CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 16 EINDRAPPORTAGE-BBG-Verkenning Ruimte en Economie

Besluitvormende raadsvergadering 15 december 2021, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: RV.RB. Maatregelenpakket Beter Bereikbaar Gouwe19.783 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De kaart in Figuur 31 brengt in één kaartbeeld harde toetsgronden bij elkaar die in het provinciale ruimtelijke beleid zijn vastgelegd. Deze toetsgronden zijn belangrijke uitgangspunten voor de beoordeling van de effecten van mogelijke maatregelen die in het kader van Beter Bereikbaar Gouwe genomen kunnen worden. De kaart omvat twee beschermingscategorieën voor ruimtelijke kwaliteit en een beschermingscategorie gebaseerd in beleid t.a.v. milieukwaliteit (stiltegebieden).

Voor de ontwikkeling van argumenten t.a.v. ruimtelijke kwaliteit voor de keuzes binnen Beter Bereikbaar Gouwe lichten we hier enkele punten op hoofdlijnen toe. Voor concrete bouwstenen voor beoordeling en uitwerking van specifieke tracés in de volgende stappen voor Beter Bereikbaar Gouwe verwijzen naar het omgevingsbeleid en de gebiedsprofielen.

De beschermingscategorieën impliceren verschillende mogelijke kwaliteitsstrategieën om om te gaan met ruimtelijke kwaliteit: inpassen, aanpassen, transformeren (en eventueel compenseren) (zie eerder in dit hoofdstuk). In uitzonderlijke gevallen - als alle partijen overtuigd zijn van de meerwaarde van het plan - is het mogelijk via procedures af te wijken van de voorkeursstrategie t.a.v. ruimtelijke kwaliteit zoals vastgelegd in provinciaal beleid. Pas zo nodig de ontwikkeling aan naar inpassen (bij categorie (1) of aanpassen met de juiste structuurkenmerken (categorie 2), zodat de bestaande kwaliteiten niet in gevaar komen.

Figuur 31 - Ruimtelijke kwaliteit: In deze kaart zijn de harde randvoorwaarden t.a.v. ruimtelijke kwaliteit, zoals die opgenomen zijn in het provinciaal beleid, ingetekend.

85

Beschermingscategorie 1 De Omgevingsverordening van de provincie biedt, onder expliciete voorwaarden aan het ontwerpproces en ontwerpkwaliteit, voor bovenlokale infrastructuur en zwaarwegend belang nadrukkelijk ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Voor Natuurnetwerk Nederland gelden aanvullend op het ruimtelijke kwaliteitsbeleid regels t.a.v. bescherming van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Ontheffing daarvan is mogelijk, maar onder strikte voorwaarden t.a.v. het ontbreken van alternatieven en compensatie. Binnen het studiegebied vallen twee typen gebieden onder Beschermingscategorie 1: kroonjuwelen voor cultureel erfgoed en gebieden die onderdeel zijn van het natuurnetwerk Nederland inclusief Natura2000-gebieden waarvoor ook specifieke milieu- en natuurregels gelden. Weipoort, ten noorden van Zoetermeer, is als kroonjuweel voor cultureel erfgoed beschermd. Weipoort is een monumentaal, schilderachtig bebouwingslint met een zeldzame tweevoudige ontginningsas. Op dit moment liggen geen van de bestudeerde maatregelen binnen Beter Bereikbaar Gouwe in de buurt van dit gebied. Bij studies betreffende de N206-N209 en mogelijke verbindingen naar de N11 ten noorden van Zoetermeer ligt dat wellicht anders.

