CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Coenecoop College_Toelichting.pdf

Besluitvormende raadsvergadering 21 april 2021, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Oude Dreef naast 4 - Coenecoop College15.589 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan Coenecoop College Gemeente: Waddinxveen

Opdrachtgever: Gemeente Waddinxveen

Organisatie

Telefoon

Documentnummer

Lievense Milieu BV

+31 (0)88 910 20 00

SLM011374

Adres

Datum

Versie

Gaetano Martinolaan 50

13 november 2020

NL.IMRO.0627.BPOudeDreefnaast4-0401

6229 GS Maastricht

Colofon Rapporthistorie Voorontwerp n.v.t. Ontwerp 13 november 2020 Vastgesteld .. ..... 2021 Onherroepelijk .. ..... 2021 Contactgegevens R. Bouman 06 - 22835288 r.bouman@lievense.com

Autorisatie Documentnummer

Versie

Status

SLM011374

NL.IMRO.0627.BPOudeDreefnaast4-0401

vastgesteld

Opgesteld door

Functie

Datum

Paraaf

R. Bouman

Adviseur Stedelijke Ontwikkeling

13 november 2020

Geverifieerd door

Functie

Datum

Paraaf

Akkoord projectleider

Functie

Datum

Paraaf

R. Bouman

Adviseur Stedelijke Ontwikkeling

13 november 2020

D. Boer

3/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

2 Inleiding

6

1.1

Aanleiding en doelstelling

6

1.2

Ligging plangebied en begrenzing plangebied

6

1.3

Vigerend bestemmingsplan

7

1.4

De bij het plan behorende stukken

7

1.5

Opzet van de toelichting: leeswijzer

8

Planbeschrijving

9

2.1

Bestaande situatie plangebied en omgeving

9

2.2

Nieuwe situatie

11

Beleid

13

3.1

Rijksbeleid

13

3.2

Provinciaal/regionaal beleid

15

3.3

Gemeentelijk beleid

19

3.4

Conclusie

25

Planologische en milieutechnische aspecten

26

4.1

Geluid

26

4.2

Luchtkwaliteit

27

4.3

Bodemkwaliteit

29

4.4

Natuurwaarden

33

4.5

Externe veiligheid

38

4.6

Bedrijven en milieuzonering

40

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

41

4.8

Waterparagraaf

44

4.9

Parkeren en ontsluiting

47

4.10

Duurzaamheid

48

4.11

Kabels en leidingen

48

4.12

Milieueffectrapportage

48

Wijze van bestemmen

51

5.1

Algemene juridische opzet

51

5.2

Bestemmingsregels

51

5.3

Dubbelbestemming

52

5.4

Overige regeling

52

Uitvoerbaarheid

53

6.1

Economische uitvoerbaarheid

53

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

53

4/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

5/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doelstelling

Het Coenecoop College en de gemeente wensen een nieuw schoolgebouw te realiseren aan de Oude Dreef naast 4. De nieuwbouw is onderdeel van een kwaliteitsimpuls voor het omliggende gebied, ook bekend als 'Dreef - Oude Dreef'. De herhuisvesting van het Coenecoop College en de huisvesting van Sporthal 'De Dreef' spelen hierbij een zeer belangrijke rol. De geformuleerde opgave is het vormen van een efficiënte, duurzame en toekomstbestendige inrichting van het plangebied. Het doel van het voorliggende bestemmingsplan ' Coenecoop College' is om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch te borgen. 1.2

Ligging plangebied en begrenzing plangebied

Het plangebied Coenecoop College (zoals weergegeven in figuur 1.2) is gelegen op het perceel Oude Dreef naast 4. Dit is het noord-oostelijk deel van de percelen die zijn ingeklemd tussen de spoorlijn Gouda - Alphen aan den Rijn in het westen, de (Oude) Dreef met het Gouweplein in het noorden, de Kanaaldijk in het oosten en de N454 (Dreef) in het zuiden.

Figuur 1.2 Ligging plangebied

6/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op de percelen is het bestemmingsplan 'Actualisatie bestemmingsplan Coenecoop ' van kracht, zoals vastgesteld op 10 april 2013. De betreffende gronden hebben de bestemmingen 'Maatschappelijk', 'Wonen' en 'Groen' zoals afgebeeld in figuur 1.3.

Figuur 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan 'Coenecoop College' met identificatienummer NL.IMRO.0627.BPOudeDreefnaast4-0401 bestaat, naast deze toelichting, uit de volgende stukken: verbeelding planregels. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende plan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. De toelichting is niet juridisch bindend, maar is niettemin een belangrijk document bij het 7/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het plan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het bestemmingsplan vooraf is gegaan. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 1.5

Opzet van de toelichting: leeswijzer

De toelichting is als volgt opgebouwd: hoofdstuk 2 Planbeschrijving staat stil bij de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. in hoofdstuk 3 Beleid is een beknopt overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsvisies die relevant zijn voor het plangebied; de gevolgen of effecten op de planologische- en milieutechnische aspecten worden in hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische aspecten beschreven; in hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen worden de gehanteerde bestemmingen met bijbehorende regeling beschreven; hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid, heeft betrekking op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

