CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Energy Hub Toelichting 3

Besluitvormende raadsvergadering 15 december 2021, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: RV.RB. Bestemmingsplan 'Energy Hub'15.347 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De effectafstand is bepaald op basis van het meest risicorelevante ongevalscenario en is de afstand waarop slachtoffers kunnen vallen wanneer dat scenario optreedt. Volgens de huidige inzichten is het meest risicorelevante ongevalscenario bij LNG-tankstations het falen van de slang tijdens het lossen door een tankwagen en vervolgens het ontstaan van een wolkbrand. Om het aantal slachtoffers te beperken bevinden zich binnen de schil tussen de PR10-6 contour en de effectcontour geen kwetsbare objecten, beperkt kwetsbare objecten zijn inpasbaar door het treffen van maatregelen die gericht zijn op beperking van het aantal slachtoffers in geval van een calamiteit binnen deze schil. Deze maatregelen bestaan eruit dat er communicatie over de gevaaraspecten plaatsvindt met gebruikers van de objecten en dat er bijvoorbeeld stappen worden gezet om de ventilatie van gebouwen met het oog op de veiligheid te verbeteren, vluchtroutes tot stand te brengen of venstertijden voor het lossen te hanteren. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het plaatsgebonden risico onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn

27

Energy Hub

veiligheidsafstanden (PR10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het groepsrisico verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gelden. Op grond van het Bevb moet zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 6.6.2

Onderzoek

Externe veiligheid vanwege de inrichting De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een tankstation waar onder andere LNG wordt verkocht (doorzet 5.000 m3 per jaar) en een parkeerplaats voor vrachtwagens. Het gaat hier om een risicovolle inrichting waarop de Circulaire externe veiligheid LNG van toepassing is. Om de veiligheidsrisico's in kaart te brengen is een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd (QRA). De QRA is opgenomen als Bijlage 9 (Risicoanalyse LNG, CNG & waterstof-tankstation Waddinxveen). Plaatsgebonden risico De onderstaande figuur toont de plaatsgebonden risicocontouren. De contour voor de grenswaarde van het plaatsgebonden risico van 1,0*10-6 per jaar ligt gedeeltelijk buiten de inrichting. Binnen de contour bevindt zich geen gebied dat is bestemd voor (beperkt) kwetsbare objecten. De onderstaande tabel toont de relatieve bijdrage van de ongevalsscenario’s aan het plaatsgebonden risico in de punten P1 en P2 (zie onderstaande figuur voor de ligging van deze punten). Deze punten zijn representatief voor de grenswaarde van het plaatsgebonden risico. Scenario’s met een relatief kleine bijdrage zijn niet afgedrukt.

Bepalend voor de ligging van de contour van 1,0*10-6 per jaar in punt P1 is het scenario breuk van de CNG compressor, breuk van de pomp van de tankauto en instantaan falen van de LNG tank en in punt P2 zijn de scenario’s breuk van de slang van de tankauto en de BLEVE door externe impact van de tankauto bepalend.

28

Energy Hub

Relatieve bijdrage scenario’s

Plaatsgebonden risicocontouren

29

Energy Hub

Zoals reeds vermeld is er interimbeleid voor LNG-tankstations ontwikkeld. Eén van de uitgangspunten is een minimum afstand voor het plaatsgebonden risico van vijftig meter aan te houden vanaf het vulpunt tot (beperkt) kwetsbare objecten, onafhankelijk van de berekende grenswaarde van het plaatsgebonden risico. Een ander uitgangspunt is de locatie van het LNG-tankstation danwel objecten in de omgeving zo te kiezen dat in het gebied tussen de grenswaarde van het plaatsgebonden risico en de effectafstand van het LNG-tankstation geen kwetsbare objecten zijn gelegen of gerealiseerd kunnen worden. Beperkt kwetsbare objecten zijn mogelijk, maar hieraan moet een motivering ten grondslag liggen. Deze effectafstand is minimaal vijftig meter en kan groter zijn afhankelijk van de wijze waarop de installatie is ontworpen. Voor de hier beschreven installatie (ESD-systeem waarmee de uitstroming bij breuk van de losslang wordt gedetecteerd en ingeblokt, vullen van het opslagvat via de dampruimte, lossen vanuit de tankauto met een pomp en een voordruk kleiner dan 3.2 bar(g)) is de effectafstand gelijk aan vijftig meter. De onderstaande figuur toont de minimum afstand en de effectafstand samen met de berekende grenswaarde van het plaatsgebonden risico. De grenswaarde ligt gedeeltelijk binnen het gebied van vijftig meter rond het vulpunt.

