CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Vredenburghzone fase 3_Bijlagen bij de toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 26 maart 2025, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Bijlage 114.736 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

en

gierzwaluw.

Indien

gebouwen

worden

gesloopt

of

verstorende

werkzaamheden in de nabije omgeving van de gebouwen worden uitgevoerd, is nader onderzoek noodzakelijk. Indien gebouwen behouden blijven in de voorgenomen ontwikkeling, kunnen negatief effecten op huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. Grote gele kwikstaart nestelt graag langs snelstromende beken en rivieren in natuurlijke oevers, onder bruggen, bij watermolens en stuwtjes. Roek nestelt in hoge bomen en vormt vaak grote kolonies. Geschikte nestlocaties voor deze soorten zijn niet aanwezig in het plangebied. Negatieve effecten op deze soorten in het plangebied zijn uitgesloten. De ooievaar maakt vaak gebruik van kunstmatige nestgelegenheden, maar broedt ook op telefoonpalen, schoorstenen of kerktorens. Deze elementen zijn niet aanwezig in het plangebied. Daarmee is het plangebied niet geschikt voor nestplaatsen van ooievaar. Effecten op deze soort in het plangebied worden niet verwacht. Roofvogels broeden zowel in cultuur- (sperwer), halfopen cultuur- (boomvalk en slechtvalk) en natuurlandschappen (buizerd, havik, wespendief, zwarte wouw). Broedplaatsen van deze en andere soorten roofvogels kunnen gezien de afwezigheid van oudere bomen en horsten (nesten) in het sterk gecultiveerde plangebied worden uitgesloten.

Om op bijvoorbeeld muizen, konijnen en vogels te kunnen jagen, hebben roofvogels in het algemeen agrarisch gebied, halfopen cultuurlandschap en/of bosrijk gebied nodig. Het plangebied vormt geschikt jachtgebied. Echter is geschikt jachtgebied in de omgeving voldoende aanwezig en kan daarom worden uitgesloten dat het plangebied een essentieel onderdeel van het jachtgebied vormt. Ook zijn in het plangebied geen nesten aangetroffen. Daarmee kan de aanwezigheid van nesten en de aanwezigheid van essentiële onderdelen van het leefgebied van roofvogels worden uitgesloten. Ransuil maakt gebruik van oude kraaien- en eksternesten om in te broeden. Deze bevinden zich voornamelijk in hoge, donkere plekken in grote bomen, vooral in naaldbomen. Binnen het plangebied zijn geen geschikte nestlocaties door de afwezigheid geschikte bomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen oude kraaien- en eksternesten aangetroffen. Gezien de grote actieradius van deze soorten is er voldoende

LANECO 18

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

alternatief leefgebied in de omgeving beschikbaar. Negatieve effecten op ransuil worden uitgesloten. Kerkuil komt voor in halfopen agrarisch landschap. De soort broedt op relatief rustige plaatsen en is veelal afhankelijk van nestkasten. De kerkuil broedt voornamelijk in schuren. Binnen het plangebied zijn geschikte nestlocaties aanwezig in de vorm van bebouwing in plangebied deel 2. Gezien de grote actieradius van deze soorten is er voldoende alternatief leefgebied in de omgeving beschikbaar; en ook na de ingreep blijft het landschapspark beschikbaar als leefgebied. Indien gebouwen worden gesloopt is nader onderzoek naar de aanwezigheid van kerkuil noodzakelijk. Indien gebouwen behouden blijven in de voorgenomen ontwikkeling, kunnen negatief effecten op kerkuil worden uitgesloten. Steenuil is een soort met een zeer klein territorium. Als steenuil op de naburige percelen aanwezig is, kunnen de geplande werkzaamheden essentieel leefgebied voor de steenuil (tijdelijk)

aantasten.