Binnen het studiegebied voor Beter Bereikbaar Gouwe zijn meerdere gebieden relevant die onder het Natuur Netwerk Nederland vallen. Van belang daarbij is dat er drie typen gebieden onder vallen: natuurgebieden., ecologische verbindingen en gebieden die tevens Natura2000-gebied zijn. Rondom het Natur2000-gebied De Wilck, ten noordwesten van Hazerswoude is bovendien sprake van een strategische reservering voor natuur. Langs en ten zuiden van de N11 ligt een serie natuurgebieden die onderdeel zijn van Natuurnetwerk Nederland. De oostwest verbinding is extra robuust doordat een tweetal natuurgebieden vanuit de ecologische verbindingen naar het zuiden het veenweidegebied insteken: bij Spookverlaat en ten westen van het spoor Alphen-Gouda tot aan het Rietveldse pad. Beschermingscategorie 2 Binnen het studiegebied van deze verkenning vallen drie typen gebieden met Beschermingscategorie 2 binnen het ruimtelijk kwaliteitsbeleid: groene buffers tussen stedelijke gebieden, recreatiegebieden en weidevogelgebieden. Het doel van groene buffers is om het contrast te behouden tussen de dynamiek en dichtheid van de stad en de luwte

biodiversiteitsdoelen en ruimtelijke kwaliteitsdoelen. Ze vragen om een specifieke verweving van landbouw en natuur. De belangrijke weidevogelgebieden op deze kaart zijn, gelegen buiten het NNN. Ze zijn ingebed in het beleid vanwege de specifieke maatschappelijke verantwoordelijkheid voor deze karakteristieke en kwetsbare vogels, die mede de kwaliteit van het ZuidHollandse (veen)weidelandschap bepalen. Een groot deel van het studiegebied voor Beter Bereikbaar Gouwe, en met name de zone van oost naar west onder de N11 en het gebied ten oosten van de Gouwe is belangrijk weidevogelgebied. De kans dat nieuwe infrastructuur deze gebieden raakt is groot. Dit geldt voor veel verschillende opties c.q. maatregelen die onderzocht worden in de B.B.G. De mate waarin een maatregel de kwaliteiten aantast of versterkt zal afhangen van de randvoorwaarden die aan het ontwerp van een oplossingsrichting worden meegegeven.

van de aangrenzende groene ruimte. De groene buffer tussen Zoetermeer, Leiden en Den Haag loopt tot aan de N209 die door Hazerswoude loopt. Mogelijke oplossingsrichtingen voor Beter Bereikbaar Gouwe zullen daar rekening mee moete houden. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat (nieuwe) provinciale wegen door open gebied niet als ontwikkelassen voor ruimtelijke ontwikkelingen gezien moeten worden.

Het doel van recreatiegebieden is om voor inwoners van stedelijke gebieden kwalitatief hoogwaardige recreatiemogelijkheden in en nabij de stad te realiseren. In het studiegebied springen twee gebieden in het oog: het Bentwoud en het Gouwebos. De laatste heeft bij de selectie van maatregelen binnen Beter Bereikbaar Gouwe al een zodanige rol gespeeld dat opties die dit gebied doorsnijden reeds zijn afgevallen. De positie van het Bentwoud speelt met name een rol bij de besluiten t.a.v. de N207-Zuid waarvan de realisatie als startpunt voor Beter Bereikbaar Gouwe wordt beschouwd. De wijze van aansluiting van de N207-Zuid op de N455 i.r.t. besluitvorming over opties voor een verbinding naar het noorden binnen B.B.G. kan mogelijk nog wel van belang zijn voor het Bentwoud.

Stiltegebieden Ten westen van Hazerswoude ligt het enige stiltegebied binnen het studiegebied van deze verkenning. Een oplossingsrichting rondom Hazerswoude of een directe verbinding van Zoetermeer naar de N11 kan van invloed zijn op dit gebied.

