Bestemmingsplan Noordeinde 130 (toelichting regels en verbeelding)
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN NOORDEINDE 130, WADDINXVEEN
30 oktober 2020
BESTEMMINGSPLAN NOORDEINDE 130, WADDINXVEEN
ontwerp vaststelling
19 juni 2020
direct
pers
creatief
oonli
jk vlot
betrokken atisch
pragm
kundig
held
er
dyna
misc
h
BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl
INHOUDSOPGAVE I.
TOELICHTING
II.
REGELS
III.
BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)
IV.
VERBEELDING
I.
TOELICHTING
INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.
2.
3.
4.
INLEIDING........................................................................................................................... 11 1.1
Aanleiding ............................................................................................................................... 11
1.2
Ligging en begrenzing ............................................................................................................. 11
1.3
Vigerende bestemmingsplannen ............................................................................................ 11
1.4
Gekozen planopzet ................................................................................................................. 13
BELEIDSKADER .................................................................................................................... 15 2.1
Rijksbeleid ............................................................................................................................... 15
2.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................... 16
2.3
Regionaal beleid...................................................................................................................... 17
2.4
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................ 18
BESCHRIJVING VAN HET PLAN ............................................................................................. 21 3.1
Ontstaansgeschiedenis en huidig gebruik .............................................................................. 21
3.2
Planbeschrijving ...................................................................................................................... 22
TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN ............................................................................... 25 4.1
Bodem en NGE ........................................................................................................................ 25
4.2
Water ...................................................................................................................................... 26
4.3
Ecologie ................................................................................................................................... 28
4.4
Archeologie ............................................................................................................................. 30
4.5
Cultuurhistorie ........................................................................................................................ 31
4.6
Geluid ...................................................................................................................................... 31
4.7
Bedrijven en milieuhinder ...................................................................................................... 32
4.8
Externe veiligheid ................................................................................................................... 33
4.9
Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 35
4.10 Duurzaamheid......................................................................................................................... 36 4.11 Besluit m.e.r. ........................................................................................................................... 36 5.
6.
JURIDISCHE ASPECTEN ........................................................................................................ 39 5.1
Inleiding .................................................................................................................................. 39
5.2
De opzet van de planregels..................................................................................................... 39
5.3
Handhaving ............................................................................................................................. 41
UITVOERBAARHEID ............................................................................................................. 43 6.1
Financiële uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 43
6.2
Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro ............................................................................................. 43
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 43
Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting
-9-
- 10 -
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding Op het perceel Noordeinde 130 te Waddinxveen staan momenteel een woning met een grote, aangebouwde schuur en twee vrijstaande bijgebouwen. Van oorsprong betreft het een agrarisch bouwperceel, maar mede vanwege de komst van het Bentwoud zijn de agrarische bedrijfsactiviteiten beëindigd en heeft de agrarische bebouwing haar functie verloren. Het voornemen bestaat om het perceel te transformeren en één extra, nieuwe burgerwoning te realiseren, op grond van de provinciale ‘Ruimte-voor-ruimte’-regeling. De voorgenomen ontwikkeling is echter in strijd met het geldende bestemmingsplan. Door middel van een herziening van dat plan kan de beoogde ontwikkeling worden gerealiseerd.
1.2
Ligging en begrenzing Het plangebied is gelegen aan de westzijde van het Noordeinde, in het noordelijk deel van de gemeente Waddinxveen. Het Noordeinde vormt hier ook de gemeentegrens, aan de overzijde van het Noordeinde ligt de kern Boskoop. Het plangebied beslaat een deel van het huidige perceel Noordeinde 130, de plangrenzen komen overeen met de begrenzing van het nieuwe woonperceel. De nieuwe woning zal achter de bestaande boerderij worden gerealiseerd, daar waar nu (deels) nog een schuur staat en komt daarmee op het westelijk deel van het erf te staan. De initiatiefnemer is eigenaar van het gehele perceel. In afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 1: Ligging van het plangebied voor de nieuwe woning (links) en het plangebied (rechts).
1.3
Vigerende bestemmingsplannen Voor de gronden van het plangebied geldt voornamelijk het bestemmingsplan “Waddinxveen Noord West”, dat op 10 april 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Waddinxveen. Het perceel Noordeinde 130 heeft een bestemming ‘Agrarisch’ en is voorzien van twee functieaanduidingen, namelijk ‘sierteelt’ en ‘specifieke vorm van agrarisch plattelandswoning’. Voor de bestaande bebouwing is een bouwvlak op de planverbeelding ingetekend. De gronden met een bestemming ‘Agrarisch’ zijn aangewezen voor agrarische bedrijven, met uitzondering van veehouderijen. Ter plaatse van de aanduiding ‘sierteelt’ is een kwekerij met
Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting
- 11 -
een daarbij behorende trekkas toegestaan. Met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch plattelandswoning' is tevens het wonen, anders dan ten behoeve van het agrarisch bedrijf, mogelijk gemaakt. Deze aanduiding is opgenomen voor de bestaande woning en niet van toepassing op de gronden van het plangebied. Het hobbymatig houden van dieren, het telen van gewassen, het houden van dieren als ondergeschikte nevenactiviteit en aan huis verbonden beroepen in de bedrijfswoning is eveneens toegestaan. Bijbehorende functies zoals erven en terreinen, wegen en paden, bruggen en duikers en water zijn ook in de doeleindenomschrijving opgenomen. Naast de enkelbestemming ‘Agrarisch’ liggen op het perceel Noordeinde 130 drie dubbelbestemmingen. Enerzijds betreft het de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’, waarmee mogelijke archeologische waarden worden beschermd. Anderzijds gaat het om een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’, die is opgenomen ten behoeve van de waterkerende functie van het Noordeinde.
Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Waddinxveen Noord West” (plangebied oranje omkaderd).
Een heel klein deel van het perceel Noordeinde 130 valt onder het bestemmingsplan “Bentwoud”, dat op 16 september 2015 is vastgesteld. Het betreft de gronden aan de zuidzijde van het perceel waar een vrijstaand bijgebouw staat. Voor deze gronden gelden eveneens een enkelbestemming ‘Agrarisch’ en een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. De hierin opgenomen planregeling komt overeen met die van het plan “Waddinxveen Noord West”. Voorts is een aanduiding “bijgebouwen” op de planverbeelding weergegeven, waarmee de bestaande bebouwing (een schuurtje) is bestemd.
