CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Businesspark Vredenburgh fase 2_vastgesteld_1_Toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 9 juli 2025, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 217.292 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Gesteld wordt dat bij de nieuwe ontwikkeling voldaan zal worden aan de welstandsnota 2015 via het specifieke beeldkwaliteitsplan ter plaatse van het plangebied. 3.4.3 Koersdocument duurzaamheid In december 2021 heeft de gemeente Waddinxveen de 'Koers naar Duurzaam Waddinxveen' gepubliceerd. De gemeente Waddinxveen wil bijdragen aan de omslag naar een samenleving die beter in balans is. De gemeente wil dit doen door te werken aan andere vormen van energie en warmte (de energietransitie, waaronder de warmtetransitie) en aan een overgang naar een circulaire economie. En door rekening te houden met de verandering van ons klimaat (klimaatadaptatie) en onze natuur te herstellen (biodiversiteitsherstel). Deze 'Koers naar Duurzaam Waddinxveen' is gebaseerd op de omgevingsvisie (zie paragraaf 3.3.1). De thema's in de omgevingsvisie gaan over de vier veranderingen van deze duurzaamheidskoers. Dit zijn de energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie en biodiversiteit (zie figuur 3.3). Deze duurzaamheidskoers is daarom ook te beschouwen als een nadere uitwerking van de omgevingsvisie.

32

Toelichting

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

Figuur 3.3 De vier thema's in de duurzaamheidskoers Doorwerking plangebied In het plan van Businesspark Vredenburgh fase 2 zal een zogenaamd gietwatersysteem gerealiseerd worden. Hierbij wordt het dakwater van de bedrijven opgevangen en getransporteerd naar een gietwatersloot van waaruit het water wordt geïnfiltreerd in de ondergrond voor gebruik in de glastuinbouw. Hiermee wordt invulling gegeven aan de ambitie een circulaire economie te realiseren. De specifieke uitwerking van dit watersysteem is opgenomen in een separate bijlage bij onderhavige bestemmingsplantoelichting. De ontwikkeling is aardgasvrij, net als Businesspark Vredenburgh Fase 1 zal de gehele ontwikkeling zonder aardgas plaatsvinden. De bedrijven kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet van Stedin. In het plan Glasparel+ is voor deze hele ontwikkeling de noodzakelijk retentie reeds aangelegd, daarbovenop wordt in deze ontwikkeling bestaande sloten gehandhaafd en nieuwe retentiegebieden toegevoegd bovenop de wettelijke verplichte gebieden. Het gebied wordt daarmee robuuster voor klimaatveranderingen in de toekomst.

Het Glasparel+ heeft reeds gezorgd voor een toename van de biodiversiteit, het akkerland is ook omgezet naar een robuuste ecologische verbindingszone parallel aan de Piet Stuurmanweg waar zich (zo blijkt uit de Quick scan flora en fauna) reeds soorten hebben gevestigd die eerst niet aanwezig waren. Het gebied tussen het bedrijventerrein deel en de Piet Stuurmanweg zal opnieuw worden ingericht met nieuwe bomenrijen, waterpartijen en grondwallen. Dit gebied is circa 35 meter breed. De ontwikkeling past in de Koers naar Duurzaam Waddinxveen.

Toelichting

33

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

3.4.4 Mobiliteitsplan Het "Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020" is op 26 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie uit 2006. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Doorwerking plangebied Door middel van een mobiliteitstoets is door Mobycon onderzocht wat de gevolgen zijn van de ontwikkeling van Businesspark Vredenburgh fase 2 op het omliggende wegennet en wat voor voorzieningen aanwezig moeten zijn op het bedrijventerrein. Om het westelijke deel van de Piet Schuurmanweg te beschermen tegen (doorgaand) vrachtverkeer, wordt een vrachtverbod ingesteld. Dit wordt gevisualiseerd in figuur 3.4. Hier wordt dieper op ingegaan in paragraaf 2.2.2.