8/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1

Bestaande situatie plangebied en omgeving

Plangebied: Het plangebied (Oude Dreef naast 4) is gelegen op de hoek van de 'Kanaaldijk' en de 'Oude Dreef'. Op dit moment is het plangebied grotendeels onbebouwd (zie figuur 2.1.1). Tot 2012 is hier een schoolgebouw van het Coenecoop College aanwezig geweest. De sloop van dit gebouw was de eerste stap naar een ontwikkeling van het hele plangebied. In het zuidelijkste deel van het plangebied is een twee-onder-een-kap woning aanwezig (zie figuur 2.1.2). Het plangebied ligt bijna 3 meter lager dan de spoor- en Kanaaldijk. Omgeving: Het gebied 'Dreef- Oude Dreef' is inmiddels in transformatie van groene en maatschappelijke functies naar stedelijke functies. Ten noorden van het plangebied is, aan de overkant van de 'Oude Dreef', het winkelcentrum 'Gouwplein gelegen. De 'Oude Dreef' is qua verkeersfunctie afgeschaald en er is een nieuwe verbinding via de Maximatunnel gerealiseerd. Ten oosten van het plangebied loopt de Kanaaldijk (N454). Op de percelen zuidelijk van het plangebied zijn het het Gemaal en het clubgebouw, de velden en het parkeerterrein van de Tennisvereniging 'De Gouwe Smash' gelegen. Het Gemaal functioneert nu als clubgebouw voor een vereniging. Het meest zuidelijk perceel van het gebied 'De Dreef' is reeds bestemd voor de nieuwbouw van het Samenwerkingsverband Praktijkopleiding Bouw Gouwe (in het vervolg afgekort als SPB).

Hier is ook reeds de nieuwe randweg aangelegd die de N453 en de N454 verbind: de Verlengde Dreef. Ten slotte liggen ten westen, op de naastgelegen percelen, de Sporthal 'De Dreef' (zie figuur 2.1.3) en een nog bestaand gebouw van het Coenecoop College (zie figuur 2.1.4).

Figuur 2.1.1

9/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Figuur 2.1.2

Figuur 2.1.3

Figuur 2.1.4

10/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

2.2

Nieuwe situatie

Voor het hele gebied is de gebiedsvisie 'Dreef- Oude Dreef' (zie Bijlage 1) opgesteld. Binnen de planlocatie wordt in een nieuw schoolgebouw voor het Coenecoop College voorzien. Hiervoor is een kavelpaspoort 'Nieuwe Coenecoop College' (zie Bijlage 2) opgsteld. Het Coenecoop College ligt op dit moment westelijk van het plangebied . In 2012 hebben zij een van hun twee gebouwen laten slopen. Het overgebleven schoolgebouw is verouderd. De vervanging hiervan is gepland in 2022. Voor het nieuwe gebouw zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: bouwperceel is ca. 7400 m2; bouwvlak school is ca. 4375 m2; voorkeur vanuit de openbare ruimte ligt bij gebouwd en gestapeld; drie gymzalen; goede zichtbaarheid vanaf het centrum en kanaaldijk; goed bereikbaar voor hulpdiensten; faseerbare ontwikkeling (geen tijdelijke huisvesting). De gronden hebben in het vigerend bestemmingsplan de bestemming 'Maatschappelijk' en 'Wonen'. Het grootste deel heeft de bestemming 'Maatschappelijk' en is daarmee geschikt voor het realiseren van een schoolgebouw. Binnen het bouwvlak geldt een maximaal toegestane bouwhoogte van 10 meter. Dit is niet toereikend om het nieuwe schoolgebouw te kunnen realiseren. Tevens dienen de gronden met de bestemming 'Wonen' te worden omgezet naar de bestemming 'Maatschappelijk'.

Het Gemaal dat zuidelijk van het plangebied is gelegen dient vanuit cultuurhistorisch oogpunt te worden behouden. De twee rijwoningen nabij het gemaal zullen volgens de 'Gebiedsvisie DreefOude Dreef', d.d. 10 september 2019 (zie Bijlage 1) niet behouden blijven.

11/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Figuur 2.2 Mogelijke nieuwe situatie conform kavelpaspoort

12/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) De kaders van het rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte(SVIR) die op 13 maart 2012 door de Minister van I&M is vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte en heeft als uitgangspunt 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig'. De SVIR omvat drie hoofddoelen, die als volgt zijn geformuleerd: 1. concurrerend Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; 2. bereikbaar Het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3. leefbaar en veilig Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. De nationale belangen hebben onder andere betrekking op ruimte voor waterveiligheid, behoud van nationale unieke cultuurhistorische kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk van natuur. Conclusie De juridische borging van de nationale belangen is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (zie paragraaf 3.1.2) .

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en in oktober 2012 aangevuld. Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan ruimtelijke besluiten op provinciaal en gemeentelijk niveau moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden. Conclusie Het plan is niet in strijd met enig nationaal belang uit het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

13/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is sinds 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Sinds 1 juli 2017 luidt de formulering van de Ladder in artikel 3.1.6. lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwik keling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' Op grond van de ladder moeten de volgende punten worden geadresseerd: 1. er moet worden nagegaan of het bij de nieuwe ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan, gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling; 2. als het gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet worden beschreven dat er daadwerkelijk voldoende vraag bestaat naar deze ontwikkeling; 3. als er voldoende vraag naar de nieuwe stedelijke ontwikkeling bestaat, moet de vraag worden beantwoord of bestaand stedelijk gebied (of bestaande bebouwing) de ruimte voor deze ontwikkeling niet kan bieden.

