Bijlage 3. Nota beantwoording zienswijzen BP Theo Thijssenschool
Tekst van het document
Bijlage Geanonimiseerde Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan “Theo Thijssenschool” Deze bijlage is onlosmakelijk verbonden met het raadsbesluit en raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan “Theo Thijssenschool”
Planidentificatie: NL.IMRO.0627.TheoThijssenschool-0301 Kenmerk: < 266629 >
pag 2/28
Procedure ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan “Theo Thijssenschool” heeft na publicatie via de gebruikelijke weg (onder meer het Gemeenteblad, www.ruimtelijkeplannen.nl en de gemeentelijke website) conform de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.8) en de Algemene wet bestuursrecht (artikel 3:12) met ingang van 28 december 2023 gedurende zes weken (tot en met 8 februari 2024) ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken.
Zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbestemmingsplan Wet bescherming persoonsgegevens De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) stelt strenge regels aan het (digitaal) openbaar maken van de NAW-gegevens. Om deze reden worden in deze zienswijzennota geen NAWgegevens vermeld. Deze nota wordt als onderdeel van de besluitvorming van het bestemmingsplan op internet gepubliceerd. In verband met de Wbp zijn de zienswijzen daarom geanonimiseerd. Omdat het Besluit ruimtelijke ordening niet expliciet verplicht tot het elektronisch beschikbaar stellen van persoonsgegevens, is de Wbp van kracht bij de elektronische beschikbaarstelling van bestemmingsplannen op internet. Dit betekent dat inspraakreacties, zienswijzen e.d. niet elektronisch beschikbaar gesteld mogen worden indien deze NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats) bevatten of andere persoonsgegevens die vallen onder de Wbp. De werking van de Wbp strekt zich niet uit tot gegevens omtrent ondernemingen, die behoren tot een rechtspersoon. Deze namen zijn daarom niet geanonimiseerd. Dit geldt ook voor personen die beroepsmatig betrokken zijn bij de procedure (namen van advocaten, gemachtigden e.d.). Omdat deze zienswijzennota elektronisch beschikbaar wordt gesteld, zijn de zienswijzen gerubriceerd op nummer, zodat de inhoud van de nota geen NAW gegevens van natuurlijke personen bevat.
Ingediende zienswijzen Binnen de gestelde termijn zijn 3 zienswijzen binnengekomen. Deze zijn tijdig door de gemeente ontvangen. Het betreffen de volgende zienswijzen: 1. 2. 3.
Zienswijze 1 (dagtekening 8 januari 2024, aangevuld op 26 januari 2024 en 8 februari 2024); Zienswijze 2 (dagtekening 12 januari 2024); Zienswijze 3 (ontvangen op 6 februari 2024).
pag 3/28
Samenvatting en beantwoording zienswijze(n) De zienswijzen komen in de kern neer op het volgende.
Zienswijze 1: A.
B.
C.
Parkeerdruk In het parkeeronderzoek is er geen rekening mee gehouden dat de extra leerlingen bovengemiddeld vaak met de auto naar school zullen worden gebracht, omdat zij hoofdzakelijk woonachtig zijn in nieuwbouwwijken die zich op een afstand van meer dan 600 meter van de school bevinden. Ditzelfde geldt voor de gehanteerde parkeernorm, waarbij in afwijking van de gemeentelijke parkeernota ook nog eens is uitgegaan van ‘sterk stedelijk’ terwijl dat ‘matig stedelijk’ moet zijn, omdat de planlocatie niet als ‘sterk stedelijk’ kwalificeert. Ook is in het parkeeronderzoek geen rekening gehouden met andere plannen en projecten die in de maak zijn en/of reeds vergund zijn en tevens invloed hebben op de parkeerdruk. Aangezien de parkeerdruk op de Oranjelaan tijdens de haal- en brengmomenten al meer dan 100% is, terwijl uit de gemeentelijke parkeernota blijkt dat iedere parkeersituatie met een bezetting van meer dan 90% al leidt tot onaanvaardbaar zoekgedrag en overlast, zal het bestemmingsplan een onaanvaardbare verslechtering tot gevolg hebben, waarmee geen rekening is gehouden. Reclamant verzoekt de gemeente om parkeermaatregelen mee te nemen in het bestemmingsplan die ervoor zorgdragen dat de bestaande situatie in de Oranjelaan in ieder geval niet verslechtert.
Verkeersbewegingen In het verkeersonderzoek is er geen rekening mee gehouden dat de extra leerlingen bovengemiddeld vaak met de auto naar school zullen worden gebracht, omdat zij hoofdzakelijk woonachtig zijn in nieuwbouwwijken die zich op een afstand van meer dan 600 meter van de school bevinden, terwijl de parkeerdruk op de Oranjelaan tijdens de haal- en brengmomenten al meer dan 100% is. Ook is in het verkeersonderzoek geen rekening gehouden met andere plannen en projecten die in de maak zijn en/of reeds vergund zijn en tevens invloed hebben op het aantal verkeersbewegingen. In het verkeersonderzoek is bovendien louter gekeken naar de gevolgen voor de Kerkweg-Oost, maar niet naar de gevolgen voor de Oranjelaan, ondanks dat de ingang naar het schoolplein wel aan de Oranjelaan wordt gerealiseerd. Reclamant vraagt de gemeente de Oranjelaan en de voorgestelde ingang van het schoolplein aan de Oranjelaan in het verkeersonderzoek te betrekken. Ook vraag reclamant de gemeente om verkeersmaatregelen die ervoor zorgdragen dat de bestaande situatie in de Oranjelaan in ieder geval niet verslechtert mee te nemen in het bestemmingsplan, zoals het invoeren van eenrichtingsverkeer in de Oranjelaan met een inrijverbod vanaf de Kerkweg-Oost en het schrappen van de ingang van het schoolplein aan de Oranjelaan.
Leerlingaantallen Uit leerlingprognoses blijkt dat er slechts behoefte is aan vier extra klaslokalen, uitgaande van 25 leerlingen met klas, niet aan acht klaslokalen. Het zou daarom niet aannemelijk dat
pag 4/28
D.
E.
F.
G.
het bestemmingsplan binnen de plantermijn wordt uitgevoerd. Reclamant verzoekt de gemeente het bestemmingsplan aan te passen tot maximaal vier klaslokalen. Afwijkingsbevoegdheid Reclamant verzoekt de gemeente om de afwijkingsbevoegdheid waarmee een kinderdagverblijf en/of peuterspeelzaal kan worden toegestaan als dit geen onaanvaardbare geluidsoverlast, verkeersaantrekkende werking of onaanvaardbare parkeerdruk in de openbare ruimte oplevert, te schrappen, aangezien het bestemmingsplan nu al een onaanvaardbare verslechtering van de verkeers- en parkeersituatie in de Oranjelaan tot gevolg heeft. Lichthinder Reclamant ondervindt nu al lichthinder van de school en verzoekt de gemeente in het bestemmingsplan regels op te nemen die erop zien dat extra lichthinder als gevolg van de uitbreiding van de school wordt voorkomen, omdat het bestemmingsplan anders een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat tot gevolg zal hebben alsook ook negatieve consequenties zal hebben op de aanwezigheid van vleermuizen in de directe omgeving. Mantelzorg Reclamant stelt dat het bijgebouw in de tuin in de toekomst niet meer als mantelzorgwoning in gebruik kan worden genomen als de uitbreiding van de school volgens het bestemmingsplan plaatsvindt, omdat onder meer door licht en geluid geen goed woon- en leefklimaat in de mantelzorgwoning kan worden gegarandeerd.
