4.4 Bijlage 2 Adviesrapport ecologische verbindingszones
Tekst van het document
Adviesrapport ecologische verbindingszones
Gemeente Waddinxveen 2024
Projectadviseur Nick Kroese BSc
Kwaliteitscontrole Nick Kroese BSc
nick@habitus.nl 0172-204060
Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport inclusief foto’s is enkel toegestaan met toestemming van de eigenaar (de
Rapportage Amber Heitman & Caitlin Duivenvoorden
Documentcode WADD2024-1-BD-V1
opdrachtgever) en onder vermelding van de bron. Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Habitus geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of door toepassing van adviezen. Onze algemene voorwaarden zijn hier in te zien en onze privacyverklaring hier.
In opdracht van Gemeente Waddinxveen
Habitus is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).
Contactpersoon opdrachtgever mw. Inge Debets Adres: Tolnasingel 3 / 2411 PV / Bodegraven
Opleverdatum 14 februari 2025
Kvk-nummer: 78391385 / Btw-nummer: NL861372669B01 www.habitus.nl
Beeld stedelijk groengebied Waterplas langs het Zuiveringspad met natuurlijke oeverbegroeiing .
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
2
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING 4
2.
GEBIEDSBESCHRIJVING 5
3.
METHODE
8
4.
DOELSOORTEN
12
5.
INRICHTING ECOLOGISCHE VERBINDINGSZONES
30
6.
NIET NATUURLIJKE ELEMENTEN
33
7.
AANBEVELINGEN
34
BRONNEN BIJLAGEN
Beeld buitengebied De rotonde langs de Zesde Tochtweg/N457. Dit wordt in de toekomst een migratieroute voor otter.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
3
1. INLEIDING
1.1 Aanleiding Op 12 oktober 2022 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 vastgesteld (Waddinxveen, 2025). De Omgevingsvisie Waddinxveen 2050 is een plan waarin staat hoe de toekomst van Waddinxveen eruit ziet. In het plan staat de leefomgeving beschreven. Een onderdeel daarvan is de natuurlijke leefomgeving zoals lucht, water, bodem en natuur.
1.2 Adviesvraag Om invulling te geven aan de visie voor 2050 wordt een thematisch programma opgesteld, namelijk ‘Omgevingsprogramma duurzame leefomgeving’. Om binnen dit Omgevingsprogramma adequate aandacht te geven aan het onderwerp natuur, wordt advies gevraagd over het realiseren van ecologische verbindingszones (EVZ’s). Het doel is om bestaande natuur in en om Waddinxveen te verbinden en versterken. Het advies dient ook informatie te bevatten over het ontwikkelperspectief voor de polders. Hieronder wordt verstaan dat duidelijk wordt welke activiteiten passend zijn in relatie tot de natuurdoelen en doelsoorten in de EVZ’s.
1.3 Onderzoeksvraag en deelvragen De hoofdvraag voor dit onderzoek betreft: Hoe kunnen de ecologische verbindingszones (EVZ’s) het best worden vormgegeven in de gemeente Waddinxveen? De deelvragen die hierop aansluiten zijn:
• • • • • •
Voor welke doelsoorten worden de EVZ’s aangelegd? Waar dienen de EVZ’s gerealiseerd te worden? Hoeveel EVZ’s zijn er nodig? Welke afmetingen en inrichting dienen de benodigde EVZ’s te hebben? Welke ontwikkelingen zijn wel of niet toegestaan in of rond een EVZ? Welke aanbevelingen zijn er voor het proces na het vaststellen van de EVZ’s?
Beeld stedelijk groen Gazon met notenbomen langs de Kanaalweg-Coenecoop.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
4
2. GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Waddinxveen in het kort Waddinxveen is een plaats en gemeente in de provincie Zuid-Holland. De gemeente heeft circa 35.000 inwoners. Ten noorden van Waddinxveen ligt Boskoop en in het zuidwesten grenst de gemeente aan Zuidplas. In het zuidwesten ligt de stad Gouda. De Gouwe vormt een belangrijke waterverbinding die ten oosten ligt van de woonkern. Ook loopt er midden door de woonkern een spoorlijn die in het zuiden afbuigt naar ‘t Weegje. Het landschapstype betreft het laagveen- en zeekleilandschap. In paragraaf 2.3 wordt hier nader op ingegaan. Bijzonderheden Waddinxveen is een snelgroeiende gemeente (+30% in 8 jaar). Een opvallend detail is dat de gemiddelde afstand tot bos (allecijfers.nl, 2025) 3,1 kilometer bedraagt, terwijl het gemiddelde voor Nederland 1,6 kilometer bedraagt. In de periode 2024 t/m 2028 wordt een nieuwe N-weg gerealiseerd langs de westzijde van Waddinxveen, de N207 (Provincie Zuid-Holland, 2025a). Ondergrond Waddinxveen is van oudsher een veenontginningsgebied. Globaal gesteld, bestaat de ondiepe ondergrond aan de westzijde van Waddinxveen voornamelijk uit (zware en lichte) klei. De ondergrond aan de oostzijde van de kern van Waddinxveen bestaat voornamelijk uit veengrond. Dit is gevisualiseerd in figuur 1 op de volgende bladzijde. In paragraaf 2.2 wordt ingegaan op de grondsoorten en welke invloed dit heeft op kansen voor natuurontwikkeling.
Natuurgebieden en verbindingen Binnen de gemeente zijn de volgende grotere natuurgebieden aanwezig: Gouwebos, Voorofsche Polder (beheerder: ZHL), ‘t Weegje, Bentwoud en Polder Bloemendaal. De Vredenburghzone is in ontwikkeling als natuur- en recreatiegebied. Door de provincie Zuid-Holland wordt een Ecologische verbindingszone aangelegd tussen de Krimpenerwaard en het Bentwoud (Provincie Zuid-Holland, 2025b). Deze verbinding loopt deels door de westzijde van Waddinxveen. Flora en fauna Kenmerkende soorten voor Waddinxveen zijn onder andere de meervleermuis, grutto, rugstreeppad, blauwborst en bunzing. Kenmerkende plantensoorten voor deze regio zijn onder andere knoopkruid, waterdrieblad, moerasspirea, grote kattenstaart, moerasrolklaver, pinksterbloem en zwanenbloem. Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
Beeld van een stedelijk groengebied Speeleiland Triangel
5
Legenda
2.2 Grondsoorten
Gemeentegrens Waddinxveen
Op een grondsoortenkaart is een globale indeling te zien in grondsoorten. Op de grondsoortenkaart in Figuur 1 is de gemeente Waddinxveen ingedeeld op basis van de
Luchtfoto Actueel Ortho 8cm RGB Grondsoortenkaart 2006 Bebouwing/industrie
grondsoorten zand, löss, klei en veen.
Lichte klei
De indeling betreft een grondsoort en geen specifiek
Lichte zavel
bodemtype, welke meer gedetailleerd zijn. Met behulp
Veen
van de grondsoortenkaart kan snel een inschatting
Zware klei
gemaakt worden van het type grondsoort dat aanwezig
Zware zavel
is op een plek. Waarom is de grondsoort van belang? Grondsoorten
hebben
samenstelling.
