CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

b. bijlagen concept BOPA

Besluitvormende raadsvergadering 16 oktober 2024, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: BOPA Park Vredenburgh Triangel23.263 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

MEMO PROJECT

Park Vredenburgh I3

PROJECTNUMMER

SLM027463

ONDERWERP

Onderzoek externe veiligheid

REFERENTIE

SLM027463-NOT-001

AUTEUR

Ann-Sofie Corthouts

DATUM

24 september 2024

1

INLEIDING

Binnen het deelgebied Park Vredenburg (I3) van het Park Triangel in Waddinxveen is de realisatie van maximaal 177 nieuwe woningen voorzien. Daarnaast is voorzien in een aantal maatschappelijke voorzieningen zoals een school, een huisarts – gezondheidscentrum en een kinderdagverblijf. In voorliggende notitie is het aspect ‘externe veiligheid’ beoordeeld voor de beoogde ontwikkelingen in het deelgebied.

2

EXTERNE VEILIGHEID

Externe veiligheid beschrijft de grootte van het overlijdensrisico als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. De mate van externe veiligheid wordt bepaald door het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico:

risico op een plaats buiten een inrichting, een transportroute of een buisleiding, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is vastgesteld op ten hoogste 1 x 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Er zijn drie typen aandachtsgebieden: - Brandaandachtsgebieden gaan over de bescherming tegen warmtestraling van een brand. Binnen het brandaandachstgebied kan de warmtestraling > 10 kW/m 2 zijn; - Gifwolkaandachtsgebieden gaan over de bescherming tegen een concentratie giftige stoffen in de lucht. Binnen een gifwolkaandachtsgebied kunnen personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan een gifwolk. - Explosieaandachtsgebieden gaan over de bescherming tegen de overdruk van een explosie. Binnen een explosieaandachtsgebied kan meestal een gaswolkexplosie (BLEVE) plaatsvinden met een warmtestraling > 35 kW/m 2 of een explosie met een overdruk > 10 kPa. De gemeente moet binnen aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico.

wsp.com/nl

pagina 1/4

Groepsrisico:

cumulatieve kansen per jaar dat meer dan 10 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in een aandachtsgebied van een inrichting, een transportroute of een buisleiding en een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

De gemeente maakt de afweging of zij (delen van) brand- en explosieaandachtsgebieden aanwijzen als voorschriftengebieden. Dit is in ieder geval verplicht voor dat deel van het aandachtsgebied waarbinnen zich zeer kwetsbare gebouwen (ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, basisscholen etc.) bevinden. De gemeente kan ervoor kiezen om een ruimer deel van het aandachtsgebied (waarbinnen nog geen zweer kwetsbare gebouwen zijn gelegen) ook als voorschriftengebied aan te wijzen. Voor alle nieuwe gebouwen binnen het voorschriftengebied gelden dan aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), zoals extra eisen aan de brandwerendheid en de brandklasse van een gebouw. 2.1

ONGEVALLEN GEVAARLIJKE STOFFEN

In het plangebied zijn geen externe veiligheidsrisicobronnen aanwezig. In de onmiddellijke omgeving van het plangebied zijn enkele externe veiligheidsrisicobronnen gesitueerd. Op basis van de signaleringskaart EV versie 2.6 zijn de aanwezige risicobronnen geïnventariseerd. In de figuren 2-1 en 2-2 is de situering van het plangebied ten opzichte van deze risicobronnen, incl. de PRcontouren, respectievelijk de aandachtsgebieden, grafisch weergegeven.

Figuur 2-1 Risicobronnen incl. PR-contouren ten opzichte van het plangebied (blauw omkaderd)

wsp.com/nl

pagina 2/4

Figuur 2-2 Risicobronnen incl. aandachtsgebieden ten opzichte van het plangebied (blauw omkaderd)

Uit figuur 2-2 blijkt dat de aandachtsgebieden van deze risicobronnen niet reiken tot het plangebied, waardoor deze risicobronnen geen belemmering vormen voor het plangebied. 2.2

HOOGSPANNINGSLIJNEN

De magneetveldzones rond het bovengrondse hoogspanningsnet zijn door het RIVM vastgelegd in de Netkaart. Deze Netkaart bevat de breedte van de indicatieve magneetveldzone. Indien de indicatieve zone een bestemmingsplan overlapt, moet nader onderzoek plaatsvinden. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ten westen van het plangebied is gelegen.

wsp.com/nl

pagina 3/4

Figuur 2-3 Ligging hoogspanningslijnen ten opzichte van het plangebied

De indicatieve zone voor de hoogspanningslijnen bedraagt maximaal 115 meter aan weerszijden. Het plangebied ligt, met circa 4,2 kilometer, ruim buiten deze indicatieve zone, waardoor de hoogspanningslijnen geen risico opleveren voor de planrealisatie. 2.3

CONCLUSIE

De aandachtsgebieden (en PR-contouren) van de nabijgelegen activiteiten met gevaarlijke stoffen reiken niet tot het deelgebied. Ook hoogspanningslijnen liggen op voldoende afstand van het deelgebied. Bijgevolg vormen de risicobronnen in de omgeving geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woningen en maatschappelijke voorzieningen binnen het deelgebied Park Vredenburgh (I3) van het Park Triangel in Waddinxveen.

wsp.com/nl

pagina 4/4

GEMEENTE WADDINXVEEN

PARK VREDENBURGH I3 AANMELDNOTITIE M.E.R.-BEOORDELING

7 SEPTEMBER 2024

WSP NEDERLAND B.V. GAETANO MARTINOLAAN 50 6229 GS MAASTRICHT +31 (0)88 910 20 00 wsp.com/nl

PROJECTNUMMER SLM027463 AUTEUR Mathijs van Mullekom (WSP) DOCUMENTNUMMER SLM027463-MM, versie 1

COLOFON RAPPORTHISTORIE 1.0

7 september 2024

Initiële versie

CONTACTGEGEVENS Mathijs van Mullekom +31 6 51 64 32 62 mathijs.vanmullekom@wsp.com

AUTORISATIE PROJECTNUMMER DOCUMENTNUMMER

VERSIE

STATUS

SLM027463

1

Versie 1

SLM027463-MM

OPGESTELD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Mathijs van Mullekom

Adviseur

7 september 2024

GEVERIFIEERD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Patrick Daggenvoorde

Adviseur

7 september 2024

GOEDGEKEURD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Patrick Daggenvoorde

Adviseur

7 september 2024

PARAAF

PARAAF

PARAAF

2

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Ligging plangebied

4

1.3

Planbeschrijving

4

1.4

Leeswijzer

5

2

M.E.R.-BEOORDELING

6

2.1

Een M.E.R(-beoordelings-)plichtige activiteit

6

1.5

Procedure en beoordelingscriteria

6

2

KENMERKEN EN PLAATS VAN HET PROJECT

8

2.1

Het project

8

2.2

Mogelijk aanzienlijek milieueffecten

8

3

KENMERKEN VAN DE MOGELIJKE EFFECTEN

9

3.1

Activiteiten en milieuzonering

9

3.2

Geluid

11

3.3

Luchtkwaliteit

12

3.4

Bodem

14

3.5

Omgevingsveiligheid

15

3.6

Archeologie en cultuurhistorie

15

3.7

Natuur en ecologie

15

3.8

Verkeer en Parkeren

17

3.9

Water

19

4

CONCLUSIE

20

—

3

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING

Binnen het deelplan Park Vredenburg (I3) van het Park Triangel in Waddinxveen is de realisatie van een school, kinderopvang en overige maatschappelijke voorzieningen. Vanwege de voorgenomen ontwikkelingen, is het noodzakelijk om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Deze beoordeling heeft als doel de potentiële milieueffecten van het project in kaart te brengen en te beoordelen of een milieueffectrapportage noodzakelijk is.

1.2

LIGGING PLANGEBIED

Het plangebied ligt zuiden van de plaats Waddinxveen, onder de Zuidelijke Rondweg (zie rood aangeduid in Figuur 1).

