CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Vredenburghzone Bijlagen bij de toelichting 1

Besluitvormende raadsvergadering 12 oktober 2022, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: RV.RB. Vaststellen bestemmingsplan Vredenburghzone25.058 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan Vredenburghzone Gemeente: Waddinxveen

Opdrachtgever: Gemeente Waddinxveen

Organisatie

Telefoon

Documentnummer

wsp

+31 (0)88 910 20 00

SLM0177772

Versie Datum Adres

NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401

Colofon Rapporthistorie Voorontwerp Ontwerp 11-05-2022 Vastgesteld 12-10-2022 Onherroepelijk n.v.t Contactgegevens

Autorisatie Documentnummer

Versie

Status

SLM0177772

NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401

vastgesteld

Opgesteld door

Functie

Datum

Paraaf

R. Bouman

Medewerker Stedelijke ontwikkeling

24-02-2022

Geverifieerd door

Functie

Datum

R. Gerardts

Senior Planoloog

11-05-2022

Akkoord projectleider

Functie

Datum

R. Gerardts

Senior Planoloog

Paraaf

Paraaf

Bijlagen bij de toelichting

3/119 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

4/119 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting

3

Bijlage 1

Milieuparagraaf Omgevingsdienst

6

Bijlage 2

Akoestisch rapport

33

Bijlage 3

Quickscan deelgebied 1

58

Bijlage 4

Quickscan deelgebied 2

88

Bijlage 5

Besluit omtrent geen milieueffectrapportage

116

5/119 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

Bijlage 1 Milieuparagraaf Omgevingsdienst

6/119 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

Milieuparagraaf Vredenburghzone deelgebied A4 en C2 Afdeling Expertise

Versienummer: Datum:

1.0 18 januari 2022

Productnummer Omschrijving Status Datum Opdrachtgever Opgesteld door

2021321380 Milieuparagraaf Vredenburghzone deelgebied A4 en C2 1.0 18 januari 2022 Gemeente Waddinxveen (X. Leenheer) Burak Durmus

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

2 van 26

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

6

7

Geluid ........................................................................................................................................ 5 1.1

Wet- en regelgeving............................................................................................................ 5

1.2

Onderzoek.......................................................................................................................... 6

1.3

Conclusie en advies............................................................................................................ 6

Luchtkwaliteit.............................................................................................................................. 7 2.1

Wet- en regelgeving............................................................................................................ 7

2.2

Onderzoek.......................................................................................................................... 8

2.3

Conclusie en advies............................................................................................................ 9

Bedrijven en milieuzonering.......................................................................................................10 3.1

Wet- en regelgeving...........................................................................................................10

3.2

Onderzoek.........................................................................................................................11

3.3

Conclusie en advies...........................................................................................................11

Externe veiligheid......................................................................................................................12 4.1

Wet- en regelgeving...........................................................................................................12

4.2

Onderzoek.........................................................................................................................12

4.3

Conclusie en advies...........................................................................................................12

Bodem ......................................................................................................................................13 5.1

Wet- en regelgeving...........................................................................................................13

5.2

Onderzoek.........................................................................................................................13

5.3

Conclusie en advies...........................................................................................................14

Archeologie ...............................................................................................................................15 6.1

Wet- en regelgeving...........................................................................................................15

6.2

Onderzoek.........................................................................................................................15

6.3

Conclusie en advies...........................................................................................................17

Ecologie ....................................................................................................................................18 7.1

Wet- en regelgeving...........................................................................................................18

7.2

Onderzoek.........................................................................................................................19

7.3

Conclusie en advies...........................................................................................................19

Soortbescherming .........................................................................................................................20 8

Milieueffectrapportage ...............................................................................................................22 8.1

Wet- en regelgeving...........................................................................................................22

8.2

Onderzoek.........................................................................................................................22

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

3 van 26

8.3

Conclusie en advies...........................................................................................................23

Conclusie en aanbevelingen (niet opnemen) .....................................................................................24 Bijlagen 1. “Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, ODMH, 7 maart 2019”Quickscan Flora en Fauna Vredenburghzone te Waddinxveen, opgesteld door Laneco, kenmerk 06.20.26, d.d. 16 februari 20212. Quickscan Flora en Fauna Vredenburghzone te Waddinxveen, opgesteld door Laneco, kenmerk 06.20.26, d.d. 16 februari 2021

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

4 van 26

1

Geluid

1.1 Wet- en regelgeving Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidsniveau kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh). Ook stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. De Wgh verstaat onder geluidsgevoelige bestemmingen (art. 1 Wgh):  Woningen  Onderwijsgebouwen  Ziekenhuizen en verpleeghuizen  Verzorgingstehuizen  Geluidsgevoelige terreinen  Kinderdagverblijven. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mag de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde bedragen. Als bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen niet aan deze voorkeursgrenswaarde kan wordt voldaan, kan worden geconcludeerd dat de locatie niet zonder meer geschikt is voor de beoogde ontwikkeling.

Als toch wordt beoogd de ontwikkeling doorgang te laten vinden moet een onderzoek worden uitgevoerd naar de haalbaarheid van maatregelen die de geluidsbelasting reduceren. Dit kunnen maatregelen aan de bron (bv. geluidsarm asfalt) of maatregelen in overdrachtssfeer (bv. geluidswal) zijn. Als deze maatregelen kunnen worden uitgevoerd en de geluidsbelasting daarmee tot (onder) de voorkeursgrenswaarde wordt teruggebracht, dan kunnen de gevoelige bestemmingen alsnog worden gerealiseerd. Als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn ofwel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan in sommige gevallen een Hogere Waarde worden vastgesteld. Ter bepaling of deze Hogere Waarde inderdaad kan worden vastgesteld is de Beleidsregel Hogere Waarden regio Midden-Holland (april 2012) vastgesteld. In situaties waarin aan deze beleidsregel wordt voldaan kunnen Hogere Waarden worden vastgesteld tot de maximale grenswaarde uit de Wgh. Tabel 1.1: Overzicht voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden in dB voor weg-, railverkeer en industrielawaai

