CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Vredenburghzone Bijlagen bij de toelichting 1

Besluitvormende raadsvergadering 12 oktober 2022, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: RV.RB. Vaststellen bestemmingsplan Vredenburghzone25.058 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

QuickScan Wet natuurbescherming Nieuwe Randweg Waddinxveen | 1 | 20220797/rap01

19 van 29

GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN 5.3.1 EFFECTEN

Het plangebied is geschikt voor waterspitsmuis. Door het aanleggen van de grondwal, kunnen aanwezige waterspitsmuizen worden verstoord, verwond of gedood. Tevens kunnen holen van waterspitsmuis vernietigd worden. Dit is een overtreding van de Wnb. 5.3.2 MAATREGELEN

Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid waterspitsmuis. Wanneer de soort aanwezig is zijn maatregelen en mogelijk een ontheffing op de Wnb noodzakelijk.

AMFIBIEËN 5.4.1 EFFECTEN

Het plangebied vormt geschikt voortplantingsbiotoop en winterhabitat voor rugstreeppad. Door het aanleggen van de grondwal gaat wel (tijdelijk) leefgebied van rugstreeppad verloren en kunnen aanwezige individuen mogelijk verwond raken of gedood worden. Dit is een overtreding op de Wnb. 5.4.2 MAATREGELEN

Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van rugstreeppad. Wanneer de soort aanwezig is zijn maatregelen en mogelijk een ontheffing op de Wnb noodzakelijk.

REPTIELEN 5.5.1 EFFECTEN

Het plangebied is geschikt als (mogelijk essentieel) leefgebied voor ringslang, maar niet als voortplantingsgebied. Bij het aanleggen van de grondwal gaat (tijdelijk) leefgebied verloren. Ook kunnen aanwezige individuen bij de werkzaamheden verwond of gedood worden. Dit is een overtreding op de Wnb. 5.5.2 MAATREGELEN

Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid ringslang. Wanneer de soort aanwezig is zijn maatregelen en mogelijk een ontheffing op de Wnb noodzakelijk.

VISSEN 5.6.1 EFFECTEN

De watergangen aan de rand van het plangebied zijn geschikt als voortplantingsgebied voor grote modderkruiper. Er is geen winterhabitat aanwezig. De watergangen blijven ongemoeid, er zijn voldoende alternatieve watergangen met geschikt voortplantingsbiotoop in de omgeving aanwezig, er gaat geen habitat verloren en er is geen risico op het verwonden/doden van grote modderkruiper. Eventuele verstoring door geluid en trillingen op aanwezige individuen, vormt door de diverse geschikte alternatieve wateren in de omgeving geen overtreding op de Wnb.

QuickScan Wet natuurbescherming Nieuwe Randweg Waddinxveen | 1 | 20220797/rap01

20 van 29

5.6.2 MAATREGELEN

Doordat negatieve effecten op grote modderkruiper op voorhand zijn uitgesloten, zijn er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk.

ONGEWERVELDEN 5.7.1 EFFECTEN

De platte schijfhoren is mogelijk aanwezig in de watergangen van het plangebied. Bij het aanleggen van de grondwal blijven de watergangen ongemoeid, waardoor een effect op platte schijfhoren is uitgesloten. Er is derhalve geen sprake van een overtreding op de Wnb. 5.7.2 MAATREGELEN

Doordat negatieve effecten op platte schijfhoren op voorhand zijn uitgesloten, zijn er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk.

AANVULLENDE MAATREGELEN (T.A.V. ZORGPLICHT EN PIONIERSOORTEN) Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht, art. 1.11 van de Wet natuurbescherming) te garanderen, zijn de volgende maatregelen geformuleerd: • • •

Aanwezige flora en fauna binnen het plangebied zoveel mogelijk behouden en/of verplaatsen; Bied eventueel aanwezige dieren de gelegenheid om te vluchten. Werk hiervoor van één kant af in de richting van een veilige vluchtweg; Enkel bij daglicht werken om verstoring van nacht-actieve soorten (zoals vleermuizen) te voorkomen. Tevens geen (extra) kunstmatige verlichting plaatsen of deze uitschakelen gedurende de nacht.

