Bijlage 2 Stationsstraat 5 Waddinxveen Bijlagen (1)
Tekst van het document
Wanneer de maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeers- of vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten, wordt het vaststellen van een hogere waarde mogelijk. Dit geldt op grond van artikel 83 jo. artikel 110a lid 1 en 3 van de Wgh. Ook moet, op grond van artikel 110a, lid 6, van de Wgh de gecumuleerde geluidsbelasting worden beoordeeld. Tot slot moet zijn voldaan aan de beleidsregel; daarin is geregeld hoe een hogere waarde wordt vastgesteld en in welke gevallen aanvullende voorwaarden gelden. Deze aanvullende voorwaarden hebben tot doel bij zwaarder belaste geluidsgevoelige functies (overschrijding van meer dan 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde) toch minimaal één geluidsluwe gevel of een geluidsluwe buitenruimte te garanderen.
5
Overwegingen
De omgeving is te kenmerken als binnenstedelijk gebied. Een groot deel van het geluid in de omgeving is afkomstig van wegen en de spoorlijn. Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Kerkweg West, de Kanaalstraat / Juliana van Stolberglaan en de spoorlijn. Uit het akoestisch rapport blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 55 dB ten gevolge van de spoorlijn met 1 dB wordt overschreden. De maximale grenswaarde wordt niet overschreden. Ten gevolge van het verkeer op de genoemde wegen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Identificatie 2021322047
2 van 5
Toetsing Wet geluidhinder Maatregelen In het akoestisch onderzoek zijn maatregelen bekeken. Om de geluidsbelasting te reduceren worden onderstaande maatregelen onderscheiden: 1. Maatregelen aan de bron. Hiermee worden maatregelen aangeduid als het toepassen van raildempers. 2. Maatregelen tussen de bron en de waarnemer (in de overdracht). Hierbij gaat het om de realisering van geluidswallen en geluidsschermen, maar ook om maatregelen van stedenbouwkundige aard. Het toepassen van raildempers is vanuit financieel oogpunt niet doelmatig gelet op de kleinschaligheid van de ontwikkeling. Bij maatregelen in de overdracht kan gedacht worden aan het plaatsen van een geluidsscherm. Het plaatsen van een (hoog) scherm langs de spoorlijn is vanuit financieel en stedenbouwkundig/landschappelijk oogpunt niet gewenst. Hieruit volgt dat maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren stuiten op bezwaren van verkeerskundige, vervoerskundige, stedenbouwkundige/landschappelijke en financiële aard en daarmee geen oplossing bieden. Cumulatie Aangezien ten gevolge van één bron een hogere waarde nodig is kan wettelijke toetsing aan cumulatie achterwege blijven. Toetsing beleidsregel Geluidsluwe gevel en geluidsluwe buitenruimte In de beleidsregel is opgenomen dat bij een hogere waarde van meer dan 60 dB spoorweglawaai de woning gerealiseerd dient te worden met een geluidsluwe gevel.
Een gevel is geluidsluw als voor deze gevel voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Bij het van toepassing zijn van een geluidsluwe gevel dient op elke verdieping met één of meer verblijfsruimten ten minste één verblijfsruimte (bij voorkeur in te richten als slaapkamer) aan de geluidsluwe gevel te zijn gesitueerd. Er worden geen hogere waarden van meer dan 60 dB verleend. De voorwaarde voor een geluidsluwe gevel en buitenruimte gelden dan ook niet.
6
Kadastrale registratie
Op grond van het bepaalde in artikel 110i van de Wet geluidhinder zullen wij een afschrift van het definitieve besluit zenden aan het Kadaster voor aantekening in de kadastrale registratie. De te registreren kadastrale percelen zijn: Gemeente WADDINXVEEN WADDINXVEEN WADDINXVEEN
Sectie D D D
Perceelnummer 2764 2766 2765
Dit is een ontwerpbesluit en is daarom niet ondertekend
Identificatie 2021322047
3 van 5
Bijlagen bij dit besluit: 1. Figuur besluit hogere waarden. 2. Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Stationsstraat 5 in Waddinxveen, referentie 0797955061-02, d.d. 4 augustus 2021 opgesteld door Cauberg Huygen (los bijgevoegd).
Identificatie 2021322047
4 van 5
Bijlage 1 figuur besluit hogere waarden
Identificatie 2021322047
5 van 5
VERKENNEND BODEMONDERZOEK Stationsstraat 5 Waddinxveen
Opdrachtgever: Vink Ontwikkeling II BV
Rapportnummer:
21403501A
Zuidplaspolderweg 5
Datum:
23 maart 2021
2841 DC Moordrecht
Opgesteld door:
P. Blom
Protocollen 2001, 2002 en 2018
INHOUDSOPGAVE 0.
SAMENVATTING
1
1.
INLEIDING
3
1.1 1.2
Aanleiding van het onderzoek Doel van het onderzoek
3 3
2.
VOORONDERZOEK
4
2.1 2.2 2.3 2.4
Locatiegegevens Historische informatie Bodemopbouw en geohydrologie Hypothese
4 5 7 7
3.
ONDERZOEKSSTRATEGIE
9
3.1 3.2 3.3
Uitvoering bodemonderzoek Boorplan en analyses Kwaliteitsborging
9 10 11
4.
UITVOERING ONDERZOEK
13
4.1
Veldwerk 4.1.1 Resultaten visuele maaiveldinspectie Uitgevoerde werkzaamheden Veldwaarnemingen 4.3.1 Bodemopbouw 4.3.2 Zintuiglijke waarnemingen 4.3.3 Grondwater Afwijkingen Laboratoriumonderzoek 4.5.1 Uitgevoerde analyses Toetsingsnormen 4.6.1 Wet bodembescherming (Wbb) 4.6.2 Asbest Toetsing analyseresultaten 4.7.1 Grond getoetst aan Wet bodembescherming (Wbb) 4.7.2 Grondwater 4.7.3 Asbest
13 13 13 14 14 14 15 16 16 16 18 18 21 22 22 24 24
5.
INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN EN CONCLUSIE
26
5.1 5.2 5.3
Interpretatie onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek Interpretatie onderzoeksresultaten verkennend asbestonderzoek in bodem Conclusie
26 27 28
4.2 4.3
4.4 4.5 4.6
4.7
BIJLAGEN 1)
Regionale ligging van de locatie op de topografische overzichtskaart, anno 2018, schaal 1 : 25.000 schaal 1 : 10.000
2)
Situatietekening onderzoekslocatie met plaats van boringen, inspectiegaten en peilbuis, schaal 1 : 500
3)
Boorprofielen
4)
Analyseresultaten en toegepaste analysemethoden
5)
Toetsingsnormen, achtergrond- en interventiewaarden voor grondwater
6)
Toetsing analyseresultaten, Toetsing aan achtergrond- en interventiewaarden grond Toetsing aan streef- en interventiewaarden grondwater
7)
Historische informatie onderzoekslocatie
8)
Foto’s onderzoekslocatie
9)
Verklaring onafhankelijkheid veldwerk
interventiewaarden
voor
grond
en
streef-
en
0. SAMENVATTING Door Vink Ontwikkeling II BV is opdracht gegeven aan Waders Milieu BV voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek aan Stationsstraat 5 te Waddinxveen. Naar aanleiding van de veldwerkbevindingen, waarbij in de bodem onder andere verhardingslagen en bijmengingen aan puingranulaat zijn aangetroffen, is aanvullend opdracht gegeven voor de uitvoering van een verkennend asbestonderzoek in bodem. In tabel 1 is een samenvatting van het onderzoek opgenomen. Tabel 1.
