CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Noordeinde 130 (toelichting regels en verbeelding)

Besluitvormende raadsvergadering 20 januari 2021, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: RV.RB Het bestemmingsplan 'Noordeinde 13018.385 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting

- 31 -

Wet geluidhinder is aan de orde, zodat een akoestisch onderzoek is uitgevoerd 4. Uit dat onderzoek blijkt dat vanwege het Noordeinde de berekende geluidsbelasting op de nieuwe woning ten hoogste 47 dB (inclusief 5 dB aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder) bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke voorkeurswaarde van 48 dB. Gesteld wordt dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Overige geluidsbronnen Het plangebied is niet gelegen binnen de toetsingszone van een gezoneerde spoorweg en ook niet binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Toetsing aan de betreffende grenswaarden uit de Wet geluidhinder is dan ook niet aan de orde. Luchtvaart- en scheepvaartlawaai zijn evenmin aan de orde. In de directe omgeving van het plangebied is wel bedrijvigheid gelegen die mogelijk voor geluidhinder kan zorgen. Hiervoor wordt verwezen naar § 4.7. Conclusie Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd, dat het thema geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7

Bedrijven en milieuhinder De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” (maart 2009) een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. Daarnaast is milieuzonering gericht op nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Met de handreiking kan worden bepaald wat de gewenste richtafstand is tussen de woningbouwlocatie en de bedrijven in de omgeving. Dit kan oplopen tot de maximale richtafstand voor bedrijven met milieucategorie 6 en die bedraagt 1.500 meter tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Het plangebied ligt in het oude bebouwingslint aan de westzijde van het Noordeinde, alwaar van oudsher de woonfunctie en agrarische bedrijvigheid naast elkaar voorkomen.

Daarnaast maakt deze weg als N455 onderdeel uit van het provinciale wegennetwerk en kan dan ook gekarakteriseerd worden als hoofdontsluitingsweg. Vandaar dat de omgeving van het plangebied op grond van de VNG-uitgave gekarakteriseerd wordt als ‘gemengd gebied’. Dit betekent, dat de van toepassing zijnde hinderafstanden met één afstandsstap verkleind mogen worden. Op grond van het geldende bestemmingsplan “Waddinxveen Noord West” mogen in de omgeving van het plangebied diverse inrichtingen aanwezig zijn, die op grond van de VNGuitgave beschikken over een hindercontour. Het gaat in alle gevallen om agrarische bedrijven, 4 Kraaij Akoestisch Adviesbureau, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouwplan Noordeinde 130,

januari 2020, projectnummer: VL.1924.R01.

- 32 -

waarbij het dichtstbijzijnde agrarisch bouwvlak op circa 125 meter afstand ligt (Noordeinde 134). Hier is ter plaatse een agrarisch bedrijf toegestaan (niet zijnde een veehouderij), alsmede een kwekerij. Dit geldt ook voor het agrarisch bouwvlak ter plaatse van het perceel Noordeinde 122B/C, dat op zo’n 145 meter ten zuiden van het plangebied ligt. Op grond van de VNG-uitgave is hier sprake van een maximale hindercontour van 10 meter voor het aspect ‘geluid’. Voor de aspecten ‘geur’, ‘stof’ en ‘gevaar’ geldt een hindercontour van 0 meter. Gezien de afstand van deze bouwvlakken tot aan het plangebied, vormen deze contouren geen belemmering. Daarnaast zijn tussen deze agrarische bedrijven en het plangebied reeds bestaande woningen van derden gesitueerd, die bepalend zijn voor de gebruiksmogelijkheden van de percelen. Op ruim 130 meter ten westen van de beoogde woning is op grond van het geldende bestemmingsplan “Boskoop-Dorp” aan de percelen Pastoor Daalmansplantsoen 41A, 42, 43 en 43A-C een bedrijfsbestemming toegekend. Op grond van deze bestemming mogen de percelen gebruikt worden voor bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 en 2 van de bij het bestemmingsplan gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten. Voor dergelijke bedrijfsactiviteiten geldt een maximale hindercontour van 10 meter; hieraan wordt voldaan.