Fuguur 3.4 Ontsluitingsprincipe met een verbod voor vrachtverkeer op het westelijke deel van de Piet Stuurmanweg

34

Toelichting

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is een beoordeling van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan verplicht. Daarom is het noodzakelijk dat de haalbaarheid van de plannen wordt aangetoond. In dit hoofdstuk worden de daarvoor benodigde (milieukundige) onderzoeken besproken.

4.1

Geluidhinder

Toetsingskader Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Onderzoek Binnen het bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Tevens worden geen nieuwe wegen/aanpassingen aan wegen mogelijk gemaakt waar binnen bestaande geluidsgevoelige functies zijn gelegen. Echter zal het beoogde bedrijventerrein een verkeersaantrekkende werking hebben (zie paragraaf 2.2.2). Om aan te tonen dat de toename van het wegverkeer niet leidt tot onacceptabele akoestische belasting van de nabijgelegen woningen is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Uit het onderzoek blijkt dat de realisatie van het plan bij sommige woningen sprake van een overschrijding van maximaal 1 dB. Een dergelijke toename wordt niet als akoestisch relevant beschouwd.

De realisatie van het plan heeft geen onaanvaardbare invloed op de geluidsbelasting op de beschouwde woningen. Naar aanleiding van de geactualiseerde verkeersgeneratie (zoals uitgewerkt in paragraaf 2.2.2) heeft Goudappel B.V. nieuwe geluidsberekeningen uitgevoerd. Voor de gekozen variant 'Ontsluitingsvariant 2 verbod voor doorgaand vrachtverkeer' geldt dat uitsluitend op één rekenpunt sprake is van een significante geluidstoename (1,9 dB). Echter, de maximaal toegelate plansituatie van 53 dB wordt niet overschreden. De rekenresultaten zijn weergeven in tabel 4.1.

Toelichting

35

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

Figuur 4.1 Geluidstoename onsluitingsvariant 2 Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.2

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tot deze grenswaarden gelden, zijn er voor NO2 minder strenge grenswaarden van kracht. Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c.

een project "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel

36

Toelichting

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld. d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een "goede ruimtelijke ordening". Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden - ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten optreden.

In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter. Onderzoek Door middel van een luchtkwaliteitsonderzoek zijn de effecten van het voorliggende plan op de luchtkwaliteit onderzocht. Dit onderzoek is in 2025 door Goudappel geactualiseerd naar aanleiding van vernieuwde verkeerscijfers. Beide onderzoeken zijn opgenomen in de bijlagen. In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn zowel luchtkwaliteitseffecten ten gevolge van het extra verkeer over de ontsluitende wegen en de activiteiten binnen de inrichtingen op het bedrijventerrein inzichtelijk gemaakt. Voor de toetsing van de luchtkwaliteit voor de toekomstige situatie met peiljaar 2030 zijn op een aantal representatieve locaties langs de wegen en het bedrijventerrein rekenpunten opgenomen. De berekende concentraties zijn per wegvak weergegeven in tabel 4.2. Hierbij is gebruik gemaakt van de verkeersgegevens voor 2040.

NO2: jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide; PM10 jaargemiddelde concentratie fijn stof PM10; OD PM10: aantal overschrijdingsdagen etmaalgemiddelde concentratie fijn stof PM10; PM2,5: Jaargemiddelde concentratie fijn stof PM2,5 Tabel 4.2: Luchtkwaliteitssituatie 2030 Uit de resultaten blijkt dat langs alle beschouwde wegvakken ruim wordt voldaan aan de normen uit het Wet milieubeheer (in de Omgevingswet opgenomen in Besluit kwaliteit leefomgeving). Ook is er geen