Bestemming

Geluidsbron

Geluidsbelasting Lden in dB Voorkeursgrenswaarde

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

Maximale grenswaarde

5 van 26

Bestemming

Nieuw te bouwen of het bestemmen van geluidsgevoelige bestemmingen

Geluidsbron

Geluidsbelasting Lden in dB Voorkeursgrenswaarde

Maximale grenswaarde

Wegverkeer (binnenstedelijk) Railverkeer

48

63

55

68

Industrie

50

55

1.2 Onderzoek In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de Vredenburghzone wordt natuurontwikkeling en recreatie mogelijk gemaakt. Het is daarom niet noodzakelijk om akoestisch onderzoek uit te voeren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied in kaart te brengen. Ten behoeve van een eventueel te realiseren geluidswal langs de Vredenburghlaan en een geluidswal langs de N251 heeft de ODMH eerder een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Zie bijlage 1. In dit onderzoek zijn verschillende varianten van de geluidswal onderzocht. In elke variant zal de milieukwaliteitsmaat van Miedema uitkomen op een ‘redelijk’ tot ‘tamelijk slecht’ woon- en leefklimaat. In het bestemmingsplan “Vredenburghzone” worden geen bestemmingen mogelijk gemaakt waar mensen langdurig zullen verblijven. Daarom wordt de genoemde milieukwaliteitsmaat als voldoende geacht.

1.3 Conclusie en advies Omdat er geen geluidgevoelige of milieubelastende functie mogelijk wordt gemaakt, vormt geluid geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

6 van 26

2

Luchtkwaliteit

2.1

Wet- en regelgeving

Als mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide en fijn stof. De grenzen voor deze stoffen staan in onderstaande tabel. Tabel : Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof

jaargemiddelde

uurgemiddelde 24-

Opmerkingen

uursgemiddelde Stikstofdioxide

40 µg/m3

200 µg/m3

n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar

(NO2) Fijn stof

worden overschreden 40 µg/m3

n.v.t.

50 µg/m3 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar

(PM10) Fijn stof

worden overschreden 25 µg/m3

n.v.t.

n.v.t.

(PM2,5)

De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden als: 1. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; 2. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 μg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.); 3. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; 4. gevoelige bestemmingen (waaronder scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of als binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding). Regeling NIBM Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden.

Bij deze onderstaande gevallen is een luchtkwaliteitsonderzoek niet meer nodig, te weten:  Woningbouw: ≤ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

7 van 26

Kantoorlocaties: ≤ 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Ook bevat het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Beoordelingspunten De luchtkwaliteit langs wegen wordt volgens de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit (Rbl, 2007) op een representatief punt, op een afstand van maximaal 10 m vanaf de rand van de weg beoordeeld. In verband met het blootstellingcriterium opgenomen in artikel 22 van de Rbl en het toepasbaarheidsbeginsel opgenomen in artikel 5.19 van de Wm is het mogelijk om in een aantal situaties van deze afstand af te wijken. Volgens het blootstellingcriterium wordt de luchtkwaliteit op locaties beoordeeld waar mensen aan de hoogste concentraties blootgesteld kunnen worden gedurende een periode die significant is ten opzichte van de middelingtijd van de betreffende grenswaarde.

Zo wordt bij de jaargemiddelde NO2 grenswaarde getoetst daar waar langdurige blootstelling plaats kan vinden (vergeleken met de middelingtijd van een jaar) – bijvoorbeeld aan de gevels van woningen. Terwijl bij de 24uurgemiddelde grenswaarde van PM10 zijn plaatsen als tuinen bij woningen en sportcentra relevant, daar waar mensen blootgesteld kunnen worden gedurende een periode vergeleken met de middelingtijd van een dag. Het toepasbaarheidsbeginsel geeft aan waar de luchtkwaliteit niet beoordeeld hoeft te worden – bijvoorbeeld “locaties waar leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is”.

2.2

Onderzoek

In het bestemmingsplan “Vredenburghzone” worden geen bestemmingen mogelijk gemaakt waar mensen langdurig zullen verblijven. Ook betreft de ontwikkeling geen realisatie van een voorziening voor kwetsbare groepen. Ter plaatse van de Vredenburghzone wordt natuurontwikkeling en recreatie mogelijk gemaakt. Het plangebied zal fungeren als bufferzone tussen de (toekomstige) Vredenburghlaan en de bebouwde kom van Waddinxveen. Het te realiseren recreatiegebied zal naar verwachting voornamelijk bedoeld zijn voor inwoners van Waddinxveen en zal daarom niet tot nauwelijks een verkeersaantrekkende werking hebben. Het plan draagt daarom in niet betekende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit kan achterwege blijven. Om inzicht te geven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is de NSL monitoringstool benaderd. Hieruit blijkt dat op alle meetpunten in de omgeving de concentratie N02 en PM10 < 35 µg/m3 en de PM 2,5 < 20 µg/m3 is.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

8 van 26

2.3

Conclusie en advies

De grenswaarden worden niet overschreden. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ staat het vaststellen van het bestemmingsplan niet in de weg.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

9 van 26

3

Bedrijven en milieuzonering

3.1

Wet- en regelgeving

Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Door aanwezigheid van bedrijven kan mogelijk hinder voor de omgeving ontstaan met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot 3 groepen met bijbehorende aanpak, namelijk: - Nieuwe milieugevoelige functies nabij bedrijven In deze situatie wordt beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Daarnaast wordt beoordeeld of bij vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van Bedrijven en Milieuzonering.

- Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal een bepaalde afstand gehouden moeten worden tussen de gevoelige functies en belastende activiteit. Bij een bestemmingswijziging ten bate van de vestiging van een specifiek bedrijf kunnen de omstandigheden van dit bedrijf worden meegewogen. In elk geval moet tenminste aan de Wet milieubeheer worden voldaan. - Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Hier zal afhankelijk van deze categorie een bepaalde afstand gehouden moeten worden tussen de gevoelige en belastende bestemmingen. De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek moeten dan wel in het bestemmingsplan worden vastgelegd. In tabel 3.1 staan de richtafstanden uit de VNG richtlijn voor een rustige woonwijk en gemengd gebied.