De bescherming van weidevogelgebieden is een combinatie van landschappelijke doelen, natuur- en

87

Gebiedsoverschrijdende kwaliteiten Het fijnmazige netwerk van ecologische verbindingen, ingebed in een robuuste landschapsstructuur van veenweidegebieden binnen het studiegebied is niet alleen lokaal van belang. In het beleid van de provincie en de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit wordt steeds het belang benadrukt dat deze bouwstenen onderdeel uitmaken van een landschapsstructuur die loopt van de kust naar het Groene Hart. De waarde en eventuele ingrepen die deze waarde raken zullen dus ook rekening moeten houden met dat schaalniveau. In de kaart t.a.v. beleid is dat gevisualiseerd met een tweetal peilen naar de kust en naar het Groene Hart. Bovendien moet deze kaart die zich richt op beleid steeds in samenhang gezien worden met de kaart t.a.v. bouwstenen en structuren welke is gebaseerd is op de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit (zie volgende paragraaf en Figuur 32).

Figuur 32 - Ruimtelijke kwaliteit: structuren en bouwstenen bieden randvoorwaarden voor de uitwerking van nieuwe infrastructuur binnen Beter Bereikbaar Gouwe.

89

Ruimtelijke kwaliteit voor BBG: structuren en bouwstenen Naast de ‘harde’ beleidscategorieën uit de vorige paragraaf zijn ook ‘zachtere’ kwaliteiten te identificeren. Deze zijn o.a. van belang voor het ontwerpen van landschapsvisie in relatie tot het (schets)ontwerp van mogelijke maatregelen in de volgende stappen van Beter Bereikbaar Gouwe. Deze zijn ook van belang i.v.m. de waarde die belanghebbenden eraan hechten. Dat is o.a. eerder tot uiting gekomen in het gezamenlijk door gemeenten en provincie vastleggen van kwaliteiten en ambities in de gebiedsprofielen. De kaart in Figuur 32is dan ook een compilatie en selectie van vier gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit om deze behapbaar te maken binnen de context van Beter Bereikbaar Gouwe. Met deze kaart houden wij een pleidooi over ruimtelijke kwaliteit met de volgende aandachtspunten: - Bekijk ruimtelijke kwaliteit op meerdere schaalniveaus: (boven)regionaal én lokaal - Denk niet alleen beschermend, maar juist ook ontwikkelingsgericht over ruimtelijke kwaliteit. Weeg dit ook in de huidige verkennende fase al mee in Beter Bereikbaar Gouwe. Wat kunnen we, bijvoorbeeld, meegeven voor de volgende stap in het trechteringsproces van de BBG als opdracht voor

-

-

kwaliteitsontwikkeling aan mogelijke tracés in veenweidelandschappen? Welke cruciale details van belang zijn om uit te werken: de plekken waar mogelijk nieuwe infrastructuur waardevolle landschappen of structuren ontmoet. Wat is, bijvoorbeeld, de ruimtelijke omvang van de hellingbaan naar een eventueel aquaduct en wat eist dat van het ontwerp bij de ‘ontmoeting’ van een bebouwingslint of de hoofdwaterstructuur van de Greenport Boskoop? Denk na over de manier waarop B.B.G.-maatregelen kunnen bijdragen aan de ambities uit de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit, bijvoorbeeld om de recreatieve mogelijkheden te vergroten? De gebiedsprofielen en het provinciale ruimtelijke kwaliteitsbeleid bevat daartoe per landschapsstructuur richtpunten voor de uitwerking.

Landschappen: Droogmakerijen en veenweidegebieden De droogmakerijen en veenweidegebieden kennen karakteristieke verkavelingspatronen. Karakteristiek voor het studiegebied is de ontmoeting van de droogmakerijen waar Zoetermeer binnen is aangelegd met de Rotte als centrale wateras; en het veenweidegebied dat de westelijke uitloper van het Groene Hart vormt. Greenport Boskoop is binnen het veenweidegebied een verbijzondering met een geheel eigen

verkavelingspatroon en waterstructuur. Deze landschappen zijn alle door mensen ‘gemaakte’ landschappen die continu en nog steeds aan verandering onderhevig zijn: onder invloed van o.a. modernisering, nieuwe functies en schaalvergroting of juist schaalverkleining in land- en tuinbouw. Onder druk van bodemdaling en de daarmee samenhangende CO2uitstoot staan de verschillende veenweidegebieden voor de uitdaging zichzelf opnieuw uit te vinden.