De

agrarische

percelen

vormen

namelijk

een

geschikt

foerageergebied voor steenuil. Om effecten op deze soort uit te kunnen sluiten moeten de aanwezige territoria in kaart worden gebracht om na te gaan of, en waar alternatieven aanwezig zijn. Conclusie Op

basis van

het

veldbezoek en

aanvullende verspreidingsgegevens kan

de

aanwezigheid van nestplaatsen van boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, wespendief en zwarte wouw worden uitgesloten. De aanwezigheid van essentieel leefgebied voor de steenuil kan niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk om de functie van het plangebied voor deze soort aan te tonen. Indien gebouwen worden gesloopt of verstorende werkzaamheden in de nabije omgeving van de gebouwen worden uitgevoerd, is nader onderzoek naar huismus en gierzwaluw noodzakelijk. Indien gebouwen behouden blijven in de voorgenomen ontwikkeling, kunnen negatief effecten op huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. Ten allen tijde geldt de zorgplicht en dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Dit om verstoring en daarmee het broedsucces van soorten binnen en naast het plangebied zoveel mogelijk te voorkomen. De werkzaamheden mogen alleen in het broedseizoen uitgevoerd worden als er een gerichte controle naar broedvogels is gedaan voor aanvang van de werkzaamheden.

LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

19

2.5.5 Reptielen en amfibieën Om een goed beeld te krijgen van de soorten reptielen die binnen het plangebied en de omgeving voorkomen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Atlas van Amfibieën en Reptielen (De Wild et al., 2016), De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) en Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2014 t/m 2024). Reptielen stellen strikte eisen aan hun omgeving en alle inheemse reptielen zijn in de Wet

natuurbescherming

beschermd.

De

meeste

reptielensoorten

houden

zich

voornamelijk op in geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos-, heide- en veengebieden (bijvoorbeeld heide en/of heischrale graslanden in combinatie met bossen en/of kleine landschapselementen). Habitat van amfibieën is onder te verdelen in water- of voortplantingshabitat (vaak een poel, vijver of smalle watergang zonder grote vissen) en landhabitat (bosjes, struwelen en dergelijke). Sommige soorten amfibieën zoals de rugstreeppad houden zich op in vergraafbaar zand. Nationaal beschermde soorten met provinciale vrijstelling Van amfibieën kunnen diverse nationaal beschermde soorten in en in de directe omgeving van het plangebied voorkomen zoals bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus), bruine kikker (Rana temporaria), gewone pad (Bufo bufo) kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) en meerkikker (Pelophylax ridibundus). Voor deze soorten geldt in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling een vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen. Niet-vrijgestelde nationale en Europees beschermde soorten Uit de ruime omgeving is het voorkomen van de nationaal beschermde soorten en Europees beschermde soorten amfibieën en reptielen bekend, zoals heikikker (Rana arvalis), ringslang (Natrix natrix) en rugstreeppad (Epidalea calamita).

De heikikker is een soort die onder andere ondiepe wateren en sloten als voortplantingswater gebruikt, ook in agrarisch gebied. De sloten in en langs het plangebied van deel 1 en deel 2 vormen geschikt habitat voor heikikker. Heikikkers gebruiken zowel grasland als dichte vegetaties als landhabitat. Het gebruik van het plangebied als landhabitat door deze soort kan dan ook niet uitgesloten worden. Nader onderzoek naar heikikker is vereist. Ringslang is een soort die sterk gebonden is aan water. De habitat van ringslang ligt veelal op de overgang van zandgronden naar veen- en kleigronden. Beide gradiënten zijn cruciaal voor habitat van ringlang voor de verschillende levensstadia van ringslang. Voor de voortplanting is ringslang afhankelijk van broeihopen. Deze kunnen worden gevormd door compost- of bladhopen of andere opstapelingen van organisch composterend materiaal. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen broeihopen aangetroffen. Het plangebied bestaat uit een nat veenweidelandschap met diverse