De betreffende percelen zijn tevens voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – huidige bedrijfsactiviteit’. Dit betekent, dat bestaande bedrijfsactiviteiten die vallen in een hogere milieucategorie ook toegestaan zijn. Dit is van belang voor het perceel Pastoor Daalmansplantsoen 42, alwaar een carrosseriefabriek aanwezig is en mag zijn. Een dergelijke bedrijfsactiviteit (SBI-code 29201) kent op grond van de VNG-uitgave een maximale hindercontour van 100 meter voor aspect ‘geluid’, 50 meter voor aspect ‘geur’, 10 meter voor aspect ‘gevaar’ en 0 meter voor aspect ‘stof’. Geen van deze contouren reikt tot aan de beoogde woning. Daarnaast liggen in de directe omgeving van deze carrosseriefabriek reeds bestaande woningen, die bepalend zijn voor de gebruiksmogelijkheden op het perceel. Op grond van bovenstaande beschouwing wordt gesteld, dat de in de omgeving van het plangebied aanwezige bedrijven door de beoogde ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Daarnaast geldt dat ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.8

Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Uit afbeelding 7 blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse risicobronnen aanwezig zijn. Het gaat hierbij om zowel stationaire bronnen als transportroutes. Deze worden hieronder nader uiteengezet. Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting

- 33 -

Stationaire bronnen De dichtstbijzijnde stationaire risicobron bevindt zich op een afstand van circa 290 meter ten zuiden van het plangebied. Het betreft hier een bovengrondse propaantank met een inhoud van 4.900 liter op het perceel Noordeinde 120. Binnen een straal van 1.000 meter rondom het plangebied zijn nog enkele andere bovengrondse propaantanks gesitueerd, zoals op het perceel Noordeinde 106 (3.000 liter; circa 900 meter afstand) en op het perceel Boezemlaan 35 (5.000 liter; circa 700 meter afstand). De bij deze tanks behorende 10-6 plaatsgebonden risicoafstand bedraagt ten hoogste 20 meter en deze vormen voor de beoogde ontwikkeling geen belemmering. Andere stationaire bronnen, zoals een ammoniakkoelinstallatie op het perceel Duitslandlaan 32 en propaantanks op de percelen Zuideinde 105 en 129, liggen op een afstand van meer dan 950 meter. De bijbehorende risicocontouren liggen deels buiten de inrichtingsgrens, maar strekken niet tot aan het plangebied. Daardoor vormen deze bronnen geen belemmering en is een nadere beschouwing niet aan de orde.

Afbeelding 7: Uitsnede risicokaart (www.risicokaart.nl; plangebied oranje omcirkeld).

Transportroutes De dichtstbijzijnde transportroute betreft een hogedruk aardgasleiding die op circa 630 meter ten oosten van het plangebied ligt. Het betreft hier leiding W-517-01 van de Gasunie, met een diameter van ruim 12 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour is op de buisleiding gelegen. Uit informatie van de Gasunie 5 blijkt, dat bebouwing op een afstand van respectievelijk 140 meter van deze leiding geen invloed heeft op het groepsrisico. Gesteld wordt, dat deze leiding geen belemmering vormt voor de voorgenomen herontwikkeling van het projectgebied. Ook over de provinciale weg N455 (deel Hoogeveenseweg) worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Deze weg bevindt zich op zo’n 860 meter ten noorden van het plangebied. Het aantal transportbewegingen is echter dusdanig laag, dat de 10-6 plaatsgebonden risicocontour 0 meter bedraagt. Het groepsrisico ligt ruim onder de 0,1 maal de 5

- 34 -

N.V. Nederlandse Gasunie, Eisen omgevingsdata in het kader van groepsrisicoberekeningen bij ruimtelijke ontwikkeling, revisie 4, brief van februari 2008.