belangrijk onderdeel van de landschapsstructuur. Ze zijn een uiting van de cultuurhistorie van het gebied. Zichtbaarheid, toegankelijkheid (o.a. bevaarbaarheid) en beleefbaarheid zijn belangrijke aandachtspunten bij de ontmoeting van (nieuwe) infrastructuur en deze landschapselementen. Bijzondere lijnstructuren zijn bebouwde linten. In de Greenport Boskoop en in de veenweidegebieden liggen diverse bebouwde linten in gebieden waar gestudeerd wordt op opties voor Beter Bereikbaar Gouwe. De gevolgen voor inwoners en bedrijven in deze linten zijn op individueel niveau natuurlijk van belang. Daarnaast is ook de ambitie dat linten herkenbaar blijven als linten van publiek belang. De linten kennen ook een praktische gebruikswaarde voor inwoners, bedrijven én recreanten als fijnmazig netwerk van routes. Ontmoeting en inpassing van nieuwe infrastructuur in relatie tot deze linten vergt om diverse redenen dus extra zorgvuldigheid.

Deze structuren maken onderdeel van het ‘verhaal’ over de geschiedenis en identiteit van het gebied. Deze verkavelingen zijn tegelijkertijd functioneel: de basis voor een gezonde waterhuishouding, agrarische bedrijfsvoering en voor de logische inpassing van andere economische functies. Belangrijk voor de beleving is maat en schaal, de overgangen tussen landschappen en de manier waarop routes door de landschappen de karakteristieken beleefbaar maken. Soms is dat door routes met de verkavelingsrichting mee te leggen, maar op andere plekken kan een doorkruising, mits functionele eigenschappen zijn gewaarborgd, juist extra gebruiks- en belevingskwaliteit bieden.

Dorpen, steden en werkgebieden De positie van dorpen en werkgebieden, deels in ontwikkeling, binnen het studiegebied van Beter Bereikbaar Gouwe is deel van de aanleiding geweest om het programma Beter Bereikbaar Gouwe te starten. Oplossing van knelpunten in de dorpen en voor de robuuste ontsluiting van bedrijvigheid zit in de kern van de doelstelling van B.B.G.

Dijken, waterstructuren en linten Naast hun functionele rol in het watersysteem en voor bescherming zijn (ring)dijken en (hoofd)watergangen 91

Daarbovenop is ook vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit aandacht nodig voor deze gebieden. Ze vormen belangrijke ijkpunten voor het begrijpen van en identiteit voor het gebied. Vanuit ruimtelijk kwaliteitsoogpunt blijft van belang dat de kwaliteit van deze gebieden afhankelijk is van het functioneren, beleven en flexibel zijn van deze gebieden op lokaal én regionaal schaalniveau.

De zevensprong van Verdaas

7. Bouwstenen voor ruimtelijke argumentatie bij oplossingsrichtingen

Bij complexe gebiedsvraagstukken zoals waar het programma Beter Bereikbaar Gouwe voor staat, kan gebruik gemaakt worden van de ‘ladder’ of ‘zevensprong’ van Verdaas. Deze is in de Nota Mobiliteit (2004) op nationaal niveau onderdeel geworden van het Rijksbeleid voor infrastructuur, maar geen expliciet onderdeel meer van het huidige Rijksbeleid. Als methodiek kan het behulpzaam zijn om op provinciaal niveau toch terug te grijpen op deze manier van denken. Het is een hanteerbare vorm waarin verschillende onderdelen van provinciaal beleid bij elkaar kunnen komen.