Toelichting

37

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

sprake van concentraties die hoger liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Langs diverse wegvakken is sprake van toenames van de concentratie stikstofdioxide. De toename van het aantal verkeersbewegingen draagt daarmee ‘niet in betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Langs het zuidwestelijk deel van de Piet Stuurmanweg (wegvak 1 en 2) en de Bredeweg (wegvak 3) is sprake van een afname van de concentraties, als gevolg van het vrachtwagenverbod. De invloed van de plannen op de concentraties fijn stof PM10/PM2,5 zijn zeer beperkt. Uitstoot bedrijven Naast uitstoot van het verkeer van en naar het bedrijventerrein kan ook sprake zijn van uitstoot door bedrijven die zich op het bedrijventerrein gaan vestigen. In het eerder door Econsultancy uitgevoerde onderzoek luchtkwaliteit is ingegaan op deze situatie. Het onderzoek is beschreven in de rapportage 'Onderzoek luchtkwaliteit Businesspark Vredenburgh 2e fase Waddinxveen' met kenmerk 18110.005 D1 d.d. 6 mei 2022. In het onderzoek werd geconcludeerd dat geen sprake was van normoverschrijdingen. De invulling van het bedrijventerrein is niet gewijzigd ten opzichte van het eerdere onderzoek. De in voorliggend onderzoek berekende concentraties langs wegen liggen lager ten opzichte van de in het onderzoek uit 2022 berekende concentraties. Daarmee is geen sprake van gewijzigde conclusies.

Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

4.3

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in onderstaande tabel vermeld. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m Tabel 4.3 Richtingsafstanden VNG publicatie

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m

Onderzoek Het plangebied kan getypeerd worden als een 'gemengd gebied', omdat zowel in de huidige als de toekomstige situatie in het plangebied bedrijvigheid is toegestaan. Voorts ligt het plangebied naast een glastuinbouwbedrijf en nabij Businesspark Vredenburgh fase 1. Met behulp van het vigerende bestemmingsplannen is geïnventariseerd welke bestaande milieugevoelige activiteiten relevant kunnen

38

Toelichting

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

zijn voor het beoogde bedrijventerrein. Voor het bepalen van de milieuzones dient te worden uitgegaan van de afstandsnormen op basis van de VNG-richtlijn voor gemengd gebied. Invloed van het initiatief op de omgeving Met dit initiatief wordt een nieuw bedrijventerrein mogelijk gemaakt, waarop bedrijvigheid is toegestaan tot een milieucategorie 3.2. Hierbij hoort een richtafstand van 50 meter tot milieugevoelige bestemmingen (zoals woningen) in gemengd gebied. De dichtstbijzijnde milieugevoelige bestemming betreft het woongebied met de woningen aan de Cornelis Broerweg. De afstand tussen de bestemming 'bedrijventerrein' en deze woningen bedraagt 100 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Ook wanneer de woonwijk gedefinieerd zou worden als 'rustige woonwijk' zou er aan de richtafstand van 100 meter voldaan worden. Er kan daarom gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Andersom geredeneerd zullen de woningen geen beperkingen opleveren voor de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van Businesspark Vredenburgh fase 2. Zorgvuldigheidshalve is er -vanwege de omvang van het te realiseren businesspark- echter een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting.

Dit onderzoek is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt. Uit de rekenresultaten blijkt dat overal kan worden voldaan aan de standaard grenswaarden uit het Activiteitenbesluit, voor zowel het langtijdgemiddeld als het maximaal geluidniveau. Bovendien blijkt uit het onderzoek dat overal kan worden voldaan aan de richtwaarden uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Dit geldt zowel voor het langtijdgemiddelde als het maximale geluidniveau. Er kan daarmee geconcludeerd worden dat ter plaatse van de bestaande woningen (in de maximaal planologische situatie) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot de geluidniveau’s van het beoogde bedrijventerrein. Invloed van de omgeving op het initiatief Bedrijven worden niet aangemerkt als gevoelige functie. Het nieuwe bedrijventerrein wordt gerealiseerd in een gebied met functiemenging waarin overwegend bedrijven of glastuinbouw voorkomen. De bedrijven die in de omgeving van het plangebied zijn gesitueerd bestaan (inzake het vigerend bestemmingsplan 'Glasparel+') uit categorie 1 tot 3.2 bedrijven. Daarom wordt niet verwacht dat de aanwezige functies in de omgeving belemmeringen zullen opleveren voor onderhavig plan. Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.4

