CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Coenecoop College_Toelichting.pdf

Besluitvormende raadsvergadering 21 april 2021, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Oude Dreef naast 4 - Coenecoop College15.589 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Zorgplicht In aanvulling op bovenstaande bevat de Wnb de "zorgplicht", die stelt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor beschermde gebieden, flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Stikstofregelgeving Het wettelijk instrument om stikstofdepositie te reguleren is de in december 2019 ingevoerde Spoedwet Aanpak Stikstof (SAS). De provincie Zuid-Holland heeft in december 2019 nieuwe beleidsregels vastgesteld. Bij een toename van stikstof worden niet langer vergunningen verleend. Een toename van stikstof kan allen worden vergund als intern of extern met een andere stikstofbron kan worden gesaldeerd. Voor extern salderen met veehouderijen worden later in 2020 nadere regels gesteld door het Rijk. Vooralsnog is extern salderen alleen met andere bedrijfscategorieën mogelijk. 4.4.2 Quickscan natuurwetgeving Er is een quick scan uitgevoerd (literatuurstudie en veldbezoek 24 februari 2020). In de quick scan is ook gekeken naar een eerder in het gebied uitgevoerde quickscan 'Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte' door Ecoresult, met kenmerk ER20180517v02, d.d. 24 juli 2018.

Uit het onderzoek blijkt dat de afstand tot natuurgebieden groot is, zie Figuur 4.5.2. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein op 7 kilometer afstand. NNN gebied is gelegen op 1,2 kilometer en belangrijk weidevogelgebied is gelegen op ruim 600 meter. Gezien de afstand tot de beschermde gebieden en het feit dat de uit te voeren activiteiten beperkt zijn, worden er geen effecten verwacht op Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland of belangrijk weidevogelgebied.

34/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Figuur 4.5.2, Ligging plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, Natura 2000 (groen gearceerd, NNN (donkergroen, blauw en magenta) en belangrijke weidevogelgebieden (lichtgroen). Stikstof Bij nieuwe projecten en ontwikkelingen kan het noodzakelijk zijn om de stikstofuitstoot te bepalen. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft 'Nieuwkoopse Plassen en de Haeck' en is gelegen op 10 kilometer afstand. Er is echter een actuele ontwikkeling dat de minister in mei 2019 'Polder Stein' heeft aangemeld bij de Europese Commissie om te worden opgenomen op de communautaire lijst van Habitatrichtlijngebieden voor de stikstofgevoelige habitat glanshaverhooilanden. Op het moment dat dit wordt verwerkt door de Europese Commissie geldt ook de vergunningplicht voor het dichterbij gelegen gebied 'Polder Stein' (op 7 kilometer afstand). Op dit moment is nog niet bekend hoe de nieuwbouw precies uitgevoerd gaat worden. Daarom is gekeken hoe hoog de stikstofuitstoot maximaal mag zijn voordat sprake is van een toename van stikstofdepositie (Zie Aerius berekeningen in Bijlage 4). Uit de berekeningen blijkt dat tijdens aanlegfase maximaal 663 kg stikstof/jaar mag worden uitgestoten. Bij deze emissie is er geen toename van stikstofdepositie op Nieuwkoopse Plassen & De Haeck.

Voor Polder Stein, dat dichterbij gelegen is, mag de maximale stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase 582 kg stikstof/jaar zijn (Zie Aerius berekeningen in Bijlage 5). Uit ervaringen in andere bouwprojecten en het feit dat er vooraf geen sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn, kan worden afgeleid dat de bouwfase binnen de maximaal mogelijke emissie kan worden uitgevoerd. Een vergunningplicht wordt niet verwacht. Om zeker te zijn dat het project in de bouwfase geen toename aan stikstofdepositie veroorzaakt, moet de stikstofdepositie van de bouwfase worden doorgerekend zodra bekend is hoe deze er uit gaat zien. Hierdoor kan met zekerheid bepaald worden of voor deze ontwikkeling een vergunning voor stikstofeffecten noodzakelijk is of niet.Toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase kan op voorhand worden uitgesloten. Veruit het grootste deel van de toename aan verkeer bestaat uit fietsers. Er worden 30 parkeerplaatsen gerealiseerd. De verkeersgeneratie is daardoor beperkt. Soortenbescherming Het plangebied bestaat uit grasland met een rook/hangplek en aan één zijde enkele bomen en 35/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