oriëntatiewaarde. Gezien de afstand tussen deze transportroute en het plangebied zal de toevoeging van één woning geen invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de transportbewegingen voornamelijk betrekking hebben op de stofcategorie ‘brandbare vloeistoffen’ en zeer incidenteel ‘brandbare gassen’ (ter bevoorrading van in de omgeving liggende propaantanks), reikt ook het invloedsgebied niet tot de beoogde woning. Een nadere beschouwing en/of verantwoording wordt niet noodzakelijk geacht. Aangezien andere mobiele risicobronnen, zoals transport over (spoor)weg en water, zich op een afstand van meer dan 1.500 meter bevinden, wordt gesteld dat deze bronnen geen belemmering vormen en dat een nadere beschouwing niet noodzakelijk is. Conclusie Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied. 4.9

Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden, welke zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Ten aanzien van een woningbouwlocatie is in de regeling gesteld, dat de volgende situaties niet in betekenende mate bijdragen: • Netto niet meer dan 1.500 woningen in geval van één ontsluitingsweg. • Netto niet meer dan 3.000 woningen in geval van twee ontsluitingswegen met gelijkmatige verkeersverdeling. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van één nieuwe woning mogelijk. Vandaar dat de voorgenomen ontwikkeling aangemerkt wordt als een project dat niet in betekenende mate bijdraagt. Het uitvoeren van een nader luchtkwaliteitsonderzoek is daarmee niet noodzakelijk. De achtergrondconcentratie PM10 en NO2 is volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu in 2020 gelegen tussen de 17 en 19 μg/m3 respectievelijk tussen 15 en 20 μg/m3. In 2025 bedraagt de concentratie PM10 minder dan 18 μg/m3; de concentratie NO2 vermindert tot 10 tot 15 μg/m3. Gesteld kan worden, dat ter hoogte van de voorgenomen ontwikkeling de concentratiewaarden (ruim) onder de grenswaarden zijn gelegen en dat daarmee sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting

- 35 -

4.10

Duurzaamheid

Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. De gemeenteraad heeft in april 2016 de “Duurzaamheidvisie 2015-2025” vastgesteld. Met behulp van deze visie wil Waddinxveen komen tot een schone en gezonde leefomgeving, duurzaam energiegebruik en een economie waarin producten en materialen worden hergebruikt en grondstoffen hun waarde behouden. Aan deze visie is een uitvoeringsprogramma gekoppeld, waarin diverse activiteiten zijn opgenomen. Bijvoorbeeld het plaatsen van openbare laadpalen elektrische voertuigen, stimuleren van het gebruik van energiezuinige materialen waardoor duurzamer gebouwd wordt en het toepassen van LED in de openbare verlichting. In zijn algemeenheid kan gezegd worden, dat de geplande woning gebouwd gaat worden conform het op dat moment geldende Bouwbesluit. Dit betekent, dat de woning in ieder geval moeten voldoen aan de hierin opgenomen duurzaamheidseisen. Dit houdt onder meer in, dat de beoogde woning als gasloos wordt uitgevoerd. De woning wordt dan ook voorzien van een warmtepomp en daar waar mogelijk worden ook zonnepanelen aangebracht.

Daardoor wordt het mogelijk om de woning op een CO2-neutrale wijze te verwarmen. Het is aan de eindgebruiker van de woning om naar eigen wens nog andere aanvullende duurzaamheidsmaatregelen toe te passen, zoals het aanbrengen van waterbesparende kranen, zonneboilers, gebruik van ledverlichting en dergelijke. 4.11

Besluit m.e.r. De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r . De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage. Laatstgenoemde is per 1 april 2011 gewijzigd, waarbij de drempelwaarden in kolom 2 van de D-lijst indicatief gemaakt zijn. Dit betekent, dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet op basis van dezelfde criteria als de m.e.r.-beoordeling. De diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. De consequentie van de nieuwe regeling is, dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan de m.e.r.