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven), installaties of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het

Toelichting

39

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Onderzoek Dit plan voorziet in het oprichten van nieuwe kwetsbare objecten. Het aantal personen binnen het projectgebied zal toenemen ten opzichte van de huidige (feitelijke) situatie. Om inzicht te krijgen in eventuele risicobronnen in de omgeving kan gebruik worden gemaakt van de Risicokaart. Op basis van de Risicokaart kan worden gesteld dat in de omgeving van de ontwikkeling er geen risicobronnen liggen.

Hiermee vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart.nl) Bij het vrijkomen van giftige (rook)gassen, bij een calamiteit in de omgeving (N207 of van elders), is het van belang om te schuilen. Wat betekent: naar binnen gaan, ramen en deuren sluiten en met één druk op de knop de mechanische ventilatie uitschakelen. Hiervoor moet dus wel een voorziening worden aangebracht. Onder de Omgevingswet wordt dit een verplichting om een dergelijke voorziening aan te brengen (artikel 4.124, lid 4 Besluit Bouwwerken Leefomgeving). In de planregels van voorliggend bestemmingsplan is geborgd dat de panden worden uitgevoerd met een mechanische ventilatie met de mogelijkheid om deze met een druk op de knop uit te kunnen schakelen. Op het bedrijventerrein zijn geen risicovolle inrichtingen toegestaan. Dit verbod is opgenomen in de planregels van voorliggend bestemmingsplan. Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk

40

Toelichting

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2012 is een Historisch Vooronderzoek Opsporing Conventionele Explosieven uitgevoerd naar de aanwezigheid van Niet Gesprongen Explosieven (NGE) voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek wordt volgende ODMH onnodig geacht. Als bij de uitvoering van graafwerkzaamheden een verdacht object wordt aangetroffen worden er passende maatregelen genomen indien deze noodzakelijk zijn. Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.5

Ecologie en stikstof

Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Wettelijk e gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Onderzoek Om te kunnen beoordelen of de voorliggende realisatie van het bedrijventerrein Businesspark Vredenburg fase 2 in overeenstemming met de natuurwetgeving en het natuurbeleid kan worden uitgevoerd is een geactualiseerde quickscan flora en fauna uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting.

Toelichting

41

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

Wettelijk e gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' is gelegen op circa 8,7 kilometer ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Voor het aspect stikstofdepositie wordt evrwezen naar paragraaf 4.5.1. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 3,8 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Direct aan de zuidoostgrens van het plangebied is een ecologische verbindingszone gelegen, hiermee is bij de inrichting rekening gehouden. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming Voor het onderhavig plan is een (geactualiseerde) quickscan flora en fauna uitgevoerd door BRO. De volledige quickscan is opgenomen in de bijlagen.

Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Het veldwerk is op 20 maart 2025 tussen 10.00 – 12.00 uur uitgevoerd. Vogels Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het bouwrijp maken van het plangebied buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Het plangebied bevat geen potentiële verblijfplaatsen.

Indien licht gericht of uitstralend op de watergangen tijdens de werkzaamheden en in de toekomstige situatie wordt vermeden, zal er bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën Bij de werkzaamheden bestaat de kans dat er voortplantingswater en landhabitat van de rugstreeppad verloren gaat. Er dient vervolgonderzoek plaats te vinden naar de aan- of afwezigheid van de rugstreeppad binnen het plangebied. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een

42

Toelichting

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gewerkt. In het kader van de algemene zorgplicht is het tevens noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën Bij de werkzaamheden bestaat de kans dat er voortplantingswater en landhabitat van de rugstreeppad verloren gaat. Voor deze soort is reeds onderzoek uitgevoerd (zoals opgenomen in de bijlagen) en is een ontheffing verkregen voor de duur van 5 jaar (zaak 01069533). Omtrent de rugstreeppad dient aan de voorwaarden binnen deze ontheffing te worden gehouden. In het kader van de algemene zorgplicht is het tevens noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen van algemene soorten. Vaatplanten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten. Invasieve exoten Enkele soorten binnen Nederland mogen niet worden verhandeld of ver-voerd, of moeten actief worden geweerd. Voor soorten op de zogenoemde Unielijst (EU-exotenverordening) geldt een verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van een aantal schadelijke exotische planten en dieren.