In dit hoofdstuk ontwikkelen we een raamwerk om bij de effectbeoordeling van oplossingsrichtingen en maatregelen t.a.v. nieuwe infrastructuur binnen Beter Bereikbaar Gouwe ruimtelijke aspecten nadrukkelijk te betrekken. Het raamwerk bestaat uit drie elementen: toepassen van de Ladder van Verdaas, het ontwikkelen van de ruimtelijke argumentatie voor Beter Bereikbaar Gouwe op meerdere schaalniveaus en de operationalisering van deze uitgangspunten naar aangescherpte criteria binnen het beoordelingskader van Beter Bereikbaar Gouwe, mede op basis van de ruimtelijke kwaliteitenkaarten en de opgavenkaart. De argumentatie voor of tegen specifieke oplossingsrichtingen en maatregelen is geen onderdeel van deze verkenning. Deze is geborgd binnen andere onderdelen van het B.B.G.-proces. We doen ten slotte enkele algemene aanbevelingen voor Beter Bereikbaar Gouwe n.a.v. deze verkenning.

De Ladder van Verdaas bestaat uit: 1) een ruimtelijke visie en programma 2) anders betalen voor mobiliteit 3) de mogelijkheden van mobiliteitsmanagement 4) een optimalisatie van het openbaar vervoer 5) de mogelijkheden van benutting 6) aanpassingen van bestaande infrastructuur 7) realisatie nieuwe infrastructuur De ladder kan nog steeds gebruikt worden om te helpen bij de onderbouwing van het nut en de noodzaak van projecten inzichtelijk te maken: In hoeverre stap 1 tot en met 5 afdoende zijn om een oplossing te bieden voor de bereikbaarheids- en leefbaarheidsproblemen; Waarom stap 6 en/of 7 noodzakelijk zijn; Welke maatregelen (uit stappen 1 tot en met 5) toegepast zullen worden om naast stap 6 en/of 7 de verbeterdoelen te halen. Het uiteindelijke 93

maatregelenpakket van Beter Bereikbaar Gouwe kan daarmee én robuust worden, én op navolgbare wijze goed aansluiten bij de ruimtelijke visie op het gebied. De redeneerlijn zoals we die in deze verkenning ontwikkelen biedt handvatten voor invulling van de Ladder van Verdaas voor Beter Bereikbaar Gouwe.

Argumenten op drie schaalniveaus Het is belangrijk om de afweging tussen oplossingsrichtingen te maken vanuit verschillende schaalniveaus waarvoor we in dit rapport bouwstenen aanleveren. We noemen deze schaalniveaus “netwerk” (bovenregionale schaal), “hechting” (regionale schaal) en “profiel” (lokale schaal). Op elke schaal staan ruimte, economie en verkeer in verschillende relaties tot elkaar. In de uitwerking is het van belang om continu te schakelen tussen de schalen. De integrale opgavenkaart is daarvoor de basis (Figuur 22). We geven hier schematisch een verdere duiding van de drie schaalniveaus die in de opgavenkaart ingebed zijn met bijbehorende vraagstukken t.a.v. ruimtelijk-economische ontwikkeling (Figuur 33): 1. Bovenregionaal versterken van de economische functies langs de corridor die via Alphen en Gouda loopt van Schiphol tot de Rotterdamse Haven. Economie en verkeer (logistiek) hangen nauw samen. Deze N207-corridor - als economisch cluster - is onderdeel van het logistiek-industriële systeem