Om tussentijdse vestiging van beschermde (pionier)soorten te voorkomen, zijn nog enkele aanvullende voorzorgsmaatregelen geformuleerd: • • •

•

Voorkomen dat er op het bouwterrein natte laagtes of bandensporen overblijven, dit is geschikt voortplantingsbiotoop voor de rugstreeppad; Vorming van grote zandhopen gedurende langer dan een week voorkomen; dit vormt geschikt landhabitat voor de rugstreeppad; Vorming van grote hopen snoeiafval/schoonsel van meer dan één meter hoog voorkomen, deze vormen geschikt voortplantingsbiotoop voor ringslang; Voorkomen dat er ten tijde van de werkzaamheden vogels van pioniersituaties gaan broeden. Hiertoe dient bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden gewerkt. Indien dit niet mogelijk is, dienen (vanaf de start van het broedseizoen) maatregelen te worden genomen om het terrein broedvrij te houden (gebruik van linten, regelmatige betreding door man met hond e.d.).

QuickScan Wet natuurbescherming Nieuwe Randweg Waddinxveen | 1 | 20220797/rap01

21 van 29

GEBIEDENBESCHERMING NATURA 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (zie Figuur 6), waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 8,5 km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein, zie Figuur 6) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht.

Figuur 6. Ligging plangebied (rood) ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein (groen). Bron: https://www.natura2000.nl/gebieden

Projecten kunnen (ook op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden) nadelige effecten hebben door toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Hierbij is van belang dat vanaf 1 juli 2021 de nieuwe Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) van kracht is. In deze nieuwe wet is een partiële vrijstelling voor de bouwsector van de natuurvergunningsplicht als bedoeld in artikel 2.7 van de Wnb opgenomen. Deze vrijstelling is partieel, omdat deze alleen geldt voor tijdelijke stikstofdemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (“aanlegfase”) en niet voor de structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk (“gebruiksfase”). Bovenstaande betekent dat voor aanlegfases die wél stikstofdepositie veroorzaken op een Natura 2000-gebied een beroep gedaan kan worden op de partiële vrijstelling en geen vergunning meer nodig is. Dit betekent dat een stikstofdepositieberekening van de aanlegfase onder de Wsn niet verplicht is. Een berekening van de gebruiksfase is (bij stikstofemitterende bronnen in de gebruiksfase) te allen tijde noodzakelijk. Een toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jr in de gebruiksfase vraagt om een nadere ecologische beoordeling van de gevolgen.

Op basis van bovenstaande is een Natura 2000-voortoets en een stikstofberekening (bijvoorbeeld middels gebruik van AERIUS) voor de werkzaamheden niet van toepassing. De noodzaak van een stikstofdepositieberekening is afhankelijk van het beoogde gebruik van het beoogde recreatiegebied en wordt op een later moment bepaald. Derhalve vormt een AERIUS-berekening geen onderdeel van dit rapport.

QuickScan Wet natuurbescherming Nieuwe Randweg Waddinxveen | 1 | 20220797/rap01

22 van 29

PLANOLOGISCHE GEBIEDSBESCHERMING Het plangebied ligt niet in het NNN (dichtstbijzijnde op circa 100 meter, zie Figuur 7) en valt ook niet onder gebieden die zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied (dichtstbijzijnde op circa 2,1 kilometer). Doordat het plangebied buiten deze gebieden ligt en de provincie Zuid-Holland geen externe werking kent, is toetsing aan de planologische gebiedsbescherming niet van toepassing.

Figuur 7.

Globale ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het NNN (donker groen en paars) en belangrijk weidevogelgebied (licht groen). Bron: https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.

QuickScan Wet natuurbescherming Nieuwe Randweg Waddinxveen | 1 | 20220797/rap01

23 van 29

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN SOORTENBESCHERMING Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming worden beantwoord: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? Waterspitsmuis, rugstreeppad, ringslang, grote modderkruiper, platte schijfhoren en diverse algemene broedvogels. S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? Er gaat geschikt habitat verloren en er worden mogelijk dieren/nesten verstoord, verwond/beschadigd of gedood/vernietigd. S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? Er is nader onderzoek noodzakelijk naar waterspitsmuis, rugstreeppad en ringslang. S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? In Tabel 2 zijn de benodigde voorzorgsmaatregelen opgenomen. Voor de volledigheid is aan deze tabel tevens de eventuele noodzaak van aanvullend ecologisch onderzoek opgenomen. S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Bij aanwezigheid en het niet kunnen ontzien van beschermde soorten, dienen mitigerende en compenserende maatregelen te worden uitgevoerd en is een ontheffing op de Wnb noodzakelijk.