Het bestemmingsplan 'Actualisatie bestemmingsplan Coenecoop' maakt al bebouwing ter plaatse mogelijk. Tot 2012 is er ook bebouwin op de locatie aanwezig geweest Het nu voorliggend plan voorziet in een nieuwbouw van een schoolgebouw waarvan het bouwvlak en bouwhoogte afwijken van het vigerend plan. De vorm van het nieuwe bouwvlak wijkt af van het vigerende bouwvlak dat op de ontwikkellocatie aanwezig is, maar de omvang vermindert van circa 4950m2 naar ongeveer 4500m2. Omdat er sprake is van vervangende nieuwebouw van een schoolgebouw met een kleiner oppervlak kan worden gesteld dat er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en derhalve hoeft de Ladder voor duurzame verstedelijking niet te worden doorlopen. In de toelichting van dit bestemmingsplan wordt verder aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het plan is niet in strijd met enig nationaal belang uit het Besluit ruimtelijke ordening. 3.1.4 Wet Voortgang Energietransitie (aardgasloos bouwen) Sinds 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energietransitie (Wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet, hierna: Wet Vet) van kracht. Bij deze wet is bepaald dat de aardgasaansluitplicht voor nieuwbouw vervalt.

Dit betekent dat vanaf 1 juli 2018 projectontwikkelaars, aannemers en gemeenten rekening moeten houden met het feit dat nieuw te bouwen bouwwerken niet meer mogen worden aangesloten op het gasnet. Een uitzondering op aardgasloos bouwen is mogelijk, maar is aan voorwaarden onderhevig. 3.1.5 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met het rijksbeleid.

14/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

3.2

Provinciaal/regionaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 1 april 2019 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zes ambities draagt de provincie bij aan het sterker maken van Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven geïdentificeerd. De opgaven zijn vanuit provinciale optiek en op een zeker abstractieniveau geformuleerd zonder een beoogde eindsituatie te schetsen.

Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities: 1. naar een klimaatbestendige delta; 2. naar een nieuwe economie: the next level; 3. naar een levendige meerkernige metropool; 4. energievernieuwing; 5. best bereikbare provincie; 6. gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. In het programma Ruimte zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden. Verbetering omgevingsk waliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit.

Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is weergegeven in de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. Kwaliteitskaart Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. Op de Kwaliteitskaart is het gebied aangeduid als “steden en dorpen” en "stads- en dorpsrand", terwijl het plangebied op kaart 1 'Beter benutten bebouwde ruimte' is aangeduid binnen het bestaand stads- en dorpgebied. Op de kaart 'Laag van de stedelijke occupatie' (kaart 20) van de Omgevingsvisie is het plangebied eveneens 15/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

aangeduid als "steden en dorpe" en "stads- en dorpsrand". In figuur 3.2.1 is een uitsnede van de Kwaliteitskaart en Kaart 20 opgenomen.

Figuur 3.2.1 Uitsnede Kwaliteitskaart (links) en 'Laag van de stedelijke occupatie' (rechts) Het plangebied is rood omlijnd. Conclusie De realisatie van een nieuw schoolcomplex is in overeenstemming met thema 1 (beter benutten en opwaarderen), omdat deze als vervanging dient van een reeds gesloopt pand. Tevens worden de gebouwen binnen het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de provinciale belangen met betrekking tot functie en gebruik. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In deze verordening zijn alle regels voor de fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. Voor zover relevant worden deze hieronder toegelicht. Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b.

als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en; 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke matregelen zoals bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en; 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het 16/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

derde lid. Toelichting Verordening ruimte op kwaliteitsbeleid Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen 1) moeten passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit en 2) moet voldoen aan de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart. Als een ontwikkeling niet past bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen'.

Als richtpunten wordt onder andere het volgende aangehouden: ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand; cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Voor ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand geldt als richtlijn dat deze bijdragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). De nieuwbouw van een schoolgebouw is ruimtelijk goed inpasbaar op dit perceel, omdat in het bestemmingsplan al bebouwing van een vergelijkbare omvang mogelijk is en de functie aansluit bij de zuidelijk gelegen SPB Gouwe. Tevens is de nieuwebouw een vervanging van een reeds gesloopt gebouw en is er dus sprake van herstructurering. Deze planontwikkeling past derhalve binnen de bestaande gebiedsidentiteit en qua aard en schaal bij wat er al is in de directe omgeving met een cluster met voorzieningen. Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'inpassing', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor dit plan.

Conclusie Het plangebied ligt binnen het bestaand stads- en dorpgebied en in overeenstemming met de provinciale belangen. Het plan in overeenstemming is met artikel 6.9 lid 1 sub a (inpassen) en lid 4 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (ruimtelijke kwaliteit). 3.2.3 Provinciaal Milieubelang Wet- en regelgeving De Provincie toetst of het provinciaal belang in het geding is en of er mogelijk in strijd met het provinciaal belang wordt gehandeld. In dit hoofdstuk wordt reeds een voortoets voor het provinciaal milieubelang uitgevoerd. Daarmee wordt tijdig zicht gekregen op strijdigheden en waar mogelijk worden oplossingsrichtingen benoemd. Het provinciaal milieubelang heeft betrekking op vier thema's: bescherming van stiltegebieden windenergie stimuleren beschermen bedrijventerreinen voor HMC-bedrijven 17/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

beschermen van grote groepen mensen Onderzoek Getoetst wordt of bij het voorgenomen bestemmingsplan het provinciaal belang in het geding is. Zo ja, dan wordt bekeken of er mogelijk sprake is van strijdigheid met het provinciaal belang. Er zijn voor dit plan geen provinciale belangen in het geding. Wel gaat speciale aandacht uit met de omgang met risicobronnen (externe veiligheid) conform omschreven in hoofdstuk 4 paragraaf 4.7. Conclusie Er is geen provinciaal milieubelang in het geding. 3.2.4 Waterschap Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie www.hhsk.nl/diensten/publicaties). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten.

