CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

2.2 BP Noordeinde 4 46 46-bis en 46 Waddinxveen toelichting en regels 01-09-2022

Besluitvormende raadsvergadering 12 oktober 2022, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: RV.RB. Vaststellen bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a Waddinxveen34.157 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Toelichting

51

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tabel 6.4: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen stof NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden 3 PM2,5 25 µg/m n.v.t. n.v.t. n.v.t. PM10 40 µg/m3 n.v.t.

50 µg/m3 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden – ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter. Onderzoek/ beoordeling Uit de resultaten van het onderzoek naar luchtkwaliteit in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan Noord-West is gebleken dat wordt voldaan wordt aan de grenswaarden (Milieukundig advies Milieudienst Midden-Holland te Gouda van 19 april 2012). In dit onderzoek is evenwel niet getoetst aan de wettelijke norm voor PM2,5.

52

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

Deelgebied 1 Het plan omvat het oprichten van één woning en omzetting van bedrijfswoning naar plattelandswoning. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs Plasweg. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden. Uit figuur 13 blijkt dat hier de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 14,8 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 15,9 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 8,5 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Langs het Noordeinde liggen in dit deelgebied geen rekenpunten in de NSL Monitoringtool. De afstand tot deze weg bedraagt ca. 80 m. De concentraties langs deze weg zijn naar verwachting evenwel lager dan de concentraties langs de Dorpsweg, omdat hier veel minder verkeer rijdt.

Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van dit deelproject niet in de weg staat.

Figuur 13: Rekenresultaten NSL-monitoringstool 2020 langs Dorpstraat. Deelgebied 2 De uitbreiding van het bouwvlak gaat niet gepaard met extra verkeersbewegingen, omdat twee van de drie sierteeltbedrijven worden gesaneerd. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs het Noordheinde. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden. Uit figuur 14 blijkt dat hier de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 15,7 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 16,1 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder

Toelichting

53

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 8,6 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van dit deelproject niet in de weg staat.

Figuur 14: Rekenresultaten NSL-monitoringstool 2020 langs Noordeinde. Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Uit eerder onderzoek is aangetoond dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit niet worden overschreden. Deze ontwikkeling maakt a. het oprichten van één woning (deelgebied 1) en b. een uitbreiding van een bouwvlak (in deelgebied 2) mogelijk. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Beleidsnota Externe Veiligheid gemeente Waddinxveen De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd:

54

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht; de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan; binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan; de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden; de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord; nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie. Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld.

Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Deelgebied 2 ligt binnen het invloedsgebied (een zone van 200 meter aan beide zijden) van het Noordeinde (N455), te weten op een afstand van circa 15 m (deelgebied 2). Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Er is geen sprake van een PR 10-6 contour buiten de weg zelf en geen sprake van een relevant groepsrisico (in ieder geval kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde). Gezien de omvang van het plan (aanpassing bouwvlak) zal het groepsrisico niet significant toenemen. Verdere maatregelen in het kader van externe veiligheid zijn niet nodig.

Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding waarvan de PR en/of GR contour reikt tot het plangebied. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid.

Uit de risicokaart (figuur 15) blijkt dat er aan het Noordeinde 50 een bovengrondse propaantank aanwezig is van 3.000 m³ met een risicoafstand (PR -6) van 10 meter. De

Toelichting

55

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

afstand ten opzichte van het nieuwe bouwvlak in deelgebied 2 is groter. Bovendien betreft dit geen kwetsbaar object. Voor het overige zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkelingen.

Figuur 15: Uitsnede Risicokaart (deelgebieden zwart gestreept aangeduid). Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2012 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van NGE voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

56

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Onderzoek/ beoordeling In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland, 2007) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans.

De plankaart laat zien dat er in beide deelgebieden er alleen in het westelijke gedeelte een redelijke tot grote trefkans op archeologische sporen is op 3 tot 5 m onder maaiveld in oude stroomgordels en geulafzettingen van de Formatie van Echteld (zie figuur 16).