Figuur 1 - Ligging plangebied in de omgeving

Het plangebied wordt aan de noordzijde begrenst door de Zuidelijke Rondweg, en aan de zuidzijde door de agrarische percelen.

1.3

PLANBESCHRIJVING

Momenteel ligt het terrein nog braak. Er zijn al enkele voorbereidingen getroffen om het gebied bouwrijp te maken voor de aanstaande ontwikkelingen. De maatschappelijke voorziening wordt centraal in deelgebied I3 gerealiseerd vlak bij de toegangswegen die gerealiseerd worden vanuit de Zuidelijke Rondweg. In onderstaand figuur is de situatietekening weergegeven van de ligging ten opzichte van de omgeving. Het gebouw heeft drie bouwlagen waarbij de begane grond en eerste verdiepingen in gebruik wordt genomen voor de school en het bijbehorende kinderdagverblijf. In het gebouw zijn diverse les- en speellokalen, team/spreekkamers, ateliers, toiletten en bergingen voorzien. De tweede verdieping is kleiner en zal voornamelijk in gebruik worden genomen voor (para)medische zorg.

4

Figuur 2 - Schets nieuwe inrichting plangebied

1.4

LEESWIJZER

In hoofdstuk 2 van deze notitie wordt het algemene kader voor de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling en de procedure geschetst. In hoofdstuk 3 en 4 worden de criteria uit de Europese m.e.r.-richtlijn behandeld: de kenmerken en plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, in relatie tot de huidige situatie in het plangebied. Hoofdstuk 5 bevat de conclusie naar aanleiding van de beoordeling van alle relevante criteria.

5

2 M.E.R.-BEOORDELING 2.1

EEN M.E.R(-BEOORDELINGS-)PLICHTIGE ACTIVITEIT

Om de eerder omschreven ontwikkeling van de school mogelijk te maken, moet worden afgeweken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Waddinxveen. Op grond van de Omgevingswet is een m.e.r.beoordeling nodig, geregeld in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. Bij een project-m.e.r.-beoordeling (artikel 16.43 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden en of er daarom noodzaak is tot het opstellen van een milieueffectrapport (MER). Het project valt onder stedelijke ontwikkelingsprojecten zoals genoemd in bijlage V, categorie J11 van het Omgevingsbesluit, waaruit blijkt dat geen directe verplichting geldt voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (kolom 2). Echter, wanneer aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r.-procedure nodig.

1.5

PROCEDURE EN BEOORDELINGSCRITERIA

De m.e.r.-beoordeling hoort bij het besluit (i.c. omgevingsplan), waarin de hiervoor genoemde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. De gemeente is initiatiefnemer en is daarnaast bevoegd gezag voor het vaststellen van het omgevingsplan en bevoegd te besluiten of een milieueffectrapportage nodig is (de m.e.r.-beoordeling). Als het bevoegd gezag en initiatiefnemer hetzelfde zijn, worden betrokken bestuursorganen geraadpleegd door het bevoegd gezag. De wijze waarop dit plaatsvindt is vormvrij. Aan de hand van de criteria uitgewerkt in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit, wordt bepaald of de activiteit leidt of kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De criteria zijn: 1.

de kenmerken van het project; a) de fysieke kenmerken van het gehele project b) de locatie van het project 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project 3. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project als gevolg van a) de verwachte residuen en emissies van de productie van afvalstoffen; b) het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit De bevindingen zijn in deze aanmeldnotitie verwerkt, op grond waarvan de gemeente een besluit kan nemen of voor de activiteit al of niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Voor het opstellen van deze aanmeldnotitie is gebruik gemaakt van de onderzoeken die zijn uitgevoerd om de genoemde ontwikkeling in de toelichting van het omgevingsplan te onderbouwen. Bij verwijzingen naar de onderzoeken wordt naar de desbetreffende bijlage bij de toelichting van de ruimtelijke motivering. De onderzoeken zijn niet nogmaals als bijlagen bij de m.e.r-beoordeling gevoegd.

6

Figuur 3 - Uitsnede bijlage V Omgevingsbesluit.

7

2 KENMERKEN EN PLAATS VAN HET PROJECT 2.1

HET PROJECT

Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) De fysieke kenmerken van het gehele project b) De locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn Ad a. Het project omvat het realiseren van een school met buitenruimte in deelplan Vredenburgh I3 van Park Triangel. Het perceel heeft een totale oppervlakte van ca. 2.860 m2, waarvan circa 1.580 m2 buitenruimte. Momenteel hebben de percelen de functie ‘uit te werken woongebied’. In de bestaande situatie is het gebied niet in gebruik en ligt braak. De huidige functie is een ‘uit te werken woongebied’. Ad b. Het plangebied heeft op dit moment geen bijzondere kwaliteit. Van natuurlijke hulpbronnen is geen sprake. Het gebied heeft geen bijzondere status in de zin van de Wet natuurbescherming (Natura 2000). Het gebied ligt ook buiten de begrenzing van het Nationaal Natuur Netwerk (NNN). In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen gebieden aanwezig die vallen onder het NNN. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu wordt niet bedreigd. Zoals al aangegeven, is de ontwikkeling van de school onderdeel van een grotere ontwikkeling in Park Triangel en deelgebied Park Vredenburgh I3. Zo worden op naastgelegen kavels 177 nieuwe woningen gerealiseerd.

De maatschappelijke voorzieningen worden vergund met toepassing van een omgevingsvergunning Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA). Voor de overige ontwikkelingen in i3 wordt uitgegaan van een wijziging van het omgevingsplan.

2.2 MOGELIJK AANZIENLIJEK MILIEUEFFECTEN Bij het bepalen van de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) De mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project b) De mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project als gevolg van: 1. De verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; 2. Het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit Ad a. De toekomstige situatie zorgt, gezien de aard en omvang, in beginsel niet voor hinder. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de situatie in overeenstemming is met een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ en dat hinder niet is te verwachten. De aard en omvang van het project zorgt niet voor een relevant risico op ongevallen.

8

Ad b.1 De activiteiten leiden niet tot een relevante productie van afvalstoffen. Ad b.2 Het project zorgt niet voor een relevante wijziging in het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij de bouw wordt naar verwachting (in ieder geval deels) gebruik gemaakt van machines op brandstof, maar dit is tijdelijk en geeft geen aanleiding om aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen.

3 KENMERKEN VAN DE MOGELIJKE EFFECTEN 3.1

ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING

Beoordelingskader De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om onder andere na te gaan of het aannemelijk is dat hinder kan worden verwacht (voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar) in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien of andersom. De VNG-publicatie geeft richtafstanden per bedrijfscategorie. Het toetsingskader uit de VNG-publicatie bestaat in totaal uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt op basis van de in de publicatie opgenomen richtafstanden. Deze richtafstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’2 mogen de richtafstanden met één stap worden verlaagd. Als voorbeeld: een richtafstand van 50 meter voor een rustige woonwijk wordt voor het gemengd gebied verkleind tot 30 meter. Indien woningen en andere geluidgevoelige gebouwen op kleinere afstand zijn gelegen dan de richtafstanden, kan in stap 2, 3 of 4 gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden. Richtafstanden inrichtingen (stap 1) De milieucategorieën en daarbij horende richtafstanden worden voor verschillende type bedrijven vermeld in hoofdstuk 1 (lijst 1) van de VNG-publicatie.

De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een gevoelig gebouw dat volgens het plan mogelijk is. De richtafstanden die in de lijst zijn opgenomen gelden voor het gebiedstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Binnen Park Vredenburg (I3) worden naast woningen ook maatschappelijke voorzieningen in de vorm van een school, een huisarts – gezondheidscentrum en een kinderdagverblijf voorzien. Daarnaast is het deelgebied gelegen aan de Zuidelijke Rondweg, één van de drukkere ontsluitingswegen van Waddinxveen, die gezien kan worden als hoofdinfrastructuur. Om deze reden wordt er gesteld dat er in dit deelgebied sprake is van functiemenging die niet passend is in het profiel van een ‘rustige woonwijk’ en kan worden gerechtvaardigd dat de richtafstanden met één stap worden verkleind, zoals bedoeld in de VNG-publicatie. In onderstaande tabel worden de van toepassing zijnde richtafstanden, zijnde de richtafstanden voor het omgevingstype gemengd gebied, weergegeven.

