1a: concept BOPA “SLM.027463.RAP001.MM.BOPA CONCEPT"
Tekst van het document
3.4.3 CONCLUSIE Gelet op het vorenstaande vormt het aspect ‘Bodem’, na uitvoering van nader onderzoek, naar verwachting geen belemmering voor het beoogde project.
3.5 OMGEVINGSVEILIGHEID 3.5.1
WET- EN REGELGEVING
Activiteiten zoals het opslaan, produceren, gebruiken en vervoeren van gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Hierbij is het aspect omgevingsveiligheid van belang. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een BOPA.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 32/56
Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl) Groepsrisico (GR) Groepsrisico gaat uit van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben namelijk van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). In een omgevingsplan is het niet verplicht om aandachtsgebieden op te nemen. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor onder andere brand, explosie en gifwolken. Afhankelijk van de type activiteit zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze rekenkundig te bepalen op grond van bijlage VII van het Bkl.
Aandachtsgebieden worden verder kenbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Op de Atlas van de Leefomgeving zijn kaarten opgenomen voor externe veiligheidsrisico’s. Binnen aandachtgebieden kan spraken zijn van een voorschriftengebied. Als een initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art 4.90 t/m 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen (scholen, kinderopvang, verzorgingstehuizen enz.) geldt altijd een voorschriftsgebied en daarmee aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). De gemeente kan verder aanvullende eisen stellen los van het voorschriftengebied in de omgevingsvergunning. Denk daarbij aan vluchtroutes en bereikbaarheid door hulpdiensten. Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. De berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
3.5.2 ONDERZOEK P.M. [volgt nog]
3.5.3 CONCLUSIE Gelet op het vorenstaande vormt het aspect ‘Externe Veiligheid’ geen belemmering voor het beoogde project.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 33/56
3.6 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 3.6.1 WET- EN REGELGEVING Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming van het behoud van het cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is verder opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
3.6.2 ONDERZOEK Ter plekke van de nieuwe maatschappelijke voorzieningen is, uitgaande het parapluplan archeologie en parkeren, geen archeologische waarden opgenomen. Archeologie vormt daarmee naar verwachting geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en archeologisch vervolgonderzoek niet nodig is. Derhalve kan worden geconcludeerd dat mogelijk aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord.
3.6.3 CONCLUSIE Gelet op het vorenstaande vormt het aspect ‘Archeologie en Cultuurhistorie’ geen belemmering voor het beoogde project.
3.7 NATUUR EN ECOLOGIE 3.7.1
WET- EN REGELGEVING
De bescherming van de natuur is in Nederland was voorheen wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de komst van de Omgevingswet in 2024 is deze regeling opgenomen in de Aanvulingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. De Omgevingswet voorziet in de bescherming van Europese Natura 2000-gebieden, nationale natuurgebieden (NatuurNetwerk Nederland; het NNN) en (beschermde) flora en fauna. De basis wordt gevormd door de zorgplicht, waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 34/56
Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor alle in het wild levende dieren en planten: - Dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; - de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; - voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Soortenbescherming In de Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten. Soorten Vogelrichtlijn-soorten
Artikel 11.37
Verboden Lid 1a. Opzettelijk doden/vangen Lid 1b. Opzettelijk vernielen, wegnemen of beschadigen van nesten/eieren Lid 1c. Eieren rapen/onder zich hebben Lid 1d. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding) Habitatrichtlijn-soorten, 11.46 Lid 1a. Opzettelijk doden/vangen soorten uit bijlage I en II Lid 1b. Opzettelijk verstoren van de Bern conventie en Lid 1c. Eieren te rapen of vernielen bijlage I van de Bonn Lid 1d. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen conventie Lid 1e. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten Andere beschermde 11.54 Lid 1a. Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, soorten vissen en ongewervelden (vernoemd in onderdeel A) Lid 1b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in onderdeel A) Lid 1c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in onderdeel B) Tabel 1: Op hoofdlijnen de verboden per beschermingsregime Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of vergunningsverlening.