van Zuid-Holland. Het gaat in dit geval vooral om de mate waarin economische clusters binnen het studiegebied van Beter Bereikbaar Gouwe (regionaal) in of aan de corridor ‘hangen’. Bereikbaarheid maakt dat ze meer of minder goed zijn ingebed in de corridor en daar dan ook de (agglomeratie)voordelen van kunnen plukken. De economische functies ten westen van de Gouwe zijn door de barrièrewerking van de Gouwe niet optimaal verbonden aan de bovenregionale N207corridor. 2. Op regionaal niveau draait het ruimtelijkeconomisch vraagstuk om de samenhangende toekomst van lokale herstructurerings- en transformatiegebieden rondom eventueel nieuwe infrastructuur. De ruimtelijke ‘hechting’ van de infrastructuur vraagt om integraal ontwerp van de zone rondom. ‘Rode’ en ‘groene’ functies krijgen veel aandacht in de ontwerpopgave op dit niveau. Het accent ligt op de ruimtelijke en economische aspecten van locaties waarbij infrastructuur volgend is. De integrale aanpak van de infrastructuuropgave mét de ruimtelijke opgaven leidt tot een hogere ruimtelijke kwaliteit van het gebied als geheel. Er is daarbij ruimte om aanpassingen aan te brengen in

de gebiedsidentiteit waar nieuwe infrastructuur komt. De ‘horizontale’ ligging (tracé) van nieuwe infrastructuur in het gebied volgt uit dit schaalniveau. 3. Inpassing van infrastructuur op lokale schaal en het ontwerp van cruciale details. Verkeerskundige en landschappelijke aspecten komen op de lokale schaal door middel van ontwerp samen, o.a. in cruciale details. Het profiel, de capaciteit en de inrichting van een eventueel nieuwe weg staat hier centraal. Het samenspel van verkeerskundige aspecten en ruimtelijke aspecten vertalen zich naar het (weg)ontwerp. Aspecten die hierbij een rol spelen zijn de verticale ligging van infrastructuur (verdiept, op dijklichaam, et cetera). Ook de mate waarin nieuwe infrastructuur aantakt aan lokale infrastructuur en de gebruikswaarde van kruisende infrastructuur, bijvoorbeeld voor fiets, is hier van belang, mede in samenhang met herstructurering en transformatie op gebiedsniveau. Dit uit zich o.a. in de vormgeving van kruisingen en inpassingsmaatregelen binnen verschillende landschappen en de bebouwde omgeving.

95

Figuur 33 - Beter Bereikbaar Gouwe kan op drie schalniveaus beschouwd worden. Hier wordt schematisch weergegeven wat het karakteristiek van de vraagstukken op elk schaalniveau is.

Wij doen de volgende suggesties voor operationalisering voor ruimtelijke en economische aspecten. De nummers verwijzen naar het in Fase 1 van Beter Bereikbaar Gouwe vastgestelde beoordelingskader en vormen daarop een aanvulling en een uitwerking. De aanscherping geven we in de vorm van vraagstellingen.

Aanscherping van criteria bij effectbeoordeling t.a.v. ruimte en economie De nadere aanscherping en operationalisering van de criteria voor economische en ruimtelijke aspecten in het afwegingskader van Beter Bereikbaar Gouwe is onderschreven in de Bestuurlijke Adviesgroep van 16 april 2020. Deze verkenning legde daarvoor de basis. Het gaat hierbij vooral om de criteria voor: - Economie - Ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde), waaronder cultuurhistorische waarden - Ruimtelijke kwaliteit (gebruikswaarde) - Ruimtelijke kwaliteit (toekomstwaarde), waaronder natuurwaarden

1. Economie (indicator 20): beoordeel vanuit een breder perspectief dan ‘meer bereikbaarheid = meer werkgelegenheid (gemiddeld over het hele gebied)’. Verschillende maatregelen versterken verschillende soorten economische toekomsten op lokaal, regionaal of bovenregionaal niveau. Naast werkgelegenheid kan gedacht worden aan: a. Hoe robuust is maatregel X bij verschillende economische toekomsten van Greenport Boskoop, Alphen-Gouda en de corridors A12 en N11, mede gezien de transformatieopgave van Greenport Boskoop (zie Gebiedsvisie Fase 1)? b. In hoeverre versterkt maatregel X het economische toekomstbeeld uit de gebiedsvisie (1e fase; internationaal concurrerend, samenhang in netwerk Greenports, schaalvergroting, verduurzaming en modernisering, kennis en innovatie)