Samenvatting onderzoek
Locatiegegevens
Aanleiding onderzoek
Doel onderzoek
Opzet onderzoek
Resultaten onderzoek
De onderzoekslocatie is gelegen aan Stationsstraat 5 binnen het bebouwde gebied van Waddinxveen. De te onderzoeken locatie, met een oppervlakte van ongeveer 3.280 m2, is momenteel in gebruik als postsorteercentrum en als parkeerterrein. Voorheen was de locatie onderdeel van een NSspoorwegemplacement. In de periode dat onderhavige onderzoekslocatie deel uitmaakte van het NSterrein stonden op de locatie twee opstallen en waren hier meerdere wegen/paden gesitueerd alsmede een spoortalud. Voorafgaand aan de bouw van het postsorteercentrum zijn de twee opstallen gesloopt en is de locatie uitgevlakt. Verder zijn op de locatie twee gedempte sloten aanwezig. Ten noordwesten van de locatie is in het verleden nabij het stationsgebouw een ondergrondse hbo-tank verwijderd. De aanleiding voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek betreft de voorgenomen eigendomsoverdracht (aankoop) en de mogelijke herinrichting van de locatie ten behoeve van woningbouw. De aanleiding voor de uitvoering van het verkennend asbestonderzoek in bodem betreft de aangetroffen verhardingslagen en bijmengingen aan (ongedefinieerd) puingranulaat in de grond ten tijde van de uitvoering van de veldwerkzaamheden voor het reguliere bodemonderzoek. Een bijmenging aan puin kan mogelijk duiden op de aanwezigheid van asbest in de bodem.
Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De multifunctionaliteit van de bodem kan bij overschrijding van normen van verontreinigende stoffen worden aangetast. Hierdoor kunnen beperkingen ten aanzien van het gebruik van de bodem worden gesteld. Het doel van het verkennend asbestonderzoek in bodem is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op bodemverontreiniging met asbest terecht is. Het verkennend bodemonderzoek is verricht volgens de richtlijn NEN 5740/A1:2016, conform de onderzoeksstrategie voor een “diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming” (VED-HE-NL). Een aantal boringen is in de gedempte sloten verricht. Extra aandacht is uitgegaan naar de gesloopte opstallen en de voormalige wegen/paden, behorende bij het voormalige NS-terrein op de locatie. De peilbuis is aan de noordwestzijde van de locatie geplaatst, in de richting van de verwijderde ondergrondse hbo-tank nabij het stationsgebouw. In aanvulling op de onderzoeksopzet is een bovengrondanalyse op OCB (bestrijdingsmiddelen) uitgevoerd.
Het verkennend asbestonderzoek in bodem is uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een “diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van monsterneming”, zoals omschreven in de NEN 5707:2017. In aanvulling op de onderzoeksstrategie zijn twee extra asbestanalyses in puin uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek - verspreid over de locatie Ter plaatse van de gedempte sloten, de gesloopte opstallen en de voormalige wegen/paden is zintuiglijk geen afwijkende bodemopbouw aangetroffen. Het bodemprofiel komt overeen met de bodemopbouw elders op de locatie. Hierdoor zijn de verkregen grondmonsters aldaar gebruikt ter bepaling van de algemene bodemkwaliteit. Waarschijnlijk zijn de voormalige sloten op de locatie gedempt met gebiedseigen grond. In de geanalyseerde grond(meng)monsters zijn over het algemeen licht verhoogde gehalten aangetoond voor de onderzochte stoffen uit het standaard NEN 5740-grondpakket, met plaatselijk matig tot sterk verhoogde gehalten aan nikkel (niet ernstig). De hoeveelheid sterk met nikkel verontreinigde grond ter hoogte van boring 14 is op basis van de onderzoeksresultaten ingeschat op circa 20 m3 (oppervlakte verontreiniging ongeveer 50 m2 x laagdikte 0,4 m). Het grondwater bevat geen noemenswaardige verontreinigingen.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
1
Tabel 1.
Samenvatting onderzoek Verkennend asbestonderzoek in bodem - verspreid over de locatie De bodemopbouw ter plaatse van het parkeerterrein en onder het bedrijfspand op de locatie is vergelijkbaar. De bijmenging aan bodemvreemde materiaal komen op de gehele locatie voor. Dit is mogelijk veroorzaakt door het uitvlakken van het voormalige NS-terrein op de locatie voorafgaand aan de bouw van het postsorteercentrum. Hierdoor worden de resultaten van onderhavig asbestonderzoek in bodem, dat alleen uitpandig heeft plaatsgevonden, representatief geacht voor de hele locatie. Tijdens de visuele maaiveldinspectie zijn op de locatie geen stukjes asbestverdacht materiaal gevonden. In de grove bodemfractie (>20 mm) ter plaatse van alle uitgevoerde inspectiegaten zijn evenmin stukjes asbestverdacht materiaal aangetroffen.
Uit de analyseresultaten blijkt dat in de onderzochte grond- en puinmengmonsters (fractie <20 mm) geen asbest is aangetoond. Conclusie onderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er conform de Wet bodembescherming (Wbb) geen aanleiding voor de uitvoering van saneringsmaatregelen. Gezien de beperkte omvang van de aangetroffen sterke nikkelverontreiniging in de grond ter plaatse van boring 14 (circa 20 m3) is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waardoor geen saneringsplicht geldt. De milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater geven geen beperkingen ten aanzien van het huidige gebruik en de beoogde herinrichting van de locatie ten behoeve van woningbouw. In de bodem is visueel en analytisch geen asbest aangetroffen. Ten aanzien van asbest wordt de locatie eveneens geschikt geacht voor woningbouw.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
2
1. INLEIDING Door Vink Ontwikkeling II BV te Moordrecht is op 29 januari 2021 per e-mail opdracht gegeven aan Waders Milieu BV te Waddinxveen voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek aan Stationsstraat 5 te Waddinxveen (conform offerte A-214010-JvB). Naar aanleiding van de veldwerkbevindingen, waarbij in de bodem onder andere verhardingslagen en bijmengingen aan puingranulaat zijn aangetroffen, is aanvullend opdracht gegeven voor de uitvoering van een verkennend asbestonderzoek in bodem. In het voorliggende rapport komt eerst het vooronderzoek aan de orde (hoofdstuk 2), waarbij de historische informatie is verzameld conform de richtlijn NEN 5725. Vervolgens worden in hoofdstukken 3 en 4 de opzet, uitvoering en de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek beschreven. Tenslotte komt, na de interpretatie van de resultaten in hoofdstuk 5, de conclusie van het onderzoek aan bod en het eventueel daaruit voortvloeiend advies.
1.1
Aanleiding van het onderzoek
De aanleiding voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek betreft de voorgenomen eigendomsoverdracht (aankoop) en de mogelijke herinrichting van de locatie ten behoeve van woningbouw. De aanleiding voor de uitvoering van het verkennend asbestonderzoek in bodem betreft de aangetroffen verhardingslagen en bijmengingen aan (ongedefinieerd) puingranulaat in de grond ten tijde van de uitvoering van de veldwerkzaamheden voor het reguliere bodemonderzoek. Een bijmenging aan puin kan mogelijk duiden op de aanwezigheid van asbest in de bodem.
1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De multifunctionaliteit van de bodem kan bij overschrijding van normen van verontreinigende stoffen worden aangetast. Hierdoor kunnen beperkingen ten aanzien van het gebruik van de bodem worden gesteld. Het doel van het verkennend asbestonderzoek in bodem is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op bodemverontreiniging met asbest terecht is.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
3
2. VOORONDERZOEK 2.1
Locatiegegevens
Adres locatie Kadastraal bekend
:
Gebruik van locatie Oppervlakte RD-coördinaten
: : :
:
Stationsstraat 5 Waddinxveen gemeente Waddinxveen, sectie D, nrs. 2764, 2765, 2766, 2767 (ged.) en 3605 (ged.) postsorteercentrum en parkeerterrein circa 3.280 m2 X: 104.473 Y: 450.893
De onderzoekslocatie is gelegen aan Stationsstraat 5 binnen het bebouwde gebied van Waddinxveen. De te onderzoeken locatie, met een oppervlakte van ongeveer 3.280 m2, is momenteel in gebruik als postsorteercentrum en als parkeerterrein. De Stationsstraat ligt ten noorden van de locatie. Aan de oostzijde van de onderzoekslocatie bevindt zich de Jan Dorrekenskade-Oost en aan de westzijde het Spoorpad. Ten zuiden van de locatie zijn woonhuizen van derden gesitueerd. In bijlage 1 is de topografische overzichtskaart opgenomen met daarop aangegeven de regionale ligging van de onderzoekslocatie. In bijlage 2 is een situatietekening van de locatie opgenomen. In bijlage 8 zijn foto’s van de locatie opgenomen, waarbij de plaats en de opnamerichting van de foto’s zijn aangegeven op de tekening in bijlage 2. Maaiveldverhardingen De vloer van het bedrijfspand (postsorteercentrum) op de locatie bestaat uit beton. Het parkeerterrein is grotendeels verhard met klinkers en voor een kleiner deel met tegels. Ter plaatse van het overige deel van de locatie, dat in gebruik is als groenvoorziening, zijn geen maaiveldverhardingen aanwezig. Locatie-inspectie Tijdens de locatie-inspectie d.d. 4 februari 2021 is naar voren gekomen dat op het parkeerterrein, aan de zuidkant van de locatie, een portacabin staat.