- 12 -
Deel van het bestemmingsplan “Bentwoud”
Afbeelding 3: Een klein deel van het plangebied ligt nu in het bestemmingsplan "Bentwoud" (plangebied oranje omkaderd).
De geldende bestemmingsplannen zijn conserverend van aard en staan de realisatie van een extra burgerwoning in het plangebied niet toe. In de geldende plannen zijn ook geen afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee de voorziene woning planologisch mogelijk gemaakt kan worden. Ten behoeve van een extra burgerwoning dient het planologisch kader te worden herzien. 1.4
Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling om de voorziene ontwikkeling mogelijk te maken. Deze regeling geschiedt door middel van de bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Waddinxveen en het bestemmingsplan “Waddinxveen Noord West” in het bijzonder. Verder is het plan met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012) vormgegeven.
Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting
- 13 -
- 14 -
2.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die betrekking hebben op Waddinxveen en in het bijzonder die voor dit bestemmingsplan.
2.1
Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 / Algemene Maatregel van Bestuur Ruimte (Barro) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) vastgesteld. Deze visie vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken in diverse documenten, zoals de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. De SVIR geeft daarmee een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Door vaststelling van de SVIR geldt voor de ruimtelijke ordening in brede zin dat een aanzienlijk deel van de Rijkstaken is gedecentraliseerd. Alleen voor een beperkt aantal onderwerpen wordt de bevoegdheid om algemene regels te stellen ingezet. Voor deze onderwerpen zijn kaderstellende uitspraken opgenomen. Deze zijn zodanig geformuleerd, dat ze beperkingen stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn de nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen opgenomen in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte.
Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en richt zich op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Daarnaast zorgt de AMvB voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Dit bestemmingsplan heeft geen invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Het beleid met betrekking tot verstedelijking heeft het Rijk onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' overgelaten aan de lagere overheden. Wel is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Deze ladder is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden. Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen. Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Conclusie Rijksbeleid ten aanzien van dit bestemmingsplan De nieuwe woning op het perceel Noordeinde 130 sluit aan op het karakter van de omliggende grondgebonden woningen aan het Noordeinde. Daarnaast past de woning binnen de regionale woningbouwafspraken. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is alleen van toepassing bij een stedelijke ontwikkeling (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)).
Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zaaknummer 201308263/2/R4, overweging 4.3) blijkt, dat realisatie van één of enkele woningen niet aangemerkt wordt als een 'woningbouwlocatie' en daarmee niet als een stedelijke ontwikkeling. Dit betekent dat de ladder voor duurzame verstedelijking op grond daarvan niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling. Gezien de
Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting
- 15 -
kleinschaligheid heeft het evenmin invloed op de door het Rijk gestelde 'doelen van nationaal belang', zoals vastgelegd in het Barro. De ontwikkeling past dan ook binnen het nationale beleid. 2.2
Provinciaal beleid Visie Ruimte en Mobiliteit, Verordening ruimte 2014 en Programma's Ruimte en Mobiliteit Als gevolg van grote veranderingen, zoals een veranderende economie, op sommige plaatsen een krimpende bevolking en meer behoefte aan duurzame energievoorzieningen, hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland op 9 juli 2014 de Structuurvisie "Ruimte en Mobiliteit" vastgesteld. Ook de Verordening ruimte 2014 en de programma's 'Ruimte' en 'Mobiliteit' maken hier deel van uit. Deze documenten zijn sinds 1 april 2019 opgegaan in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Het strategisch ruimtelijk beleid zoals verwoord in de Omgevingsvisie is operationeel vertaald in het Programma Ruimte. Het plangebied is hierbij aangemerkt als een gebied buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). In de Omgevingsvisie is aangegeven dat niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Een deel van die vraag past qua kwaliteit niet daarbinnen. Daarnaast kunnen er kwantitatieve beperkingen zijn. Een randvoorwaarde bij beter benutten is namelijk dat de leefkwaliteit in de bebouwde ruimte behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Ook kan de kwaliteit van de groene ruimte aanleiding zijn om een kwaliteitsverbetering te realiseren door middel van het toevoegen van stedelijke functies.
Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Gedeputeerde Staten zien toe op toepassing door gemeenten van de Ladder voor duurzame verstedelijking en het beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Het eindoordeel over stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied ligt bij Provinciale Staten. Deze worden door Provinciale Staten afgewogen en opgenomen op de 3 hectare kaart. De provincie ziet graag dat de Ladder voor duurzame verstedelijking op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Dit kan bereikt worden door de geplande opgave met behulp van regionale visies voor wonen, kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel met de andere gemeenten in de regio af te stemmen. Wanneer de regionale visies voldoen aan de behoefteramingen (eerste trede op de ladder voor duurzame verstedelijking), locatiekeuzes (tweede trede) en kwalitatieve (derde trede) uitgangspunten, worden die door Gedeputeerde Staten formeel aanvaard. Hierdoor beoordeelt de provincie niet langer de individuele bestemmingsplannen.
Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling Zoals uit de conclusie in § 2.1 blijkt, is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. Het plan voorziet in de toevoeging van één woning, van een stedelijke ontwikkeling is geen sprake. Hoewel het plangebied net niet onder het bestaand stads- en dorpsgebied valt, ligt het perceel Noordeinde 130 dicht tegen de kern Boskoop aan en kan zonder meer ook van een bebouwingslint worden gesproken. Daarnaast voldoet de ontwikkeling aan de (vroegere) ruimte-voor-ruimte regeling van de provincie Zuid-Holland, aangezien minstens 1.000 m2 aan bebouwing wordt gesaneerd, waarvan 592 m2 op het perceel - 16 -
zelf. Voorts ligt de locatie van de nieuwe woning op voldoende afstand van omringende (agrarische) bedrijven. Aldus leidt de beoogde woning niet tot onevenredige beperkingen. Gesteld wordt dan ook dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de geldende provinciale beleidskaders. 2.3
Regionaal beleid Regionale Agenda Wonen Midden-Holland Op 14 maart 2013 is de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland voor de periode 2013-2019 opgesteld. In deze regionale agenda leggen de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas vast hoe zij vorm geven aan de samenwerking rond wonen. Voor de periode 2013-2019 spreken de gemeenten het volgende met elkaar af: • Gemeenten zetten in op een regionale woningproductie die past bij de behoefte conform de provinciale WoningBehoefteRaming 2010 (migratiesaldo nul) en de bovenregionale opvangtaak voor de Zuidvleugel. De regionale woningbehoefte voor de periode 2010 tot en met 2019 is op basis van migratiesaldo nul geraamd op 10.600 woningen. • Elke gemeente voert daarvoor de maatschappelijk en financieel urgente projecten uit haar woningbouwprogramma 2012 tot en met 2019 uit. • Gemeenten kunnen projecten uitwisselen mits ze binnen de capaciteit van de opgegeven urgente woningproductie blijven, deze projecten een redelijk maatschappelijk belang hebben en zich niet in het buitengebied bevinden of er geen binnenstedelijk groen voor wordt opgeofferd. • Gemeenten bevorderen lokaal een kansrijke, kwalitatief diverse woningproductie die past bij de vraag in de markt. Zij baseren zich daarvoor op lokale en/of (sub)regionale woonvisies en analyses van de woningmarkt, zoals woningbehoeftenonderzoeken.
• Gemeenten gaan daarbij uit van een gemeenschappelijke regionale indeling in prijsklassen. Daarnaast hanteren gemeenten een verdeling in eengezinswoningen (grondgebonden) en meergezinswoningen (gestapeld). • Gemeenten hanteren daarvoor ook een gemeenschappelijke regionale indeling in woonmilieus, te weten een hoofdindeling in stedelijke, dorpse en landelijke woonmilieus. Vanwege de enorme diversiteit in dorpse woonmilieus hanteren gemeenten voor dorpse woonmilieus een onderverdeling gebaseerd op type gemeenschap en ruimtelijke opzet. • Gemeenten monitoren met elkaar eenmaal per twee jaar de voortgang en inhoud van de woningproductie en het woningbouwprogramma. Het woningbouwprogramma is een flexibel instrument dat bij gewijzigde marktomstandigheden bijgesteld kan worden. • Gemeenten onderzoeken met elkaar, woningcorporaties en andere partijen zoals beleggers/ particuliere verhuurders de problematiek en mogelijke oplossingen rond de huisvesting van lage middeninkomens nader. • Gemeenten verkennen met elkaar en betrokken partijen de behoefte van arbeidsmigranten aan tijdelijke huisvesting en mogelijke oplossingen hiervoor. • Gemeenten brengen met betrokken partners het zorg gerelateerde aanbod aan huisvesting voor bijzondere doelgroepen structureel in beeld en delen deze informatie periodiek met elkaar.
Daarnaast bespreken gemeenten initiatieven voor nieuwe zorg gerelateerde huisvestingsvoorzieningen voor bijzonder doelgroepen met elkaar om te beoordelen of deze bijdragen aan gesignaleerde tekorten en voldoende spreiding tussen gemeenten. • Voor mensen die moeten uitstromen uit de maatschappelijke opvang richting reguliere woningen maken gemeenten met elkaar en betrokken partners afspraken over een redelijke verdeling van het beschikbaar te stellen aanbod en de daarbij in te zetten instrumenten voor woonruimteverdeling. Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting
- 17 -
Conclusie regionaal beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling In algemene zin kan gesteld worden dat de planontwikkeling in overeenstemming met de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland. Het plan voorziet in de toevoeging van slechts één woning en is in overeenstemming met de gemeentelijke volkshuisvestelijke uitgangspunten, op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat het plan onderdeel kan uitmaken van de Regionale Agenda Wonen. 2.4
Gemeentelijk beleid Structuurvisie Waddinxveen 2030 De structuurvisie Waddinxveen 2030 is op 3 oktober 2012 door de gemeenteraad van Waddinxveen vastgesteld. In de structuurvisie wordt de toekomstige ontwikkeling van de gemeente Waddinxveen tot 2030 aangegeven. Het plan doet uitspraken over de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij ook aandacht is besteed aan sociale aspecten. Kenmerkend voor Waddinxveen is de ligging tussen stad en platteland, waardoor het als kleinstedelijk valt aan te merken. Deze identiteit heeft geleid tot de ambitie van groeigemeente met een dorps karakter. Waddinxveen wil met betrekking tot het aspect 'wonen' dan ook bouwen voor de lokale en regionale behoefte, waarbij de in het verleden gemaakte afspraken met de regio zoveel mogelijk wordt nagekomen. Vanwege de veranderende marktomstandigheden is het woningbouwprogramma ten opzichte van de structuurvisie uit 2006 echter naar beneden bijgesteld. In plaats van 6.000 woningen wordt uitgegaan van een programma van 4.250 woningen tot 2030. Dit betekent, dat jaarlijks gemiddeld 200 woningen worden gebouwd. Met deze prognose is aangesloten bij de regionale woonagenda. Een belangrijk deel van de Waddinxveense woonkwaliteiten wordt bepaald door de groen- en waterstructuren binnen de bebouwde kom.
Naast de interne groenstructuur wordt de kwaliteit van het wonen in Waddinxveen voor een belangrijk deel gedragen door de kleinschalige opzet van de wijken en buurten. Mensen voelen zich er thuis vanwege de ‘menselijke maat’, de aanwezige voorzieningen en het feit dat ze hun buurten kennen. De ruimtelijke kwaliteit vormt dan ook het belangrijkste uitgangspunt voor nieuw ontwikkelingen; deze ontwikkelingen moeten bijdragen aan de toekomstige woon-, leef- en werkklimaat van Waddinxveen. Op de integrale kaart van de structuurvisie is het plangebied gelegen binnen de groenblauwe zone, buiten de kern. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het realiseren van één nieuwe woning, na toepassing van de ‘Ruimte-voor-ruimte’-regeling. In de structuurvisie wordt het volgende gesteld ten aanzien van woningbouw in dit gebied: Naast de woningbouw in de Lanen en Linten (ISP) is de toevoeging van woningen in het buitengebied slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk. In lijn met het provinciaal beleid staat Waddinxveen alleen extra woningbouw toe in het kader van de Ruimte voor Ruimte regeling en het beleid voor nieuwe landgoederen. De uitvoering van dit beleid past goed in deze structuurvisie, omdat beide regelingen bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied en de gemeente als geheel.