Voor lidstaten geldt de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen. Per soort zijn doelen en acties omschreven (Onderbouwing strategie Unielijstsoorten). Daarnaast geldt voor enkele soorten een nationaal handelsverbod, waaronder drie soorten Aziatische duizendknopen. Deze mogen niet worden verhandeld of vervoerd. Dit geldt ook voor grond waarin resten of zaden van duizendknoop in aanwezig zijn. Er geldt enkel een uitzondering ten behoeve van het uitroeien, bestrijden of beheersen van de duizendknopen. In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de reuzenberenklauw, Japanse duizendknoop en de Grote Waternavel. Binnen het plangebied zijn echter geen waarnemingen van deze soorten gedaan tijdens het veldbezoek. Ook zijn er volgens de NDFF meerdere waarnemingen van de muskusrat gedaan binnen het plangebied.

4.5.1 Stikstofdepositie Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een nieuw bedrijventerrein betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve er een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Aanlegfase Uit de uitgevoerde voortoets berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden tijdens de aanlegfase.Omdat er voor de aanlegfase van het plan geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.

Toelichting

43

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

Gebruiksfase Uit de situatieberekening voor de gebruiksfase ontstaat een resultaat van maximaal 0,03 mol/ha/jaar en een oppervlak van 1.774 ha stikstofgevoelig (naderend) overbelast habitat waar depositietoenames op worden berekend. In een passende beoordeling is door middel van het maken van een referentieberekening (intern salderen inclusief afroming) aangetoond dat er geen sprake is van significante gevolgen op omliggende Natura 2000-gebieden. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden tijdens de gebruiksfase. Op basis hiervan kan worden verondersteld dat dit de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat en dat het bestemmingsplan 'Businesspark Vredenburgh fase 2' vastgesteld kan worden. Voor de realisatie van (onderdelen van) het plangebied zal voorafgaand aan de uitvoering een natuurvergunning verkregen dienen te worden als op projectniveau intern salderen wordt toegepast.

Conclusie ecologie en stikstof Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op op-gaand groen te worden vermeden; Bij de werkzaamheden bestaat de kans dat er voortplantingswater en landhabitat van de rugstreeppad verloren gaat. Voor deze soort is reeds onderzoek uitgevoerd en is een ontheffing verkregen voor de duur van 5 jaar (zaak 01069533). Omtrent de rugstreeppad dient aan de voorwaarden binnen deze ontheffing te worden gehouden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aan-wezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Voor de realisatie van (onderdelen van) het plangebied zal voorafgaand aan de uitvoering een natuurvergunning verkregen dienen te worden als op projectniveau intern salderen wordt toegepast. Met inachtneming van bovenstaande maatregelen, het aspect 'ecologie en stikstof' geen belemmering vormen voor onderhavig initiatief.

44

Toelichting

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

4.6

Bodem

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Onderzoek In het plangebied is door het bureau Econsultancy een verkennend en bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Hieronder zullen de belangrijkste bevindingen worden gedeeld. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, grootschalig" (ONV-GR). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, zwak zandig klei. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De bodem, ter plaatse van de depots, is sporadisch zwak baksteen houdend, zwak aardewerk houdend en zwak tot matig beton houdend. In het opgeboorde materiaal zijn verder zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.

Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met molybdeen. De ondergrond is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, minerale olie en/of PAK. Deze lichte verontreinigingen zijn waarschijnlijk te realteren aan de bodemvreemde bijmengingen. In de zintuiglijk schone grondmonsters zijn, met uitzondering van grondmengmonster MM17 (bovengrond boringen 156 en 159) verder geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium, kobalt, kwik, molybdeen, nikkel, zink, minerale olie en/of naftaleen. Dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging, alsmede de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Asbest Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.