Bij de locatie-inspectie zijn verder geen bijzonderheden geconstateerd, zoals olievlekken op de aanwezige maaiveldverhardingen. Ter plaatse van de groenvoorziening zijn geen verkleuringen, kale plekken of brandplaatsen op het maaiveld aangetroffen. Verzakkingen en ophogingen zijn evenmin geconstateerd. PFAS In grote delen van Nederland worden diffuus verhoogde waarden voor de stoffengroep PFAS 1 aangetroffen. In eerste instantie werden alleen de Chemours-pluim (verdacht op PFOA; PerFluorOctaanzuur) en vliegvelden (verdacht op PFOS; PerFluorOctaanSulfonzuur) als verdacht aangemerkt. Uit vervolgonderzoek blijkt dat deze stoffen op meer plaatsen in Nederland kunnen voorkomen.
1
PFAS: Poly- en perfluor alkyl stoffen. Door de unieke eigenschappen van deze stoffen zijn ze vanaf de jaren ’60 grootschalig toegepast. Dat gecombineerd met de zeer slechte afbreekbaarheid van deze verbindingen, heeft er voor gezorgd dat de stoffen wijd verspreid zijn. In Europa is PFOS, onder andere bekend van blusschuim, sinds 2010 verboden en wordt het gebruik van PFOA, onder andere bekend van teflon en de Chemoursfabriek te Dordrecht, in 2020 verboden.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
4
Ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie worden geen verhoogde gehalten aan PFAS verwacht, waardoor onderzoek naar deze stoffengroep niet noodzakelijk is. Asbest In verband met de aanwezigheid van (ongedefinieerd) puin in de bodem dient op de locatie rekening te worden gehouden met asbest. Kabels en leidingen Op de locatie liggen ondergrondse kabels en leidingen.
2.2
Historische informatie
Informatie uit topografisch kaartmateriaal Bij de projectie van de historische kaart anno 1940 (www.topotijdreis.nl) op meer recent kaartmateriaal tot het jaar 2018 (zie bijlage 1) blijkt dat de onderzoekslocatie tot de jaren ’50 deel uitmaakte van het oostelijke deel van kleiwinningsput De Pette. Alleen het westelijke deel van de kleiwinningsput (waterpartij) is nu nog aanwezig, het oostelijk deel is in de jaren ’40 gedempt. Op kaartmateriaal vanaf 1950 tot 1990 is op de locatie een NS-spoorwegemplacement zichtbaar, die zich in zuidelijke richting verder uitstrekte. Op de kaart van 1950 zijn aan de oostzijde van de locatie twee sloten waarneembaar, die nadien niet meer aanwezig zijn (gedempt). Het bedrijfspand van het postsorteercentrum is op de kaart van het jaar 2000 voor het eerst duidelijk herkenbaar aanwezig. In de periode dat onderhavige onderzoekslocatie onderdeel was van het NS-terrein stonden op de locatie twee opstallen en waren hier meerdere wegen/paden gesitueerd alsmede een spoortalud. Voorafgaand aan de bouw van het postsorteercentrum zijn de twee opstallen gesloopt en is de locatie uitgevlakt. Voor de situering van de gedempte sloten, de gesloopte opstallen, de voormalige wegen/paden en de oude taludlijn van het spoor wordt verwezen naar de tekening in bijlage 2.
Uit de (historische) topografische kaarten komt voor de locatie verder geen informatie naar voren die kan duiden op de aanwezigheid van ophogingen, stortingen, opvullingen, veranderingen in de verkaveling en specifieke verdachte agrarische activiteiten zoals (glas)tuinbouw, bollenteelt en fruitteelt. In bijlage 7 zijn de historische topografische kaarten opgenomen. Informatie uit digitaal Bodemloket Uit informatie op www.bodemloket.nl blijkt dat op de locatie en in de directe omgeving meerdere historische bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten, bodemonderzoeken en/of saneringen zijn verricht. In tabel 2 zijn de geregistreerde gegevens uit het digitale Bodemloket weergegeven.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
5
Adres
Locatiecode
Historische (bedrijfs)activiteit(en)
Sanering uitgevoerd
Overzicht informatie Bodemloket Voorgaand bodemonderzoek
Tabel 2.
Opmerkingen
nabij Kanaaldijk NS-emplacement spoor NS (spoorbaan) NS-emplacement park (Burgemeester Warnaarplantsoen) park (Burgemeester Warnaarplantsoen)
ZH062709620 ZH062709491 ZH062709515 ZH062709106
---kolenopslagplaats
Ja Ja Ja Ja
Nee Nee Nee Ja
Voldoende onderzocht Voldoende onderzocht Voldoende onderzocht Voldoende gesaneerd
ZH062709013
--
Ja
Ja
Voldoende gesaneerd
ZH062311756
ophooglaag met puin en/of bouw- en sloopafval
Ja
Ja
Registratie restverontreiniging
Informatie verkregen van Omgevingsdienst Midden-Holland In het bodeminformatiesysteem van Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) zijn de rapporten van de voorgaande bodemonderzoeken, die op en in de omgeving van de locatie zijn verricht, digitaal beschikbaar. Ook de saneringsevaluaties zijn downloadbaar. Dit als aanvulling op de verkregen gegevens uit het digitale Bodemloket. Uit deze rapportages blijkt dat op het voormalig NS-terrein ten zuiden van de onderzoekslocatie in het verleden een sterke PAK-verontreiniging in de bovengrond is gesaneerd middels ontgraving. Verder zijn in de grond op het voormalige NS-terrein licht verhoogde gehalten aan OCB (bestrijdingsmiddelen) aangetroffen. In de rapporten van de voorgaande bodemonderzoeken staat tevens vermeld dat nabij het stationsgebouw, gesitueerd ten noordwesten van onderhavige onderzoekslocatie, in 1989 een ondergrondse huisbrandolietank (hbo-tank) is verwijderd. Bij de verwijdering van deze tank is in de bodem waarschijnlijk een restverontreiniging achtergebleven. In het grondwater zou sprake zijn van een sterke minerale olieverontreiniging met beperkte omvang (niet ernstig). De exacte positie van de voormalige hbo-tank is niet bekend. De afstand van het stationsgebouw tot aan de onderzoekslocatie bedraagt circa 25 m.
In het park (Burgemeester Warnaarplantsoen), gelegen ten zuidwesten van de locatie, staat een immobiele restverontreiniging geregistreerd. Tijdens de sanering van het geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK in de grond aldaar kon de verontreiniging op enkele plaatsen niet geheel worden ontgraven door de aanwezigheid van obstakels (bomen). De verontreinigde zandlaag onder de fundering van de geasfalteerde paden in het park is wel geheel verwijderd. Ook het bovenliggende asfalt en de fundatielaag zijn destijds afgevoerd. Op het adres Jan Dorrekenskade-Oost 22, gesitueerd ten oosten van de locatie, staat een ondergrondse 3.000 liter brandstoftank geregistreerd. De afstand van de onderzoekslocatie tot Jan DorrekenskadeOost 22 bedraagt meer dan 40 m. Gezien deze ruime afstand wordt als gevolg van deze (voormalige) tank geen bodemverontreiniging op de locatie verwacht. Hierdoor wordt aan de desbetreffende tank in onderhavige rapportage verder geen aandacht besteed.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
6
Voor de situering van de gesaneerde PAK-verontreiniging in de bovengrond op het voormalige NS-terrein ten zuiden van de locatie, het stationsgebouw met de verwijderde ondergrondse hbo-tank en de geregistreerde restverontreiniging met PAK in het Burgemeester Warnaarplantsoen wordt verwezen naar de tekening in bijlage 2. Bodemkwaliteitskaart Op de bodemfunctieklassenkaart van ODMH ligt de locatie in een gebied dat is geclassificeerd als klasse Wonen. Op de Ontgravingskaart Bovengrond en Ontgravingskaart Ondergrond is de locatie ingedeeld als klasse Industrie. Op de Toepassingskaart Bovengrond is de locatie ingedeeld als klasse Wonen. Volgens de bodemkwaliteitskaart van ODMH ligt de locatie in zone 03: Historische bebouwing zeekleipolders. In de bovengrond van deze zone worden matig tot sterk verhoogde achtergrondgehalten aan koper, lood, zink en PAK verwacht en licht verhoogde gehalten voor enkele andere zware metalen, PCB en minerale olie. In de ondergrond van zone 03 kunnen matig tot sterk verhoogde achtergrondgehalten aan lood, zink en PAK voorkomen alsmede licht verhoogde gehalten voor een aantal andere zware metalen en minerale olie.