LANECO 20

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

watergangen. In het plangebied liggen een aantal hoger gelegen erven, welke geschikt zijn als droger landhabitat. Daarmee biedt het plangebied voldoende gradiënten voor het habitat van ringslang. Nader onderzoek naar ringslang is noodzakelijk. Rugstreeppad is een soort die zich voortplant in ondiepe soms tijdelijke poelen en plassen. Buiten de voortplantingsperiode graaft rugstreeppad zich graag in of rust onder bijvoorbeeld tegels of puin en heeft daarom een goed vergraafbare bodem of beschikbare schuilplaatsen nodig. In het plangebied zijn geen (tijdelijke) poelen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn er laagtes met een laagje water in de weilanden van plangebied deel 1 geconstateerd. Deze ondergelopen laagtes bieden optimaal voortplantingshabitat voor rugstreeppad. In 2021 is rugstreeppad aangetroffen op een bouwterrein binnen 1,3 kilometer van plangebied deel 1. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van rugstreeppad is noodzakelijk. In het plangebied is geen vergraafbaar zand aanwezig voor rugstreeppad. Als gevolg van de werkzaamheden is de kans erg groot dat er tijdelijk vergraafbaar zand ontstaat, waardoor het plangebied tijdens de werkzaamheden optimaal habitat vormt voor rugstreeppad. Het is daarom belangrijk dat er voorafgaand aan de werkzaamheden maatregelen worden getroffen om negatieve effecten op de soort rugstreeppad te voorkomen.

Conclusie Negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op heikikker, ringslang en rugstreeppad zijn niet uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk. Daarnaast zijn er tijdelijke maatregelen nodig tijdens de realisatie om negatieve effecten op rugstreeppad te voorkomen.

2.5.6 Vissen, weekdieren en ongewervelden Beschermde

vissen,

tweekleppigen,

mollusken

en

insecten

(vlinders,

libellen,

sprinkhanen) stellen strikte eisen aan hun omgeving. Beschermde vissoorten zijn over het algemeen gebonden aan specifieke beek- of riviersystemen of watergangen met een goed ontwikkelde watervegetatie en een sliblaag. In de omgeving van het plangebied komt de grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) voor. Op de bodem van de sloten bevindt zich mogelijk een voor grote modderkruiper geschikte sliblaag. De aanwezigheid van grote modderkruiper in deze watergangen kan niet worden uitgesloten. Daarnaast kunnen trillingen als gevolg van de werkzaamheden een negatief effect hebben op de soort. Nader onderzoek naar deze soort is noodzakelijk.

LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

21

Conclusie Negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op grote modderkruiper zijn niet uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soort is noodzakelijk.

2.5.7 Insecten (vlinders, libellen, sprinkhanen) en overige soortengroepen Slechts een beperkt aantal van de zeer soortenrijke groep van de insecten is beschermd. De habitateisen van beschermde soorten binnen deze groep zijn vaak zeer locatie specifiek en gebonden aan zeer bijzondere biotopen en/of specifieke waardplanten. Om een goed beeld te krijgen van de soorten insecten die binnen het plangebied en de directe

omgeving

voorkomen,

zijn

de

volgende

bronnen

geraadpleegd:

De

vlinderstichting (2020) en de Nationale Databank Flora en Fauna (2014 t/m 2024). In de omgeving van het plangebied komt groene glazenmaker (Aeshna viridis) en platte schijfhoren (Anisus vorticulus) voor. Groene glazenmaker is gebonden aan schone wateren met krabbenscheervegetaties. De sloten binnen en rondom het plangebied zijn voedselrijk en bevatten geen krabbenscheer. Aanwezigheid van de groene glazenmaker binnen het plangebied is uitgesloten door het ontbreken van geschikt leefgebied. Platte schijfhoren komt in verschillend habitat voor, leeft in watergangen met helder, schoon water en goed ontwikkelde watervegetatie en is ook te vinden in sloten met draadalgvegetatie. Negatieve effecten op de platte schijfhoren kunnen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar platte schijfhoren is vereist. Andere strikt beschermde soorten mollusken en tweekleppigen kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Conclusie Op

basis

van

de

verspreidingsgegevens

en

biotoopinschattingen

tijdens

de

veldverkenning is nader onderzoek benodigd naar platte schijfhoren.

2.6 SPECIFIEKE ZORGPLICHT In de Omgevingswet is voor alle natuuractiviteiten (Natura2000, houtopstanden en flora en fauna) een specifieke zorgplicht van toepassing. Deze specifieke zorgplicht is van toepassing bij alle activiteiten die effecten kunnen hebben op natuurwaarden, als men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Bij het artikel in het Bal over een specifieke zorgplicht staat een verplichting in drie stappen. Degene die een activiteit verricht is verplicht:

LANECO 22

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

•

Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen.