Reclamant stelt hierdoor schade te lijden en verzoekt de gemeente om het bestemmingsplan aan te passen, zodat de afstand van de uitbreiding van de school ten opzichte van de aanwezige bebouwing wordt vergroot. Economische uitvoerbaarheid De conclusie van de planschaderisicoanalyse is onjuist, zodat de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in twijfel wordt getrokken. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt bij nadeelcompensatie (voorheen planschade) een andere planvergelijking gemaakt dan waarvan in de planschaderisicoanalyse nog is uitgegaan. Reclamant verzoekt de gemeente de planschaderisicoanalyse te herzien en openbaar te maken. Tevens verzoekt reclamant de gemeente om met de eigenaren van objecten die als gevolg van de uitbreiding van de school schade zullen lijden afspraken te maken over de vergoeding van die schade in plaats van te wachten op de indiening van verzoeken om nadeelcompensatie.
Zienswijze 2: H.
Omvang De omvang van het bestemmingsplan heeft reclamant verrast, omdat een aantal jaar geleden nog werd gesproken over het plaatsen van twee noodlokalen, terwijl het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van de school met 8 klaslokalen.
pag 5/28
I.
J.
Ontsluiting Reclamant vraagt zich af hoe de school wordt ontsloten, nu in het bestemmingsplan wordt gesproken over een ontsluiting aan de oostkant, hetwelk zou betekenen dat de ontsluiting plaatsvindt over een pad van een belendend perceel. Parkeer- en verkeerssituatie Als gevolg van de uitbreiding van de school zal de parkeer- en verkeerssituatie in de directe omgeving daarvan verslechteren, hetwelk overlast voor omwonenden tot gevolg zal hebben alsook tot gevaarlijke situaties zal leiden. Het is irreëel om te veronderstellen dat ouders met hun kinderen op 200 afstand van de school zullen parkeren om verder naar school zullen lopen.
Zienswijze 3: K.
L.
M.
Parkeersituatie Het parkeeronderzoek is incompleet, omdat geen rekening is gehouden met de ontwikkeling aan de Beukenhof en de plannen om veertien parkeerplaatsen langs de Kerkweg-Oost op te heffen. Ook is in het parkeeronderzoek gerekend met parkeerplaatsen die reeds voor een ander doel/bestemming zijn vergeven, zoals de parkeerplaatsen ten behoeve van twee huisartsenpraktijken. Reclamant concludeert dat sprake is van een parkeertekort. Ook vraagt reclamant naar de reden dat het parkeren niet op de te ontwikkelen locatie plaatsvindt, omdat in het bestemmingsplan is beschreven dat dat in eerste instantie dat het uitgangspunt is. Verkeerssituatie Het standpunt dat het parkeren van voertuigen in verband met de uitbreiding van de school plaats zal vinden rondom de Kerkweg-Oost, zodat de verkeersgeneratie feitelijk verspreid zal worden afgewikkeld op de Kerkweg-Oost tussen de hefbrug en de Juliana van Stolberglaan, is onjuist, omdat geen rekening is gehouden met de ontwikkeling aan de Beukenhof en de plannen om veertien parkeerplaatsen langs de Kerkweg-Oost op te heffen. De KerkwegOost is bovendien een gebiedsontsluitingsweg type II met een maximale capaciteit van 15.000 mvt/etmaal. Zonder de uitbreiding van de school is de capaciteit van de KerkwegOost al 14.000 mvt/etmaal. Reclamant verwacht daarom dat de Kerkweg-Oost de extra verkeersgeneratie niet kan verwerken.
Richtafstand geluid De school bevindt zich in een rustig gebied. Reclamant verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1265. Volgens de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 (hierna: VNG-brochure) dient de richtafstand voor geluid ten minste 30 meter te zijn. Dit geldt zowel voor de maximaal planologische mogelijkheden als vergunningsvrij mogelijkheden, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1173). Reclamant stelt dat het bestemmingsplan hem aldus in de mogelijkheid beperkt om vergunningsvrij een mantelzorgwoning op zijn perceel te realiseren.
pag 6/28
N.
O.
P.
Q.
R.
S.
T.
Bodem Er is geen dan wel onvoldoende onderzoek verricht naar de kwaliteit van de bodem in relatie tot de geschiktheid daarvan voor de bestemming. Het voorlopig onderzoek van Econsultancy van 25 oktober 2022 volstaat in ieder geval niet. Reclamant vreest ervoor dat als de grond wordt beroerd dit ook gevolgen zal hebben voor zijn perceel. Ook is onvoldoende onderzocht wat het effect van de bebouwing zal zijn op de grondwaterstand en de kwaliteit daarvan. Grondwater Er is onvoldoende onderzocht wat het effect van de bebouwing zal zijn op de grondwaterstand en de kwaliteit daarvan. Archeologie Gelet op het rapport van Econsultancy van 14 november 2022, waarin wordt geadviseerd de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ voor het plangebied te behouden, is reclamant het oneens met de conclusie van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) dat de archeologische waarde als laag kan worden gekwalificeerd met als gevolg dat de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan is komen te vervallen. Het bestemmingsplan leidt volgens reclamant tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorische en archeologische waarden. Het bestemmingsplan is dan ook in strijd met het Verdrag van Malta en provinciale regelgeving. Ook worden er in de regels van het bestemmingsplan ten onrechte geen eisen gesteld aan ondergronds bouwen.
Ladder voor duurzame verstedelijking Het bestemmingsplan voldoet niet aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2, van het (oude) Besluit ruimtelijke ordening (Bro), omdat niet is onderbouwd waarom de groei van het inwoneraantal van Waddinxveen niet met gebruikmaking van bestaande gebouwen kan worden opgevangen. Reclamant verwijst daarbij ook naar de Omgevingsvergunning ZuidHolland Herziening 2021, waarin wordt ingezet op het beter benutten van de bebouwde ruimte door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Klimaat Uit het bestemmingsplan volgt onvoldoende dat rekening is gehouden met de locatiekeuze en inrichting van het projectgebied in verband met de risico’s die gepaard gaan met de klimaatverandering, terwijl in de Omgevingsvisie Zuid-Holland is vastgelegd dat de provincie ernaar streeft om bij (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen de uitkomsten uit de klimaatstresstesten wel expliciet hierin mee te laten wegen. Woonkern Het bestemmingsplan is in strijd met de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050, omdat het plangebied op de kaart daarvan is aangeduid als ‘woonkern’. Flora en fauna / natuur Het bestemmingsplan is niet uitvoerbaar, omdat de flora en fauna ter plaatse bescherming dient te krijgen.
Daar komt bij dat de conclusies van de uitgevoerde onderzoeken naar flora en fauna tegenstrijdig zijn, nu enerzijds wordt gesteld dat de aanwezigheid van zwaarder beschermde soorten in het projectgebied niet geheel kan worden uitgesloten, doch anderzijds wordt gesteld dat binnen het projectgebied geen nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus en geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, terwijl ook geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute van vleermuizen is vastgesteld.
pag 7/28
U.
V.
W.
Bestemming ‘Maatschappelijk’ Reclamant begrijpt niet wat onder de bestemming ‘Maatschappelijk’ valt, gelet op de bestemming ‘Maatschappelijk’ in het bestemmingsplan “Van station tot hefbrug” met de bijpassende bouw- en gebruiksmogelijkheden. Planregels Reclamant stelt dat de regels van het bestemmingsplan onduidelijk zijn, omdat in artikel 3.2.2, onder b, van de regels van het bestemmingsplan is bepaald dat de bouwhoogte maximaal 8,1 meter bedraagt terwijl in de toelichting op het bestemmingsplan wordt vermeld dat een maximale bouwhoogte van 8,2 meter bij twee bouwlagen geldt. Ook stelt reclamant dat onvoldoende is toegelicht waarom het noodzakelijk is dat in de regels van het bestemmingsplan is bepaald dat kan worden afgeweken van de bestemming en bouwhoogte tot 10 meter. Reclamant verwijst hiervoor naar artikel 7 van de regels van het bestemmingsplan en verzoekt de gemeente een vergelijking te maken met omringende bestemmingsplannen om te bezien of deze mate van afwijkingen aldaar ook zijn toegestaan. Voorts stelt reclamant dat artikel 9.1 van de regels van het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke onderbouwing, omdat daarmee een binnenplanse uitbreiding van 10% mogelijk is.