9

Tabel 1 Richtafstanden gemengd gebied MILIEUCATEGORIE

RICHTAFSTAND [M] GEMENGD GEBIED

1

0

2

10

3.1

30

3.2

50

4.1

100

4.2

200

5.1

300

5.2

500

Activiteiten in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied (Vredenburgh I3) bevinden zich de volgende bedrijfsmatige activiteiten: Wagro Rondom het bedrijf Wagro (milieucategorie 4.1) aan de Tweede Bloksweg 54 geldt een geurcirkel. Deze overlapt echter niet met het deelgebied Park Vredenburgh (I3). De afstand van het terrein van de inrichting Wagro tot aan het Park Vredenburgh (I3) is ongeveer 700 meter. Bij een dergelijk grote afstand is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bedrijventerrein Coenecoop Op bedrijventerrein Coenecoop is de vestiging van bedrijven in milieucategorie 3.1, 3.2 en 4.1 mogelijk. Langs de rand van bedrijventerrein Coenecoop is ten hoogste milieucategorie 3.2 toegestaan. Dit betekent dat kan worden uitgegaan van een richtafstand van 50 meter. De afstand tussen dit bedrijventerrein en het plangebied is ca. 800 meter. Er is dus sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Windmolens Distripark Op het Distripark, ten zuidwesten van het plangebied staan 4 windmolens. Windmolens kunnen in de omgeving overlast veroorzaken zoals slagschaduw, geluid en gevaar. De afstand van de windmolens tot het plangebied is zo groot, dat er geen relevante invloed te verwachten is. Geconcludeerd wordt dat bestaande inrichtingen op voldoende grote afstand tot het plangebied zijn gelegen.

Daarnaast zijn er reeds bestaande woningen op een kortere afstand ten opzichten van bovengenoemde activiteiten gelegen. Als gevolg van deze inrichtingen wordt dus geen hinder verwacht en is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Activiteiten binnen het plangebied De voorziene ligging van de maatschappelijke voorzieningen (school, gezondheidscentrum, kinderdagverblijf) binnen Park Vredenburgh (I3) is weergegeven in onderstaande figuur. Voor deze maatschappelijke functies zijn de richtafstanden opgenomen in bijgaande tabel.

10

Figuur 4 Maatschappelijke voorzieningen binnen plangebied (blauw omkaderd) Tabel 2 Richtafstanden maatschappelijke functies binnen Park Vredenburgh (I3) INRICHTING

SBI-2008

RICHTAFSTAND [M] GEUR

STOF

GELUID

GEVAAR

GROOTSTE

AFSTAND TOT AFSTAND TOT

AFSTAND [M]

NIEUWE

BESTAANDE

(GEMENGD

WONINGEN

WONINGEN

GEBIED)

School

852, 8531

0

0

30

0

10

17

50

Gezondheidscentrum

8621, 0 8622, 8623

0

10

0

0

17

50

0

30

0

10

17

50

Kinderdagverblij 8891 f

0

Uit bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat aan alle richtafstanden conform stap 1 uit de VNGpublicatie is voldaan, zowel t.o.v. bestaande woningen als t.o.v. nieuwe woningen in het gebied. Conclusie Geconcludeerd wordt dat met voorliggende invulling van het gebied sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er wordt immers ook geen hinder verwacht bij gevoelige bestemmingen als gevolg van de voorziene maatschappelijke functies.

3.2 GELUID Voor de school en de bijbehorende maatschappelijke voorzieningen wordt een aanvraag om een Omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (verder ‘BOPA’) ingediend. Voor de bouw

11

van de woningen wordt gewerkt met een wijziging van het Omgevingsplan. Hiervoor is akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd en is bruikbaar voor beide procedures. Binnen het deelgebied Park Vredenburgh (I3) van het Park Triangel in Waddinxveen is de realisatie van nieuwe woningen voorzien. Daarnaast is voorzien in een aantal maatschappelijke voorzieningen zoals een school, een huisarts-gezondheidscentrum en een kinderdagverblijf. Diverse bronnen van wegverkeerslawaai, o.a de Beijerincklaan, de Vredenburglaan, de Tweede Bloksweg, de Zuidelijke Rondweg en de A12, zijn relevant voor deze locatie. Doel van voorliggend onderzoek is om de geluidbelasting van de relevante wegen te bepalen en te toetsen of aan de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) kan worden voldaan. Geconcludeerd is dat het geluid als gevolg van de rijksweg A12 en de relevante provinciale wegen ten hoogste 55 dB respectievelijk 54 dB bedraagt. Het geluid als gevolg van de relevante gemeentewegen bedraagt ten hoogste 57 dB. Al deze geluidbelastingen zijn hoger dan de standaardwaarde, waarbij echter de grenswaarde niet wordt overschreden. Geconcludeerd is ook dat zowel bron- als overdrachtsmaatregelen in de voorliggende situatie stuiten op bezwaren van technische, vervoerskundige of landschappelijke aard of als onvoldoende doelmatig kunnen worden beoordeeld.

Ontvangermaatregelen worden in ieder geval getroffen op basis van de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Op basis van de instructieregels uit het Bkl in combinatie met de nieuw vastgestelde Beleidsregels van de regio Midden-Holland is tenslotte geconcludeerd dat het aanvaardbaar is om voor enkele woningen/geluidgevoelige functies meer geluid toe te staan dan de standaardwaarde.

3.3 LUCHTKWALITEIT Bij de planvorming moet rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Er is getoetst op zogenaamde aandachtsgebieden; locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Het plan voorziet in het realiseren van maatschappelijke voorzieningen in de vorm van een school, kinderopvang en (para)medische zorg. Voor de gehele stedenbouwkundige uitwerking van het plangebied I3 heeft verkeerskundig onderzoek plaatsgevonden en zijn de nieuwe verkeersgeneraties bepaald. Uitgaande de genoemde verkeersgeneratie blijkt dat voor de verkeersgeneratie voor de totale ontwikkeling van de school en het kinderdagverblijf uit wordt gegaan van maximaal 1.859 voertuigbewegingen per weekdag (zie onderstaande tabel). Tabel 3 Voertuigbewegingen per weekdag

Functie Huisartsenpraktijk

Weekdag 6 x 25,5 = 153

Halen en brengen basisschool Medewerkers basisschool Medewerkers kinderdagverblijf

356 x 2 = 712 13,5 x 2 = 27 420/100 x 31,2 = 131

Totaal

1.859

Methode Cf. Crow uitgangspunten (sterk stedelijk, rest bebouwde kom, gemiddelde) (6 behandelkamers) Verkeersgeneratie ochtendspits x 2 (middagspits) 2x parkeerbehoefte basisschool (excl. K&R) Cf. CROW uitgangspunten (sterk stedelijk, rest bebouwde kom, gemiddelde)

12

Het aandeel vrachtverkeer is zeer beperkt. Uitgaande deze gegevens is uitgegaan van een scenario zonder omrekenfactor van 1.859 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) met 1% aandeel vrachtverkeer. In onderstaande figuur zijn de rekenresultaten vanuit de NIBM-tool weergegeven. Geconcludeerd kan worden dat bij 1.859 extra voertuigbewegingen geen nader onderzoek nodig is. Pas bij 2.750 extra voertuigbewegingen per dag is mogelijk sprake van een in betekende mate bijdrage. Dat betekent dat er geen sprake is van een in betekende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

Figuur 5 NIBM-tool maatschappelijke voorzieningen en maximaal aantal voertuigbewegingen.

Uitgaande de berekening blijkt dat de maximale bijdrage door extra verkeer voor NO2 0,82 µg/m3 is. Voor PM10 is dit slechts 0,18 µg/m3. Dit is ruim minder dan de grenswaarden waardoor de bijdrage niet in betekende mate toevoegt. Er is geen nader onderzoek nodig. Om inzicht te geven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) benaderd. Hieruit blijkt dat op alle meetpunten (Monitoringsronde 2023) in de omgeving de concentratie N02 en PM10 < 35 µg/m3 en de PM 2,5 < 20 µg/m3 is.