2.3
Bodemopbouw en geohydrologie
Het geohydrologische profiel van het gebied waarbinnen de locatie is gesitueerd, wordt in tabel 3 weergegeven. Tabel 3.
Geohydrologisch profiel (Bron: Grondwaterkaart van Nederland, inventarisatierapport Den Haag/Utrecht, Dienst Grondwaterverkenning TNO 1980, GWK 25) Pakket deklaag
Diepte [m] t.o.v. NAP -2 -12
Geohydrologische formatie
Samenstelling
Westland
Klei op veen Matig fijne tot uiterst grove slib- en grindhoudende zanden Klei met inschakelingen van slibhoudend zand
1e watervoerend pakket
-12
-
-36
Kreftenheye, Twente, Sterksel
scheidende laag
-36
-
-42
Kedichem
De stromingsrichting van het grondwater uit het eerste watervoerend pakket is zuidwestelijk. De locatie maakt, voor zover bekend, geen deel uit van een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied.
2.4
Hypothese
Vanwege het voormalige gebruik (diffuse belasting) als NS-terrein, de resultaten van voorgaande bodemonderzoeken, de aanwezigheid van ‘open’ maaiveldverhardingen en door de ligging in zone 3 op de bodemkwaliteitskaart van ODMH wordt de locatie als verdacht aangemerkt. De bodem is mogelijk verontreinigd geraakt. Als potentieel bodemverontreinigende stoffen worden zware metalen, PAK, OCB (bestrijdingsmiddelen) en minerale olie aangemerkt.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
7
De bodem ter plaatse van de twee voormalige sloten op de locatie wordt eveneens als verdacht aangemerkt. Onduidelijk is waarmee de voormalige sloten zijn gedempt. Mogelijk is verontreinigd dempingmateriaal toegepast. Richting de verwijderde ondergrondse hbo-tank bij het stationsgebouw, gesitueerd ten noordwesten van de onderzoekslocatie, kunnen in de bodem mogelijk verhoogde gehalten aan minerale olie(producten) aanwezig zijn. Vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging ten aanzien van asbest wordt de locatie ook als verdacht aangemerkt. Dit ten gevolge van de aanwezigheid van onder andere verhardingslagen en bijmengingen aan ongedefinieerd puin in de bodem.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
8
3. ONDERZOEKSSTRATEGIE Onderzoeksopzet Het verkennend bodemonderzoek wordt verricht volgens de richtlijn NEN 5740/A1:2016, conform de onderzoeksstrategie voor een “diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming” (VED-HE-NL). Een aantal boringen wordt in de gedempte sloten verricht. Extra aandacht gaat uit naar de gesloopte opstallen en de voormalige wegen/paden, behorende bij het voormalige NS-terrein op de locatie. De peilbuis wordt aan de noordwestzijde van de locatie geplaatst, in de richting van de verwijderde ondergrondse hbo-tank nabij het stationsgebouw. In aanvulling op de onderzoeksopzet wordt een bovengrondanalyse op OCB (bestrijdingsmiddelen) uitgevoerd. Het verkennend asbestonderzoek in bodem wordt uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een “diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van monsterneming”, zoals omschreven in de NEN 5707:2017. In aanvulling op de onderzoeksstrategie worden twee extra asbestanalyses in puin uitgevoerd.
3.1
Uitvoering bodemonderzoek
Verkennend bodemonderzoek Voorafgaand aan de uitvoering van de boringen wordt een visuele maaiveldinspectie uitgevoerd naar de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Indien asbestverdachte materialen worden gevonden, zal hiervan per type asbestverdacht materiaal een representatief monster worden genomen. Vervolgens worden met behulp van een Edelmanboor verspreid over de locatie boringen verricht tot een diepte van tenminste 1,0 m -mv. Een aantal boringen wordt doorgezet tot een diepte van circa 2,0 m -mv en minimaal 0,5 m onder de grondwaterstand. Van de diepere boringen wordt er één afgewerkt met een peilbuis (richting de verwijderde ondergrondse hbo-tank bij het stationsgebouw, ten noordwesten van de locatie). In verband met de aanwezigheid van een betonvloer in het bedrijfspand op de locatie (postsorteercentrum) worden 3 boringen voorgeboord met een diamantboorinstallatie. Tijdens de uitvoering van de boringen wordt de opgeboorde grond beschreven en geclassificeerd, zintuiglijk beoordeeld op eventuele verontreinigingen en bemonsterd in trajecten van maximaal 0,5 m. Van de verrichte boringen worden boorbeschrijvingen gemaakt. Van de boven- en ondergrond worden grond(meng)monsters geanalyseerd op het NEN 5740-grondpakket (NEN-G; zie tabel 4) en/of OCB. Bij het samenstellen van mengmonsters worden maximaal 4 grondmonsters gemengd.
Voor het berekenen van de gecorrigeerde concentraties van de geanalyseerde stoffen (bodemtypecorrectie) worden aanvullend de gehalten lutum en organische stof bepaald. Het grondwater uit de peilbuis wordt een week na plaatsing bemonsterd. Het aan de peilbuis te onttrekken grondwatermonster wordt geanalyseerd op het NEN 5740-grondwaterpakket (NEN-W; zie tabel 4). Bij de grondwaterbemonstering worden de grondwaterstand, de troebelheid (NTU), de zuurgraad (pH) en de elektrische geleidbaarheid (EC) van het grondwater gemeten.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
9
Verkennend asbestonderzoek in bodem Met behulp van een graafmachine worden verspreid over de locatie inspectiegaten gegraven van 0,3 m (lengte) x 0,3 m (breedte) in lagen van 5 à 10 cm tot een diepte van tenminste 0,5 m in de verdachte laag of tot op de ongeroerde ondergrond. De inspectiegaten worden gegraven op de meest verdachte plekken, bijvoorbeeld op plaatsen waar in het reguliere bodemonderzoek een verhardingslaag of een bijmenging aan puingranulaat in de bodem is aangetroffen. Voorafgaand aan het graven van een inspectiegat wordt het bodemvochtpercentage gemeten. Indien het bodemvochtpercentage beneden de 10% ligt, wordt het maaiveld bevochtigd met water. Is het bodemvochtpercentage hoger dan 10% dan zijn geen aanvullende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. De standaard veiligheidsmiddelen kunnen worden gehanteerd, die ook bij een regulier bodemonderzoek worden gebruikt. Het opgegraven bodemmateriaal wordt beschreven en geclassificeerd, zintuiglijk beoordeeld op eventuele verontreinigingen en bemonsterd in trajecten met een maximale laagdikte van 0,5 m. Van elk inspectiegat wordt in het veld een bodemprofielbeschrijving gemaakt. Voorafgaand aan de monstername wordt het materiaal gezeefd (maaswijdte 20 mm) of geharkt (maaswijdte 20 mm), afhankelijk van de bodemsamenstelling. De gezeefde of geharkte grove fractie wordt visueel geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal.
Bij het aantreffen van asbestverdacht materiaal wordt per bodemlaag van elk type een representatief materiaal(verzamel)monster samengesteld, dubbel verpakt en meegenomen voor eventuele analyse. Per type asbestverdacht materiaal wordt in het veld het totaalgewicht bepaald. Ook de gezeefde of geharkte grove fractie wordt gewogen. Indien bodemvreemd materiaal wordt waargenomen zal hiervan het gewichtspercentage worden bepaald. Bij minder dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal wordt van de fijne fractie per inspectiegat in het veld een grondmengmonster samengesteld uit 20 grepen van elk 0,5 kg (tenminste 10 kg ds per grondmengmonster). Op een aantal representatieve grondmengmonsters wordt een asbest kwantificatie-onderzoek uitgevoerd (zie tabel 4). Daarbij wordt de concentratie asbest in de fijne bodemfractie bepaald. Bij meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal vervalt de opzet conform NEN 5707 (er is dan geen sprake meer van grond) en is de NEN 5897 van toepassing. Van de fijne puinfractie per inspectiegat wordt in het veld dan een mengmonster samengesteld van minimaal 25 kg ds. Op een aantal representatieve puinmengmonsters wordt een asbest kwantificatie-onderzoek uitgevoerd (zie tabel 4). Daarbij wordt de concentratie asbest in de fijne puinfractie bepaald.