Ontsluitingsweg Het bestemmingsplan kent een ontsluitingsweg tussen de panden aan de Oranjelaan 36 en 38, nota bene over gronden van reclamant, terwijl reclamant daarmee niet heeft ingestemd. Reclamant verzoekt de ontsluitingsweg uit het bestemmingsplan te verwijderen.
Een samenvatting van de zienswijzen brengt met zich dat niet alle formuleringen letterlijk kunnen worden weergegeven. Het gaat erom dat op de kern van het bezwaar wordt gereageerd.
pag 8/28
1. Zienswijze 1 A. Parkeerdruk In het parkeeronderzoek is er geen rekening mee gehouden dat de extra leerlingen bovengemiddeld vaak met de auto naar school zullen worden gebracht, omdat zij hoofdzakelijk woonachtig zijn in nieuwbouwwijken die zich op een afstand van meer dan 600 meter van de school bevinden. Ditzelfde geldt voor de gehanteerde parkeernorm, waarbij in afwijking van de gemeentelijke parkeernota ook nog eens is uitgegaan van ‘sterk stedelijk’ terwijl dat ‘matig stedelijk’ moet zijn, omdat de planlocatie niet als ‘sterk stedelijk’ kwalificeert. Ook is in het parkeeronderzoek geen rekening gehouden met andere plannen en projecten die in de maak zijn en/of reeds vergund zijn en tevens invloed hebben op de parkeerdruk. Aangezien de parkeerdruk op de Oranjelaan tijdens de haal- en brengmomenten al meer dan 100% is, terwijl uit de gemeentelijke parkeernota blijkt dat iedere parkeersituatie met een bezetting van meer dan 90% al leidt tot onaanvaardbaar zoekgedrag en overlast, zal het bestemmingsplan een onaanvaardbare verslechtering tot gevolg hebben, waarmee geen rekening is gehouden. Reclamant verzoekt de gemeente om parkeermaatregelen mee te nemen in het bestemmingsplan die ervoor zorgdragen dat de bestaande situatie in de Oranjelaan in ieder geval niet verslechtert.
Reactie gemeente: Anders dan reclamant verwacht de gemeente niet dat de extra leerlingen bovengemiddeld vaak met de auto naar school zullen worden gebracht. Het percentage leerlingen dat met de auto wordt gebracht en gehaald is variabel en onder meer afhankelijk van het type gemeente, de stedelijkheidsgraad van de (directe) omgeving, of de school een streekfunctie heeft en de gemiddelde afstand voor de kinderen naar school. Gebruikelijk zijn voor groepen 1 t/m 3 30 tot 60% en voor groepen 4 t/m 8 5 tot 40%. De gemeente hanteert voor groepen 1 t/m 3 45% en voor groepen 4 t/m 8 25%. Daarmee kiest de gemeente voor het midden van de bandbreedte voor groepen 1 t/m 3, terwijl zij boven de bandbreedte zit voor groepen 4 t/m 8. Hiervoor zijn een aantal redenen, zoals hierna wordt toegelicht. Ondanks dat de Theo Thijssenschool in de nabije toekomst meer leerlingen zal gaan opvangen die woonachtig zijn in de nieuwbouwwijken, zal het merendeel van de leerlingen van de Theo Thijssenschool nog steeds uit de omgeving komen. Alhoewel er allerlei redenen kunnen zijn om voor een basisschool te kiezen, wijst de praktijk namelijk uit dat ouders vooral voor een basisschool dichtbij huis kiezen. Om diezelfde reden zullen leerlingen die woonachtig zijn in de nieuwbouwwijken ook sneller naar basisscholen gaan die zich dichterbij hun huis bevinden.
De gemeente verwacht alleen daarom al niet dat de extra leerlingen bovengemiddeld vaak met de auto naar school zullen worden gebracht. Daar komt bij dat de bevolking van Waddinxveen niet alleen groeit door nieuwbouwwijken, maar ook door binnenstedelijke ontwikkelingen waarmee extra woningen worden gecreëerd, zoals aan het Raadhuisplein en rondom het winkelcentrum
pag 9/28
Gouweplein. Voorts vertolkt de Theo Thijssenschool geen streekfunctie. Het is een gewone openbare basisschool waarvan minimaal 93% van het totaal aantal leerlingen in het huidige schooljaar uit Waddinxveen zelf komt.1 De gemiddelde afstand in meters tussen het woonadres van de leerlingen en de Theo Thijssenschool is 740 meter.2 Reden waarom de gemeente evenmin verwacht dat de extra leerlingen bovengemiddeld vaak met de auto zullen worden gebracht. Bovendien heeft de gemeente een stedelijkheidsgraad van ‘sterk stedelijk’. De gemiddelde dichtheid van adressen in Waddinxveen was in 2022 namelijk 1.565 adressen per km².3 In 2025 bedraagt dit al 1.581 adressen per km².4 De gemeente maakt daarin geen onderscheid per wijk. Zou de gemeente dat wel doen, dan zou de Theo Thijssenschool zich overigens in een gebied bevinden met een zeer sterke stedelijkheid. De stedelijkheidsgraad is de mate van verstedelijking van een gemeente of gebied gebaseerd op het aantal adressen per km². Hoe hoger de stedelijkheidsgraad, hoe lager de kencijfers voor parkeren en verkeersbewegingen. Reden hiervoor is dat bij een hogere stedelijkheidsgraad de dagelijkse voorzieningen dichterbij huis zijn, zodat er minder van de auto gebruik wordt gemaakt en meer te voet en te fiets wordt gedaan.
Gelet hierop is de gemeente ervan uitgegaan dat 45% van de leerlingen van groepen 1 t/m 3 en 25% van de leerlingen van groepen 4 t/m 8 met de auto worden gebracht en gehaald, waarmee de gemeente voor het midden van de bandbreedte voor groepen 1 t/m 3 heeft gekozen, terwijl zij boven de bandbreedte zit voor groepen 4 t/m 8. Naar aanleiding van de zienswijze van reclamant heeft de gemeente opnieuw onderzoek laten uitvoeren naar zowel de parkeerdruk als de parkeerbehoefte van de uitbreiding. In het parkeerdrukonderzoek is rekening gehouden met alle ruimtelijke ontwikkelingen die zijn vastgesteld en/of vergund zijn én die van invloed zijn op de parkeercapaciteit respectievelijk parkeerdruk in de openbare ruimte binnen het onderzoeksgebied. Vooropgesteld dat de bezettingsgraad van enkele straten en/of delen daarvan op bepaalde momenten te hoog is (namelijk > 90%), is er binnen een straal van 200 meter van de Theo Thijssenschool – waarvan in de praktijk is gebleken dat dit door ouders als acceptabel wordt ervaren – voldoende restcapaciteit aanwezig.