De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan: het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe; de waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen; het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd; het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.

In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke 18/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Beleid peilverlaging Het algemene beleid van het Hoogheemraadschap is dat in de hele Zuidplaspolder geen peilverlaging meer wordt toegestaan. Daarbij wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijk peil om de kwel terug te dringen en de bodemstabiliteit te bevorderen. Voor het toekomstig watersysteem streeft het hoogheemraadschap twee belangrijke doelen na: peilgebieden samen te voegen: de veerkracht van het watersysteem vergroten en het laten ontstaan van betere ecologische uitwisselingsmogelijkheden in de polder. een andere vorm van peilbeheer: vervangen huidige stelsel van zomer- en winterpeilen in de gehele Zuidplaspolder door een meer natuurlijke vrije fluctuatie van het peil binnen een bepaalde bandbreedte. In het deelgebied Noord ligt een aantal kleinere peilgebieden met eenzelfde peilregime, die voor een groot deel in gebruik zijn als glastuinbouwgebied. De infrastructuur in dit gebied maakt het zonder meer samenvoegen van deze peilgebieden tot een kostbare aangelegenheid.

Het Hoogheemraadschap zal peilgebieden daarom alleen samenvoegen wanneer zich kansen voordoen om dit met beperkte kosten te kunnen uitvoeren. Voor het deelgebied Noord stelt het Hoogheemraadschap een hoogste (bandbreedte)peil voor van NAP – 6,90 m, wat gelijk is aan het huidige zomerpeil. Om het waterbergend vermogen van het watersysteem op peil te houden is de eis gesteld dat bij nieuwe ontwikkelingen minimaal 5% van het gebied voor waterberging geschikt wordt gemaakt. 3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Waddinxveen 2030 De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de structuurvisie Waddinxveen 2030 "Positief en realistisch naar 2030" vastgesteld. Er is gekeken naar de kansen en mogelijkheden die Waddinxveen heeft op het gebied van ruimtelijke ontwikkelingen. Het karakter van de structuurvisie is positief en realistisch. Concreet betekent dit dat de ambities haalbaar en uitvoerbaar zijn, maar dat de visie ook uitdaagt en perspectief biedt. De nieuwe structuurvisie moet zowel de gemeente als burgers, bedrijven en andere betrokken partijen inspireren om actief mee te werken en te bouwen aan de toekomst van Waddinxveen. Wonen en voorzieningen Wanneer het gaat om voorzieningen zijn drie gradaties van voorzieningen aan de orde. De gemeente zet in behoud en versterken van het algemeen voorzieningenniveau. Dit betekent dat de gemeente inzet op voldoende mogelijkheden voor ontmoeting, het behoud van de bibliotheekfunctie, faciliteren van sport en bewegen, een gunstig vestigingsklimaat voor horeca en detailhandel. In relatie tot het woningaanbod streeft de gemeente naar een gevarieerd woningaanbod in de wijken hetgeen met zich meebrengt dat er een gunstig vestigingsklimaat is voor scholen, kinderopvang, peuterspeelzalen e.d. Het oprichten van een school voor middelbaar beroepsonderwijs past binnen deze uitgangspunten.

De gemeente wil aan deze marktontwikkeling een positieve bijdrage leveren. Op de integrale kaart van de Structuurvisie ligt het plangebied in een overgangsgebied tussen '(concentratie) bedrijven nieuw' en 'Scholen, sport, begraafplaats' (zie figuur 3.3.1). Hoewel deze herontwikkeling niet concreet is benoemd kan worden gesteld dat deze planontwikkeling in overeenstemming is met de structuurvisie en de hierbij behorende uitvoeringsagenda, omdat de 19/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

kavel ten opzichte van het aan de overzijde van de Verlegde Dreef gelegen bedrijventerrein vrij solitair ligt, terwijl het gebied meer aansluiting heeft met scholen (Coenecoop College) en sport (tennisvereniging Gouwe Smash). Voorts ligt het schoolgebouw tussen twee haltes van het HOV-net Gouda - Alphen aan den Rijn. De ontwikkeling is hier vanuit een goede ruimtelijke ordening inpasbaar. Conclusie De visie heeft een hoog abstractieniveau, waarin geen uitspraken worden gedaan op perceelsniveau. Vanuit planologisch oogpunt is het oprichten van een school op dit kavel goed inpasbaar nabij een scholencluster voor middelbaar onderwijs. Deze nieuwe onderwijsfunctie levert een positieve bijdrage aan het voorzieningenniveau. De nieuwbouw (gedeeltelijk buiten het bestaande bouwvlak) is in overeenstemming met de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid.

Figuur 3.3.1: Integrale kaart Structuurvisie

20/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

3.3.2 Mobiliteitsplan 2013-2020 De gemeenteraad heeft op 26 juni 2013 het Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020 vastgesteld. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen. Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt. Conclusie De Oude Dreef en Kanaaldijk kunnen worden aangemerkt als gebiedsontsluitingswegen in de bebouwde kom. Op het perceel heeft tot 2012 een gebouw van het Coenecoop College gestaan en het vigerend bestemmingsplan biedt nog steeds een mogelijkheid tot het oprichten van een schoolgebouw. Hierop is de wegcapaciteit berekend. Daarbij vinden de verkeersbewegingen nagenoeg alleen plaats met personenauto's. Hiermee voldoet het plan aan de ambities uit het Mobiliteitsplan.