•

Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

•

Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. (IPLO, 2024)

Naast het voorkomen van onnodig lijden (artikel 11.28, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), zijn maatregelen nodig om soorten te beschermen, maar ook om effecten op die soorten ongedaan te maken. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten; waarbij onder andere ‘Rode Lijst soorten’ specifiek worden benoemd. In deze quickscan is voor het onderdeel flora- en fauna-activiteiten daarom, op basis van verspreidingsgegevens uit de NDFF en BESI, nagegaan of er in en direct nabij het plangebied soorten te verwachten zijn van onder andere de Rode lijsten. Vervolgens is op basis van de aangetroffen biotopen, nagegaan of deze soorten binnen het plangebied kunnen voorkomen. Omdat vrijwel overal flora en fauna aanwezig is, is gefocust op het voorkomen van doden en verwonden en op het in de nieuwe situatie opnieuw creëren van leefgebied voor de zeldzamere ‘Rode lijst soorten’ die mogelijk negatief door de ingreep worden beïnvloed. Het plangebied bestaat uit een agrarisch landschap omsloten door watergangen en een aantal solitaire bomen en bomenrijen. De gemeente Waddinxveen is voornemens om de percelen om te vormen naar een natuur- en recreatiegebied.

Bij de inrichting van het nieuwe natuur- en recreatiegebied is het belangrijk om de bestaande habitats te behouden waarbij valt te denken aan structuurrijke watergangen, graslanden, bomenrijen, solitaire bomen, laagtes en verruigde kruidenrijke terreinen. Met behoud van deze habitats in het nieuwe inrichtingsplan worden permanente negatieve effecten op Rode lijst soorten niet verwacht.

LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

23

3

CONCLUSIE Het plangebied ‘Park Vredenburg fase 3’ ligt in Waddinxveen, in de gelijknamige gemeente Waddinxveen (provincie Zuid-Holland). Het plangebied bestaat uit bestaat uit onder andere agrarische percelen met omliggende sloten en bebouwde percelen. De gemeente Waddinxveen is voornemens om een aantal percelen ten westen van de bebouwde kom van Waddinxveen om te vormen naar een natuur- en recreatiegebied. Voordat

werkzaamheden

plaatsvinden,

dienen

de

gevolgen

voor

beschermde

natuurwaarden en de consequenties met betrekking tot de natuur wet- en regelgeving in beeld te zijn gebracht.

3.1 NATUURNETWERK NEDERLAND Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 270 meter afstand van het plangebied. Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Negatieve effecten op het NNN-gebied worden uitgesloten. 3.1.1 Overige beleidskaders Er zijn geen andere beleidskaders uit het Natuurbeheerplan (NBP) van toepassing in het plangebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er in het kader van het NBP dan ook geen consequenties te verwachten.

3.2 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL NATURA2000-ACTIVITEITEN Het plangebied ligt op ongeveer 7,8 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ (Atlas voor de leefomgeving, 2024). Door de voorgenomen ingreep gaat geen oppervlakte aan Natura 2000-gebied verloren. De bestemming van het plangebied en mogelijk de gebruiksintensiteit wijzigen als gevolg van de ontwikkeling. De geplande ontwikkeling kan hiermee leiden tot een dermate verhoogde verkeersintensiteit dat effecten kan worden verwacht op Natura 2000-gebieden. In de bouwfase kan de uitstoot tijdelijk verhoogd zijn met mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Een AERIUS berekening is volgens het meest recente stikstofbesluit, nodig om dit definitief te bepalen voor de diverse planfasen tenzij middels een voortoets negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

LANECO 24

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

3.3 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN Het plangebied ligt buiten de bebouwingscontour houtkap en daarmee binnen het toepassingsgebied

voor

de

bescherming

van

houtopstanden.

Het

onderdeel

houtopstanden van de Omgevingswet is hier om die reden van toepassing. Indien er tot het verwijderen van bomen wordt overgegaan dient rekening te worden gehouden met de bepalingen uit de omgevingswet ten aanzien van het kappen en/of vellen van bomen uit een houtopstand.