Figuur 16: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland. Archeologiebeleid gemeente Waddinxveen (2012) De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 14 november 2012 de 'Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen' vastgesteld. Op de waarden- en verwachtingenkaart is voor het plangebied af te lezen waar welke verwachtingswaarden voorkomen. Deze beleidskaart is aan veranderingen onderhevig: door voortschrijdend inzicht en nieuwe onderzoeken kunnen nu betere keuzes gemaakt worden. In verband hiermee is in het document 'Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente van Waddinxveen' van 11 januari 2018 de archeologische beleidskaart aangepast. Deze dient als aanvulling op de toelichting

Toelichting

57

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

van het gemeentelijke archeologiebeleid uit 2012. De vastgestelde Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen uit 2012 blijft ongewijzigd. Deelgebied 1 Het meest westelijke gedeelte langs het Noordeinde heeft hoge archeologische verwachtingswaarde (WA2). Binnen dit gedeelte vinden nagenoeg geen bouwactiviteiten plaats. Langs de Eerste Tocht geldt respectievelijk een middelhoge verwachtingswaarde (WA2) en lage verwachtingswaarde (WA3). De verwachtingswaarden zijn voorzien van een beleidsadvies. In het tussenliggende gebied zijn geen verwachtingswaarden opgenomen waarvoor geen archeologische vereisten gelden, zodat archeologisch onderzoek achterwege kan worden gelaten. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in de Erfgoedwet. Deelgebied 2 Op de bijbehorende waarden- en verwachtingenkaart (figuur 17) heeft de lintbebouwing in deelgebied 2 een hoge verwachtingswaarde (WA2). Langs de Eerste Tocht geldt respectievelijk een middelhoge verwachtingswaarde (WA2) en lage verwachtingswaarde (WA3). De verwachtingswaarden zijn voorzien van een beleidsadvies.

Het plangebied met het nieuwe bouwvlak ligt deels in een gebied met een hoge verwachtingswaarde en deels in een gebied met lagere waarde. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij geplande bodemverstoringen met oppervlakten, gelijk aan of groter dan 100 m² en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,3 m in het gedeelte met hoge verwachtingswaarde. Bij gronden met een lage verwachtingswaarde is onderzoek nodig bij geplande bodemverstoringen van 1.000 m² en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 2,5 m. In verband hiermede is een onderzoek naar archeologie uitgevoerd.

Figuur 17: Uitsnede archeologische beleidskaart.

58

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

6.2.1 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek archeologie ADC ArcheoProjecten te Amersfoort heeft een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek uitgevoerd (rapport van 10 april 2019, projectnummer 4752, Bijlage 5). Op basis van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport). Op basis van het bureauonderzoek werd geconcludeerd dat het plangebied zich langs een ontginningsas bevindt, waarvandaan vanaf de Late Middeleeuwen het veen werd ontgonnen. De beide bouwblokken bevinden zich echter niet in het gebied met restveen, zodat hier geen aan de ontginningsas gerelateerde resten worden verwacht. Archeologische resten die verband houden met de eventueel in de ondergrond aanwezige Zuidplas meandergordel worden op basis van het bureauonderzoek alleen in het noordelijke bouwblok verwacht (Noordeinde 46, 46a en 46bis). Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen werd in het noordelijke bouwblok (Noordeinde 46, 46a en 46bis) een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het verkennende booronderzoek kon worden geconcludeerd dat de Zuidplas meandergordel in het bouwblok niet aanwezig is. ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.

Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Conclusie Op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek kan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' in de lintbebouwing ten westen van het Noordeinde 46, 46 bis en 46a worden geschrapt. Voor het overige tast het initiatief de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling. 6.2.2 Cultuurhistorie/ monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. De bestaande bebouwing zelf heeft geen cultuurhistorische waarde.

Evenmin komen de woningen voor op inventarisatielijst de provinciale Monumenten Inventarisatie Project Zuid-Holland. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze functiewijziging.

6.3

Landschap

Het plangebied ligt aan de rand van Waddinxveen. De voorgestane planontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maken hebben geen gevolgen voor de aanwezige kwaliteiten. In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland, (provincie Zuid-Holland) is het Noordeinde aangeduid als een lint met redelijk hoge waarde (gele lijn in figuur 15). Conclusie De landschappelijke waarden worden niet aangetast, zodat er uit dien hoofde geen beperkingen worden gesteld aan onderhavige planontwikkeling.