Milieucategorie van bedrijf 1 2 3.1 3.2 4.1 BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Richtafstand rustige woonwijk (meter) 10 30 50 100 200 Omgevingsdienst Midden-Holland

Richtafstand gemengd gebied (meter) 0 10 30 50 100 10 van 26

Tabel 3.1, richtafstanden volgens VNG richtlijn

3.2

Onderzoek

In het bestemmingsplan “Vredenburghzone” worden geen milieubelastende of milieugevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de Vredenburghzone wordt natuurontwikkeling en recreatie mogelijk gemaakt. Omliggende bedrijven zullen daarom ten gevolge van de beoogde bestemmingswijziging niet in de bedrijfsvoering belemmerd worden. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van nabij gelegen woningen wordt niet geschaad ten gevolge van deze functiewijziging.

3.3

Conclusie en advies

Het aspect bedrijven en milieuzonering staat het vaststellen van het bestemmingsplan niet in de weg.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

11 van 26

4

Externe veiligheid

4.1

Wet- en regelgeving

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld.

De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.

4.2

Onderzoek

In het bestemmingsplan “Vredenburghzone” worden geen bestemmingen mogelijk gemaakt waar mensen langdurig zullen verblijven. Ter plaatse van de Vredenburghzone wordt natuurontwikkeling en recreatie mogelijk gemaakt. Er worden geen kwetsbare object mogelijk gemaakt. Het opstellen van een verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven.

4.3

Conclusie en advies

Het aspect externe veiligheid staat het vaststellen van het bestemmingsplan niet in de weg.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

12 van 26

5

Bodem

5.1

Wet- en regelgeving

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Als bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb):  Niet saneren Als de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden.  Saneren Als de verontreiniging moet worden gesaneerd moet een saneringsplan worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop moet de sanering worden geëvalueerd en ook dit verslag moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan de ODMH. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet moeten deze kosten tijdig in kaart worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Waddinxveen beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en de bijbehorende Nota Bodembeheer. Sinds juni 2019 moet ook rekening worden gehouden met het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet moet worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl).

5.2

Onderzoek

Wanneer er sprake is van het kunnen toelaten van een bodemgevoelige functie, moet inzichtelijk worden gemaakt of de bodem- en grondwaterkwaliteit een dergelijke functie c.q. bebouwing en gebruik ook mogelijk maken. In onderhavig plan is echter geen sprake van een bodemgevoelige functie waarbij voortdurend (meer dan 2 uur per (werk)dag) mensen verblijven. Ook worden geen BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

13 van 26

bouwwerken mogelijk gemaakt die de grond raken. Hierdoor is het niet noodzakelijk een bodemonderzoek uit te voeren. De bodem is geschikt voor het toekomstige gebruik.

5.3

Conclusie en advies

Het aspect bodem staat het vaststellen van het bestemmingsplan niet in de weg.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

14 van 26

6

Archeologie

6.1

Wet- en regelgeving

Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. De gemeente Waddinxveen heeft sinds 2012 een eigen archeologiebeleid vastgesteld.

Aan de hand van de archeologische waardenkaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg. De archeologische waardenkaart is in 2018 geactualiseerd en vastgesteld door middel van het Parapluplan Archeologie en Parkeren (19 september 2018). Het bestemmingsplan wordt opgesteld naar aanleiding van de functiewijziging van de deelgebieden A4 (ca. 2,3 ha) en C2 (ca. 3,6 ha). De plangebieden zijn momenteel in gebruik als wandel- en uitlaatgebied en als agrarisch grasland. Het nieuwe gebruik wordt nat natuurgebied en waterberging.

6.2

Onderzoek

In het kader van het bestemmingsplan Vredenburghzone Waddinxveen deelgebied A4 en C2, wordt inzicht gegeven in de verwachtingswaarden en bijbehorend beleid in het bestemmingsplangebied. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Parapluplan Archeologie en Parkeren (2018);  reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken ter hoogte van de plangebieden. In figuur 6.1 is een uitsnede van de archeologische waardenkaart (gelijk aan het Parapluplan Archeologie en Parkeren) van de gemeente Waddinxveen weergegeven.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

15 van 26

Figuur 6.1 :uitsnede uit de waardenkaart; rode contour: plangebieden A4 en C2, de donkere zone betreft de ligging van een stroomgordel met Waarde Archeologie 3 (WA3).

De plangebieden liggen in gebied waar in de diepere ondergrond (2,5 m onder het maaiveld) de zandige en kleiige afzettingen aanwezig zijn van een oude rivierloop (stroomgordel). Deze afzettingen hebben een hoge archeologische verwachting omdat ze vaak de hoge en droge delen vormden in een verder nat en drassig landschap. Door de droge ligging vormden deze afzettingen ideale bewoningslocaties voor de prehistorische jagers en verzamelaars. Daarom is de kans groot dat er ter hoogte van oude stroomgordels archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. In het vigerend bestemmingsplan hebben deze afzettingen dan ook de Waarde Archeologie 3 en is er een archeologisch onderzoek voor bepaalde ontwikkelen verplicht. Aan weerszijden van de stroomgordelafzettingen bevindt zich een nat en drassig landschap, de zogenaamde komgronden. Dit landschap bestaat uit kleiige en venige afzettingen, hebben nooit droog gelegen en vormden dus geen geschikte bewoningslocaties in het verleden. Daarom geldt voor deze gebieden een kleine kans (lage verwachting) op de aanwezigheid van archeologische resten. Nu worden de dieper gelegen stroomgordelafzettingen en komgronden afgedekt door dun een pakket veen en een dikker pakket van klei en zand (wadafzettingen). Beide pakketten zijn gevormd onder water, waardoor er een lage kans is op de aanwezigheid van archeologische resten.