QuickScan Wet natuurbescherming Nieuwe Randweg Waddinxveen | 1 | 20220797/rap01

24 van 29

Tabel 2

Overzicht benodigde voorzorgsmaatregelen.

(Mogelijk) aanwezige soort(groep)en

Benodigde voorzorgsmaatregelen t.a.v. soorten met aanvullend beschermingsregime (art. 3.1, 3.5 en 3.10) -

Algemene broedvogels Grondgebonden zoogdieren

-

Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien de werkzaamheden in het globale broedseizoen uitgevoerd dienen te worden: o voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen de beplanting binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden rooien. Voorafgaand aan het rooien dient men contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen; o als de beplanting binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden niet kan worden gerooid buiten het broedseizoen: voorafgaande aan het werk een broedvogelcontrole uitvoeren en tijdens de werkzaamheden ontzien. Het kan noodzakelijk zijn om gedurende de werkzaamheden periodiek controles uit te voeren op broedgevallen van vogels in plaats van een éénmalige controle. Hopen snoeiafval en puin meteen verwijderen of in een container plaatsen om te voorkomen dat vogels hierin nesten gaan bouwen. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid waterspitsmuis. Wanneer de soort aanwezig is zijn maatregelen en mogelijk een ontheffing op de Wnb noodzakelijk.

- Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid rugstreeppad. Amfibieën

Reptielen Vissen Ongewervelden

Wanneer de soort aanwezig is zijn maatregelen en mogelijk een ontheffing op de Wnb noodzakelijk.

- Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid ringslang. Wanneer de -

soort aanwezig is zijn maatregelen en mogelijk een ontheffing op de Wnb noodzakelijk. Doordat negatieve effecten op grote modderkruiper op voorhand zijn uitgesloten, zijn er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Doordat negatieve effecten op platte schijfhoren op voorhand zijn uitgesloten, zijn er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk.

Aanvullende voorzorgsmaatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) -

Aanwezige flora en fauna binnen het plangebied zoveel mogelijk behouden en/of verplaatsen; Bied eventueel aanwezige dieren de gelegenheid om te vluchten. Werk hiervoor van één kant af in de richting van een veilige vluchtweg; Enkel bij daglicht werken. Tevens geen (extra) kunstmatige verlichting plaatsen of deze uitschakelen gedurende de nacht; Voorkomen dat er op het bouwterrein natte laagtes of bandensporen overblijven; Vorming van grote zandhopen gedurende langer dan een week voorkomen; Vorming van grote hopen snoeiafval/schoonsel van meer dan één meter hoog voorkomen; Voorkomen dat er ten tijde van de werkzaamheden vogels van pioniersituaties gaan broeden. Hiertoe dient bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden gewerkt. Indien dit niet mogelijk is, dienen (vanaf de start van het broedseizoen) maatregelen te worden genomen om het terrein broedvrij te houden (gebruik van linten, regelmatige betreding door man met hond e.d.).

QuickScan Wet natuurbescherming Nieuwe Randweg Waddinxveen | 1 | 20220797/rap01

25 van 29

GEBIEDENBESCHERMING Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming worden beantwoord: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied, binnen het NNN of binnen een belangrijk weidevogelgebied? Nee, het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 8,5 kilometer afstand, het dichtstbijzijnde NNNgebied op 100 meter en het dichtstbijzijnde belangrijk weidevogelgebied op 2,1 kilometer afstand. G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? Voor de werkzaamheden kunnen negatieve effecten bij voorbaat worden uitgesloten. Echter, extra stikstofdepositie in de gebruiksfase is afhankelijk van het beoogde gebruik van het beoogde recreatiegebied en wordt op een later moment bepaald. G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk? Er is mogelijk een stikstofdepositie berekening noodzakelijk, afhankelijk van het beoogde gebruik van de van het recreatiegebied. De noodzaak van deze berekening wordt op een later moment bepaald en vormt derhalve geen onderdeel van dit rapport.