Een aantal inspectiegaten wordt met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 12 cm uitgeboord tot een diepte van ongeveer 2,0 m -mv of tenminste 0,5 m onder een eventueel aan te treffen asbestverdachte bodemlaag. Het opgeboorde materiaal wordt beschreven en geclassificeerd, visueel geïnspecteerd op eventuele (asbest)verontreinigingen en bemonsterd in trajecten van maximaal 0,5 m. Van de verrichte boringen worden in het veld boorprofielbeschrijvingen gemaakt.
3.2
Boorplan en analyses
In tabel 4 wordt het boor- en analyseprogramma weergegeven in de vorm van aantallen uit te voeren boringen, inspectiegaten en analyses. De exacte monsternamepunten worden tijdens het veldwerk bepaald.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
10
Tabel 4.
Boor- en analyseprogramma
Verkennend bodemonderzoek
Aantal boringen
Diepte [m -mv]
Waarvan met peilbuis
Analyses grond
Analyses grondwater
-
12 én
1,0
-
2 x NEN-G 2 x H+L 1 x OCB
3
2,0*
1 (n)
1 x NEN-G 1 x H+L
1 x NEN-W
Aantal inspectiegaten
Diepte [m -mv]
Analyses grond
Analyses puin
Analyses plaatmateriaal
12 én
1,0
3 x asbest-G
2 x asbest-P
1 x asbest-M
2
2,0**
-
-
-
Verspreid over de locatie (oppervlakte ca. 3.280 m2)
Asbestonderzoek in bodem Verspreid over de locatie (oppervlakte ca. 3.280 m2) * ** (n) H+L NEN-G NEN-W OCB asbest-G asbest-P asbest-M
Opmerkingen - waarvan 3 inpandige betonboringen - waarvan aantal boringen in gedempte sloten - waarvan aantal boringen tpv gesloopte opstallen en vml wegen/paden van oud NS-terrein op locatie - peilbuis richting verwijderde ondergrondse hbo-tank nabij stationsgebouw (ten noordwesten van locatie) Opmerkingen
met behulp van graafmachine
boring tot circa 2,0 m -mv en tenminste 0,5 m onder de grondwaterstand inspectiegat tot 1,0 m -mv en vanaf 1,0 m -mv uitboren tot 2,0 m -mv of minimaal 0,5 m onder een eventueel aanwezige asbestverdachte bodemlaag bovenzijde van het filter van de peilbuis op 0,5 m onder de grondwaterstand organische stof en lutum droge stof, de zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK som 10), PCB (som-7) en minerale olie (C10-C40) de zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, vluchtige aromaten (BTEXN), gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie (C10-C40) bestrijdingsmiddelen, 24 verbindingen GC/MS (waaronder DDT en drins) asbestconcentratie grond kwantitatief, mg/kg ds, 10 kg ds, NEN 5898 asbestconcentratie puin kwantitatief, mg/kg ds, 25 kg ds, NEN 5898 asbestonderzoek stereo/pol plaatmateriaal kwan/kwalitatief (m/m%), materiaal 5 x 5 cm, NEN 5896
De grond- en grondwateranalyses worden verricht conform AS3000.
3.3
Kwaliteitsborging
AT MilieuAdvies B.V. heeft, als onafhankelijk adviesbureau, geen relatie met de opdrachtgever anders dan opdrachtgever/opdrachtnemer. AT MilieuAdvies B.V. “keurt geen eigen grond” waarmee de onafhankelijkheid van het onderzoek is gewaarborgd. Het kwaliteitssysteem van AT MilieuAdvies B.V. voldoet aan de eisen van de NEN-EN ISO 9001:2015 (certificaatnr.: EC-KWA-99019). De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd naar de richtlijnen van de BRL SIKB 2000 conform de daarbij behorende protocollen. AT MilieuAdvies B.V. is gecertificeerd voor de protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018 (certificaatnr.: EC-SIK-20244).
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
11
Het protocol 2001 is bestemd voor het correct verrichten van veldwerk, zoals het plaatsen van boringen en peilbuizen. Het protocol 2002 geeft voorschriften voor het bemonsteren van het grondwater uit peilbuizen. Het protocol 2003 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerkzaamheden ten behoeve van waterbodemonderzoek. De richtlijnen voor asbestonderzoek in bodem zijn omschreven in het protocol 2018. Bij het uitbesteden van veldwerkzaamheden wordt dit werk alleen gegund aan BRL SIKB 2000 gecertificeerde veldwerkbureaus. Bij afwijking van de kritieke proceseisen van de BRL en/of de protocollen wordt het onderzoek niet gerapporteerd onder certificaat. In de rapportage wordt dan melding gemaakt van de kritieke afwijkingen. De fysische en chemische analyses worden uitgevoerd door de door de Raad van Accreditatie conform criteria voor testlaboratoria geaccrediteerde milieulaboratoria Eurofins Analytico B.V. te Barneveld (nr. RvA L 010) en Eurofins Omegam B.V. te Amsterdam-Duivendrecht (nr. RvA L 086). Bij ieder milieukundig bodemonderzoek wordt gestreefd naar een optimale representativiteit. Toch is een dergelijk onderzoek gebaseerd op een beperkt aantal boringen, inspectiegaten en analyses. Hierdoor blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van de bodem aanwezig kunnen zijn, die tijdens het bodemonderzoek niet naar voren zijn gekomen.
Verder is een milieukundig onderzoek een momentopname. Beïnvloeding van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zal ook plaats kunnen vinden na de uitvoering van het onderzoek. AT MilieuAdvies B.V. acht zich niet aansprakelijk voor eventuele schade of gevolgen voortvloeiend uit het bodemonderzoek.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
12
4. UITVOERING ONDERZOEK 4.1
Veldwerk
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Jan-Pieter Kalkman (verkennend bodemonderzoek) en Martin Boer (asbestonderzoek in bodem) van Waders Milieu BV conform de richtlijnen in de BRL SIKB 2000 en de daarbij behorende protocollen 2001, 2002 en 2018. Waders Milieu BV is onderdeel van PJ Milieu BV, gevestigd in Nijkerk. Het veldwerk is onafhankelijk van de opdrachtgever uitgevoerd conform de eisen aan de externe functiescheiding in de BRL SIKB 2000. De verklaring van onafhankelijkheid is opgenomen in bijlage 9.
4.1.1
Resultaten visuele maaiveldinspectie
De visuele maaiveldinspectie is verricht met droog weer en goed zicht. Door de aanwezigheid van vegetatie in de groenvoorziening (onkruid, struiken en bomen), wordt de inspectie-efficiëntie op het inspecteerbare deel van de locatie ingeschat op ongeveer 75%. Tijdens de visuele maaiveldinspectie zijn op de locatie geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Onder de bebouwing heeft geen visuele maaiveldinspectie plaats kunnen vinden.
4.2
Uitgevoerde werkzaamheden
Verkennend bodemonderzoek Het veldwerk voor het verkennend bodemonderzoek is verricht op 4 februari 2021 conform de onderzoeksopzet in hoofdstuk 3. Daarbij zijn verspreid over de locatie 15 handboringen verricht (nrs. 01 t /m 15). Een deel van de boringen is uitgevoerd in de gedempte sloten en ter plaatse van de gesloopte opstallen en voormalige wegen/paden behorende bij het voormalige NS-terrein (nrs. 01, 03, 06 t/m 09 en 15). De boringen zijn verricht met behulp van een Edelmanboor, zuigerboor en puinboor. Door de aanwezigheid van een betonvloer in het bedrijfspand op de locatie (postsorteercentrum) zijn 3 boringen voorgeboord met een diamantboorinstallatie. Het boorgat van boring 03 is ten behoeve van de grondwatermonstername afgewerkt met een peilbuis (peilbuis 03). Peilbuis 03 is gesitueerd richting de verwijderde ondergrondse hbo-tank bij het stationsgebouw (ten noordwesten van de locatie). De plaatsen van de boorpunten zijn aangegeven op de tekening in bijlage 2. Verkennend asbestonderzoek in bodem Het veldwerk ten behoeve van het asbestonderzoek in bodem is uitgevoerd op 23 februari 2021 conform de onderzoekstrategie in hoofdstuk 3. Daarbij zijn met behulp van een graafmachine verspreid over de locatie in totaal 14 inspectiegaten gegraven (nrs. 101 t/m 114).