struiken . Een deel van de bomen en struiken op de locatie zal verwijderd moeten worden. Er wordt vanuit gegaan dat de bomen langs het fietspad aan de Kanaaldijk behouden blijven. Uit de quickscan blijkt het volgende. Vogels Er zijn geen nesten of geschikte nestlocaties aangetroffen van vogels met jaarrond beschermde nesten. Alleen de bomen zouden hiervoor geschikt kunnen zijn. Daarin zijn geen nesten aangetroffen. Het kan niet uitgesloten worden dat binnen het plangebied algemeen voorkomende vogels broeden, met name in de bomen (die deels begroeid zijn met klimop) en struiken die aanwezig zijn aan de rand van het plangebied. Het is daarom van belang dat werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Als dit niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ecoloog gecontroleerd worden of er broedende vogels aanwezig zijn. Aanvullend is het van belang dat er tijdens de werkzaamheden voorkomen wordt dat vogels, zoals oeverzwaluwen en kleine plevieren, in partijen zand op de locatie tot broeden kunnen komen. Oeverzwaluwen komen al in de nabijheid tot broeden, in het gebied van Triangel. Om broedgevallen te voorkomen moeten partijen zand worden afgedekt of voorzien van een flauw talud. Eventueel kan er voor gekozen worden om op een andere locatie een partij zand neer te leggen om daar de soort naar toe te lokken.

Dan kan er verderop zonder vertraging worden gebouwd. Zoogdieren Het plangebied is geschikt voor algemeen voorkomende zoogdieren. Voor deze algemene soorten is door de provincie Zuid-Holland een vrijstelling van de verboden uit de Wet natuurbescherming verleend als er sprake is van ruimtelijke inrichting van het gebied. Voor deze soorten geldt alleen de zorgplicht. Zoogdieren-Vleermuizen Er zijn geen gebouwen in het plangebied aanwezig. Ook zijn er in de aanwezige bomen geen holtes, loszittend schors of scheuren aangetroffen, waar vleermuizen een verblijfplaats kunnen hebben. Het terrein is in beperkte mate geschikt als foerageergebied. Vooral de bomen op het terrein bieden geschikt foerageergebied. Foeragerende vleermuizen kunnen na de bouw van de school nog steeds terecht in het gebied. Zeker als de bomenrij aan de Kanaaldijk behouden blijft. Tijdens de bouw moet wel rekening gehouden worden met de aanwezigheid van foeragerende vleermuizen. Het moet voorkomen worden dat bouwplaatsverlichting uitstraalt naar de aanwezige bomen. Bij voorkeur wordt alleen gewerkt tijdens daglichtperiodes. Deze maatregel geldt niet in de periode november tot maart, wanneer de vleermuizen in winterslaap zijn. Amfibieën Het plangebied is geschikt voor enkele algemeen voorkomende amfibieën.

Voor deze algemene soorten is door de provincie Zuid-Holland een vrijstelling van de verboden uit de Wet natuurbescherming verleend als er sprake is van ruimtelijke inrichting van het gebied. Voor deze soorten geldt alleen de zorgplicht. Gezien de ligging van het plangebied tussen het spoor en doorgaande weg wordt de kans klein geacht dat rugstreeppadden zich op het terrein zullen vestigen. Desondanks is het aan te raden rekening te houden met deze soort tijdens de werkzaamheden. Voorkom het ontstaan van ondiepe plassen waarin deze soort eieren kan afzetten in de periode april-september. Overige soorten Binnen het plangebied worden op basis van het ontbreken van geschikt habitat geen beschermde planten, vissen, reptielen en ongewervelden verwacht.

