CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Energy Hub Toelichting 3

Besluitvormende raadsvergadering 15 december 2021, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: RV.RB. Bestemmingsplan 'Energy Hub'15.347 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan Energy Hub vastgesteld

bestemmingsplan Toelichting

Energy Hub vastgesteld

Energy Hub

Inhoudsopgave

Toelichting

4

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding/ doel 1.2 Ligging en begrenzing 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer

4 4 4 4 6

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie 2.1 Ruimtelijke karakteristiek

7 7

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Toekomstige situatie

8 8

Hoofdstuk 4 Beleid 4.1 Nationaal beleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid 4.4 Relatie met het bestemmingsplan

12 12 14 20 21

Hoofdstuk 5 Water 5.1 Beleid 5.2 Huidige situatie 5.3 Toekomstige situatie 5.4 Toetsing waterschapsbeleid

21 21 22 22 23

Hoofdstuk 6 Milieu- en omgevingsaspecten 6.1 Archeologie 6.2 Bedrijven en milieuzonering 6.3 Bodem 6.4 Cultuurhistorie 6.5 Ecologie 6.6 Externe veiligheid 6.7 Geluid 6.8 Ladder voor duurzame verstedelijking 6.9 Luchtkwaliteit 6.10 Verkeer 6.11 Niet gesprongen explosieven 6.12 Milieueffectrapportage

23 23 24 25 25 25 26 33 33 35 37 38 38

Hoofdstuk 7 Juridische toelichting 7.1 Algemeen 7.2 De bestemmingen

39 39 40

Hoofdstuk 8

Economische uitvoerbaarheid

42

Hoofdstuk 9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

42

3

Energy Hub

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding/ doel

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op het aanleggen van een tankstation en een parkeerterrein voor vrachtwagens aan de Overslagweg in de gemeente Waddinxveen. De initiatiefnemer van het plan wil een Energy Hub (E-hub) realiseren, nabij het kruispunt Moordrechtboog (N457) – Overslagweg. Een E-hub betreft een locatie waar naast de conventionele brandstoffen ook alternatieve energiebronnen worden getankt/afgegeven. De planlocatie aan de Overslagweg wordt een onbemand verkooppunt van de nieuwe brandstoffen LNG (vloeibaar aardgas), CNG, waterstof en AdBlue en de conventionele brandstoffen Diesel, Euro 95 en E10. Ook wordt elektrisch laden aangeboden. Zoals aangegeven moet dit bestemmingsplan het ook planologisch mogelijk maken om aan de noordzijde van het tankstation een parkeerplaats voor circa 76 vrachtwagens te realiseren. De nu geldende bestemmingsplannen maken de realisatie van het verkooppunt en parkeervoorzieningen voor vrachtwagens ter plaatse niet mogelijk. Om de ontwikkelingen wel mogelijk te maken, wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Dit voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing

Het perceel aan de Overslagweg is gelegen in de Zuidplaspolder op bedrijventerrein Distripark Doelwijk. Het bedrijventerrein ligt aan de zuidkant van de gemeente Waddinxveen, langs de rijksweg A12. Distripark Doelwijk wordt aan de westzijde ontsloten door de Bredeweg/Middelweg. De overslagweg en de N457 zijn met elkaar verbonden middels een kruispunt met verkeerslichten. Onderstaand figuur geeft de ligging van het plangebied op het Distripark weer evenals de ligging ten opzichte van omliggende infrastructuur. De nieuwe E-hub is gelegen bij de nieuwe ontsluiting van het Distripark.

Globale ligging plangebied weergegeven (rood kader).

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse gelden meerdere planologische regelingen. De planologische regelingen die gelden voor het plangebied zijn:

4

Energy Hub

bestemmingsplan 'Distripark Doelwijk 2009', vastgesteld op 17 februari 2010 door de gemeente Waddinxveen; Provinciaal inpassingsplan 'Gouweknoop, grondgebied Waddinxveen', vastgesteld op 25 januari 2012 door de provincie Zuid-Holland; 'Bestemmingsplan Aansluiting Moordrechtboog', vastgesteld op 23 maart 2016 door de gemeente Waddinxveen; bestemmingsplan 'Parapluplan archeologie en Parkeren', vastgesteld op 19 september 2018 door de gemeente Waddinxveen; 'Voorbereidingsbesluit inzake biomassacentrales' van de gemeente Waddinxveen, vastgesteld op 5 november 2018 door de gemeente Waddinxveen. Distripark Doelwijk 2009 Op grond van het bestemmingsplan 'Distripark Doelwijk 2009' geldt voor het deel van het plangebied de bestemmingen 'Groen' en 'Water'. De bestemming 'Groen' is bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. De bestemming 'Water' voorziet in waterhuishouding, waterbeheersing en bij de bestemming behorende voorzieningen. Het planvoornemen om ter plaatse van die bestemmingen een tankstation en een parkeerterrein aan te leggen, strookt niet met de functies van de bestemmingen. Om die reden moet worden afgeweken van het geldende bestemmingsplan. Provinciaal inpassingsplan 'Gouweknoop, grondgebied Waddinxveen' Voor een deel van de gronden geldt het provinciale inpassingsplan 'Gouweknoop, grondgebied Waddinxveen'.