- 18 -
Woonvisie 2018-2022 De gemeenteraad heeft op 13 december 2017 de Woonvisie Waddinxveen 2018-2022 vastgesteld. Het doel van deze woonvisie is richting te geven aan het beleid rondom wonen en de woningmarkt in Waddinxveen. Die richting bestaat uit een hoofddoelstelling, vier pijlers en een woningbouwprogramma. Hoofddoelstelling: prettig wonen voor iedereen Waddinxveen ligt op het grensvlak van stad en platteland. Het voorzieningenniveau is goed, de sociale cohesie is sterk, er is werkgelegenheid en de gemeente heeft een rijk verenigingsleven. Waddinxveen is goed bereikbaar. Dat maakt Waddinxveen een aantrekkelijke woongemeente. Iedereen die dat wil moet op een prettige, geschikte manier kunnen wonen in Waddinxveen. Daarom moet de woningvoorraad zo goed mogelijk aansluiten bij de markt en moeten mensen die hulp nodig hebben bij het vinden van passende huisvesting worden ondersteund. Pijler 1: beschikbaarheid en betaalbaarheid Er moet variatie zijn in het woningaanbod, zodat iedereen een geschikte woning kan vinden in Waddinxveen. De gemeente wil dan ook kwaliteit en diversiteit bieden, zowel qua woning als qua woonomgeving. Pijler 2: wonen, zorg en welzijn Prettig wonen hangt voor een groot deel ook samen met contact hebben met anderen en verzorgd worden wanneer dat nodig is en wonen in een geschikte woning.
Pijler 3: duurzaamheid Duurzaamheid is een belangrijk thema in zowel de bestaande voorraad als nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan een beter woonen leefklimaat. Pijler 4: leefbaarheid Prettig wonen hangt voor een belangrijk deel samen met leefbaarheid. Iedereen moet zich prettig en veilig kunnen voelen in de eigen directe woonomgeving. In Waddinxveen is de leefbaarheid goed. Doel is om dit zo te houden. Goede kwaliteit hangt samen met de woning zelf, maar ook met de woonomgeving. Waddinxveen kent verschillende woonmilieus. De gemeente bewaakt de aanwezige variatie in woonmilieus. Daarnaast wordt ingezet op woonmilieus met een onderscheidend karakter ten opzichte van de woonmilieus die in een bepaalde wijk al aanwezig zijn. Woningbouwprogramma Om aan de vraag te voldoen is het van belang inzicht te hebben in het gewenste programma voor Waddinxveen. Waddinxveen heeft veel ruimte om woningbouwplannen te realiseren. Naast de uitbreidingslocaties Park Triangel en 't Suyt zet de gemeente in op binnenstedelijke herontwikkeling en transformatie van vastgoed. De verdeling in vraag naar koop- en huurwoningen is ongeveer 55-45. De wenselijke verdeling tussen eengezins- en meergezinswoningen is min of meer gelijk. Van het nieuwbouwprogramma in Waddinxveen wil de gemeente minimaal 30% in de sociale huur realiseren.
Daarnaast wordt ingezet op 12% middeldure huur en 10% goedkope koop. De rest is in het middeldure en dure koopsegment. De woningbouw wordt gemonitord door middel van een jaarlijks bij te stellen woningbouwprogramma.
Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting
- 19 -
Mobiliteitsplan Het "Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020" is op 26 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Parkeerbeleid Op 9 juli 2014 heeft de gemeenteraad het parkeerbeleid vastgesteld (zie bijlage 2) en dit is in 2017 aangevuld (zie bijlage 3). Dit parkeerbeleid geeft aan wat wordt verstaan onder een goede parkeersituatie en wat het bereik van de verantwoordelijkheid van de gemeente is. Het parkeerbeleid is een uitwerking van het eerder door de gemeenteraad vastgestelde Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020. Met het parkeerbeleid werkt de gemeente aan het bereiken van de ambities uit het mobiliteitsplan. Groenstructuur en Groenbeleidsplan ‘Waddinxveen Hart voor Groen’ Uit evaluatie van het Groenstructuurplan 2004 kwam naar voren dat onderscheid tussen categorieën groen miste; al het groen stond aangegeven als hoofdstructuur, wat in de praktijk belemmerend werkte.
Voor bomen kwam hetzelfde naar voren. Dit werkte uit in veel teleurstelling over de procedure bij de verlening van kapvergunningen. Er miste een visie op de inrichting en samenstelling van het groen. Dit is meegenomen in het Groenstructuur en Groenbeleidsplan. In mei 2016 heeft de gemeenteraad het Groenstructuur en Groenbeleidsplan 'Waddinxveen Hart voor Groen' vastgesteld. In het groenstructuur en groenbeleidsplan worden de hoofd- en wijkgroenstructuren van het gemeentelijke groen vastgelegd. Tevens worden praktische beleidskaders voor het openbaar groen verwoord. Dit om duidelijkheid en toegankelijkheid naar een brede doelgroep te bieden. Dit wordt versterkt met kaartmateriaal dat onderscheid maakt tussen hoofd- en wijkgroenstructuur. Het beleid rond de hoofdgroenstructuur geeft prioriteit aan het behouden en versterken van het groen, er is weinig mogelijk door een streng beschermingsregime. Voor wijkgroen geldt een milder beschermingsregime, voor overig groen is meer mogelijk. Voor alle categorieën geldt dat bij een ingreep/ontwikkeling groen gecompenseerd wordt. Het groenstructuur en het groenbeleidsplan biedt meer ruimte voor een praktische afweging bij het kappen van bomen. Conclusie gemeentelijk beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling leidt tot de oprichting van een woning op het perceel Noordeinde 130 te Waddinxveen.