36/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.4.3 Conclusie en advies Getoetst is of ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb) worden overtreden en/of natuurwaarden van beschermd gebied, die door de Wro wordt beschermd, worden aangetast (planologische uitvoerbaarheid). Gebiedsbescherming Op basis van stikstofberekeningen wordt niet verwacht dat er een vergunningplicht onder de Wet natuurbescherming bestaat voor de stikstofdepositie die vrijkomt bij de bouw van het nieuwe pand. De details van de bouwfase zijn echter nog niet bekend. Zodra deze bekend zijn moet een stikstofberekening worden uitgevoerd. Deze berekening moet toegezonden worden als de omgevingsvergunning voor de bouw wordt aangevraagd. Soortenbescherming Een negatief effect op soorten is met het toepassen van onderstaande maatregelen uit te sluiten. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. schade aan algemene broedvogels dient te worden voorkomen door buiten het broedseizoen te werken of na controle op broedende vogels; tref maatregelen om het vestigen van pionierssoorten zoals kleine plevier en oeverzwaluw tegen te gaan. Door bouwzand af te dekken tijdens de start van het broedseizoen, kunnen broedgevallen op de bouwplaats worden voorkomen.

Door op een plek waar niet hoeft te worden gewerkt nog geschikte plekken voor de oeverzwaluw te creëren, kan overlast tijdens de bouw op de bouwplaats worden voorkomen; Bouwplaatverlichting mag geen vleermuizen verstoren. De verlichting van de naastgelegen bomenrij aan de Kanaaldijk moet voorkomen worden. Door niet te werken onder kunstlichtomstandigheden wordt ook verstoring voorkomen; Het vestigen van rugstreeppad moet voorkomen worden. Dit kan door in de actieve periode van de rugstreeppad (april-oktober), te voorkomen dat waterplassen ontstaan (bijvoorbeeld in rijsporen).

37/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Kader Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als "harde" afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld.

De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. In de 'Beleidsnota externe veiligheid Waddinxveen' is aangegeven doormiddel van planologische kaders per soort risicobron hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicobronnen.

Omgevingsveiligheid onder de Omgevingswet (anticiperen op) Met de komst van de Omgevingswet (verwachting 01-01-2021) komt er ook een gemoderniseerde aanpak van het externe veiligheidsbeleid. Belangrijk element hierin is de introductie van zogenaamde aandachtsgebieden. Het uitgangspunt is dat mensen, zonder aanvullende maatregelen, binnen deze aandachtsgebieden onvoldoende zijn beschermd (ook binnen). Het is aan de gemeente om de kernvraag te beantwoorden: Is de veiligheid voldoende gewaarborgd en zijn milieu en gezondheid voldoende beschermd? Om deze vraag te beantwoorden moet de gemeente de volgende punten overwegen: afstand houden tot de risicobron; risicocommunicatie; beperken personendichtheden in de omgeving van de risicobron; vlucht- en schuilmogelijkheden; omgevingsmaatregelen; aanvullende bouwmaatregelen (verplicht voor nieuwe 'zeer kwetsbare gebouwen', zoals basisscholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, enz.). De kern is dat het bevoegd gezag veiligheid, veel meer dan nu het geval is, meeneemt als ontwerpvariabele in de planvorming.

38/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.5.2 Onderzoek Ter voorbereiding van het bestemmingsplan om nieuwbouw Coenecoop College mogelijk te maken is onderzocht of er risicobronnen binnen of nabij het plangebied zijn gelegen die hierop van invloed zijn. Mogelijke risicobronnen zijn bedrijven (inrichtingen), waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden of transportmodaliteiten bestemd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals (spoor)wegen en buisleidingen. Inrichtingen Binnen en nabij het plangebied zijn geen EV relevante inrichtingen gelegen. Transport over de weg Binnen en nabij het plangebied zijn geen EV relevante wegen gelegen. Transport over het spoor Ten westen van het plangebied, is het spoor Gouda - Alphen aan den Rijn gelegen. Deze spoorlijn valt niet onder het Basisnet Spoor en is dus niet relevant wat betreft transport van gevaarlijke stoffen.

Figuur 4.7.2 Ligging plangebied t.o.v. EV gasleidingen Transport over het water In de nabijheid van het plangebied zijn geen vaarwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Transport per buisleiding Ten westen van het plangebied is de hogedruk aardgasleiding W5117-01 gelegen. De nieuwbouwlocatie Coenecoop College is buiten het brandaandachtsgebied gelegen (zie figuur 4.7.2). Zie voor meer informatie het 'Handboek Omgevingsveiligheid', opgesteld door het RIVM: https://omgevingsveiligheid.rivm.nl/handboek-omgevingsveiligheid

39/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Conclusie en advies De nieuwbouwlocatie Coenecoop College is niet binnen het aandachtsgebied van een risicobron gelegen. 4.6

Bedrijven en milieuzonering

4.6.1 Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Door aanwezigheid van bedrijven kan mogelijk hinder voor de omgeving ontstaan met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Activiteitenbesluit milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. Bij de beoordeling worden ook normen uit de Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit milieubeheer betrokken. De richtafstanden in de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype "gemengd gebied" kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd.