De conclusie van het parkeerdrukonderzoek in combinatie met het onderzoek naar de parkeerbehoefte van de uitbreiding van de Theo Thijssenschool is dan ook dat de uitbreiding een theoretische parkeervraag van 12,7 parkeerplaatsen genereert, maar dat er binnen een acceptabele loopafstand van 200 meter van de school voldoende restcapaciteit in de openbare ruimte aanwezig is om die parkeervraag op te vangen en dat de bezettingsgraad van parkeerplaatsen in de openbare ruimte na de uitbreiding maximaal 85% is. De gemeente ziet hierin dan ook geen aanleiding om parkeermaatregelen te nemen, zoals reclamant vraagt. 1
Dienst uitvoering Onderwijs. Leerlingen per gemeente, postcode en leeftijd. Leerlingen 2024-2025. Geraadpleegd op 2 april 2025, van https://duo.nl/open_onderwijsdata/primair-onderwijs/aantal-leerlingen/leerlingen-gemeentepostcode-leeftijd.jsp. 2 Dienst Uitvoering Onderwijs. Gemiddelde afstand tussen woonadres en school. Leerlingen 2024-2025, Geraadpleegd op 2 april 2025, van https://duo.nl/open_onderwijsdata/primair-onderwijs/aantal-leerlingen/ gemiddelde-afstand-woonadres-school.jsp. 3 Centraal Bureau voor de Statistiek. Gebieden in Nederland 2022. Geraadpleegd op 2 april 2025, van https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85067NED/table?dl=78798. 4 OpenInfo.nl. Over de gemeente Waddinxveen. Geraadpleegd op 2 april 2025, van https://allecijfers.nl/gemeente/waddinxveen/#over_gebied.
pag 10/28
Voorstel: De zienswijze leidt tot aanpassing van hoofdstuk 3.2 Verkeer en parkeren van de toelichting op het bestemmingsplan. B. Verkeersbewegingen In het verkeersonderzoek is er geen rekening mee gehouden dat de extra leerlingen bovengemiddeld vaak met de auto naar school zullen worden gebracht, omdat zij hoofdzakelijk woonachtig zijn in nieuwbouwwijken die zich op een afstand van meer dan 600 meter van de school bevinden, terwijl de parkeerdruk op de Oranjelaan tijdens de haal- en brengmomenten al meer dan 100% is. Ook is in het verkeersonderzoek geen rekening gehouden met andere plannen en projecten die in de maak zijn en/of reeds vergund zijn en tevens invloed hebben op het aantal verkeersbewegingen. In het verkeersonderzoek is bovendien louter gekeken naar de gevolgen voor de Kerkweg-Oost, maar niet naar de gevolgen voor de Oranjelaan, ondanks dat de ingang naar het schoolplein wel aan de Oranjelaan wordt gerealiseerd. Reclamant vraagt de gemeente de Oranjelaan en de voorgestelde ingang van het schoolplein aan de Oranjelaan in het verkeersonderzoek te betrekken.
Ook vraag reclamant de gemeente om verkeersmaatregelen die ervoor zorgdragen dat de bestaande situatie in de Oranjelaan in ieder geval niet verslechtert mee te nemen in het bestemmingsplan, zoals het invoeren van eenrichtingsverkeer in de Oranjelaan met een inrijverbod vanaf de Kerkweg-Oost en het schrappen van de ingang van het schoolplein aan de Oranjelaan. Reactie gemeente: Verwezen wordt eerst naar de beantwoording van zienswijze 1, onder A. Anders dan reclamant verwacht de gemeente niet dat de extra leerlingen bovengemiddeld vaak met de auto naar school zullen worden gebracht. Zoals in paragraaf 3.2.4 van de toelichting op het bestemmingsplan is vermeld, voorziet de ontwikkeling in een beperkte toename van het verkeer met 84 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Dit verkeer dient te worden verdeeld over de beschikbare parkeergelegenheid in het omliggende gebied. Indien daarbij tevens gebruik wordt gemaakt van de navigatietool van Google Maps, dan resulteert dat in een verdeling van de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling zoals afgebeeld op afbeelding 3.5 in paragraaf 3.2.5 van de toelichting op het bestemmingsplan.
In de autonome situatie, waarin rekening is gehouden met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, is er op de Kerkweg-Oost tussen de Hefbrug en de Juliana van Stolberglaan sprake van circa 12.000 tot 14.000 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag in 2030. De ontwikkeling voorziet in een toename van 34 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag op het drukste deel van de Kerkweg-Oost. Deze toename is dermate beperkt dat deze niet of nauwelijks merkbaar is, los van het feit dat de Kerkweg-Oost een gebiedsontsluitingsweg type II is en een capaciteit heeft van maximaal 15.000 mvt/etmaal. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling of verkeersveiligheid op de Kerkweg-Oost.
pag 11/28
Ditzelfde geldt voor de overige wegen (Kanaalstraat, Stationsstraat, Oranjelaan en Juliana van Stolberglaan), omdat de verkeerstoename van de ontwikkeling ook daar dermate beperkt is dat deze niet of nauwelijks merkbaar is en de verkeersveiligheid en verkeersdoorstroming als gevolg van de ontwikkeling dan ook niet in gevaar komen. Voorstel: De zienswijze leidt tot aanpassing van hoofdstuk 3.2 Verkeer en parkeren van de toelichting op het bestemmingsplan. C. Leerlingaantallen Uit leerlingprognoses blijkt dat er slechts behoefte is aan vier extra klaslokalen, uitgaande van 25 leerlingen met klas, niet aan acht klaslokalen. Het zou daarom niet aannemelijk zijn dat het bestemmingsplan binnen de plantermijn wordt uitgevoerd. Reclamant verzoekt de gemeente het bestemmingsplan aan te passen tot maximaal vier klaslokalen. Reactie gemeente: Zoals in de toelichting op het bestemmingsplan is vermeld, heeft de Theo Thijssenschool in de bestaande situatie al een ruimtetekort van 3 lokalen. Daar komt bij dat, zoals ook in de toelichting op het bestemmingsplan is vermeld, uit de Leerlingenprognose basisonderwijs 2022-2024 d.d. juni 2022 van de gemeente Waddinxveen, met als peildatum 1 oktober 2021, blijkt dat het aantal leerlingen dat naar de Theo Thijssenschool gaat naar verwachting zal groeien van 251 (in 2021) naar 347 (in 2035).
Overigens zijn deze leerlingaantallen en prognoses inmiddels achterhaald. In maart 2024 is de prognose geüpdatet. Op 1 oktober 2024 bedroeg het leerlingaantal van de Theo Thijssenschool al 359.5 Uit de Leerlingenprognose basisonderwijs 2024-2044 d.d. maart 2024 van de gemeente Waddinxveen, met als peildatum 1 oktober 2023, blijkt dat het aantal leerlingen dat naar de Theo Thijssenschool gaat naar verwachting zal groeien naar 434 (in 2035). Uit de verwachtingen van Dienst Uitvoering Onderwijs komt zelfs een nog sterkere groei, namelijk naar 477 leerlingen (in 2035).6 Bovendien heeft te gelden, zoals tevens in de toelichting op het bestemmingsplan is vermeld, dat ingevolge de provinciale woningbehoefteraming WBR 2021 in Waddinxveen maar liefst 3.260 woningen meer nodig zijn dan waarvan in 2019 is uitgegaan, terwijl de woningbouwopgave ook nog eens hoger kan uitvallen. Om in de woningbehoefte te voorzien, gaat Waddinxveen daarom
5
Dienst Uitvoering Onderwijs. Historisch overzicht leerlingenaantallen primair onderwijs. Historische leerlingenaantallen po per schoolvestiging. Geraadpleegd op 2 april 2025, van https://duo.nl/open_onderwijsdata/primair-onderwijs/aantal-leerlingen/historisch-overzicht-leerlingenschoolvestiging.jsp. 6 Dienst Uitvoering Onderwijs. Prognoses aantal leerlingen. Leerlingentellingen en -prognoses per bo en sboinstelling. Leerlingen bo en sbo – leerlingenprognose 2019-2043. Geraadpleegd op 2 april 2025, van https://duo.nl/open_onderwijsdata/primair-onderwijs/aantal-leerlingen/prognose-leerlingen.jsp.