De ontwikkeling past binnen het (ruimtelijk) beleid van de gemeente Waddinxveen, zoals vastgelegd in de Structuurvisie Waddinxveen 2030 en de Woonvisie 2018-2022. Conform het parkeerbeleid wordt op de locatie bovendien in voldoende parkeergelegenheid voorzien. De realisatie van één nieuwe woning aan het Noordeinde heeft daarnaast geen invloed op de verkeersafwikkeling ter plaatse, noch op de hoofdgroenstructuren. Geconcludeerd wordt, dat dit bestemmingsplan past binnen de gestelde gemeentelijke beleidskaders.
- 20 -
3.
BESCHRIJVING VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. Alvorens daarop in te gaan wordt eerst de ontstaansgeschiedenis en het huidig gebruik beschreven.
3.1
Ontstaansgeschiedenis en huidig gebruik De gronden van het plangebied maakten vroeger deel uit van een veenwildernis, die in de dertiende eeuw is ontgonnen ten behoeve van landbouw. Het ontgonnen land werd echter tussen 1500-1700 voor turfwinning ontgraven. Daardoor ontstonden aan weerszijden van de middeleeuwse ontginningsweg Noordeinde diverse veenplassen. Het overgrote deel daarvan (aan de westzijde van het Noordeinde) werd in de tweede helft van de achttiende eeuw ingepolderd, het gedeelte aan de oostzijde een eeuw later. Het huidige gebied rondom Noordeinde 130 geeft nog een goed beeld van een voornamelijk negentiende-eeuws polderlandschap met bijbehorende bebouwing. De polder heeft een kenmerkend regelmatig rechthoekig wegen- en verkavelingspatroon en ligt daarnaast enkele meters lager dan het omliggende land. Om het water uit de polders te weren liggen kaden om de polders heen. Dwars op de verkavelingsrichting lopen enkele brede sloten die ‘tochten’ worden genoemd. Deze tochten vervullen een belangrijke rol in de afwatering van de polder. Het grootste gedeelte van gebied is nagenoeg volledig in gebruik voor akkerbouw. Een kleiner gedeelte wordt gebruikt voor sierteelt. Het is een open gebied met weinig opgaand groen.
De in de omgeving van het plangebied aanwezige bebouwing bestaat uit de lintbebouwing langs de westelijke kant van het Noordeinde en het Gouwebos ten oosten van deze weg. Dit lint bestaat uit een menging van functies als wonen, kleinschalige bedrijvigheid, agrarische bedrijven, kwekerijen en een bouwmarkt.
Afbeelding 4: (kadastrale ondergrond) bestaande situatie.
Op het perceel Noordeinde 130 staat momenteel een boerderij, bestaande uit een agrarische bedrijfswoning aan de voorzijde met aan de achterzijde een grote schuur die tegen de woning is aangebouwd. Deze boerderij is gebouwd in 1765 en is vermoedelijk de oudste nog
Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting
- 21 -
bestaande boerderij langs deze weg. Het pand was oorspronkelijk in eigendom van koning Willem II, die het als uitvalsbasis voor jachtpartijen gebruikte (zie ook § 4.5). Zowel ten noorden als ten westen van de oorspronkelijke schuur is sprake van aangebouwde uitbreidingen met verschillende bouwhoogten. Onder andere de achtergevel van het oorspronkelijk vrijstaande zomerhuis aan de noordzijde van het perceel is ‘ingepakt’ in één van die aanbouwen. Verder staan op het perceel nog twee losse bijgebouwen, één met het voorkomen van een hooiberg en een kleiner bijgebouw schuin daarachter, op de zuidwestzijde van het perceel. 3.2
Planbeschrijving Mede vanwege de ontwikkeling van het Bentwoud op de voormalige agrarische gronden ten westen van het perceel Noordeinde 130 zijn de agrarische bedrijfsactiviteiten beëindigd en heeft de agrarische bebouwing haar functie verloren. De eigenaar van het perceel is dan ook van plan om de gronden te herontwikkelen. Het voornemen is om daarbij gebruik te maken van de (provinciale) ‘Ruimte-voor-ruimte’-regeling. In de plantoelichting van het bestemmingsplan “Waddinxveen Noord West” is ingegaan op de provinciale Ruimte-voor-ruimte-regeling. Destijds is aangenomen dat het gebied grotendeels zijn agrarische functie zou behouden, waardoor de ruimte-voor-ruimte-regeling niet bij recht of door een flexibiliteitsbepaling mogelijk is gemaakt in het bestemmingsplan. Echter, overwogen is dat de ‘Ruimte-voor-ruimte’-regeling voor specifieke locaties gewenst kan zijn, hetgeen per aanvraag beoordeeld zal moeten worden. Tot enkele jaren terug kende de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland een specifieke ‘Ruimte-voor-ruimte’-regeling. Die regeling ging uit van (forfaitaire) oppervlaktenormen: per 5.000 m2 te saneren kas mocht één compensatiewoning worden teruggebouwd. Hetzelfde gold voor 1.000 m2 bedrijfsgebouwen en voor het omzetten van 2,25 hectare boom- en sierteeltbestemming. Daarbij was tevens een combinatie van fysieke sanering en een financiële bijdrage mogelijk.
De staat en de waarde van de opstallen deed er daarbij niet toe. Bepalend was het ruimtelijk criterium. De huidige Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland bevat geen gedefinieerde ‘Ruimte-voor-ruimte’-regeling meer. Ondanks dat de Omgevingsverordening geen specifieke regeling meer kent, kan nog steeds van de (uitgangspunten van) de ‘Ruimte-voor-ruimte’regeling gebruik worden gemaakt. Op grond van de Omgevingsverordening wordt de voorgenomen ontwikkeling dan wel meer op de kwalitatieve verbetering in plaats van de kwantitatieve verbetering beoordeeld. Het gaat dan om: • duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en/of sierteelt; • wegnemen van verharding; • toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; • andere maatregelen waarbij de ruimtelijke kwaliteit verbetert. De (oude) genoemde oppervlaktes worden daarbij overigens nog wel door de provincie ZuidHolland als richtlijn gehanteerd. Zoals uit de hieronder opgenomen situatietekening “nieuw” kan worden afgeleid, bestaat het voornemen om een aanzienlijk deel van de huidige bebouwing op het perceel Noordeinde 130 te slopen. Van de huidige hoofdbebouwing blijft de woning aan de voorzijde, met een grondoppervlak van 235 m2 staan. De schuur wordt ingekort en de achterzijde daarvan wordt in originele staat teruggebracht, wat bijdraagt aan de cultuurhistorische waarden.