Het inpassingsplan kent voor de betreffende gronden de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Verkeer'. Op grond van de bestemming 'Agrarisch' is ter plaatse agrarische bedrijfsvoering toegestaan. Dit planvoornemen voorziet in een andere functies en dus moet op dit onderdeel worden afgeweken van het planologische regime. De bestemming 'Verkeer' bepaalt dat de gronden zijn bestemd voor wegverkeer, fiets- en wandelpaden, groen en water. Ook daarmee strookt dit planvoornemen niet en dus is afwijken van het inpassingsplan noodzakelijk. Op grond van het vaststellingsbesluit van het inpassingsplan kan dat vijf jaar na vaststelling. Bestemmingsplan 'Aansluiting Moordrechtboog' Voor een klein deel en direct ten zuiden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Aansluiting Moordrechtboog'. Dit bestemmingsplan voorziet de gronden tussen de Nijverheidsweg en recent aangelegde Moordrechtboog van de bestemming 'Verkeer' om Distripark Doelwijk aan te sluiten op de Moordrechtboog (zie onderstaande figuur). Deze nieuw aangelegde weg speelt een belangrijke rol voor de beoogde E-hub omdat een snelle ontsluiting op de Moordrechtboog zorgt voor een goede verbinding met zowel de rijksweg A12 ten noorden als de rijksweg A20 ten zuiden van het plangebied.

5

Energy Hub

Uitsnede bestemmingsplan 'Aansluiting Moordrechtboog' (plangebied rood omlijnd). Het bestemmingsplan 'Aansluiting Moordrechtboog' heeft geen ruimtelijke gevolgen voor de onderhavige ontwikkeling. Bestemmingsplan 'Parapluplan archeologie en Parkeren' Voor alle gronden van het plangebied geldt het 'Parapluplan archeologie en Parkeren'. Op grond van dit bestemmingsplan moet ter plaatse van het plangebied voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en dieper dan 2,50 m beneden het maaiveld door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die als gevolg van het plan kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. Dit planvoornemen zal in paragraaf 6.1 verder ingaan op deze eis. Daarnaast moet het planvoornemen in voldoende parkeergelegenheid voorzien. Dit plan zal in paragraaf 3.1 van de toelichting hierop ingaan. 'Voorbereidingsbesluit inzake biomassacentrales' Voor alle gronden van het plangebied geldt het 'Voorbereidingsbesluit inzake biomassacentrales'. Het voorbereidingsbesluit bepaalt dat het bouwen van een middelgrote en grote biosmassacentrale (vanaf 1 MWth) niet meer bij recht kan worden toegestaan in een bestemmingsplan.

Omdat de bestemmingsplannen die gelden in het onderhavige plangebied niet in zulk bouwwerk voorzien en dit planvoornemen niet voorziet in de bouw van een biomassacentrale, heeft het voorbereidingsbesluit geen ruimtelijke gevolgen voor het onderhavige planvoornemen.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 4 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het plan relevante, beleid op de verschillende niveaus. Hoofdstuk 6 gaat in op de omgevingsaspecten. Tot slot bespreken hoofdstuk 8 en 9 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

6

Energy Hub

Hoofdstuk 2

Bestaande situatie

2.1

Ruimtelijke karakteristiek

2.1.1

Analyse omgeving plangebied

De planlocatie grenst aan het bedrijventerrein Distripark Doelwijk in de Zuidplaspolder. De Zuidplaspolder is een overwegend agrarisch gebied dat ligt in de driehoek Rotterdam - Zoetermeer - Gouda. Sinds 2002 werk de provincie Zuid-Holland samen met andere partijen aan grootschalige gebiedsontwikkeling. In de ontwikkeling staat een juiste combinatie van wonen, werken, recreatie en infrastructuur voorop. Het meest bepalend voor de ruimtelijke structuur zijn de snelwegen, de rijksweg A12 en de rijksweg A20, en de drie spoorlijnen, Gouda - Rotterdam, Gouda - Den Haag en Gouda - Leiden (RijnGouwelijn). Al deze infrastructuur heeft tot een versnippering van het gebied geleid. Distripark Doelwijk is strategisch gelegen tussen de rijkswegen A12 en A20. Door de aanleg en aansluiting op de Moordrechtboog (zie hoofdstuk 1) is de bereikbaarheid kort geleden verder verbeterd. Zowel vanwege de ligging als vanwege gunstige vestigingsfactoren en het ontbreken van een vergelijkbaar bedrijventerrein in de regio, zijn op Distripark Doelwijk met name grote, landelijk opererende bedrijven gevestigd met een specialisatie in transport en/of logistiek.

Plangebied (bron: Google Maps). In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende transportbedrijven gevestigd. Zowel aan de noord- als oostzijde van het plangebied ligt een brede watergang omgeven door een groenstrook. Op het bedrijventerrein staan ook enkele windturbines. Deze zijn langs de rijksweg A12 gesitueerd. 2.1.2

Plangebied

Het plangebied is in de huidige situatie gelegen aan het eind van de Overslagweg en bestaat momenteel uit grasland (zie onderstaande figuur). Aan de noordoostzijde wordt het plangebied begrensd door een smalle groenstrook.

7

Energy Hub

Figuur 4. Huidige situatie plangebied.