Voor de beoordeling is dan het gebied begrensd door de omhullende van de minimum afstand van vijftig meter en de grenswaarde maatgevend. Ook binnen dit gebied bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare objecten, maar wel (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten.

Ministerie I&M interim beleid LNG-tankstations (roze gebied rond het vulpunt met een straal van vijftig meter) en de grenswaarde van het plaatsgebonden risico (rode contour)

30

Energy Hub

Groepsrisico Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Het groepsrisico wordt weergegeven in een zogenaamde fN-curve: op de verticale as staat de cumulatieve kans per jaar f op een ongeval met N of meer slachtoffers en op de horizontale as het aantal slachtoffers N. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is gelijk aan 10-3 /N2 , dat wil zeggen een frequentie van 10-5 per jaar voor tien slachtoffers, 10-7 per jaar voor honderd slachtoffers en geldt vanaf het punt met tien slachtoffers. Onderstaande figuur toont het berekende groepsrisico (blauwe lijn) en de oriëntatiewaarde fN2 = 10-3 (bruine lijn). Het groepsrisico ligt onder de oriëntatiewaarde. Het maximaal aantal slachtoffers is circa vijftig De bovenstaande tabel toont de scenario’s die bepalend zijn voor het groepsrisico. De scenario’s zijn gerangschikt naar de relatieve bijdrage aan de risico integraal (het oppervlak van de bijdrage van dit scenario aan de fN-curve). Tevens is aangeduid de frequentie in het bereik > tien slachtoffers. De belangrijkste scenario’s zijn het falen van het opslagvat.

Groepsrisico In het onderzoek is opgenomen (pagina 30, tabel 23) dat er in de nacht geen mensen aanwezig zijn op de truckparking. Er wordt met dit bestemmingsplan wel de mogelijkheid voor overnachting geboden. Wat betreft de conclusies van de risicoanalyse neemt het groepsrisico niet significant toe als er wel rekening wordt gehouden met aanwezigheid personen in de nacht (maximaal 50 personen aanwezig in de nacht is eerder aangegeven). Voor externe veiligheid leidt het dus niet tot andere conclusies als wel rekening wordt gehouden met aanwezigheid personen in de nacht op de truckparking. Transport gevaarlijke stoffen Voor het transport van gevaarlijke stoffen is transport over de weg rijksweg A12 relevant. Voor de weg geldt een plaatsgebonden risicocontour van 0 m en er is geen plasbrandaandachtsgebied aanwezig. Het groepsrisicoplafond ligt op een afstand van 48 m, gemeten vanaf het midden van de weg. Vanwege de (beperkte) toename van het groeprisico moet een groepsrisicoverantwoording worden opgesteld. In die verantwoording moet men ingaan op de maatregelen die genomen (kunnen) worden om het risico te verlagen, de bestuurlijke afweging van de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de overgebleven risico’s, de zelfredzaamheid van mensen in het risicogebied en de rampenbestrijding, zie onderstaand. Verantwoording groepsrisico