Een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect 'bodem' vormt geen belemmeringen voor onderhavig plan.

Toelichting

45

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

4.7

Archeologie

Toetsingskader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Onderzoek Archeologiebeleid gemeente Waddinxveen (2012) De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 14 november 2012 de 'Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen' vastgesteld.

Op de waarden- en verwachtingenkaart is voor het plangebied af te lezen waar welke verwachtingswaarden voorkomen. Parapluplan Archeologie en Parkeren (2018) Deze beleidskaart is aan veranderingen onderhevig: door voortschrijdend inzicht en nieuwe onderzoeken kunnen nu betere keuzes gemaakt worden. In verband hiermee is in het document 'Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente van Waddinxveen' van 11 januari 2018 de archeologische beleidskaart aangepast. Deze dient als aanvulling op de toelichting van het gemeentelijke archeologiebeleid uit 2012. De vastgestelde Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen uit 2012 blijft ongewijzigd. De geactualiseerde archeologische beleidskaart is vertaald naar het Parapluplan Archeologie en Parkeren. In dit parapluplan is ter plaatse van het plangebied geen dubbelbestemming 'Archeologie' opgenomen. Er gelden binnen het plangebied daarom geen archeologische vereisten, zodat archeologisch onderzoek achterwege kan worden gelaten. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Conclusie Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.8

Water

Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

46

Toelichting

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

Sinds het opstellen van de watertoets in juni 2023, is het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 van het Hoogheemraadschap niet meer vigerend. Het overig beleid is nog steeds van toepassing. Tevens is de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard van toepassing. Gebleken is dat het plan nog steeds uitvoerbaar is. Bij nadere planuitwerking in het kader van de omgevingsvergunning bouwen, dient het meest actuele beleid meegenomen te worden. Onderzoek Door het bureau Econsultancy is een waterparagraaf opgesteld voor onderhavig plan. Het gehele onderzoek is opgenomen in de bijlagen. In de watertoets zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het plan uiteengezet. Deze rapportage vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect in het ruimtelijk plan. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologischpositief uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure en uitvoering van het plan. Conclusie Het aspect 'water' vormt geen belemmeringen voor onderhavig plan.

4.9

M.e.r.-beoordeling

Toetsingskader Gemeenten en provincies moeten ook bij bouwprojecten te beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook relatief kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) nodig. Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een bedrijventerrein mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. De activiteit is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.3) van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden. Derhalve is uitsluitend een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde.

Activiteiten D.11.3 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.

Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer.

Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Hiertoe is een

Toelichting

47

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

aanmeldingsnotitie opgesteld. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. De gemeente dient, voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan, een separaat besluit te nemen omtrent het al dan niet doorlopen van een m.e.r.-procedure. Conclusie Gezien de bevindingen als beschreven in de aanmeldingsnotitie, en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r., kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg hebben die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. In de aanmeldingsnotitie zoals ter inzage gegaan met het ontwerpbesluit wordt daarom aanbevolen om een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan "Bunisesspark Vredenburgh fase 2" geen milieueffectrapportage wordt vereist.

Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Voor onderhavige ontwikkeling is, naar aanleiding van de stikstofuit-spraak omtrent intern salderen (RvS 202201311/1), een passende beoordeling opgesteld. Voor plannen waarvoor een passende beoordeling, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb, opgesteld is, geldt dat er een uitzondering gemaakt kan worden op de plan-mer-plicht, wanneer wordt voldaan aan de volgende eisen: Het plangebied als klein gebied (<1% van het gemeentelijk grondgebied); De gemeente treedt zelf op als bevoegd gezag; Uit de plan-mer-beoordeling moet blijken dat er geen aanzienlijke milieugevolgen zijn. De ontwikkeling betreft een ontwikkeling die kan worden aangemerkt als klein gebied. Tevens is de gemeente bevoegd gezag. Er is een nieuwe plan-mer-aanmeldnotitie opgesteld en bijgevoegd, waar het aspect stikstofdespositie opnieuw beschouwd is. De overige milieuaspecten zijn ongewijzigd. Aan de hand van de de plan-mer-beoordeling kan het bevoegd gezag beoordelen dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

