2.2 BP Noordeinde 4 46 46-bis en 46 Waddinxveen toelichting en regels 01-09-2022
Tekst van het document
De historische gaafheid van het lint wordt gerespecteerd, waarbij rekening wordt gehouden met cultuurhistorische kwaliteiten van zowel het lint als geheel, als van de individuele bedrijfsbebouwing. Deze aanpassing van het bouwvlak past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en is qua aard en schaal passend te beschouwen bij wat er al is in dit deelgebied, zodat sprake van inpassing. De richtpunten zijn niet in het geding. Conclusie Deelgebied 1 Het bestaande sierteeltbedrijf aan het Noordeinde 4 wordt beëindigd. Ten behoeve hiervan zal overtollige bedrijfsbebouwing worden gesloopt. De sierteeltgronden worden omgezet naar akkerbouwgrond c.q. grasland. De landschappelijke kwaliteiten worden hierdoor hersteld. Gesteld kan worden dat deze wijziging voldoet aan het provinciale belang met betrekking tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Deelgebied 2 De bedrijfsbebouwing van drie bestaande sierteeltbedrijven wordt geconcentreerd in één bouwvlak voor een overblijvend bedrijf. Overtollige bebouwing van een inmiddels opgeheven sierteeltbedrijf worden verwijderd. De sierteeltactiviteiten kunnen op grond van artikel 2.3.1, lid 1, sub f van de Verordening ruimte worden voortgezet, omdat er geen sprake is van nieuwe boom- en sierteelt. De bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks. Eveneens wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart.
Resumerend kan worden geconcludeerd dat: het plan in overeenstemming is met artikel 6.10 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (Ladder); het plan in overeenstemming is met artikel 6.9, lid 1 sub a (inpassen) en lid 4 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (ruimtelijke kwaliteit). Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.
Toelichting
31
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
4.2.3 Gebiedsprofiel Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas De provincie Zuid-Holland heeft voor Bentwoud, Rottemeren en Zuidplas een gebiedsprofiel opgesteld. Een gebiedsprofiel omvat een beschrijving van karakteristieken (wat is er), ontwikkeling (wat speelt er), kwaliteiten (wat is waardevol) en ambitie (wat willen we) van het landschap van het betreffende gebied. Het gebiedsprofiel is in samenwerking met gemeenten en andere overheden en gebiedspartners opgesteld als gezamenlijke basis voor de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. Gedeputeerde Staten stellen het gebiedsprofiel vast als bevestiging van dit gezamenlijke vertrekpunt en tegelijk als uitgangspunt voor provinciale plannen. Dit gebiedsprofiel is op 16 december 2014 vastgesteld. Het gebiedsprofiel is een handreiking om de kwaliteit van plannen en ontwikkelingen te stimuleren om zo de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te versterken. Het gebiedsprofiel bevat een schat aan informatie die gebruikt kan worden om te bepalen met welke kwaliteiten het wenselijk is rekening te houden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het gebiedsprofiel is de basis voor het plannen met kwaliteit. Elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk. Ontstaansgeschiedenis De polder Achterof bestond vroeger uit een veenwildernis, die in de dertiende eeuw is ontgonnen ten behoeve van landbouw.
Het ontgonnen land werd echter tussen 1500-1700 voor turfwinning ontgraven. Daardoor ontstonden aan weerszijden van de middeleeuwse ontginningsweg Noordeinde diverse veenplassen. Het overgrote gedeelte daarvan (aan de westzijde van het Noordeinde) werd in de tweede helft van de achttiende eeuw ingepolderd, het gedeelte aan de oostzijde een eeuw later. Het huidige gebied geeft nog een goed voorbeeld van een voornamelijk negentiende-eeuws polderlandschap met bijbehorende bebouwing. De polder heeft een kenmerkend regelmatig rechthoekig wegen- en verkavelingspatroon. De polder ligt enkele meters lager dan het omliggende land. Om het water uit de polders te weren liggen er kaden om de polders heen. Dwars op de verkavelingsrichting lopen enkele brede sloten die ‘tochten’ worden genoemd. Deze vervullen een belangrijke rol in de afwatering van de polder. Beide deelgebieden zijn momenteel volledig in gebruik voor sierteelt. Ambities De onderliggende verkavelingsstructuur van agrarische landschap met zeer rationeel verkavelingspatroon vormt de basis voor de ambities van het gebied. De restanten nog open polderlandschap brengen openheid en rust en vormen zo een bijzondere kwaliteit die gekoesterd zou moeten worden. Daarnaast vormt het verkavelingspatroon met zijn verschillende richtingen, maat en schaal de logica van het landschap.