Hoofdstuk 3

Planbeschrijving

3.1

Toekomstige situatie

3.1.1

Bouwplan

Het initiatief waarin dit bestemmingsplan voorziet betreft het bouwen van een onbemand verkooppunt van motorbrandstoffen en een parkeerplaats voor circa 76 vrachtwagens. Het te bouwen tankstation betreft een E-hub, waar men zowel conventionele als alternatieve energiebronnen kan tanken. De E-hub bestaat uit een overkapping met een dakoppervlakte van ongeveer 450 m2 en een hoogte van circa zes meter. Onder en in de directe nabijheid van de overkapping staan afgiftezuilen op een vloeistofdichte betonvloer waar diesel, euro 95, E10 (twee zuilen), waterstof (twee zuilen), CNG (twee zuilen), AdBlue/diesel (vier zuilen) en LNG (twee zuilen) getankt kunnen worden. Tussen de zuilen bevinden zich de opstelruimten voor de voertuigen. Onderstaande figuur betreft een plattegrond van de beoogde E-hub en parkeerplaats voor vrachtwagens.

8

Energy Hub

Plattegrond beoogde E-hub. Aan de oostzijde van de overkapping bevindt zich een LNG-vulpunt en is ruimte gereserveerd voor de verschillende installaties die benodigd zijn voor de E-hub. Meest in het oog springend van de bovengrondse installaties is de LNG-tank met een hoogte van 16,50 meter. De installaties worden aan het zicht onttrokken door translucente gevelbeplating tegen een aluminium kozijnprofiel. De beplating is beplakt en gelamineerd met krasvaste en UV-bestendige belettering. De afgeronde hoeken bestaan uit houtstructuur lamellen.

9

Energy Hub

Aanzicht E-hub (bovenste afbeelding is bezien vanuit de bestaande bedrijvigheid. De onderste afbeelding is bezien vanuit de Overslagweg).

Impressie van het ontwerp. Behalve het tankstation voorziet dit bestemmingsplan ook in het planologisch mogelijk maken van een parkeerplaats, waaronder begrepen het overnachten in de vrachtwagen. Deze parkeerplaats voorziet in circa 76 parkeerplaatsen voor vrachtwagens: 74 normale parkeerplaatsen en twee parkeerplaatsen voor zogeheten LZV-vrachtwagens: Langere en Zwaardere vrachtautocombinaties. Deze vrachtwagens hebben een maximale lengte van 18,75 meter en behoeven om die reden aparte, langere, parkeerplaatsen. Het overnachten in een vrachtwagen is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone risicocontour'. Er zal geen sprake zijn van parkeren van vrachtwagens met gevaarlijke stoffen. In de planregels (artikel 5.3.1) is een verbod op parkeren van vrachtwagens met gevaarlijke stoffen opgenomen.

10

Energy Hub

3.1.2

Ontsluiting

De locatie wordt ontsloten via de Overslagweg. De ingang bevindt zich aan de zuidoostzijde van het perceel. Voor het parkeerterrein geldt dat deze ook via de Overslagweg wordt ontsloten. Vrachtwagens richting het parkeerterrein nemen dezelfde afslag maar rijden vervolgens langs het tankstation. De uitgang sluit vervolgens weer aan op het tankstation. 3.1.3

Nut en noodzaak

Energy Hub Naast de conventionele brandstoffen zijn de alternatieve energiebronnen LNG, CNG en waterstof niet bij ieder verkooppunt voor motorbrandstoffen te verkrijgen. Vanwege de ligging nabij de rijkswegen A12 en A20, waarop veel vrachtverkeer rijdt, en de locatie op een bedrijventerreinen waar landelijk opererende transportbedrijven gevestigd zijn, is een nieuw verkooppunt van alternatieve brandstoffen een toevoeging aan het bestaande aanbod. Het levert een bijdrage aan duurzame mobiliteit, omdat de duurzame brandstoffen een lagere uitstoot hebben dan de traditionele brandstoffen Initiatiefnemer wil met een goed netwerk met tactische locaties gaan voorzien in duurzame brandstoffen voor de toekomst. Aanpak en toelichting op het E-hub concept zijn beschreven in Bijlage 3. De overgang naar nieuwe energiebronnen zal geleidelijk plaatsvinden. Vanwege de financiële haalbaarheid worden daarom ook reguliere brandstoffen op de E-hub aangeboden. Truckparking Een tweede deel van voorliggend plan betreft het realiseren van een afgesloten truckparking. Een truckparking betreft een parkeervoorziening voor vrachtwagens waar chauffeurs hun verplichte rusttijden in acht kunnen nemen en tegelijkertijd kunnen gebruikmaken van voorzieningen. De parkeerplaats is voorzien van een sanitaire voorziening voor de chauffeurs van de geparkeerde vrachtwagens.

Deze parkeerplaats biedt tezamen met het tankstation een goede rustgelegenheid. De behoefte en daarmee de noodzaak voor de truckparking komt voort uit de de transportmarkt en de voor die sector geldende wet- en regelgeving. Chauffeurs dienen immers hun rust- en rijtijden in acht te nemen. Voor de transportmarkt is het daarbij van belang de kilometers tot een minimum te beperken. Een goede veilige parkeermogelijkheid is daarbij van groot belang. Dat terwijl in de regio Zuid-Holland er een tekort aan vrachtwagenparkeerplaatsen bestaat van circa 2.000 plaatsen. Dit planvoornemen komt tegemoet aan de bovenstaande vraag. Het past in de betreffende vraag door 76 parkeerplaatsen voor vrachtwagens te realiseren vrijwel direct aan de rijksweg A12 en op het bedrijventerrein Distripark A12. Op dit bedrijventerrein zijn verschillende logistieke bedrijven aanwezig. Ook leidt de truckparking ertoe dat minder onnodige vrachtwagen kilometers worden gemaakt, overlast in bewoonde gebieden met wildparkeren wordt voorkomen. Nu in de verdere omgeving en aan de rijksweg A12 in zijn geheel geen grootschalige (meer dan vijftig plaatsen) parkeerplaatsen voor vrachtwagens aanwezig zijn, is sprake van een nuttige ontwikkeling waartoe ook noodzaak bestaat.