3.4 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL FLORA- EN FAUNA-ACTIVITEITEN In het kader van de Omgevingswet moet worden nagegaan of vaste rust- en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van soorten door de ingreep worden aangetast. Voor een aantal soorten die in de omgeving en mogelijk in het plangebied voorkomen zoals muizen, bruine kikker en gewone pad geldt provinciale vrijstelling voor aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen. Binnen het plangebied kunnen een aantal nationaal en Europees beschermde soorten voorkomen,

waarvoor

voor

aantasting

van

rust-

en

verblijfplaatsen

een

omgevingsvergunning nodig is in het kader van de Omgevingswet. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van de individuele diersoorten zijn de volgende soorten niet uit te sluiten binnen het plangebied: Waterspitsmuis Wanneer binnen twee meter van de structuurrijke oevers van de sloten in het zuidoostelijke deel van plangebied deel 2 (zie Figuur 7) ingrepen worden uitgevoerd, kunnen negatieve effecten voor waterspitsmuis niet worden uitgesloten.

Figuur 7: Structuurrijke sloten (gele stippellijn) met zuidoostelijke deel plangebied deel 2 (PDOK, 2024).

LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

25

Vleermuizen Indien er bij de voorgenomen ontwikkeling gebouwen en/of bomen worden gekapt is een nadere inspectie naar mogelijke holtes, spleten en invliegopeningen noodzakelijk met mogelijk vervolgonderzoek naar verblijfplaatsen van gebouw bewonende en/of boombewonende vleermuizen noodzakelijk. Als er bij de voorgenomen ontwikkelingen bomenrijen (Figuur 8) en watergangen (Figuur 9) worden gedempt of meer lichtuitstraling ondervinden welke zijn aangeduid als mogelijk essentieel leefgebied voor vleermuizen, is nader onderzoek naar vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen noodzakelijk.

Figuur 8: Essentiële bomenrij (gele stippellijn) voor leefgebied vleermuizen (PDOK, 2024).

Figuur 9: Essentiële watergangen (gele stippellijn) voor leefgebied vleermuizen (PDOK, 2024).

LANECO 26

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

Steenuil De aanwezigheid van essentieel leefgebied voor de steenuil kan niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk om de functie van het plangebied voor deze soort aan te tonen. Huismus en gierzwaluw Indien gebouwen worden gesloopt of verstorende werkzaamheden in de nabije omgeving van de gebouwen worden uitgevoerd, is nader onderzoek naar huismus en gierzwaluw noodzakelijk. Indien gebouwen behouden blijven in de voorgenomen ontwikkeling, kunnen negatief effecten op huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. Heikikker, ringslang en rugstreeppad Negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op heikikker, ringslang en rugstreeppad zijn niet uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk in de structuurrijke watergangen (Figuur 7). Daarnaast zijn er tijdelijke maatregelen nodig tijdens de realisatie om negatieve effecten op rugstreeppad te voorkomen. Grote modderkruiper en platte schijfhoren Negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op grote modderkruiper zijn niet uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soort is noodzakelijk in de structuurrijke watergangen (Figuur 7). Overige soorten Een algemene voorwaarde is dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal begin februari tot half juli) plaatsvinden om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen.

Alleen op basis van gericht onderzoek door een ecoloog (naar broedende vogels), mag van deze voorwaarde worden afgeweken. Van de overige in de omgeving voorkomende (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde diersoorten worden geen verblijfplaatsen of belangrijke onderdelen van het leefgebied verwacht in het plangebied.

LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

27

3.5 CONSEQUENTIES 3.5.1 Nader onderzoek flora- en fauna-activiteit Aantasting van essentieel leefgebied en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van in de Omgevingswet beschermde soorten, kan niet worden uitgesloten zonder de volgende nader onderzoeken. •

Waterspitsmuis: Omgevingswet, Nationaal beschermd. Nader onderzoek met Lifetraps in het najaar.

•

Steenuil:

Omgevingswet,

Vogelrichtlijn.