Bij het ordenen van ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied moet daarom de verkavelingstructuur als uitgangspunt worden genomen. Versterking van de hoofdstructuur van de polder is mogelijk, waardoor er ruimte is voor een gevarieerde ontwikkeling. De linten vormen hiertoe belangrijke structuurdragers van de polder. Deze kunnen worden benut en uitgebouwd als landschappelijk raamwerk voor nieuwe ontwikkelingen. De hier relevant zijnde ambitie voor de droogmakerij is dat de bebouwing gekoppeld blijft aan de linten. Erven worden groen ingepast. Nieuwe ontwikkelingen zijn passend bij de grote maat en rationele opzet van de droogmakerij. Het lint dient als structuurdrager van de hoofdstructuur te worden versterkt. Eenheid en de typerende opbouw van de polder dient herkenbaar te worden gehouden. De Vredenburghlaan vormt de nieuwe zuidelijke randweg van Waddinxveen en wordt aangesloten op de Moordrechtboog en de Gouwelaan. Hierdoor wordt zowel de A12, als de N207 ontlast en aanleg van de Bentwoudlaan zal ook de kern van Waddinxveen ontlast worden van doorgaand verkeer.
Toetsing planontwikkeling aan Gebiedsprofiel Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas Het kenmerkende landschap van het lint is nog altijd herkenbaar rond beide deelgebieden, maar niet meer zo sterk bepalend door de vele, vooral infrastructurele, ingrepen, zoals de in voorbereiding zijnde bovenlokale infrastructuur Vredenburghlaan/ Bentwoudlaan. Het contrast tussen de Bentwoudlaan en Verlengde Beethovenlaan en behoud van het lint zorgt ervoor dat deze structuurdrager beleefbaar blijft (het lint blijft het lint). Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een strategie van 'behoud, herstel en ontwikkeling': behoud van de lintstructuur, zonder daarmee 'het gebied op slot te zetten' (ontwikkeling). De compensatiewoning in deelgebied 1 ligt op grote afstand van de nieuwe infrastructuur. Doorzichten worden niet onevenredig aangetast. De aan te brengen beplanting ten westen en zuiden van de
32
Toelichting
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
waterbassins in deelgebied 2 zorgen voor een visitekaartje van het sierteeltgebied. De uitbreiding van het agrarisch bouwvlak is eveneens inpasbaar, omdat de bestaande kwaliteiten hierdoor niet worden aangetast en nieuwbouw wordt 'ingepakt' in het groen. Conclusie Deze planontwikkeling is in overeenstemming met het ambitiebeeld van het Gebiedsprofiel Bentwoud-Rottemeren-Zuidplas, omdat de ontwikkelingen een bijdrage leveren aan het behouden en/of versterken van de ruimtelijke kwaliteiten van het cultuurhistorisch waardevolle lint.
4.3
Regionaal beleid
4.3.1 Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas Het Intergemeentelijk Structuurplan Zuidplas (ISP) is een gezamenlijk plan van thans de drie Zuidplas gemeenten Gouda, Waddinxveen en Zuidplas. Het ISP is onder bestuurlijke regie van de Stuurgroep driehoek RZG tot stand gekomen, dat wil zeggen in samenwerking met de provincie Zuid-Holland, de gemeente Rotterdam en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het ISP is een uitwerking van de vastgestelde Interregionale Structuurvisie (2004). Het plan geeft inzicht over de ontwikkelingen in de Zuidplas tot 2030, waarbij het accent ligt op de periode 2010-2020. Het streven is om het ISP binnen deze periode in fasen uit te werken en uit te voeren. Het ISP is voor de gemeenten in de Zuidplas de basis voor het ruimtelijk beleid. De gemeentebesturen moeten zich bij het maken van bestemmingsplannen houden aan wat in het ISP staat. Voor burgers en organisaties komen uit het ISP geen juridisch bindende gevolgen voort. Dat gebeurt pas na de vaststelling van bestemmingsplannen. Aan het ISP kunnen dan ook door burgers en bedrijven niet direct rechten worden ontleend. Het ISP is door de gemeenteraad van Waddinxveen op 1 februari 2006 vastgesteld.
Het ISP omvat: Een inrichtingsschets voor de Zuidplaspolder op schaal 1:25.000 De hoofdstructuur voor groen, water en verkeer Aantallen te bouwen woningen Aantallen hectares voor bedrijventerreinen en glastuinbouw Een visie op de financiering Een visie op de ontwikkelingsorganisatie Een fasering van het programma. Het plangebied Zuidplas bestaat globaal uit de Zuidplaspolder, de bovenlanden langs de Hollandsche IJssel, de Eendragtspolder, de Tweemanspolder, Polder de Wilde Veenen en een zone ten westen van Waddinxveen. Het betreft het grondgebied van de Zuidplasgemeenten Gouda, Waddinxveen en Zuidplas. De belangrijkste richtinggevende uitspraken voor het ruimtelijk beleid in de Zuidplas, zoals geformuleerd in de Interregionale Structuurvisie (vanuit de lagenbenadering) zijn voor zover betrekking op het noordelijke gebied: Droogmakerijen (zoals de Zuidplas) lenen zich beter voor intensieve verstedelijking dan de veenweidegebieden. Uitbreiding van de groenstructuur is in de Zuidvleugel nodig. De Rottewig vormt met de Eendragtspolder, de Tweemanspolder en Polder de Wilde Veenen met het Bentwoud een robuuste groene as. Aan de zuidkant wordt de groenstructuur gecompleteerd met de Krimpenerwaard, de Hollandsche IJssel en Hitland en het restveengebied van de Zuidplas. Conclusie De plankaart (figuur 10) kent drie lagen: 'groenblauw casco', 'infranetwerk' en 'occupatie'.