Toelichting

59

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

6.4

Flora en fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het geeft invulling aan de decentralisatieafspraken die het Rijk met de provincies heeft gemaakt in het Bestuursakkoord natuur en in het Natuurpact. Het brengt ook vereenvoudiging ten opzichte van het bestaande stelsel, onder meer door een betere aansluiting op het Europese recht en op het omgevingsrecht. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' bevindt zich op een afstand van circa 7 km ten oosten van het plangebied. zodat dit Natura2000-gebied niet wordt beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht. Op minimaal 1,5 kilometer ten noorden van het plangebied ligt het Bentwoud. De ecologische verbindingszone tussen het Bentwoud en de Krimpenerwaard ligt minimaal 500 meter ten westen van het plangebied (figuur 18). De ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maken hebben geen nadelige gevolgen voor Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit wordt aangetoond in het uitgevoerde ecologisch onderzoek.

Figuur 18: NNN in de omgeving van het plangebied (globaal weergegeven met de rode punten). De ecologische verbinding is met paarse lijn aangegeven. Het Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenpolder & Stein is het gearceerde gebied ten oosten van het plangebied. 6.4.1 Stikstofdepositie Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het op circa 7 km oostelijk gelegen Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' is alleen een Vogelrichtlijngebied. Dit gebied is niet stikstofgevoelig, met dien verstande dat 'Polder Stein' mogelijk wel binnenkort wordt aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Het Natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' is wel een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Dit gebied ligt op circa 9,3 km afstand, zodat er geen sprake is van negatieve effecten van stikstofdepositie op kwetsbare natuur. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet

60

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

natuurbescherming (dat ook geldt onder de in te voeren Omgevingswet op 1 januari 2023). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe is een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. Voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten geldt een vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. De tijdelijke gevolgen van door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie kunnen daarmee buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. Eerder is op basis van proefberekeningen door de toezichthouder Wet natuurbescherming in Zuid-Holland (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid) gebleken dat er bij de bouw tot drie woningen geen effect op Natura2000 gebieden op meer dan 2.600 meter in het geval dat het tussenliggende gebied uit grasland bestaat. De afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura2000-gebied is ruim 9 km. De nieuwbouw voldoet aan de eisen van het BENG. Gesteld kan worden dat er in de gebruiksfase geen sprake van toename van stikstofdepositie, zodat een stikstofberekening achterwege is gelaten. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering.

Kort samengevat: In het plangebied is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten; Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. 6.4.2 Ecologisch onderzoek Bij nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aangrenzende natuurbeschermingsgebieden en aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd (rapport van juli 2022, rapportnr. 22A029, Bijlage 6). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport). Conclusies De plangebieden hebben geen directe relatie met beschermde gebieden (Natura2000, NNN-gebieden of ecologische verbindingszones). De plangebieden zijn niet geschikt als foerageergebied voor de doelsoorten van de nabij gelegen Natura2000-gebieden. Schade aan Natura2000-doelsoorten is derhalve niet aan de orde. Voor een deel van de beschermde soorten (Bastaardkikker, Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Meerkikker, Bosmuis, Bunzing, Dwergmuis, Egel, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Konijn, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat) geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming (afgekort Wnb) door de provincie Zuid-Holland.

Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Er zijn binnen de plangebieden geen broedende vogels aangetroffen, omdat de inventarisatie buiten het broedseizoen heeft plaatsgevonden. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Binnen het plangebied van Noordeinde 4 is geen geschikte bebouwing aanwezig voor nesten van de Huismus en Gierzwaluw. De aanwezige kas en loods bij Noordeinde 46 zijn ook niet geschikt als broedlocatie voor deze soorten. De aanwezigheid van nesten van de Huismus en Gierzwaluw kunnen worden uitgesloten. Vogelnesten van andere soorten, zoals uilen en roofvogels, die jaarrond beschermd worden door de Wnb, zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen het plangebied. Er is geen geschikt biotoop voor deze soorten aangetroffen binnen de plangebieden.

Uit de bureaustudie blijkt dat de Grote modderkruiper (Wnb-andere soorten/ Rode lijst status ´kwetsbaar´) voorkomt in de omgeving van de beide plangebieden (1-5km). Binnen beide plangebieden is echter geen geschikt leefgebied aanwezig voor deze soort. De aanwezigheid van de Grote modderkruiper, binnen de plangebieden, kan worden uitgesloten. Uit de bureaustudie blijkt dat de beschermde Rugstreeppad (Wnb-hrl/ Rode lijst status 'gevoelig') voorkomt in de directe omgeving van de plangebieden (0-1km). In de wijdere omgeving komt de Alpenwatersalamander (Wnb-andere soorten / Rode lijst status 'thans niet bedreigd') voor (1-5km).