Het oorspronkelijke middeleeuwse veenlandschap is geheel vergraven vanwege de turfwinning, waardoor er geen kans meer is op de aanwezigheid van middeleeuwse archeologische resten. Kortom: ter hoogte van beide deelgebieden geldt een algehele lage archeologische verwachting voor de gehele ondergrond. Deze lage verwachting wordt bevestigd door twee archeologische onderzoeken. In 2004 is het plangebied Triangel door middel van 213 grondboringen onderzocht (adviesbureau RAAP, rapport 1031, november 2004). Deelgebied C2 grenst direct aan een deel dat door middel van 10 boringen is onderzocht. In 2017 is naar aanleiding van de aanleg van de Vredenburghlaan een archeologisch booronderzoek uitgevoerd (adviesbureau De Steekproef, rapport 2017-12/06, 12 februari 2018). De beide deelgebieden grenzen direct aan een gebied dat door middel van 34 boringen is onderzocht. BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

16 van 26

Beide archeologische onderzoeken bevestigen de lage archeologische verwachting van de ondergrond ter hoogte van beiden deelgebieden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van archeologische resten.

6.3

Conclusie en advies

De deelgebieden A4 en C2 maken deel uit van een landschap dat niet geschikt is geweest voor bewoning in het verleden. Er geldt een lage archeologische verwachting, vanaf het maaiveld tot en met de diepere ondergrond. Voor het nieuwe bestemmingsplan is vanwege de lage verwachting geen archeologische dubbelbestemming nodig. Voor de voorgenomen natuurontwikkeling (met graafwerkzaamheden) is geen verder archeologisch onderzoek meer nodig. Ook als archeologisch onderzoek niet verplicht is, kunnen archeologische resten onverhoopt toch nog aanwezig zijn. Mocht blijken bij uitvoer dat deze aanwezig zijn, dan moet het bevoegd gezag (zijnde gemeente Waddinxveen) meteen op de hoogte gesteld worden en een beslissing nemen over hoe om te gaan met de resten. Dit conform paragraaf 5.4, artikel 5.10 van de Erfgoedwet.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

17 van 26

7

Ecologie

7.1

Wet- en regelgeving

Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de landelijke wetten: de Wet natuurbescherming (Wnb), Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, Natuurnetwerk Nederland). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Omgevingsverordening Provincie Zuid-Holland (2021) en natuurbeheerplan 2021. Wet natuurbescherming (Wnb) Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) van kracht. De wet maakt onderscheid tussen gebieds-, soorten- en houtopstandenbescherming. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe”. Dit betekent dat de genoemde bepalingen in de Wnb verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming wordt verleend door middel van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of verklaring van geen bedenkingen (vvgb). Onder de Wnb zijn gedeputeerde staten van provincies bevoegd gezag voor ontheffing- of vergunningverlening. In de provincie Zuid-Holland is de Omgevingsdienst Haaglanden belast met de vergunningverlening en voert Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid de toezichts- en handhavingstaken uit voor de Wnb. Gebiedsbescherming Het onderdeel gebiedsbescherming bevat instrumenten om op basis van effectstudies activiteiten in en rondom Natura 2000-gebieden af te wijzen, dan wel toe te staan op basis van een melding of een vergunning.

In artikel 2.7 staat dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De wet schrijft verder voor dat, onder voorwaarden, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen van dat gebied, voor het voornemen noodzakelijk is (artikel 2.8). In een eventueel verkregen vergunning zijn aan handelingen die een negatief effect hebben op een Natura 2000-gebied voorwaarden verbonden om schade aan natuurwaarden te voorkomen en te compenseren. Het uitvoeren van een passende beoordeling kan ook leiden tot het opstellen van een planmer bij het doorlopen van een planologische procedure. Soortenbescherming In de wet zijn verbodsbepalingen opgenomen ten aanzien van beschermde flora en fauna. Activiteiten waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden moeten voorkomen worden, bijvoorbeeld door het treffen van mitigerende maatregelen of het werken met een goedgekeurde gedragscode.

Als dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alléén toegestaan met een ontheffing van het bevoegd gezag, de gedeputeerde staten van de provincies. Een mitigatieplan of ontheffing moet in het bezit zijn voorafgaand aan de start van de uitvoeringsfase. Bij de plantoets voor een bestemmingsplan moet aannemelijk worden gemaakt, met ecologisch onderzoek, dat een eventuele ontheffingsaanvraag voldoende onderbouwd kan worden en verwacht mag worden dat de ontheffing wordt verleend door het bevoegd gezag.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

18 van 26

Voor enkele soorten is een vrijstelling verleend bij de uitvoering van handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud. Deze soorten staan opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland. Zorgplicht In aanvulling op bovenstaande bevat de Wnb de “zorgplicht” (art. 1.11), die stelt dat een ieder die weet of edelijkerwijs kan vermoeden dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen veroorzaakt voor beschermde gebieden en/of flora of fauna, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Stikstofregelgeving Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet natuurbescherming door de toevoeging van een aantal artikelen. De Wsn zet in op een zo ver mogelijke reductie van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Daarnaast is een belangrijk onderdeel van deze wetgeving de partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor bouwprojecten. Het gaat hierbij om tijdelijke bouw- of sloopwerkzaamheden. Voor structurele stikstofemissie in de gebruiksfase is de vrijstelling niet van toepassing. Voor de bouwfase geldt wel een prestatieverplichting om met zo duurzaam mogelijk materieel te bouwen.

