hierdoor niet overschreden. De hoogst optredende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen en railverkeer bedraagt 65 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh. Op grond van aanvullend uitgevoerd onderzoek is gebleken dat het treffen van maatregelen ter verlaging van de geluidbelastingen niet doeltreffend is en stuit op bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard. Bij de nadere planuitwerking is aansluiting gezocht bij het hogere waardenbeleid van de regio Midden-Holland en zijn de benodigde geluidwerende voorzieningen vastgesteld (zie R821123aaA3).

Het bovenstaande in acht nemende, wordt aanbevolen om Burgemeester en wethouders te verzoeken een hogere grenswaarde aan de gevels van woningen met een geluidbelasting welke hoger is dan 55 dB vast te stellen. Bij het verlenen van de hogere grenswaarde is beoordeeld of de plattegronden van de woningen voldoen aan het ontheffingenbeleid Midden-Holland (aanwezigheid geluidluwe gevels en buitenruimten). Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit Op het dak van de LIDL zijn klimaatinstallaties geplaatst. Deze zijn afgeschermd middels een metselwerk wand. In het kader van een melding op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) is door onderzoeksbureau Wolf Dikken onderzoek gedaan naar het optredende geluidbelastingen ten gevolge van de genoemde installaties van de supermarkt (Project R821123aaA6 d.d. 26 september 2024, zie bijlage). De geluidbelastingen zijn bepaald op de gevels van de omliggende woningen. Uit het onderzoek is gebleken dat in de dag- en avondperiode met 48 respectievelijk 45 dB(A) voldaan wordt aan de eisen van het Activiteitenbesluit. Alleen in de nachtperiode wordt ter plaatse van slaapkamers 1 van woningtype B (zie rapport) vanaf de 4e tot en met de 6e verdieping met 43 dB(A) niet voldaan aan de eisen, zodat hier dove gevels of maatwerkvoorschriften (vastgesteld door het bevoegd gezag) toegegast moeten worden.

De maximaal optredende geluidbelasting van 50 dB(A) voldoet wel aan de eisen, zodat de situatie aanvaardbaar wordt geacht.

8

Daarnaast is ook onderzoek verricht naar de indirecte hinder door in-/uitrit parkeergarage (Project R821123aaA7 d.d. 26 september 2024, zie bijlage). Hieruit is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden met een etmaalwaarde van maximaal 57 dB(A). Bron- en overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting tot op de voorkeurswaarde terug te brengen stuiten op stedenbouwkundige- en financiële bezwaren. Er wordt wel voldaan aan het vereiste binnenniveau van maximaal 35 dB(A), zodat deze overschrijding aanvaardbaar wordt geacht. Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, nadat een procedure hogere grenswaarde ten gevolge van het wegverkeerslawaai en spoorweglawaai is doorlopen. Het ontwerp besluit hogere waarden Wet geluidhinder is opgenomen in bijlage. Ook het Activiteitenbesluit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Dit aspect vormt geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER. 4.4.

Luchtkwaliteit Voor luchtkwaliteit is titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) van toepassing, beter bekend als de Wet luchtkwaliteit kader. Daarin is bepaald dat bij het vaststellen van een bestemmingsplan (of andere planologische procedure) moet worden voldaan aan grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide en fijn stof. In het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen” is bepaald dat indien een project kan worden beschouwd als “niet in betekenende mate” er geen toetsing aan de grenswaarden hoeft plaats te vinden. Deze grens is in het Besluit gesteld op 3%, wat betekent dat de concentratie stikstofdioxide of fijn stof met maximaal 3% mag toenemen als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen die een planologische procedure toestaat. Als het meer is dan 3% moet worden getoetst aan de grenswaarden. In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen" is voor een aantal specifieke projecten een berekening gemaakt bij welk bouwprogramma er nog sprake is van “niet in betekenende mate”. Dit is als het project betrekking heeft op maximaal 1.500 woningen of 100.000 m² kantoren (bij één ontsluitingsweg) of een combinatie van beiden. De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningen vallen duidelijk onder de hiervoor genoemde aantallen. Dat geldt ook als gekeken worden naar het hele winkelcentrum. De ontwikkeling kwalificeert dan ook als een NIBM-project.