31

Energy Hub

Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Bij de ontwikkeling van het plangebied moet voor een adequate hulpverlening rekening worden gehouden met bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Het plangebied moet bereikbaar zijn via minstens twee, bij voorkeur drie toegangswegen. De wegen binnen het plangebied moeten minimaal 4,5 meter breed zijn (minimale verharding breed 3,25 meter) met een vrije hoogte van 4,2 meter. Voor de gebouwen geldt dat primaire bluswatervoorziening binnen 40 meter vanaf de brandweeringang aanwezig dient te zijn. De maximale afstand tussen de inzetlocatie en de dichtstbijzijnde secundaire bluswatervoorziening mag maximaal 160 meter zijn. In de Praktijkrichtlijn Bluswatervoorziening en de Praktijkrichtlijn Bereikbaarheid, zoals vastgesteld door de Regionale Brandweer Hollands Midden, staan deze en andere punten uitgebreid omschreven. Zelfredzaamheid Voor het plangebied kan er grotendeels van worden uitgegaan dat de personen binnen het plangebied zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits tijdig gewaarschuwd, zonder hulp van de hulpverleningsdiensten. Voor de objecten waarbij de personen zichzelf niet zonder hulp in veiligheid kunnen brengen (zoals bijvoorbeeld opvanghuizen) is extra aandacht nodig. Restrisico Hoewel de kans op een zwaar ongeval of ramp met gevaarlijke stoffen in het algemeen klein is, blijft een restrisico aanwezig.

Het restrisico geeft aan hoeveel slachtoffers en materiële schade er overblijven na het toepassen van risicoreducerende maatregelen, zoals alarmering, verbeteren bereikbaarheid en bluswatervoorziening en verhogen zelfredzaamheid. Het aantal gewonden zal een veelvoud zijn van het aantal berekende dodelijke slachtoffers. Ondanks alle voorgestelde maatregelen is er een kans dat er een calamiteit ontstaat waarvoor in de eerste uren de inzet van de hulpverleningsdiensten niet toereikend is, met name omdat tegelijk getracht wordt de bron te bestrijden en de omgeving te ontruimen. Op basis van de beschouwde scenario's en ervan uitgaande dat de voorgeschreven ruimtelijke en niet-ruimtelijke maatregelen worden getroffen, acht de gemeente het risico verantwoord. Windturbine Ten behoeve van de ruimtelijke inpassing van het plan is bekeken wat de risico's zijn van de naastgelegen windturbine op de parkeerplaatsen en de mogelijke effecten hiervan, zie bijlage 11. Namens het Ministerie van economische zaken, Landbouw en Innovatie is er een informatiebrochure opgesteld met betrekking tot windenergie bij bedrijventerreinen. Hierin wordt aandacht geschonken aan de externe veiligheid van windturbines ten opzichte van objecten van derden. Hierin is er onderscheid gemaakt tussen de PR10-6 - en PR 10-5 -contour.

Op basis kan worden geconcludeerd dat de PR 10-6 -contour 150 meter is en de PR 10-5 -contour 45 meter is, zie afbeelding in paragraaf 3.1.1 voor de betreffende contouren in relatie tot het bouwplan. De truckparking valt binnen de PR 10-6 -contour maar is geen kwetsbaar object. Een drietal parkeerplekken vallen binnen de PR 10-5 -contour en dit betekent dat hier geen overnachtingen mogen plaatsvinden. Deze drie parkeerplekken zullen expliciet niet gebruikt worden voor overnachtingen en zullen zo gemarkeerd worden. Dit is in de planregels als zodanig geborgd. 6.6.3

Conclusie

Het voornemen is een tankstation met een LNG- en waterstofinstallatie te plaatsen aan de Overslagweg in Waddinxveen. In het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning is deze risicoanalyse opgesteld. De contour voor de grenswaarde van het plaatsgebonden risico van 1,0 10-6 per jaar ligt gedeeltelijk buiten het terrein van de inrichting. Binnen de contour bevindt zich geen gebied dat is bestemd voor (beperkt) kwetsbare objecten. Het ministerie I&M heeft een interim beleid voor LNG-tankstations ontwikkeld. Eén van de uitgangspunten is een minimum afstand voor het plaatsgebonden risico van vijfitig meter aan te houden vanaf het vulpunt tot beperkt) kwetsbare objecten, onafhankelijk van de berekende grenswaarde van het plaatsgebonden risico. Een ander uitgangspunt is de locatie van het LNG-tankstation danwel objecten in de omgeving zo te kiezen