11

Energy Hub

3.1.4

Ruimtelijke consequenties

De E-hub wordt gerealiseerd grenzend aan een bestaand bedrijventerrein waar verschillende distributiebedrijven zijn gevestigd. De functie van de ontwikkeling is om die reden in overeenstemming met de aard van het bedrijventerrein. De bouwhoogtes en volumes van het ontwerp zijn ook in overeenstemming met de bedrijfsbebouwing van het bedrijventerrein. Alleen de LNG-tank heeft een hoogte van 16,50 meter en is noodzakelijk omwille van de volgende redenen. Cryogene vloeibare gassen vragen om een andere manier van opslag dan normaal. Uitgaan van een standaard beproefd tank concept is voordeliger dan een tank met beperkte hoogte en een grotere diameter. Het betreft hier vloeibare aardgas wat normaal gesproken bij 1 bar - 162 graden is. De tank wordt derhalve dubbelwandig vacuüm geïsoleerd uitgevoerd en volgens een speciaal procedé vervaardigd om tegen de druk te kunnen en het product zonder onnodige energie op de juiste temperatuur te houden. Het proces van het vloeibaar houden van de LNG is dus zorgen voor een goede energiebalans. Aan de buitenzijde wordt de tank bij voorkeur dan ook zo licht mogelijk gehouden om het effect van zonlicht te beperken. Bij een tank met een zo klein mogelijke diameter is het verdampend oppervlak kleiner wat als voordeel heeft dat het vloeibare gas minder hoeft te worden gekoeld.

Het uitgangspunt is geen afblaas naar de omgeving door opwarming van het product. Een 60,00 m3 tank (LNG) geeft de mogelijkheid om het aantal vullingen te beperken wat in de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) de grootste risicobron vormt (zie paragraaf 6.6). In de basis is een grotere tank met beperkte diameter dus veiliger en het beperken van transportkilometers valt ook weer als besparing aan te merken in de duurzaamheidsgedachte. Tenslotte ontstaat er door toepassing van een hoge tank meer voordruk op de cryogene perspomp waardoor deze minder warmte ontwikkeling geeft en daarmee het product niet onnodig opwarmt. Ruimtelijk gezien bevindt de tank zich te midden van volumineuze bedrijfshallen. Ook bevinden zich in de directe omgeving verschillende andere bouwwerken (windturbines) die nog hoger zijn. De ontwikkeling is daarom passend in de omgeving. Bij uitwerking van de bouwplannen worden de onderdelen in het plangebied getoetst, op basis van het 'reguliere' welstandsniveau op grond van de Welstandsnota Waddinxveen 2015 (actualisatie 2018).

Hoofdstuk 4

Beleid

4.1

Nationaal beleid

4.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, vormt de nieuwe, overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. In de SVIR 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig' is de inhoud van een groot aantal beleidsstukken, waaronder de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en diverse planologische kernbeslissingen, opgenomen. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’, over aan provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Alleen in de stedelijke regio’s rond de mainports Amsterdam en Rotterdam maakt het Rijk afspraken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk los.

Er is enkel nog sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SERladder'), die zal worden vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. In het mobiliteitsbeleid komt de gebruiker centraal te staan en wordt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit versterkt.

12

Energy Hub

Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, doormiddel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur; het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. In totaal zijn dertien onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, ruimte voor klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur.

Deze belangen zijn vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. 4.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) trad op 30 december 2011 in werking. Het Barro stelt niet alleen regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen. 4.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6, tweede lid Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder) opgenomen. Op 1 juli 2017 is 'de Ladder' gewijzigd in werking getreden. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. In paragraaf 6.8 is de onderbouwing opgenomen. 4.1.4

Toetsing rijksbeleid

Het planvoornemen betreft een kleine ontwikkeling die weinig tot geen invloed heeft op nationale belangen. Wel draagt het plan indirect bij aan de hoofddoelen die het Rijk heeft geformuleerd: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur en het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat. Zo bezien voldoet dit plan aan het Rijksbeleid en vormt het Rijksbeleid geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen.

13

Energy Hub

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Visie Ruimte en Mobiliteit

Op 1 juli 2014 stelde de Provinciale Staten van Zuid-Holland de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) vast. Sindsdien is deze visie meerdere keren geactualiseerd en is om die reden februari 2019 een geconsolideerde versie vastgesteld. De betreffende actualiseringen hebben betrekking op een reeks van onderwerpen, waaronder de actualisering van de regionale visies voor wonen en kantoren, detailhandel, behoefteramingen bedrijventerreinen en de Ladder voor duurzame verstedelijking. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM) geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is: Ruimte bieden aan ontwikkelingen. Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit. Allianties aangaan met maatschappelijke partners. Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen. In het VRM zijn vier thema's te onderscheiden; 1. 2. 3. 4.

beter benutten en opwaarderen van wat er is; vergroten van de agglomeratiekracht; verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Voor de planlocatie geldt dat de provincie zich daar (zie onderstaande figuur) inzet op het 'beter benutten van bebouwde ruimte, maar ook nieuwe woon- en werklocaties daarbuiten' en 'het behoud en versterking van de leefkwaliteit van de bebouwde ruimte'.