In tabel 4.8 zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen voor een rustige woonwijk en gemengd gebied.

Figuur 4.8 Richtafstanden volgens VNG richtlijn

40/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.6.2 Onderzoek Een school is zowel milieubelastend als milieugevoelig. Er wordt daarom gekeken naar welke omliggende functies milieuhinder kunnen ondervinden door de school en welke omliggende functies een belemmering kunnen vormen voor de school. Op basis van de diverse aanwezige functies, zoals detailhandel, kantoren, sportzalen, bedrijven en woningen, kan de omgeving van het plangebied worden gekarakteriseerd als een gemengd gebied. Dit betekent dat richtafstand volgens de brochure één stap kan worden verlaagd (zoals in figuur 4.8). Een school heeft in dit geval een richtafstand van 10 meter. Aan de Kanaaldijk 6, op meer dan 50 meter afstand van het plangebied, ligt een woning. De woningen aan de Kanaaldijk 1 en 3 liggen in het plangebied maar op een afstand van 15 meter van het bouwvlak van de school. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. In de regels van dit plan wordt geborgd dat een afstand van 10 meter wordt aangehouden tussen de woningen en de toekomstige bebouwing van de school. Er zijn verder geen gevoelige functies in de nabijheid van het plangebied. De direct omliggende milieubelastende functies zijn het winkelcentrum en een sporthal. Deze functies zullen door de nieuwe school niet worden belemmerd. Er is ter plaatse van de school een aanvaardbaar leefklimaat.

Conclusie Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan mits in de regels wordt geborgd dat 10 meter afstand tot de woningen aan de Kanaaldijk 1 en 3 wordt aangehouden. Er is dan sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.7

Archeologie en cultuurhistorie

4.7.1 Algemeen Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting bij elk ruimtelijk plan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.

41/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.7.2 Archeologie Wettelijk kader Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. De gemeente Waddinxveen heeft een eigen archeologiebeleid.

Aan de hand van de geactualiseerde archeologische waardenkaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg. De geactualiseerde waardenkaart vormde de basis voor het Parapluplan Archeologie en Parkeren, vastgesteld op 19 september 2018. Archeologisch onderzoek In het kader van de gehele gebiedsontwikkeling van Oude Dreef Waddinxveen, wordt inzicht gegeven in de verwachtingswaarden en bijbehorend beleid in het bestemmingsplangebied. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd: het Parapluplan Archeologie en Parkeren (2018); het Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; reeds uitgevoerde archeologische bureauonderzoeken ter hoogte van het plangebied. Resultaten In figuur 4.9.2-1 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Waddinxveen weergegeven. Volgens het parapluplan Archeologie en Parkeren geldt er voor het plangebied een hoge archeologische verwachting.

Deze verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van een oude ontginningsas waarlangs sporen vanaf middeleeuwse bewoning aanwezig kunnen zijn. Bij verstoring met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm is in principe archeologisch onderzoek noodzakelijk.

42/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Figuur 4.9.2-1 uitsnede uit beleidsadvieskaart/parapluplan: rode contour: gebiedsontwikkeling Oude Dreef; geel: geen archeologisch onderzoeksplicht, rood gebied: Waarde Archeologie 2. Volgens het landelijke archeologisch informatiesysteem zijn geen vondsten bekend binnen het plangebied. Net ten zuiden staat wel een vondstmelding van enkele scherven uit de Romeinse tijd, maar de exacte vondstlocatie is te algemeen en het betreffen zogenaamde 'losse' vondsten, vondsten zonder verdere context. Ter hoogte van het plangebied zijn twee archeologische bureauonderzoeken bekend. Uit deze onderzoeken (adviesbureau ADC, rapport 643 (2006) en rapport 1158 (2007)), aangevuld met gegevens uit historische en topografische kaarten blijkt dat binnen het plangebied geen archeologische resten meer te verwachten zijn.