32

Energy Hub

dat in het gebied tussen de grenswaarde van het plaatsgebonden risico en de effectafstand van het LNG-tankstation geen kwetsbare objecten zijn gelegen of gerealiseerd kunnen worden. Beperkt kwetsbare objecten zijn mogelijk, maar hieraan moet een motivering ten grondslag liggen. Deze effectafstand is minimaal vijftig meter en kan groter zijn afhankelijk van de wijze waarop de installatie is ontworpen. Voor de hier beschreven installatie (ESD-systeem waarmee de uitstroming bij breuk van de losslang wordt gedetecteerd en ingeblokt, vullen van het opslagvat via de dampruimte, lossen vanuit de tankauto met een pomp en een voordruk kleiner dan 3,2 bar(g)) is deze minimum afstand gelijk aan vijftig meter. De grenswaarde ligt gedeeltelijk binnen het gebied van vijftig meter rond het vulpunt. Voor de beoordeling is dan het gebied begrensd door de omhullende van de minimum afstand van vijftig meter en de grenswaarde maatgevend. Ook binnen dit gebied bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare objecten. Het groepsrisico is kleiner dan de oriëntatiewaarde. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Veiligheidsregio Hollands Midden heeft advies uitgebracht over de veiligheidsrisico's, zie bijlage 10, en is akkoord met de uitgevoerde onderzoeken en onderbouwingen.

6.7

Geluid

Toetsingskader Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven, liggen geluidszones. Binnen deze geluidzones moet de geluidsbelasting op gevels van geluidsgevoelige gebouwen binnen de in de Wet geluidhinder gestelde eisen blijven. Onderzoek en conclusie Er worden met dit bestemmingsplan geen nieuwe geluidsgevoelige ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Nader onderzoek naar geluidshinder is om die reden dan ook niet aan de orde.

6.8

Ladder voor duurzame verstedelijking

Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Sinds augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Hiervoor is een nieuwe handreiking opgesteld. De Ladder is geen op zichzelf staand instrument maar is onderdeel van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de minister van Infrastructuur en Waterstaat. De betreffende minister zorgt ervoor dat decentrale overheden over de juiste instrumenten beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Onderdeel hiervan is het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. Om die reden heeft de provincie Zuid-Holland de Laddersystematiek overgenomen in haar Visie ruimte en mobiliteit (VRM). Onderzoek Voor de ladder voor duurzame verstedelijking moet een aantal vragen worden doorlopen. Is er sprake van een nieuwe stedelijke functie? De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. In dit geval betreft het 'overige stedelijke functies'.

Als een plan met overige functies wordt aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de Ladder worden toegepast. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt men door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voorgenomen planologische mogelijkheid betreft de bouw een tankstation voor verschillende brandstoffen en een parkeerterrein voor circa 76 vrachtwagens. Er is daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling. De vervolgvraag is of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte.

33

Energy Hub

Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In beginsel is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag gelijk blijft of indien de planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen voorziet een plan dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, tenzij die functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit concrete geval is de voorziene bebouwing (zie paragraaf 3.1.1) niet groter dan de al maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Wel is het echter zo dat er sprake is van een planologische functiewijziging in die zin dat ten aanzien van de bestaande situatie, dit planvoornemen voorziet in een extra tankstation ter plaatse.