Dit kan zijn in de vorm van een motivering of in de vorm van een beschrijving van de resultaten van de m.e.r. (-beoordeling) . Voor dit bestemmingsplan is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is één activiteit gevonden die mogelijk m.e.r-(beoordelings)plichtig is:

- 36 -

1. D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De bebouwingsmogelijkheden nemen bij de planontwikkeling niet toe ten opzichte van de bestaande (planologische) situatie. De sloop van de agrarische bebouwing en de realisatie van één vrijstaande woning betreft een wijziging die naar aard en omvang zeer beperkt is. Bovendien nemen de gebruiksmogelijkheden nauwelijks toe. Er is daarmee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.

Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een besluit over de ontwikkeling te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting

- 37 -

- 38 -

5.

JURIDISCHE ASPECTEN

5.1

Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een plankaart (verbeelding) met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.

5.2

De opzet van de planregels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels • Bestemmingsregels • Algemene regels • Overgangs- en slotregels

5.2.1

Inleidende regels In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (art. 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (art. 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes etc.

5.2.2

Bestemmingsregels De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden. Dit bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemmingen Artikel 3 Wonen

Dubbelbestemmingen Artikel 4 Waarde - Archeologie - 2 Artikel 5 Waarde - Archeologie - 3 Artikel 6 Waterstaat - Waterkering

Onderstaand wordt per bestemming een toelichting gegeven. Artikel 3 Wonen De gronden van het plangebied zijn voorzien van de bestemming “Wonen”, conform de regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan “Waddinxveen Noord West”. Binnen deze bestemming is een woning toegestaan. Naast de woonfunctie zijn ook aan huis verboden beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten toegestaan. Ook bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, water,

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting

- 39 -

waterhuishoudkundige voorzieningen en toegangswegen mogen worden opgericht dan wel aangelegd. Binnen de bestemming mag maximaal één hoofdgebouw (de woning) worden gebouwd, met bijbehorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hiertoe is op de planverbeelding een bouwvlak opgenomen. Voor de woning is in de regels een maximum goot- en bouwhoogte van 6 respectievelijk 10 meter vastgelegd. Voor de bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn in de planregels diverse goot- en bouwhoogtes opgenomen, als ook oppervlaktematen. Ook is sprake van enkele afwijkingsmogelijkheden, zowel van de bouw- als de gebruiksregels, bijvoorbeeld om een Bed & Breakfast te realiseren of om een groter oppervlak aan bedrijfsmatige activiteiten toe te staan. Opgemerkt wordt dat de gronden van de agrarische bedrijfswoning niet in het plan zijn opgenomen en een agrarische bestemming behouden. Naast de gronden in Waddinxveen (bij elkaar 4,5 hectare) heeft de agrariër 52 hectare landbouwgrond met bijbehorende loodsen in Bleiswijk. Ten behoeve van die agrarische functie blijft de bestemming Agrarisch van toepassing. Artikel 4 en 5 Waarde - Archeologie - 2 en 3 De gronden binnen het plangebied aan het Noordeinde zijn voorzien van de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie - 2” en “Waarde - Archeologie - 3”.

Aan de zijde van het Noordeinde is sprake van de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie - 2”, de westzijde van het plangebied kent een dubbelbestemming “Waarde - Archeologie - 3”. Uitgangspunt voor deze bestemmingen is dat potentiële aanwezige archeologische waarden beschermd dienen te worden. Bij verstoringen van de bodem die een oppervlak hebben van meer dan 100 m2 (waarde 2) en 1.000 m2 (waarde 3) en die dieper reiken dan 0,3 meter beneden maaiveld, dient een archeologisch rapport te worden opgesteld alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden. Dit geldt zowel voor bouwwerkzaamheden als voor overige (aanleg)werkzaamheden. Aan een te verlenen vergunning kunnen voorwaarden verbonden worden. Artikel 6 Waterstaat - Waterkering Met de dubbelbestemming “Waterstaat - Waterkering” wordt de waterkerende functie van het Noordeinde beschermd. In principe mag op deze gronden niet gebouwd worden, met dien verstande dat bestaande bebouwing wordt gerespecteerd. Door middel van een afwijkingsbevoegdheid kan evenwel nieuwe bebouwing worden toegestaan, mits de waterbeheerder om advies wordt gevraagd en de waterkerende functie niet onevenredig wordt geschaad. 5.2.3