Daarnaast blijft ook het bijgebouw met het voorkomen van een hooiberg (132 m2) staan. Per saldo leidt - 22 -
dit tot een afname van circa 595 m2 aan bebouwing op het perceel Noordeinde 130. Uitgaande van de vroegere ‘norm’ van 1.000 m2 te saneren bebouwing, is het noodzakelijk om zogenaamde extra ‘sloopmeters’ te verwerven. Hiertoe wordt in totaal 408 m2 bijgekocht van een ander perceel aan het Noordeinde.
Afbeelding 5: De beoogde nieuwe situatie.
De nieuwbouw op het perceel, met het adres Noordeinde 128, zal bestaan uit een woning met een oppervlak van circa 190 m2. Deze woning wordt achter de al bestaande woning gerealiseerd, doch minder ver naar achteren als de woningen ten zuiden van het te herontwikkelen perceel (Noordeinde 126 a, b en c). Vanzelfsprekend wordt ernaar gestreefd om de nieuwbouw op een landschappelijk aanvaardbare wijze in te passen, zodat sprake zal zijn van een merkbare ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Naast dat de nieuwe woning in het verlengde van de bestaande woning komt te liggen en de zichtlijnen verbeteren, wordt het perceel ontdaan van oude bebouwing en zal ook gebiedseigen beplanting worden toegepast bij de inrichting van het nieuwe erf.
Afbeelding 6: Impressie van de nieuwe woning.
Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting
- 23 -
Voor de woning gelden de standaard bouwbepalingen, zoals die ook gelden voor alle andere woningen in het nu geldende bestemmingsplan “Waddinxveen Noord West”. Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om te kunnen voldoen aan de parkeereis. Ten aanzien van de voormalige agrarische bedrijfswoning op het perceel Noordeinde 130 kan worden opgemerkt dat de sloop van de aangebouwde schuren tot een aanmerkelijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zal leiden. Zo komen de oorspronkelijke gevels van de stal en het zomerhuisje weer volledig in het zicht te staan. Verder wordt de achtergevel van de schuur herplaatst richting het woonhuis en wordt bij het terugbouwen van de nieuwe achtergevelmuur zoveel mogelijk gebruik gemaakt van oorspronkelijk bouwmateriaal, zoals de nog goede ijsselsteentjes en de stalramen. De stal behoudt zijn hoofdvorm doordat de achtergevel wordt afgesloten met eenzelfde wolfseindkap als in de huidige situatie. Aldus komt het achtergevelaanzicht weer zoveel mogelijk overeen met de oorspronkelijke situatie. Vanzelfsprekend wordt ook het erf rondom het huis heringericht.
- 24 -
4.
TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening, en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan, van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.
4.1
Bodem en NGE Bodemkwaliteit De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico’s voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerst genoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Het deel van de gronden waarop de nieuwe woning is voorzien, is onderworpen aan een verkennend bodemonderzoek 1. Uit het chemisch-analytisch onderzoek van het milieukundig bodemonderzoek blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met cadmium, kobalt, koper, nikkel, lood, zink en PAK. De overige onderzochte parameters zijn niet aangetroffen. Verder is de ondergrond licht verontreinigd met kwik, molybdeen en lood. Tenslotte is het grondwater uit de peilbuis niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Deze onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot vervolgonderzoek of sanerende maatregelen.
Milieuhygiënisch gezien zijn er geen belemmeringen voor het beoogde gebruik. Op basis van het bodemonderzoek wordt dan ook geconcludeerd dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde nieuwbouw. NGE (niet gesprongen explosieven) Naast eventuele verontreinigingen kunnen in de bodem ook nog niet gesprongen explosieven aanwezig zijn. Het betreffen hier dan veelal explosieven die tijdens de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog zijn gevallen. Uit ervaring blijkt, dat circa 10 tot 15% van deze explosieven niet functioneerden en als blindganger in de bodem zijn achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2012 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van dergelijke explosieven voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek is daardoor niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als bij graafwerk gestuit wordt op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.
1 Hoste Milieutechniek bv, Verkennend bodemonderzoek Noordeinde achter 130 te Waddinxveen, juni 2019,
kenmerk U19-0462.
Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting
- 25 -
4.2
Water
4.2.1
Beleid en normstelling Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Eventuele opmerkingen van de waterbeheerder worden meegenomen in de totstandkoming van de definitieve versie. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: • Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: • Nationaal Waterplan (NW). • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). • Waterwet. Provinciaal: • Provinciaal Waterplan. • Provinciale Structuurvisie. • Verordening Ruimte. Waterbeheerplan 2016-2021 Voor de planperiode 2016 - 2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft het waterschap aan wat zijn ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen.
Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn: • veiligheid tegen overstromingen; • voldoende water; • gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het er om dat het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden is. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. De taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. - 26 -
Waterplan Boskoop en Waddinxveen De gemeenten Waddinxveen en Boskoop hebben, in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, in 2010 een gezamenlijk waterplan opgesteld. Voor de gemeenten is het zorgvuldig omgaan met water van groot belang, onder andere vanwege de ligging in het waterrijke landschap van de veenpolders. Het waterplan bevat een gezamenlijke visie en een maatregelenplan. De beoogde resultaten van de visie zijn ‘droge voeten’, schoon water en een aantrekkelijker Waddinxveen en Boskoop. Op de visiekaart zijn de hoofdstructuren van het watersysteem (die fungeren als belangrijke ruimtelijke dragers), de ecologische verbindingszones en de landschappelijke elementen weergegeven. Bij herontwikkeling kunnen deze elementen dienen als basis voor de planvorming. In de visie is aan de hand van vier thema’s het bestaande (water)beleid vertaald naar een optimaal watersysteem in 2030: veiligheid en wateroverlast: In 2030 is het watersysteem veilig voor wateroverlast, duurzaam en robuust. Lokaal betekent dit dat de veenkades veilig zijn en dat er ruimte is voor waterberging, zodat bij hevige buien de overlast zoveel mogelijk wordt beperkt. waterkwaliteit en ecologie: Het water in Waddinxveen is in 2030 helder met een gevarieerde planten- en dierenwereld.