Via de NSL-monitoringstool is de luchtkwaliteit van de locatie bestudeerd. Hieruit is gebleken dat ter plaatse van het plangebied de luchtkwaliteit als volgt is:

9

Afbeelding: meetpunten uit de NSL-monitoringstool, het geselecteerde meetpunt is rood omcirkeld

Uit het voorafgaande blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan alle relevante grenswaarden. Daarnaast voorziet dit bestemmingsplan in veel minder woningen dan hiervoor genoemd en kwalificeert dan ook als NIBM. Ter bevestiging is het effect van het project ook berekend met de NIBM-tool.

Het aspect luchtkwaliteit geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER. 4.5.

Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De externe veiligheidsregelgeving is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit

10

externe veiligheid transportroutes en Besluit externe veiligheid buisleidingen. De regelgeving is gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening. Bij ruimtelijke besluiten moet worden getoetst aan de normen voor plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels en restaurants. Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Over de naastgelegen spoorbaan Gouda-Alphen aan den Rijn vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Binnen 200 meter van de planontwikkeling zijn geen rijks- of provinciale wegen aangeduid als route gevaarlijke stoffen. De transportroute vormt dan ook geen belemmering voor het plangebied.

Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt vanaf 1 januari 2011 de AMvB Buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in de AMvB. Er ligt in de nabijheid van het plangebied (parallel langs zuidwest zijde van de spoorbaan) op circa 50 meter afstand een 12 inch (309 mm) 40 bar regionale aardgastransportleiding. Voor deze hogedruk gasleiding dient voor kwetsbare objecten een belemmeringenstrook te worden aangehouden van 4 meter vanaf het hart met een invloedsgebied van 140 m. Voor het overige liggen er in de directe nabijheid geen leidingen, die voor externe veiligheid relevant zijn. In volgende afbeelding is de buisleiding W-517-01 weergegeven.

11

Afbeelding: plangebied en risicobron

Voor de buisleiding is in september 2024 door onderzoeksbureau Aviv een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (Project 224808 d.d. 11 september 2024, zie bijlage). Hieruit is gebleken dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het plangebied. Het plangebied ligt buiten de belemmeringenstrook. Het groepsrisico is in zowel de huidige als toekomstige situatie kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Door de ontwikkeling neemt het groepsrisico niet toe. Er kan volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De onderdelen waaruit deze verantwoording dient te bestaan worden beschreven in paragraaf 4.2.1 van het rapport (Project 224808 d.d. 11 september 2024, zie bijlage). De onderdelen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid maken deel uit van het advies van de Veiligheidsregio (zie verderop in deze paragraaf). Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. 12

Advies Veiligheidsregio Hollands Midden De Veiligheidsregio heeft het volgende geadviseerd: Hogedruk aardgasleiding Bij het ontwerp van het bouwplan zal rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de hiervoor beschreven hogedruk aardgasleiding, door bijvoorbeeld het glasoppervlakte aan die zijden die gericht zijn op de aardgasleiding te beperken alsook tenminste één van de vluchtroutes en (nood)uitgangen van de aardgasleiding af te richten. Zelfredzaamheid In het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan is en zal geen sprake zijn van een clustering van verminderd zelfredzame personen: dit betekent dat niet te veel verminderd zelfredzame personen ter plaatse mogen wonen, omdat de wettelijke opkomsttijd van de woonfunctie voor brandweer en ambulance reeds met circa 1 tot 2 minuten wordt overschreden; en Het advies van de VHM is in de plantoelichting overgenomen en daarbij is vermeld dat, omdat het geldende bestemmingsplan reeds voorziet in de realisatie van woningen zonder dat daaraan eisen in het kader van de externe veiligheid worden gesteld, die eisen thans evenmin worden gesteld en daarmee het externe veiligheidsrisico wordt geaccepteerd. Het aspect externe veiligheid geeft geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER. 4.6.