Toelichting

61

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

Een klein deel van een sloot (geïsoleerde deel) binnen het plangebied van Noordeinde 4 kan geschikt zijn als voortplantingslocatie voor de Rugstreeppad. Doordat er geen afname is van de hoeveelheid oppervlaktewater zal er geen schade ontstaan aan de mogelijke voortplantingslocatie. Binnen het plangebied van Noordeinde 46 zijn geen geschikte voortplantingslocaties aangetroffen. Voor beide plangebieden geldt dat ze in hun huidige staat niet geschikt zijn als overwinteringsgebied voor de Rugstreeppad. Op het moment dat er werkzaamheden gaan plaatsvinden kan het plangebied mogelijk wel geschikt worden als voortplantings- en overwinteringsgebied. Geadviseerd wordt te voorkomen dat er gedurende de voortplantingsperiode (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. Tijdens de inventarisatie zijn geen beschermde reptielen aangetroffen. Uit de geraadpleegde verspreidingskaarten blijkt dat de Ringslang (Wnb-andere soorten/ Rode lijst status 'kwetsbaar') voorkomt in de directe omgeving van het plangebied aan Noordeinde 46, 46bis en 46a (0-1km).

De Ringslang komt voor in de omgeving van het plangebied aan Noordeinde 4 (1-5km) in het Boskoopse sierteeltgebied. In beide plangebieden zijn geen geschikte voortplantings- en overwinteringslocaties voor de Ringslang aangetroffen. De plangebieden voldoen niet aan de specifieke eisen die de soort stelt aan zijn leefgebied. De aanwezigheid van de Ringslang kan in beide plangebieden worden uitgesloten. Uit de bureaustudie blijkt dat de Otter (Wnb-hrl/ Rode lijst status 'verdwenen uit NL') voorkomt in de directe omgeving van het plangebied aan Noordeinde 4 (0-1km) en in de wijdere omgeving van het plangebied aan Noordeinde 46 (1-5km). De Bever (Wnb-hrl, Rode lijst status 'gevoelig), Boommarter (Wnb-andere soorten/ Rode lijst status 'kwetsbaar'), Steenmarter (Wnb-andere soorten) en Waterspitsmuis (Wnb-andere soorten/ Rode lijst status 'kwetsbaar') komen voor in de wijdere omgeving van beide plangebieden (1-5km). Voor de Otter, Bever, Boommarter en Waterspitsmuis geldt dat de plangebieden niet voldoen aan de specifieke eisen die deze soorten stellen aan hun leefgebied. De aanwezigheid van de Otter, Bever, Boommarter en Waterspitsmuis binnen de plangebieden kan worden uitgesloten. Voor de Steenmarter is de bebouwing in de plangebieden ongeschikt om te kunnen dienen als schuil- en rustlocatie. Ook voor deze soort is geen geschikt leefgebied aanwezig binnen de plangebieden.

De aanwezigheid van de Steenmarter kan in beide plangebieden worden uitgesloten. Uit de bureaustudie blijkt dat verschillende beschermde vleermuissoorten voorkomen in de omgeving van het plangebied, zoals Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger (0-1km) Meervleermuis, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis en Watervleermuis (1-5km). De jonge knotwilgen binnen het plangebied van Noordeinde 4 kunnen mogelijk onderdeel zijn van een foerageergebied. Foerageergebied is alleen beschermd indien het van groot belang is voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen van de soorten, doordat er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn. Dit is hier niet aan de orde. Er is voldoende alternatief. Er zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten aangetroffen. De schuur is niet geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Verblijfplaatsen binnen het plangebied van Noordeinde 4 kunnen worden uitgesloten. De bebouwing binnen het plangebied van Noordeinde 46 is niet geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Er is in de kas en de loods geen geschikt, stabiel microklimaat aanwezig. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten kan worden uitgesloten. Binnen het plangebied van Noordeinde 46 zijn geen bomen aanwezig die kunnen dienen als foerageergebied of verblijfplaats.