Figuur 4.9.2-2 :uitsnede uit de k adastrale kaart 1811-1832: het gebiedsontwikkeling Oude Dreef maakt deel uit van een meer. Het plangebied maakte ooit deel uit van een enorm veengebied dat in de Middeleeuwen werd ontgonnen. Dit veengebied is vervolgens in de late Middeleeuwen grotendeels ontgraven 43/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

waardoor de Zuidplas ontstond (zie figuur 4.9.2-2). Alle eventueel aanwezige archeologische resten zijn dus bij de veenwinning weggegraven. De Zuidplas is vervolgens in 1839 drooggelegd. Op de historische / topografische kaarten van na 1839 is te zien dat er geen bebouwing heeft plaatsgevonden tot circa 1970. Er worden binnen het plangebied dan ook geen resten van historische bebouwing verwacht. Conclusie Volgens het vigerende Parapluplan Archeologie en Parkeren geldt er voor het plangebied een hoge archeologische verwachting op het voorkomen van archeologische resten vanaf de Middeleeuwen. Deze hoge verwachting is ten onrechte aan het gebied toegekend: door de grootschalige veenontgravingen in het verleden zijn eventuele middeleeuwse resten weggegraven en vanaf de inpoldering (1839) tot en met circa 1970 was het plangebied onbebouwd. De archeologische verwachting kan dus naar laag bijgesteld worden. Volgens het Parapluplan Archeologie en Parkeren geldt voor gebieden met een lage archeologische verwachting geen onderzoeksplicht voor archeologie. Voor de voorgenomen ontwikkeling van het Coenecoop college wordt dan ook geen archeologisch onderzoek aanbevolen. Ook als archeologisch onderzoek niet verplicht is, kunnen archeologische resten toch nog aanwezig zijn.

Mocht blijken, bij uitvoer van werkzaamheden, dat deze aanwezig zijn, moet het bevoegd gezag (zijnde gemeente Waddinxveen) meteen op de hoogte gesteld te worden en moet ze een beslissing nemen over hoe om te gaan met de resten. Dit conform paragraaf 5.4, artikel 5.10 van de Erfgoedwet. 4.7.3 Cultuurhistorie Op het terrein is nu geen bebouwing aanwezig, dus ook geen aangewezen als gemeentelijk of rijksmonument. Tevens zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied aanwezig te zijn die speciale regeling in het bestemmingsplan behoeven. Conclusie De onderdelen Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit plan. 4.8

Waterparagraaf

4.8.1 Algemeen Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In de gebiedvisie (Bijlage 1) is opgenomen dat de huidige waterstructuren zoveel mogelijk worden behouden. Aan de westzijde van het plangebied is tussen het fietspad en de ontwikkelvelden sport/wonen een zoekgebied interactie groen en waterbuffering. Hier kan men denken aan een wadi om overtollig water af te vangen. Ook in het groene hart van het gebied, nabij het gemaal, is aanleiding om water toe te voegen. Dit voor de belevingswaarde van het groene gebied enerzijds en buffering anderzijds. Het ontwerpen met water en het zorg dragen voor een klimaatadaptief plan behoort tot de uitgangspunten. 4.8.2 Waterhuishouding Beschrijving watersysteem 44/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Het plangebied maakt waterstaatkundig onderdeel uit van de Zuidplaspolder. Het deel van de Zuidplaspolder waarin Waddinxveen ligt, watert in zuidoostelijke richting af en wordt bemalen door gemaal “De Zuidplas”, welke het water op de Ringvaart uitslaat. Er spelen geen grote knelpunten in de Zuidplaspolder. De wateropgave binnen de bestaande wijken is inzichtelijk gemaakt in het Waterplan (februari 2010), dat gezamenlijk met de voormalige gemeente Boskoop is opgesteld. Veiligheid en waterkeringen Planologisch moeten de waterkeringen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen door de waterkeringen met een aparte dubbelbestemming te borgen. Concreet betekent dit dat indien het plangebied een water en/of beschermingszone hiervan raakt, op de verbeelding de beschermingszone wordt bestemd als 'Waterstaat - Waterkering'. In de voorwaarden behorende bij deze dubbelbestemming geldt de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' als primaire bestemming. Daarnaast moet bij bouwplannen binnen deze (dubbel)bestemming de waterkeringbeheerder worden geraadpleegd. Het verplicht opnemen van de waterkering in een bestemmingsplan is juridisch geregeld in de Provinciale Verordening ruimte. Ten oosten van het plangebied (aan de overzijde van de Kanaaldijk) ligt de Ringvaart. Deze waterkering heeft een kernzone en een beschermingszone.