QuickScan Wet natuurbescherming Nieuwe Randweg Waddinxveen | 1 | 20220797/rap01

26 van 29

Bijlage 4 Quickscan deelgebied 2

88/119 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

Quick scan flora en fauna

Vredenburghzone te Waddinxveen

In opdracht van: C.V. Park Triangel 16 februari 2021

Colofon © 2021 Laneco / C.V. Park Triangel Tekst en samenstelling: I. Brandsma BSc. Tweede lezers:

Drs. W. Grobben en R. Eversteijn

Projectnummer:

06.20.26

In opdracht van:

C.V. Park Triangel

Wijze van citeren:

Brandsma, I. (2021). Quick scan flora en fauna Vredenburghzone te Waddinxveen. Ede, Nederland: Laneco.

Laneco is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologisch advies en onderzoek.

Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd, gewijzigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Laneco. Noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. Laneco is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Laneco. De opdrachtgever vrijwaart Laneco voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

INHOUD 1

INLEIDING .................................................................................................... 4

1.1 1.2 2

GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN ................................................................................... 5

TOETSING ...................................................................................................... 8

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 3

AANLEIDING ................................................................................................................................. 4

ONDERZOEKSMETHODIEK ................................................................................................................ 8 NATUURNETWERK NEDERLAND ........................................................................................................ 8 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING .......................................................... 9 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN ................................................................ 9 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING ...................................................... 10

CONCLUSIE .................................................................................................. 19

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

NATUURNETWERK NEDERLAND ...................................................................................................... 19 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING ........................................................ 19 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN .............................................................. 19 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING ...................................................... 20 ALGEMENE VOORWAARDEN .......................................................................................................... 21 AANBEVELINGEN NATUURINCLUSIEF ONTWERPEN .............................................................................. 21

BIJLAGE 1

WETTELIJK KADER ...................................................................... 22

BIJLAGE 2

LITERATUURLIJST....................................................................... 26

1

INLEIDING 1.1 AANLEIDING Het plangebied ‘Vredenburghzone’ ligt aan de Zuidelijke Rondweg te Waddinxveen, in de gelijknamige gemeente Waddinxveen (provincie Zuid-Holland). Het huidige terrein is deels ingericht als wandel- en hondenuitlaatgebied en deels als agrarisch grasland. Men is voornemens om het plangebied om te vormen naar een natuurgebied met extensieve recreatie en wateropvang. Dit gebied wordt aangelegd ter compensatie van de geplande werkzaamheden die worden verricht op het noordelijker gelegen plangebied ‘De Triangel’ (Brandsma, 2021). In opdracht van C.V. Park Triangel heeft Laneco de beoogde herinrichting getoetst aan de Wet natuurbescherming en een quick scan flora en fauna uitgevoerd. In deze quick scan zijn de geschiktheid van het habitat voor beschermde planten- en diersoorten en de verwachte effecten op deze soorten beoordeeld op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een eenmalige veldverkenning. Dit

resulteert

in

conclusies

en

aanbevelingen

ten

aanzien

van

mogelijke

vervolgprocedures in het kader van de Wet natuurbescherming en natuurbeleid.

1

2

Afbeelding 1: Globale ligging van het plangebied (rode contour) met het wandel- en hondenuitlaatgebied (1) en het agrarisch grasland (2) (bron: Google Maps, 2020).