De geplande werkzaamheden zullen geen schade veroorzaken aan de gunstige staat van instandhouding van de populatie van de verschillende vleermuissoorten. Uit de bureaustudie blijkt dat de Groene glazenmaker (Wnb-hrl/ Rode lijst status 'bedreigd') en Platte schijfhoren (Wnb-hrl/ Rode lijst status 'kwetsbaar') voorkomen in de omgeving van de plangebieden (1-5 km). Er is in de sloten binnen de plangebieden geen Krabbenscheer aanwezig wat nodig is voor de voortplanting van de Groene glazenmaker. De aanwezigheid van deze soort kan worden uitgesloten. Eén van de sloten binnen het plangebied van Noordeinde 4 kan mogelijk geschikt zijn als leefgebied voor de Platte schijfhoren. Deze sloot blijft echter behouden waardoor er geen schade zal ontstaan. Binnen het plangebied van Noordeinde 46 is geen geschikt leefgebied voor de Platte schijfhoren. De soort kan hier worden uitgesloten.

62

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

Aanbevelingen Algemene broedvogels Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Rugstreeppad Geadviseerd wordt te voorkomen dat er gedurende de voortplantingsperiode (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. Algemene zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht. Deze bepaalt dat eenieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Natuur-inclusief bouwen Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor Huismus, Boerenzwaluw en vleermuizen: a.

Voor de Huismus kan ruimte beschikbaar worden gehouden onder de onderste twee rijen dakpannen. Op een aantal plaatsen kunnen in afwijking hiervan vogelvides aangebracht worden op de onderste panlat. b. Voor de boerenzwaluw wordt geadviseerd om verschillende nestgelegenheden op te hangen. c. Voor vleermuizen kunnen kasten worden ingemetseld in de spouw op diverse plaatsen en op een aantal zijgevels vleermuiskasten geplaatst. Aanbevolen wordt: voorzieningen voor de Gewone dwergvleermuis, voor de Laatvlieger en in beperkte mate voor de Ruige dwergvleermuis. Conclusie Bij uitwerking van bouwplannen zullen de in het rapport genoemde aanbevelingen worden overgenomen. Met inachtneming hiervan kan worden geconcludeerd dat er vanuit de gebiedsbescherming en soortenbescherming geen belemmeringen bestaan voor deze planontwikkeling.

6.5

Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.5.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

Toelichting

63

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

64

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische opzet

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

7.2

Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.

7.3

Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouw- en gebruiksregels, alsmede algemene afwijkings- en wijzigingsregels opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 7.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Wijze van meten Artikel 2 In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. 7.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Artikel 3 Agrarisch De gronden in beide deelgebieden hebben de bestemming 'Agrarisch'. In deelgebied 2 zijn

Toelichting

65

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

sierteeltbedrijven toegestaan. Hiervoor is een functieaanduiding 'Sierteelt' opgenomen. Voor de sierteeltbedrijven is op de verbeelding een bouwvlak opgenomen. Binnen het toegekende bouwvlak dienen de bedrijfsgebouwen te worden gesitueerd. De oppervlakte aan bedrijfsgebouwen is aan een maximum gekoppeld. Voor de bedrijfswoning en plattelandswoningen is een aanduiding opgenomen. Bij de woonfunctie zijn aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsactiviteiten toegestaan. De toegestane maatvoering van het hoofdgebouw is opgenomen in de regels. Bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) zijn toegestaan overeenkomstig de bepalingen in de bouwregels. In de regels zijn tevens nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van overige bouwwerken. Een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om een plattelandswoning toe te staan wanneer aan de hierin gestelde voorwaarden kan worden voldaan. In verband met de landschappelijke inpassing van de waterbassins en nieuwe bedrijfsgebouwen in deelgebied 2 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat binnen zes maanden na het in gebruik nemen van de Verlengde Beethovenlaan beplanting rondom de waterbassins dient te worden aangebracht en onderhouden overeenkomstig het als Bijlage 1 van de regels opgenomen beplantingsplan.

Nieuwe bedrijfsbebouwing dient aan de zuidzijde hiervan te worden voorzien van een groene afscherming. Dit is geborgd in de specifieke gebruiksregels. Agrarisch met waarden Artikel 4 Voor het vervallen sierteeltgebied achter Noordeinde 4 is de bestemming 'Agrarisch met waarden' opgenomen. Voor de plattelandswoning is een aanduiding opgenomen. Bij de woonfunctie zijn aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsactiviteiten toegestaan. De toegestane maatvoering van het hoofdgebouw is opgenomen in de regels. Bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) zijn toegestaan met een maximum oppervlakte van 50 m². In de regels zijn tevens nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van overige bouwwerken. Buiten de aanduiding voor de plattelandswoning is verder geen bebouwing toegestaan. Deze agrarische gronden zijn bedoeld voor akkerbouw en ter bescherming van bestaande natuur en landschapswaarden van de drogerij met een regelmatige basisverkaveling. Voorts is de aanleg van een wandelpad (naar de Onderweg) mogelijk gemaakt. Artikel 5 Wonen De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor wonen. Bij de woonfunctie zijn aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsactiviteiten onder voorwaarden toegestaan. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