21/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

3.3.3 Welstandsbeleid Welstandsnota Waddinxveen 2015 (wijziging 2018) In de door de gemeenteraad op 7 mei 2019 vastgestelde (gewijzigde) Welstandsnota 2015 is onderscheid gemaakt tussen verschillende welstandsregimes. Ten behoeve hiervan is een welstandskaart opgesteld, waarin is aangegeven welk welstandsregime van toepassing is. De keuze voor een gebiedsindeling is gemaakt om vooral op welstand te toetsen in gebieden die beeldbepalend zijn, van groot openbaar belang zijn of cultuurhistorisch waardevol zijn voor Waddinxveen. Op de welstandskaart is het gebied aangeduid met een regulier welstandsregime (zie figuur 3.3.3).

Figuur 3.3.3 plangebied rood omkaderd 2. Regulier welstandsregime Bij een regulier welstandsregime wordt het gebouw / bouwwerk niet alleen in haar omgeving maar ook als zelfstandig object getoetst, de architectonische benadering. Op dit niveau doet ook een beeldkwaliteitsplan uitspraken over de uitstraling en verschijningsvorm van de bebouwing, zonder de architectuur geheel vast te leggen. Een regulier welstandsregime neemt ook de volgende aspecten mee: de geleding van het bouwvolume: verschillende bouwhoogten, accenten zoals torens of grote openingen; de vormgeving en kleurgebruik van de gevel: verticale, horizontale, neutrale of onregelmatige geleding; de keuze van de dakvorm: plat, hellend vlak of kap, zoals lessenaars-, zadel-, 22/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

schilddak of mansardekap; het gebruik van compositorische middelen: erkers, luifels, balkons, loggia’s het gebruik van decoratieve middelen: (uitkragende) daklijsten, raamlijsten, gevelbanden. Nieuwbouwprojecten binnen een specifiek welstandsregime moeten plaatsvinden binnen het kader van een stedenbouwkundig plan, een planologische herziening en een beeldkwaliteitsplan. Wanneer door de gemeenteraad tot zulke ingrepen in stad of landschap wordt besloten, wordt voor een dergelijk gebied beeldregie gevoerd. Dit gebeurt op basis van een beeldkwaliteitsplan bij grotere plannen of kan met een minder uitgebreide vorm bij kleine plannen. Bij kleine plannen kan bijvoorbeeld ook worden volstaan met het opstellen van randvoorwaarden, het maken van een kavelpaspoort of het vaststellen van nieuw welstandsregime voor de betreffende locatie. Daarnaast kan in plaats van de welstandscommissie een supervisor of kwaliteitsteam worden ingesteld. Het doel is hiermee de kwaliteit van het te ontwikkelen gebied te borgen. Ook kan desgevraagd advies worden gegeven bij veranderingen of het vastlopen van een plan. Het enthousiasmeren van ontwikkelingen hoort daar ook bij. Een kwaliteitsteam bestaat uit diverse leden, deels werkzaam bij de gemeente, deels uit een aantal externen.

Voor het gebied is de gebiedsvisie 'Dreef - Oude Dreef' (zie Bijlage 1) opgesteld en voor het plangebied is specifiek het kavelpaspoort 'Ontwikkelkader Nieuwe Coenecoop College' (zie Bijlage 2) vervaardigd. Gebiedsvisie Dreef - Oude Dreef De gemeente Waddinxveen heeft in het 'Collegewerkprogramma 2014-2018' de wens uitgesproken om een ontwikkelvisie voor het gebied rondom het Coenecoop College, ook bekend als Dreef - Oude Dreef, op te stellen. De aanleiding hiervoor is de ontwikkeling van het naastgelegen Gouweplein, waardoor een kwaliteitsimpuls voor de plek wenselijk is. Daarnaast spelen herhuisvesting van het Coenecoop College en de huisvesting van Sporthal 'De Dreef' een belangrijke rol binnen de vraag naar een ontwikkelvisie. Het gebied ligt ingeklemd tussen het Gouweplein (Oude Dreef), de spoorlijn Gouda - Alphen aan den Rijn, de Kanaaldijk en de N454 (Dreef). De opgave die de gemeente Waddinxveen geformuleerd heeft is het vormen van een efficiënte, duurzame en toekomstbestendige opzet en inrichting van het plangebied. Binnen deze gebiedsvisie moeten handvatten gegeven worden voor ruimtelijke en kwalitatieve ingrepen waarmee de toekomstige ontwikkelingen gestuurd kunnen worden. Kavelpaspoort Ontwikkelkader Nieuwe Coenecoop College Het programma van de school is verdeeld over maximaal vier bouwlagen. De school heeft een representatief karakter naar alle zijden.