pag 12/28
uit van een programma van circa 4.250 woningen tot 2030, hetwelk vanzelfsprekend ook voor een forse toename zal zorgen in de behoefte naar (basis)onderwijs. Door 8 extra klaslokalen mogelijk te maken kan tegemoet worden gekomen aan deze (toekomstige) behoefte. Desalniettemin heeft de gemeente besloten om binnen het bestemmingsplan nog slechts maximaal 4 extra klaslokalen mogelijk te maken. Voorstel: De zienswijze leidt tot aanpassing van artikel 3.1, onder a, van de regels van het bestemmingsplan. D. Afwijkingsbevoegdheid Reclamant verzoekt de gemeente om de afwijkingsbevoegdheid waarmee een kinderdagverblijf en/of peuterspeelzaal kan worden toegestaan als dit geen onaanvaardbare geluidsoverlast, verkeersaantrekkende werking of onaanvaardbare parkeerdruk in de openbare ruimte oplevert, te schrappen, aangezien het bestemmingsplan nu al een onaanvaardbare verslechtering van de verkeers- en parkeersituatie in de Oranjelaan tot gevolg heeft. Reactie gemeente: De betreffende planregel en daarmee de bevoegdheid om af te wijken van de gebruiksregels ten behoeve van een kinderdagverblijf en/of peuterspeelzaal is geschrapt. Voorstel: De zienswijze leidt tot schrapping van artikel 3.3.1 Afwijking kinderdagverblijven/peuterspeelzalen van de regels van het bestemmingsplan. E.
Lichthinder Reclamant ondervindt nu al lichthinder van de school en verzoekt de gemeente in het bestemmingsplan regels op te nemen die erop zien dat extra lichthinder als gevolg van de uitbreiding van de school wordt voorkomen, omdat het bestemmingsplan anders een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat tot gevolg zal hebben alsook negatieve consequenties zal hebben op de aanwezigheid van vleermuizen in de directe omgeving. Reactie gemeente: Een nieuwe ontwikkeling kan mogelijk lichthinder op de omgeving veroorzaken. Er is echter geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor voor lichthinder of lichtgevoelige functies. De bescherming gaat via de invulling van een goede ruimtelijke ordening. De uitbreiding van de Theo Thijssenschool vindt plaats in een stedelijke omgeving met woningen en andere gebouwen die zich op korte afstand van elkaar bevinden. Deze woningen en gebouwen hebben een vergelijkbare bouwhoogte als de beoogde ontwikkeling. Enige vorm van lichthinder als gevolg van verlichting (op verdiepingen van gebouwen) is daarom inherent aan een stedelijke omgeving.
pag 13/28
Daar komt bij dat een groot gedeelte van het plangebied in de bestaande situatie is bestemd voor en in gebruik is als bedrijvigheid waarvan eventueel (ook) lichthinder kan uitgaan. De basisschool wordt bovendien in hoofdzaak gedurende de dagperiode gebruikt. Eventuele lichthinder gedurende de avonduren ten gevolg van de uitbreiding is dan ook zeer beperkt. Desalniettemin is in de regels van het bestemmingsplan bepaald dat in de gevels van de verdiepingen van de noord-, oost- en een deel van de westgevel van de uitbreiding geen doorzichtige en/of openslaande ramen en deuren zijn toegestaan. Weliswaar is deze planregel in hoofdzaak opgenomen ter bevordering van de privacy van omwonenden, maar het draagt ook bij aan een beperking van eventuele lichthinder, omdat de lichtdoorlatendheid van ondoorzichtige ramen en deuren (die bijvoorbeeld zijn voorzien van melkglas) die niet geopend kunnen worden lager is. Aanvullend zijn opgemerkt dat zowel in de ‘Quickscan Kerkweg-Oost 230 te Waddinxveen’ d.d. 20 september 2022 als het ‘Natuuronderzoek Kerkweg-Oost te Waddinxveen’ d.d. 18 oktober 2023, die als bijlagen 11 en 12 aan de toelichting op het bestemmingsplan zijn gehecht, de effecten van de uitbreiding op natuurwaarden (flora- en faunasoorten) voor verschillende verstoringsfactoren, waaronder lichthinder, zijn onderzocht.
In beide rapporten is vermeld dat wordt aanbevolen om geen gebruik te maken van nachtelijke verplichting zodat vleermuizen niet worden verstoord en dat, indien het gebruik van nachtelijke verlichting noodzakelijk is, gebruik dient te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting middels amberkleurig licht en gerichte armaturen. Het aspect lichthinder vormt derhalve geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Voorstel: De zienswijze leidt tot toevoeging van (een nieuw) hoofdstuk 6.4 Lichthinder van de toelichting van het bestemmingsplan. F. Mantelzorg Reclamant stelt dat het bijgebouw in de tuin in de toekomst niet meer als mantelzorgwoning in gebruik kan worden genomen als de uitbreiding van de school volgens het bestemmingsplan plaatsvindt, omdat onder meer door licht en geluid geen goed woon- en leefklimaat in de mantelzorgwoning kan worden gegarandeerd. Reclamant stelt hierdoor schade te lijden en verzoekt de gemeente om het bestemmingsplan aan te passen, zodat de afstand van de uitbreiding van de school ten opzichte van de aanwezige bebouwing wordt vergroot. Reactie gemeente: Verwezen wordt eerst naar de beantwoording van zienswijze 1, onder E.
pag 14/28
Naar aanleiding van de zienswijze van reclamant heeft de gemeente bovendien een akoestisch onderzoek laten uitvoeren naar omgevingslawaai als gevolg van de uitbreiding, waarin tevens rekening is gehouden met de mogelijke realisatie van mantelzorgwoningen. In het akoestisch onderzoek wordt toegelicht en geconcludeerd dat in de huidige situatie bij enkele woningen niet wordt voldaan aan de geluidseisen uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009) en dat de geluidssituatie verslechtert als gevolg van de uitbreiding, maar dat, indien er rondom de uitbreiding een geluidscherm van 2,5 hoog wordt gerealiseerd, ter plaatse van de omliggende woningen en de meeste mogelijke mantelzorgwoningen een akoestisch goed woon- en leefklimaat – gelijk aan de huidige situatie – gewaarborgd blijft. Om die reden is aan de regels van het bestemmingsplan toegevoegd dat de uitbreiding alleen mag worden gebruikt indien ter plaatse van de functieaanduiding ‘geluidscherm’ een kierdicht geluidscherm van 2,5 meter hoog en een massa van minimaal 10 kg/m² wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
Ter plaatse van een tweetal mogelijke mantelzorgwoningen aan de Oranjelaan 36 en 38 kan niet worden voldaan aan de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en/of de maximale geluidsniveaus, omdat het niet mogelijk is om op die locatie langs de volledige erfgrens een geluidscherm te realiseren in verband met de vereiste bereikbaarheid voor de brandweer. De gemeente meent desalniettemin dat ook daar een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daartoe wordt opgemerkt dat in het akoestisch onderzoek rekening is gehouden met een worst-case situatie, waarbij de kinderen zich geconcentreerd op het nieuwe deel van het schoolplein zullen bevinden en hun stemgeluid is gericht op de beoordelingspunten. Indien de kinderen meer verspreid over het schoolplein – dus ook aan de voorzijde aan de Kerkweg-Oost – zullen spelen, hetwelk zeer aannemelijk is, dan zal dit een gunstig effect hebben op de berekende geluidbelastingen, los van het feit dat in de praktijk sowieso niet alle kinderen in de richting van de beoordelingspunten geluid zullen maken, zodat het bronvermogen lager aanwezig zal zijn. Daar komt bij dat de geluidsbelastingen vooral worden veroorzaakt door het stemgeluid van spelende kinderen, waarvan in de avond- en nachtperiode geen sprake zal zijn.