Het nalaten van de zorgplicht (voor alle in het wild levende dieren) is een overtreding van de Omgevingswet en kan gevolgen hebben. Specifieke zorgplicht In Nederland zijn een tal aan soorten die dreigen te verdwijnen of al zijn verdwenen, deze soorten zijn opgenomen in Rode Lijsten. Een deel van de bedreigde soorten zijn opgenomen in de beschermingsregimes van de Omgevingswet. Met de specifieke zorgplicht worden soorten die zijn aangemerkt als bedreigd (Rode lijst-soorten), maar geen bescherming kennen onder de beschermingsregimes, aanvullend beschermd onder de Omgevingswet. Voorafgaand aan een activiteit dient te worden nagegaan of de ontwikkeling leidt tot een significant negatief effect op de aanwezige bedreigde soorten (zoals het verwijderen van essentieel leefgebied). Als negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, dan zullen mitigerende maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van de bedreigde soort.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 35/56
Gebiedsbescherming Binnen Europa zijn natuurgebieden aangewezen met een landelijk overstijgend ecologisch belang, dit zijn de Natura 2000-gebieden. Het is verboden om een project te realiseren dat significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Binnen de Omgevingswet is de bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden geregeld in afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het doel van de wetgeving is het behouden van de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten en waar nodig deze te herstellen of stimuleren. Om te bepalen of een project vergunningplichtig is, moet dus in een voortoets worden bepaald of het project significante gevolgen kan hebben. Daarom wordt in eerste instantie bepaald of het project tot een toename van de stikstofdepositie kan leiden en zo ja, of significant negatieve effecten als gevolg van de berekende toename in één of meerdere Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten of niet. Als er geen toename wordt berekend, of als significante gevolgen in deze voortoets op voorhand kunnen worden uitgesloten, dan vormt de Wet natuurbescherming vanuit het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning.
3.7.2 ONDERZOEK Soortenbescherming Ten aanzien van de ontwikkeling zijn diverse onderzoeken uitgevoerd in het kader van soortenbescherming onder de Omgevingswet. Voor deelgebied i3 heeft in 2022 al een Quickscan plaatsgevonden (WSP Milieu B.V. 2022 Quickscan Ecologie, Park Vredenburg SLM02936.RAP001, versie 001) en een nadere inspectie naar de rugstreeppad (WSP Milieu B.V., Bevindingen Ecologische Inspectie 2022). De resultaten uit deze eerdere QuickScans wezen uit dat het plangebied mogelijk een functie vervult voor de rugstreeppad en algemene broedvogels. Tijdens de verdere ecologische inspectie naar de rugstreeppad in 2022 zijn deze echter niet aangetroffen. Het gebied is sinds deze tijd niet onderhevig geweest aan veranderingen waardoor geen veranderingen aan functionaliteiten van beschermde natuurwaarden hebben plaatsgevonden. Daarom is enkel een actualisatie vanuit het bronnenonderzoek door middel van de Nationale Databank Flora en Fauna gedaan. Op 26 juni 2024 heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarna het oorspronkelijke rapport uit 2022 is geactualiseerd met nieuwe bevindingen aan de hand van de nieuwe inzichten en de Omgevingswet. In bijlage 6 is de actualisatie van de quickscan opgenomen.