Het is in beginsel niet toegestaan bebouwing te realiseren binnen de beschermingszone van de hoofdwatergang. Het plangebied ligt ruim buiten deze deze oostelijk gelegen waterkering. In figuur 4.8.1 is een uitsnede van de Legger Primaire waterkeringen opgenomen (vastgesteld op 30 maart 2016). Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

45/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Figuur 4.8.1: Uitsnede legger Waterkeringen. Beschrijving waterkwantiteit Dempen is graven Ten eerste geldt dat als er bestaand oppervlaktewater wordt gedempt, dezelfde hoeveelheid m³ die zich bevinden in het afvoerend nat profiel en de daarbovenop aanwezige vrije ruimte voor het bergen van water (de drooglegging, ofwel het verschil tussen het waterpeil en het maaiveld) binnen hetzelfde peilgebied terug moet worden aangelegd. Dit principe staat bekend als 'dempen is graven'. Compenserende waterberging vanwege versnelde afvoer Daarbovenop komt de benodigde aanvullende hoeveelheid waterberging ter compensatie van de toename van verharding en/of een versnelde afvoersituatie. De minimale eis dat 5% van het nieuwe verharde oppervlak als retentiegebied moet worden gerealiseerd. Toetsing planinitiatief De planlocatie maakt onderdeel uit van het bedrijvenpark Coenecoop III. Bij de totstandkoming hiervan is vervangend water in het plangebied van dit bestemmingsplan gegraven overeenkomstig de eisen van het Hoogheemraadschap. Voor de ontwikkeling van deze locatie is dan ook geen extra watercompensatie vereist. Waterafvoer Het hemelwater van de daken van de school zal worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het riool worden aangesloten op de bestaande riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen.

Er wordt geen gebruik gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Voor eventueel vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Watervergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. 4.8.3 De Watertoets De watertoets is uitgevoerd voor het plan dit binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is gelegen. Op basis van de verstrekte gegevens concludeerd het Hoogheemraadschap dat er waterstaatkundige belangen zijn. Deze belangen zijn zodanig van aard en omvang dat overleg met het hoogheemraadschap gewenst is. De relevante randvoorwaarden voor het plan Coenecoop College zijn in de Watertoets (zie Bijlage 6) gerangschikt onder 7 streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's: Veiligheid Waterkwantiteit Waterkwaliteit. Van streefbeeld naar randvoorwaarde is de strategie, die erop gericht is het streefbeeld te verwezenlijken. Op deze manier ontstaat een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn. De strategie en randvoorwaarden worden alleen vermeld als dit voor het plan relevant is. Deze dienen als goed uitgangspunt voor gesprek. Het Hoogheemraadschap verzoekt om het ontwerp-bestemmingsplan toe gezonden te krijgen en de mogelijkheid te krijgen om hierop te kunnen reageren.

Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan vooralsnog geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling.

46/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.9

Parkeren en ontsluiting

4.9.1 Parkeren Parapluplan Archeologie en Parkeren Op 9 juli 2014 heeft de gemeenteraad het parkeerbeleid vastgesteld en dit is in 2017 aangevuld. Dit parkeerbeleid geeft aan wat wordt verstaan onder een goede parkeersituatie en wat het bereik van de verantwoordelijkheid van de gemeente is. Het parkeerbeleid is een uitwerking van het eerder door de gemeenteraad vastgestelde Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020. Met het parkeerbeleid werkt de gemeente aan het bereiken van de ambities uit het mobiliteitsplan. Het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, Weg- en waterbouw en de verkeers-techniek (hierna: CROW) is het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte en ontwikkelt praktisch toepasbare kennis voor beleidsvoorbereiding, planning, ontwerp, aanleg, beheer en onderhoud. Diverse richtlijnen voor parkeren zijn opgenomen in CROW-publicatie 317, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Deze publicatie is de basis voor veel van de uitgangspunten in het parkeerbeleid van de gemeente Waddinxveen. Het CROW maakt onderscheid in de stedelijkheidsgraad en de locatie. In het parkeerbeleid staat dat voor de hele gemeente uit wordt gegaan van 'matig stedelijk' als stedelijkheidsgraad. Het CROW hanteert ook de bandbreedtes 'centrum', 'schil centrum', 'rest bebouwde kom' of 'buitengebied'.