Zo bezien is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is het dus noodzakelijk de Laddertoets te doorlopen. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. De behoefte bepaalt men aan de hand van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Het ruimtelijk verzorgingsgebied is gerelateerd aan de aard en omvang van de ontwikkeling. Deze behoefte is in paragraaf 3.1.3 besproken en aangetoond. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Vervolgvraag is of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ligt. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Het tankstation is voorzien net buiten het bedrijventerrein 'Distripark' en daarmee bevindt de projectlocatie zich deels buiten het bestaand stedelijk gebied. Binnen het bestaand stedelijk gebied zijn geen geschikte locaties voorhanden waar in redelijkheid een tankstation en parkeerplaats voor vrachtwagens met de daarbij behorende veiligheidsafstanden en gunstige ligging ten opzichte van infrastructuur voorhanden.

Er is gezocht naar locaties aansluitend aan bestaand stedelijk gebied en gelegen langs daarvoor geschikte infrastructuur. De beoogde locatie is gelegen tussen de rijksweg A12, de provinciale weg N457 en het bedrijventerrein en is daarmee geschikt voor de beoogde functie. Door de ligging van het plangebied is het te bouwen tankstation zeer goed bereikbaar voor dit verkeer. Het is vanuit praktische overwegingen en vanuit veiligheid wenselijk om een tankstation ten behoeve van dit autoverkeer (vrijwel) direct naast de provinciale weg mogelijk te maken. Daarmee is in voldoende mate de behoefte voor de locatie buiten bestaand stedelijk gebied onderbouwd. Tevens is in redelijkheid ook niet te verwachten dat het plan een zodanige leegstand tot gevolg zal hebben, dat dit tot een onaanvaardbare situatie zal leiden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Na toetsing van het project aan de Ladder voor duurzame verstedelijking kan worden geconstateerd dat de Laddertoets geen belemmering oplevert voor onderhavige ontwikkeling. Aan artikel 2.1.1, sub a, van de VRM wordt voldaan waardoor een toetsing aan de overige subleden niet noodzakelijk is.

34

Energy Hub

6.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt bestaat uit hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2 )

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

Fijnstof (PM10 )

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

24-uurgemiddelde concentratie

maximaal 35 keer per jaar meer dan 50 µg/m3

Tabel 1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden of ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden of ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2 µg/m3 ); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van een tankstation en een parkeerplaats voor vrachtwagens en leidt tot een toename van verkeer van 1.311 motorvoertuigen per etmaal (weekdaggemiddelde), zie bijlage 12.

160 voertuigbewegingen per etmaal zijn gebruikers van de parkeerplaats voor vrachtwagens, eventueel in combinatie met het tankstation. Totaal betreft de verkeersgeneratie daarmee 1.471 voertuigbewegingen per etmaal. Hierbij wordt op grond van ervaringscijfers uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 50%, zie bijlage 12. Uit de nibm-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 5,23 µg/m3 en van fijnstof van 0,75 µg/m3 (zie figuur 12).

35

Energy Hub

Figuur 12. Uitkomst Nibm-tool. Uit de nibm-tool blijkt dat niet zonder meer gesteld kan worden dat het tankstation niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Om de effecten van de E-hub op de luchtkwaliteit te bepalen is onderzocht wat de concentraties luchtverontreinigende stoffen langs de dichtstbijzijnde weg bedroegen. De dichtstbijzijnde weg betreft de rijksweg A12, ten noorden van het plangebied. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2018; 29 µg/m3 voor NO2 en20 µg/m3 voor PM10 . De bijdrage van het plan leidt niet tot overschrijding van de grenswaarden zoals opgenomen in tabel 1. Daarbij wordt opgemerkt dat het extra verkeer dat zal gebruikmaken van het tankstation reeds aanwezig is op het omliggende wegennetwerk. Het duurzame tankstation levert door de verkoop van duurzamere en schonere brandstoffen een bijdrage aan het verbeteren van de luchtkwaliteit.