Figuur 6– PM10 concentratie nabij toegang deelgebied I3

13

Figuur 7 - PM 2,5 concentratie nabij toegang deelgebied i3

3.4 BODEM Deelgebied I3 maakt onderdeel uit van bestemmingsplan “Triangel”. Dit betreft een plan met een uitwerkingsverplichting. Uit artikel 6, lid 1 sub a en sub h van het betreffende bestemmingsplan blijkt dat aan het plangebied al de bestemming “wonen met bijbehorende erven en tuinen” en “maatschappelijke voorzieningen” zijn toegekend. Daaraan is op basis van artikel 6, lid 2 sub p de uitwerkingsregel verbonden dat “uit bodemonderzoek moet blijken dat de bodem geschikt is voor de ter plaatse beoogde functies”. Het voorgenoemde bestemmingsplan is sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Noch in het betreffende bestemmingsplan, noch in het omgevingsplan van de gemeente Waddinxveen wordt gespecificeerd wanneer “de bodem geschikt is” voor “wonen met bijbehorende erven en tuinen” en/of “maatschappelijke voorzieningen”. Voor de beoogde maatschappelijke voorzieningen is er sprake van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Paragraaf 22.2.7.2 van het tijdelijk Omgevingsplan stelt regels omtrent onderzoek, de toelaatbare kwaliteit van de bodem en de te treffen maatregelen indien uit onderzoek blijkt dat die waarde wordt overschreden. Samengevat betekent dit dat: • Voor realisatie van het bouwwerk moet bodemonderzoek worden uitgevoerd volgens paragraaf 5.2.2.

van het Besluit activiteiten leefomgeving. • De resultaten van het onderzoek moeten worden getoetst aan de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem. Deze wordt overschreden indien voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie in meer dan 25 m³ bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Het volumecriterium van 25 m³ is niet van toepassing voor een verontreiniging met asbest. • Wanneer de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden dienen er sanerende of andere beschermende maatregelen te worden getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bovenstaande regels hebben betrekking op het gebouw en het direct daaraan grenzende aaneengesloten terrein. Ter plaatse van de te realiseren maatschappelijke voorzieningen zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd:

14

1. 2.

Eindonderzoek afvalbrengstation Waddinxveen, Geofoxx milieu expertise documentnummer 20211561_a1RAP, d.d. maart 2022 Actualiserend historisch vooronderzoek Park Vredenburgh te Waddinxveen, WSP Nederland B.V. documentnummer SOM020988.RAP001, d.d. 16 juni 2022;

Uit de onderzoeken wordt aanbevolen om voorafgaand aan de ontwikkeling van de locatie een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5897 uit te voeren ter plaatse van het voormalige afbrengstation. Dit dient als voorwaarden in de (bouw)vergunning meegenomen te worden. Op het overige deel van de locatie wordt geen aanvullend onderzoek aanbevolen. Dit is deels in 2013 in voldoende mate onderzocht en sinds 2013 hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Naar oordeel van WSP Nederland B.V. kan, na uitvoering van het nadere onderzoeken, en rekening houdend met bovenstaande voldaan worden aan: a) De uitwerkingsregel uit “Triangel, bestemmingsplan artikel 10 Waddinxveen”; b) Het gestelde in paragraaf 22.2.7.2 van het omgevingsplan van de gemeente Waddinxveen.

3.5 OMGEVINGSVEILIGHEID Een onderzoek naar externe veiligheid is uitgevoerd. De resultaten zijn weergegeven in het ‘Onderzoek externe veiligheid Park Vredenburgh I3 te Waddinxveen, WSP Nederland B.V. documentnummer SLM027463.NOT-001, d.d. 24 september 2024’. Geconcludeerd wordt dat de aandachtsgebieden (en PR-contouren) van de nabijgelegen activiteiten met gevaarlijke stoffen niet reiken tot het projectgebied. Ook hoogspanningslijnen liggen op voldoende afstand van het projectgebied. Bijgevolg vormen de risicobronnen in de omgeving geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woningen en maatschappelijke voorzieningen binnen het deelgebied Park Vredenburgh (I3) van het Park Triangel in Waddinxveen.

3.6 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Ter plekke van de nieuwe maatschappelijke voorzieningen is, uitgaande het parapluplan archeologie en parkeren, geen archeologische waarden opgenomen. Archeologie vormt daarmee naar verwachting geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en archeologisch vervolgonderzoek niet nodig is. Derhalve kan worden geconcludeerd dat mogelijk aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord.

3.7 NATUUR EN ECOLOGIE De Omgevingswet bevat regels voor het beschermen van bijzondere gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming Ten aanzien van de ontwikkeling zijn diverse onderzoeken uitgevoerd in het kader van soortenbescherming onder de Omgevingswet. Voor deelgebied i3 heeft in 2022 al een Quickscan plaatsgevonden (WSP Milieu B.V. 2022 Quickscan Ecologie, Park Vredenburg SLM02936.RAP001, versie 001) en een nadere inspectie naar de rugstreeppad (WSP Milieu B.V., Bevindingen Ecologische Inspectie 2022). De resultaten uit deze eerdere

15

QuickScans wezen uit dat het plangebied mogelijk een functie vervult voor de rugstreeppad en algemene broedvogels. Tijdens de verdere ecologische inspectie naar de rugstreeppad in 2022 zijn deze echter niet aangetroffen. Het gebied is sinds deze tijd niet onderheven geweest aan veranderingen waardoor geen veranderingen aan functionaliteiten van beschermde natuurwaarden hebben plaatsgevonden. Daarom is enkel een actualisatie vanuit het bronnenonderzoek door middel van de Nationale Databank Flora en Fauna gedaan. Op 26 juni 2024 heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarna het oorspronkelijke rapport uit 2022 is geactualiseerd met nieuwe bevindingen aan de hand van de nieuwe inzichten en de Omgevingswet. Deze Quickscan vormt de eerste fase in het kader van toetsing van plannen in de buitenruimte aan de Omgevingswet met betrekking tot flora & fauna activiteiten en Natura 2000-activiteiten. Conclusies quickscan Uitgaande het onderzoek kan geconcludeerd worden dat in de huidige situatie zich geschikt biotoop vindt in de vorm van geschikte voortplantingswateren en gering landsbiotoop. Binnen het plangebied zijn geen individuen van de rugstreeppad aangetroffen. In de afgelopen twee jaar sinds de vorige ecologische inspectie hebben geen individuen zich binnen het plangebied gevestigd.

Hierdoor is de kans gering geschat dat de soort zich vestigt tijdens de werkzaamheden, maar dit is niet uit te sluiten wegens het aanwezig zijn van potentiële voortplantingswateren. Geadviseerd wordt om de kans op vestiging te voorkomen middels de volgende maatregelen: • Ontstane waterplassen, als bij rijsporen en gegraven laagtes, dempen in de periode van april tot eind juli • Heuvels van licht vergraafbare grondsoorten zoals zand afdekken en afvoeren. Verdere conclusies en aanbevelingen uit het rapport zijn: Flora en fauna activiteit Vaatplanten, reptielen, ongewervelden, vleermuizen, amfibieën en jaarrond beschermde nesten Voor dit onderdeel zijn geen vervolgstappen noodzakelijk (Kleine) marterachtigen (Steenmarter, wezel, hermelijn & bunzing) Er zijn verschillende waarnemingen van de steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel bekend op verschillende locaties rondom het plangebied. Er moet nader onderzoek plaatsvinden bij verwijderen van geschikte dekkingsstructuren. Dit onderzoek betreft: • Cameravallen (een meetpunt per 0,25 hectare geschikt leefgebied) • Periode begin juni – half november • Onderzoeksperiode van acht aaneengesloten weken Algemene broedvogels De werkzaamheden dienen buiten de broedperiode (15 maart t/m 15 augustus) uitgevoerd te worden.