Algemene regels Dit hoofdstuk bevat vijf algemene regels. Artikel 7 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

- 40 -

Artikel 8 Algemene bouwregels Dit artikel bevat een regeling voor bestaande maten die afwijken van de voorgeschreven maten in de planregels. Het artikel betreft uitsluitend een bouwbepaling en geen gebruiksbepaling. Met deze bepaling wordt voorkomen dat bestaande bouwwerken, die wat betreft afstandsmaten of andere maten afwijken van de maatvoering zoals vastgelegd in dit bestemmingsplan, - onbedoeld - geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht komen te vallen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels Dit artikel bepaalt welk gebruik wordt gerekend tot strijdig gebruik. Hieronder worden in ieder geval vormen van buitenopslag, het gebruik van gronden en gebouwen voor prostitutie en het gebruik van gronden en gebouwen voor de exploitatie van een coffeeshop verstaan. Verder zijn in artikel 9 van de planregels bepalingen omtrent het aantal (te realiseren) parkeerplaatsen opgenomen. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om middels een omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane maten. De criteria voor de toepassing van deze afwijkingsregels zijn hierin eveneens opgenomen. 5.2.4

Overgangs- en slotregels In artikel 11 is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

5.3

Handhaving Illegale bebouwing zal, over het algemeen, opvallen. Spoedig hiertegen optreden is dan ook de regel. Illegaal gebruik is moeilijker te constateren, het is lang niet altijd mogelijk om van buitenaf waar te nemen wat zich in een pand afspeelt. Waar het vermoeden is dat het gebruik in strijd is met de bestemming wordt dit onderzocht. Het voert te ver om uit de jurisprudentie af te leiden dat in alle gevallen een opsporingsplicht bestaat. Uiteraard zal altijd worden gereageerd op klachten van naburige gebruikers en bewoners. Doordat illegale situaties, die reeds in strijd waren met het voorgaande bestemmingsplan, worden uitgezonderd van het overgangsrecht, bestaat, op grond van de jurisprudentie, ook na langere tijd in beginsel nog de mogelijkheid om handhavend op te treden, indien een situatie aan het licht komt die redelijkerwijze niet eerder bekend kon zijn. Juridisch zijn deze situaties immers wegbestemd. De bestemmingsregels zijn op een dusdanige wijze geformuleerd, dat de handhaving van het bestemmingsplan voor een ieder duidelijk kan zijn. Dit komt met name door de formulering van de bouwregels en de specifieke gebruiksregels, waarin is aangegeven wat gebouwd mag worden en welke manieren van gebruik van de gronden en bouwwerken in ieder geval in strijd met de bestemming zijn.

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting

- 41 -

- 42 -

6.

UITVOERBAARHEID

6.1

Financiële uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De initiatiefnemer ontwikkelt voor eigen rekening en risico de nieuwe woning in het plangebied. Tussen de gemeente Waddinxveen en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten over de grondexploitatie van het gebied. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de door de gemeente te maken kosten in het kader van de beoogde ontwikkeling. Gelet hierop is het plan financieel uitvoerbaar. De gemeente Waddinxveen vervult voorts enkel een kaderstellende en toetsende rol.

6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Op grond van artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het ontwerpbestemmingsplan wordt dan ook aan de volgende adviesorganen/ instanties toegezonden: 1. Gedeputeerde Staten van Zuid- Holland. 2. Hoogheemraadschap van Rijnland.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan indienen. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan worden eventueel ingediende zienswijzen afgewogen door de gemeenteraad van Waddinxveen.

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting

- 43 -

- 44 -

II.