Figuur 13. Concentratie NO2 in 2018

36

Energy Hub

Figuur 14. Concentratie PM10 in 2018 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planologische ontwikkelingen die dit bestemmingplan mogelijk maakt. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.

6.10 Verkeer Verkeersstructuur Zowel de inrit als de uitrit van het te bouwen E-hub sluiten aan op de Overslagweg. Deze weg is recent in oostelijke richting doorgetrokken naar de tevens recent aangelegde Moordrechtboog die een directe verbinding geeft met de rijkswegen A12 en A20. Door de goede ontsluiting van het bedrijventerrein en een beoogde tweede ontsluiting die direct toegang geeft tot het omliggende hoofdwegennet, is de bereikbaarheid goed te noemen. Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling Onderzoek is gedaan naar de ontsluiting van het tankstation en parkeerplaats voor vrachtwagens op de Overslagweg, zie bijlage 13, waarbij gekeken is naar de verkeersafwikkeling en het ontwerp van de ontsluiting. Er komen in totaal gemiddeld 1.471 verkeersbewegingen per etmaal van en naar het tankstation en parkeerplaats voor vrachtwagens op het Distripark A12. 1.311 verkeersbewegingen zijn alleen gerelateerd aan het tankstation. 160 voertuigbewegingen per etmaal zijn gebruikers van de truckparking, eventueel in combinatie met het tankstation. De verwachting is dat het merendeel van de motorvoertuigen die de locatie verlaten richting het kruispunt met de Moordrechtboog (N457) gaan. Aangezien de ontsluiting van de locatie relatief dicht op het kruispunt met de Moordrechtboog (N457) ligt, is hiervoor het ontwerp nader beschouwd.

De aansluiting van de locatie op de Overslagweg wordt geblokkeerd door de wachtrij voor het kruispunt met de Moordrechtboog. Als gevolg hiervan kan de doorstroming rond de aansluiting worden gehinderd. Om de verkeersafwikkeling rond de aansluiting te verbeteren is het aan te bevelen om de aansluiting verder van de verkeerslichten af te realiseren. Hierdoor ligt de aansluiting niet ter hoogte van de opstelvakken/wachtrij voor de verkeerslichten. In het ontwerp en voorliggend bestemmingsplan is hiermee rekening gehouden. Naast de aansluiting van het terrein op de Overslagweg is ook het ontwerp van het terrein van de locatie beoordeeld. De betreffende aandachtspunten worden verder meegenomen in de uitwerking van het ontwerp.

37

Energy Hub

Parkeren Dit bestemmingsplan voorziet in een onbemande E-hub. Parkeerplaatsen maken geen onderdeel uit van het plan met uitzondering van de twee parkeerplaatsen die zijn gereserveerd voor het elektrisch opladen van personenwagens. Conclusie De bereikbaarheid van de locatie is goed. Ook zal het verkeer ten gevolge van de ontwikkeling niet leiden tot knelpunten.

6.11 Niet gesprongen explosieven In 2012 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen. Hieruit blijkt dat het plangebied verdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. Geadviseerd wordt bij werkzaamheden om hier rekening mee te houden.

6.12 Milieueffectrapportage Toetsingskader Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage' en is bepaald dat de grenswaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplicht indicatief zijn. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In het kader hiervan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is gewijzigd. De wijziging is het gevolg van de implementatie van Richtlijn 2014/52/EU die ziet op het wijzigen van Richtlijn 2011/92/EU. Dit is de richtlijn die ziet op projecten (vierde kolom). De wijzigingsrichtlijn is voor het overgrote deel geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Het gewijzigde Besluit m.e.r. is in werking getreden op 7 juli 2017. Eén van de belangrijkste gevolgen van de wijziging van het Besluit m.e.r. is dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. Dit is geregeld in artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r. De aanmeldnotitie beschrijft de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu en geeft een conclusie omtrent de noodzaak tot een m.e.r.-procedure. Aan de hand van deze informatie kan het bevoegd gezag een beslissing nemen of voor de voorgenomen activiteit een MER dient te worden opgesteld.