7.2

Onderzoek

In een quickscan is onderzocht welke wetten en welk provinciaal beleid van toepassing zijn voor de voorgenomen herinrichting van het gebied C2 (kadastraal perceel WDV E 3884). Het betreft het volgende rapport: - Quickscan Flora en Fauna Vredenburghzone te Waddinxveen, opgesteld door Laneco, kenmerk 06.20.26, d.d. 16 februari 2021 (hierna: quickscan). Dit rapport is opgenomen in bijlage 2. Hieronder staan de conclusie en het advies van het onderzoek. Voor het gebied A4 (kadastraal perceel WDV C 6612) is geen quickscan opgesteld. In het verleden is hier wel onderzoek uitgevoerd voor de aanleg van de Vredenburghlaan. Nu deze is aangelegd ter plaatse is de situatie gewijzigd en kan dat onderzoek niet langer worden toegepast. Het is juridisch verouderd.

7.3

Conclusie en advies

Deellocatie C2 (kadastraal perceel WDV E 3884) Gebiedsbescherming Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN) De te ontwikkelen locatie ligt op circa 7 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein). Het dichtstbijzijnde NNN ligt op circa 800 meter afstand. De ontwikkeling betreft het opnieuw inrichten van een perceel dat nu agrarisch grasland is.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

19 van 26

De herinrichting bestaat uit het omvormen tot een nat natuurgebied met waterberging dat niet toegankelijk zal zijn voor recreatie. Met de herinrichting wordt geen negatief effect voorzien op Natura 2000-gebieden of NNN en vormt gebiedsbescherming geen probleem voor de uitvoering van het plan. Soortbescherming Het agrarisch grasland, een monocultuur, kent weinig diversiteit. Beschermde soorten onder de Wnb worden niet verwacht. Wel kunnen in het broedseizoen vogels nestelen op het perceel. Als werkzaamheden op het perceel worden uitgevoerd buiten het broedseizoen (globaal van half maart tot half juli) of na controle van het plangebied door een ecoloog op nesten en broedsels vormt soortenbescherming geen probleem voor de uitvoering van het plan. Deellocatie A4 (kadastraal perceel WDV C 6612) Gebiedsbescherming Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN) De te ontwikkelen locatie ligt op circa 7 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein). Het dichtstbijzijnde NNN ligt op circa 800 meter afstand. De ontwikkeling betreft het opnieuw inrichten van een perceel dat nu met zand voorbelast is. Er is geen ecologisch onderzoek op het perceel uitgevoerd. De herinrichting bestaat uit het realiseren van een dijk, ingericht met bomen, en een ondiepe watergang (de aanwezige watergang wordt verbreed).

Met de herinrichting wordt geen negatief effect voorzien op Natura 2000-gebieden of NNN en vormt gebiedsbescherming geen probleem voor de uitvoering van het plan. Soortbescherming Het perceel, dat voorbelast is met zand, kent weinig diversiteit. Het is niet duidelijk of er, na het aanbrengen van het zand, een paddenscherm is geplaatst. Hierdoor kan het plangebied in gebruik zijn als overwinteringsgebied door de rugstreeppad. In het onderzoek naar soorten bij de aanleg van de Vredenburghlaan is dit risico ook benoemd. Als het plangebied snel dichtgroeit met een dichte grasmat neemt het risico af dat de rugstreeppad er blijft, omdat het voortplantingshabitat verdwijnt. Andere beschermde soorten onder de Wnb worden niet verwacht. Wel kunnen in het broedseizoen algemene vogels nestelen op het perceel. Werkzaamheden op het perceel moeten daarom worden uitgevoerd buiten het broedseizoen (globaal van half maart tot half juli) of na controle van het plangebied door een ecoloog op nesten en broedsels. De Wet Natuurbescherming wordt op deze manier niet overtreden. Bij herinrichting van het perceel (het plaatsen van bomen en het verbreden van watergangen) moet rekening worden gehouden met rugstreeppadden. De rugstreeppad mag niet worden gedood en zijn eieren mogen niet worden vernietigd.

Daarom is in de planregels onder aanlegvergunning geborgd dat bij het aanleggen het ecologisch werkprotocol moet worden gevolgd onder begeleiding van een ecoloog. Met het ecologisch werkprotocol is het risico dat schade aan rugstreeppadden wordt veroorzaakt klein. Ook wordt in de planregels onder de aanlegvergunning (ecologisch werkprotocol) opgenomen dat een terreinschouw nodig is. De aanleg van de bomenrij en het verbreden van de watergang kan namelijk niet zonder een terreinschouw. Als uit de terreinschouw blijkt dat beschermde soorten aanwezig zijn, BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

20 van 26

dan beoordeelt de ecoloog of een ontheffingsaanvraag nog nodig is. Het protocol moet ook minimaal de onderstaande maatregelen bevatten. Uit de terreinschouw kunnen nadere maatregelen volgen. Wanneer de werkzaamheden op het landdeel (het poten van bomen) plaatsvinden buiten de kwetsbare periode van winterrust (herfst/winter) en voor het verbreden van de watergang buiten de kwetsbare periode van voortplanting (voorjaar en zomer), dan wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Op deze manier is het plan uitvoerbaar.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

21 van 26

8

Milieueffectrapportage

8.1

Wet- en regelgeving

De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.. 1.

Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor een activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan-m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2.

Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r. b. De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). 3.

Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r. Als de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dan moet de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven worden. Als de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dan moet beoordeeld worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.

8.2

Onderzoek

De activiteit valt onder categorie D9 van het Besluit m.e.r. (landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan), maar onder de aangegeven drempels van kolom 2. Er zal daarom met een vormvrije m.e.r. beoordeling beoordeeld moeten worden of er, op basis van de criteria uit Bijlage III van de m.e.r. richtlijn, sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Deze criteria betreffen de 1) kernmerken van het project, de 2) plaats van het project, en 3) de kenmerken van het BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

22 van 26

potentiële effect. Hieronder worden deze drie criteria besproken: Kenmerken van het project De omvang van het project betreft de realisatie van een natuur- en recreatiegebied in de Vredenburghzone op agrarische grond. De ontwikkeling ligt ruim onder de verplichting m.e.r.beoordelingsdrempel van 150 hectare. Cumulatieve effecten met andere projecten zijn niet aanwezig. Het project zorgt niet voor hinder op de omgeving. Aspecten als gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen en risico van ongevallen spelen hier niet of maar in zeer beperkte mate. Plaats van het project Met betrekking tot de plaats van het project zijn de aspecten archeologie en ecologie relevant. Het plangebied ligt in een gebied met deels een middelhoge- en een lage archeologische verwachtingswaarde. De verstorende werking van het realiseren van een natuur- en recreatiegebied is naar verwachting echter gering. Zie hiervoor paragraaf 6 van deze onderbouwing. De functiewijziging naar ‘natuur en recreatie’ zal een positieve bijdrage leveren aan de biodiversiteit binnen het gebied, omdat het gebied aantrekkelijker wordt gemaakt voor zowel flora als fauna. Tijdens de werkzaamheden voor het ontwikkelen van dit gebied zullen maatregelen getroffen worden om de Wet natuurbescherming niet te overtreden.