REGELS

- 46 -

INHOUDSOPGAVE PLANREGELS HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS ........................................................................................... 49 Artikel 1 – Begrippen......................................................................................................................... 49 Artikel 2 – Wijze van meten .............................................................................................................. 53 HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS ....................................................................................... 55 Artikel 3 – Wonen ............................................................................................................................. 55 Artikel 4 – Waarde - Archeologie - 2 ................................................................................................. 59 Artikel 5 – Waarde - Archeologie - 3 ................................................................................................. 62 Artikel 6 – Waterstaat - Waterkering ................................................................................................ 65 HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS ............................................................................................ 67 Artikel 7 – Antidubbeltelregel ...........................................................................................................

67 Artikel 8 – Algemene bouwregels ..................................................................................................... 67 Artikel 9 – Algemene gebruiksregels................................................................................................. 67 Artikel 10 – Algemene afwijkingsregels ............................................................................................ 68 HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS ............................................................................ 69 Artikel 11 – Overgangsrecht.............................................................................................................. 69 Artikel 12 – Slotregel ......................................................................................................................... 69

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Regels

- 47 -

- 48 -

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 – Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: Plan: het bestemmingsplan "Noordeinde 130” met identificatienummer NL.IMRO.0627.BPNoordeinde130-0401 van de gemeente Waddinxveen. Bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. Verdere begrippen in alfabetische volgorde: Aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar – ingevolge de regels – regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. Aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding, indien het een vlak betreft. Aan- en uitbouw: een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. Aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, verzorgend, ontwerptechnisch, ambachtelijk, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen beroeps- of bedrijfsactiviteit, inclusief ondergeschikte (productie gebonden) detailhandel, dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bouwwerken op hetzelfde perceel wordt uitgeoefend waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse.

Achtererf: de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan. Bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Regels

- 49 -

Bed & breakfast: een kleinschalige overnachtingsgelegenheid ondergeschikt aan een woning die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is. Onder een Bed & breakfast worden niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur. Bestaande situatie: ten aanzien van bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen. ten aanzien van gebruik: het legale gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan. Bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. Bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming. Bevoegd gezag: bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw of ander bouwwerk met een dak. Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

Bouwgrens: de grens van een bouwvlak. Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel. Bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

- 50 -

Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Bruto vloeroppervlakte (bvo): bruto-oppervlakte als bedoeld in NEN2580. Coffeeshop: een horeca-inrichting waar verkoop en/of gebruik van softdrugs plaatsvindt. Dakkapel: een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. Dakopbouw: het vergroten van een bestaande ruimte door het realiseren van een verhoging van het bestaande dak (nokverhoging) of door het optrekken van de gevel. Detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Horeca: een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van een nachtverblijf en/of het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie, een en ander gepaard gaande met dienstverlening. Huishouden: één of meer personen die een huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen.

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Regels

- 51 -

Nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie en voorzieningen ten behoeve van gedeelde duurzame energie, zoals koude- en warmteopslag. Ondergeschikte functie functie waarvoor maximaal 30% van de bruto vloeroppervlakte tot een maximum van 50 m² als zodanig gebruikt mag worden. Ondersteunende horeca: ondergeschikte horecavoorzieningen binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren. Peil: het peil gemeten vanaf het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte maaiveld, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein wordt gemeten vanaf de aansluitende, afgewerkte gemiddelde maaiveldhoogte aangrenzend aan het bouwwerk. Prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. Seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden.

Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. Voorgevel: de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. Voorgevellijn: de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen; bij een hoekperceel wordt de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel, die naar de weg of openbaar groen is gekeerd ook beschouwd als voorgevellijn. Woning: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. Zijgevel: een gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw die voor en achtergevel met elkaar verbindt.

- 52 -

Artikel 2 – Wijze van meten Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: 2.1

Afstand de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn.

2.2

Bebouwingspercentage de verhouding tussen het bebouwde deel van een bouwvlak of bestemmingsvlak en het onbebouwde deel.

2.3

Bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4

Breedte, lengte en diepte van een gebouw tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

2.5

Dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.6

Goothoogte van een bouwwerk a. vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; b. bij meerdere/ verschillende (hellende) dakvlakken met verschillende goot- en/of boeiboordhoogten wordt de goot- en/of boeiboordhoogte gemeten bij het dakvlak, waarvan de verticale projectie meer bedraagt dan 50% van het grondoppervlak van een gebouw; c. bij toepassing van een lessenaarsdak wordt goothoogte gemeten op het hoogste snijpunt van het dakvlak met de daaronder gelegen gevel: onder de gevel wordt tevens verstaan het hart van de scheidsmuren met een gebouw op een aangrenzend bouwperceel.