• Mocht dit niet mogelijk zijn, dient voorafgaand van de werkzaamheden de werklocatie vrijgegeven te worden door een ecoloog. • Indien zich een broedvogel vestigt op de bouwlocatie, dient contact opgenomen te worden met een ecoloog om te bespreken hoe te handelen. Alle soorten Voor alle overige soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving, geldt de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Houtopstanden Indien kapwerkzaamheden plaatsvinden aan bomen • Gemeentelijke (omgevings-)vergunning nodig bij

16

Monumentale, waardevolle of gemeentelijke bomen Bomen van minimaal 1,3 meter hoogte boven het maaiveld én een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 centimeter. Hierbij komt mogelijk een meldings-, herplant- en instandhoudingsplicht aan bod. o o

•

Natura-2000 activiteit en provinciaal natuurbeleid (NNN) Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd natuurgebied en ligt op geruime afstand (8 kilometer) van het dichtstbijzijnde N-2000-gebied de ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ In de QuickScan is het volgende geconcludeerd: • Middels een AERIUS-berekening dient te worden nagegaan of er sprake is van een negatief effect op Natura 2000-gebieden zijn als gevolg van stikstofdepositie. Dit onderzoek wordt verderop besproken. • Er is geen sprake van een effect op NNN. Onderzoek stikstofdepositie Het aspect stikstofdepositie is onderzocht. De resultaten hiervan zijn uitgewerkt in het “Onderzoek stikstofdepositie t.b.v. BOPA maatschappelijke voorzieningen”, onder referentie SLM027463-NOT-003, van 7 oktober 2024. Het onderzoek concludeert dat de voorziene plannen niet leiden tot een berekende toename van de stikstofdepositie en dus niet tot significant negatieve effecten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Voor de bouwfase is onderzocht hoeveel emissie op jaarbasis niet leidt tot een berekende toename van de stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden. Uitgaande van de inzet van STAGE IV-materieel (i.c.m. elektrisch materieel) zijn per jaar ca.

4.100 draai-uren op de bouwplaats toegestaan en kunnen minstens 2.500 personenwagens en 1.250 vrachtwagens naar de bouwplaats komen zonder dat dit een depositietoename veroorzaakt. Op basis van onze ervaring in soortgelijke bouwprojecten wordt geconcludeerd dat dit project technisch en economisch ruim uitvoerbaar is binnen de hierboven opgegeven randvoorwaarden ten aanzien van de stikstofemissie. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat een Omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit niet noodzakelijk is en het aspect stikstofdepositie verder geen belemmering vormt voor dit project.

3.8 VERKEER EN PARKEREN Ten aanzien van deelgebied I3 heeft verkeerskundig onderzoek plaatsgevonden naar parkeren en de verkeersafwikkeling van de wijk. De conclusies zijn uitgewerkt in het rapport “Verkeerskundig onderzoek Vredenburgh” onder kenmerk 015746.20240116.R1.02, van 6 juni 2024. Hieronder worden de conclusies van het rapport besproken. Conclusies verkeerskundig onderzoek Parkeren Ten behoeve van de gehele ontwikkeling van I3 is door de gemeente Waddinxveen een parkeerberekening opgesteld. Deze berekening voor I3 is hieronder opgenomen.

17

Figuur 8 Parkeerbalans I3

Uitgaande de parkeerberekeningen is voor de school, het kinderdagverblijf en het gezondheidscentrum uitgegaan van 32,3 parkeerplekken. Er wordt daarbij uitgegaan van 18 schoollokalen, 420 m 2 aan kinderdagverblijf en 6 behandelkamers voor de overige (zorg) gerelateerde maatschappelijke voorzieningen. In totaal is deelgebied i3 een parkeerbehoefte van afgerond 273 parkeerplekken. Rekening houdend met dubbelgebruik van de openbare parkeerplaatsen, bedraagt de parkeerbehoefte op het maatgevend moment (werkdagavond) 231 parkeerplaatsen. De totale parkeercapaciteit die wordt gerealiseerd bedraagt 273 parkeerplaatsen waardoor een overschot is van 43 parkeerplaatsen. Op alle momenten in de week is sprake van voldoende parkeercapaciteit. Halen en brengen kinderen In de gemeentelijke parkeerberekening is geen rekening gehouden met het halen en brengen van de kinderen op de basisschool en het kinderdagverblijf (K&R). Tijdens de ochtend- en de middagperiode (halen en brengen kinderen) is in het gebied een restcapaciteit van ten minste 74 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte tijdens het halen en brengen van de kinderen bedraagt 67 en 56 parkeerplaatsen tijdens respectievelijk de ochtend- en de middagperiode. Tijdens deze momenten is in het gebied een restcapaciteit van ten minste 74 parkeerplaatsen beschikbaar.

Hiermee is voldoende parkeercapaciteit beschikbaar om ook tijdens het halen en brengen van de kinderen te voldoen aan de parkeerbehoefte. Parkeerplaatsen, kiss & ride en verkeersveiligheid Ten aanzien van de gehele ontwikkeling van deelgebied I3 is een (stedenbouwkundig) ontwerp opgesteld waarin onder andere de parkeerplekken en Kiss & Ride zone voor de maatschappelijke voorzieningen zijn meegenomen. Bezoeker kunnen parkeren in directe nabijheid van de school. Tevens is er een fietsenstalling voorzien op eigen terrein. In basis wordt ervan uitgegaan dat de school grotendeels op loop- en fietsafstand ligt. Het ontwerp gaat uit van een zo verkeersveilig mogelijke inrichting van de buitenruimte waarbij aandacht is besteed voor verkeer in relatie tot de ingang van de school, groene inrichting, de parkeermanoeuvres, rijcurven en maatvoeringen rondom de maatschappelijke voorzieningen. In het verkeersonderzoek worden verder ingegaan op de ontwerpkeuzes in het stedenbouwkundig plan.

18

3.9 WATER In ruimtelijke plannen dient aandacht te worden besteed aan waterhuishoudkundige aspecten. Ten behoeve hiervan is een beoordeling van het waterbelang uitgevoerd, waarin de waterhuishouding binnen het plangebied wordt omschreven. Binnen het plangebied zijn verschillende bestaande watergangen aanwezig. De meeste watergangen, zoals de watergangen langs de grenzen van het plangebied, betreffen oppervlaktewater uit categorie ‘overig’. In de noordwestelijke hoek van het plangebied bevindt zich ook een deel van een primaire watergang. Figuur 9 geeft de plannen weer voor waterhuishouding binnen het plangebied. Een aantal watergangen worden gedempt (roze), en een aantal aangrenzende watergangen worden behouden (licht blauw) of nieuw aangelegd (donker blauw). Ook worden enkele wateroverloopgebieden aangeduid (licht groen),

G Figuur 9 Situatietekening waterhuishouding (roze = dempen, licht blauw = bestaand, donker blauw = nieuw)

In het kader van het bestemmingsplan Triangel is eerder uitvoerig op het thema water ingegaan en zijn ook afspraken gemaakt met de waterbeheerders over de omgang met dit thema, zoals waterberging, veiligheid en waterkwaliteit. Tevens heeft uitvoerig onderzoek plaatsgevonden. Het plan dat destijds is opgesteld, is ook van toepassing voor deelplan I3, en deze aandachtspunten zijn dus overgenomen in de beoordeling van het waterbelang. Onderstaande afspraken betreffen dus de afspraken voor geheel plan Triangel. Het bruto oppervlak van de ontwikkeling bedraagt 106 ha. Wanneer ervan uit wordt gegaan dat 50% van het gebied verhard wordt dan moet voor 53 ha. waterberging gecompenseerd worden. Binnen het gebied is al 15 ha. verhard, waardoor de waterbergingsopgave geldt voor 53-15 = 38 ha. Voor dit oppervlak geldt dat conform de eisen van het hoogheemraadschap waterberging gerealiseerd moet worden. De te realiseren waterberging bedraagt dan 19.400 m3. Deze bergingshoeveelheid dient gevonden te worden tussen het peil van -5.92 m. NAP en -6.25 m. NAP (toetshoogte voor grasland). Het benodigde wateroppervlak voor waterberging bedraagt dan 5,9 ha. Wanneer de hoeveelheid vermeerderd wordt met de hoeveelheid bestaand open water dan bedraagt het te realiseren wateroppervlak in totaal 14,5 ha.