De randvoorwaarde daarvoor is een goede (ecologische) waterkwaliteit. De bronnen die dit beletten worden zoveel mogelijk aangepakt. gebruik en beleving: In 2030 is een hoge belevingswaarde en een optimale benutting op en rond het water bereikt. De verbeteringen zijn zoveel mogelijk gecombineerd met (recreatieve) ontwikkelingen. Hiervoor zijn zoveel mogelijk duurzame bouwmethoden toegepast en zijn de (cultuur)historische waarden zoveel mogelijk hersteld. beheer en onderhoud: Het onderhoud en beheer van het oppervlaktewater is in 2030 afgestemd op de gebruiksfuncties van het water (en de oevers). Het hoogheemraadschap en de gemeente werken efficiënt samen, waardoor de totale kosten zo laag mogelijk zijn. Om de visie in 2030 te bereiken, is een aantal maatregelen benoemd. Het waterplan zet vooral in op de verbetering van de waterkwaliteit en ecologie. De bedoeling is meer oevers natuurvriendelijk in te richten en hier werk van te maken zodra lokaal groot onderhoud van oevers nodig is. Met de aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt de waterkwaliteit in Waddinxveen verbeterd. Tegelijk wordt een onderzoek gestart naar de oorzaken van de slechte/ matige waterkwaliteit om de waterkwaliteit verder te kunnen verbeteren. Hierbij wordt samengewerkt met de hoogheemraadschappen. 4.2.2
Watertoets De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het beheer van het watersysteem is in handen van het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting
- 27 -
De beoogde herontwikkeling betreft de realisatie van één vrijstaande woning op het nieuwe perceel Noordeinde 128. Deze woning wordt gerealiseerd met gebruikmaking van de ‘Ruimtevoor-ruimte’-regeling. Dit betekent dat 1.000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt; hiervan bevindt zich 592 m2 op het perceel Noordeinde 130 en de rest wordt elders langs de Noordeinde verwijderd. De nieuw te bouwen woning heeft een grondoppervlak van zo’n 190 m2. Daarnaast dient voor de ontsluiting een nieuwe in-/uitritconstructie gerealiseerd te worden op eigen terrein. De beoogde herontwikkeling zal naar verwachting niet / nauwelijks leiden tot een toename van het verhard oppervlak. Omdat verder geen slootdempingen plaatsvinden, wordt het treffen van compenserende maatregelen niet noodzakelijk geacht. Ter hoogte van de Noordeinde ligt een regionale waterkering. De bij deze kering behorende kern- en beschermingszone, alsook het profiel van vrije ruimte, liggen over het perceel Noordeinde 130. De beoogde nieuwe woning bevindt zich echter buiten deze zones, zodat de waterkerende functie van dit dijklichaam niet nadelig wordt beïnvloed. De beoogde woning wordt uitgevoerd met een gescheiden rioolstelsel en wordt aangesloten op het huidige rioolstelsel. Mogelijk dat het hemelwater dat op de daken valt wordt afgekoppeld.
Het is daarbij van belang om duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toe te passen om diffuse verontreinigingen van water en bodem te voorkomen. Zink, lood, koper en PAK´s-houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. 4.2.3
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van water. Het aspect water staat de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg. De vaststelling van het bestemmingsplan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied.
4.3
Ecologie De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortbescherming. Hieronder worden beide aspecten nader toegelicht. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Uit een uitgevoerde ecologische quickscan 2 blijkt, dat het plangebied niet is gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op ruim 6,5 kilometer. Ook gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland en belangrijke weidevogelgebieden zijn op gepaste afstand gelegen (minimaal 1,3 kilometer).
Gezien de afstand tot deze gebieden, de ligging van het plangebied in de directe nabijheid van de bebouwde kom van Waddinxveen en het 2 Buro Maerlant, Waddinxveen Noordeinde 130; ecologische quickscan, februari 2020.
- 28 -
kleinschalige karakter van de ontwikkeling, wordt gesteld dat de beschermde natuurgebieden niet worden beïnvloed. Ten gevolge van dit project zal mogelijk sprake zijn van een zeer beperkte stikstofdepositie, maar gelet op de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000gebied zal geen sprake zijn van een causaal verband tussen de zeer beperkte stikstofdepositie van de beoogde ontwikkeling en dat natuurgebied. De bestaande bebouwing en wegen vormen namelijk een (reeds verstorende) buffer. Nader onderzoek is daarom niet aan de orde. Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; • alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Uit de eerder aangehaalde quickscan blijkt dat in het plangebied de volgende beschermde diersoorten verwacht worden c.q. aanwezig zijn: • vleermuizen; • vogels; • rugstreeppad. Hieronder wordt nader op deze diersoorten ingegaan.
In het plangebied worden vanwege het ontbreken van een geschikt leefgebied andere diersoorten niet verwacht; uitzonderingen betreffen algemeen voorkomende diersoorten. Hiervoor geldt echter op basis van de provinciale verordening een vrijstelling. Vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn diverse soorten vleermuizen waargenomen, waaronder de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. De meeste soorten zijn in meer of mindere mate gebouwbewonend. In het projectgebied zijn geen bomen aangetroffen met voor vleermuizen geschikten holten. Daarnaast is de aanwezige bebouwing beoordeeld als ontoegankelijk en ongeschikt voor vleermuizen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen is dan ook redelijkerwijs uitgesloten. De beoogde ontwikkeling heeft verder geen invloed op de vliegroutes en op de foerageermogelijkheden. Vogels In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek algemene vogels waargenomen, zoals merel, ekster en kauw. De te slopen gebouwdelen bieden geen potentie als broedlocatie; nesten werden tijdens het veldbezoek dan ook niet waargenomen. Desondanks zijn er diverse algemene vogelsoorten die op de meest uiteenlopende plekken kunnen broeden. Door preventief rekening te houden met de broedperiode, kan voorkomen worden dat in gebruik zijnde nesten worden verstoord.