Onderstaande afweging kan worden beschouwd als, de tekst van, een dergelijke aanmeldnotitie. Onderzoek en conclusies De activiteiten die mogelijk wordt gemaakt, vallen ten eerste onder onderdeel D 25.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Onderdeel D 25.2 betreft: 'oprichting, wijziging of uitbreiding van een

38

Energy Hub

installatie bestemd voor de bovengrondse opslag van aardgas'. De drempelwaarde van de betreffende categorie wordt niet overschreden (een opslagcapaciteit van 100.000 m3 of meer). Dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zal blijken of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen. In het navolgende is de vormvrije m.e.r.-beoordeling behandeld. Ten tweede vallen de activiteiten van het bestemmingsplan onder onderdeel D 11.2 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het gaat dan om de op te richten horecagelegenheid. Onderdeel D 11.2 betreft: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarde van de betreffende categorie wordt niet overschreden (in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer [of] een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer). Dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zal blijken of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen.

Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk in overeenstemming met het Besluit m.e.r. Zie bijlage 14.

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische toelichting

Algemeen

Dit hoofdstuk bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit: een verbeelding van het bestemmingsplangebied zowel analoog (bestaande uit een kaartblad, schaal 1:1.000 met bijbehorende legenda en verklaring) als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen; de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd. Daarnaast is het bestemmingsplan voorzien van een toelichting omdat het op grond van artikel 3.1.6 van het Bro verplicht is om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachten aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld.

De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige bestemmingsregels puntsgewijs besproken.

39

Energy Hub

7.2

De bestemmingen

In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de bestemmingsregels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs. 7.2.1

Inleidende regels

Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Begrippen) en de wijze van meten (Wijze van meten). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast conform de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'. Voor de begrippen is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan dat elders in Waddinxveen geldt: 'Distripark Doelwijk 2009'. Voor de wijze van meten geldt dat ook deze overeenkomt met dat bestemmingsplan. 7.2.2

Bestemmingsregels

Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg Ten eerste hebben een groot deel van de gronden in het bestemmingsplan de functie die het mogelijk maakt om het tankstation en de parkeerplaats te realiseren. De functieomschrijving zal bepalen dat alleen een inrichting ten behoeve van de verkoop van motorbrandstoffen zonder lpg is toegestaan en dat parkeervoorzieningen zijn toegestaan. De regels van het plan zullen onder andere bouwregels omvatten die het mogelijk maakt om het tankstation te bouwen. Dat zal worden gedaan door het toelaten van een overkapping met daaraan een voorwaarde dat de overkapping niet groter mag zijn dan een vastgestelde grootte. Deze bouwregels sluiten aan bij het ontwerp, zoals ook weergegeven in paragraaf 3.1.1. Er wordt in de regels geen gebruikgemaakt van aanduidingen (zoals een bouwvlak) op de verbeelding maar vrijwel alles wordt verbaal geregeld. Tot slot zullen de gebruiksregels bepalen dat het tankstation niet anders wordt gebruikt dan zoals in deze toelichting uiteen is gezet. Groen Binnen deze bestemming zijn behalve groenvoorzieningen ook de aanleg van voet- en fietspaden, (perceel-) in- en uitritten en dergelijke toegelaten. Verder zijn straatmeubilair en speelvoorzieningen mogelijk. De maximum bouwhoogte is bepaald op 3 meter.