LANECO 4

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quick scan flora en fauna Vredenburghzone te Waddinxveen

1.2 GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN Het plangebied ‘Vredenburghzone’ ligt aan de zuidzijde van de plaats Waddinxveen (provincie Zuid-Holland) en omvat een wandel- en hondenuitlaatgebied en enkele agrarische graslanden. Ten noorden van het plangebied, aan de andere zijde van de Zuidelijke Rondweg, ligt een braakliggend terrein en een nieuwe woonwijk, daarachter bevindt zich de woonwijk ’Park Triangel’. Ten zuiden van het plangebied loopt de snelweg A12 met de afritten naar de provinciale weg N451 en het achterliggende industrieterrein ‘Distripark Doelwijk’. Tussen het plangebied en de A12 liggen agrarische graslanden, een boomkwekerij,

het

terrein

van

een

afvalverwerkingsbedrijf,

de

parallelweg

‘Moerkappellepad’ en de provinciale weg N451. Ten oosten van het plangebied loopt een spoorlijn

met

daarachter

bedrijvenpark

‘Coenecoop’

en

ten

westen

ligt

een

afvalbrengstation en staan langs de Tweede Bloksweg verschillende (agrarische) bedrijven en enkele woningen. Het plangebied bestaat uit twee delen, waarvan één deel is ingericht als wandel- en hondenuitlaatgebied en het andere deel in gebruik is als agrarisch grasland. Het wandelen hondenuitlaatgebied bestaat uit laag gelegen watergangen omzoomd met riet en hoger gelegen dijken met grassen (de wandelpaden). In het gebied staan enkele bosjes met jonge aanplant van boomsoorten als zwarte els (Alnus glutinosa), es (Fraxinus excelsior), wilg (Salix sp.) en eik (Quercus sp.). De bosjes zijn dicht beplant waardoor er weinig onderbegroeiing is van struiken of bosschages. De huidige onderbegroeiing bestaat voornamelijk uit grassen en kruidachtige planten zoals fluitenkruid (Anthriscus sylvestris), gewoon speenkruid (Ficaria verna), duizendblad (Achillea millefolium) en koolzaad/raapzaad (Brassica napus/Brassica rapa). Hier en daar staat gewone braam (Rubus fruticosus) en een enkele roos (Rosa sp.). De oevers van de twee noordelijk gelegen watergangen zijn natuurlijk aflopend en begroeid met riet. Op enkele plaatsen langs de oever zijn kale openingen waar bijvoorbeeld honden het water kunnen betreden. De oevers van de breedste watergang – aan de zuidzijde van het gebied – zijn daarentegen diep ingesneden en het verschil met de hoger gelegen dijk is ruim 1 meter.

Deze oevers zijn vooral voorzien van grassige vegetatie en in minder mate riet. Het wandel- en hondenuitlaatgebied wordt aan de oost-, zuid- en westzijde middels sloten gescheiden van de omliggende graslanden. Ten oosten van het wandel- en hondenuitlaatgebied ligt het andere deel van het plangebied, dat in gebruik is als agrarisch grasland. Het gebied bestaat uit drie percelen met agrarisch grasland die middels sloten van elkaar gescheiden zijn. Ook rondom de percelen liggen sloten. De oevers zijn schuin aflopen en langs de randen groeit riet en grassige vegetatie. Ten zuiden grenst de provinciale weg N451 aan dit gebied. Men is voornemens het plangebied om te vormen naar een natuurzone. Het wandel- en hondenuitlaatgebied (deel 1, afbeelding 1) zal worden omgevormd naar extensief

LAN ECO Quick scan flora en fauna Vredenburghzone te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

5

wandelgebied met wandelpaden, waarbij het hondenuitlaatgebied verdwijnt. De bestaande bosjes worden uitgedund, vervangen of aangevuld met struiken en bosschages, waarmee een groenstructuur wordt gecreëerd voor flora en fauna. De watergangen blijven behouden en worden verlengd met omliggende watergangen. Het agrarische grasland (deel 2, afbeelding 1) wordt omgevormd tot een nat natuurgebied met waterberging dat niet toegankelijk zal zijn voor recreatie. De watergangen worden ingericht met natuurvriendelijke oevers, plasbermen met rietkragen en diepere delen. Door te variëren met de waterdiepte ontstaan zones met waterplanten en zones waar het water diep genoeg is voor het overwinteren van het aanwezige visbestand. Naast de aanpassing van de watergangen worden in dit deel ook bosjes met jonge aanplant en bosschages aangelegd en bloemrijk grasland gerealiseerd.