Uitsnede visiekaart 'Beter benutten bebouwde ruimte'. Voor de ontwikkeling is verder met name de kwaliteitskaart van belang.

14

Energy Hub

Kwaliteitskaart VRM De kwaliteitskaart geeft naast het gebiedsprofiel tevens de laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving van het plangebied weer. In de laag van de ondergrond wordt het plangebied aangeduid als ‘Oude stroomgordels en geulafzettingen’, ‘Oude zeeklei’ en 'Water als structuursdrager'. Richtpunten die hieruit voortkomen gaan over de invloed van ontwikkelingen op het watersysteem en de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater.

Kwaliteitskaart - laag van de ondergrond Het plangebied wordt in de laag van de cultuur- en natuurlandschappen aangeduid als ‘Droogmakerijen (klei)’. ‘Droogmakerijen (klei)’ geeft als richtpunt dat nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. In onderstaande afbeelding een weergave van de kwaliteitskaart – cultuur- en natuurlandschappen

15

Energy Hub

Kwaliteitskaart - laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied wordt in de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland deels aangeduid als ‘Stads- en dorpsrand’ en 'steden en dorpen' in de laag van de stedelijke occupatie. Hiervoor wordt o.a. omschreven dat tussen gebouwd gebied en landschap een geleidelijke overgang moet zijn. De programma’s dienen in elkaar over te vloeien.

Kwaliteitskaart – laag van de stedelijke occupatie Tot slot is in de kwaliteitskaart de laag van de beleving opgenomen. Het plangebied is echter niet in deze

16

Energy Hub

laag opgenomen. Paragraaf 4.2.4 bespreekt in welke mate deze thema's doorwerken in het planvoornemen en in hoeverre het planvoornemen overeenkomt met die doelstellingen van de provincie Zuid-Holland. 4.2.2

Programma Ruimte

Het Programma ruimte is parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit, het Programma mobiliteit en de Verordening ruimte opgesteld. De Visie ruimte en mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma ruimte. Dit programma kent, net als de Visie ruimte en Mobiliteit, de status van structuurvisie. Beiden zijn vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland. Gezamenlijk beschrijven ze het integrale ruimtelijk beleid. De vier rode draden die beschreven zijn in de Visie ruimte en mobiliteit en die richting geven aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie, komen ook terug in dit Programma ruimte. Het gaat om: 1. 2. 3. 4.

beter benutten en opwaarderen van wat er is; vergroten van de agglomeratiekracht; verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

4.2.3

Verordening Ruimte

Op 9 juli 2014 stelde de provincie Zuid-Holland de Visie ruimte en mobiliteit (VRM) vast. Deze omgevingsverordening is in 2018 geactualiseerd en om die reden is januari 2019 een geconsolideerde versie uitgebracht. De belangrijkste provinciale doelen uit de visie en het programma zijn vastgelegd in de Verordening Ruimte. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke plannen. De volgende artikelen zijn relevant voor de gewenste ontwikkeling: Artikel 2.1.1 - Ladder voor duurzame verstedelijking Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. b. c.

de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd; in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruikgemaakt van locaties die, 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld, 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1 van toepassing is, en 3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan drie hectare.

Lid 2 Bestaand stads- en dorpsgebied Onder bestaand stads- en dorpsgebied als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Lid 3 Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de Ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering dat de stedelijke ontwikkeling voldoet aan het eerste lid. Artikel 2.2.1 - Ruimtelijke kwaliteit

17

Energy Hub

Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling wat betreft aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling wat betreft aard en schaal niet past binnen het gebied (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ook aandacht is besteed aan de overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Lid 2 Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën b. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op Kaart 7 Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden.

18

Energy Hub

Uitsnede visiekaart 'Beschermingscategorieën en verblijfsrecreatiepark'. Lid 3 Aanvullende ruimtelijke maatregelen a.

b.

c.

De aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): 1. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; 2. wegnemen van verharding; 3. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; 4. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. De onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken. In afwijking van sub b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door Provinciale Staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd.

Lid 4 Beeldkwaliteitsparagraaf Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: a. b.

waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn, of die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b.

Lid 5 Afstemming op specifieke regels Voor zover in deze verordening specifieke regels zijn opgenomen ten behoeve van bepaalde typen ruimtelijke ontwikkelingen gaan die specifieke regels voor, tenzij het bepaalde in dit artikel zich daartegen niet verzet. c.

Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, is het provinciale compensatiebeleid van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie.