De toegestane maatvoering van het hoofdgebouw is generiek geregeld. De nieuw te bouwen woning in deelgebied 1 mag pas in gebruik worden genomen wanneer voldoende bedrijfsbebouwing is gesloopt en de sierteeltgronden zijn gesaneerd. Dit is geborgd in de specifieke gebruiksregels. Binnen en buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) toegestaan. Hierbij geldt dat de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 50% mogen worden bebouwd, tot een maximum van 50 m². Op percelen groter dan 500 m² mogen, afhankelijk van de perceelsgrootte, meer bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Via een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag een dakopbouw of een hekwerk op een dakterras toestaan. Een Bed & Breakfast is bij afwijking mogelijk. Artikel 6 en 7 Waarde - archeologie 2 en 3 In het plangebied komen gebieden met (middel)hoge archeologische verwachtingswaarden voor. Voor deze gebieden zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2 en 3' opgenomen met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningenstelsel. Waterstaat - Waterkering Artikel 8 Voor het bebouwingslint langs de Noordeinde geldt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.

Op deze gronden mogen geen nieuwe gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, tenzij advies is ingewonnen bij het hoogheemraadschap.

66

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

7.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Antidubbeltelregel Artikel 9 Het artikel 'Antidubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Algemene bouwregels Artikel 10 In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, kelders en ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels Artikel 11 In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd. Aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient een belangenafweging ten grondslag te liggen. Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen.

Artikel 13 Overige regels In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen. 7.3.4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen. Artikel 14 Overgangsrecht Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 14.1 e.v. van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 14.4 e.v. van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming. Artikel 15 Slotregel Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

7.4

Handhaving bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die

Toelichting

67

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak. 3. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4. Actief handhavingsbeleid Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

68

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

Hoofdstuk 8 8.1

Economische uitvoerbaarheid

Financiële haalbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. Beide planontwikkelingen zullen in overeenstemming zijn met provinciale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.

Toelichting

69

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

70

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

Hoofdstuk 9 9.1

Maatschappelijke betrokkenheid

Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties.

9.2

Communicatie

9.2.1 Informatiebijeenkomsten initiatiefnemers Hier volgt een weergave van de momenten dat omwonenden ingelicht en betrokken zijn bij de planvorming en hoe de argumentatie zijn weerslag in het bestemmingsplan heeft gevonden. Deelgebied 1 Voor direct omwonenden heeft initiatiefnemer op 2 november 2018 een informatiebijeenkomst gehouden, nadat de bewoners/eigenaren van 11 omliggende woonpercelen bij brief van 22 oktober 2018 hiervoor waren uitgenodigd. Van de uitnodiging hebben 12 belangstellenden gebruik gemaakt. Tijdens de bijeenkomst heeft initiatiefnemer een toelichting gegeven op de plannen. Hoewel de aanwezigen begrip hebben voor de beweegredenen constateren zij dat het zicht op de polder door de bouw van twee woningen minder wordt. De opmerkingen komen samengevat neer op vermindering van uitzicht, de situering van de woningen, alsmede de goot- en bouwhoogte die het plan mogelijk maakt. Geopperd werd om bungalows mogelijk te maken, zodat de woningen nagenoeg niet zichtbaar zijn achter het dijklichaam. Ook wordt gevreesd voor waardevermindering van de woningen. Daarnaast werd door een aanwezige geopperd om de kavels zelf te kopen, zodat zij zelf in de hand kunnen houden of, en wanneer er wordt gebouwd. Enkele aanwezigen hebben aandacht gevraagd voor het recht van overpad op dit gedeelte van het Noordeinde. Afgesproken is dat initiatiefnemer zich beraadt over de opmerkingen.