Afbeelding 2: Indruk van deel 1 van het plangebied. Het wandel- en hondenuitlaatgebied bestaande uit wandelpaden met grassige vegetatie, laaggelegen sloten en enkele bosjes of bomenrijen (foto’s Laneco, 2020).

LANECO 6

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quick scan flora en fauna Vredenburghzone te Waddinxveen

Afbeelding 3: Indruk van deel 2 van het plangebied. Het agrarische grasland bestaande uit drie percelen die middels sloten van elkaar gescheiden zijn (foto's Laneco, 2020)

LAN ECO Quick scan flora en fauna Vredenburghzone te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

7

2

TOETSING 2.1 ONDERZOEKSMETHODIEK Via de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF 2010 tot en met januari 2021) kan een indicatie worden verkregen van de beschikbaarheid van soortengegevens. De gegevens

geven

echter

alleen

een

indicatie.

Daarom

zijn

ook

andere

verspreidingsbronnen geraadpleegd (zie literatuurlijst in bijlage 2). De meeste gegevens betreffen relatief globale verspreidingsgegevens. De aanwezigheid van soorten in een gebied is bepaald bij een reikwijdte van 5 kilometer rondom het plangebied. Wanneer naar de directe omgeving wordt gerefereerd, betreft het een straal van circa 100 meter rondom het plangebied. Op 30 december 2020 heeft ecoloog I. Brandsma van Laneco het plangebied en de directe omgeving verkend. Het doel van het veldbezoek was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid van het habitat voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Dit veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie en geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.

2.2 NATUURNETWERK NEDERLAND Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op ongeveer 800 meter afstand van het plangebied en betreft een ecologische verbindingszone (Provincie Zuid-Holland, 2020). Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Gezien de afstand, de lokale aard van de ingreep en de voorgenomen omvorming tot een gebied met meer natuurwaarden, kunnen negatieve effecten op het NNN-gebied worden uitgesloten. 2.2.1 Overige beleidskaders Er zijn geen andere beleidskaders uit het Natuurbeleidsplan (NBP) van toepassing in het plangebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er in het kader van het NBP dan ook geen consequenties te verwachten.

LANECO 8

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quick scan flora en fauna Vredenburghzone te Waddinxveen

2.3 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING Het plangebied ligt op ongeveer 7 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ (Natura 2000, 2020). Door de voorgenomen ingreep gaat geen oppervlakte aan Natura 2000-gebied verloren. Door de omvang van de voorgenomen werkzaamheden, de voorgenomen omvorming van een gebied met natuurwaarden, de al aanwezige bedrijvigheid en de afstand tot het Natura

2000-gebied,

wordt

tijdens

de

aanleg-

en

gebruiksfase

geen

extra

stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied verwacht.

2.4 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN Met de voorgenomen plannen worden de bestaande bosjes in het plangebied mogelijk uitgedund, waarvoor enkele jonge bomen zullen worden gekapt. Omdat het plangebied buiten de grenzen van de bebouwde kom (Gemeente Waddinxveen, 2015) van Waddinxveen ligt, is het onderdeel houtopstanden van de Wet Natuurbescherming van toepassing (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2017). Wanneer bomen gekapt worden is het onderdeel houtopstanden van toepassing als: •

de te kappen bomen een oppervlakte hebben van 10 are of meer;

•

de te kappen bomen in rijbeplantingen staan die meer dan 20 bomen omvatten (gerekend over het totaal aantal rijen).

Als de te kappen bomen als houtopstand worden aangemerkt en deze geheel of gedeeltelijk wordt geveld, dient de opdrachtgever te voldoen aan de herplantplicht. Binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand dient de opdrachtgever op bosbouwkundig verantwoorde wijze dezelfde grond te herbeplanten. Wanneer de te kappen bomen niet als houtopstand worden aangemerkt, dient te worden voldaan aan de geldende regels omtrent het kappen van bomen vanuit de Gemeente Waddinxveen.