Deze
van
de
belangrijkste
elk
hun
samenstelling
eigen
unieke
vormt
uitgangspunten
voor
één de
natuur die mogelijk is. De grondsoort biedt tevens uitgangspunten waarmee rekening moet wordne gehouden bij het ontwikkelen van een EVZ. De keuze voor doelsoorten dient ook afgestemd te zijn op de grondsoort. Eigenschappen grondsoort De grondsoort veen bestaat uit onverteerde plantenresten met veel vocht, waardoor de bodem vaak sterk samendrukbaar is. Klei bestaat uit zeer kleine minerale delen (lutum), waardoor een kleigrond bijvoorbeeld slecht waterdoorlatend is. Kleigrond is daarnaast rijk aan mineralen die door planten als voeding opgenomen kunnen worden. Dit in tegenstelling tot zandgrond dat een arme uitgangssituatie geeft voor plantengroei. Maar
Figuur 1: grondsoortenkaart Waddinxveen en omgeving (Grondsoortenkaart 2006 en PDOK Luchtfoto RGB, 2024). Inzoomen vergroot de leesbaarheid.
dit is wel weer gunstig voor de soortenrijkdom. Zavel is een vruchtbare bodem met een mix van zand en klei, Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
6
2.3 Fysische geografische regio Fysische geografie gaat over processen die het landschap hebben gevormd. Er wordt een indeling gehanteerd in regio’s. De fysische geografische regio’s volgen de grenzen van de grondsoortenkaart. De veengronden vallen
Legenda Gemeentegrens Waddinxveen Luchtfoto Actueel Ortho 8cm RGB Fysisch Geografische Regio's
daarmee onder het ‘Laagveengebied’ en de kleigronden onder het ‘Zeekleigebied’. Het zeekleigebied verschilt van het rivierkleigebied doordat de herkomst en de structuur van de klei anders is. Rivierklei heeft veel meer een zandig karakter dan zeeklei, dat meer uit fijnere deeltjes bestaat. Rivierklei is in een zoetwatermilieu afgezet en zeeklei in een zout of brak milieu. Vaak zijn zeekleigronden kalkrijk vanaf het oppervlak (Bodemdata, 2025). Laagveen- en zeekleilandschap Beide als
FGR’s
worden
landschapstype,
ook
wel
samengenomen
namelijk
het
Laagveen-
en
zeekleilandschap (Natuurkennis, 2025). Dit is een landschapstype dat veel voorkomt in west Nederland (bijvoorbeeld in het Groene Hart). Natuurtypen Kenmerkende natuurtypen voor dit landschap zijn bijvoorbeeld: • Zoete plas (N04.02) • Moeras (N05.01) • Gemaaid rietland (N05.02) • Vochtig hooiland (N10.02) • Vochtig hakhout en middenbos (N17.01). De betreffende codes worden nader toegelicht op natuurkennis.nl.
Figuur 2: Ondergrondkaart Waddinxveen (bron kaartondergrond: PDOK, 2024). Inzoomen vergroot te leesbaarheid.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
7
3. METHODE In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de gehanteerde methode.
3.1 Voorgaande adviezen Door de gemeente Waddinxveen is reeds voor 2024 advies gevraagd over biodiversiteit, in het bredere kader van gezondheid, klimaat en duurzaamheid. Dit heeft geresulteerd in twee adviezen van Royal HaskoningDHV (vanaf hier: RHDHV; 2022a en 2022b), namelijk:
• •
Verdiepende studie klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid: Fase I Klimaatadaptatie en biodiversiteit Waddinxveen: Fase II.
In de adviezen van RHDHV (2022a en 2022b) worden 13 icoonsoorten voorgesteld. Een deel van deze icoonsoorten zijn tevens opgenomen in het Koersdocument (Waddinxveen, 2021), waaronder weidehommel, rietgors, merel, huismus, steenuil en meervleermuis. Kansenkaart biodiversiteit Vanuit de Regio Midden-Holland is tevens een digitale Kansenkaart biodiversiteit beschikbaar gesteld voor 11 door hen geselecteerde icoonsoorten, waaronder: steenuil, patrijs, grutto, meervleermuis en argusvlinder. Omdat er aanzienlijke verschillen zijn in de geselecteerde icoonsoorten, rijst bij de gemeente Waddinxveen de vraag welke soorten passend zijn om op te focussen voor de Ecologische verbindingszones? Icoonsoort, doelsoort of paraplusoort? Icoonsoorten zijn soorten die met name in de communicatie worden gebruikt naar inwoners. Vaak hebben icoonsoorten een hoog ‘knuffelgehalte’ of spreken de soorten tot de verbeelding. Het zijn soorten die aansprekend zijn en daardoor bruikbaar zijn om meer verbinding en draagvlak te creëren voor biodiversiteitsmaatregelen. Denk bijvoorbeeld aan de egel, steenuil en weidehommel. Vanuit natuurontwikkeling (ontwikkeling EVZ’s) is het gewenst om de best passende indicatieve soorten te kiezen om de gewenste doelstellingen te behalen. Icoonsoorten zijn soms wel en soms niet bruikbaar. Daarom spreken we over doelsoorten als het gaat om EVZ’s.
Doelsoorten zijn altijd zogenoemde paraplusoorten. Icoonsoorten zijn dit vaak ook, maar vormen niet altijd de best passende ecologische graadmeter. De platte schijfhoren is bijvoorbeeld een uitstekende graadmeter voor schoon water in veenweidegebied. Het is echter geen soort die tot de verbeelding spreekt. Het is daarom geen geschikte icoonsoort, maar wel een geschikte doelsoort.
Egel Voorbeeld van een geschikte icoonsoort.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
8
3.2 Ecologische verbindingen Om soorten in Waddinxveen op de lange termijn te behouden en leefgebieden te versterken, zijn ecologische verbindingen cruciaal. In deze paragraaf wordt de impact van versnippering en het belang van verbindingen besproken, met speciale aandacht voor karakteristieke soorten die een sleutelrol spelen in het ecosysteem. 3.2.1 Theorie verbindingen Versnippering is één van de hoofdoorzaken van biodiversiteitsverlies in Nederland. Door intensief landgebruik (o.a. landbouw, verstedelijking en recreatie) raken leefgebieden van soorten versnipperd. Door de afname van de grootte van een leefgebied én de afname in kwaliteit (o.a. door stikstofdepositie), worden populaties van soorten kleiner (en kwetsbaarder) of raken geïsoleerd (dit is gevisualiseerd in Figuur 3). Voor alle plant- en diersoorten in Waddinxveen geldt dat verbindingen essentieel zijn om deze soorten te kunnen behouden. Omdat de landelijke afname van biodiversiteit nog steeds plaatsvindt, zal de biodiversiteit in Waddinxveen verder afnemen zonder inrichting van ecologische verbindingen. Figuur 3: effecten van versnippering (Alterra, 2001). Karakteristieke soorten De biodiversiteit in een gebied wordt vaak (te) simplistisch gekarakteriseerd als ‘de verscheidenheid aan verschillende levensvormen’. Oftewel: het totaal aantal verschillende soorten. Met deze definitie wordt
3.2.2 Drie typen verbindingen Waddinxveen
voorbijgegaan aan de genetische diversiteit die essentieel is in het duurzaam voortbestaan van soorten. Omdat
Vocht is een essentiële factor bij het inrichten van ecologische verbindingszones (EVZ’s), omdat het de
er vanwege klimaatverandering en homogenisatie (CLO, 2009) nieuwe soorten Nederland en de gemeente
aanwezigheid en verspreiding van veel plant- en diersoorten mede bepaalt. Verschillende soorten hebben
Waddinxveen binnen komen, lijkt er - als enkel naar het totaal aantal soorten wordt gekeken - geen sprake
specifieke eisen wat betreft bodemvocht, waardoor een variatie in vochtgehaltes leidt tot een grotere diversiteit
van sterk biodiversiteitsverlies. Het feit blijft echter dat karakteristieke soorten afnemen in populatieomvang,
aan habitats. Door binnen de EVZ’s drie verschillende vochtregimes te hanteren – nat, vochtig en droog – wordt
genetische diversiteit en daarnaast moeten concurreren met antropogene ontwikkelingen én de versterkte
een breed scala aan soorten gefaciliteerd, van watergebonden flora en fauna tot soorten die gedijen in drogere
invloed van exoten. Aandacht voor karakteristieke soorten is daarom essentieel in de biodiversiteitsstrategie
omstandigheden.
op gemeentelijk niveau. De meest karakteristieke soorten voor Waddinxveen zijn de meervleermuis, grutto en de platte schijfhoren. Deze soorten zouden de topprioriteit moeten krijgen in het gemeentelijk natuurbeleid.
Om zoveel mogelijk verschillende (karakteristieke) soorten te faciliteren wordt geadviseerd om drie verschillende typen ecologische verbindingen te realiseren, namelijk: nat, vochtig en droog (een kaart is weergegeven in
Strategieën voor herstel versnippering
Figuur 4). Aan de hand van de drie verschillende verbindingstypen zijn de doelsoorten gekozen. Verder wordt
Ecologische verbindingszones vormen een mogelijke oplossingsrichting om de negatieve effecten van
geadviseerd om het stedelijk groen te verbeteren, zodat deze groengebieden als stapstenen kunnen fungeren
versnippering tegen te gaan. Er zijn echter nog drie basisstrategieën mogelijk, waaronder:
voor doelsoorten. Het landschap in Waddinxveen biedt mogelijkheden voor deze drie varianten, aangezien
• • •
Waddinxveen op de grens ligt tussen een klei- en een veengebied, zoals weergegeven in Figuur 2.
kwaliteitsverbetering leefgebied vergroten van leefgebied (oppervlaktevergroting) verdichten van het netwerk aan leefgebieden (Alterra, 2001).