Er wordt een architectonisch accent gerealiseerd aan de zijde gericht naar de Kanaaldijk en het Gouweplein. Het hoekaccent is uitgelijnd op de bebouwing van het Gouweplein. Het schoolplein ligt aan de andere zijde van het gebouw. Het bouwperceel is enerzijds begrensd op de dijkbeschermingszone met een kleine buffer en anderzijds op de afstand met de toekomstige woonbebouwing alsmede het hoogteverschil bij het Gemaal en het Gouweplein. Het bouwplan is in zijn geheel uitgelijnd en gepositioneerd in het stramien van de andere (toekomstige) bebouwing in het gebied. bouwperceel is ca. 7400 vierkante meter; bouwvlak school is ca. 4375 vierkante meter';

23/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Figuur 3.3.3 nieuwe situatie conform kavelpaspoort Conclusie Het nu voorliggend plan is gebaseerd op de gebiedsvisie en het kavelpaspoort. De bouwregels van het bestemmingsplan zijn zodanig opgesteld dat deze planontwikkeling is toegestaan. De welstandscommissie toetst het plan zodra het ontwerp zich daarvoor leent.

24/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

3.3.4 Duurzaamheid Gemeentelijk beleid inzake duurzaam bouwen Het Regionaal Beleidskader Duurzaam Bouwen biedt uitgangspunten voor bestaande en nieuwe woningbouw, gemeentelijke gebouwen, utiliteitsbouw, bedrijventerreinen, stedenbouw en GWW. Aangesloten wordt bij de systematiek van GPR gebouw. Al in het voorlopig ontwerp kan snel met GPR gebouw een verkenning op verschillende milieuthema's worden uitgevoerd. Duurzaamheid wordt zo meegenomen als een van de aspecten van de totale kwaliteit. Binnen voornoemd beleidskader wordt projectmatig gewerkt aan het halen van de minimumdoelstellingen van 7,2 per thema (milieu, energie, toekomstwaarde, gebruikskwaliteit en gezondheid). Energie De prestatie op het gebied van energie wordt aangeduid met de Energie Prestatie op Locatie (EPL) en de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De EPL is een maat voor de CO2-emissie ten gevolge van energiegebruik op wijkniveau. De EPC geeft de mate van energie-efficiëntie per gebouw aan. Hoe lager de EPC, des te zuiniger het gebouw. In het Klimaatbeleid van de gemeente Waddinxveen is een aanscherping van 10% van de EPC op nieuwbouw opgenomen ten opzichte van het Bouwbesluit. Conclusie Er wordt naar gestreefd het gebouw energieneutraal te bouwen. Er worden pv-panelen geplaats op het gebouw om zoveel mogelijk in de eigen energiebehoefte te voorzien.

Voor een goede waterhuishouding in de omgeving worden deels groene daken gerealiseerd en wordt een open bestrating aangelegd om het watervasthoudend vermogen van het gebouw en de omgeving te vergroten en in de toekomst wateroverlast te voorkomen. Het ambitieniveau is mede afhankelijk van de hoogte van de bouwkosten en terugverdientijd. 3.4

Conclusie

De planontwikkeling past binnen de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid, zoals dat is vastgelegd in de hiervoor genoemde beleidsdocumenten. De afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan zijn ruimtelijk inpasbaar, terwijl het voorzieningenniveau hierdoor in stand kan worden gehouden.

25/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische aspecten Het milieubeleid is primair bedoeld om een optimale leefomgeving te realiseren. Dit kan er soms toe leiden dat beperkingen worden opgelegd aan gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. In onderstaande worden de conclusies voor de verschillende aspecten beschreven. 4.1

Geluid

4.1.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden langs gezoneerde geluidsbronnen (wegen, spoorwegen en industrieterreinen). Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (art. 1 Wgh): woningen; onderwijsgebouwen; zekenhuizen en verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; geluidsgevoelige terreinen; kinderdagverblijven. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen en/of nieuwe wegen langs nieuwe en bestaande geluidsgevoelige functies mag de geluidsbelasting in beginsel ten hoogste de voorkeursgrenswaarde (48 dB) te bedragen. Als uit onderzoek blijkt dat hier niet aan voldaan kan worden en maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn ofwel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan in sommige gevallen een Hogere Waarde worden vastgesteld. 4.1.2 Akoestisch onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de wettelijke zone van de Kanaaldijk / Kanaalstraat en de spoorlijn Gouda - Alphen aan den Rijn. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tevens aangetoond te worden dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat ten gevolge van het niet gezoneerde 30 km/h wegen.

Naast het plangebied is de Oude Dreef, een 30 km/h weg, gelegen. Voor het uitgevoerde akoestisch onderzoek zie Bijlage 3. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van het verkeer op de Kanaaldijk/Kanaalstraat op enkele gevels (oost en deels zuid en noord) van het nieuwe schoolgebouw hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, nl. 56dB. De maximale ontheffingswaarde wordt nergens overschreden. Uit het onderzoek blijkt dat maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren niet mogelijk, gewenst en/of doelmatig zijn. Aan de voorwaarden uit de gemeentelijke beleidsregel ten aanzien van een geluidsluwe gevel en buitenruimte wordt voldaan. Er moet een hogere waarde worden verleend van 56 dB.

26/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.2

Luchtkwaliteit

4.2.1 Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Figuur 4.3.1 Grenswaarden Wet Luchtkwaliteit Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: 1. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; 2. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; 3. een project "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.); 4. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen). Regeling NIBM De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden.

Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteitonderzoek niet meer nodig is: woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg.

De NIBM regels gelden niet voor PM2,5. Aan de grenswaarde voor PM2,5 moet dus wel worden getoetst. PM2,5 is een fractie van PM10. Indien aan de normen voor PM10 wordt voldaan wordt ook aan de norm voor PM2,5 voldaan.