LAN ECO Quick scan flora en fauna Vredenburghzone te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

9

2.5 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING In het kader van de Wet natuurbescherming onderdeel soorten dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op (potentiële) verblijfplaatsen of (potentieel) leefgebied van beschermde planten en dieren. 2.5.1 Vaatplanten Beschermde soorten vaatplanten zijn over het algemeen gebonden aan specifieke standplaatsen in natuurgebieden, op schrale (graan)akkers of andere bijzondere groeiplaatsen. Het plangebied bestaat deels uit een door de mens aangelegd wandel- en hondenuitlaatgebied waar voornamelijk grassige vegetatie op de wandelpaden aanwezig is. De onderbegroeiing van de enkele bosjes in dit deel bestaan uit kruidachtige plantensoorten als fluitenkruid (Anthriscus sylvestris), gewoon speenkruid (Ficaria verna),

duizendblad

(Achillea

millefolium)

en

koolzaad/raapzaad

(Brassica

napus/Brassica rapa die voorkomen op voedselrijke gronden. Het andere deel van het plangebied bestaat uit agrarisch beheerd grasland, een sterk door de mens beïnvloed milieu. Aanwezigheid van beschermde soorten vaatplanten binnen het plangebied is uitgesloten. 2.5.2 Grondgebonden zoogdieren Om een goed beeld te krijgen van de te verwachten soorten grondgebonden zoogdieren zijn, de volgende bronnen geraadpleegd: Atlas van de Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen et al., 2016) en www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren (NDFF). Nationaal beschermde soorten met provinciale vrijstelling Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied kunnen verschillende nationaal beschermde zoogdiersoorten voorkomen, zoals egel (Erinaceus europaeus), ree (Capreolus capreolus) haas (Lepus europaeus), vos (Vulpes vulpes), kleine marterachtigen en verschillende algemeen voorkomende soorten muizen en spitsmuizen. Voor deze soorten geldt in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling een vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen, mits de zorgplicht in acht wordt genomen (zie bijlage 1).

Niet-vrijgestelde nationale en Europees beschermde soorten Van de niet-vrijgestelde beschermde zoogdiersoorten is volgens bovengenoemde bronnen in de ruime omgeving van het plangebied het voorkomen bekend van bever (Castor fiber), otter (Lutra lutra), waterspitsmuis (Neomys fodiens), boommarter (Martes martes) en steenmarter (Martes foina) De bever en otter komen voor langs rivieren en beken en in moerasachtige gebieden. Ten zuiden van Gouda, nabij het Gouwekanaal zijn waarnemingen bekend van de bever en in de Reeuwijkse Plassen zijn otters waargenomen. Het plangebied ligt tussen

LANECO 10

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quick scan flora en fauna Vredenburghzone te Waddinxveen

verschillende industriële en agrarische gebieden en er zijn geen rivieren die direct aansluiting vinden bij de wateren binnen het plangebied. Gezien de ligging van het plangebied en het ontbreken van geschikt habitat is aanwezigheid van de bever en otter binnen het plangebied uitgesloten. Waterspitsmuis is te vinden langs beken, rivieren, sloten en plassen. Binnen een straal van 500 meter dient schoon water aanwezig te zijn, met een goed ontwikkelde watervegetatie en begroeide flauwe oevers met voldoende schuilmogelijkheden. De twee noordelijke watergangen binnen het wandel- hondenuitlaatgebied zijn voorzien van ruige oevers met veel rietvegetatie. Deze oevers zijn potentieel geschikt als leefgebied voor de waterspitsmuis, echter de wateren zijn diep en voedselrijk en bevatten nauwelijks onderwatervegetatie. Verder ligt het gebied tussen agrarisch beheerde graslanden en stedelijke bebouwing. De watergangen langs de agrarische graslanden