Afhankelijk van de oorzaken, dient één, of een combinatie van herstelstrategieën gekozen te worden. Dit maakt echter geen onderdeel uit van dit adviesrapport. Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
9
Natte verbinding Het westelijke deel van Waddinxveen bestaat uit zeekleigebied (zie Figuur 2). Hierin loopt gedeeltelijk reeds een onderbroken watergang van noord naar zuid. Een watergang is geschikt als natte ecologische verbindingszone omdat deze een natuurlijke route vormt waarlangs waterafhankelijke soorten zich kunnen verspreiden. Idealiter bieden de oevers leefgebied en schuilplaatsen voor planten, insecten, amfibieën en zoogdieren, terwijl het water zelf migratie en voortplanting mogelijk maakt voor vissen en andere waterdieren. Daarnaast zorgen de natte omstandigheden voor een diversiteit aan (onderwater)vegetatie, wat bijdraagt aan de biodiversiteit en de verbinding tussen verschillende natuurgebieden versterkt. Vissen, maar ook otter, meervleermuis, kleine karekiet en kleine watersalamander zijn typische soorten die gebruik maken van een natte verbinding. Vochtige verbinding Het oostelijke deel van Waddinxveen bestaat uit laagveengebied (zie Figuur 2). Een laagveengebied kan geschikt zijn als vochtige ecologische verbindingszone omdat het van nature nat en vaak structuurrijk is, met moeras, open water en vochtige graslanden. Dit biedt ideale leefomstandigheden voor veel soorten die afhankelijk zijn van een hoge waterstand, zoals amfibieën, moerasvogels en specifieke planten.
Bovendien verbindt het verschillende natte natuurgebieden, waardoor soorten zich makkelijker kunnen verspreiden en populaties met elkaar in contact blijven. Soorten die gebaat zijn bij vochtige verbindingen zijn: meervleermuis, rietorchis, moerassprinkhaan, roerdomp en grutto. Droge verbinding Ongeveer op de grens tussen het laagveengebied en het zeekleigebied loopt een spoorlijn. Spoorlijnen vormen vaak geschikte ecologische verbindingen omdat ze als lange, aaneengesloten corridors door het landschap lopen en relatief weinig verstoring van mensen kennen. Het langsrijden van treinen werkt vaak minder verstorend dan mensen zelf. De spoorbermen worden vanaf enkele meters bij het spoor vandaan meestal minder intensief beheerd, waardoor ze een diversiteit aan planten en dieren kunnen herbergen. Hoe sterk dit effect is, is mede afhankelijk van de bodemsoort. Daarnaast verbinden spoorlijnen versnipperde natuurgebieden en bieden ze beschutting en rust voor veel soorten. De waterafvoer langs het spoor zorgt ervoor dat er een relatief droog klimaat gehandhaafd blijft. Doordat er door het waterafvoer lokaal natte zones worden gecreëerd, ontstaan drinkplaatsen voor dieren. Hierdoor kunnen spoorlijnen een belangrijke rol spelen in het versterken van ecologische netwerken. Soorten die gebaat zijn bij een droge verbinding zijn onder andere bunzing, bruin blauwtje, egel en weidehommel.
Natte verbinding
Toelichting op de afbeelding
Vredenburghzone: voorbeeld van een natte verbinding.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
10
Stedelijk groen Stedelijke groengebieden vormen samen met tuinen een groot aaneengesloten groen oppervlak, wat essentieel is voor de biodiversiteit in de stad. Ze bieden voedsel, nestgelegenheid en schuilplaatsen voor soorten zoals de egel, merel en huismus. Daarnaast fungeren deze groengebieden als stapstenen tussen grotere natuurgebieden, waardoor dieren zich beter kunnen verplaatsen en populaties gezond blijven. Dit maakt stedelijke groengebieden onmisbaar voor het behoud en de versterking van biodiversiteit in de stad. Typische soorten die hierbij passen zijn merel, huismus en egel.
3.3 Doelsoorten Bij het definiëren van drie ecologische verbindingszones (EVZ’s) en het herinrichten van stedelijke groengebieden is het niet haalbaar om alle aanwezige soorten te onderzoeken. Daarom is gekozen voor doelsoorten die als graadmeter dienen voor de ecologische kwaliteit en effectiviteit van de verbindingen. Deze soorten zijn zorgvuldig geselecteerd op basis van hun ecologische eisen en functioneren als paraplusoorten: door hun leefomgeving te versterken, profiteren veel andere planten- en diersoorten mee. Dit maakt een doelsoortenbenadering een efficiënte en effectieve manier om biodiversiteit te beschermen. Voor het grootste deel sluiten de geselecteerde doelsoorten aan bij de door RHDHV aangewezen icoonsoorten (zie kader op pagina 8). Sommige zijn daarnaast provinciale icoonsoorten of BKN-soorten. Omdat een EVZ voor bepaalde soorten te klein kan zijn om een duurzame populatie te ondersteunen, wordt voorgesteld om aanvullende leefgebieden te creëren die aansluiten op de EVZ’s.
Beeld stedelijk groen: Een recreatieveld bij het Zuiveringspad
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
11
4. DOELSOORTEN Stedelijke groengebieden Voor de inrichting van de drie ecologische verbindingszones (nat, vochtig en droog) en voor de stedelijke
Naast de doelsoorten voor de EVZ’s zijn er ook doelsoorten vastgesteld die indicatief
groengebieden zijn doelsoorten geselecteerd. In dit hoofdstuk worden de individuele doelsoorten nader
zijn voor de stedelijke groengebieden. Stedelijke groengebieden bieden belangrijke
toegelicht, zodat duidelijk wordt waarom deze soorten als doelsoorten zijn gekozen voor Waddinxveen.
leefgebieden voor soorten die in de stad leven. Doelsoorten van het stedelijk gebied zijn
Deze soorten dienen als graadmeter voor de ecologische kwaliteit en effectiviteit van de verbindingen. Deze
herkenbaar aan het icoon van de merel.
doelsoorten zijn gekozen op basis van hun ecologische eisen en functioneren als paraplusoorten: door het creëren van geschikte leefomstandigheden voor deze soorten profiteren daarvan ook veel andere plant- en
Plussoort
diersoorten. Diverse doelsoorten zijn ook provinciale icoonsoorten of BKN-soorten. Een samenvatting in
Sommige doelsoorten zijn indicatief voor meer robuuste natuur met een kwalitatief hoge
tabelvorm is weergegeven in Bijlage 2.
natuurwaarde. Om deze soorten te duurzaam faciliteren, wordt een aanzienlijke inspanning vereist. Denk hierbij aan voldoende leefgebied creëren, specifieke inrichtingsmaatregelen
Basissoorten en plussoorten
en passend beheer. Deze soorten noemen we plussoorten. Het zijn doelsoorten die een
Binnen te selecteren doelsoorten maken we onderscheid tussen basissoorten en plussoorten. De
indicatief zijn voor een hoge natuurkwaliteit.
basissoorten vormen de primaire graadmeter voor de effectiviteit van de drie ecologische verbindingszones. Naast de basissoorten worden er plussoorten aangewezen. Dit zijn veeleisendere soorten die strengere
Icoonsoort
voorwaarden stellen aan hun leefgebied en verbindingen. Om deze soorten te faciliteren, is aanvullende
Provincie Zuid-Holland heeft 40 icoonsoorten geselecteerd. Door hun rol als ambassadeurs
inrichting of beheer nodig, zoals een verfijnd waterbeheer, specifieke vegetatiestructuren of extra rust- en
voor biodiversiteit spelen ze een cruciale rol in het bewustzijn, begrip en behoud van
voortplantingsmogelijkheden. Hoewel de inrichting primair gericht is op de basissoorten, kan het een wens
waardevolle ecosystemen. Deze soorten zijn kenmerkend voor landschappen van Zuid-
zijn om in de toekomst ook optimale omstandigheden te creëren voor de plussoorten, zodat de biodiversiteit
Holland en vertegenwoordigen de verschillende leefgebieden binnen de provincie.
verder versterkt wordt.