De opties 'centrum'en 'schil centrum' hebben betrekking op binnensteden van grotere kernen in combinatie met gebieden waar betaald parkeren geldt. In Waddinxveen wordt daarom alleen de categorie 'rest bebouwde kom'of 'buitengebied'gebruikt. Voor overige parkeerzaken die niet in het parkeerbeleid worden genoemd wordt als uitgangspunt ook verwezen naar CROW publicatie 317. Juridische toelichting Op basis van het vigerende Parapluplan Archeologie en Parkeren zijn de geldende bestemmingsplannen aangevuld met parkeernormen. Gebiedsvisie In de gebiedvisie (Bijlage 1) is opgenomen dat parkeren plaatsvindt in ruime parkeerkoffers, ingepast in het gebied door middel van groen. Parkeren wordt opgelost dicht bij de sporthal, ongeacht waar deze uiteindelijk komt te staan. Hierbij wordt meervoudig gebruik van de parkeerplaatsen, zoals beschreven in het Parkeerbeleid Gemeente Waddinxveen (juli 2014), toegepast op het gebied. Functies zoals de school hebben overdag een bepaalde parkeerbehoefte; de behoefte van de sporthal ligt met name na schooltijden. Voor de woningen zijn de parkeerplekken bij voorkeur opgelost onder de woningen, onder een dek. Er wordt in de uitwerking gekeken op welke manier meervoudig gebruik van parkeerplaatsen specifiek voor deze locatie kan worden toegepast.

Conclusie De ontwikkeling dient te voldoen aan de gestelde parkeernormen conform het vigerend Parapluplan Archeologie en Parkeren. 4.9.2 Ontsluiting In de gebiedvisie (Bijlage 1) is opgenomen dat het karakter van een campus-landschap is dat het autoluw is en de dominante verkeerstromen zijn de voetgangeren de fietser. De (auto)ontsluiting wordt vooral aan de oost,- en westkant georganiseerd om het middengebied te ontlasten. Een hoofd langzaamverkeersroute door het gebied verbindt het noordelijke met het zuidelijke deel van het gebied.

47/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.10

Duurzaamheid

De beoogde ontwikkeling maakt het mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied te voorzien in een deel van de maatschappelijke doelstellingen. Hierdoor wordt voorkomen dat dit in het landelijk gebied moet worden gezocht. De ontwikkeling voorziet daarmee in duurzaam ruimtegebruik. Ten aanzien van het nieuwe school gebouw geldt dat dit (bij voorkeur) gasloos (all-electric) moeten worden uitgevoerd. 4.11

Kabels en leidingen

Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In het plangebied is een waterleiding gelegen. Deze is in het plan opgenomen conform de regels en bescherming van het bestemmingsplan Actualisatie bestemmingsplan Coenecoop. 4.12

Milieueffectrapportage

4.12.1 Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.. 1. Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan-m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r. b.

De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). 3. Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r. Indien de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven te worden. Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient beoordeeld te worden of de in de Wet 48/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.. 4.12.2 Onderzoek Voor de beoordeling of een project m.e.r plichtig is kijk je of de activiteit is opgenomen in de in Bijlage II van het besluit m.e.r. De ontwikkeling van het Coenecoop college valt onder onderdeel D11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De ontwikkeling betreft het realiseren van een nieuw schoolgebouw voor het Coenecoop College. Er is een m.e.r beoordeling uitgevoerd waarbij wordt nagegaan of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. In de m.e.r. beoordeling is getoetst aan de selectiecriteria uit de Europese richtlijn, Bijlage III (Richtlijn 2001/42/EG): kenmerken van het project plaats van het project kenmerken van potentieel effect

Figuur 4.14 Tabel 2.1 Vormvrije m.e.r. beoordeling

49/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Conclusie Voor alle milieuaspecten wordt gemotiveerd aangegeven dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu optreden ten gevolge van de ontwikkeling, er is geen MER noodzakelijk.

50/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Hoofdstuk 5 W ijze van bestemmen 5.1

Algemene juridische opzet

In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels behorende bij dit bestemmingsplan geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. De regels van het onderhavige bestemmingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten: 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. In artikel 2 is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten. 2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan.

Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel zonder meer omgevingsvergunning worden verleend. In het geval van bijbehorende bouwwerken (voorheen: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan in bepaalde gevallen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (zie artikel 2 en 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). 3. Algemene regels Hier zijn onder andere bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels en de slotregel. Het overgangsrecht dient om bouwwerken en gebruiksvormen, die in het verleden legaal zijn gerealiseerd maar nu afwijken van het nieuwe plan, (voorlopig) gehandhaafd respectievelijk voortgezet mogen worden. Zolang voldaan wordt aan de overgangsregels, worden deze bouwwerken en gebruiksvormen gedoogd. In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het plan is. 5.2

Bestemmingsregels

Artikel 3 Maatschappelijk Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' zijn schoolgebouwen toegestaan. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. In de regels en op de verbeelding is de toegestane bouwhoogte van hoofdgebouwen vastgelegd. Artikel 4 Waarde - archeologie 2 In het plangebied komen gebieden met hoge archeologische verwachtingswaarden voor. Voor dit gebied is overeenkomstig het gemeentelijke archeologiebeleid de dubbelbestemming 51/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

'Waarde - Archeologie 2' opgenomen met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningenstelsel. 5.3

Dubbelbestemming

Artikel 5 Leiding - Water De gronden met de dubbelbestemming ‘Leiding - Water’ zijn mede bestemd voor de aanleg, het herstel en de instandhouding van een ondergrondse watertransportleiding. De dubbelbestemming bevat een bouwverbod met afwijkingsmogelijkheid en een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden. Een omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend na schriftelijk advies van de leidingbeheerder. 5.4

Overige regeling

5.4.1 Algemene regels Het gaat hier om algemene regels die betrekking hebben op alle bestemmingen (en ook dubbelbestemmingen) in het plan. In plaats van bij elke bestemming dezelfde regel te plaatsen, kan gebruik worden gemaakt van een algemene regel. Zo zijn er algemene bouwregels, gebruiksregels en afwijkingsregels. Verder zijn in de regels van het bestemmingsplan de volgende aanduidingen opgenomen: specifieke vorm van Maatschappelijk 'tijdelijk wonen toegestaan' Binnen het plangebied zijn nu nog 2 huurwoningen aanwezig. Zolang de zittenden huurders in deze woning blijven wonen is dit toegestaan. Als de huurders de huurovereenkomst beeindigen zullen de woningen niet meer worden verhuurd maar gesloopt om zo plaats te maken voor de geplande ontwikkeling. specifieke vorm van Maatschappelijk 'tijdelijk verbod op gebruik en betreden' Hoewel er een richtafstand geldt van 10 meter afstand tussen de school en woningen, kan er hinder optreden in de vorm van geluidsoverlast, maar ook in de vorm van sociale onveiligheid. Zolang deze woningen in gebruik zijn, zal de buitenruimte aan de zuidzijde van het schoolgebouw door deze functieaanduiding niet toegankelijk zijn voor scholieren. In de regels van dit plan wordt geborgd dat een afstand van 10 meter wordt aangehouden tussen de woningen en de toekomstige bebouwing van de school.

De anti-dubbeltelbepaling is onder de algemene regels opgenomen. Hiermee blijven gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, buiten beschouwing bij de beoordeling van latere bouwplannen. 5.4.2 Overgangs- en slotregels Hieronder zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Deze laatste regel geeft aan op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

52/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het bestemmingsplan 'Coenecoop College' is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is. Gemeente is economisch eigenaar van de grond.

School is de juridisch eigenaar (in het onderwijs is het eigendom gesplitst omdat de gemeente de kosten draagt voor de onderwijshuisvesting, onderhoud etc. ligt dan bij de school). Er is een sluitende begroting voor het plan vastgesteld door de gemeenteraad vastgesteld. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties. Er zijn reacties ingediend door: Veiligheidsregio Hollands Midden Het adviesrapport van de Veiligheidsregio is als Bijlage 7 bij deze Toelichting gevoegd. 6.2.2 Zienswijzen Op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan BPOudeDreefnaast4 vanaf 3 december 2020 tot en met 13 januari 2021 voor een ieder zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend.

53/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9933983/1