Kenmerken van het potentiële effect Er zal geen sprake zijn van potentiële aanzienlijke effecten, zoals in het vorenstaande is aangetoond.

8.3

Conclusie en advies

Uit de vormvrije me.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Een m.e.r. procedure wordt niet noodzakelijk geacht.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

23 van 26

Conclusie en aanbevelingen (niet opnemen) De ontwikkeling van de Vredenburghzone is vanuit het oogpunt van wegverkeerslawaai, spoorwegverkeerslawaai, luchtkwaliteit, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, bodem, archeologie zonder meer toelaatbaar. Om uitsluitsel te kunnen geven over de toelaatbaarheid van de beoogde ontwikkeling vanwege de milieuaspecten archeologie en ecologie moet een aantal vervolgacties worden uitgevoerd: Ecologie  Er geldt een aanlegvergunningplicht voor de bomenaanplant en verbreden van de watergang. Indieningsvereiste bij de vergunningaanvraag is het ecologisch werkprotocol. Omdat er een terreinschouw is opgenomen in het werkprotocol, wordt dan ook beoordeeld of ontheffingsplichtige soorten kunnen voorkomen en of er mogelijkerwijs een ontheffing nodig is. De kans hierop is klein, gezien de natuurlijke ontwikkeling in het aankomend groeiseizoen, die ervoor zorgt dat de rugstreeppad steeds minder geschikt habitat zal vinden in gebied A4. Archeologie:  Geen dubbelbestemming opnemen. m.e.r.:  M.e.r. beoordelingsbesluit nemen. Er is geen provinciaal milieubelang in het geding. Dit document is digitaal vastgesteld.

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

24 van 26

Bijlage 1 “Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, ODMH, 7 maart 2019”

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

25 van 26

Bijlage 2 Quickscan Flora en Fauna Vredenburghzone te Waddinxveen, opgesteld door Laneco, kenmerk 06.20.26, d.d. 16 februari 2021

BP Vredenburghzone deelgebied A4 en C2

Omgevingsdienst Midden-Holland

26 van 26

Bijlage 2 Akoestisch rapport

33/119 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

Postbus 45 2800 AA Gouda 088 - 54 50 000 www.odmh.nl

AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI Betreft Kenmerk Documentkenmerk Datum Bijlage(n)

Vredenburghzone effect geluidswal langs Vredenburghlaan 2019040027 2019044583 7 maart 2019 7

In opdracht van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Waddinxveen is door het team Geluid en Lucht van de Omgevingsdienst Midden-Holland een akoestisch onderzoek verricht naar het effect van een geluidswal langs de Vredenburghlaan en een geluidswal langs de N451 aansluitend aan het reeds geprojecteerde geluidsscherm. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: • RVMH versie 3.0. • Tekening concept gebiedsvisie Vredenburghzone Werkatelier 2 17.01.2019. Uitgangspunten Ter bepaling van de geluidsbelasting is gebruik gemaakt van het programma Geomilieu versie 4.50 van DGMR. Dit programma rekent volgens de Standaard Rekenmethode II van het Reken- en Meetvoorschrift Verkeerslawaai 2012. De berekeningen zijn uitgevoerd met de verkeersintensiteiten voor het jaar 2030. Figuur 1 geeft een overzicht van de Vredenburghzone.

Identificatie 2019044583

1 van 23

Vredenburghzone

Figuur 1: Overzicht situatie Vredenburghzone

De volgende varianten zijn berekend: 1. Variant zonder geluidswal langs de Vredenburghlaan. 2. Variant met een geluidswal van 1 meter langs de Vredenburghlaan. 3. Variant met een geluidswal van 2 meter langs de Vredenburghlaan. Voor de bovenstaande drie varianten is per variant onderzocht wat het effect is van het bodemgebied in de Vredenburghzone. Hierbij is de geluidswal in alle varianten als zacht ingevoerd. Gerekend is met een halfzachte bodem (bijvoorbeeld deels water deels gras), met een compleet zachte bodem (bijvoorbeeld grasland e.d.) en een geheel harde bodem. Verder is gerekend met en zonder geluidswal langs de N451 (0 meter, 1 meter en 2 meter hoog) aansluitend aan het geprojecteerde geluidsscherm. De variant zonder geluidswal langs de Vredenburghlaan in combinatie met een geluidswal langs de N451 is niet berekend omdat de geluidsbelasting ten gevolge van de Vredenburghlaan bepalend is voor de gecumuleerde geluidsbelasting binnen de Vredenburghzone.

Identificatie 2019044583

2 van 23

Figuur 2 geeft een overzicht van het scherm en de geluidswal.

Geluidswal N451

Geluidsscherm N451

Figuur 2: Overzicht ligging geluidswal –scherm N451

Figuur 3 geeft een overzicht van de ligging van de geluidswal (in blauw aangeven) en de berekeningspunten. De geluidswal is op een afstand van 5 meter uit de rand van de Vredenburghlaan ingevoerd.