Trillingshinder In september 2024 is door onderzoeksbureau Equipe Adviseurs onderzoek verricht naar mogelijke trillingshinder vanwege het spoor (Projectnummer 224496 d.d. 9 september 2024, zie bijlage). Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de kans op schade aan de geplande bebouwing door spoortrillingen verwaarloosbaar klein is (<1%). Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de mate van hinder door spoortrillingen voor de bewoners/gebruikers van de nieuw te bouwen appartementen voldoet aan het gestelde in de meet- en beoordelingsrichtlijn SBR-B. De omgerekende Veff,max-waarden, waarmee de toetsing is uitgevoerd, gelden ook voor de vloeren op de hogere verdiepingen. Deze Veff,max-waarden zijn worst-case berekend waarbij de afname van het trillingsniveau als gevolg van verspreiding en demping tijdens de voortplanting door het gebouw niet zijn meegenomen. De berekening is uitgevoerd met conservatieve waarden waarbij rekening is gehouden met enige mate van onzekerheid.

13

Bij het bepalen van de correctiefactoren is uitgegaan dat de nieuwbouw wordt voorzien van een betonnen fundering op palen. De onzekerheid voor de gebruikte correctiefactor van bodem naar fundering (factor: 0,7) is voor dit type bouwwerk klein. De correctiefactor voor fundering naar vloer is sterk afhankelijk van de eigenfrequentie van de toegepaste vloer. Hoe meer de eigen frequentie van de vloer in de buurt komt van de dominante frequenties van de spoortrillingen, hoe groter de correctiefactor en dus de versterking. De maximale correctiefactor voor de versterking van fundering naar vloer bedraagt 2,3 (circa +7 dB). Dit komt overeen met een betonnen vloeren met minimale eigen frequentie van > 18 Hz. In het bestemmingplan zijn bouwregels opgenomen om het risico op trillingshinder zo veel mogelijk te beperken. Dit geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER. 4.7.

Water Het plangebied maakt waterstaatkundig onderdeel uit van de Zuidplaspolder. Het deel van de Zuidplaspolder waarin Waddinxveen ligt, watert in zuidoostelijke richting af en wordt bemalen door gemaal “De Zuidplas”, welke het water op de Ringvaart uitslaat. Er spelen geen grote knelpunten in de Zuidplaspolder. De wateropgave binnen de bestaande wijken is inzichtelijk gemaakt in het Waterplan (februari 2010), dat gezamenlijk met de voormalige gemeente Boskoop is opgesteld. Veiligheid en waterkeringen Er bevinden zich geen waterkeringen in en nabij het plangebied, waarmee in het kader van dit bestemmingsplan rekening moet worden gehouden. Waterkwantiteit Ten eerste geldt dat als er bestaand oppervlaktewater wordt gedempt, dezelfde hoeveelheid m³ die zich bevinden in het afvoerend nat profiel en de daarbovenop aanwezige vrije ruimte voor het bergen van water (de drooglegging, ofwel het verschil tussen het waterpeil en het maaiveld) binnen hetzelfde peilgebied terug moet worden aangelegd. Dit principe staat bekend als 'dempen is graven'. Compenserende waterberging vanwege versnelde afvoer Daarbovenop komt de benodigde aanvullende hoeveelheid waterberging ter compensatie van de toename van verharding en/of een versnelde afvoersituatie. De minimale eis dat 5% van het nieuwe verharde oppervlak als retentiegebied moet worden gerealiseerd.

Toetsing planinitiatief De planlocatie maakt onderdeel uit van het centrum van Waddinxveen. Het bestemmingsplan Centrum voorziet ter plaatste al in volledige bebouwing. In het kader van dat bestemmingsplan 14

heeft afstemming met het Hoogheemraadschap plaatsgevonden. Voor de ontwikkeling van deze locatie is dan ook geen extra watercompensatie vereist. Waterafvoer Het hemelwater van de daken van het gebouw zal worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het riool worden aangesloten op de bestaande riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Watervergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. Er zijn voor wat betreft de waterhuishouding geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er is geen MER noodzakelijk. 4.8.