Natuur is en blijft nadrukkelijk onderdeel van het beoordelingskader, maar zijn hier niet verder uitgewerkt. Landschappelijke waarden zoals cultuurhistorie zijn wel integraal onderdeel van de onderstaande uitwerking. In mindere mate, vanwege de beperkte scope van deze verkenning voor deze aspecten, bieden we een aangescherpte vraagstelling voor argumenten t.a.v.: - Bodemdaling - Klimaatadaptatie - Recreatie 97

c. In welke mate ondersteunt maatregel X waardetoevoeging in verschillende economische clusters, gezien enerzijds de groeiopgave (handel en logistiek) en anderzijds de transformatieopgave (zakelijke dienstverlening en sierteelt)? 2. Ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde) (indicator 25): beoordeel de ruimtelijke kwaliteit breder dan zichtrelaties. Benut daarvoor de met gemeente ontwikkelde gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. De mogelijke maatregelen kennen een werking in verschillende landschappen. In provinciaal beleid wordt daarbij onderscheid gemaakt in verschillende beschermingscategorieën (zie figuur 2). Ruimtelijke kwaliteit is daarbij niet alleen een te verdedigen waarde, maar ook iets dat te ontwerpen is op het niveau van inpassing én van structuren (zie figuur 3). a. In welke mate raakt maatregel X beschermingscategorieën 1 en 2 uit het provinciaal ruimtelijk beleid? (doorsnijding beschermingscategorie 1 scoort daarbij negatiever dan doorsnijding categorie 2 i.v.m. de beperktere mogelijkheden voor en/of strengere eisen aan inpassen, aanpassen of transformeren met behoud of toename van kwaliteit)

b. In hoeverre kan met maatregel X de beleving van de identiteit van het gebied versterkt worden? (zie figuur 2) (de eerdere operationalisering van deze indicator als ‘zichtrelaties’ maakt daar onderdeel van uit, maar ook bijvoorbeeld routes in relatie tot landschapsstructuren en de durf om nieuwe kwaliteit te ontwerpen) 3. Ruimtelijke kwaliteit (gebruikswaarde) (indicator 26): beoordeel gebruikswaarde naast landschapsstructuur, ecologie en cultuurhistorie ook vanuit de gebruikswaarde voor dagelijks leven en economie. Past de kwaliteit en structuur logisch bij het functioneren van de plek of het gebied? (zie ook indicatoren 34 en 35 over recreatieve aantrekkelijkheid en gebruiksmogelijkheden) a. In hoeverre kan met maatregel X de logische en begrijpelijke ‘werking’ van het gebied voor gebruikers (bewoners, ondernemingen, werknemers, bezoekers) versterkt worden? 4. Ruimtelijke kwaliteit (toekomstwaarde; flexibiliteit) (indicator 27): beoordeel naast invloed op al genomen besluiten (‘autonome ontwikkelingen’) en relatie met andere ambities en plannen (meekoppelkansen) ook op niet-beïnvloedbare trends en onzekere toekomsten. Bezie

meekoppelkansen niet alleen op inpassingsniveau, maar ook op gebiedsniveau. Heb daarbij ook oog voor wat een maatregel aan verandering in de ruimtelijk-economische structuur teweegbrengt. Beschouw daarbij naast de tijdshorizon 2030 ook de tijdshorizon 2040. a. In hoeverre is maatregel X in meerdere ruimtelijk-economische toekomstbeelden een passende ingreep; en daarmee een relatief meer of minder robuuste maatregel? b. In hoeverre verandert maatregel X de ruimtelijk-economische structuur van het gebied (bijvoorbeeld latente grondwaardeveranderingen) en past dit dan bij een wenselijk toekomstbeeld voor de lange termijn? c. Maakt maatregel X andere maatregelen op lange termijn moeilijk of onmogelijk (klimaatadaptatie, energietransitie, waterhuishouding, etc.)? d. Is de fasering van maatregel X passend en flexibel t.o.v. andere maatregelen (binnen of buiten scope van BBG) en de belevings- en gebruikskwaliteit van het gebied?