Bovendien is het geluidsspectrum van spelende kinderen relatief hoogfrequent. Dit betekent dat de geluidswering van de gevel van zowel (normale) woningen als mogelijke mantelzorgwoningen relatief hoog is, zodat de binnenwaarde ook in de dagperiode goed zal zijn. Daarnaast wordt nog opgemerkt dat vooralsnog slechts sprake is van mogelijke mantelzorgwoningen en dat deze, vanwege het tijdelijke karakter daarvan, per definitie minder geluidbescherming genieten dan (normale) woningen. Ingeval reclamant meent dat hij in aanmerking komt voor een vergoeding van planschade, dan kan reclamant hiertoe een verzoek indienen zodra het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. Voorstel: De zienswijze leidt tot aanpassing van hoofdstuk 6.3 Bedrijven en milieuzonering van de toelichting van het bestemmingsplan en de toevoeging van artikelen 3.2.3 Voorwaardelijke verplichting geluidscherm en 5.2.3 Voorwaardelijke verplichting geluidscherm van de regels van het bestemmingsplan. G.
Economische uitvoerbaarheid
pag 15/28
De conclusie van de planschaderisicoanalyse is onjuist, zodat de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in twijfel wordt getrokken. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt bij nadeelcompensatie (voorheen planschade) een andere planvergelijking gemaakt dan waarvan in de planschaderisicoanalyse nog is uitgegaan. Reclamant verzoekt de gemeente de planschaderisicoanalyse te herzien en openbaar te maken. Tevens verzoekt reclamant de gemeente om met de eigenaren van objecten die als gevolg van de uitbreiding van de school schade zullen lijden afspraken te maken over de vergoeding van die schade in plaats van te wachten op de indiening van verzoeken om nadeelcompensatie. Reactie gemeente: Het ontwerpbestemmingsplan is ter inzage gelegd vóór 1 januari 2024. Dat het besluit ter vaststelling van het bestemmingplan van kracht wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, laat onverlet dat ingevolge artikel 4.19, lid 2, van de Invoeringswet Omgevingswet op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, het oude recht van toepassing is. Er kan dus niet worden aangesloten bij de bepalingen omtrent nadeelcompensatie uit de Omgevingswet.
Er zijn verder geen anderen redenen aangevoerd die maken dat de gemeente moet twijfelen aan de juistheid van de planschaderisicoanalyse, zodat de gemeente het ervoor houdt dat de economische haalbaarheid van het plan verzekerd is. Verder wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1, onder F. Voorstel: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
pag 16/28
2. Zienswijze 2 H. Omvang De omvang van het bestemmingsplan heeft reclamant verrast, omdat een aantal jaar geleden nog werd gesproken over het plaatsen van twee noodlokalen, terwijl het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van de school met acht klaslokalen. Reactie gemeente: In het verleden is inderdaad gesproken over het plaatsen van twee noodlokalen bij de Theo Thijssenschool. Als gevolg van de forse toename van het leerlingenaantal en de verwachte bevolkingsgroei van de gemeente Waddinxveen kan daarmee echter niet meer worden volstaan. Verwezen wordt ook naar de beantwoording van zienswijze 1, onder C. Voorstel: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. I. Ontsluiting Reclamant vraagt zich af hoe de school wordt ontsloten, nu in het bestemmingsplan wordt gesproken over een ontsluiting aan de oostkant, hetwelk zou betekenen dat de ontsluiting plaatsvindt over een pad van een belendend perceel. Reactie gemeente: Het plangebied wordt via het oosten richting het Nessepad, via het zuiden richting de KerkwegOost en via het westen richting de Oranjelaan ontsloten. Voor wat betreft de ontsluiting richting de Oranjelaan heeft te gelden dat deze deels plaatsvindt over het kadastraal perceel plaatselijk bekend gemeente Waddinxveen, sectie B nummer 7874.
Dat perceel is een lijdend erf ten behoeve van een erfdienstbaarheid van uitweg van het kadastraal perceel plaatselijk bekend gemeente Waddinxveen, sectie B, nummer 7873 (het heersend erf). Het lijdend erf heeft conform de erfdienstbaarheid te dulden dat de uitgangsweg op dit perceel gebruikt kan worden “te voet (ook met aan de hand gevoerde rijwielen, kruiwagens en dergelijke) en met personenauto’s voor particulier gebruik te komen van- en te gaan naar de Oranjelaan”. Bij dit recht is tevens bedongen dat de erfdienstbaarheid zal blijven bestaan “ook indien het heersend erf door opbouw, aanbouw of vernieuwing enige verandering mocht ondergaan en ongeacht de bestemming welke te eniger tijd aan het heersend of dienend erf mocht worden gegeven.” Het plangebied is (deels) geprojecteerd op het heersend erf zoals hiervoor is beschreven. Het lijdend erf bij dit heersend erf mag dus worden gebruikt als ontsluiting ten behoeve van de school. Dat laat onverlet dat – zoals hiervoor reeds is opgemerkt – de ontsluiting van de school ook nog plaatsvindt via het oosten richting het Nessepad en via het zuiden richting de Kerkweg-Oost.
pag 17/28
Voorstel: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. J. Parkeer- en verkeerssituatie Als gevolg van de uitbreiding van de school zal de parkeer- en verkeerssituatie in de directe omgeving daarvan verslechteren, hetwelk overlast voor omwonenden tot gevolg zal hebben alsook tot gevaarlijke situaties zal leiden. Het is irreëel om te veronderstellen dat ouders met hun kinderen op 200 afstand van de school zullen parkeren om verder naar school zullen lopen. Reactie gemeente: Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 1, onder A. en B. Voorstel: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
pag 18/28
3. Zienswijze 3 K. Parkeersituatie Het parkeeronderzoek is incompleet, omdat geen rekening is gehouden met de ontwikkeling aan de Beukenhof en de plannen om veertien parkeerplaatsen langs de Kerkweg-Oost op te heffen. Ook is in het parkeeronderzoek gerekend met parkeerplaatsen die reeds voor een ander doel/bestemming zijn vergeven, zoals de parkeerplaatsen ten behoeve van twee huisartsenpraktijken. Reclamant concludeert dat sprake is van een parkeertekort. Ook vraagt reclamant naar de reden dat het parkeren niet op de te ontwikkelen locatie plaatsvindt, omdat in het bestemmingsplan is beschreven dat dat in eerste instantie dat het uitgangspunt is. Reactie gemeente: Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 1, onder A. en B. Het is juist dat er wordt gesproken over de mogelijkheid om 14 parkeerplaatsen langs de Kerkweg-Oost op te hebben, maar het besluit hiertoe is nog niet genomen, zodat daarmee geen rekening kan en hoeft te worden gehouden. Aanvullend merkt de gemeente op dat, los van de vraag of het vanuit een goede ruimtelijke ordening wenselijk is om parkeerplaatsen op het (binnen)terrein van de school te realiseren, er op eigen terrein eenvoudigweg geen plaats is om zowel de uitbreiding te realiseren als de parkeerbehoefte als gevolg van die uitbreiding op te lossen. Voorstel: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. L.