De provinciale icoonsoorten die voorkomen in Waddinxveen zijn: meervleermuis, rosse vleermuis, egel, konijn, weidehommel, gewone dotterbloem, blauwborst, gierzwaluw,
Leefgebieden
huismus, merel, nachtegaal.
Een EVZ heeft voornamelijk meerwaarde als deze twee of meerdere natuurgebieden met elkaar verbindt. In het geval dat er veel ruimte is om een gebied in te richten, kan een EVZ uitgebreid worden met leefgebieden voor
Basiskwaliteit Natuur
specifieke doelsoorten. Hiermee krijgt de EVZ een nog grotere meerwaarde voor deze soorten en daarmee
Basiskwaliteit Natuur (BKN) is een methode die in ontwikkeling is. Het beschrijft de set
voor de gehele biodiversiteit in de omgeving (zie ook Bijlage 3).
van omgevingscondities die nodig is om algemene soorten algemeen te laten, blijven, of worden. Het vormt daarmee een wenkend perspectief voor het terugbrengen van natuur in onze landschappen, juist ook buiten de beschermde natuurgebieden. Voor het realiseren van BKN zijn algemene soorten gedefinieerd per landschap en regio op basis van verspreidingsgegevens. Deze BKN soorten dienen als richtpunt om de kwaliteit van de natuur te verbeteren. De doelsoorten worden uitgewerkt voor de relevante landschappen in Waddinxveen, namelijk het laagveen- en zeekleilandschap én het stedelijk landschap
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
12
MEREL Doelsoort stedelijk groen Meeliftende soorten Groenling, gaai, vink, koolmees, pimpelmees, heggenmus, boomklever, spreeuw en staartmees. Waarom doelsoort? De merel is een geschikte doelsoort voor gemeente Waddinxveen omdat deze vogel een vertegenwoordiger is van zowel stedelijk groen als van natuurlijke gebieden. Hierdoor kan de soort fungeren als indicator voor de kwaliteit en samenhang van het groen in de gemeente. Denk hierbij aan tuinen, parken en bossen. Als insecteneter en zadenverspreider draagt hij bij aan het evenwicht in onze ecosystemen, zowel in de stad als daarbuiten. Maatregelen Deze zangvogel is niet veeleisend maar heeft wel een aantal eisen, namelijk het behoud van groene ruimten, waarbij tuinen en parken met gazon en struwelen een belangrijke rol spelen. Veel verharding en grotere wegen zijn negatief voor de merel. Deze groenstructuren bevatten tenminste bomen en bosschages op rustige plekken. Daarnaast is de aanwezigheid van voedsel en het vermijden van pesticidengebruik van belang. Laagdrempelige maatregelen kunnen dus grote positieve effecten hebben op deze soort en daarmee ook op andere zangvogels in de stad.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
13
HUISMUS Doelsoort stedelijk groen Meeliftende soorten Houtduif, kauw, vink, koolmees, pimpelmees en diverse soorten insecten. Waarom doelsoort? De huismus is een van de meest voorkomende vogelsoorten in de stedelijke en landelijke omgeving. Het is een geschikte doelsoort voor gemeente Waddinxveen omdat deze vogel sterk afhankelijk is van structuurrijk stedelijk groen en specifieke bebouwing. De huismus draagt bij aan de ecologische balans door het bestrijden van insecten en het bevorderen van zaadverspreiding. De soort profiteert van groene tuinen, hagen en nestgelegenheid in gebouwen, waardoor maatregelen ter bevordering van de huismus direct bijdragen aan de biodiversiteit in woonwijken. Daarnaast is de aanwezigheid van huismussen een indicator voor een natuurinclusief ingericht stedelijk gebied, wat ook gunstig is voor andere stadsvogels en bestuivers. Maatregelen Voor de huismus is het belangrijk dat verschillende elementen in zijn leefomgeving aanwezig zijn. Belangrijke aspecten zijn nestgelegenheid in bebouwing, (wintergroene) dichte, opgaande vegetatie, een waterbron, voldoende voedsel (hoge biodiversiteit), stukjes met kaal zand en het vermijden van pesticidengebruik. Dit kan worden gerealiseerd door:
• •
Nestplaatsen aan te bieden in gebouwen; Struiken aan te planten en traditionele landschapselementen te behouden.
Deze maatregelen ondersteunen niet alleen de huismus, maar ook andere vogel- en diersoorten die van deze leefomgevingen afhankelijk zijn.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
14
EGEL Doelsoort stedelijk groen & droge EVZ Meeliftende soorten Kevers, andere insecten, kleine marterachtigen en vogels. Waarom doelsoort? De egel is een geschikte doelsoort voor de gemeente Waddinxveen, omdat hij zich goed thuisvoelt in diverse biotopen zoals tuinen, parken en agrarische gebieden. Zijn dieet bestaat uit kevers, rupsen, regenwormen, oorwurmen en slakken. Dit helpt bij het in balans houden van de lokale ecosystemen. De soort heeft behoefte aan directe verbindingen over land, met voldoende schuilplaatsen, voedselbronnen en veilige doorgangen. Maatregelen De soort is gevoelig voor veranderingen in het landschap, zoals verharding, pesticidengebruik en verlies van habitat. Daarom is het belangrijk om te focussen op het creëren van een gevarieerd landschap met voldoende schuilplekken, diverse groenstructuren, het terugdringen van pesticidengebruik en het voorkomen van verkeersslachtoffers. Deze maatregelen ondersteunen niet alleen de egel, maar ook andere soorten die vergelijkbare habitats nodig hebben. De egel als plussoort: De egel kan profiteren van actieve betrokkenheid van bewoners, zoals het creëren van doorgangen in schuttingen, het vervangen van tegels door inheemse beplanting en het aanleggen van schuilplekken. Dit draagt bij aan een fijnmaziger netwerk van groene tuinen, waardoor egels zich beter kunnen verplaatsen en voortplanten.
Als ingezet wordt op medewerking van de bewoners om egelvriendelijke tuinen in te richten, kan de egel worden gezien als plussoort.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
15
WEIDEHOMMEL Doelsoort droge EVZ Meeliftende soorten Andere hommelsoorten, zoals de gewone koekoekshommel, vierkleurige koekoekshommel, aardhommel, akkerhommel en steenhommel. Verschillende (inheemse) bijensoorten, zoals graafbijen en metselbijen. Waarom doelsoort? De weidehommel is een algemene hommelsoort in stedelijke gebieden. Het is mede daarom een geschikte doelsoort voor de gemeente Waddinxveen, en omdat het een belangrijke bestuiver in graslanden, tuinen en agrarische gebieden. Door het bestuiven van wilde planten speelt de weidehommel een belangrijke rol voor de biodiversiteit in de regio. De soort komt reeds voor in het gebied. Door de aantallen te monitoren kan de effectiviteit van het beleid in beeld worden gebracht. Maatregelen De soort is afhankelijk van bloemrijke graslanden met voorjaarsbloeiers, diversiteit aan inheemse flora (voedselbronnen door het jaar heen), schuilplaatsen, nestgelegenheid (zowel boven- als ondergronds) en het vermijden van pesticidengebruik.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
16
BUNZING Doelsoort droge EVZ Meeliftende soorten Wezel, hermelijn, steenmarter, amfibieën, kleine zoogdieren en vogels.