de passendheid van de maatregel met het oog op bodemdaling. a. In hoeverre is maatregel X gevoelig voor schadekosten en hogere beheerskosten als gevolg van bodemdaling? b. Is maatregel X nog passend als gevolg van bodemdaling als waterhuishouding en daarmee samenhangende bedrijfsvoering op termijn mogelijk gaat veranderen? c. Zijn er meekoppelkansen tussen maatregel X en ingrepen n.a.v. bodemdaling? 6. Klimaatadaptatie (indicatoren 31-33): beoordeel niet alleen de invloed op waterkwantiteit en waterkwaliteit maar heb ook oog voor ruimtelijke (her)inrichting n.a.v. klimaatadaptatie. Benut ook de klimaatstresstest en daarmee samenhangende analyses van risico’s bij extreem weer en overstromingen. a. In hoeverre is het gebruik van maatregel X voor verkeer en vervoer gevoelig voor extreme weersomstandigheden en overstromingen? b. In hoeverre draagt maatregel X bij aan een robuustere afwenteling van verkeer en vervoer bij extreme weersomstandigheden en overstromingen? c. In hoeverre is maatregel X mee te koppelen met maatregelen die genomen

5. Bodemdaling (indicator 30); beoordeel niet alleen de invloed van de maatregel op bodemdaling, maar ook

99

kunnen/moeten worden met het oog op klimaatadaptatie in het gebied? 7. Recreatie: (indicatoren 34 en 35): werk de beoordeling van de recreatieve aantrekkelijkheid en gebruiksmogelijkheden verder uit op basis van de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit a. In hoeverre vergroot of verkleint maatregel X de bestaande recreatieve aantrekkelijkheid en gebruiksmogelijkheden op basis van het gebiedsprofiel ruimtelijke kwaliteit b. In hoeverre bestaan er meekoppelkansen tussen ingrepen ten behoeve van recreatie en maatregel X? c. Welke extra recreatieve kwaliteit is toe te voegen door maatregel X?

Algemene aanbevelingen vanuit ruimtelijk perspectief Op basis van deze ruimtelijk-economische verkenning doen wij de volgende aanbevelingen op gebiedsniveau voor het keuzeproces van het programma Beter Bereikbaar Gouwe:

1

Zie het inleidende hoofdstuk voor de noodzaak om het concept uit 2005 te actualiseren

A. Verschil maken: Durf onderscheid te maken tussen de economische opgave aan de westkant en de oostkant van de Gouwe en de huidige kwaliteit en robuustheid van daarbij passende regionale infrastructuur. Aan de westkant van de Gouwe is de ruimtelijk-economische dynamiek hoger, maar de regionale infrastructuur niet robuust. Aan de oostkant van de Gouwe is de ruimtelijk-economische dynamiek lager; en is met de huidige N207 en de oostelijke ring al een relatief robuust infrastructuurnetwerk aanwezig. Een robuust netwerk op regionaal niveau is, naast het oplossen van lokale knelpunten, een belangrijke infrastructuuropgave voor het BBG-programma, met het oog op de versterking van de economie. B. Bovenregionaal ‘leitbild’: Bezie de opgave van Beter Bereikbaar Gouwe op bovenregionaal niveau, voortbouwend op een geactualiseerd1 N207corridor-concept. Kies voor maatregelen die bij versterking van deze corridor passen. Een A3 dwars door het Groene Hart is daarbij niet aan de orde. Blijf gaandeweg het BBG-proces met alle partners en belanghebbenden investeren in de doorontwikkeling van het bovenregionale ‘leitbild’ om de keuzes in

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10801926/1