Nader

onderzoek

door

drie

onderzoeksrondes in het voorjaar. •

Heikikker: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek door meerdere rondes in het voorjaar en de zomer.

•

Ringslang:

Omgevingswet,

Habitatrichtlijn.

Nader

onderzoek

met

vijf

onderzoeksrondes tussen april en september. •

Rugstreeppad: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek met drie onderzoeksrondes tussen half april en mei.

• Slopen gebouwen Indien gebouwen worden gesloopt kan aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van in de Omgevingswet beschermde soorten, niet worden uitgesloten zonder de volgende nader onderzoeken. •

Vleermuizen: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek met drie onderzoeksrondes in de periode 15 mei tot 15 juli en drie onderzoeksrondes in de periode 15 augustus tot 1 oktober.

•

Huismus:

Omgevingswet,

Vogelrichtlijn.

Nader

onderzoek

met

twee

met

drie

onderzoeken 1 april en 15 mei. •

Gierzwaluw:

Omgevingswet,

Vogelrichtlijn.

Nader

onderzoek

onderzoeken tussen 1 juni en 15 juli. Kappen bomen en/of dempen watergangen Indien bomen worden gekapt en/of brede watergangen worden gedempt kan essentieel leefgebied van in de Omgevingswet beschermde soorten niet worden uitgesloten zonder de volgende nader onderzoeken. •

Vleermuizen: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen met twee onderzoeksrondes in de periode 15 april tot 1 oktober.

•

Platte schijfhoren: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek met behulp van eDNA-onderzoek tussen april en mei.

•

Grote modderkruiper: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek met behulp van eDNA-onderzoek tussen april en mei.

LANECO 28

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

3.5.2 Nader onderzoek gebiedsbescherming Een stikstofberekening is noodzakelijk om inzicht te geven over de stikstofemissie als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling en de depositie op Natura 2000-gebieden. De berekening moet worden uitgevoerd middels de AERIUS Calculator.

3.6 ALGEMENE VOORWAARDEN Twee algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming zijn altijd van toepassing: •

De start van werkzaamheden dient buiten het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) plaats te vinden om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen. Alleen op basis van gericht onderzoek (naar broedende vogels), mag van deze voorwaarde worden afgeweken.

•

Op

basis van

de

(specifieke)

zorgplicht

dient bij

de

uitvoering

van de

werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Verstoring moet worden beperkt en dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: o

graafwerkzaamheden te starten buiten het voortplantingsseizoen (april -

o

het beperken van verlichting tijdens de avonduren ten behoeve van

augustus) en het winter(slaap)seizoen (november - februari); vleermuizen en andere nachtdieren of te werken met vleermuisvriendelijke armaturen. o

Rekening houden met zonnende ringslangen op het zand of langs bermen. Als blijkt dat er ringslangen aan het opwarmen zijn in het plangebied, dan zal een ecoloog ingeschakeld moeten worden. De ecoloog zal adviseren welke stappen nodig zijn. Veelal betekent dit tijdelijk een locatie afzetten, totdat de soort uit zichzelf weggaat.

o

Voorkomen dat de oeverzwaluw in het werkgebied broedt door geen steile taluds tijdens een dag werken achter te laten en in periode van afwezigheid (flauwe) taluds af te dekken in de periode april tot en met augustus.

•

Bovengenoemde

werkzaamheden

borgen

door

middel

van

een

ecologisch

werkprotocol en ecologische begeleiding.

3.7 AANBEVELINGEN NATUURINCLUSIEF ONTWERPEN Er zijn vanuit ecologisch oogpunt aanbevelingen te doen ten aanzien van de inrichting: •

Bij het aanbrengen van beplanting wordt aanbevolen om gebruik te maken van inheemse bes- en bloemdragende bomen, struiken en planten zoals: zwarte els (Alnus glutinosa), zomerlinde (Tilia platyphyllos), winterlinde (Tilia cordata), zomereik (Quercus robur), zoete kers (Prunus avium), vuilboom (Rhamnus frangula), gewone vogelkers (Prunus padus), Gelderse roos (Viburnum opulus), wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), lijsterbes (Sorbus aucuparia),

LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

29

hazelaar (Corylus avellana), heggenroos (Rosa corymbifera), hondsroos (Rosa canina),

sleedoorn

(Prunus

spinoza)

en

eenstijlige

meidoorn

(Crataegus

monogyna); •

Gebruik bij de inrichting voor nieuwe verlichting gebundelde en naar beneden gerichte armaturen die niet uitstralen naar de omgeving.