Ook zijn op dit niveau afspraken gemaakt over het wegpeil, bodemdaling, afkoppelen van hemelwater, natuurlijkvriendelijke oevers, en beheer en onderhoud. Ook zijn regels over beschermingszones voor watergangen vastgelegd.

19

Voor de uitwerking van het onderdeel water wordt aangesloten bij boven omschreven plan. Gedurende het proces wordt daarvoor nauw contact gehouden met het waterschap.

4 CONCLUSIE De beoogde ontwikkeling in het plangebied, te weten de realisatie van een school, kinderopvang en overige maatschappelijke voorzieningen, heeft op zichzelf en/of in cumulatie met andere ontwikkelingen, niet zodanige nadelige milieugevolgen dat hiervoor een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. Het bevoegd gezag wordt verzocht een dergelijk besluit te nemen.

20

ONDERBOUWING LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING PARK TRIANGEL 21 MAART 2017

ONDERBOUWING LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING PARK TRIANGEL 21 MAART 2017

Status: Eindrapportage Datum: 21 maart 2017 Een product van: Bureau Stedelijke Planning bv Hoge Gouwe 93 2801 LD Gouda 0182 - 689416 www.stedplan.nl info@stedplan.nl Team Ruimtelijke Ordening en Wonen Drs. Frans Wittenberg Tim Polman MSc. Sophie Kemp MSc. Voor meer informatie: Drs. Frans Wittenberg, fw@stedplan.nl In opdracht van: Gemeente Waddinxveen

De in dit document verstrekte informatie mag uitsluitend worden gebruikt in het kader van de opdracht waarvoor deze is opgesteld. Elk ander gebruik behoeft de voorafgaande schriftelijke toestemming van Bureau Stedelijke Planning BV©. Projectnummer: 2016.G.336 Referentie: Eindrapportage 2016.G.336 Waddinxveen LDV Park Triangel 210317

INLEIDING ..................................................................................................................6 1.1 AANLEIDING EN DOEL 1.2 VRAAGSTELLING 2

AFBAKENING REGIONALE WONINGMARKT EN ONDERZOEKSPERIODE............ 7

3

LOCATIE EN PLANBESCHRIJVING ..................................................................... 10 3.1 LOCATIEGEGEVENS 3.2 PROJECTGEGEVENS

4

BELEIDSKADER ................................................................................................... 12

5

WONINGVRAAG .............................................................................................. 16 5.1 HUISHOUDENSPROGNOSE 5.2 DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELING 5.3 GEWENSTE WONINGTYPEN

6

WONINGAANBOD ............................................................................................ 20 6.1 BESTAANDE WONINGVOORRAAD 6.2 ONTWIKKELING VAN DE WONINGMARKT 6.3 HUIDIG AANBOD 6.4 TOEKOMSTIG AANBOD

7

ACTUELE REGIONALE WONINGBEHOEFTE (TREDE 1) ....................................... 26 7.1 KWANTITATIEVE WONINGBEHOEFTE 7.2 KWALITATIEVE WONINGBEHOEFTE 7.3 BOVENREGIONALE VRAAG VANUIT ROTTERDAM EN DEN HAAG 7.4 TREDE 2 EN 3 VAN DE LADDER 7.5 CONCLUSIES

8

QUICKSCAN LADDER GEMENGDE VOORZIENINGEN ..................................... 31

INHOUDSOPGAVE

8.1 BEDRIJVENTERREINEN 8.2 KANTOREN 8.3 OVERIGE KLEINSCHALIGE FUNCTIES BIJLAGE 1 BEGRIPPENLIJST BIJLAGE 2 LITERATUURLIJST

6

AFBAKENING REGIONALE WONINGMARKT EN ONDERZOEKSPERIODE

INLEIDING

1.1 AANLEIDING EN DOEL In het gebied ten zuidwesten van Waddinxveen, tussen de spoorlijn en de A12, ligt Park Triangel. Een nieuwe wijk in Waddinxveen waar ruimte is voor woningen, kantoren, bedrijvigheid, maatschappelijke voorzieningen en een park. Het huidige bestemmingsplan voor Park Triangel dateert van september 2008 en is nu toe aan een actualisatie. Het programma dat in het nieuwe bestemmingsplan is voorzien moet worden onderbouwd aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. De Ladder voor Duurzame Verstedelijking bestaat uit drie Treden. In Trede 1 moet worden aangetoond dat er sprake is van een regionale behoefte. In het geval van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied zijn ook Trede 2 en 3 vereist. Bij Trede 2 gaat het om de onderbouwing dat de geplande ontwikkeling niet elders binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk is. Ten slotte is in Trede 3 van belang dat de locatie multimodaal is (of wordt) ontsloten. Park Triangel geldt als bestaand stedelijk gebied. Daarom is alleen de eerste Trede van de Ladder van toepassing: een onderbouwing van de regionale behoefte aan woningen, kantoren en bedrijvigheid.

1.2 VRAAGSTELLING Centrale onderzoeksvraag: Wat is in het kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking de actuele regionale behoefte aan woningen en gemengde bestemming met de mogelijkheden voor bedrijven, kantoren en kleinschalige functies, voor Park Triangel in Waddinxveen?

Deelvragen: 1. 2. 3. 4.

Wat is de actuele en toekomstige vraag per functie in de regio Waddinxveen? Wat is het huidige en geplande aanbod per functie in de regio Waddinxveen? Hoe groot is de actuele behoefte per functie in de regio Waddinxveen? In hoeverre past het beoogde programma in Park Triangel binnen de beschikbare Ladderruimte per functie?

Voor de functie wonen is een complete analyse van de actuele regionale behoefte uitgevoerd. Aanvullend is voor de gemengde bestemming met mogelijkheden voor bedrijven, kantoren en kleinschalige functies, een quickscan verricht.

AFBAKENING REGIONALE WONINGMARKT EN ONDERZOEKSPERIODE

2 AFBAKENING REGIONALE WONINGMARKT EN ONDERZOEKSPERIODE

Deze behoefteraming heeft betrekking op de periode 2017-2027. Daarmee wordt aangesloten op de gebruikelijke planhorizon van een bestemmingsplan van tien jaar. De begrenzing van het onderzoeksgebied is gebaseerd op het functioneren van de regionale woningmarkt en vastgesteld met behulp van de verhuisbewegingen tussen Waddinxveen en direct aangrenzende gemeenten (CBS, 2017). Het primaire onderzoeksgebied betreft de gemeente Waddinxveen (Figuur 1). FIGUUR 1 AFBAKENING PRIMAIR EN SECUNDAIR ONDERZOEKSGEBIED

Bron: CBS Statline, 2017 bewerking Bureau Stedelijke Planning

7

8

AFBAKENING REGIONALE WONINGMARKT EN ONDERZOEKSPERIODE

Het aandeel verhuisde personen in Waddinxveen dat afkomstig was uit de eigen gemeente lag in de periode 2011-20141 op ongeveer 50% (Tabel 1). Het aantal mensen dat in die periode vanuit Waddinxveen naar een andere gemeente verhuisde, was ongeveer gelijk aan de instroom in Waddinxveen van uit andere gemeenten. TABEL 1 VERHUISDE PERSONEN BINNEN EN UIT WADDINXVEEN 2011-2014

AANTAL VERHUISDE AANDEEL IN TOTAAL PERSONEN AANTAL VERHUIZINGEN Verhuizingen naar Waddinxveen vanuit andere gemeenten

3.417

50,7%

Verhuizingen binnen Waddinxveen

3.323

49,3%

Totaal verhuisde personen in Waddinxveen

6.740

100%

Verhuizingen uit Waddinxveen naar andere gemeente

3.539

100%

Bron: CBS Statline, 2017

De omliggende gemeenten waar Waddinxveen de sterkste verhuisrelatie mee heeft, zowel qua vestiging als vertrek, zijn Alphen aan den Rijn, BodegravenReeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard en Zuidplas. Samen vormen deze gemeenten het secundaire onderzoeksgebied. Deze gemeenten bevinden zich allen in de provincie Zuid-Holland. In de periode 2011-2014, was circa 42% van de instromers in Waddinxveen afkomstig uit de gemeenten woningmarktregio (Tabel 2). De verhuisrelatie is het sterkst met de gemeente Gouda, ruim 22% van alle instromers in Waddinxveen kwam uit Gouda. 18,2% van het totale aantal verhuizingen uit Waddinxveen vertrok naar Gouda. Buiten het secundaire onderzoeksgebied is de instroom uit steden in de omgeving, zoals Den Haag, Zoetermeer en vooral Rotterdam, relatief het grootst. Opvallend is dat meer dan de helft van de in- en uitstroom van buiten de woningmarktregio komt. Hieruit blijkt de grote potentiële aantrekkingskracht van Park Triangel op huishoudens van buiten de regio.