Identificatie 2019044583

3 van 23

Geluidswal

Geluidswal

Figuur 3: Locatie van de geluidswallen en de berekeningspunten

Bijlage 1 geeft een overzicht van de invoergegevens. Berekende geluidsbelasting De geluidsbelasting is berekend op 1,5 meter hoogte, op 4,5 meter hoogte en op 7,5 meter hoogte. De berekende geluidsbelasting is weergegeven exclusief aftrek ex. artikel 110g van de Wet geluidhinder. De weergegeven geluidsbelastingen (Lden) zijn dus niet geschikt voor toetsing aan de Wet geluidhinder. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de Vredenburghlaan voor het grootste deel een 80 km/u weg betreft waarvoor de aftrek ex. artikel 110g afhankelijk is van de ongecorrigeerde geluidsbelasting waardoor er een vertroebeld beeld kan ontstaan over de werkelijke afname als gevolg van de geluidswal. Het effect van de geluidswallen is bepaald op de gecumuleerde geluidsbelasting (alle wegen in de omgeving), de Vredenburghlaan en de Beijerincklaan.

Identificatie 2019044583

4 van 23

Gecumuleerde geluidsbelasting Variant: zacht bodemgebied Vredenburghzone Tabel 1 geeft een overzicht van het effect van de geluidswallen in de situatie waarbij gerekend is met een zacht bodemgebied in de Vredenburghzone. Bijlage 2 geeft een overzicht van de volledige berekeningsresultaten per variant. Tabel 1: Overzicht resultaten zacht bodemgebied

Zachte bodem Variant VBL zonder wal VBL met 1 m wal VBL met 2 m wal

reductie t.o.v. zonder wal 0 tot 1 0 tot 3

extra reductie als gevolg van wal N451 1m 2m 0 tot 0,1 0 tot 0,7 0 tot 0,1 0 tot 0,7

Uit tabel 1 en bijlage 2 blijkt het volgende: • De reductie op de gecumuleerde geluidsbelasting in de situatie met een geluidswal van 1 meter langs de Vredenburghlaan bedraagt ten hoogste 1 dB. Ter plaatse van de meeste rekenpunten is de reductie nihil. • De reductie op de gecumuleerde geluidsbelasting in de situatie met een geluidswal van 2 meter langs de Vredenburghlaan bedraagt ten hoogste 3 dB. Ter plaatse van de meeste rekenpunten is de reductie 1 à 2 dB. • De combinatie van een geluidswal langs de Vredenburghlaan en een geluidswal langs de N451 geeft een reductie van 0 tot 0,7 dB. • Opgemerkt wordt dat de reducties van 1 à 2 dB met het menselijk oor niet waarneembaar zijn. Variant: half zacht bodemgebied Vredenburghzone Tabel 2 geeft een overzicht van het effect van de geluidswallen in de situatie waarbij gerekend is met een half zacht bodemgebied in de Vredenburghzone. Bijlage 3 geeft een overzicht van de volledige berekeningsresultaten per variant. Tabel 2: Overzicht resultaten half zacht bodemgebied

Half zachte bodem Variant VBL zonder wal VBL met 1 m wal VBL met 2 m wal

reductie t.o.v. zonder wal 0 tot 1 0 tot 3

extra reductie als gevolg van wal N451 1m 2m 0 tot 0,1 0 tot 0,7 0 tot 0,1 0 tot 0,8

Uit tabel 2 en bijlage 3 blijkt het volgende: • De reductie op de gecumuleerde geluidsbelasting in de situatie met een geluidswal van 1 meter langs de Vredenburghlaan bedraagt ten hoogste 1 dB. Ter plaatse van de meeste rekenpunten is de reductie nihil. • De reductie op de gecumuleerde geluidsbelasting in de situatie met een geluidswal van 2 meter langs de Vredenburghlaan bedraagt ten hoogste 3 dB. Ter plaatse van de meeste rekenpunten is de reductie 1 à 2 dB. • De combinatie van een geluidswal langs de Vredenburghlaan en een geluidswal langs de N451 geeft een reductie van 0 tot 0,8 dB. • Opgemerkt wordt dat de reducties van 1 à 2 dB met het menselijk oor niet waarneembaar zijn.

Identificatie 2019044583

5 van 23

Variant hard bodemgebied Vredenburghzone Tabel 3 geeft een overzicht van het effect van de geluidswallen in de situatie waarbij gerekend is met een hard bodemgebied in de Vredenburghzone. Bijlage 4 geeft een overzicht van de volledige berekeningsresultaten per variant. Tabel 3: Overzicht resultaten hard bodemgebied

Harde bodem Variant VBL zonder wal VBL met 1 m wal VBL met 2 m wal

reductie t.o.v. zonder wal 0 tot 1 0 tot 3

extra reductie als gevolg van wal N451 1m 2m 0 tot 0,2 0 tot 0,9 0 tot 0,1 0 tot 1

Uit tabel 3 en bijlage 4 blijkt het volgende: • De reductie op de gecumuleerde geluidsbelasting in de situatie met een geluidswal van 1 meter langs de Vredenburghlaan bedraagt ten hoogste 1 dB. Ter plaatse van de meeste rekenpunten is de reductie nihil. • De reductie op de gecumuleerde geluidsbelasting in de situatie met een geluidswal van 2 meter langs de Vredenburghlaan bedraagt ten hoogste 3 dB. Ter plaatse van de meeste rekenpunten is de reductie 1 à 2 dB. • De combinatie van een geluidswal langs de Vredenburghlaan en een geluidswal langs de N451 geeft een reductie van 0 tot 1 dB. • Opgemerkt wordt dat de reducties van 1 à 2 dB met het menselijk oor niet waarneembaar zijn. Geluidsbelasting ten gevolge van de Vredenburghlaan Variant zacht bodemgebied in de Vredenburghzone Tabel 4 geeft een overzicht van de resultaten van de berekening van de geluidsbelasting t.g.v. de Vredenburghlaan met een zacht bodemgebied in de Vredenburghzone. Weergegeven zijn de hoogste waarden per berekeningspunt. Bijlage 5 geeft een overzicht van de effecten op alle berekeningshoogten. Tabel 4: Lden in dB met zacht bodemgebied Vredenburghzone