In totaal zijn 2 inspectiegaten dieper uitgeboord met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 12 cm (inspectiegatnrs. 101 en 102). De situering van de inspectiegaten is weergegeven op de tekening in bijlage 2.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
13
4.3
Veldwaarnemingen
4.3.1
Bodemopbouw
Bij het veldwerk is gebleken dat de bodem tot de geboorde einddiepte van circa 4,0 m -mv hoofdzakelijk uit zand bestaat met inschakelingen van zandige klei (geroerd bodemprofiel). Waarschijnlijk is voor de demping van het oostelijke deel van kleiwinningsput De Pette destijds zand gebruikt. De grondwaterstand is tijdens de uitvoering van de boringen waargenomen op een diepte van ongeveer 2,5 m -mv. Voor een beschrijving van de aangetroffen bodemlagen en de trajecten van monstername wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in bijlage 3.
4.3.2
Zintuiglijke waarnemingen
Verkennend bodemonderzoek De zintuiglijke waarnemingen die kunnen duiden op een (mogelijke) verontreiniging van de bodem zijn opgenomen in tabel 5. Tabel 5.
Zintuiglijke waarnemingen
Diepte Traject boring Boring [m -mv] [m -mv] Verspreid over de locatie
Hoofdgrondsoort
Bijmenging(en)
01
1,10
0,60 - 1,10
Klei
sporen baksteen, sporen kolengruis
03
4,00
0,00 - 0,60
Zand
matig repachoudend
04
1,00
0,00 - 0,40
Zand
sporen baksteen
06
1,10
0,40 - 0,80
Zand
uiterst puingranulaat houdend
07
1,00
0,10 - 0,40
Zand
uiterst puingranulaat houdend
0,40 - 1,00
Zand
sporen baksteen
0,40 - 0,60
--
volledig repac
Zand
veel repac, sporen baksteen, brokken beton
Zand
veel repac, sporen baksteen, brokken beton
10
0,61
0,60 - 0,61 11
0,51
12
0,51
13
1,51
0,07 - 0,50
gestuit
0,50 - 0,51 0,07 - 0,50 0,50 - 0,51
gestuit
0,00 - 0,47
volledig beton
1,00 - 1,50 14
1,21
gestuit
Zand
gestuit
0,00 - 0,48
volledig beton
0,70 - 1,10
Zand
1,20 - 1,21 15
2,00
veel puingranulaat
1,50 - 1,51
veel puingranulaat gestuit
0,00 - 0,38
volledig beton matig slakhoudend, uiterst puingranulaat houdend, sporen kolen, 0,60 - 2,00 Zand brokken baksteen Mate van bijmenging: 0-2% sporen, 2-5% resten, 5-15% zwak, 15-40% matig, 40-60% sterk, 60-100% volledig (>50%, geen grond)
Tijdens het zintuiglijk onderzoek zijn verder geen afwijkingen geconstateerd aan het opgeboorde bodemmateriaal; er is geen olie-water reactie waargenomen. Ook is geen afwijkend (of bodemvreemd) dempingsmateriaal aangetroffen ter plaatse van de twee voormalige sloten op de locatie.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
14
De bodemopbouw ter plaatse van het parkeerterrein en onder het bedrijfspand is vergelijkbaar. De bijmenging aan bodemvreemde materiaal komen op de gehele locatie voor. Dit is mogelijk veroorzaakt door het uitvlakken van het voormalige NS-terrein op de locatie voorafgaand aan de bouw van het postsorteercentrum. Verkennend asbestonderzoek in bodem De zintuiglijke waarnemingen die kunnen duiden op een (mogelijke) asbestverontreiniging van de bodem zijn opgenomen in tabel 6. Tabel 6.
Zintuiglijke waarnemingen asbestonderzoek
Afmetingen monsternamepunt Inspectiegat [lengte x breedte, m] Verspreid over de locatie
Diepte monsternamepunt
Traject
[m -mv]
[m -mv]
Hoofdgrondsoort
101
0,30 x 1,80
2,00
1,10 - 1,50
--
102
0,30 x 1,80
1,20
0,60 - 0,90
--
104
0,30 x 1,80
1,00
0,18 - 0,40
--
0,40 - 0,75
--
105
0,30 x 1,80
0,40
0,00 - 0,40
--
106
0,30 x 1,80
0,50
0,00 - 0,50
Zand
107
0,30 x 1,80
1,10
0,40 - 0,75
--
108
0,30 x 1,80
0,80
0,30 - 0,38
--
Bijmenging(en)
brokken baksteen, brokken hoogovenslakken, veel sintels brokken baksteen, brokken hoogovenslakken, veel sintels volledig repac veel sintels, sporen baksteen, resten hoogovenslakken volledig repac, gestuit op beton resten baksteen, sporen beton, resten aardewerk veel sintels, resten baksteen
Aantal gevonden stukjes asbestverdacht materiaal in grove fractie (>20 mm)/ totaal gewicht van de stukjes 0 stukjes 0 stukjes 0 stukjes 0 stukjes 0 stukjes 0 stukjes 0 stukjes
volledig betongranulaat 0 stukjes resten baksteen, sporen beton, 109 0,30 x 1,80 0,50 0,00 - 0,50 Zand 0 stukjes resten aardewerk 110 0,30 x 1,80 0,50 0,00 - 0,50 Zand resten baksteen, resten grind 0 stukjes brokken baksteen, brokken beton, 111 0,30 x 1,80 1,20 0,25 - 0,50 -0 stukjes resten aardewerk 0,50 - 0,95 -veel sintels, resten baksteen 0 stukjes brokken baksteen, brokken beton, 112 0,30 x 1,80 1,20 0,25 - 0,40 -0 stukjes resten aardewerk resten baksteen, veel 0,40 - 1,20 -hoogovenslakken, resten beton, 0 stukjes gestaakt door grondwater brokken baksteen, brokken beton, 113 0,30 x 1,80 1,00 0,65 - 1,00 -brokken metselwerkgranulaat, 0 stukjes gestuit op betonplaat brokken baksteen, brokken beton, 114 0,30 x 1,80 0,80 0,25 - 0,50 -0 stukjes resten aardewerk Mate van bijmenging: 0-2% sporen, 2-5% resten, 5-15% zwak, 15-40% matig, 40-60% sterk, 60-100% volledig (>50%, geen grond)
In de grove fractie (>20 mm) ter plaatse van alle uitgevoerde inspectiegaten zijn geen stukjes asbestverdacht materiaal aangetroffen.
4.3.3
Grondwater
Het grondwater is bemonsterd op 11 februari 2021. In tabel 7 is een overzicht opgenomen van de verrichte metingen. Achtereenvolgens zijn opgenomen, de filterstelling, de grondwaterstand, de zuurgraad, de elektrische geleidbaarheid, de troebelheid en de zintuiglijke waarnemingen.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
15
Tabel 7.
Veldwerkgegevens grondwatermonstername
Peilbuisnummer
Filterdiepte [m -mv]
Grondwaterstand [m -mv]
Zuurgraad [pH]
Geleidbaarheid [μS/cm]
Troebelheid [NTU]
Zintuiglijke waarnemingen
Richting verwijderde ondergrondse hbo-tank nabij stationsgebouw (ten noordwesten van locatie) peilbuis 03
3,00 - 4,00
2,05
7,6
850
5,2
Kleurloos en helder, geen olie-water reactie
De gemeten waarden voor pH (zuurgraad), EC (geleidbaarheid) en NTU (troebelheid) in het grondwater zijn niet afwijkend voor het gebied waarbinnen de locatie ligt
4.4
Afwijkingen
De veldwerkzaamheden zijn, zoals eerder vermeld, uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de daarbij behorende protocollen 2001, 2002 en 2018. Er zijn geen afwijkingen geconstateerd. De monstergewichten van de uitgevoerde asbestanalyses in puin van mengmonsters MM-asbest 1, MM-asbest 2 en MM-asbest 5 (analysecertificaat 2021029922) voldeden in eerste instantie niet aan de eis van het minimaal aan te leveren monstergewicht van 25 kg ds (puin). Dit kwam doordat het milieulaboratorium slechts 1 van de 2 aangeleverde monsteremmers per mengmonster had geanalyseerd. Uiteindelijk is op deze 2e monsteremmers een aparte asbestanalyse verricht (certificaat 2021035127). De totaalgewichten voldoen nu wel aan de eis van het minimaal aan te leveren monstergewicht van 25 kg ds.