1 Recentere cijfers zijn nog niet beschikbaar

AFBAKENING REGIONALE WONINGMARKT EN ONDERZOEKSPERIODE

9

TABEL 2 VERHUISDE PERSONEN NAAR WADDINXVEEN, 2011-2014

VESTIGINGS EN VERTREKGEMEENTE

VESTIGING IN WADDINXVEEN VERTREK UIT WADDINXVEEN VANUIT GEMEENTE NAAR GEMEENTE AANTAL GEVESTIGDE PERSONEN

AANDEEL IN AANTAL TOTALE VERTROKKEN INSTROOM PERSONEN

AANDEEL IN TOTALE UITSTROOM

Alphen aan den Rijn

186

5,4%

230

6,5%

Bodegraven-Reeuwijk

118

3,5%

120

3,4%

Gouda

778

22,8%

644

18,2%

Krimpenerwaard

68

2%

74

2,1%

Zuidplas

275

8%

233

6,6%

Overige gemeenten (o.a. Rotterdam, Zoetermeer en Den Haag)

1.992

58,3 %

2.238

63,2 %

Totaal verhuisde personen

3.417

100%

3.539

100%

Bron: CBS Statline, 2017

10

LOCATIE EN PLANBESCHRIJVING

3 LOCATIE EN PLANBESCHRIJVING

Dit hoofdstuk beschrijft de locatie en het programma van Park Triangel in Waddinxveen. Paragraaf 3.1 gaat kort in op de locatie van Park Triangel en het woonmilieu. Paragraaf 3.2 behandelt vervolgens het project zelf.

3.1 LOCATIEGEGEVENS De ontwikkellocatie is gelegen tussen de Beijerincklaan, de spoorlijn Gouda– Alphen aan den Rijn en de A12. Ten noorden grenst het gebied aan Waddinxveen en ten zuiden ligt het tegen de stadsgrens van Gouda aan (Figuur 2). De noordelijkstee punt van het plangebied ligt op loopafstand van het centrum van Waddinxveen, waar zich onder andere het nieuwe winkelcentrum Gouweplein bevindt. De twee andere winkelgebieden van Waddinxveen liggen binnen 10 minuten fietsafstand van Park Triangel. Daarnaast is het vanaf het plangebied circa een kwartier fietsen naar het stadscentrum van Gouda. FIGUUR 2 INDICATIE LIGGING PARK TRIANGEL, WADDINXVEEN

Bron: Bing Maps 2017, bewerking Bureau Stedelijke Planning

Door de ligging nabij de snelweg is de bereikbaarheid van het plangebied zeer goed. In twee minuten is de oprit naar de A12 bereikbaar, en binnen vijf minuten de A20. Binnen een half uur zijn Rotterdam, Den Haag en Utrecht per auto bereikbaar, Schiphol en Amsterdam binnen respectievelijk 40 minuten en een uur.

LOCATIE EN PLANBESCHRIJVING

11

3.2 PROJECTGEGEVENS WONINGEN

In het vigerende bestemmingsplan wordt er op Park Triangel ruimte geboden voor 2.700 woningen. Woningtypen en segmenten zijn niet nader gespecificeerd. Wel bekend is dat minimaal 20% van de woningen in de sociale sector worden gerealiseerd. Daarnaast zijn medio 2017 circa 250 woningen in Park Triangel reeds gerealiseerd. In deze Ladderonderbouwing wordt daarom uitgegaan van in totaal 2.450 woningen die nog te realiseren zijn in Park Triangel. TABEL 3 WONINGPROGRAMMA PARK TRIANGEL

WONINGTYPE EN SEGMENT

AANTALLEN

Totaal aantal woningen gepland

2.700

Waarvan gerealiseerd

250

Nog te realiseren

2.450

Sociale sector

Minimaal 20%

Bron: Bestemmingsplan Waddinxveen Triangel, 2008

BEDRIJVEN & KANTOREN

Het zwaartepunt van het bedrijventerrein in Park Triangel bevindt zich in de zuidelijke punt van het gebied, nabij de spoorwegovergang naar Coenecoop. Het gebied ligt nabij de A12. De positie en de totale grote (circa vijf hectare) van het terrein maken bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie II mogelijk. Het huidige bestemmingsplan staat diverse bedrijfstypen, waaronder kantoren, toe in de zuidpunt van het terrein. De gemeente is voornemens om binnen het gereserveerde bruto oppervlak voor bedrijventerreinen, 1 hectare te bestemmen als kantoorlocatie. TABEL 4 PROGRAMMA BEDRIJVENTERREIN PARK TRIANGEL

BEDRIJVENTERREIN Gereserveerd bruto-oppervlak Waarvan kantoren Bron: Bestemmingsplan Waddinxveen Triangel, 2008

OPPERVLAK 5 hectare 1 hectare

12

BELEIDSKADER

4 BELEIDSKADER

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het woonbeleid zoals dit door de provincie en gemeente is geformuleerd in de verschillende beleidsdocumenten. Daarbij is ook aangegeven in hoeverre de woningbouwplannen voor Park Triangel aansluiten bij het beleid. VISIE RUIMTE EN MOBILITEIT, PROVINCIE ZUID-HOLLAND, 2014

De Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) geldt als de provinciale structuurvisie van Zuid-Holland. In de VRM staan 4 ‘rode draden’ centraal: • beter benutten en opwaarderen van wat er is; • vergroten van de agglomeratiekracht; • verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; • en bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Ten aanzien van het woonbeleid staat intensiever en compacter ruimtegebruik centraal. De bestaande ruimte moet optimaal benut worden voordat er wordt uitgebreid. Gemeenten moeten dit als vertrekpunt nemen. Een bouwprogramma mag worden opgesteld naar aanleiding van regionale kwantitatieve en kwalitatieve behoefteramingen. Daarnaast beschrijft de VRM bondig enkele woningopgaven, zoals een grotere woningbouwbehoefte in lagere prijsklassen en herontwikkeling naar gemengd stedelijke gebieden waarin ruimte is voor wonen en werken. De ontwikkeling van Park Triangel sluit goed aan bij deze opgaven, aangezien hier een gemengd gebied wordt gerealiseerd met naast de functie wonen ook bedrijvigheid. Daarnaast draagt het programma met minimaal 20% sociale huur bij aan meer aanbod in lagere prijsklassen. PROGRAMMA RUIMTE, PROVINCIE ZUID-HOLLAND, 2016

Het Programma Ruimte is het strategische beleid uit de VRM vertaald naar operationeel beleid en heeft de status van structuurvisie. Hierbij wordt aangegeven welke instrumenten de provincie wil inzetten en aanbieden om haar doelen te realiseren. Ten aanzien van het woonbeleid wordt het voorzien in de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan woningen als operationeel doel gesteld. Instrumenten zijn het bouwen naar behoefte door behoefteramingen en plancapaciteit als uitgangspunt te nemen, regionale woonvisies en het maken van bestuurlijke afspraken