Beide deelgebieden zijn hierin aangeduid als 'groene zone' met de aanduiding 'regionale gebiedsontsluitende weg - optioneel' (zwart gestreepte lijn). De deelgebieden zijn met een zwarte pijl aangeduid op de plankaart. De plannen hiervoor zijn, behoudens de infrastructuur, niet nader uitgewerkt. De uitgangspunten van het ISP zijn niet in het geding.
Toelichting
33
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
Figuur 10: Plankaart ISP. Deelgebieden met zwarte pijl aangeduid.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Structuurvisie Waddinxveen 2030 De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de structuurvisie Waddinxveen 2030 "Positief en realistisch naar 2030" vastgesteld. De structuurvisie van 2006 is herzien, omdat in de periode tot 2006 en nu veel is veranderd. De huidige economische situatie en bijgestelde groeiprognoses hebben gevolgen voor bijvoorbeeld het beleid dat gericht is op de woningmarkt. Er is opnieuw gekeken naar de kansen en mogelijkheden die Waddinxveen heeft op het gebied van ruimtelijke ontwikkelingen. Het karakter van de structuurvisie is positief en realistisch. Concreet betekent dit dat de ambities haalbaar en uitvoerbaar zijn, maar dat de visie ook uitdaagt en perspectief biedt. De nieuwe structuurvisie moet zowel de gemeente als burgers, bedrijven en andere betrokken partijen inspireren om actief mee te werken en te bouwen aan de toekomst van Waddinxveen. De structuurvisie schept een duidelijk kader voor de ontwikkeling van het buitengebied, aan beide zijden van de kern Waddinxveen. De volgende passage is relevant voor dit bestemmingsplan (citaat uit Structuurvisie, blz. 29).
34
Toelichting
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
Realisatie van het Bentwoud In het verleden zijn in regionaal verband vergaande afspraken gemaakt over de realisatie van het Bentwoud. Dit bovenregionale groenproject ligt deels binnen de gemeente Rijnwoude en deels binnen de gemeentegrenzen van Waddinxveen. Het Waddinxveense deel van het Bentwoud is gelegen tussen de zogenaamde Maaltocht en de Hoogeveenseweg (N455) en is in deze structuurvisie bijgesteld aan de hand van Rijksbezuinigingen op groenprojecten. De zone langs het Noordeinde is bedoeld voor een aantal recreatieve en ecologische routes van en naar het Bentwoud. Tevens kunnen hier groengebieden (al dan niet privaat) ontwikkeld worden, bijvoorbeeld in de vorm van landgoederen. Ook agrarisch gebruik behoort tot de mogelijkheden. Verder moet in of langs deze strook rekening worden gehouden met het tracé van de Bentwoudlaan. Daarnaast is het van belang om wonen in het buitengebied naast de agrarische sector verder mogelijk te maken. Op de integrale kaart van de Structuurvisie liggen beide deelgebieden in de aanduiding “Versterken natuurwaarden Zuidplaspolder/ Polder Achterof”. (zie figuur 11). Conclusie Beide planontwikkelingen zijn inpasbaar, omdat het gebied tussen de toekomstige Bentwoudlaan en het Noordeinde (na de herijking in oktober 2012) niet langer onderdeel uitmaakt van de contouren van het Bentwoud.
Het versterken van de natuurwaarden in de Polder Achterof is hierdoor in een ander daglicht geplaatst. Voortzetting van de agrarische functie (deelgebied 2) en wonen in het buitengebied (deelgebied 1) is mogelijk gelet op deze gewijzigde beleidsuitgangspunten over invulling van het Bentwoud.
Figuur 11: Integrale kaart Structuurvisie.
Toelichting
35
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
4.4.2 Mobiliteitsplan 2013-2020 De gemeenteraad heeft op 26 juni 2013 het Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020 vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie Waddinxveen uit 2006 en de second opinion uit 2007. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen. Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt. Conclusie Het Noordeinde (grenzend aan deelgebied 2) kan worden aangemerkt als een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom. Een agrarische bedrijfsfunctie wordt beperkt door het saneren van een sierteeltbedrijf. De aanpassing van het bouwvlak is met name bedoeld voor een meer efficiënte bedrijfsvoering van de twee overblijvende sierteeltbedrijven. De ontsluiting van deze twee bedrijven vindt plaats vanaf de bestaande inrit op het Noordeinde.