4.2.4

Toetsing provinciaal beleid

Ten aanzien van de Visie Ruimte en Mobiliteit geldt dat dit planvoornemen overeenkomt met de in de omgevingsvisie gestelde doelen voor het plangebied. Ten aanzien van de doelstellingen horend bij de kaart 'beter benutten van bebouwde ruimte, maar ook nieuwe woon- en werklocaties daarbuiten' geldt dat dit planvoornemen daarmee overeenkomt doordat het verdichting mogelijk maakt. Ook komt dit planvoornemen overeen met het Programma Ruimte van de provincie. Door gebruik te maken van een plek waar al bebouwing planologisch gezien mogelijk is, wordt het ruimtebeslag zo beperkt mogelijk gehouden. Ook voorziet dit planvoornemen door duurzame brandstoffen te verkopen in een energie-efficiënte samenleving. Hetzelfde geldt voor de eisen vanuit de Verordening Ruimte. Zoals paragraaf 6.8 zal aantonen, wordt voldaan aan artikel 2.1.1 (Ladder voor duurzame verstedelijking). Aan sub a van het artikel wordt voldaan waardoor een toetsing aan de overige subleden niet noodzakelijk is. Ook voldoet het planvoornemen aan artikel 2.2.1: de planologische ontwikkeling past in de aard en schaal van de omgeving nu de ontwikkeling plaatsvindt grenzend een al bestaand bedrijventerrein (het Distripark is in de Verordening Ruimte ook aangewezen als 'Bedrijventerrein') dat haar focuspunt vindt in de transportsector. Wel is een beeldkwaliteitsparagraaf benodigd vanwege de ligging in

19

Energy Hub

beschermingscategorie 2, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft. In bijlage 1 is de beeldkwaliteitsparagraaf met landschappelijke inpassing opgenomen. Vanwege de bovenstaande redenen past dit planologische voornemen in het provinciale beleid en kan het planvoornemen op dit onderdeel als uitvoerbaar worden geacht.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Structuurvisie Waddinxveen 2030

Op 3 oktober 2012 is de Structuurvisie Waddinxveen 2030 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie schetst de ruimtelijke koers van de gemeente tot en met 2030 en vormt een integrale visie en een toetsingskader voor nieuwe initiatieven. Op basis van trends en ontwikkelingen, het bestaande gemeentelijke beleid en de projecten die spelen binnen de planperiode zijn de belangrijkste opgaven in beeld gebracht, verdeeld over vijf thema's. In de structuurvisie zijn vier strategische keuzes gemaakt: versterken van de economische structuur, zowel door versterking van bestaande werkmilieus als door het bieden van ruimte voor nieuwe bedrijven; versterken van de bereikbaarheid, onder meer door het versterken van de regionale wegenstructuur en het beperken van extern verkeer door de bebouwde kom van Waddinxveen; inzetten op een passend woningaanbod (toevoegen van 4.250 woningen tot 2030) en voorzieningenniveau; versterken van de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid, onder andere in het gebied van station tot hefbrug. 4.3.2

Toetsing gemeentelijk beleid

Op de integrale kaart van de Structuurvisie is de beoogde locatie deels aangewezen als bedrijventerrein (figuur 9). De beoogde E-hub heeft een toegevoegde waarde op een logistiek bedrijventerrein en zal de aantrekkingskracht van het distributiepark verder vergroten. De locatie is aan de zijde van de Moordrechtboog reeds landschappelijk ingepast door een groenstrook.

20

Energy Hub

Figuur 9. Uitsnede integrale kaart van de Structuurvisie.

4.4

Relatie met het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan 'Energy Hub' maakt een tankstation en parkeerplaats voor vrachtwagens mogelijk grenzend aan het bedrijventerrein Distripark Doelwijk. Zoals blijkt uit voorgaande paragrafen, heeft voorliggend bestemmingsplan geen gevolgen voor de nationale en provinciale belangen in het gebied en voldoet het plan aan de relevante bepalingen van de provinciale Verordening Ruimte 2014.

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleid

5.1.1

Waterbeheer en watertoets

Tijdens de totstandkoming van een bestemmingsplan moet in een vroeg stadium overleg gevoerd worden met de waterbeheerder over het ruimtelijk plan dat het bestemmingsplan mogelijk maakt. Hiermee wordt voorkomen dat planologische ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. 5.1.2

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allemaal met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan; Nationaal Bestuursakkoord Water; Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Provinciale Structuurvisie; Verordening Ruimte. 5.1.3

Hoogheemraadschapsbeleid

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Met mensen en water', de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaamwaterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. 1 januari 2016 trad de geactualiseerde Keur in werking. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.

21

Energy Hub

5.2

Huidige situatie

Algemeen Het plangebied ligt ten zuiden van de rijksweg A12 langs de Overslag in Waddinxveen. In de huidige situatie is het gebied geheel onverhard. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem uit veen op ongerijpte klei, ofwel zware klei. Er is sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand lager dan 0,40 meter onder het maaiveld is gelegen en de gemiddeld laagste grondwaterstand varieert tussen de 0,50 en 0,80 meter onder het maaiveld. Waterkwantiteit Rondom het plangebied ligt oppervlaktewater. Direct ten zuidwesten ligt een hoofdwatergang met een beschermingszone van 5,00 meter aan weerszijden. Binnen deze zone gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen. Binnen deze zone vinden geen bouwwerkzaamheden plaats. Watersysteemkwaliteit en ecologie In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen KRW-waterlichamen gelegen. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwater en riolering Het plangebied is niet aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel.