Archeologie In maart 2005 is door archeologisch onderzoeksbureau RAAB archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Notitie 1071 van maart 2005, zie bijlage). Uit het onderzoek is gebleken dat voor vrijwel het gehele onderzoeksgebied een lage archeologische verwachting geldt. Tijdens het onderzoek zijn in het meest zuidwestelijke deel van het plangebied geulafzettingen aangetroffen, waarvan vooraf niet bekend was dat deze in het gebied voorkomen. De archeologische verwachting voor dergelijke afzettingen is in de regel hoger; voor deze afzettingen geldt daarom een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten vanaf het Mesolithicum. De kans dat dergelijke resten in het plangebied aanwezig zijn wordt echter zeer klein geacht. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er cultuurhistorische elementen in het plangebied aanwezig zijn. Tijdens het veldonderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor vindplaatsen in het plangebied. De kans dat daadwerkelijk Mesolithische resten in het plangebied aanwezig zijn wordt zeer klein geacht. De vindplaatsen uit die periode kenmerken zich in veel gevallen tevens door een zeer kleine omvang en een lage vondstdichtheid, zodat ze bijzonder moeilijk op te sporen zijn met behulp van booronderzoek.

Het uitvoeren van vervolgonderzoek, met als doel het opsporen en in kaart brengen van dergelijke resten, wordt daarom niet zinvol geacht. Er wordt daarom ten aanzien van het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. Er bevinden zich geen cultuurhistorische waarden in het plangebied, waarmee bij de beoogde ontwikkeling rekening moet worden gehouden. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit geldt zowel voor het plangebied als het studiegebied. Er is geen MER noodzakelijk.

15

4.9.

Ecologie Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten. Deze bescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming. Indien uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vrijstelling. Voor nog aan te vragen sloop- en bouwaanvragen geldt de nieuwe Omgevingswet als toetsingskader. Quickscan ecologie en stikstofdepositie In november 2021 is door onderzoeksbureau ECOlogisch een quickscan ecologie uitgevoerd (Projectcode MPNA2101 van 9 november 2021, zie bijlage). Gebiedsbescherming Binnen het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 6 kilometer van het projectgebied en betreft Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein. Op ruim 2 kilometer van het projectgebied liggen gedeeltes van het NNN. Dit betreft bestaande en nieuwe natuur in het westen en een ecologische verbindingszone in het oosten.

Op afbeelding 9 is een kaart weergegeven waar het projectgebied ligt ten opzichte van beschermde natuur, voor zowel het Natura 2000-gebied als het NNN. De afstand van het plangebied tot beschermde gebieden is voldoende om directe effecten uit te sluiten. Een toename in stikstofemissie kan op voorhand niet worden uitgesloten. Daarom is in september 2024 door onderzoeksbureau Cauberg Huygen een Aeriusberekening uitgevoerd (Referentie 0840555741-06v2, d.d. 20 september 2024, zie bijlage). Hieruit is gebleken, dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus voor dit aspect geen vergunning benodigd ingevolge de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten De bebouwing direct naast het plangebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. De openingen in de bebouwing die kunnen fungeren als verblijfplaatsen van vleermuizen bestaan uit stootvoegen, openingen bij de dakrand en ruimtes tussen de aanhechting op de zuidelijke muur. De groenstructuren bieden geschikte schuilplaatsen voor algemene zoogdieren zoals de egel en algemene muizensoorten. De groenstructuren en bebouwing kunnen door algemene vogels als broedbiotoop gebruikt worden. Indien er werkzaamheden in het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd.