Verkeerssituatie Het standpunt dat het parkeren van voertuigen in verband met de uitbreiding van de school plaats zal vinden rondom de Kerkweg-Oost, zodat de verkeersgeneratie feitelijk verspreid zal worden afgewikkeld op de Kerkweg-Oost tussen de hefbrug en de Juliana van Stolberglaan, is onjuist, omdat geen rekening is gehouden met de ontwikkeling aan de Beukenhof en de plannen om veertien parkeerplaatsen langs de Kerkweg-Oost op te heffen. De KerkwegOost is bovendien een gebiedsontsluitingsweg type II met een maximale capaciteit van 15.000 mvt/etmaal. Zonder de uitbreiding van de school is de capaciteit van de KerkwegOost al 14.000 mvt/etmaal. Reclamant verwacht daarom dat de Kerkweg-Oost de extra verkeersgeneratie niet kan verwerken. Reactie gemeente: Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 1, onder A. en B. Voorstel: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. M. Richtafstand geluid De school bevindt zich in een rustig gebied. Reclamant verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 17 april
pag 19/28
2019, ECLI:NL:RVS:2019:1265. Volgens de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 (hierna: VNG-brochure) dient de richtafstand voor geluid ten minste 30 meter te zijn. Dit geldt zowel voor de maximaal planologische mogelijkheden als vergunningsvrij mogelijkheden, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 2april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1173). Reclamant stelt dat het bestemmingsplan hem aldus in de mogelijkheid beperkt om vergunningsvrij een mantelzorgwoning op zijn perceel te realiseren. Reactie gemeente: Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 1, onder F. Voorstel: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. N. Bodem Er is geen dan wel onvoldoende onderzoek verricht naar de kwaliteit van de bodem in relatie tot de geschiktheid daarvan voor de bestemming. Het voorlopig onderzoek van Econsultancy van 25 oktober 2022 volstaat in ieder geval niet. Reclamant vreest ervoor dat als de grond wordt beroerd dit ook gevolgen zal hebben voor zijn perceel. Reactie gemeente: Zoals in hoofdstuk 6.5 van de toelichting op het bestemmingsplan is vermeld, is in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de realisatie van enkele klaslokalen op de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is verricht conform de NEN 5725:2017 “Bodem Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek”. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”. Het veldwerk en de bemonstering zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek”, protocol 2001 en de daarin gestelde eisen. De resultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en het verkennend bodemonderzoek zijn vastgelegd in het rapport d.d. 25 oktober 2022 van Econsultancy. dat is aangehecht als bijlage 6 aan de toelichting op het bestemmingsplan. Uit dit rapport blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met cadmium, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie, PCB en/of PAK. Ook is er in de bovengrond een matige verontreiniging van zink, PAK, koper, lood en nikkel aangetoond. Verder is er ter plaatse
pag 20/28
van een specifieke deellocatie een sterke verontreiniging van PAK aangetoond. Daarom is geadviseerd om hier nader onderzoek naar te verrichten. Tevens is geadviseerd om de ondergrond en het grondwater te onderzoeken met behulp van een machinale boorstelling. Omdat aanwijzingen zijn gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten, is eveneens geadviseerd een onderzoek asbest uit te voeren. De conclusie is dan ook dat er aanvullend bodemonderzoek moet plaatsvinden en een eventuele bodemsanering moet plaatsvinden voordat er gebouwd kan worden, omdat de bodem geschikt moet worden gemaakt voor het toekomstige gebruik. De ODMH heeft aangegeven dat dit echter pas hoeft te worden ondervangen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Gelet op de aanwezige verhardingen en ondoordringbare lagen in de bodem is geadviseerd om het (nader) onderzoek pas uit te voeren tijdens of na de herontwikkeling van de onderzoekslocatie. Voorstel: De zienswijze leidt tot aanpassing van hoofdstuk 6.6 Bodem van de toelichting op het bestemmingsplan. O. Grondwater Er is onvoldoende onderzocht wat het effect van de bebouwing zal zijn op de grondwaterstand en de kwaliteit daarvan. Reactie gemeente: Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze te worden meegewogen.
Dat wordt gewaarborgd door het uitvoeren van een watertoets. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Het gaat bij de watertoets zowel om grond- als oppervlaktewater. In dat kader moet de gemeente op grond van artikel 3.1.1 van het (oude) Besluit ruimtelijke ordening vooroverleg hebben met de waterkwaliteitsbeheerder. Het resultaat van het overleg tussen de gemeente en de waterkwaliteitsbeheerder moet in de toelichting op het bestemmingsplan worden verwoord. Het (oude) Besluit ruimtelijke ordening schrijft daarnaast voor dat de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de waterhuishouding. De digitale watertoets is op 11 oktober 2022 uitgevoerd en aangehecht als bijlage 3 aan de toelichting op het bestemmingsplan. Naar aanleiding van de digitale watertoets heeft de gemeente advies aangevraagd bij de waterkwaliteitsbeheerder. In de waterparagraaf (hoofdstuk 5.4 van de toelichting op het bestemmingsplan) is vermeld dat de waterkwaliteitsbeheerder middels een overlegreactie heeft laten weten dat het bestemmingsplan in lijn is met haar beleid. De watertoets is daarmee conform de regels uit het (oude) Besluit ruimtelijke ordening uitgevoerd.
De uitkomst van de watertoets is dat er vanuit het aspect water geen bezwaren bestaan tegen de in dit bestemmingsplan voorgenomen ontwikkeling.
pag 21/28
Voorstel: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. P. Archeologie Gelet op het rapport van Econsultancy van 14 november 2022, waarin wordt geadviseerd de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ voor het plangebied te behouden, is reclamant het oneens met de conclusie van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) dat de archeologische waarde als laag kan worden gekwalificeerd met als gevolg dat de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan is komen te vervallen. Het bestemmingsplan leidt volgens reclamant tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorische en archeologische waarden. Het bestemmingsplan is dan ook in strijd met het Verdrag van Malta en provinciale regelgeving. Ook worden er ten onrechte geen eisen gesteld aan ondergrondse bouwwerken. Reactie gemeente: De gemeente dient bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met eventuele archeologische waarden in de bodem. Om invulling te geven aan deze wettelijke verplichting heeft de gemeenteraad op 19 september 2018 het bestemmingsplan “Parapluplan Archeologie en Parkeren” vastgesteld. Ingevolge het bestemmingsplan “Parapluplan Archeologie en Parkeren” heeft het plangebied de bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’.
Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek nodig is voor ontwikkelingen groter dan 100 m² en dieper dan 0,3 m onder het maaiveld. Om die reden is door Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in het rapport d.d. 14 november 2022, dat is aangehecht als bijlage 7 aan de toelichting op het bestemmingsplan. Uit dit rapport blijkt dat het plangebied een lage tot hoge archeologische verwachting heeft voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd, doch uitsluitend wanneer de top van het veen veraard is. Zoals in hoofdstuk 6.6.3 van de toelichting op het bestemmingsplan is vermeld, heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) in navolging hiervan opgemerkt dat de algemene hoge verwachting voor het plangebied is gebaseerd op een algemene verwachting op bewoning vanaf de ontginning in de Middeleeuwen. De historische kaarten (vroegste kaart circa 1650) geven allemaal aan dat de vroegste bewoning/historische bebouwing gesitueerd is te Waddinxveen Brug; langs de huidige Nesse en de Zuidkade. De kadastrale minuut geeft ook de strikte grens van deze bebouwing aan. De oude Kerkweg is nog niet bebouwd. Het plangebied ligt op circa 90 m ten westen van de oude bebouwing van Waddinxveen Brug en op circa 60 m ten noorden van de Kerkweg. Op deze afstanden verwacht de ODMH geen hoge trefkans op bewoning vanaf de Middeleeuwen.