zijn

voedselrijk

en

de

oevers

zijn

kort

gemaaid,

waardoor

schuilmogelijkheden ontbreken. Aanwezigheid van de waterspitsmuis binnen het plangebied in de huidige situatie kan worden uitgesloten. Het is mogelijk dat door de voorgenomen omvorming naar natuurgebied het gebied geschikter wordt voor deze soort. De steenmarter is over het algemeen een gebouwbewonende soort. Hij geeft de voorkeur aan gebieden met kleinschalig cultuurlandschap met toegankelijke gebouwen en schuurtjes, heggen en geriefhoutbosjes. Aanwezigheid van een enkele passerende steenmarter binnen het plangebied kan niet worden uitgesloten, maar door het ontbreken van geschikte gebouwen om in te verblijven, is aanwezigheid van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van steenmarter uitgesloten binnen het plangebied. Boommarter is een boombewonende soort die leeft in aaneengesloten bos en een nest maakt in oude spechtholen of eekhoornnesten. Omdat in of in de directe omgeving van het plangebied geen aaneengesloten bos aanwezig is, ontbreekt geschikt habitat voor deze soort. Het plangebied maakt het geen deel uit van geschikt leefgebied voor de boommarter. Aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied is uitgesloten. Conclusie Op basis van de archiefgegevens, de biotoopinschattingen tijdens het veldbezoek en de voorgenomen werkzaamheden, kan de aanwezigheid van de niet-vrijgestelde soorten bever, otter, waterspitsmuis, steenmarter en boommarter worden uitgesloten.

Van de algemeen voorkomende zoogdiersoorten mogen de verblijfplaatsen bij ruimtelijke ingrepen en wijzigingen van beheer op basis van een provinciale vrijstelling worden aangetast. Hiervoor geldt wel de algemene zorgplicht.

LAN ECO Quick scan flora en fauna Vredenburghzone te Waddinxveen

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

11

2.5.3 Vleermuizen Om inzicht te krijgen in de aanwezige soorten vleermuizen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren (NDFF), Atlas van de Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen et al., 2016) en Atlas van de Nederlandse vleermuizen (Limpens et al., 1997). Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren die aan de hand van echolocatie hun positie bepalen. Deze nachtdieren verblijven overdag in besloten ruimtes. Vleermuizen worden globaal onderverdeeld in gebouwbewonende soorten en boombewonende soorten en er zijn ook soorten die van beide elementen gebruik maken. Ook is er onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Een groot aantal soorten overwintert in bunkers, grotten en kelders. Dit geldt ook voor sommige soorten die ’s zomers in boomholten verblijven. Andere soorten vleermuizen verblijven het gehele jaar in gebouwen (zoals spouwmuren en gevelbetimmeringen) of bomen (in holten of achter de bast). Vanaf begin april komen vleermuizen uit hun winterverblijven. Afhankelijk van het weer verschijnt de ene soort wat eerder dan de andere. Van half mei tot half juli vormen de vleermuizen kraamkolonies waarin de jongen worden geboren en grootgebracht. De mannetjes verblijven dan apart in kleinere groepen. In het paarseizoen, vanaf half augustus tot september, vallen de kraamkolonies uiteen.

Sommige soorten vleermuizen trekken dan uit hun voortplantingsgebied weg, terwijl andere soorten nooit ver vliegen tussen zomer- en winterverblijf. De meeste vleermuissoorten paren in deze periode. Vanaf oktober gaan de verschillende soorten in winterslaap, waarbij de ene soort zich eerder terugtrekt in zijn winterverblijf dan de andere. De

soorten

maken

vaak

jarenlang

gebruik

van

vaste

aanvliegroutes

tussen

verblijfsplaats en foerageergebied en volgen daarbij lijnelementen zoals bomenrijen of bebouwing. Het behoud van zulke lijnelementen kan daarom cruciaal zijn voor de instandhouding van het leefgebied. Alle vleermuissoorten, hun verblijfplaatsen en belangrijke onderdelen van het leefgebied zijn beschermd in de Wet natuurbescherming (artikel 3.5 en 3.6 van deze wet en bijlage IV van de Habitatrichtlijn). Volgens de verspreidingsgegevens uit eerder genoemde bronnen komen in de omgeving van

het

plangebied

dwergvleermuis

verschillende

(Pipistrellus

soorten

pipistrellus),

vleermuizen laatvlieger

voor

zoals

(Eptesicus

gewone

serotinus),

meervleermuis (Myotis dasycneme), rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii). Van deze soorten is de rosse vleermuis overwegend een boombewonende soort. De ruige dwergvleermuis verblijft in zowel gebouwen als in bomen en de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis zijn overwegend gebouwbewonend.

LANECO 12

a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e

Quick scan flora en fauna Vredenburghzone te Waddinxveen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11864781/1