De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. 16

Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen in het kader van de zorgplicht (art. 1.11 Wnb). Het is dus nodig om een afdoend onderzoek uit te voeren. Vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek is besloten om mitigerende maatregelen te nemen om een ontheffing van de Wet natuurbescherming te kunnen krijgen. Aanvulling quickscan ecologie 2024 Op 13 mei 2024 heeft bureau Schildwacht vof eerder uitgevoerde quickscan geactualiseerd (Projectnr. 2431 d.d. 13 mei 2024, zie bijlage). Zoals hiervoor is beschreven is uit de quickscan gebleken dat er vervolgonderzoek voor vleermuizen moest plaatsvinden voor het plangebied. Dit onderzoek is verricht en hieruit bleek dat er een verblijfplaats is van een gewone dwergvleermuis in het plangebied. Sinds het uitvoeren van de QuickScan is de omgeving van het plangebied gewijzigd; er is een nieuw schoolgebouw vlakbij het plangebied gebouwd en er zijn vleermuiskasten op gehangen aan panden en bomen nabij het plangebied. Hierdoor bestaat de kans dat het verblijf van de gewone dwergvleermuis dat is aangetroffen tijdens het vervolgonderzoek niet meer aanwezig is.

Buiten deze factoren is het plangebied ongewijzigd en kan geconcludeerd worden dat de bevindingen in de eerder uitgevoerde Quickscan nog gelden. Geadviseerd wordt om het vervolgonderzoek naar vleermuizen opnieuw uit te voeren, omdat er een kans bestaat dat de vleermuizen hier niet meer aanwezig zijn. Aanvullend ecologisch vervolgonderzoek vleermuizen 2024 In 2024 is opnieuw vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd door bureau Schildwacht vof (Projectnr. 2433 d.d. 22 september 2024, zie bijlage). Hieruit is gebleken dat er nog steeds een verblijf van een gewone dwergvleermuis aanwezig is in het te slopen object. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied. Ook zijn er geen paar-, kraam- of massaoverwinterverblijfplaatsen aanwezig in het plangebied. Een verblijfplaats van een gewone dwergvleermuis vormt essentieel leefgebied voor de soort. Het verwijderen of slopen van een verblijfplaats is daarom in strijdt met de Omgevingswet. Hierdoor zijn de voorgenomen werkzaamheden in strijdt met artikel 11.46 van het Bal van de Omgevingswet. De voorgenomen werkzaamheden leiden tot een flora- en fauna-activiteit. Daarom is het noodzakelijk een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten aan te vragen om de werkzaamheden uit te mogen voeren. Uit het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat dit aspect geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Wel is het noodzakelijk een omgevingsvergunning floraen fauna-activiteiten aan te vragen om de werkzaamheden uit te mogen voeren. 17

Dit geeft echter geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER. 4.10.

Bedrijven en milieuzonering Het plangebied ligt aan de rand van het nieuwe winkelcentrum van Waddinxveen. Hier bevindt zich een mix van voorzieningen, kantoren en woningen. Bedrijven uit hogere milieucategorieën zijn niet aanwezig. Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit Voor deze locatie is alleen het aspect geluid relevant vanwege de installaties van een supermarkt op het dak. Uit onderzoek is gebleken dat voldaan wordt aan de eisen van het Activiteitenbesluit (zie hiervoor paragraaf 4.3). Er is gebleken dat er geen andere relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Vanuit milieuzonering is er geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER.

4.11.

Explosieven Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied verdacht is op ontplofbare oorlogsresten. De omgevingsdienst Midden-Holland adviseert om hier bij werkzaamheden rekening mee te houden. Het opsporen van ontplofbare oorlogsresten waaronder ook detectieonderzoek is voorbehouden aan gecertificeerde bedrijven. Voor het opsporen van ontplofbare oorlogsresten moet een projectplan worden opgesteld. Wanneer de openbare orde en veiligheid in het geding kan zijn, moet de initiatiefnemer hierover afstemming zoeken met de gemeente. De gemeente moet een afschrift ontvangen van het proces-verbaal van oplevering van het project. Dit geeft echter geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER.

5. Conclusie Uit de effecten die in deze MER - Aanmeldnotitie zijn beschreven kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de bouw van maximaal 65 woningen er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit geldt zowel voor het plangebied als het studiegebied. Geconcludeerd wordt dat er geen MER noodzakelijk is.