Waarom doelsoort? De bunzing is een geschikte doelsoort voor de gemeente Waddinxveen omdat dit grondgebonden zoogdier afhankelijk is van directe verbindingen over land om zich vrij te kunnen verplaatsen. Waddinxveen biedt door zijn diverse biotopen, waaronder kleinschalige cultuurlandschappen en waterpartijen, een geschikte leefomgeving voor de bunzing. Deze soort heeft voldoende schuilplekken nodig, maar ook een gevarieerd voedselaanbod. Als opportunistisch roofdier eet de bunzing kleine zoogdieren, amfibieën, maar ook grote insecten, waardoor hij bijdraagt aan het in balans houden van lokale populaties. De bunzing is gebaat bij lijnvormige structuurelementen, met schuilplaatsen in de directe omgeving. Dit maakt de spoorlijn een geschikte zone om te optimaliseren voor deze soort. Maatregelen Gevarieerd landschap met voldoende schuilplaatsen is van groot belang voor de bunzing. Dit kan gerealiseerd worden door bomen, gebouwen en struiken te behouden en natuurlijke dekking in de EVZ te creëren met struiken en struweel. Daarnaast is de aanwezigheid van waterlichamen essentieel, omdat deze een bron van voedsel bieden, zoals amfibieën. Het realiseren van nestgelegenheden, zowel natuurlijk (zoals holtes in bomen) als kunstmatig (bijvoorbeeld nestkasten of schuilplaatsen), helpt de bunzing bij het vinden van geschikte voortplantings- en rustplaatsen.
Verder dragen beheermaatregelen die de vegetatiediversiteit bevorderen en verstoring van schuilplaatsen minimaliseren bij aan het behoud van de bunzing en andere soorten die afhankelijk zijn van deze leefomgevingen.
Saxifraga-Mark Zekh
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
17
BRUIN BLAUWTJE Doelsoort droge EVZ Meeliftende soorten Argusvlinder, verschillende bijen- en zweefvliegsoorten.
Waarom doelsoort? Het bruin blauwtje is een geschikte doelsoort voor Waddinxveen vanwege de aanwezigheid van schraal, kruidenrijk grasland in de regio, wat ideaal is voor deze dagvlinder. Waddinxveen biedt biotopen waarin zowel waardplanten uit de ooievaarsbekfamilie als nectarplanten zoals boerenwormkruid en duizendblad voorkomen, die essentieel zijn voor de levenscyclus van het bruin blauwtje. De rupsen overwinteren en verpoppen zich in de strooisellaag. Omdat het bruin blauwtje gevoelig is voor veranderingen in het landschap, zoals intensieve landbouw en habitatverlies, is het bevorderen van geschikt habitat in Waddinxveen belangrijk voor het behoud van deze soort. Als indicator voor kruidenrijk grasland helpt het bruin blauwtje bovendien om de ecologische gezondheid van het gebied te monitoren en te versterken. Maatregelen Door zorgvuldig maaibeheer toe te passen blijft het grasland schraal, open en bloemrijk. De soort profiteert ook van extensieve begrazing met paarden of koeien, omdat dit zorgt voor open plekken. Aanbevolen maatregelen zijn het tegengaan van vergrassing, het aanbrengen van variatie in het landschap via begrazing of gefaseerd maaibeheer en het herstel van open vegetatie met kruidenrijke vegetatie. Dit biedt niet alleen voordelen voor het bruin blauwtje, maar ook voor andere insecten die van dezelfde habitat afhankelijk zijn.
Hierdoor draagt de maatregel bij aan de verbetering van de lokale biodiversiteit.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
18
MEERVLEERMUIS Doelsoort vochtige EVZ Meeliftende soorten Verschillende vleermuissoorten, zoals de laatvlieger, gewone en ruige dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis. Waarom doelsoort? De meervleermuis is een kenmerkende Habitatrichtlijnsoort voor het west Nederland. Het is geschikte doelsoort voor de gemeente Waddinxveen, omdat de regio belangrijke waterrijke gebieden biedt die essentieel zijn voor zijn jacht- en migratiegedrag. Deze vleermuis jaagt door lange vluchten boven water, waarbij hij insecten met zijn achterpoten uit het water plukt. Waddinxveen herbergt een belangrijke kraamkolonie meervleermuizen, wat het gebied van extra waarde maakt voor de soort. De Gouwe biedt bijvoorbeeld een belangrijke vliegroute en ‘t Weegje fungeert als foerageergebied. De meervleermuis is afhankelijk van donkere, waterrijke gebieden en schuilplaatsen in gebouwen en bunkers. Gezien de gevoeligheid van de soort voor veranderingen in waterkwaliteit, lichtvervuiling en habitatverlies, is de meervleermuis een waardevolle indicator voor de ecologische kwaliteit van Waddinxveen’s water- en landgebieden. Maatregelen Door behoud en herstel van natte gebieden en waterlichamen kunnen foerageergebieden en vliegroutes worden verbeterd.
Beheermaatregelen zoals het verbeteren van waterkwaliteit, het behouden van geschikte foerageergebieden en het beschermen van verblijfplaatsen in gebouwen ondersteunen niet alleen de meervleermuis, maar ook andere vleermuizen en aquatische organismen die van deze biotopen afhankelijk zijn.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
19
RIETORCHIS Doelsoort vochtige EVZ Meeliftende soorten Bijenorchis, echte koekoeksbloem, dotterbloem en kale jonker.
Waarom doelsoort? Rietorchis komt voor in moerassig grasland, vochtig tot nat hooiland en bermen of greppels. De soort is een geschikte doelsoort voor de gemeente Waddinxveen vanwege de aanwezigheid hiervan in de regio. Waddinxveen heeft geschikte biotopen waar rietorchis kan gedijen, doordat de plant voorkomt in schrale zandgrond, die voorkomt in de regio. De samenwerking tussen rietorchis en een schimmelnetwerk in de bodem (mycorrhiza) bevordert de algehele biodiversiteit. De schimmel levert essentiële voedingsstoffen aan de plant en de plant levert suikers terug. Deze symbiotische relatie is gunstig voor zowel de rietorchis als voor de mycorrhiza en bevordert een gevarieerder bodemecosysteem, wat ruimte biedt voor andere plantensoorten. Hierdoor ontstaat een rijker en gezonder ecosysteem. Het behoud van rietorchis draagt indirect bij aan de bredere biodiversiteit van het gebied. De rietorchis is gevoelig voor veranderingen in de waterstand en het gebruik van pesticiden, wat het tot een belangrijke indicator maakt voor de ecologische gezondheid van de groeiplaats. Door het behoud en herstel van natte, bloemrijke gebieden kan Waddinxveen bijdragen aan de bescherming van de rietorchis. Maatregelen Het inzetten van de rietorchis als doelsoort richt de focus op het behoud en herstel van vochtige habitats.
Beheermaatregelen zoals het verbeteren van waterstanden, regelmatig maaien om te verschralen en het vermijden van bemesting en pesticidengebruik zijn gunstig voor de rietorchis. Daarnaast kunnen andere soorten die van dezelfde habitats afhankelijk zijn hiervan meeprofiteren.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
20
MOERASSPRINKHAAN Doelsoort vochtige EVZ Meeliftende soorten Weidevogels, amfibieën, zweefvliegen, hemelijn, bunzing, libellen, veenmol en zompsprinkhaan. Waarom doelsoort? Waddinxveen ligt deels in een gebied dat kenmerkend is voor het veenweidegebied. Met variatie in vegetatiestructuur is veenweidegebied geschikt als leefgebied voor de moerassprinkhaan. Deze vereiste variatie in vegetatiestructuur is voor de algehele biodiversiteit gunstig. De aanwezigheid van natte biotopen in Polder Bloemendaal, zoals vochtige graslanden, weilanden, laagveengebieden en oevers van wateren maken het bij uitstek kansrijk. Deze soorten omgevingen bieden de variatie in structuur die de moerassprinkhaan nodig heeft. Het behoud van dergelijke biotopen kan bijdragen aan vestiging van de moerassprinkhaan in dit gebied. Maatregelen Om de moerassprinkhaan als doelsoort te ondersteunen, wordt geadviseerd om afwisseling in matig vochtige en natte biotopen te creëren, inclusief gradiënten. Belangrijke beheermaatregelen zijn laat maaien en extensieve begrazing, zodat een gevarieerde vegetatiestructuur gecreëerd wordt of behouden blijft. Daarnaast is een natuurlijke grondwaterschommeling van belang, waarbij het gebied in de winter nat blijft en in de lente droger wordt. Omdat de moerassprinkhaan beperkt kan vliegen, zijn stapstenen benodigd, zodat de soort zich effectief kan verspreiden.