BELEIDSKADER

13

VERORDENING RUIMTE, PROVINCIE ZUID-HOLLAND, 2014

De Verordening Ruimte stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen in lijn met de VRM. De Verordening leent zich voornamelijk voor onderwerpen met heldere criteria of spelregels. Hierom zijn er in de Verordening vooral regels opgenomen over kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouw et cetera. Betreffende wonen wordt de Ladder voor Duurzame Verstedelijking in de Verordening als centraal onderdeel binnen het gemeentelijk bestemmingsplan benoemd. De Ladder wordt later in dit hoofdstuk toegelicht. VERSNELLINGSAGENDA ZUIDELIJKE RANDSTAD

Er dreigt een woningtekort in Zuid-Holland. Om dit tegen te gaan moeten er in de komende 15 jaar circa 230.000 koop- en huurwoningen worden bijgebouwd in de provincie. Momenteel zijn er echter te weinig bouwplannen en te veel beperkingen om deze doelstelling te behalen. Hierom is eind 2016 op de bestuurlijke conferentie Verbinden en Versnellen, door de Provincie, Bouwend Nederland en platform Zuidelijke Randstad besloten tot het opstellen van een Versnellingsagenda. Binnen deze Agenda worden gemeenten gestimuleerd om zachte plannen om te zetten in harde plannen en snel tot nieuwe ontwikkelingen te komen in samenspraak met marktpartijen. Snelle ontwikkeling van grootschalige nieuwbouw zoals Park Triangel, worden dus gestimuleerd. Momenteel worden de aanzetten gegeven voor het opstellen van een uitvoeringsprogramma voor deze agenda. REGIONALE AGENDA WONEN, MIDDEN-HOLLAND, 2013-2019

Het doel van de Regionale Agenda Wonen (RAW) is om gemeenten op regionaal niveau een kader te bieden waardoor er tijdig kan worden ingespeeld op kansen of ongewenste ontwikkelingen op het gebied van wonen. In de RAW staan drie onderwerpen centraal: • Het waarborgen van de productie: in de meeste gemeenten in MiddenHolland is de afgelopen jaren onvoldoende gebouwd om aan de woningbehoefte te voldoen. Hierdoor is de vitaliteit van de regio onder druk komen te staan. Waarborgen van de productie is essentieel om goede huisvestingsmogelijkheden te bieden aan de diversiteit aan huishoudens. Doelgroepen zijn onder andere starters, jonge en oudere gezinnen, kleine huishoudens en senioren. • Beter benutten van kwaliteiten van de regio: Midden-Holland kent een breed aanbod aan woonmilieus. De woningbouw moet de diversiteit van de regio en de kwaliteit van het wonen verder versterken. • Voorzien in de behoefte van specifieke doelgroepen: gemeenten gaan beter samenwerken om tot betere afstemming en samenwerking te komen met betrekking tot het huisvesten van kwetsbare doelgroepen, zoals:

14

BELEIDSKADER

− Lagere en middeninkomens (tot €43.000 per jaar): Deze groep kan

nauwelijks terecht in de koopsector en heeft daardoor problemen met de doorstroming vanuit sociale huur. − Arbeidsmigranten − Bijzondere doelgroepen (verstandelijk, lichamelijk of psychisch beperkt) en maatschappelijke opvang. De ontwikkeling van Park Triangel zorgt voor kwalitatief goede huisvestingsmogelijkheden voor verschillende soorten huishoudens en draagt op deze manier bij aan de vitaliteit binnen de regio Midden-Holland. WOONVISIE WADDINXVEEN 2012-2017

De woonvisie richt zich zowel op de bestaande woningvoorraad als op nieuwbouw. Tot 2030 wil Waddinxveen 4.250 woningen bouwen. In de visie is al aangegeven dat Park Triangel het grootste programma binnen deze nieuwbouwopgave is. De gemeente Waddinxveen richt zich in het woonbeleid op de volgende ambities: • Prettig wonen voor iedereen: De woningmarkt moet zo goed mogelijk aansluiten bij de markt en hulpbehoevenden moeten bij het vinden van passende woonruimte worden ondersteund. De gemeente wil kwaliteit en diversiteit waarborgen, zowel qua woningen als qua woonomgeving. Diversiteit binnen buurten en wijken (zoals koop en huur) is hierbij van belang. • Versterken bestaande identiteit Waddinxveen: Waddinxveen kenmerkt zich als ‘het dorp bij de stad’. Het bewaken van deze identiteit moet als afwegingskader terugkomen bij het beoordelen van locaties voor nieuwbouw. Het realiseren van verschillende woningtypen in Park Triangel, zowel koop als huur, draagt bij aan diversiteit binnen het gebied. Daarnaast zorgt de ontwikkeling van het park in Park Triangel voor een groene wijk, wat goed aansluit bij de identiteit van Waddinxveen. LADDERBELEID

De Ladder voor Duurzame Verstedelijking is het voornaamste instrument dat in het provinciale beleid wordt ingezet voor duurzaam ruimtegebruik. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten primair plaatsvinden in het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), hieronder verstaat de provincie: “het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe

bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur” (Visie Ruimte en Mobiliteit, p. 26, 2014).

BELEIDSKADER

15

Indien de beoogde stedelijke ontwikkelingen niet binnen het BSD vallen, wordt er gebruik gemaakt van locaties die: • gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld; • passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit; • en zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare (Verordening Ruimte, 2014, p. 13). Aangezien Park Triangel reeds bouwrijp is gemaakt behoort het tot het bestaand stads- en dorpsgebied en hoeven de aanvullende bovenstaande criteria niet doorlopen te worden.

16

WONINGVRAAG

5 WONINGVRAAG

In dit hoofdstuk is de vraagzijde van de woningmarkt in de woningmarktregio beeld gebracht: de huishoudensprognose, de ontwikkeling van de samenstelling van de bevolking, migratie en inkomen. Daarnaast is de kwalitatieve woningvraag in beeld gebracht op basis van het landelijke woonwensenonderzoek (Ministerie van BZK, 2015).

5.1 HUISHOUDENSPROGNOSE •

• •

Het aantal huishoudens in Waddinxveen groeit tussen 2017 en 2027 naar verwachting met 1.065. Voor de gehele woningmarktregio wordt een groei van 11.800 huishoudens verwacht (Tabel 5). Gemeenten met relatief de sterkste groei zijn: Bodegraven-Reeuwijk, Zuidplas en Waddinxveen. De verwachte huishoudensgroei in Waddinxveen is hiermee fors hoger dan gemiddeld in de woningmarktregio. Er ontstaat hiermee een extra woningbehoefte van 10.115 in de woningmarktregio in de periode 2017-2027. Dit komt neer op een jaarlijkse woningbehoefte van 1.180 woningen.

TABEL 5 HUISHOUDENSONTWIKKELING IN DE WONINGMARKTREGIO, 2017-2027

GEMEENTE

AANTAL

AANTAL

GROEI IN

ONTWIKKELING

HUISHOUDENS HUISHOUDENS PROCENTEN AANTAL HUISHOUDENS (2017)

(2027)

(2017-2027)

Waddinxveen

11.095

12.160

+9,6%

1.065

Alphen aan den

46.515

49.745

+6,9%

3.230

13.780

15.140

+9,9%

1.360

Gouda

32.035

34.070

+6,3%

2.035

Krimpenerwaard

23.210

24.895

+7,3%

1.685

Zuidplas

16.925

19.350

+14,3%

2.425

Woningmarktregio

143.560

155.360

+8,2%

11.800

Rijn BodegravenReeuwijk

Bron: Primos prognose 2016, bewerking Bureau Stedelijke Planning

WONINGVRAAG

17

5.2 DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELING •

Tussen 2000 en 2003 is het migratiesaldo van Waddinxveen zeer sterk gedaald. Deze daling heeft te maken met het gebrek aan nieuwbouwaanbod in Waddinxveen. Vanaf 2005 tot op heden is het saldo relatief constant en schommelt tussen -10 en +40 personen per jaar. In 2014 (recentere gegevens zijn bij het CBS nog niet bekend) vestigden er zich 42 personen meer in Waddinxveen dan dat er vertrokken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14612418/5