2.7

Inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels ( en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.8

Oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk.

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Regels

- 53 -

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van aanduidingsgrenzen, bouwgrenzen dan wel bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

- 54 -

HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 – Wonen 3.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten;

met daarbij behorende: c. tuinen, erven en terreinen; d. parkeervoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. waterlopen en waterpartijen. 3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen Op of in de gronden mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming. 3.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan 1 per bouwvlak; c. de maximale goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 respectievelijk 10 meter. d. de inhoud van de bebouwing, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen, mag niet meer bedragen dan 750 m3. 3.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. bijbehorende bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd, op minimaal 1,0 m afstand achter de voorgevellijn; b. in afwijking van het bepaalde onder a zijn bijbehorende bouwwerken tevens voor de voorgevellijn toegestaan, mits: 1. het bestaande bouwwerken betreft, of 2. de bijbehorende bouwwerken voldoen aan de navolgende bepalingen: 1. uitsluitend aan- en/of uitbouwen zijn toegestaan; 2. de breedte van een aan- en/of uitbouw voor de voorgevellijn bedraagt maximaal 50% van de breedte van de desbetreffende gevel van het hoofdgebouw; 3. de goothoogte van een aan- en/of uitbouw voor de voorgevellijn bedraagt maximaal 3,0 m;

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Regels

- 55 -

4. de bouwhoogte van een aan- en/of uitbouw voor de voorgevellijn bedraagt maximaal 5,0 m; 5. de diepte van een aan- en/of uitbouw bedraagt maximaal 1,50 m; c. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bouwperceel bedraagt niet meer dan: 1.

in geval van een bouwperceel kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bouwperceel;

2.

in geval van een bouwperceel groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bouwperceel dat groter is dan 100 m²;

3.

in geval van een bouwperceel groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bouwperceel dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m².

d. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m; e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 7 m. 3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevellijn bedraagt maximaal 1,0 m; c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn bedraagt maximaal 2,0 m. Indien de terreinafscheidingen op de grens met het openbaar gebied staan, bedraagt de bouwhoogte: 1.

maximaal 1,0 m;

2.

maximaal 2,0 m, indien deze tenminste op een afstand van 1,0 m ten opzichte van de perceelgrenzen wordt gerealiseerd;

d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2,5 m. 3.3

Afwijken van de bouwregels

3.3.1 Afwijking bouwhoogte bijbehorend bouwwerk Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.3, voor het overschrijden van de maximaal toegestane bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat: a. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw; b. geen afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige kwaliteit van de bebouwing en aan het straatbeeld; c. er geen onevenredige aantasting van het woongenot van omwonenden plaatsvindt.

- 56 -

3.4

Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken en bergingen ten behoeve van bewoning. 3.4.2 Aan-huis-verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit Woningen mogen mede worden gebruikt voor aan-huis-gebonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten als ondergeschikte functie met dien verstande dat: a. maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning en de bij de woning behorende bouwwerken mag worden gebruikt tot een maximum van 50 m²; b. de woning blijft voldoen aan de bepalingen ingevolge of krachtens de Woningwet; c. de activiteiten worden uitgeoefend door tenminste een bewoner van de woning en ten hoogste één werknemer; d. groothandel, horeca en detailhandel zijn uitgesloten, uitgezonderd verkoop als ondergeschikte nevenactiviteit die verband houdt met de beroeps- of bedrijfsactiviteiten alsmede goederen die ter plaatse in het kader van de aan-huis-gebonden activiteiten zijn vervaardigd; e. er geen afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de woning en de buurt als gevolg van bijvoorbeeld geluids- of geuroverlast, reclame, verkeersaantrekkende werking of een onaanvaardbare parkeerdruk in de openbare ruimte waardoor extra verkeersmaatregelen waaronder parkeervoorzieningen noodzakelijk worden; f.