Ten opzichte van de bestaande planologische situatie heeft deze planontwikkeling nagenoeg geen wijzigingen voor wat betreft verkeersintensiteit. De vervolgfunctie in deelgebied 1 zorgt voor minder verkeersbewegingen, omdat sierteeltactiviteiten met vrachtwagentransport plaatsmaken voor één compensatiewoning met alleen personenverkeer. 4.4.3 Groenstructuur en Groenbeleid Waddinxveen De gemeenteraad heeft op 20 april 2016 het Groenstructuur en Groenbeleidsplan Waddinxveen vastgesteld. Hierin zijn beleidskader opgenomen voor het openbaar groen in de bebouwde omgeving. Het gedeelte van het Noordeinde in deelgebied 1 maakt onderdeel uit van de hoofdgroenstructuur en is aangeduid als vlakelement. Deelgebied 2 is niet opgenomen in de Hoofdgroenstructuur. Conclusie In deelgebied 1 worden alleen één compensatiewoning mogelijk gemaakt ten westen van het lint achter de dijk. De hoofdgroenstructuur wordt hierdoor niet aangetast. De woningen worden landschappelijk ingepast. Vanuit het Groenbeleidsplan zijn er geen beperkingen tegen deze planontwikkeling. 4.4.4 Duurzaamheid De gemeenteraad heeft op 13 december 2017 de Woonvisie vastgesteld. Het doel van deze Woonvisie is richting te geven aan het beleid rondom wonen en de woningmarkt in Waddinxveen. Deze richting bestaat uit een hoofddoelstelling en vier pijlers die hier vorm aan geven. Pijler 3 heeft betrekking op duurzaamheid.
Duurzaamheid is een belangrijk thema. Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing. Het draagt ook bij aan voorkomen van uitputting van grondstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners. In de duurzaamheidsvisie is een tweetal ambities op het gebied van duurzaamheid en wonen opgenomen. Het gaat om het stimuleren van duurzame nieuwbouw en verduurzaming van de bestaande voorraad. Duurzaam bouwen heeft ook een positieve weerslag op de leefbaarheid van de woningen en de woonomgeving en op de betaalbaarheid, woonlasten worden lager. Conclusie De nieuwe woning wordt volgens de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) gerealiseerd. De woning en/of bijgebouwen worden waar mogelijk voorzien van zonnepanelen. Ook wordt de woning niet meer aangesloten op het aardgasnetwerk. Overige nader te onderzoeken maatregelen zijn onder andere: warmteopslag in de grond of warmtepomp via de lucht; warmteterugwinning vanuit ventilatie en
36
Toelichting
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
vanuit douchewater; opvang en recyclen van regenwater. Bij uitwerking van bouwplannen zal rekening worden gehouden met de gemeentelijke uitgangspunten op het gebied van Duurzaam bouwen overeenkomstig de hiervoor genoemde maatregelen.
Toelichting
37
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
38
Toelichting
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
Hoofdstuk 5 5.1
Water
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de Watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
5.2
Beleidskader rijk en provincie
5.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd. 5.2.2 Beleid provincie Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. In de Omgevingsvisie is veel ruimtelijk waterbeleid geïntegreerd. De visie omvat onder andere het wettelijk verplichte regionale waterplan als genoemd in artikel 4.4 van de Waterwet.
Voor de provincie zijn naast de Waterwet (Omgevingswet in 2021) en de Drinkwaterwet ook andere kaders en plannen bepalend en richtinggevend voor het beleid ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen
Toelichting
39
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: 1. Waarborgen waterveiligheid 2. Zorgen voor mooi en schoon water 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.
5.3
Beleid gemeente
Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010). Dit Waterplan is een gezamenlijk plan van de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze partijen hebben het Waterplan opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen de gemeenten en de hoogheemraadschappen met het Waterplan zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven. De verwachting is dat hierdoor kostenefficiënter kan worden gewerkt. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied. Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten.
Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot: een veilig en robuust watersysteem; het voorkomen van wateroverlast en watertekort; een goede waterkwaliteit en een ecologisch gezond watersysteem; het benutten van mogelijkheden voor beleving en recreatie; het optimaliseren van beheer en onderhoud; het optimaliseren van communicatie binnen en tussen partijen.
5.4
Beleid hoogheemraadschap van Rijnland
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk ruimtelijk plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf. Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt Rijnland aan zijn ambities. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.
40
Toelichting
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen), de bodem van kwelgevoelige gebieden, maar ook aan: onttrekken en lozen van grondwater, het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. De regels zijn te vinden op www.rijnland.net/regels. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.
Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
5.5
Waterhuishouding
Beschrijving watersysteem Het plangebied bestaat voornamelijk uit jonge zeekleigronden. De maaiveldhoogte loopt naar het westen toe op. In het oostelijk deel ligt het maaiveld rond de 6,00 m beneden NAP met enkele plekken waar de maaiveldhoogte nog iets lager dan 6,00 m beneden NAP ligt. De grondwatertrappen houden verband met de maaiveldhoogte. Het plangebied valt binnen grondwatertrap III. Dit houdt in dat de hoogste grondwaterstand dieper ligt dan 40 cm-mv ( beneden maaiveld) en de laagste grondwaterstand tussen de 80-120 cm-mv. Veiligheid en waterkeringen Planologisch moeten de waterkeringen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen door de waterkeringen met een aparte dubbelbestemming te borgen. Concreet betekent dit dat op de verbeelding de beschermingszone wordt bestemd als 'Waterstaat - Waterkering'. In de voorwaarden behorende bij deze dubbelbestemming geldt de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' als primaire bestemming. Daarnaast moet bij bouwplannen binnen deze (dubbel)bestemming de waterkeringbeheerder worden geraadpleegd. Het verplicht opnemen van de waterkering in een bestemmingsplan is juridisch geregeld in de Provinciale Verordening ruimte. Het Noordeinde ligt in een waterkering met een kernzone en een beschermingszone. Het plangebied ligt in de buitenste beschermingszone.