4.5
Laboratoriumonderzoek
De fysische en chemische analyses zijn uitgevoerd door de door de Raad van Accreditatie conform criteria voor testlaboratoria geaccrediteerde milieulaboratoria Eurofins Analytico B.V. te Barneveld (nr. RvA L 010) en Eurofins Omegam B.V. te Amsterdam-Duivendrecht (nr. RvA L 086). De grond- en grondwateranalyses zijn verricht conform AS3000. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en de gehanteerde analysemethoden vermeld.
4.5.1
Uitgevoerde analyses
In tabel 8 is een overzicht van de grond(meng)monsters, puinmengmonsters en het grondwatermonster opgenomen welke ter analyse zijn aangeboden. In verband met de aangetroffen bijmengingen aan verschillende bodemvreemde materialen, zoals baksteen, repac, slakken, kolengruis en puingranulaat, is in overleg met de opdrachtgever een extra analyse op het standaard NEN 5740-grondpakket verricht. Ter plaatse van de gedempte sloten, de gesloopte opstallen en de voormalige wegen/paden is zintuiglijk geen afwijkende bodemopbouw aangetroffen. Het bodemprofiel komt overeen met de bodemopbouw elders op de locatie. Hierdoor zijn de verkregen grondmonsters aldaar gebruikt ter bepaling van de algemene bodemkwaliteit. Tijdens de uitvoering van het asbestonderzoek zijn in de bodem diverse verhardingslagen aangetroffen. Hierdoor zijn twee asbestanalyses in grond vervangen door asbestanalyses in puin. Omdat in de bodem geen stukjes asbestverdacht materiaal zijn gevonden, is de plaatmateriaalanalyse op asbest komen te vervallen.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
16
Tabel 8.
Overzicht van grond(meng)monsters, puinmengmonsters, grondwatermonster en analyses
asbest-P
Hoofdbestanddeel/ bijmenging
asbest-G
Boring(en)/ inspectiegat(en)
NEN-W
Traject/filterdiepte peilbuis [m -mv]
OCB
(Meng)monstercode
NEN-G, H+L
Analyses
Verkennend bodemonderzoek - verspreid over de locatie 06 (0,40 - 0,80) 07 (0,10 - 0,40) 11 (0,07 - 0,50) 12 (0,07 - 0,50) 13 (1,00 - 1,50) 14 (0,70 - 1,10) 15 (0,60 - 1,00)
MM-1
0,10 - 0,80
MM-2
0,07 - 0,50
MM-3
0,60 - 1,50
M-4
0,60 - 1,10
01 (0,60 - 1,10)
peilbuis 03
3,00 - 4,00
03 (3,00 - 4,00)
Zand/uiterst puingranulaat houdend Zand/zwak grindig, veel repac, sporen baksteen, brokken beton Zand/veel puingranulaat, matig slakhoudend, sporen kolen, brokken baksteen Zandige klei/sporen baksteen, sporen kolengruis Grondwater
# #
#
# # #
Asbestonderzoek in bodem - verspreid over de locatie MM-asbest 1
0,40 - 1,50
MM-asbest 2
0,00 - 0,40
MM-asbest 3
0,25 - 1,00
MM-asbest 4
0,00 - 0,50
MM-asbest 5
0,40 - 1,20
H+L NEN-G NEN-W OCB asbest-G asbest-P
101 (1,10 - 1,50) 102 (0,60 - 0,90) 104 (0,40 - 0,75) 104 (0,18 - 0,40) 105 (0,00 - 0,40) 111 (0,25 - 0,50) 112 (0,25 - 0,40) 113 (0,65 - 1,00) 114 (0,25 - 0,50) 106 (0,00 - 0,50) 109 (0,00 - 0,50) 110 (0,00 - 0,50) 112 (0,40 - 1,20)
Brokken baksteen, brokken hoogovenslakken, veel sintels
#
Repac
#
Brokken baksteen, brokken beton, resten aardewerk, brokken metselwerkgranulaat
#
Humeus zand/resten baksteen, sporen beton, resten aardewerk, resten grind Resten baksteen, veel hoogovenslakken, resten beton
# #
organische stof en lutum droge stof, de zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK som 10), PCB (som-7) en minerale olie (C10-C40) de zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, vluchtige aromaten (BTEXN), gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie (C10-C40) bestrijdingsmiddelen, 24 verbindingen GC/MS (waaronder DDT en drins) asbestconcentratie grond kwantitatief, mg/kg ds, 10 kg ds, NEN 5898 asbestconcentratie puin kwantitatief, mg/kg ds, 25 kg ds, NEN 5898
Naar aanleiding van de analyseresultaten (zie § 4.7.1) is, in overleg met opdrachtgever, een grondmengmonster uitgesplitst. In grondmengmonster MM-3 is namelijk een matig verhoogd gehalte aan nikkel aangetoond. Bij de verrichte uitsplitsing zijn de separate grondmonsters, waar mengmonster MM-3 uit bestaat, geanalyseerd op nikkel. In tabel 9 is een overzicht van de aanvullend uitgevoerde analyses weergegeven.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
17
Tabel 9.
Uitsplitsing MM-3 Analyses Traject [m -mv]
Boring
Hoofdbestanddeel/ bijmenging
boring 13-2
1,00 - 1,50
13 (1,00 - 1,50)
Zand/veel puingranulaat
#
boring 14-2
0,70 - 1,10
14 (0,70 - 1,10)
Zand/veel puingranulaat
#
boring 15-1
0,60 - 1,00
15 (0,60 - 1,00)
Zand/uiterst puingranulaat houdend, matig slakhoudend, sporen kolen, brokken baksteen
#
4.6
Toetsingsnormen
4.6.1
Wet bodembescherming (Wbb)
Nikkel
Monstercode
Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en Besluit bodemkwaliteit De mate van verontreiniging wordt bepaald door toetsing van de resultaten van de chemische en fysische analyses van de grond- en grondwatermonsters aan de toetsingswaarden, zoals beschreven in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De achtergrondwaarden zijn overgenomen uit het Besluit bodemkwaliteit. Een overzicht van de interventiewaarden voor grond (Circulaire bodemsanering), de streef- en interventiewaarden voor grondwater (Circulaire bodemsanering) en de achtergrondwaarden voor grond (Besluit bodemkwaliteit) is als bijlage 5 aan dit rapport toegevoegd. In de Circulaire bodemsanering wordt voor metalen onderscheid gemaakt in ondiep en diep grondwater. Bij een regulier bodemonderzoek wordt alleen de kwaliteit van het freatisch (ofwel ondiepe) grondwater bepaald. Voor onderzoek naar de kwaliteit van diep grondwater (bijvoorbeeld uit het eerste watervoerend pakket) worden voor metalen andere toetsingswaarden gehanteerd.
Streefwaarden grondwater en achtergrondwaarden grond De streefwaarden voor grondwater en de achtergrondwaarden voor grond worden beschouwd als de bovengrens van een, in Nederlandse bodems, goede bodemkwaliteit, waarbij nog sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Bij overschrijding van de streef- of achtergrondwaarde is er sprake van een bodemverontreiniging. De bodemkwaliteit kan dan een nadelige invloed hebben op de diverse functies van de bodem. Streef- en achtergrondwaarden representeren het niveau dat bereikt dient te worden waarbij de bodem alle functionele eigenschappen voor mens, dier of plant volledig kan vervullen.
Interventiewaarden grond en grondwater De interventiewaarden zijn concentratieniveaus waarboven sprake kan zijn van ernstige risico’s voor de menselijke gezondheid of het bodemecosysteem. De interventiewaarden voor grond zijn humaanen ecotoxicologisch onderbouwd en zijn afhankelijk van het bodemtype. De interventiewaarden voor grondwater zijn afgeleid van de interventiewaarden voor grond. Bij overschrijding van de interventiewaarden is, onder voorwaarden, sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging2. Bij een geval van ernstige bodemverontreiniging bestaat een
2
Van een geval van ernstige verontreiniging is sprake wanneer in meer dan 25 m3 grond (of sediment) of 100 m3 grondwater de gemiddelde concentratie van een verontreinigende stof hoger is dan de interventiewaarde. Bovendien dient de verontreiniging te zijn ontstaan vóór 1987 (een zogenaamde historische verontreiniging).