er geen activiteiten plaatsvinden waarvoor een milieuvergunning of een melding op grond van milieuwetgeving verplicht is. 3.5

Afwijken van de gebruiksregels

3.5.1 Afwijking Bed & Breakfast Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 teneinde een Bed & Breakfast toe te staan, met dien verstande dat: a. de woonfunctie als hoofdfunctie gehandhaafd dient te blijven; b. het aantal kamers niet meer dan 3,0 bedraagt; c. de woning door de hoofdgebruiker dient te worden bewoond; d. de Bed & Breakfast voorziening binnen de ter plaatse, op grond van de bouwregelgeving, toegestane bebouwing (hoofdgebouw met de daarbij bijbehorende bouwwerken) gerealiseerd dient te worden; e. de toegevoegde voorziening door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet mag (kunnen) functioneren als een zelfstandige woning; f. het parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden, waarbij als parkeernorm geldt 1 parkeerplaats per kamer, tenzij blijkt dat het parkeren binnen het openbaar gebied niet leidt tot een onevenredige hinder voor de woonomgeving; g. de Bed & Breakfast voorziening geen onevenredige afbreuk mag veroorzaken aan de gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; h. de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het pand, perceel of complex behouden dienen te blijven. Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Regels

- 57 -

3.5.2 Afwijking aan-huis-verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.4.2 teneinde een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit toe te staan tot een oppervlakte van maximaal 90 m², met dien verstande dat: a. maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning en de bij de woning behorende bouwwerken mag worden gebruikt; b. het bepaalde in lid 3.4.2 van overeenkomstige toepassing is.

- 58 -

Artikel 4 – Waarde - Archeologie - 2 4.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

4.2

Bouwregels

4.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden het maaiveld moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 4.2.2 Voorwaarden Indien uit het in lid 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

4.2.3 Weigeringsgrond vergunning Indien uit het in lid 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 4.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd. 4.2.4 Uitzondering archeologisch rapport Het overleggen van een archeologisch rapport zoals bedoeld in lid 4.2.1 is niet nodig indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Regels

- 59 -

4.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

4.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Het is verboden voor de 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van het bevoegd gezag voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt; b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 m bedraagt; f.

het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; h. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; i. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; j. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen. 4.3.2 Uitzonderingen Het verbod van lid 4.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. welke het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; het aanleggen van drainage wordt beschouwd als vallend onder het normale agrarische gebruik; b. welke reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

4.3.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning voor een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden kan slechts worden verleend, indien door de in lid 4.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.

- 60 -

4.3.4 Voorwaarden Voor zover de in lid 4.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden van de gronden, kunnen een of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 4.3.5 Onderzoeksplicht De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. c. het overleggen van een archeologisch rapport is niet nodig indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

4.3.6 Beoordelingscriteria Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij een ter zake deskundige. 4.4

Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen door: a. de bestemming 'Waarde Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Regels

- 61 -

Artikel 5 – Waarde - Archeologie - 3 5.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

5.2

Bouwregels

5.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1000 m² en dieper dan 30 cm beneden het maaiveld moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 5.2.2 Voorwaarden Indien uit het in lid 5.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

5.2.3 Weigeringsgrond vergunning Indien uit het in lid 5.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 5.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd. 5.2.4 Uitzondering archeologisch rapport Het overleggen van een archeologisch rapport zoals bedoeld in lid 5.2.1 is niet nodig indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

- 62 -

5.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

5.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Het is verboden voor de 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van het bevoegd gezag voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt; b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 m bedraagt; f.

het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; h. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; i. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 1000 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm; j. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen. 5.3.2 Uitzonderingen Het verbod van lid 5.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. welke het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; het aanleggen van drainage wordt beschouwd als vallend onder het normale agrarische gebruik; b. welke reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

5.3.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning voor een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden kan slechts worden verleend, indien door de in lid 5.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9586741/1