Het is in beginsel niet toegestaan bebouwing te realiseren binnen de beschermingszone. De beschermingszones zijn door middel van de verbeelding voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. In figuur 12 is een uitsnede van de Legger waterkeringen (2016) opgenomen. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied, omdat beide deelgebieden in de buitenste beschermingszone liggen. Op de Legger oppervlaktewater (2018) is alleen de Eerste Tocht aangemerkt als primaire watergang. De overige sloten in het plangebied zijn aangemerkt als 'overige watergangen'.
Toelichting
41
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
Figuur 12: Legger Waterkeringen (2016), deelgebieden rood gestreept omlijnd. Beschrijving waterkwantiteit Dempen is graven Ten eerste geldt dat als er bestaand oppervlaktewater wordt gedempt, dezelfde hoeveelheid m³ die zich bevinden in het afvoerend nat profiel en de daarbovenop aanwezige vrije ruimte voor het bergen van water (de drooglegging, ofwel het verschil tussen het waterpeil en het maaiveld) binnen hetzelfde peilgebied terug moet worden aangelegd. Dit principe staat bekend als 'dempen is graven'. Compenserende waterberging vanwege versnelde afvoer Daarbovenop komt de benodigde aanvullende hoeveelheid waterberging ter compensatie van de toename van verharding en/of een versnelde afvoersituatie. De minimale eis dat 15% van het nieuwe verharde oppervlak als retentiegebied moet worden gerealiseerd, wordt ingevuld in het plangebied. Deelgebied 1 Het perceel is in gebruik als wonen en sierteelt. Overtollige bedrijfsbebouwing, totaal 560 m², wordt gesloopt. In de plaats hiervan kom één compensatiewoning met afgerond circa 160 m² verhard oppervlak. Het verhard oppervlak neemt af. Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is geen watercompensatie nodig. Het hemelwater van de daken van de woning wordt afgevoerd op het oppervlaktewater. Het afvalwater van de nieuwe woning wordt aangesloten op de bestaande riolering overeenkomstig het gemeentelijk rioleringsbeleid.
Bij de bouw van de woningen worden geen uitloogbare materialen toegepast. Deelgebied 2 Drie bouwvlakken worden samengevoegd tot één bouwvlak. Het terrein van het nieuwe bouwvlak is al verhard met containervelden. Daarbij komt dat circa 770 m² aan kassen wordt gesloopt achter de woning Noordeinde 46a. Per saldo zal het verhard oppervlak afnemen. Watercompensatie is in dit deelgebied niet nodig. Het hemelwater van de daken van de nieuwe bedrijfsbebouwing zal worden afgevoerd naar het
42
Toelichting
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
waterbassin en aanvullend het oppervlaktewater. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het riool worden aangesloten op de bestaande riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkelingen.
Toelichting
43
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
44
Toelichting
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
Hoofdstuk 6
Milieu en omgevingsaspecten
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
6.1
Milieu
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat deelgebied 1 wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van dit bestemmingsplan. Deelgebied 2 wordt eveneens genoemd in D-lijst (categorie D 9, vestiging van een glastuinbouw gebied of bloembollenteeltgebied van 50 ha of meer). De omvang valt echter ruim onder de drempelwaarde, zodat kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Onderzoek/ beoordeling De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r.
De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. In het onderhavige situatie is sprake van het oprichten van één woning in deelgebied 1, terwijl in deelgebied 2 alleen een geringe aanpassing plaatsvindt van een agrarisch bouwvlak. In de hierna volgende paragrafen wordt aangetoond dat 'belangrijke nadelige gevolgen' voor het milieu kunnen worden uitgesloten. In deelgebied 1 is een sierteeltbedrijf gevestigd, terwijl in deelgebied 2 drie sierteeltbedrijven aanwezig zijn. De planontwikkelingen zitten qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkelingen. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken.
Kenmerken van het project In deelgebied 1 is sprake van een geringe omvang (toevoeging één woning), terwijl in deelgebied 2 voor twee bestaande sierteeltbedrijven alleen de hoeveelheid bebouwing toeneemt met afgerond 2.000 m². Er is geen cumulatie met andere projecten. Bovendien is in het geldende bestemmingsplan al bebouwing toegestaan. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieugevoelige activiteiten (in paragraaf 6.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde twee planontwikkelingen. Plaats van het project Beide deelgebieden zijn niet van historisch, cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.2. Beide planontwikkelingen liggen voorts buiten de invloedssfeer van verderop gelegen Natura 2000-gebieden. In paragraaf 6.4 wordt hierop ingegaan. De afwijkingen ten opzichte van de geldende regeling zijn gering, zodat een toets waaruit inzichtelijk wordt of de betreffende activiteiten een
Toelichting
45
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
negatieve invloed hebben op de gestelde beheerdoelen achterwege is gelaten. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. Het M.e.r.-beoordelingsbesluit is opgenomen in Bijlage 1. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties.
Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype. Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Onderzoek/ beoordeling Deelgebied 1 Dit deelgebied kan getypeerd worden als een 'gemengd gebied'. Naast agrarische bedrijven staan hier ook woningen en overige niet agrarische functies aan de Dorpstraat. Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke bestaande milieubelastende activiteiten relevant kunnen zijn voor de compensatiewoning. Voor het bepalen van de milieuzones dient te worden uitgegaan van de afstandsnormen op basis van de VNG-richtlijn voor gemengd gebied.
In de nabijheid is alleen een bestaand veehouderijbedrijf aan het Noordeinde 2 relevant voor deze planontwikkeling zoals opgenomen in tabel 6.2. Tabel 6.2: overzicht bestaande bedrijven in directe omgeving plangebied. Adres Richtafstand tot Opmerkingen Bedrijf gemengd buitengebied Geitenhouderij (SBI-2008 Noordeinde 2, 50 m De afstand geldt voor geur. 0145, overige graasdieren) Waddinxveen De stal ligt op 100 m (milieucategorie 3.1). afstand van de woning op nummer 4. Wet geurhinder en veehouderij
46
Toelichting
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (afgekort Wgv) gelden er voor veehouderijbedrijven afstanden die in het kader van de milieuvergunningverlening moeten worden aangehouden tussen een veehouderij en woningen c.q. overige geurgevoelige functies. Niet vergunningplichtige bedrijven dienen te voldoen aan het bepaalde in het Activiteitenbesluit. Voor een woning buiten de bebouwde kom tot een veehouderij geldt in beide gevallen een afstand van 50 meter. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. Tevens moet beoordeeld worden of het bedrijf niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit bevat voorwaarden die bepalen of een inrichting wel of niet onder het Besluit valt. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op het aantal dieren, de afstand tot een kwetsbaar gebied, de afstand tot gevoelige objecten en de aard en capaciteit van stoffen die worden op- en overgeslagen. Het Activiteitenbesluit is o.a. van toepassing voor een veehouderij waar niet meer dan 2.000 schapen of geiten worden gehouden.
Indien niet aan de minimale afstanden wordt voldaan, is het bedrijf Wm-vergunningplichtig. De minimale afstanden zijn weergegeven in tabel 6.3. Naast de in de tabel genoemde afstanden gelden minimale afstanden tot opslagen van mest, afgedragen gewassen en dergelijke. Tabel 6.3: Minimale afstanden landbouwbedrijven. Inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden minimumafstand binnen de 100 m bebouwde kom minimumafstand buiten de 50 m bebouwde kom
Inrichting waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden 50 m 25 m
Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met (afstands)normen ten aanzien van landbouwbedrijven. Op grond hiervan dient een afstandsnorm van 50 meter te worden aangehouden, omdat het plangebied buiten de bebouwde kom ligt. De afstand kan met 25 meter worden verminderd, wanneer de gemeente een Geurverordening vaststelt op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (afgekort Wgv). Toetsing planontwikkeling aan Activiteitenbesluit De afstand tussen de geitenhouderij en de dichtstbijzijnde woningen van derden (buiten de bebouwde kom) moet ten minste 50 meter bedragen. Het agrarisch bouwvlak ligt ten opzichte van de nieuwe woning op een grotere afstand dan 100 meter. De bestaande woning - die van functie wijzigt naar plattelandswoning - ligt op meer dan 50 meter afstand, zodat er voor deze woningen geen geurbelasting is in het plangebied. Dit betekent dat een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Andersom geredeneerd worden er geen beperkingen opgelegd aan de bedrijfsvoering van de agrarische activiteit. De geitenhouderij kan blijven voldoen aan de in het Besluit genoemde voorschriften. V-Stacks berekeningen In verband met de nabijgelegen geitenhouderij zijn V-Stacks berekeningen uitgevoerd om de geurbelasting van de geitenhouderij op omliggende woningen te berekenen.