Door deze maatregelen profiteren niet alleen de moerassprinkhaan, maar ook weidevogels, kleine zoogdieren en andere soorten die afhankelijk zijn van een diverse natte vegetatie. Vanwege de hoge eisen die de soort stelt en de bijbehorende inspanning die de maatregelen vergen, wordt de moerassprinkhaan als een plussoort beschouwd.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
21
PLATTE SCHIJFHOREN Doelsoort leefgebieden bij vochtige EVZ Meeliftende soorten (water)planten, macrofauna, vissen, libellen, amfibieën en hogere trofische niveaus.
Waarom doelsoort? De platte schijfhoren is een geschikte doelsoort voor de gemeente Waddinxveen vanwege de aanwezigheid van laagveengebieden. Deze waterslak gedijt goed in zoete, heldere wateren met een rijke begroeiing van waterplanten zoals gele plomp, lisdodde en witte waterlelie. Het laagveengebied in Waddinxveen biedt geschikte biotopen waar deze soorten waterplanten kunnen groeien. De platte schijfhoren is gevoelig voor verontreiniging en heeft een schone, gezonde wateromgeving nodig om te overleven. Daarom is de soort een belangrijke indicator voor de ecologische kwaliteit van watergangen in het gebied, wat het een waardevolle doelsoort maakt. Maatregelen Beheermaatregelen die inzetten op het verbeteren van de waterkwaliteit en het stimuleren van oevervegetaties zijn essentieel. Ook het bestrijden van exoten, zoals Amerikaanse rivierkreeften, die jonge waterplanten aantasten zijn van belang. Door de focus op waterkwaliteit liften veel soort(groep)en mee en is de bijdrage aan de biodiversiteit groot. Deze soort dient breder bekeken te worden dan enkel in de vochtige EVZ:. er dient een leefgebied voor gedefinieerd te worden (zie ook Bijlage 3)
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
22
GRUTTO + Doelsoort leefgebieden bij vochtige EVZ Meeliftende soorten Tureluur, kievit, veldleeuwerik, slobeend, scholekster.
Waarom doelsoort? De grutto is als ambassadeur van agrarisch grasland waar productie en natuur in balans zijn. Deze steltlopersoort is afhankelijk van natte, open, kruidenrijke graslanden met een rijk bodemleven en veel insecten, die essentieel zijn als voedselbron voor de kuikens. Openheid (>200 ha) en afwezigheid van verstoring zijn de belangrijkste factoren. Polder Bloemendaal biedt een geschikt leefgebied voor de grutto. Door het bevorderen van deze natte, kruidenrijke graslanden kan de grutto als doelsoort bijdragen aan het behoud van biodiversiteit en de natuurwaarden van open agrarische gebieden, waardoor hij een belangrijke indicator vormt voor de ecologische gezondheid van Polder Bloemendaal. Maatregelen Het benoemen van de grutto als doelsoort vestigt aandacht op het behoud van extensief beheerd, kruidenrijk grasland, met veel openheid en grotere aaneengesloten gebieden met weinig verstoring. Door in te zetten op beheermaatregelen zoals laat maaien, het creëren van geschikte broed- en foerageergebieden en het verhogen van het waterpeil verbeteren deze leefgebieden. Deze maatregelen ondersteunen niet alleen de grutto, maar ook andere soorten die van deze habitats afhankelijk zijn. Vanwege de hoge eisen die de grutto stelt aan het leefgebied betreft het een plussoort. Deze soort dient breder bekeken te worden dan enkel in de vochtige EVZ:.
er dient een leefgebied voor gedefinieerd te worden (zie ook Bijlage 3).
Saxifraga-Peter Meining
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
23
ROERDOMP Doelsoort voor leefgebieden bij vochtige EVZ Meeliftende soorten Rietvogels, amfibieën, libellen en vissen.
Waarom doelsoort? De roerdomp is een reigersoort die voorkomt in moerasgebieden met uitgestrekte rietvegetaties. Ze broeden tussen stengels van oud, overjarig waterriet. De soort komt al voor op enkele plekken in Waddinxveen, waaronder in ‘t Weegje, dit biedt mogelijkheden voor uitbreiding van de populatie. Deze schuwe vogel is afhankelijk van dichte rietvegetatie voor schuilplaatsen en nestgelegenheid. Hij heeft minimaal 10 hectare nodig als leefgebied waar ook voldoende voedsel te vinden is zoals vissen, kikkers en woelmuizen. De roerdomp is zeer gevoelig voor verstoring door (water)recreatie. Daarnaast zijn veranderingen in waterstanden en habitatstructuur negatief voor deze soort. Hiermee is de roerdomp een indicator voor de ecologische kwaliteit en rust van moerasgebieden. Maatregelen Door de roerdomp te benoemen als doelsoort wordt de aandacht gevestigd op het beperken van (water) recreatie en het behoud en herstel van moerassen, rietvelden en andere natte ecosystemen. Beheermaatregelen die genomen kunnen worden zijn het optimaliseren van waterstanden en het beschermen van natuurlijke vegetatie ondersteunen niet alleen de roerdomp, maar ook andere vogelsoorten en aquatische organismen die van deze habitats afhankelijk zijn. Dit draagt bij aan het behoud van de biodiversiteit van moerasgebieden.
Vanwege de hoge eisen die de roerdomp stelt aan het leefgebied betreft het een plussoort. Deze soort dient breder bekeken te worden dan enkel in de vochtige EVZ:. er dient een leefgebied voor gedefinieerd te worden (zie ook Bijlage 3).
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
24
KLEINE KAREKIET Doelsoort voor natte EVZ Meeliftende soorten Rietgors, rietzanger, roerdomp, purperreiger, koekoek en otter.
Waarom doelsoort? De aanwezigheid van rietkragen en rietmoerassen zorgt voor de ideale leefomgeving voor deze zangvogel. Dat maakt dat de kleine karekiet een zeer geschikte doelsoort is voor de gemeente Waddinxveen. Het kiezen van de kleine karekiet als doelsoort kan de aandacht vestigen op het behoud van rietvelden en natte habitats. De kleine karekiet is afhankelijk van dichte vegetatie voor nestgelegenheid en beschutting, wat goed past bij delen van de natte EVZ. De kleine karekiet voedt zich met insecten en andere ongewervelde dieren die in deze habitats voorkomen, waardoor hij bijdraagt aan het natuurlijke evenwicht in het gebied. Verder speelt de kleine karekiet een belangrijke rol in de levenscyclus van de koekoek. De koekoek legt namelijk eieren in het nest van de kleine karekiet, welke onbewust het koekoeksjong grootbrengt. Hierdoor hebben maatregelen ten gunste van de kleine karekiet óók een gunstig effect op de koekoek in dat gebied. Als indicator voor de ecologische kwaliteit van moerasgebieden kan de kleine karekiet helpen bij het monitoren van de gezondheid van deze gebieden, waarbij hij gevoelig reageert op veranderingen in habitatstructuur en waterbeheer. Het behoud en herstel van geschikte moerasbiotopen in Waddinxveen zijn dan ook essentieel voor het behoud van deze soort.
Maatregelen Beheermaatregelen zoals het behouden van rietvegetaties en het optimaliseren van waterstanden ondersteunen niet alleen de kleine karekiet, maar ook andere vogelsoorten en aquatische organismen die
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
25
KLEINE WATERSALAMANDER Doelsoort natte EVZ Meeliftende soorten Andere amfibieën, zoals gewone pad, bastaardkikker en bruine kikker en macrofauna, zoals libellenlarven, waterkevers en haften. Waarom doelsoort? De kleine watersalamander is een geschikte doelsoort vanwege de rol die deze soort speelt in zowel natte ecosystemen, zoals poelen, sloten en andere waterlichamen als droge ecosystemen waar de kleine watersalamander overwintert. De soort komt voor in schone, stilstaande of langzaam stromende wateren met voldoende vegetatie voor schuilplaatsen en voortplanting. Daarnaast heeft de kleine watersalamander droge schuilplekken op het land nodig, zoals onder takkenhopen of onder liggend dood hout. De gemeente biedt potentieel geschikt leefgebied voor de kleine watersalamander, waarin zowel zijn aquatische als terrestrische behoeften kunnen worden vervuld. Maatregelen Beheermaatregelen kunnen bestaan uit het creëren en onderhouden van poelen, watergangen en takkenrillen. Daarnaast is het verminderen van vervuiling een belangrijke maatregel voor de soort. Deze maatregelen komen niet alleen de kleine watersalamander ten goede, maar ook andere amfibieën en (aquatische) soorten die van deze habitats afhankelijk zijn.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
26
OTTER Doelsoort natte EVZ Meeliftende soorten Vissen, ongewervelden, zangvogels en (water)planten.