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
18
saneringsplicht, zoals bedoeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Voorafgaand aan een bodemsanering wordt een BUS-melding verricht of een saneringsplan opgesteld. De BUS-melding of het saneringsplan dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Afhankelijk van de actuele humane, ecologische en verspreidingsrisico’s die het geval van ernstige bodemverontreiniging met zich meebrengt dient de sanering al dan niet met spoed te worden uitgevoerd. Voor het bepalen van de risico’s en de spoed van de sanering wordt verwezen naar de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013.
Toetsingscriterium voor nader onderzoek (tussenwaarde) Het toetsingscriterium ten behoeve van nader onderzoek voor grond is bepaald als: de helft van de som van de achtergrondwaarden en de interventiewaarden, ½ (AW+I). De tussenwaarde voor grondwater blijft gehandhaafd op de helft van de som van de streefwaarden en de interventiewaarden, ½ (S+I). Bij een historische verontreiniging (ontstaan vóór 1987) is bij de overschrijding van deze tussenwaarde een gerede kans aanwezig dat de onderzochte locatie (plaatselijk) ernstig verontreinigd is. De tussenwaarde geeft daarom aan dat in dergelijke situaties een nader onderzoek gewenst is. Nader onderzoek wordt uitgevoerd teneinde de ernst (=concentraties en omvang) van de verontreiniging vast te stellen. Op basis van het nader onderzoek kan de saneringsnoodzaak worden vastgesteld.
Mate van verontreiniging Bij de omschrijving van de mate van verontreiniging worden de volgende begrippen gebruikt: niet verontreinigd : concentraties kleiner/gelijk aan de achtergrondwaarden voor grond en de streefwaarden voor grondwater; licht verontreinigd
:
concentraties tussen de achtergrondwaarden en de halve som van de achtergrond- en interventiewaarden voor grond en de streefwaarden en de halve som van de streef- en interventiewaarden voor grondwater;
matig verontreinigd
:
concentraties tussen de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde en de interventiewaarde voor grond en de halve som van de streef- en interventiewaarde en de interventiewaarde voor grondwater;
sterk verontreinigd
:
concentraties groter dan de interventiewaarde.
BoToVa: Bodem Toets- en Validatieservice Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem worden de analyseresultaten per 1 juli 2013 middels een bodemtypecorrectie omgerekend naar standaardbodem. De gemeten gehalten worden hierbij eerst gecorrigeerd met het lutum en organische stof gehalte en vervolgens vergeleken met de achtergrond- en interventiewaarden voor grond. Voorheen werden de achtergrond- en interventiewaarden gecorrigeerd voor het lutum en organische stof gehalte, waarna het aangetoonde gehalte werd vergeleken met deze gecorrigeerde toetswaarden. De in de bijlage 5 vermelde achtergrond- en interventiewaarden zijn van toepassing op een standaardbodem (25% lutum en 10% organische stof).
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
19
RBK rapportagegrens-eisen De AS3000 is een richtlijn waarin de kwaliteitseisen voor laboratoria zijn vastgesteld voor al het milieuhygiënisch bodemonderzoek. Met de introductie van de AS3000 in laboratoria zijn onder andere de rapportagegrens-eisen van de te analyseren stoffen in grond en grondwater vastgelegd. Per 1 juli 2013 heeft de Regeling Bodemkwaliteit (RBK) eisen gesteld aan de rapportagegrenzen, zoals die door het laboratorium moeten worden gehanteerd en die in de plaats zijn gekomen voor de rapportage-eisen van de AS3000. Deze RBK rapportagegrens-eisen zijn veelal strenger dan of gelijk aan de achtergrondwaarden voor grond en de streefwaarden voor grondwater. Het is mogelijk dat bijvoorbeeld door de samenstelling van een monster sprake is van verhoogde rapportagegrenzen die niet (meer) voldoen aan de RBK rapportagegrens-eis. In dit geval wordt factor 0,7 toegepast. De toetsing conform RBK is als volgt: Gecorrigeerd gehalte is groter dan of gelijk aan de achtergrondwaarde voor grond (of geen achtergrondwaarde voor opgesteld) danwel de streefwaarde voor grondwater, maar wel kleiner dan de RBK rapportagegrens-eis. In dit geval mag worden verondersteld dat het gecorrigeerd gehalte lager is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde.
Gecorrigeerd gehalte is groter dan de achtergrondwaarde (of geen achtergrondwaarde voor opgesteld) danwel de streefwaarde voor grondwater, en groter dan de RBK rapportagegrens-eis. Dit kan voorkomen indien sprake is van verhoogde rapportagegrenzen, bijvoorbeeld veroorzaakt door de samenstelling van een monster of storende componenten. Een voorbeeld hiervan zijn sterk humushoudende grondmonsters met een laag droge stofgehalte. Humuszuren kunnen een storende werking geven op de analyseapparatuur, waardoor in het milieulaboratorium wordt verdund en er verhoogde rapportagegrenzen optreden. Het gecorrigeerde gehalte is nu maatgevend en kan de tussenwaarde of interventiewaarde overschrijden. De normen voor barium in grond zijn vanaf 1 april 2009 tijdelijk buiten werking gesteld. Barium wordt vaak in hoge gehalten aangetroffen. Belangrijke oorzaak daarvoor is dat deze stof van nature voorkomt in de bodem. Het hoge gehalte van barium in de bodem leidt tot stagnatie in het hergebruik van vrijkomende grond en tot meer saneringsgevallen. Nader onderzoek inzake het van nature voorkomen van barium in de Nederlandse bodem, en met name in de toxische variant, is noodzakelijk. In afwachting van dit onderzoek wordt voor barium tijdelijk alleen de interventiewaarde gehanteerd voor die situaties waarin met zekerheid kan worden vastgesteld dat het om een antropogene bodemverontreiniging gaat.
De achtergrond- en tussenwaarde voor barium in grond zijn per 1 april 2009 komen te vervallen. Besluit bodemkwaliteit Voor de nuttige toepassing van partijen grond buiten de onderzoekslocatie zijn beperkingen verbonden. Voor toepassing van grond buiten de locatiegrenzen in een hoeveelheid groter dan 50 m3 geldt het Besluit bodemkwaliteit. Indien grond vrijkomt is de gemeente waar de grond (nuttig) wordt toegepast bevoegd gezag ten aanzien van de bestemming van de grond. Geadviseerd wordt om eventueel vrijkomende grond binnen de grenzen van de locatie te herschikken. Voor hergebruik van grond binnen de locatie is het Besluit bodemkwaliteit namelijk niet van toepassing. Voor meer informatie omtrent het nuttig toepassen van partijen grond wordt verwezen naar het digitale Meldpunt bodemkwaliteit.
Verkennend bodemonderzoek Stationsstraat 5 Waddinxveen Rapportnr.: 21403501A, 23 maart 2021
20
4.6.2
Asbest
Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest (zie bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013) Sinds 1 januari 2003 is de interventiewaarde voor asbest in (water)bodem van kracht. De restconcentratienorm voor toepassing van puin(granulaat) is op 1 maart 2003 gelijk gesteld aan deze interventiewaarde. De interventiewaarde voor asbest in bodem en de restconcentratienorm bedraagt 100 mg/kg ds. De gewogen concentratie voor asbest wordt berekend door de concentratie serpentijnasbest te vermeerderen met tienmaal de concentratie ambifoolasbest. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest. Voor het bepalen van de humane risico’s is de hechtgebondenheid wel van belang. Indien de interventiewaarde voor asbest in bodem ((water)bodem, grond en baggerspecie) wordt overschreden en de verontreiniging is ontstaan vóór juli 1993 (historische verontreiniging) is direct sprake van een geval van ernstige verontreiniging. De omvang van de asbestverontreiniging is hierbij niet relevant. Toch is het zinvol om de omvang van de verontreiniging met asbest vast te stellen. Bij een geval van ernstige bodemverontreiniging bestaat een saneringsplicht, zoals bedoeld in de Wet bodembescherming. De terugsaneerwaarde voor asbest in bodem wordt in dergelijke situaties vaak gelijk gesteld aan de interventiewaarde (100 mg/kg ds).