Een oud milieukundig onderzoek d.d. 2 november 1984 van Wiha Grondmechanica toont bovendien aan dat de bodem ter hoogte van de Oranjelaan bestaat uit een dun laagje kleiig veen (1 m dikte) op veen. Binnen het huidige plangebied is een pakket
pag 22/28
verstoorde bodem (zand, repac) aanwezig tot tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Ongetwijfeld zal dit pakket gezorgd hebben voor een bepaalde mate van zetting, maar de dikte ervan wijst er volgens de ODMH ook op dat waarschijnlijk een deel van de oorspronkelijke bodem is afgegraven. Op basis van de relatief grote afstand van de oude historische bewoningskern te Waddinxveen Brug en de aanwijzing dat de oorspronkelijke bodem tot tenminste 1,5 m onder het maaiveld verstoord is, kan de hoge archeologische verwachting volgens de ODMH naar laag bijgesteld worden, is er geen vervolgonderzoek meer nodig en kan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ komen te vervallen. Dat laat onverlet dat er ingevolge artikel 5.10 van de Erfgoedwet nog altijd sprake is van een meldingsplicht indien bij werkzaamheden potentiële archeologische vondsten worden aangetroffen. Daarmee wordt een onevenredige aantasting van cultuurhistorische en archeologische waarden voldoende voorkomen. Voorstel: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Q. Ladder voor duurzame verstedelijking Het bestemmingsplan voldoet niet aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2, van het (oude) Besluit ruimtelijke ordening (Bro), omdat niet is onderbouwd waarom de groei van het inwoneraantal van Waddinxveen niet met gebruikmaking van bestaande gebouwen kan worden opgevangen.
Reclamant verwijst daarbij ook naar de Omgevingsvisie Zuid-Holland Herziening 2021, waarin wordt ingezet op het beter benutten van de bebouwde ruimte door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Reactie gemeente: Het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van de Theo Thijssenschool met nog slechts 4 klaslokalen. In het kader van de laddertoets zal dan aangetoond moeten worden dat er behoefte is aan die uitbreiding. Die behoefte is er. Hiervoor wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1, onder C. Voor een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied is in het kader van de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet vereist dat moet worden onderbouwd dat niet kan worden voorzien in de behoefte met gebruikmaking van bestaande gebouwen. De Omgevingsvisie Zuid-Holland Herziening 2021 stuurt aan op het beter benutten van de bebouwde ruimte door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van bestaand bebouwd gebied ter vervulling van een ontstane behoefte en past dus binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. De laddertoets is gezien het bovenstaande op de juiste wijze doorlopen, zodat het bestemmingsplan derhalve voldoet aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2, van het (oude) Besluit ruimtelijke ordening. Voorstel:
pag 23/28
De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. R. Klimaat Uit het bestemmingsplan volgt onvoldoende dat rekening is gehouden met de locatiekeuze en inrichting van het projectgebied in verband met de risico’s die gepaard gaan met de klimaatverandering, terwijl in de Omgevingsvisie Zuid-Holland is vastgelegd dat de provincie ernaar streeft om bij (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen de uitkomsten uit de klimaatstresstesten wel expliciet hierin mee te laten wegen. Reactie gemeente: De Omgevingsvisie Zuid-Holland is zelfbindend voor de provincie Zuid-Holland. Dat houdt in dat de Omgevingsvisie Zuid-Holland alleen verplichtingen schept voor degene die het document heeft gemaakt, in dit geval de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie Zuid-Holland werkt dus niet rechtsreeks door in het beleid van de gemeente Waddinxveen. Dat neemt niet weg dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening dient te houden met het provinciaal beleid, waaronder de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Dat de gemeente dat ook heeft gedaan volgt uit hoofdstuk 4.2 van de toelichting op het bestemmingsplan. Zoals in hoofdstuk 4.2 van de toelichting op het bestemmingsplan wordt toegelicht, krijgt een gedeelte van het plangebied de bestemming ‘Groen’, zulks ten behoeve van de realisatie van groenvoorzieningen.
Met de toename van het oppervlak aan groenvoorzieningen ten opzichte van de bestaande situatie, waarin het plangebied geheel versteend is, worden de risico’s voor wateroverlast door overvloedige neerslag en hitte beperkt. Groenvoorzieningen zorgen namelijk voor een groter verkoelend effect dan verhard oppervlak en hebben tevens een grote infiltratiecapaciteit van regenwater. Een natuurlijke infiltratie van regenwater in de bodem levert tevens, op kleine schaal, een positieve bijdragen ter beperking van risico’s vanwege droogte. Voorstel: De zienswijze leidt tot aanpassing van hoofdstuk 4.2 Provinciaal beleid van de toelichting op het bestemmingsplan. S. Woonkern Het bestemmingsplan is in strijd met de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050, omdat het plangebied op de kaart daarvan is aangeduid als ‘woonkern’. Reactie gemeente: Het plangebied is gelegen in een deelgebied dat in de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 is aangeduid als ‘Woonkern’. Dit staat voor de koers die voor dit deelgebied heeft te gelden. De gebiedskoers ‘Woonkern’ houdt niet in dat binnen dat deelgebied slechts woningen gebouwd mogen worden, maar dat bij het maken van een bestemmings- of omgevingsplan voor dit deelgebied rekening gehouden moet worden met de visie die voor de gebiedskoers ‘Woonkern’ is beschreven in de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050.
pag 24/28
Uit de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 volgt dat binnen het deelgebied met de gebiedskoers ‘Woonkern’ meer ruimte voor ontmoeting moet komen en dat er in de openbare ruimte meer plek voor recreatie en speelmogelijkheden moet komen. Ook staat in de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 vermeld dat gebieden rond scholen en andere plekken waar veel kinderen komen, rookvrije omgevingen moeten worden. Daaruit blijkt al dat er wel degelijk scholen mogelijk zijn binnen het deelgebied dat is aangeduid als ‘Woonkern’. Voorstel: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. T. Flora en fauna / natuur Het bestemmingsplan is niet uitvoerbaar, omdat de flora en fauna ter plaatse bescherming dient te krijgen. Daar komt bij dat de conclusies van de uitgevoerde onderzoeken naar flora en fauna tegenstrijdig zijn, nu enerzijds wordt gesteld dat de aanwezigheid van zwaarder beschermde soorten in het projectgebied niet geheel kan worden uitgesloten, doch anderzijds wordt gesteld dat binnen het projectgebied geen nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus en geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, terwijl ook geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute van vleermuizen is vastgesteld. Reactie gemeente: Eerst is een quickscan uitgevoerd.
Doel van deze quickscan was om te onderzoeken of door de uitbreiding beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. De resultaten van deze quickscan zijn vastgelegd in het rapport d.d. 20 september 2022 van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V., dat is aangehecht als bijlage 11 aan de toelichting op het bestemmingsplan. Uit dit rapport blijkt dat de noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming op voorhand niet kan worden uitgesloten en dat aanvullend onderzoek naar nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus en naar verblijfplaatsen van vleermuizen nodig is alvorens met de geplande werkzaamheden kan worden begonnen. Dit aanvullend onderzoek heeft plaatsgehad en heeft geresulteerd in het rapport d.d. 18 oktober 2023 van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V., dat is aangehecht als bijlage 12 aan de toelichting op het bestemmingsplan. Uit dit rapport blijkt dat binnen het projectgebied geen nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus en geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen én dat geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute van vleermuizen is vastgesteld. Deze conclusie is derhalve niet tegenstrijdig met die van de quickscan.