5.3

Toekomstige situatie

Algemeen De planologische mogelijkheden die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, betreft de realisatie van een tankstation en leidt tot een toename in de verharding. Op grond van de Keur moet 5% van de toename in verharding worden gecompenseerd. De toename in verharding bedraagt 24.000 m2 , volgens de compensatie-eis moet er 1.200 m2 nieuw functioneel water gerealiseerd worden. In het plangebied is voldoende ruimte om te voldoen aan deze compensatie-eis, zie bijlage 2 voor de uitwerking van de compensatie. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken. Binnen het planvoornemen waarin dit bestemmingsplan voorziet is de waterkwaliteit gegarandeerd door het water afkomstig vanaf de vloeistofdichte vloer via een olie- en benzineafscheider te lozen. Hemelwater dat op de reguliere bestrating terecht komt loopt via een lamellenafscheider. De lamellenafscheider zorgt zowel voor het afscheiden van grof en fijn slib als lichte vloeistoffen zoals olie en benzine. Veiligheid en waterkeringen Deze planologische ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Afvalwaterketen en riolering In overeenstemming de Leidraad Riolering en geldend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw, waarin dit bestemmingsplan voorziet, gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-)filtratie van afstromend hemelwater,

22

Energy Hub

afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. De afvalwaterstromen op de locatie kunnen worden opgedeeld in de volgende onderdelen en bijbehorende lozingspunten: Hemelwater afkomstig van de reguliere bestrating (H-klinkers) zal via traditionele kolken via een lamellenafscheider worden aangesloten op het oppervlaktewater ten noordoosten van de locatie. Hemelwater vanaf de dakvlakken zal direct geloosd worden op het oppervlaktewater ten noordoosten van de locatie. Mogelijk verontreinigd hemelwater afkomstig van de vloeistofdichte bestrating (beton) zal via een olieen benzineafscheider worden aangesloten op het vuilwaterriool. Hemelwater van betonplaat onder de LNG-techniek zal worden geïnfiltreerd in de bodem. Afvalwater vanaf de uitstortgootsteen in technische ruimte wordt aangesloten op het vuilwaterriool. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem moet bij het Hoogheemraadschap een vergunning worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor de nieuwe ontsluiting, het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. De Keur regelt dat men een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht neemt.

Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Ter plaatse van de beschermingszone (5,00 meter aan weerszijden van de hoofdwatergang ten westen van het plangebied) vinden bouwwerkzaamheden plaats vanwege de nieuwe ontsluiting.

5.4

Toetsing waterschapsbeleid

Dit bestemmingsplan en de daaruit volgende planologische ontwikkelingen leiden niet tot negatieve effecten op het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Archeologie

Beleid en normstelling Het archeologisch erfgoed beschouwt men binnen Nederland als zeer waardevol. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij gemeenten. De taken in het kader van de Erfgoedwet betreffen onder andere het integreren van archeologie in de ruimtelijke procedures (zoals vergunningen) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. Op grond van de Erfgoedwet moet men bij het opstellen van een bestemmingsplan rekening houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsen aanlegvergunningen in die gebieden die als archeologisch waardevol gelden. Aan de omgevingsvergunning zelf kan men aanvullende voorwaarden verbinden, met als uiterste de verplichting tot aanpassing van het betreffende plan of het laten verrichten van een opgraving. Onderzoek Het beoogde bouwperceel kent op grond van het 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Op grond van dit bestemmingsplan moet ter plaatse van het

23

Energy Hub

plangebied voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en dieper dan 2,50 m beneden het maaiveld door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die als gevolg van het plan kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. Het plangebied ligt tussen twee terreinen die archeologisch goed onderzocht zijn. In de diepe ondergrond (dieper dan 3 m onder het maaiveld, zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische resten. Aangezien binnen het plangebied de graafwerkzaamheden niet dieper gaan dan 2,5 m onder het maaiveld (met uitzondering van tanks die 4,5 m diep gegraven worden) en in de diepe ondergrond geen archeologische resten verwacht worden, is een archeologisch onderzoek voor de realisatie van de Energy Hub niet meer nodig. Wel moet altijd bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (artikel 5.10 van de Erfgoedwet) kenbaar worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk.

Deze aangifte geschiet bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Waddinxveen hiervan direct in kennis te stellen. Conclusie Het aspect archeologie staat het plan vooralsnog niet in de weg. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Deze conclusie betreft echter een selectieadvies. Dit selectieadvies betekent nog niet dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag die vervolgens een selectiebesluit neemt.

6.2

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling betreft een milieuhinderlijke functie, het tankstation is onbemand en er is geen horeca aanwezig. Het plangebied ligt op een bedrijventerrein. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op een afstand van circa 140 meter en zal hierdoor geen hinder ondervinden.

Een LNG-tankstation valt onder het interimbeleid Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (28 januari 2015) en wordt derhalve verder getoetst onder paragraaf 6.6 (Externe veiligheid). Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Ter plaatse van de omliggende woningen is ook in de toekomst sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

24

Energy Hub

6.3

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. De Wet bodembescherming bepaalt dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat deze grond kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek en conclusie Bodemonderzoek is uitgevoerd, zie bijlage 4. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende achtergrondwaarde (grond) en de aangetoonde overschrijding van de betreffende streefwaarde (grondwater) dient de hypothese grootschalig onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Het bestemmingsplan is aldus uitvoerbaar te achten.

6.4

Cultuurhistorie

Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. In Waddinxveen is een aantal rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten aanwezig. Cultuurhistorische waarden kunnen sterk bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied en geven een gebied, plek of object identiteit. In en nabij het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten gelegen.