Waarom doelsoort? De otter is een semi-aquestisch zoogdier en een toppredator in het aquatische ecosysteem. Hij heeft een voorkeur voor gebieden met schoon water, zoals rivieren, meren en moerassen. Otters hebben toegang nodig tot visrijke wateren en moeten voldoende rust- en voortplantingsplaatsen hebben, zoals beschutte holen in de nabijheid van het water. Daarnaast zijn veilige verbindingsroutes tussen wateren cruciaal, zodat ze zich kunnen verplaatsen en hun territorium kunnen verkennen. Zijn aanwezigheid is een indicatie van een gezond ecosysteem, met schoon water en een hoge biodiversiteit met voldoende vis. De soort neemt in aantallen toe in Nederland en verspreidt zich steeds verder binnen Zuid-Holland. Waddinxveen kan een schakel gaan vormen tussen bestaande otterpopulaties vanwege de ligging en de aanwezige waterwegen in de regio. Otters hebben veilige verbindingsroutes nodig tussen wateren om zich te verplaatsen en hun territorium uit te breiden. De gemeente ligt relatief dicht bij gebieden waar otters al voorkomen, zoals de Hollandse IJssel en de Maas en kan door het verbeteren van waterbeheer en het creëren van een EVZ een veilige corridor bieden. Dit zou de verspreiding en genetische diversiteit van de populaties versterken. Maatregelen Het inzetten van de otter als doelsoort kan de aandacht vestigen op het behoud en herstel van waterrijke gebieden.
De natte EVZ sluit aan op EVZ Krimpenerwaard-Bentwoud, welke is aangewezen voor onder andere de otter als provinciale doelsoort. Beheermaatregelen zoals het verbeteren van waterkwaliteit, het beschermen van oevervegetatie en het creëren van veilige migratiewegen ondersteunen niet alleen de otter, maar ook andere aquatische organismen die van deze habitats afhankelijk zijn. Aangezien de otter een kritische soort is die hoge eisen stelt aan het leefgebied, met name op het gebied van rust en dekking, is deze soort aangewezen als plussoort.
Saxifraga-Jan Nijendijk
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
27
STEENUIL Doelsoort leefgebied bij natte EVZ Meeliftende soorten Kleine marters, torenvalk, buizerd, sperwer, patrijs, veldleeuwerik, gele kwikstaart, graspieper.
Waarom doelsoort? De steenuil is een zeer honkvaste soort, die in en rond Waddinxveen voorkomt (met name aan de westzijde). Dit maakt dat de soort een geschikt doelsoort is. Wat hierin ook meeweegt is dat het een predatorsoort is, wat betekent deze pas goed kan gedijen wanneer het ook goed gaat met soorten in de lagere trofische niveaus. Helaas gaat het slecht met de steenuil door veranderingen in het landschap en de intensivering van de landbouw. Waddinxveen biedt op sommige plaatsen echter een geschikt agrarisch landschap met potentiële nestgelegenheden in knotbomen en gebouwen. Daarnaast is er potentie voor voldoende prooidiversiteit, zoals muizen en insecten in open weiden, wat de steenuil nodig heeft voor zijn voortbestaan. Door de steenuil te beschermen, kan Waddinxveen bijdragen aan het herstel van deze soort en tegelijkertijd de ecologische kwaliteit van het agrarische landschap verbeteren, waar de steenuil fungeert als indicator voor biodiversiteit en gezonde ecosystemen. Maatregelen Beheermaatregelen in het agrarisch gebied zoals het aanplanten van bomen en struiken, het creëren van verbindingen en nestplekken en het beperken van verkeer en verstoring ondersteunen niet alleen de steenuil, maar ook andere fauna die van deze omgevingen. afhankelijk is. Deze soort dient breder bekeken te worden dan enkel in de vochtige EVZ:.
er dient een leefgebied voor gedefinieerd te worden (zie ook Bijlage 3).
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
28
RUGSTREEPPAD Doelsoort leefgebied bij natte EVZ Meeliftende soorten Macrofauna, zoals waterkevers, libellenlarven en haften.
Waarom doelsoort? Agrarische activiteit en nieuwe ontwikkelingen zijn gunstig voor de rugstreeppad. De rugstreeppad komt voor in stilstaande (tijdelijke) wateren in schraal begroeide terreinen of akkers. In het westen van Waddinxveen is deze soort al aanwezig langs een deel van de natte EVZ. Ook langs de vochtige EVZ zijn waarnemingen van de rugstreeppad bekend. De soort heeft zandige of lemige, niet of schraal begroeide grond met voortplantingswateren en schuilplaatsen nodig. Ook dient er voldoende voedsel aanwezig te zijn, zoals ongewervelden. Op kleine schaal is verbinding belangrijk voor beweging tussen voortplantingswateren, gebied waar hij zich in de actieve periode bevindt en overwinteringslocatie. Op grotere schaal is het belangrijk voor dispersie tussen (deel)populaties. In Waddinxveen vormt het Gouwebos een knelpunt. Maatregelen Beheermaatregelen zoals het creëren van tijdelijke poelen en het behouden van diverse terrestrische structuren ondersteunen niet alleen de rugstreeppad, maar ook andere amfibieën en insecten die van deze omgevingen afhankelijk zijn. Deze soort dient breder bekeken te worden dan enkel in de vochtige EVZ:. er dient een leefgebied voor gedefinieerd te worden (zie ook Bijlage 3).
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
29
5. INRICHTING ECOLOGISCHE VERBINDINGSZONES In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de voorgestelde inrichting van de ecologische verbindingszones en het stedelijk groen. De doelsoorten zijn benoemd aan de hand van de voorgestelde EVZ’s. Een samenvatting in tabelvorm is weergegeven in Bijlage 1.
Legenda Gemeentegrens Waddinxveen Leefgebieden stad Verbinding Droog Nat Vochtig
5.1 Natte verbindingszone
Meervleermuis
Een natte ecologische verbindingszone (EVZ) vormt een belangrijke schakel in het behoud en herstel van biodiversiteit. De juiste inrichting zorgt ervoor dat diverse soorten hier kunnen leven en migreren. Hierbij wordt
Doelsoorten Basissoort Plussoort Basis- en plussoort
onderscheid gemaakt tussen basissoorten, die profiteren van de standaardinrichting, en plussoorten, waarvoor aanvullende maatregelen nodig zijn. 5.1.1 Algemene inrichting voor basissoorten Om de natte EVZ geschikt te maken voor soorten, zoals kleine karekiet, kleine watersalamander, steenuil en rugstreeppad, moet de inrichting aan een aantal essentiële voorwaarden voldoen. Een breedte van minimaal 1 tot 2 meter en een waterdiepte van 30 tot 150 cm zorgen voor voldoende variatie in het ecosysteem. Stilstaand of langzaam stromend water biedt de juiste condities voor kleine watersalamander. Voor de rugstreeppad zijn geïsoleerde poelen in pioniers(gras)landen van belang. Naast water is vegetatie onmisbaar. Rietvelden en -moerassen vormen geschikt broedbiotoop voor de kleine karekiet. Struiken en ruigten bieden schuilplaatsen voor diverse soorten en steenuilen kunnen nestelen in oude knotbomen of speciale nestkasten. Voor de kleine watersalamander en rugstreeppad zijn bosschages,
Figuur 4: EVZ’s en doelsoorten op de kaart (Bron luchtfoto: PDOK, 2024).
struwelen en zand- en stenenhopen waardevolle schuilplekken. voortplantingspoelen van rugstreeppad eens in de één à twee jaar worden opgeschoond om hun functie te Een gevarieerde onderwatervegetatie zorgt voor een rijk voedselaanbod, vooral voor de kleine watersalamander.
behouden, aangezien het pioniersstadium essentieel is.
Pesticidengebruik dient zoveel mogelijk te worden vermeden om de waterkwaliteit en daarmee de voedselketen te beschermen. Bovendien is het beperken van intensief landgebruik rondom de EVZ belangrijk om verstoring
5.1.2 Aanvullende maatregelen voor plussoort
van met name broedende vogels te voorkomen.