18

Bijlagen 1. Akoestisch onderzoek, Wolf Dikken adviseurs (R821123aaA0, d.d. 26 september 2024) 2. Akoestisch advies activiteitenbesluit, Wolf Dikken adviseurs (Project R821123aaA4 d.d. 26 september 2024) 3. Akoestisch advies uitrit parkeergarage, Wolf Dikken adviseurs (project R821123aaA7 d.d. 26 september 2024) 4. Ontwerpbesluit hogere waarden Wet geluidhinder (2022167433) 5. Historisch vooronderzoek bodem, Anteagroup (projectnummer 0458840.100 d.d. 17 december 2019) 6. Onderzoek externe veiligheid, Aviv (Project 224808, d.d. 11 september 2024) 7. Risico- en kansenanalyse spoortrillingen herinrichting Oude Dreef Versie 3.0, Equipe Adviseurs ( projectnummer 224496, d.d. 9 september 2024) 8. Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek, RAAB (Notitie 1071, maart 2005) 9. Quickscan ecologie, ECOlogisch (Projectcode MPNA2101 d.d. 9 november 2021) 10. Aanvulling quickscan ecologie, Bureau Schildwacht vof (Projectnr. 2431 d.d. 13 mei 2024) 11. Aanvullend ecologisch onderzoek, Bureau Schildwacht vof (Projectnr. 2433 d.d. 22 september 2024) 12. Effecten stikstofdepositie, Cauberg Huygen (referentie 08405-55741-06v2, d.d. 20 september 2024)

19

Waddix Oudedreef

Bijlage 3 M .e.r.-beoordelingsbesluit

32

Bijlage 3: m.e.r.-beoordelingsbesluit M.e.r.-beoordelingsbesluit Waddix, Oudedreef

1. Aanleiding In verband met de voorgenomen ontwikkeling van MRP Development hebben wij beoordeeld of een milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld in het kader van het vaststellen van een plan bedoelt in artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een woongebouw met maximaal 65 appartementen. Op grond van de aanmeldnotitie m.e.r. beoordelen wij of, voorafgaand aan de besluitvorming het plan, een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Op grond van de aanmeldnotitie (MER Aanmeldnotitie BP Waddix Oudedreef, gemeente Waddinxveen) (hierna: aanmeldnotitie) beoordelen wij of, voorafgaand aan de verlening van de vergunning, een milieueffectrapport moet worden opgesteld. 2. Besluit Wij besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in dit besluit, dat bij de voorbereiding van het plan voor hierboven genoemde ontwikkeling door MRP Development geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. De toelichting van het plan (NL.IMRO.0627.WaddixOudedreef-0301) maakt onderdeel uit van dit besluit. 3. Rechtsmiddelen Op grond van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht is deze beoordeling een voorbereidingsbesluit waarop geen bezwaar en beroep mogelijk is, tenzij aangetoond kan worden dat dit besluit belanghebbende rechtstreeks treft.

In de bestemmingsplanprocedure kan door een ieder zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan naar voren worden gebracht. De zienswijzen kunnen ook betrekking hebben op dit voorbereidingsbesluit. 4. Procedure De voorbereiding van het m.e.r.-beoordelingsbesluit heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. De aanmeldnotitie en de daarbij gevoegde bescheiden voldoen aan de eisen die het Besluit milieueffectrapportage daaraan stelt. 5. Overwegingen De volgende inhoudelijke overwegingen liggen aan dit besluit ten grondslag:

1.1 Toetsingskader De aangevraagde activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Hierdoor is geen directe plicht om een milieueffectrapport op te stellen. De aangevraagde activiteit komt wel voor in onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport, namelijk onder D 11.2 In kolom 2 van D 11.2 is de m.e.r-beoordelingsdrempel opgenomen: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage moet het bevoegd gezag, ook voor activiteiten die beneden de m.e.r-beoordelingsdrempel liggen, bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft en of al dan niet een MER opgesteld dient te worden. Dit dient te gebeuren aan de hand van de criteria genoemd in bijlage III bij de EG-richtlijn milieueffectbeoordeling (2011/92/EU en 2014/52/EU). Deze criteria omvatten: • • •

de kenmerken van het project (onder andere omvang en cumulatie); de locatie van het project (de kenmerken van het plangebied in relatie met kwetsbaarheid omgeving); soort en kenmerken van het potentiële effect (mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15129311/2