Punt 001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014

geen wal Lden =1 55 53 53 53 53 53 52 49 48 47 47 47 47 46

Identificatie 2019044583

1 meter geluidswal Lden = 2 1-2 55 0 52 1 52 1 52 1 52 1 52 1 51 1 49 0 47 1 47 0 46 1 46 1 46 1 45 1

2 meter geluidswal Lden = 3 1-3 55 0 49 4 49 4 49 4 47 6 47 6 47 5 49 0 46 2 44 3 43 4 41 6 41 6 40 6

6 van 23

Uit tabel 4 blijkt het volgende: • Ter plaatse van punt 001 bedraagt de reductie 0 dB. De geluidsbelasting is in alle varianten 55 dB. Dit komt doordat ter hoogte van punt 001 geen wal geprojecteerd is langs de Vredenburghlaan en de Bentwoudlaan (het verlengde van de Vredenburghlaan). • Een geluidswal van 1 meter hoog geeft slechts een reductie van 1 dB. • Bij een geluidswal van 2 meter hoog bedraagt de reductie ten hoogste 6 dB op de eerste rij berekeningspunten en 7 dB op de achterste rij berekeningspunten. Ter plaatse van de punten 004, 005 , 006, 007, 011, 012, 013 en 014 is de afscherming van de geluidswal het meest effectief omdat gezien vanuit deze punten de Vredenburghlaan voor het grootse deel achter de geluidswal ligt. Variant halfzacht bodemgebied in de Vredenburghzone Tabel 5 geeft een overzicht van de resultaten van de berekening van de geluidsbelasting t.g.v. de Vredenburghlaan met de halfzacht bodemgebied in de Vredenburghzone. Weergegeven zijn de hoogste waarden per berekeningspunt. Bijlage 6 geeft een overzicht van de effecten op alle berekeningshoogten. Tabel 5: Lden in dB met halfzacht bodemgebied Vredenburghzone

Punt 001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014

geen wal Lden =1 56 55 54 55 55 55 54 50 49 50 49 50 49 48

1 meter geluidswal Lden = 2 1–2 56 0 54 1 54 0 54 1 54 1 54 1 53 1 50 0 49 0 49 1 48 1 49 1 48 1 47 1

2 meter geluidswal Lden = 3 1–3 56 0 50 5 51 3 50 5 49 6 49 6 48 6 49 1 47 2 46 4 44 5 43 7 43 6 42 6

Uit tabel 5 blijkt het volgende: • Ter plaatse van punt 001 bedraagt de reductie 0 dB. De geluidsbelasting is in alle varianten 56 dB. Dit komt doordat ter hoogte van punt 001 geen wal geprojecteerd is langs de Vredenburghlaan en de Bentwoudlaan (het verlengde van de Vredenburghlaan). • Een geluidswal van 1 meter hoog geeft slechts een reductie van 1 dB. • Bij een geluidswal van 2 meter hoog bedraagt de reductie ten hoogste 6 dB op de eerste rij berekeningspunten en 7 dB op de achterste rij berekeningspunten. Ter plaatse van de punten 004, 005 , 006, 007, 011, 012, 013 en 014 is de afscherming van de geluidswal het meest effectief omdat gezien vanuit deze punten de Vredenburghlaan voor het grootse deel achter de geluidswal ligt.

Identificatie 2019044583

7 van 23

Variant hard bodemgebied in de Vredenburghzone Tabel 6 geeft een overzicht van de resultaten van de berekening van de geluidsbelasting t.g.v. de Vredenburghlaan met een hard bodemgebied in de Vredenburghzone. Weergegeven zijn de hoogste waarden per berekeningspunt. Bijlage 7 geeft een overzicht van de effecten op alle berekeningshoogten. Tabel 6: Lden in dB met hard bodemgebied Vredenburghzone

Punt 001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014

geen wal Lden =1 57 56 56 57 57 57 56 51 52 52 52 53 53 52

1 meter geluidswal Lden = 2 1-2 57 0 56 0 56 0 56 1 56 1 56 1 55 1 51 0 51 1 51 1 51 1 51 2 51 2 50 2

2 meter geluidswal Lden = 3 1-3 57 0 52 4 52 4 52 5 51 6 51 6 50 6 50 1 48 4 47 5 46 6 45 8 45 8 44 8

Uit tabel 6 blijkt het volgende: • Ter plaatse van punt 001 bedraagt de reductie 0 dB. De geluidsbelasting is in alle varianten 57 dB. Dit komt doordat ter hoogte van punt 001 geen wal geprojecteerd is langs de Vredenburghlaan en de Bentwoudlaan (het verlengde van de Vredenburghlaan). • Een geluidswal van 1 meter hoog geeft een reductie van 1 à 2 dB. • Bij een geluidswal van 2 meter hoog bedraagt de reductie ten hoogste 6 dB op de eerste rij berekeningspunten en 8 dB op de achterste rij berekeningspunten. Ter plaatse van de punten 004, 005 , 006, 007, 010, 011, 012, 013 en 014 is de afscherming van de geluidswal het meest effectief omdat gezien vanuit deze punten de Vredenburghlaan voor het grootse deel achter de geluidswal ligt. • De geluidsbelasting met een hard bodemgebied in de Vredenburghzone is hoger dan in de twee voorgaande varianten (zacht en half zacht bodemgebied). Vergelijking tussen de varianten Uit vergelijking tussen de verschillende bodemvarianten blijkt dat de verschillen onderling circa 1 dB bedragen. 1 dB is met het menselijk oor niet waarneembaar. Het verschil met de variant met harde bodem is groot. De geluidsbelasting met harde bodem is 2 tot 4 dB hoger dan de geluidsbelasting in de beide andere varianten (de te behalen reductie is wel hoger maar wordt geheel teniet gedaan door de hogere geluidsbelasting).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11864781/1