Eén van de vier windmolens langs de A12 is in de bestemming 'Groen' gebouwd en als zodanig in het bestemmingsplan geregeld. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor de parkeerplaats voor vrachtwagens, met de daarbij behorende wegen, straten en paden . Daarbij mogen de gronden ook voor 'daarbij behorende' functies worden gebruikt. Dat houdt in dat het bijvoorbeeld is toegestaan om fiets- en voetpaden, straatmeubilair, groenvoorzieningen en waterpartijen aan te leggen. Water In het plangebied wordt voorzien in het aanleggen en in stand houden van voldoende oppervlaktewater en de benodigde waterberging. Het aanwezige water en de nog aan te leggen waterpartijen zijn door middel

40

Energy Hub

van de bestemming Water als zodanig bestemd en daarmee veilig gesteld. Toegestaan zijn bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming Water. Waarde - Archeologie 3 De bestemming 'Waarde - Archeologie 3' is opgenomen omdat voor de betreffende gronden archeologische verwachten gelden. Deze bestemming beschermt die archeologische verwachtingen door te bepalen dat het niet zondermeer is toegestaan om bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 2,50 m uit te voeren. De bestemming biedt wel de mogelijkheid om hiervan door middel van een omgevingsvergunning af te wijken. 7.2.3

Algemene regels

Artikel 8 : Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel in artikel 2 ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan. Artikel 9 : Algemene bouwregels De algemene gebruiksregels in artikel bepalen dat, ongeacht wat de bestemmingsregels (Bestemmingsregels) bepalen dat in de gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan meer respectievelijk minder bedragen dan ingevolge de bestemmingsregels is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden. Artikel 10 : Algemene gebruiksregels De algemene gebruiksregels bepalen dat het niet is toegestaan om ter plaatse van het bestemmingsplan de gronden te gebruiken voor bijvoorbeeld de opslag van materialen die aan hun oorspronkelijke gebruik zijn onttrokken. Op die manier wordt ter plaatse voorkomen dat afvalstromen ontstaan. Daarnaast is het ook niet toegestaan om op gronden van dit bestemmingsplan prostitutie, een seksinrichting of een coffeeshop uit te oefenen.

Artikel 11 : Algemene afwijkingsregels De algemene afwijkingsregels regelen ondere andere dat indien blijkt dat de maten, afmetingen en percentages van bouwwerken daar aanleiding toe geven, er met niet meer dan 10% van mag worden afgeweken. Wel is daarvoor een omgevingsvergunning nodig. Verder bepalen de algemene afwijkingsregels dat ook op andere manieren in geringe mate van de bestemmingsregels mag worden afgeweken. Artikel 14: Overige regels Tot slot voorzien de 'Overige regels' in een parkeernorm voor het plangebied. Voorkomen worden dat het plan tot parkeeroverlast in de omgeving leidt. 7.2.4

Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Bebouwing die niet voldoet aan de regels van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10% wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

41

Energy Hub

Tot slot bevat hoofdstuk 4 de slotregel waarin is aangegeven hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 8

Economische uitvoerbaarheid

Het plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het project zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemers. Over de kosten voor het volgen van de ruimtelijke procedure, zijn afspraken gemaakt in een anterieure overeenkomst. Het bouwproject wordt gefinancierd uit eigen middelen van de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden: Voorbereidingsfase De gemeente Waddinxveen voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro haar voornemen (vaak als een concept- dan wel voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ook kan de gemeente aan belangstellenden de mogelijkheid bieden om te reageren op het voorontwerpbestemmingsplan via inspraak. In dit geval is er voor gekozen voor het plan geen inspraakprocedure te volgen. Er zijn wel vier vooroverlegreacties ingediend. Deze reacties leiden niet tot inhoudelijke wijzigingen van het bestemmingsplan. Terinzageleggingsfase Het ontwerpbestemmingsplan is na aankondiging in de Staatscourant, het Gemeenteblad en de website www.officielebekendmakingen.nl voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. In de periode van 17 juni 2021 t/m 28 juli 2021 kon een ieder een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Vaststellingsfase Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste twaalf weken vast. Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Dit gebeurt als volgt: Indien Gedeputeerde Staten (GS) een zienswijze heeft ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging zes weken na vaststelling. Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan eventuele zienswijzen van GS wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk twee weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk twee weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Binnen zes weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan is ingediend, is het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10801961/1