27/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.2.2 Onderzoek Het plan maakt de realisatie van een nieuwe school mogelijk. Er kan redelijkerwijs worden gesteld dat deze ontwikkeling ruim onder de grens blijft van 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte. De ontwikkeling draagt dus niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee kan gesteld worden dat op grond van artikel 5.16, eerste lid, onder d, Wm ("grondslag NSL") voldaan wordt aan de eisen van de Wet Luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de bijdrage aan de luchtverontreiniging ten gevolge van de planontwikkeling is om deze reden niet noodzakelijk. PM2,5 en PM10 Per 1 januari 2015 is de grenswaarde voor PM2,5 inwerking getreden. Indien voldaan wordt aan de grenswaarden voor PM10 dan wordt ook voldaan aan de grenswaarden voor PM2,5. Er is van het plangebied een uitsnede gemaakt uit de NSL monitoringstool. In figuur 4.1 zijn de rekenpunten voor luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied opgenomen. Op alle meetpunten in de omgeving is de concentratie N02 en PM10 < 35 µg/m3 en de PM 2,5 < 20 µg/m3. Deze luchtkwaliteit concentraties zijn lager dan de grenswaarden zoals in voorgaande tabel.

Figuur 4.3.2-1 Meetpunten ui de NSL-monitoringstool, het geselecteerde meetpunt is rood omcirk eld In navolgende tabel is een rekenpunt langs de Kanaaldijk (Id 16008205) genomen aan de rand van het plangebied. Dit rekenpunt is rood omcirkeld op voorgaande afbeelding. De berekende concentraties liggen ruim onder de grenswaarden en hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Figuur 4.3.2-2 Tabel concentratie van NO2, PM10 en PM 2,5 in µg/m3. De gemeenteraad heeft een onderzoek laten uitvoeren, waarin inzichtelijk is gemaakt wat de bijdrage is van wegverkeer, intensieve veehouderij, huishoudens, geplande biomassacentrales, tuinbouwbedrijven, industrie en scheepvaart op de luchtkwaliteit. Alle bronnen worden op 28/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

afzonderlijke kaartlagen in beeld gebracht en ook de totale concentratie. In de raadsvergadering van 27 november 2019 zijn de onderzoeksresultaten van het rapport "Inzicht in de lokale luchtkwaliteit van Waddinxveen, Huidige situatie en doorkijk naar 2030 "projectnummer 1267924, TAUW d.d. 26 november 2019 met de gemeenteraad gedeeld. De onderzoeksresultaten uit het rapport komen overeen met de resultaten uit het NSL. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voldoet uit het oogpunt van luchtkwaliteit aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. 4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1 Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging en de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb): Niet saneren Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden. Saneren Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geevalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet.

Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo). Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiele consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bij de realisatie van ruimtelijke plannen is vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. De gemeente Waddinxveen beschikt over een vastgestelde bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota Bodembeheer. Uitgangspunt is dat bij hergebruik van grond de kwaliteit moet aansluiten bij de functie ter plaatse. Nagenoeg alle grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl). Daarnaast dient te worden aangesloten aan de vigerende wetgeving ten aanzien van PFAS.

29/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.3.2 bodeminformatie Van het plangebied is aan de hand van een recent uitgevoerd historisch bodemonderzoek alle relevante bodeminformatie verzameld. In de volgende subparagraaf wordt de bekende bodeminformatie besproken. Omdat delen van het plangebied nog niet waren onderzocht is voor het gehele plangebied een historisch bodemonderzoek uitgevoerd door Ingenieursbureau Land (kenmerk R01-77878.04-SRI, d.d. 7 mei 2020).

Figuur 4.3.2 Bodeminformatiekaart Toelichting op bodeminformatiekaart

30/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.3.3 Resultaten In deze paragraaf wordt de bekende bodeminformatie besproken. De bij de Omgevingsdienst Midden-Holland bekende bodeminformatie van het plangebied zal in een nog op te stellen informatiekaart worden opgenomen naar aanleiding van het nog uit te voeren historisch bodemonderzoek. Tanks Uit het onderzoek blijkt dat er binnen het plangebied een ondergrondse tank aan de Kanaaldijk 5 (gemaal) aanwezig is (geweest). Nadere gegevens over deze tank zijn onbekend. Bij de tank is geen bodemonderzoek uitgevoerd. Voormalige bedrijven Uit het onderzoek blijkt dat er in het verleden binnen het plangebied een gemaal aan de Kanaaldijk 5 aanwezig was. Op deze locatie is een ondergrondse tank aanwezig (geweest). 31/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Huidige bedrijven Uit het onderzoek blijkt dat er binnen het plangebied geen bedrijven maar wel maatschappelijke instellingen (scholen en sporthal) zijn gevestigd. Deze instellingen vallen veelal onder een melding voor het onderdeel milieu, waarmee voorwaarden ten aanzien van voorkoming van bodemverontreiniging zijn vastgelegd. Voor meer informatie over deze instellingen zie hoofdstuk 5 Bedrijven en milieuzonering. Gedempte sloten Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied gedempte sloten aanwezig zijn. Uit vergelijking van historische kaarten blijkt dat er in het verleden binnen het plangebied meerdere sloten en een watergang aanwezig zijn geweest. De sloten zijn gedempt rond 1940 toen de westelijk gelegen spoorlijn (buiten het plangebied) is gerealiseerd. De watergang is in de jaren 80 van de vorige eeuw gedempt. De samenstelling van het dempingsmateriaal is deels onbekend. Bodemonderzoekslocaties Uit het onderzoek blijkt dat binnen of overlappend met het plangebied meerdere bodemonderzoekslocaties aanwezig zijn. Samengevat blijken alle locaties voldoende te onderzocht en/of gesaneerd te zijn. Ter plaatse van Kanaaldijk 7 en Dreef 2 zijn geringe restverontreinigingen achtergebleven. Grondverzet De gemiddelde bodemkwaliteit op onverdachte percelen binnen het plangebied is vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart.