48

Toelichting

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

Hoofdstuk 5

Juridische planopzet

In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1

Plansystematiek

Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2

Opbouw regels

Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op het vigerend bestemmingsplan 'Glasparel+'. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente Waddinxveen nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan voorkomende bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen).

De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels;

Toelichting

49

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben.

Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van niet-ingrijpende bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven; overige regels: hier is een regeling opgenomen voor parkeernormen. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

50

Toelichting

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

5.3

Toelichting bij de regels

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Bedrijventerrein - 1 Een groot deel van het plangebied heeft de bestemming 'Bedrijventerrein - 1'. Binnen deze bestemming zijn bedrijven toegestaan met een maximale milieucategorie van 3.2 mits, deze voorkomen in de 'staat van bedrijfsactiviteiten'. Naast bedrijven zijn ook niet-zelfstandige kantoren en collectieve voorzieningen toegestaan. Voor de bedrijven is een specifieke regeling opgenomen dat de kavelgrootte van één bedrijf niet groter mag zijn dan 3 hectare. Onder voorwaarden kan middels de opgenomen afwijkingsbevoegdheid hiervan worden afgeweken mits de verzorgingsstructuur en de behoefte van bedrijven met grotere kavelgroottes is aangetoond. Bedrijfsgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en het bouwvlak mag volledig bebouwd worden. Parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Groen De gronden in het zuidoostelijke deel hebben de bestemming 'Groen' gekregen. Dit om te waarborgen dat de woningen aan de Cornelis Broerweg op gepaste afstand zijn gesitueerd tot de bedrijfsmatige activiteiten welke zijn toegestaan binnen de bestemming 'Bedrijventerrein - 1'. De voor 'Groen' bestemde gronden zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken geen gebouwen toegestaan, voor zover voldaan wordt aan de gestelde maatvoeringen. Water Aan de westzijde van het plangebied heeft een klein gedeelte de bestemming 'Water'. Deze bestemming is conform het vigerend bestemmingsplan opgenomen.

5.4

Handhaafbaarheid

Een van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van een bestemmingsplan, dus ook bij de ontwikkeling van het bestemmingsplan “Businesspark Vredenburgh 2e fase”, is dat de in het plan opgenomen regels handhaafbaar dienen te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid verdient meer aandacht omdat het een voorwaarde is voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de in het plan opgenomen regels. Ten behoeve van een goede handhaving van de regels zijn de volgende factoren van belang: Voldoende kenbaarheid geven aan het plan; Voldoende draagvlak voor het beleid en de regelgeving in het plan; Inzichtelijke en realistische regeling.

Toelichting

51

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

52

Toelichting

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De beoogde ontwikkeling is een initiatief van Wayland Developments. Deze draagt alle kosten voor de ontwikkeling. Ten aanzien van eventuele planschade is een planschadeovereenkomst afgesloten tussen de gemeente en Wayland Developments door middel van een anterieure overeenkomst. Hierin is ook een koopovereenkomst opgenomen waarin de gemeente een (groot) deel van de gronden zal afnemen ten behoeve van de verplaatsingen vanuit de Noordkade. Hiermee zijn de kosten voor de gemeente afgedekt. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Na het voeren van vooroverleg zullen de uitkomsten van het overleg voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf. 6.2.2

Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Reacties omgeving Enkele bewoners uit de omgeving van het plangebied hebben hun zorgen geuit over het initiatief. Hieronder wordt per onderwerp uiteengezet hoe hiermee in onderhavig plan is omgegaan. Hoogte langs de Piet Stuurmanweg beperken De toegestane hoogte langs de Piet Stuurmanweg is gelijk aan de geldende bouwhoogte binnen de bestemming Agrarisch-Glastuinbouw te weten 12 meter. In een deel van het gebied is eventueel een verhoging naar 16 meter mogelijk. Dit door middel van een aparte procedure (ontheffing) en afweging door het college van burgemeester & wethouders. Daarbij dienen belangen van de omwonende te worden meegenomen. Zie hiervoor artikel 3.3.1 Als gevolg van het overleg met de omwonenden is het gebied waar deze ontheffing voor geldt in 2 stappen naar achteren gelegd: eerst op 50 meter van het bouwvlak en later nog verder naar achteren op circa 250 meter van het bouwvlak en daarmee nog verder weg van de Piet Stuurmanweg en de

Toelichting

53

bestemmingsplan Businesspark Vredenburgh fase 2

woningen. (Garage)deuropeningen niet in de richting van de woningen Eventuele docks of laad en losvoorzieningen in de richting van de Piet Stuurmanweg zijn niet toegestaan. Dit is opgenomen in het beeldkwaliteitsplan (pagina 25). Na overleg met de bewoners is hieraan toegevoegd dat de oriëntatie van laad- en los voorzieningen van de Piet Stuurmanweg afgekeerd moeten zijn. In bepaalde gevallen en zal dit echter niet mogelijk zijn vanwege (o.a. vanwege de kavelvorm), dan moet dit uiteraard wel mogelijk zijn, maar dan alleen parallel aan de Piet Stuurmanweg en niet in de richting van de Piet Stuurmanweg. Daarnaast bevat het beeldkwaliteitsplan bepalingen die uitgaan van afgeschermde buitenterreinen. Geluidswal langs de Piet Stuurmanweg Er is al een wal aanwezig langs de Piet Stuurmanweg. Deze wal is de begrenzing tussen de parkzone en de Piet Stuurmanweg. Deze wal zal worden aangepast ter plaatse van de ontsluiting naar het businesspark. Door op deze plaatsen de wal te verhogen en de beplanting te intensiveren wordt het woon en parkgebied nog beter afgeschermd van Bussinesspark. Daarnaast is de aan te houden afstand tussen de geprojecteerde bebouwing groter dan de al aanwezige kassen en bedrijven (TFC) en zal in deze ruimte een opgaande bomenrij (iepen) worden aangebracht. Zie ook hiervoor het beeldkwaliteitsplan.

Overigens zijn qua geluid zowel het wegverkeerslawaai als het industrielawaai in beeld gebracht (bijlage 4, 5 en 8), in geen gevallen wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. Verkeer In het bestemmingsplan is veel aandacht besteed aan het aspect verkeer. Het wordt wel drukker op de Piet Stuurmanweg ten opzichte van een glastuinbouwontwikkeling. Dit is uitgebreid in beeld gebracht in het verkeersonderzoek (bijlage 2). Mede om dit een goede banen te leiden zullen fietspaden worden gerealiseerd waardoor verkeersveiligheid (en capaciteit) op de Piet Stuurmanweg kan worden gewaarborgd. De aanleg van de fietspaden is een voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan. Dat wil zeggen dat deze fietspaden moeten zijn aangelegd voor het bedrijventerreinen kan worden ontwikkeld. Zie hiervoor artikel 3.4.3 van de regels.

6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaats gevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure heeft het bestemmingsplan van 7 december 2023 tot en met 7 februari 2024 ter inzage gelegen voor zienswijzen. Er zijn 27 zienswijzen binnen gekomen, met in sommige gevallen dezelfde inhoud c.q. met enkele dubbelingen, resulterend in 26 unieke zienswijzen. De zienswijzen zijn op twee na alle ontvankelijk. Deze zijn samengevat en van een beantwoording voorzien in de Nota van Beantwoording Zienswijzen (separaat). Ook zijn er enkele ambtshalve aanpassingen voorgesteld, die zijn opgenomen en toegelicht in de Nota van Beantwoording Zienswijzen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15662188/2