•

Nieuwbouw kan geschikt worden gemaakt voor vleermuizen door: o

het gebruik van inbouwstenen speciaal voor vleermuizen;

o

door op een hoogte van 2,5 meter en hoger in muren in verschillende windrichtingen (voorkeur voor zuidgerichte zijden) open stootvoegen van 2 cm bij 5 cm breed aan te brengen;

o

het creëren van 2 cm ruimte achter houten gevelbetimmering of het aanbrengen van kierende planken;

o

Het ontsluiten van de tussenspouw tussen woningen/appartementen voor vleermuizen.

•

Realiseer groenstructuren in de wijk (tuinen, plantsoenen, parken, bermen, oevers, lanen, grachten en kanalen). Via deze structuren bewegen vleermuizen zich tussen verblijfplaatsen, jachtgebieden, winter- en zomergebieden.

•

Nieuwbouw kan ook geschikt worden gemaakt voor huismus en gierzwaluw door bijvoorbeeld: o

het plaatsen van gevelkasten;

o

het twee pannen hoger plaatsen van vogelschroot;

o

het laten oversteken van de nokpannen en het opruwen van de windveren onder de nokpannen.

•

Het realiseren van groene gevels en daken zorgt voor extra groen, zonder daar oppervlakte voor in te leveren.

•

Leg natuurvriendelijke oevers aan met een aflopende oever of gebruik alternatieve natuurlijke oeverbeschoeiing.

•

Pas halfbestrating toe op plaatsen die minder intensief gebruikt worden, zoals parkeerplaatsen.

LANECO 30

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER 1.1

NATUURNETWERK NEDERLAND Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een onderdeel van het natuurbeleid en heeft als doel het behoud van biodiversiteit. Gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van NNN vormen een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland. Per NNN-gebied zijn natuurdoelen vastgelegd in het ruimtelijke provinciale beleid, waarmee rekening gehouden moet worden bij planologische ontwikkelingen. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat activiteiten niet strijdig mogen zijn met de natuurdoelen.

1.1.1 Overige beleidskaders Naast het NNN kunnen ook andere provinciale en gemeentelijke beleidskaders van toepassing zijn in het plangebied. Ook deze beleidskaders zijn niet verankerd in natuurwetgeving, maar dienen wel een rol te spelen in de planologische afweging. 1.2

OMGEVINGSWET

1.1.2 Onderdeel gebiedsbescherming – Natura 2000 Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn worden aangemerkt als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van Natura 2000. De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Omgevingswet die per 1 januari 2024 van kracht is. Het is verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 1.1.3 Onderdeel houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte bos- en houtopstanden in Nederland in stand te houden. Kort gezegd, alles wat bos is, moet bos blijven. Indien een houtopstand onder de Omgevingswet valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan. Ook verplicht de Omgevingswet om de betreffende grond binnen drie jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als bos definitief gekapt wordt, zal een vergunning of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden.

De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Omgevingswet als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:

LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

31

•

buiten ‘de bebouwingscontour houtkap’ liggen;

•

een oppervlakte hebben van 10 are of meer;

•

rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen.

1.1.4 Onderdeel soortenbescherming Wettelijk kader Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is de Omgevingswet bepalend. De Omgevingswet is gericht op het duurzaam in stand houden van natuurlijke habitats en wilde

flora

en

fauna

in

hun

natuurlijke

leefomgeving.