Door het ontbreken van beschutte (broed)plekken ontbreken voor de meeste jaarrond beschermde soorten eveneens potenties in het plangebied. Uilen (zoals de steenuil en de kerkuil) verblijven ook op meer open zolders. Sporen werden echter niet aangetroffen. De huismus heeft niet veel nodig om te kunnen broeden, zodat enige potentie aanwezig was. Echter werd de huismus, in deze tijd van het jaar (mei) prominent aanwezig op en nabij nestlocaties, zowel in het plangebied zelf als de ruime omgeving niet gezien of gehoord. Bestemmingsplan Noordeinde 130, Waddinxveen – Toelichting
- 29 -
Sporen van de huismus werden ook niet aangetroffen. De aanwezigheid van nesten van de huismus en/of overige jaarrond beschermde soorten kan op basis van deze habitatscan worden uitgesloten. Rugstreeppad In de omgeving van het plangebied is de rugstreeppad waargenomen. Door het ontbreken van voortplantingswater en voldoende beschutting ontbreken potenties voor deze soort. De rugstreeppad is echter zéér mobiel en kan gebieden snel koloniseren. Voorkomen moet worden dat binnen het plangebied tijdelijke plassen ontstaan. Als stagnatie van (hemel)water in de voortplantingsperiode (half april tot en met september) niet voorkomen kan worden, dient het bouwterrein met amfibieschermen afgezet te worden. Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt gesteld, dat de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt voor de beoogde herontwikkeling van het plangebied. Niet uitgesloten kan worden dat broedende vogels in de nabijheid aanwezig zijn, zodat wordt geadviseerd de werkzaamheden aan en nabij de bebouwing buiten het broedseizoen uit te voeren. Ook dient stagnatie van (hemel)water voorkomen te worden, dan wel amfibieschermen geplaatst te worden. 4.4
Archeologie Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WaMZ) legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. Zo verplicht de WaMZ om bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij afwijking daarvan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, omdat ze grotendeels verborgen liggen in de bodem, waardoor ze niet eenvoudig te karteren zijn. Voor de onbekende waarden is de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) opgesteld, de bekende waarden zijn opgenomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK). Op 16 november 2012 heeft de gemeente Waddinxveen de gemeentelijke Nota Archeologiebeleid vastgesteld. Het beleid bestaat uit de “Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen” en de “Toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingen en beleidskaart van Waddinxveen”.
De essentie van het archeologiebeleid van de gemeente Waddinxveen bestaat uit het 'archeologieproof' maken van nieuwe bestemmingsplannen en beheersverordeningen en voldoet hiermee aan de eisen van de Monumentenwet 1988 (nu de Erfgoedwet). De nota is een relatief algemeen document en is niet zo snel aan een actualisatie toe. De toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingen en beleidskaart Waddinxveen is in tegenstelling tot de nota wel aan veranderingen onderhevig. Door nieuwe inzichten, ontwikkelingen en nieuwe onderzoeken is de archeologische verwachtingenkaart en daarmee de beleidskaart verouderd. In opdracht van de gemeente Waddinxveen heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland de archeologische beleidskaart daarom recentelijk geactualiseerd.
- 30 -
Voor het plangebied zijn twee archeologische verwachtingswaarden van toepassing. Deze archeologische verwachtingswaarden zijn conform het bestemmingsplan “Waddinxveen Noord West” overgenomen in dit bestemmingsplan door middel van de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2", ter plaatse van het Noordeinde en de te realiseren woning (oostzijde plangebied), en "Waarde - Archeologie 3" voor de gronden aan de westzijde van de nieuwe woning. In deze dubbelbestemmingen is aangegeven aan welke voorwaarden voldaan moet worden, alvorens eventuele bodem verstorende activiteiten uitgevoerd mogen worden. Toetsing zal plaatsvinden zodra sprake is van een concreet bouwplan. 4.5
Cultuurhistorie In het kader van het project 'modernisering monumentenzorg' (MoMo) hebben per 1 januari 2012 enkele wijzigingen in de wet- en regelgeving plaatsgevonden. Voor het bestemmingsplanproces is de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de belangrijkste: gemeenten dienen in hun bestemmingsplannen rekening te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Hierdoor is een verplichting ontstaan om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In het plangebied komen cultuurhistorische waarden voor. De boerderij op het perceel Noordeinde 130 is gebouwd in 1765 en is vermoedelijk de oudste nog bestaande boerderij aan het Noordeinde. Het pand was oorspronkelijk enige tijd eigendom van koning Willem II, die het als uitvalsbasis voor jachtpartijen gebruikte. Het pand heeft echter geen monumentale status, noch is het complex opgenomen in de gemeentelijke monumentenlijst. In het bestemmingsplan “Waddinxveen Noord West” is echter wel rekenschap gegeven aan de historische waarde van het bebouwingslint van het Noordeinde.
Omdat met de voorgenomen ontwikkeling ook een groot deel van de tegen de woning aangebouwde schuren zal worden gesloopt, is een quick scan naar de cultuurhistorische waarden uitgevoerd 3. Hieruit komt naar voren dat, onder andere door de sloop van die aangebouwde bebouwing en het herstel dan wel de herplaatsing van de oorspronkelijke achtergevelmuur, sprake zal zijn van een verbetering van de cultuurhistorische waarden. De beoogde werkzaamheden hebben dan ook betrekking op de delen van het erf die als detonerend kunnen worden aangemerkt. De slotsom is dat de voorgenomen ontwikkelingen vanuit het belang van cultuurhistorie aanvaardbaar zijn.
4.6
Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Wegverkeerslawaai Het bestemmingsplan maakt de bouw van een geluidsgevoelig object mogelijk, namelijk een woning). Deze woning ligt binnen de toetsingszone van een zoneplichtige weg als bedoeld in de Wet geluidhinder, te weten het Noordeinde (N455). Toetsing aan de grenswaarden uit de 3 Novio Ruimtelijke Analyses, Quick scan cultuurhistorie Noordeinde 130, mei 2019.