Hieruit blijkt dat de grenswaarde op de dichtstbijzijnde woning niet wordt overschreden. De berekening is opgenomen in Bijlage 2. Gezondheidseffecten op geitenhouderij Uit onderzoek van het RIVM (rapport 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies) van RIVM 2017-0062) is gebleken dat rondom geitenhouderijen mensen een grotere kans hebben op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. De onderzoekers zien deze toename over alle jaren van 2007 tot en met 2013, dus ook na de Q koortsepidemie, die van 2007 tot en met 2010 plaatsvond. Het aantal extra gevallen van longontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenbedrijven is gemiddeld over de jaren 2009-2013 ongeveer 89 patiënten per 100.000 mensen per jaar. Dat komt neer op ongeveer 5,4% extra patiënten. De Q koortsepidemie heeft waarschijnlijk tijdens
Toelichting
47
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
de vroege jaren bijgedragen aan het verhoogde aantal longontstekingen. Het is echter geen verklaring van het verhoogde risico vanaf 2011. Wat deze toename wel veroorzaakt, is nog onduidelijk. In verband met de risico's van volksgezondheid is er in zoverre geen wettelijk toetsingskader. Voor geitenhouderijen zijn evenwel strikte entingen en hygiënemaatregelen van toepassing om Q-koortsbesmettingen te voorkomen. In de geitenhouderij worden circa 700 geiten gehouden. Vergunninghouder voldoet aan de milieuvoorschriften van het Activiteitenbesluit. Er is geen feitelijke grondslag voor de stelling dat als gevolg van het houden van het vergunde aantal geiten door vergunninghouder sprake is van onaanvaardbare negatieve gezondheidseffecten. Gelet op voornoemde onderzoeksresultaten en de conclusies van het RIVM bestaat er dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat het oprichten van een woning ruim buiten de geurcirkel zodanige risico's voor de volksgezondheid opleveren voor de toekomstige bewoners dat er sprake is van negatieve gezondheidseffecten. Advies GGD-Hollands Midden Voor de bewoners van de nieuw te bouwen huizen zal er een iets verhoogd risico zijn op een longontsteking of een verergering van bestaande longklachten (deze bestaat binnen een straal van 2 km rondom een geitenboerderij). Daarentegen zijn er ook voordelen met betrekking tot wonen op het platteland.
De GGD-Hollands Midden adviseert om toekomstige/aspirant bewoners vooraf te informeren over de gezondheidsrisico's, zodat zij een weloverwogen beslissing kunnen nemen. Deze aanbeveling wordt overgenomen wanneer voorbereidingen worden gestart over verkoop van de woning. Deelgebied 2 Het plangebied kan getypeerd worden als een 'gemengd gebied', omdat naast agrarische bedrijven ook woningen en niet agrarische activiteiten aan het Noordeinde zijn gelegen. Dit deel van het Noordeinde is bovendien een gebiedsontsluitingsweg. In dit deelgebied zijn momenteel drie sierteeltbedrijven gevestigd. Een sierteeltbedrijf valt onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Deze bedrijven beschikken nu over 3 afzonderlijke bouwvlakken. Het nieuwe agrarische bouwvlak wordt zodanig verplaatst dat de afstand ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning van derden groter wordt (circa 30 meter in plaats van nu 12 meter), zodat er vanuit milieuzonering geen beperkingen zijn. Gewasbeschermingsmiddelen Het aspect gewasbeschermingsmiddelen vraagt hier om aandacht, omdat de agrarische gronden in deelgebied 2 de aanduiding 'Sierteelt' behouden. Emissie van bestrijdingsmiddelen zoals toegepast in de tuinbouw kan milieuproblemen veroorzaken (diffuse verspreiding via lucht, bodem en water). Ook speelt de aanwezigheid van gevoelige functies een rol.
Op grond hiervan dient daarom rekening te worden gehouden met een grotere afstand dan 10 meter van sierteeltbedrijven tot woongebieden. Niet in alle gevallen wordt deze afstand in de bestaande situatie gehaald. Aangezien het gaat om bestaande bedrijven waarop milieuwetgeving van toepassing is die gevaar of hinder moet voorkomen heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar de veiligheidszones en verantwoorde afstanden rondom het sierteeltbedrijf als gevolg van bespuitingen met toxische stoffen en de blootstelling hiervan op de beoogde functiewijziging. Beschouwing Tot op heden is er geen wet- en regelgeving omtrent het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot omliggende gevoelige bestemmingen. Deze landelijke discussie wordt primair gevoerd in relatie tot fruitteeltopstanden, waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen veel groter is. De minister heeft de Gezondheidsraad voor dit dossier om een advies gevraagd. De Gezondheidsraad (GR) heeft op 29 januari 2014 advies uitgebracht over de vraag of omwonenden van landbouwpercelen gezondheidsrisico's lopen door toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. De Gezondheidsraad heeft aanleiding gezien voor een nader blootstellingsonderzoek onder omwonenden en voor aanpassing van de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen. Dit nadere onderzoek is tot op heden nog niet afgerond.
In het Activiteitenbesluit staan eisen waaraan voldaan moet worden bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het gebruik van deze middelen op een perceel langs een watergang is aan regels gebonden. Deze regels bieden ook bescherming aan een woning naast een sierteeltbestemming met een watergang ertussen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de
48
Toelichting
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
sierteelt is niet te vergelijken met akkerbouw en fruitteelt c.q. boomgaard. Dit omdat gewassen van sierteelt zeer weinig gewasbeschermingsmiddelen gebruiken in vergelijking tot fruitteelt. Planspecifiek Een plattelandswoning hoeft niet getoetst te worden aan de milieugevolgen van het voormalige bedrijf. De milieuaspecten van de omgeving (zowel woningen en bedrijven) zijn getoetst in het vigerende bestemmingsplan. Bij een plattelandswoning wordt bewoning toegestaan door een derde. Het betreft alleen de omzetting van een bedrijfswoning (nummer 46bis) naar plattelandswoning. Voor het plangebied is de bestemming 'Agrarisch' met de aanduiding 'Sierteelt' van toepassing met twee bouwvlakken voor de plattelandswoningen, waarvan één al bestaand (nummer 46a). De afstand tussen de woningen en de westelijk gelegen sierteeltgronden is in alle gevallen meer dan 25 meter. Gelet op het vorenstaande kan worden gesteld dat er een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aanwezig is. Conclusie Uit inventarisatie is gebleken er geen relevante bedrijven en/of milieugevoelige functies in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren.