Voor de otter zijn extra maatregelen nodig om de EVZ niet alleen als doorgang, maar ook als leefgebied geschikt te maken. De waterloop moet minimaal 2 meter breed zijn en aan beide zijden worden voorzien
Gericht beheer is essentieel om de ecologische waarde van de EVZ te behouden. Gefaseerd maaibeheer
van brede vegetatiezones van ten minste 2 meter breed, maar bijvoorkeur meer. Bij natte duikers moeten
voorkomt het plotseling verdwijnen van alle dekking en helpt bij het in stand houden van verschillende
looprichels van minimaal 50 cm breed en 1 meter hoog worden aangelegd, zodat de otter droog kan
vegetatiestructuren. Het is voor kleine watersalamander van belang dat waterplassen tijdens de
passeren. Daarnaast zijn speciale oversteekplaatsen essentieel om de barrièrewerking van wegen te
voortplantingsperiode niet droogvallen. Voor de rugstreeppad is tijdelijke droogval niet nadelig. Wel moeten
verminderen.
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
30
Voedsel is een belangrijke voorwaarde voor de vestiging van de otter. Een voldoende groot en divers visaanbod
5.2.2 Aanvullende maatregelen voor plussoorten
moet aanwezig zijn. Net als bij de basissoorten is het gebruik van pesticiden volledig uit den boze, omdat dit de
Soorten met hoge habitatvereisten, zoals moerassprinkhaan, grutto en roerdomp, vragen extra maatregelen.
waterkwaliteit en voedselketen verstoort.
De grutto heeft minimaal tweehonderd hectare aaneengesloten leefgebied nodig, terwijl de roerdomp afhankelijk is van brede rietkragen (minimaal tien meter + minimaal 10 ha oppervlak), waarvan minstens
Dichte vegetatie langs de oevers biedt de otter de nodige schuil- en rustplaatsen. Een gevarieerd landschap
twintig procent overjarig moet zijn. Rust is cruciaal voor beide soorten, dus verstoring door recreatie
met voldoende dekking nabij de watergang draagt bij aan een veilig en aantrekkelijk leefgebied. Om verstoring
moet worden beperkt. Ondiepe moerasgebieden vergroten de beschikbaarheid van prooidieren voor
door menselijke activiteiten te minimaliseren, is het instellen van rustgebieden binnen de EVZ aan te raden. Dit
de roerdomp. Een gevarieerde vegetatiestructuur is essentieel, met zowel hoog opgaande begroeiing als
vergroot de kans dat otters actief gebruik gaan maken van de EVZ.
hooilanden en zeggenvegetaties. De moerassprinkhaan gedijt bij een vegetatiehoogte van veertig tot zestig centimeter en heeft permanent vochtige vegetatie nodig voor eiafzet. Maaien mag pas vanaf september
5.2 Vochtige verbindingszone
gefaseerd plaatsvinden.
Een goed ingerichte vochtige ecologische verbindingszone (EVZ) biedt een geschikte leefomgeving voor verschillende planten- en diersoorten. De basisinrichting richt zich op soorten zoals de meervleermuis,
Het waterbeheer moet een hoog en variabel peil behouden, zonder inlaat van ionenrijk water. Voor de
rietorchis en platte schijfhoren, terwijl aanvullende maatregelen nodig zijn om ook meer kritische soorten
grutto is tussen half juni en half augustus per honderd hectare minimaal een halve hectare plasdras-gebied
(plussoorten), zoals de moerassprinkhaan, grutto en de roerdomp te accommoderen.
nodig, waarna het waterpeil langzaam kan dalen om trek- en overwinterende vogels te ondersteunen. Ook voor grutto dient maaien pas na half juni te gebeuren.
5.2.1 Algemene inrichting voor basissoorten Een functionele verbindingszone vereist verbonden natuur. Voor de meervleermuis betekent dit het behoud
De grutto foerageert langs natte slootkanten op insecten, regenwormen, emelten en langpootmuggen,
van natte, onverlichte infrastructuur voor veilige vliegroute. Water speelt een cruciale rol: er moet voldoende
terwijl de roerdomp vissen en amfibieën nodig heeft. Beheer moet maaien buiten het broedseizoen plannen
open, helder water zijn om soorten zoals de platte schijfhoren te ondersteunen. Droogval moet worden
en natuurlijke verlanding tegengaan. Natuurlijke ontwikkeling stimuleren van soorten zoals koekoeksbloem,
voorkomen en de bodem moet vochtig blijven voor rietvelden en natte graslanden. Schuilplaatsen voor
ratelaar, reukgras en zwarte zegge draagt bij aan een ecologisch waardevol landschap. Dit kan bereikt
insecten, zoals ruigte en structuurrijke begroeiing, zijn essentieel.
worden door een aangepast maaibeheer.
Bloemrijke vegetatie ondersteunt bestuivers, terwijl grassen en cypergrassen belangrijk zijn voor planteneters.
5.3 Droge verbindingszone
Pesticiden en bemesting moeten worden vermeden om de natuurlijke balans te behouden. Voor voortplanting
Om de droge ecologische verbindingszone geschikt te maken en te houden voor de aangewezen
van soorten zijn specifieke omstandigheden nodig, zoals een vochtige, matig voedselrijke bodem voor de
doelsoorten, worden onderstaande maatregelen voorgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen
rietorchis en een stabiele baggerlaag voor de platte schijfhoren.
basissoorten en plussoorten.
Langdurig behoud vraagt om passend beheer. Maaien moet extensief en gefaseerd gebeuren, en opschot van
5.3.1 Algemene inrichting voor basissoorten
bomen en struiken moet worden verwijderd om openheid te waarborgen. Specifieke maaimomenten zijn nodig
Voor de basissoorten, zoals de egel, weidehommel en bunzing, is het belangrijk om een gevarieerd
om geschikte groeiplaatsen voor rietorchis te behouden.
landschap te creëren met voldoende beschutting en voedselbronnen. Egels en bunzingen hebben baat bij rustige plekken in een kleinschalig mozaïek landschap met open plekken, bosschages en struwelen, waar ze kunnen foerageren, schuilen en voortplanten. De weidehommel profiteert van bloemrijke gebieden,
Adviesrapport Ecologische verbindingszones Waddinxveen
31
maar komt ook voor in meer stedelijke omgevingen waar plantsoenen met rode ribes en sneeuwbes een
De egel heeft vooral baat bij een groene omgeving met veilige verbindingen tussen leefgebieden.
belangrijke voedselbron vormen. Een EVZ voor deze soorten moet minimaal enkele meters breed zijn en
Bosschages en struwelen zorgen voor dekking, terwijl takken- en bladhopen dienen als overwinteringsplek.
aaneengesloten groene verbindingen bieden, waarbij het gebruik van pesticiden wordt vermeden en gefaseerd
Water moet aanwezig zijn en het vermijden van pesticiden is cruciaal voor een gezond voedselaanbod van
maaibeheer wordt toegepast om het aanbod van nectar en ongewervelden te waarborgen. Natuurlijke schuil-
ongewervelden.
en nestgelegenheden, zoals takkenhopen en composthopen, kunnen het leefgebied verder verbeteren. 5.4.2 Egel als plussoort: betrokkenheid van bewoners 5.3.2 Aanvullende maatregelen voor plussoort
De egel kan als plussoort worden beschouwd wanneer bewoners actief bijdragen aan een geschikte
Voor de plussoort, het bruin blauwtje, zijn aanvullende maatregelen nodig om de EVZ geschikt te maken.
leefomgeving in hun tuinen. Dit omvat maatregelen zoals het creëren van doorgangen in schuttingen
Deze vlinder stelt specifieke eisen aan zijn omgeving en heeft baat bij een breder en zonniger landschap met
(minimaal 13x13 cm) om tuinen met elkaar te verbinden, het verminderen van verharding door tegels
bloemrijke graslanden en pioniervegetatie. Het open houden van de vegetatie is essentieel, zodat waardplanten,
te vervangen door inheemse beplanting en het aanleggen van rustige schuilplekken, zoals takken- en
zoals reigersbek, boerenwormkruid en jakobskruiskruid, kunnen floreren. Om het voortplantingssucces te