Het plangebied is gelegen in zone 7 (Recente uitbreidingen). De gemiddelde kwaliteit van de bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv) en ondergrond (0,5 . 2,0 m -mv) voldoet aan de klasse Landbouw/natuur. Dit betekent dat vrijkomende grond van onverdachte locaties zonder keuring in de gehele regio Midden-Holland kan worden hergebruikt op basis van de Nota bodembeheer Midden-Holland. Daarnaast dient te worden voldaan aan de vigerende wetgeving ten aanzien van PFAS. Voor het toepassen van grond van buiten het plangebied moet worden aangesloten bij de functie die het gebied heeft. Deze functies zijn aangegeven op de kaart met toepassingswaarden. Raadpleeg hiervoor de Atlas Omgevingsdienst Midden-Holland. Nagenoeg al het grondverzet dient te worden gemeld bij het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl). Voor nadere informatie over het keuren, het opslaan en het melden van grond(verzet) kan contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Midden-Holland of de website worden geraadpleegd: www.odmh.nl. Overig Uit het historisch onderzoek blijk dat tijdens het locatiebezoek ter plaatse van Kanaaldijk 5 en de aanwezige dienstwoningen ophooglagen zijn waargenomen. Dit deel van het plangebied ligt deels hoger dan de rest. De kwaliteit van deze ophogingen is momenteel onbekend. Deze ophogingen dienen als verdacht te worden beschouwd.

32/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

4.3.4 Conclusie en advies Ten aanzien van de geplande bestemmingswijziging en herinrichting is de bodem van de locatie momenteel voldoende onderzocht. Op basis van de huidige gegevens kan worden geconcludeerd dat er binnen het plangebied geen grootschalige bodemverontreinigingen zijn te verwachten die een mogelijke belemmering zijn voor de herontwikkeling van het gebied. Indien echter nieuwbouw plaats vindt (aanvraag van een omgevingsvergunning in kader van de bouw) dan is afhankelijk van de ligging van de nieuwbouw mogelijk meer bodemonderzoek noodzakelijk. Bij nieuwbouw dient bij de ondergrondse tank en de ophogingen ter plaatse van Kanaaldijk 5 een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 te worden uitgevoerd. Ter plaatse van de nog niet onderzochte delen van de gedempte sloten en watergang dient een indicatief bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Eventueel grondverzet dient plaats te vinden conform de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van de gemeente en de vigerende wetgeving ten aanzien van PFAS. 4.4

Natuurwaarden

4.4.1 Wettelijk kader Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de landelijke wetten: de Wet natuurbescherming (Wnb), Spoedwet Aanpak Stikstof (SAS) en de Wro (Natuurnetwerk Nederland). Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Omgevingsverordening Provincie Zuid-Holland (2019); natuurbeheerplan 2020. Wet natuurbescherming (Wnb) Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) van kracht. De wet maakt onderscheid tussen gebieds-, soorten- en houtopstandenbescherming. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde bepalingen in de Wnb verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming wordt verleend door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. Onder de Wnb zijn gedeputeerde staten van provincies bevoegd gezag voor ontheffing- of vergunningverlening. In de provincie Zuid-Holland is de Omgevingsdienst Haaglanden belast met de vergunningverlening, terwijl Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid de toezichts- en handhavingstaken uitvoert voor de Wnb. Gebiedsbescherming Het onderdeel gebiedsbescherming bevat instrumenten om op basis van effectstudies activiteiten in en rondom Natura 2000-gebieden af te wijzen, dan wel toe te staan op basis van een melding of een vergunning.

In artikel 2.7 staat dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De wet schrijft verder voor dat onder voorwaarden een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen van dat gebied. voor het voornemen noodzakelijk is (artikel 2.8). In een eventueel verkregen vergunning zijn aan handelingen die een negatief effect hebben op een Natura 2000-gebied voorwaarden verbonden om schade aan natuurwaarden te voorkomen en te compenseren. Het uitvoeren van een passende beoordeling kan ook leiden tot het opstellen van een planmer bij het doorlopen van een planologische procedure. Soortenbescherming In de wet zijn verbodsbepalingen opgenomen ten aanzien van beschermde flora en fauna. 33/53 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPOudeDreef naast4-0401 - 13 november 2020

Activiteiten waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, dienen voorkomen te worden, bijvoorbeeld door het treffen van mitigerende maatregelen of het werken met een goedgekeurde gedragscode. Indien dit niet mogelijk is, dan is het uitvoeren van een dergelijke activiteit alléén toegestaan met een ontheffing van het bevoegd gezag, de gedeputeerde staten van de provincies. Een mitigatieplan of ontheffing dient in het bezit te zijn voorafgaand aan de start van de uitvoeringsfase. Bij de plantoets voor een bestemmingsplan dient aannemelijk te worden gemaakt met ecologisch onderzoek, dat een eventuele ontheffingsaanvraag voldoende onderbouwd kan worden en verwacht mag worden dat de ontheffing wordt verleend door het bevoegd gezag. Voor enkele soorten is een vrijstelling verleend bij de uitvoering van handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud. Deze soorten staan opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9933983/1