6.5

Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet onderzocht worden of de Wet Natuurbescherming (Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van het Natuurnetwerk Zuid-Holland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Om de ecologische waarden in en rondom het gebied in kaart te brengen is een ecologische inventarisatie uitgevoerd, zie Bijlage 5 (Ecologische inventarisatie). Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Verordening Ruimte 2014. Verder geldt dat uit de uitgevoerde stikstofberekening, die is opgenomen als Bijlage 7 (Aerius-berekening), volgt dat als gevolg van het planvoornemen en de bijbehorende planologische ontwikkelingen er door de stikstofdepositie geen negatief effect optreedt in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. Een aanvullende Aeriusberekening is uitgevoerd waarin de stikstofdepositie als gevolg van het plan is berekend op de locaties met stikstofgevoelige habitattypen in Polder Stein, zie bijlage 8.

De uitgangspunten van de berekening zijn hetzelfde als voor de eerder uitgevoerde Aeriusberekening. Uit de berekening komt naar voren dat het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitats van Polder Stein.

25

Energy Hub

Modderkruiper Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat aanvullend onderzoek naar grote modderkruiper noodzakelijk is. Indien aanwezigheid van grote modderkruiper wordt aangetoond, dienen te werkzaamheden te worden uitgevoerd volgens een goedgekeurde gedragscode of dient een ontheffing van de Wnb te worden aangevraagd. Het onderzoek is uitgevoerd, zie bijlage 6. In geen van de watersamples is eDNA van grote modderkruiper aangetroffen. Een negatief effect op grote modderkruiper bij gedeeltelijke demping van de watergangen is dan ook niet aan de orde. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor grote modderkruiper is dan ook niet nodig. Daarnaast komt uit de ecologische inventarisatie naar voren dat rekening moet worden met maatregelen voor de volgende beschermde soort(groep)en: Bij de planning en uitvoering dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels (van half maart tot en met half juli). Om vestiging van rugstreeppad tijdens de aanlegfase te voorkomen wordt geadviseerd om te voorkomen dat geschikt leefgebied voor deze soort ontstaat met vergraafbare zandgrond en ondiepe wateren. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om een amfibieënscherm om de bouwlocatie aan te brengen.

Ook wordt in verband met foeragerende vleermuizen geadviseerd om tijdens de aanleg- en gebruiksfase verlichting in te zetten met naar beneden gerichte lichtarmaturen die geen lichtuitstraling richting de zij- en bovenkant veroorzaken. Tot slot wordt in het kader van de zorgplicht geadviseerd om de vegetatie in het plangebied tenminste enkele dagen voor aanvang van de aanlegwerkzaamheden kort af te maaien, zodat aanwezige algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren (waarvoor een vrijstelling geldt in Zuid-Holland) de kans krijgen om het terrein te verlaten. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Verordening Ruimte 2014. Een goed mitigerend maatregelenpakket is gelet op het voorgaande wel nodig bij de omgevingsvergunning om overtredingen van de Wnb te voorkomen.

6.6

Externe veiligheid

6.6.1

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het groepsrisico is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het groepsrisico toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen

26

Energy Hub

worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het groepsrisico geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations De circulaire is gepubliceerd op 4 februari 2015. In deze circulaire word het interimbeleid weergegeven ten aanzien van de beoordeling van externe veiligheidsrisico's van LNG-tankstations. LNG-tankstations zijn inrichtingen waar zich risico's kunnen voordoen vanwege gevaarlijke stoffen, zodanig dat de PR10-6 -contour in veel gevallen buiten de grens van de inrichting ligt. Het zijn inrichtingen waarbij het externe veiligheidsaspect een rol speelt, alleen zijn LNG-tankstations nog niet aangewezen als Bevi-inrichtingen. Dit zal in de toekomst wel gebeuren, waarschijnlijk in het kader van de Omgevingswet. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico en groepsrisico wordt verzocht aan te sluiten bij het huidige Bevi. De circulaire is van toepassing op LNG-tankstations met een opslagcapaciteit tot 50 ton LNG. In deze circulaire is gebruik gemaakt van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 'Aardgas: Afleverinstallaties van vloeibaar aardgas (LNG) voor motorvoertuigen' (PGS 33-1).

Ten aanzien van het plaatsgebonden risico wordt verzocht de regels uit het huidige Bevi voor niet-categoriale inrichtingen te volgen, met dien verstande dat een minimumafstand van vijftig meter geldt vanaf het vulpunt van de LNG-opslagtank via welke de bevoorrading plaatsvindt. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend met de rekenmethodiek LNG-tankstations. In aanvulling op het Bevi en in aansluiting op de beleidsontwikkeling wordt verzocht een minimumafstand van vijftig meter aan te houden als de PR10-6 contour volgens de risicoberekening op een kleinere afstand zou komen te liggen. Ten aanzien van het groepsrisico wordt verzocht overeenkomstig het huidige Bevi te handelen. Omdat incidenten met LNG de hulpdiensten om een andere manier van optreden vragen in het kader van de rampenbestrijding, wordt tevens verzocht de Veiligheidsregio in een vroeg stadium te betrekken bij het besluitvormingsproces. Ter aanvulling op de risicobenadering uit het Bevi is een effectgerichte component ontwikkeld. Bij een effectgerichte benadering speelt de kans dat een ongeval voordoet geen rol en is uitsluitend het effect dat bij een ongeval kan optreden maatgevend voor de veiligheidsnormen. Bij de effectgerichte component voor LNG-tankstations richt de aandacht zich op de bescherming van mensen en in het bijzonder de minder zelfredzame groepen binnen de effectafstand.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10801961/1