Deze

wet

heeft

de

beschermingsregels, zoals die ook in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn opgenomen, overgenomen en voor de Nederlandse situatie toegepast. Deze bescherming is, afhankelijk van het beschermingsregime, als volgt in de Omgevingswet opgenomen: Vogelrichtlijn •

Artikel 11.37 lid 1 Bal: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

•

Artikel 11.38 lid 1 Bal: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

•

Artikel 11.37 lid 1 Bal: Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

•

Artikel 11.37 lid 1 en 3 Bal: Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Habitatrichtlijn, Bern bijlage II, Bonn bijlage I •

Artikel

11.46

lid

1

Bal:

Het

is

verboden

soorten

in

hun

natuurlijke

verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. •

Artikel 11.46 lid 1 Bal: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

•

Artikel 11.46 lid 1 Bal: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

•

Artikel 11.46 lid 1 Bal: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

•

Artikel 11.46 lid 1 Bal: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Nationaal beschermde soorten •

Artikel 11.54 lid 1 Bal: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

•

Artikel 11.54 lid 1 Bal: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

LANECO 32

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

•

Artikel 11.54 lid 1 Bal: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Procedurele gevolgen De procedurele consequenties zijn afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden

beïnvloed.

Kortweg

kunnen

er

drie

beschermingsregimes

worden

onderscheiden: •

Soorten van de Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

•

Soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn: Dit zijn alle soorten in onderdeel A van bijlage IV van de Habitatrichtlijn inclusief bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.

•

Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Omgevingswet. Het betreft hier de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

Een project kan in strijd zijn met de Omgevingswet wanneer een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. Omgevingsvergunningen

worden

slechts

verleend

wanneer

er

geen

andere

bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Wettelijke belangen Om een omgevingsvergunning te krijgen voor soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn moet worden voldaan aan een van de volgende belangen: •

Ter bescherming van de wilde flora en fauna en instandhouding van natuurlijke habitats.

•

Wanneer de volksgezondheid en/of de openbare veiligheid in het geding is.

•

Andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Om een omgevingsvergunning te krijgen voor soorten van de Vogelrichtlijn moet worden voldaan aan een van de volgende belangen: •

Wanneer de volksgezondheid en/of de openbare veiligheid in het geding is.

•

Wanneer de veiligheid van het luchtverkeer in het geding is.

LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

33

•

Ter bescherming van flora en fauna.

Voor nationaal beschermde soorten geldt: •

LANECO 34

Er is sprake van een bij de wet genoemd belang.

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

BIJLAGE 2 LITERATUURLIJST Literatuur Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J. & Buys, J.C. (redactie). (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur in Nederland 12. Leiden, Nederland: Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden. Creemers, R.C.M. & Van Delft, J.J.C.W. (redactie). (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Leiden, Nederland: Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey-Nederland. De Wild, W.W., Brekelmans, F.L.A., Van Emmerik, W.A.M. & Spier, J.L. (2016). Atlas van Amfibieën en Reptielen. Utrecht, Nederland: RAVON. Limpens, H., Mosterd, K. en Bongers, W. (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht, Nederland: KNNV Uitgeverij. Bouwnes, S. (2017), Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. ’sHertogenbosch, Nederland: Zoogdiervereniging. Websites BIJ12 (2021), Kennisdocument Grote modderkruiper Misgurnus fossilis. Geraadpleegd in januari 2024 van https://www.bij12.nl/wpcontent/uploads/2021/10/Kennisdocument-Grote-modderkruiper-Misgurnus-fossilisVersie-2.0-oktober-2021.pdf BIJ12 (2022), Kennisdocument Huismus Passer domesticus.

Geraadpleegd in januari 2024 van https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/02/KennisdocumentHuismus-versie-2.1-februari-2023.pdf Nationale Databank Flora en Fauna (2023), Uitvoerportaal. Kaart. Geraadpleegd in januari 2024 van https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul NDFF & RAVON (2023), NDFF Verspreidingsatlas Amfibieën. Geraadpleegd in januari 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/amfibieen NDFF & RAVON (2023), NDFF Verspreidingsatlas Reptielen. Geraadpleegd in januari 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/reptielen NDFF & VAATPLANTEN (2023), NDFF Verspreidingsatlas Vaatplanten. Geraadpleegd in januari 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/planten NDFF & ZOOGDIEREN (2023), NDFF Verspreidingsatlas Zoogdieren. Geraadpleegd in januari 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren

LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15153769/2