Als vervolg hierop heeft initiatiefnemer op 8 februari 2019 een tweede bijeenkomst gehouden. In totaal hebben 6 omwonenden van deze uitnodiging gebruik gemaakt. Tijdens deze bijeenkomst zijn de aanpassingen toegelicht naar aanleiding van de resultaten van de vorige bijeenkomst: In het geldende bestemmingsplan is voor woningen een goot- en bouwhoogte opgenomen van respectievelijk 6 en 10 meter. Om tegemoet te komen aan de opmerkingen wordt dit bestemmingsplan zodanig aangepast dat een maximum goot- en bouwhoogte is toegestaan van respectievelijk 4 en 9 m. Per woning is een bouwvlak opgenomen van 12 x 18 m, waarbinnen het hoofdgebouw moet worden gerealiseerd. Het wordt niet verplicht om een zadeldak aan te brengen, zodat kopers ook de mogelijkheid hebben om een bungalow te realiseren. De situering van de woningen is enigszins aangepast, zodat gedeeltelijk kan worden tegemoet gekomen aan opmerkingen van enkele bewoners. Voorts wordt in het bestemmingsplan vastgelegd dat de nokrichting van hoofdgebouwen haaks op de weg moet komen te liggen. De tussen de woningen geplande ontsluitingsweg naar het achterliggende agrarisch gebied is geschrapt. Dit gebied blijft bereikbaar via een overpad bij de bestaande woning op nummer 4. Het recht van overpad wordt voor zoveel nodig aangepast in verband met de nieuwe aansluitingen van de twee woningen op het Noordeinde.

Initiatiefnemer, tevens eigenaar van (dit gedeelte) van de weg zal met de overige eigenaren van het Noordeinde 2 en 6 hierover nadere afspraken maken en deze vervolgens voor zover nodig notarieel laten vastleggen. Wanneer belanghebbenden menen planschade te hebben kunnen zij gedurende vijf jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan een verzoek om planschade indienen bij de gemeente. Tijdens de bijeenkomst is nogmaals aandacht gevraagd voor de situering van de 2 woningen. Hierover wordt door de aanwezigen wisselend gedacht, waarbij de situering van hun eigen woonperceel bepalend is. Na discussie is er draagvlak om het bouwvlak van de noordelijk gelegen woning 3 m in noordelijke richting te verleggen. Het verplaatsen van de bouwvlakken in westelijke richting wordt niet overgenomen, omdat enerzijds de bestaande lintstructuur van de naastgelegen woningen wordt doorbroken (landschappelijk ongewenst) en anderzijds vanuit milieuzonering voldoende afstand moet worden aangehouden van de op het Noordeinde 2 gevestigde geitenhouderij. Overige aandachtspunten: De hoogte van erfafscheidingen langs de weg

Toelichting

71

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

Hierover wordt opgemerkt dat in de van toepassing zijnde bestemming 'Agrarisch' erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak zijn toegestaan met een hoogte van maximaal 1 m. Doorsnedetekening A en B Noordeinde 4 Vraagtekens worden gezet bij de doorsnedetekeningen, omdat de schaalgrootte niet lijkt te kloppen. Afgesproken wordt de tekening hierop te controleren. Bijgebouwen en landschapsinrichtingsplan woonerf Bijgebouwen zijn binnen en buiten het bouwvlak toegestaan binnen de bestemming Wonen overeenkomstig de gebruikelijke regeling in het bestemmingsplan Zuidplas Noord en aanvullend Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Het opstellen van een landschapsinrichtingstekening is niet afdwingbaar. Gelet op de opmerkingen beraadt initiatiefnemer zich over het laten opstellen van een kavelpaspoort wanneer tot uitgifte van de woningen wordt overgegaan. Vervolgens is het volgende afgesproken: a. de genodigden krijgen de resultaten van het overleg toegestuurd. Ook ontvangen zij de aangepaste situatietekening en doorsnedetekening. b. initiatiefnemer zal bilateraal overleg hebben met de eigenaren van Noordeinde 2 en 6 in verband met het bestaande recht van overpad. Voorts zal hij separaat overleg hebben met de eigenaar van Noordeinde 6 over onderzoek naar aanpassing van de eigendomsgrenzen. c.