Een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen dit bestemmingsplan. 6.1.3
Geluid
6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies.
De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Onderzoek/ beoordeling Deelgebied 1 De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied is het Noordeinde en Beethovenlaan (beide binnenstedelijk met een zonebreedte van 200 m). Voor deze wegen geldt ter plaatse een maximum snelheid van 50 km/uur. Vanuit een goede ruimtelijke ordening wordt ook geluidbelasting ten gevolge van de 30 km/u weg Dorpstraat inzichtelijk gemaakt. Bij verandering van een bestemming moet er in principe worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door DPA Cauberg Huygen B.V. te Rotterdam (rapport van 10 augustus 2018, referentie 04471-42092-02, Bijlage 3). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat ten gevolge van wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden na aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder voor genoemde wegen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidsbelasting vanwege de verschillende individuele wegen bedraagt maximaal 35 dB op de gevels van de woningen.
Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de
Toelichting
49
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
voorkeursgrenswaarde (48 dB). Er hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd. Tevens is de gecumuleerde geluidsbelasting van beide wegen samen niet hoger dan 53 dB. Er zijn geen aanvullende voorzieningen benodigd om aan de eisen van het Bouwbesluit te voldoen. Deelgebied 2 Bij verandering van een bestemmingsplan moet er in principe worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze situatie worden evenwel geen nieuwe geluidgevoelige functies toegevoegd. De bedrijfswoning op nummer 46bis wordt alleen omgezet naar plattelandswoning. De leefomgevingskwaliteit wordt niet in negatieve zin wordt beïnvloed. Uit onderzoek blijkt verder dat de woning niet op een saneringslijst staat en er geen hogere waarde Wgh is verleend. De uitbreiding van de agrarische bedrijfsbebouwing valt niet onder de noemer geluidsgevoelige gebouwen. Het aantal verkeersbewegingen zal nagenoeg niet toenemen. Op het voorterrein is voldoende parkeergelegenheid. De afstand tot de dichtstbijzijnde woningen van derden is zodanig dat deze verkeersaantrekkende werking geen geluidsoverlast veroorzaakt voor deze woningen (de afstand tussen de uitbreiding van het bouwvlak en de dichtstbijzijnde woning wordt groter ten opzichte van de huidige planologische situatie). Daarbij komt dat gevoelige functies voldoende zijn beschermd door de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidvoorschriften.
De gebruikers kunnen hieraan voldoen. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader spoorweglawaai Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Onderzoek/ beoordeling Binnen de aangewezen zones dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Beide deelgebieden vallen ruim buiten een zone voor spoorweglawaai, zodat er vanuit dit oogpunt geen beperkingen zijn. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorweglawaai, geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen.
De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Voor gezoneerde bedrijventerreinen geldt dat er binnen de geluidszone in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder. In de nabijheid van beide deelgebieden liggen geen gezoneerde
50
Toelichting
bestemmingsplan Noordeinde 4, 46, 46bis en 46a
bedrijventerreinen. Voor de nieuwe woningen in deelgebied 1 is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerde industrieterrein. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' van oktober 2013. Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is als veel bekend van de bodemkwaliteit.
Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert. In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen. De beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Waddinxveen op 4 maart 2014 vastgesteld. Onderzoek/ beoordeling Bij een bestemmingsplan dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In verband hiermede is voor deelgebied 1 een historisch vooronderzoek bodem overeenkomstig NEN 5725 uitgevoerd door Hoste Milieutechniek B.V. te Hazerswoude-Dorp (rapport van 31 augustus 2018, kenmerk U18-0651, Bijlage 4). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende (overgenomen uit rapport). Het doel van historisch vooronderzoek is een risico-inschatting te maken inzake de eventuele aanwezigheid van bodemverontreiniging op de locatie. Indien blijkt dat de locatie onverdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging is vervolgonderzoek in een wettelijk kader niet noodzakelijk en bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen herinrichting.
Indien de locatie wel verdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging dient bij herinrichting een verkennend bodemonderzoek conform de NEN-5740 te worden uitgevoerd om te bepalen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. De locatie is in principe onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging. Op basis van onderhavig vooronderzoek zijn er geen belemmeringen tegen de voorgenomen herontwikkeling tot het bouwen van één woning. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. Conclusie Er zijn geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig met betrekking tot de voorgenomen functiewijzigingen op het onderhavige plangebied. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van bodem.