initiatiefnemer informeert de gemeente over de twee gehouden bijeenkomsten en zal het (aangepaste) bestemmingsplan ter beoordeling aan de gemeente voorleggen. Aanpassing planinitiatief mei 2021 In verband met de door omwonenden geuite opmerkingen is na overleg met de gemeente besloten om het aantal compensatiewoningen terug te brengen tot één woning. De goot- en bouwhoogte is teruggebracht naar respectievelijk maximaal 3,5 en 8,5 m, waarbij de nokrichting van het hoofdgebouw haaks op het Noordeinde dient te worden gesitueerd. De omwonenden zijn hierover per e-mail van 7 mei 2021 met een begeleidende brief geïnformeerd met de mogelijkheid hierop binnen een week te reageren (een informatiebijeenkomst is achterwege gelaten in verband met de Coronamaatregelen). Twee omwonenden hebben per e-mail gereageerd, waarvan één met een begeleidende brief. Resultaten: een briefschrijver staat welwillend tegenover het gewijzigde plan, omdat er nog maar één woning wordt gebouwd in plaats van twee, zodat het uitzicht minder wordt belemmerd. een omwonende heeft per e-mail gereageerd. Ook zij zijn content dat er nu maar één in plaats van twee woningen worden gebouwd. Verder is de plek van de woning gewijzigd ten opzichte van de eerdere tekening, zodat zij nog een stukje vrij uitzicht over houden. een omwonende heeft in een overleg met de vertegenwoordiger van initiatiefnemer d.d.

17 mei 2021 verzocht om de bestemming 'Wonen' met bijbehorend bouwvlak vier meter in noordelijke richting te verplaatsen, zodat het uitzicht in mindere mate wordt beperkt ten opzichte van de toegezonden verkavelingstekening. Van de overige omwonenden is geen reactie ontvangen. Naderhand is een reactie van een andere omwonende ontvangen die zich niet kan vinden in de verplaatsing van de woning in noordelijke richting. Als vervolg hierop is er op initiatief van de gemeente op 22 juli 2021 met de betrokken omwonenden een Zoom-overleg gehouden. Hieruit is naar voren gekomen dat de omwonende die later heeft gereageerd wel kan instemmen met de per e-mail van 7 mei 2021 toegezonden situering van de woning. De bewoner die om verplaatsing heeft verzocht heeft aangegeven in beide situaties bezwaren te blijven houden, omdat ook bij een gewijzigde situering er sprake blijft van vermindering van uitzicht. Samenvattend heeft dit overleg niet geresulteerd in een gemeenschappelijk draagvlak bij alle omwonenden over situering van de woning. Naar aanleiding hiervan het volgende. Gelet op de relatief grote afstand van de bestaande woningen aan de Dorpstraat enerzijds en de circa 4 m lager gelegen polder anderzijds waar de compensatiewoning is gepland, zal een aanpassing van de situering nagenoeg niet waarneembaar zijn.

Desondanks is er aanleiding om, gehoord de inspraakreacties het bouwvlak zodanig de positioneren dat dit bouwvlak wordt gecentreerd in het verlengde van de kadastrale perceelsgrens tussen de oostelijk gelegen percelen Dorpstraat 134 en 144. De verbeelding van de bestemming 'Wonen' en verkavelingstekening zijn hierop aangepast. Met inachtneming van deze aanpassingen kan in voldoende mate worden tegemoet gekomen aan de inspraakreacties van omwonenden.

72

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

Deelgebied 2 Voor direct omwonenden heeft initiatiefnemer op 8 januari 2019 een inloopbijeenkomst gehouden, nadat de bewoners/eigenaren van de omliggende woonpercelen (Noordeinde 40-50 even en 31-61 oneven) bij brief van 29 december 2018 hiervoor waren uitgenodigd. Van de uitnodiging hebben circa 20 belangstellenden gebruik gemaakt. Tijdens de bijeenkomst heeft initiatiefnemer een toelichting gegeven op de plannen. Alle aanwezigen reageerden positief op de plannen. Er is geen aanleiding om het plan in dit deelgebied hierop aan te passen.

9.3

Zienswijzen

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 5 mei 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn vier schriftelijke zienswijzen ontvangen. Deze zijn beantwoorde in de Nota van beantwoording Zienswijzen, zoals opgenomen in Bijlage 7.

Toelichting

73

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

74

Toelichting

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

Regels

Regels

75

bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan Het bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a met identificatienummer NL.IMRO.0627.BPnoordeinde4en46-0401 van de gemeente Waddinxveen. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan huis verbonden beroep -of kleinschalige bedrijfsactiviteit Een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, verzorgend, ontwerptechnisch, ambachtelijk, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen beroeps- of bedrijfsactiviteit, inclusief ondergeschikte (productiegebonden) detailhandel, dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse. 1.6 achtererfgebied Erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruizen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11864824/1