Deze Quickscan vormt de eerste fase in het kader van toetsing van plannen in de buitenruimte aan de Omgevingswet met betrekking tot flora & fauna activiteiten en Natura 2000-activiteiten. Conclusies Quickscan Uitgaande het onderzoek kan geconcludeerd worden dat in de huidige situatie zich geschikt biotoop vindt in de vorm van geschikte voortplantingswateren en gering landsbiotoop. Binnen het plangebied zijn geen individuen van de rugstreeppad aangetroffen. In de afgelopen twee jaar sinds de vorige ecologische inspectie hebben geen individuen zich binnen het plangebied gevestigd. Hierdoor is de kans gering geschat dat de soort zich vestigt tijdens de werkzaamheden, maar dit is niet uit te sluiten wegens het aanwezig zijn van potentiële voortplantingswateren. Geadviseerd wordt om de kans op vestiging te voorkomen middels de volgende maatregelen: • Ontstane waterplassen, als bij rijsporen en gegraven laagtes, dempen in de periode van april tot eind juli • Heuvels van licht vergraafbaare grondsoorten zoals zand afdekken en afvoeren. Verdere conclusies en aanbevelingen uit het rapport zijn: Flora en fauna activiteit Vaatplanten, reptielen, ongewervelden, vleermuizen, amfibieën en jaarrond beschermde nesten Voor dit onderdeel zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 36/56
(Kleine) marterachtigen (Steenmarter, wezel, hermelijn & bunzing) Er zijn verschillende waarnemingen van de steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel bekend op verschillende locaties rondom het plangebied. Er moet nader onderzoek plaatsvinden bij verwijderen van geschikte dekkingsstructuren. Dit onderzoek betreft: • Cameravallen (een meetpunt per 0,25 hectare geschikt leefgebied) • Periode begin juni – half november • Onderzoeksperiode van acht aaneengesloten weken Algemene broedvogels De werkzaamheden dienen buiten de broedperiode (15 maart t/m 15 augustus) uitgevoerd te worden. • Mocht dit niet mogelijk zijn, dient voorafgaand van de werkzaamheden de werklocatie vrijgegeven te worden door een ecoloog. • Indien zich een broedvogel vestigt op de bouwlocatie, dient contact opgenomen te worden met een ecoloog om te bespreken hoe te handelen. Alle soorten Voor alle overige soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving, geldt de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Houtopstanden Indien kapwerkzaamheden plaatsvinden aan bomen • Gemeentelijke (omgevings-)vergunning nodig bij o Monumentale, waardevolle of gemeentelijke bomen o Bomen van minimaal 1,3 meter hoogte boven het maaiveld én een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 centimeter.
• Hierbij komt mogelijk een meldings-, herplant- en instandhoudingsplicht aan bod.
Natura 2000 activiteit en provinciaal natuurbeleid (NNN) Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd natuurgebied en ligt op geruime afstand (8 kilometer) van het dichtstbijzijnde N-2000-gebied de ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ In de QuickScan is het volgende geconcludeerd: • Middels een AERIUS-berekening dient te worden nagegaan of er sprake is van een negatief effect op Natura 2000-gebieden zijn als gevolg van stikstofdepositie. Dit onderzoek wordt verderop besproken. • Er is geen sprake van een effect op NNN.
Onderzoek stikstofdepositie P.M. [volgt definitief na release van nieuwe versie Aerius, 1 okt 24]
3.7.3 CONCLUSIE Gelet op het vorenstaande vormt het aspect ‘Natuur en Ecologie’ geen belemmering voor het beoogde project.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 37/56
3.8 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE 3.8.1 WET- EN REGELGEVING De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma’s uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MERbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure
3.8.2 ONDERZOEK P.M. [volgt na afronding alle overige onderzoeken]
3.8.3 CONCLUSIE Gelet op het vorenstaande is geen milieueffectrapportage nodig.
3.9 VERKEER EN PARKEREN 3.9.1 VERKEER EN PARKEREN Ten aanzien van deelgebied I3 heeft verkeerskundig onderzoek plaatsgevonden naar parkeren en de verkeersafwikkeling van de wijk. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 8 bij de motivering. Hieronder worden de conclusies van dat rapport besproken Conclusies verkeerskundig onderzoek Parkeren Ten behoeve van de gehele ontwikkeling van I3 is door de gemeente Waddinxveen een parkeerberekening opgesteld. Deze berekening voor I3 is hieronder opgenomen.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 38/56
Figuur 16 - Parkeerbalans I3
Uitgaande de parkeerberekeningen is voor de school, het kinderdagverblijf en het gezondheidscentrum uitgegaan van 32,3 parkeerplekken. Er wordt daarbij uitgegaan van 18 schoollokalen, 420 m 2 aan kinderdagverblijf en 6 behandelkamers voor de overige (zorg) gerelateerde maatschappelijke voorzieningen. In totaal is deelgebied i3 een parkeerbehoefte van afgerond 273 parkeerplekken. Rekening houdend met dubbelgebruik van de openbare parkeerplaatsen, bedraagt de parkeerbehoefte op het maatgevend moment (werkdagavond) 231 parkeerplaatsen. De totale parkeercapaciteit die wordt gerealiseerd bedraagt 273 parkeerplaatsen waardoor een overschot is van 43 parkeerplaatsen. Op alle momenten in de week is sprake van voldoende parkeercapaciteit. Halen en brengen kinderen In de gemeentelijke parkeerberekening is geen rekening gehouden met het halen en brengen van de kinderen op de basisschool en het kinderdagverblijf (K&R). Tijdens de ochtend- en de middagperiode (halen en brengen kinderen) is in het gebied een restcapaciteit van ten minste 74 parkeerplaatsen. Het aantal kinderen van de basisschool in totaal (maximaal) 540. Hierbij wordt uitgegaan van een gelijke verdeling van kinderen tussen onder- en bovenbouw. Het kinderdagverblijf heeft een totale capaciteit maximaal 96 kindplaatsen (6 groepen van maximaal 16 kinderen).
Aan de hand van de CROW-methodiek is het benodigde aantal K&R-plaatsen voor de onderwijsfuncties berekend. Hierbij is uitgegaan van dezelfde uitgangspunten als gehanteerd in de parkeerstudie voor de onderwijsfuncties aan de Parklaan; iets ten noorden van deze ontwikkeling. De totale parkeerbehoefte tijdens het halen en brengen van de kinderen bedraagt 67 en 56 parkeerplaatsen tijdens respectievelijk de ochtend- en de middagperiode. Tijdens deze momenten is in het gebied een restcapaciteit van ten minste 74 parkeerplaatsen beschikbaar. Hiermee is voldoende parkeercapaciteit beschikbaar om ook tijdens het halen en brengen van de kinderen te voldoen aan de parkeerbehoefte.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 39/56
Parkeerplaatsen, kiss & ride en verkeersveiligheid Ten aanzien van de gehele ontwikkeling van deelgebied I3 is een (stedenbouwkundig) ontwerp opgesteld waarin onder andere de parkeerplekken en Kiss & Ride zone voor de maatschappelijke voorzieningen zijn meegenomen. Bezoeker kunnen parkeren in directe nabijheid van de school. Tevens is er een fietsenstalling voorzien op eigen terrein. In basis wordt ervan uitgegaan dat de school grotendeels op loop- en fietsafstand ligt. Het ontwerp gaat uit van een zo verkeersveilig mogelijke inrichting van de buitenruimte waarbij aandacht is besteed voor verkeer in relatie tot de ingang van de school, groene inrichting, de parkeermanoeuvres, rijcurven en maatvoeringen rondom de maatschappelijke voorzieningen. In het verkeersonderzoek worden verder ingegaan op de ontwerpkeuzes in het stedenbouwkundig plan.
3.9.2 CONCLUSIE De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
3.10 WATER 3.10.1 ALGEMEEN Het klimaat is aan het veranderen en dit leidt tot meer extremere buien. Het (hemel-)watersysteem en afvalwaterketen moet deze neerslag zo goed als mogelijk kunnen verwerken. Het besef groeit dat dit niet meer uitsluitend met grotere rioolbuizen op te vangen is. Om de waterbelangen (hemelwater en grondwater) bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen het waterbelang te worden afgewogen. In dit hoofdstuk zal het aspect water worden beschreven. Allereerst wordt kort ingegaan op het relevante beleid waarna de bestaande en nieuwe situatie voor Vredenburg i3 (inclusief de maatschappelijke voorzieningen) wordt beschreven.
3.10.2 RELEVANT BELEID Nationaal Waterplan 2022-2027 Op 18 maart 2022 is het National Water Programma (NWP) 2022-2027 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting weer van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027. Met dit National Waterplan stelt het kabinet ambities voor schoon, veilig en voldoende water dat kilmaatadaptief en toekomstbestendig is. Onderdeel van het waterplan zijn: Aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering Blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte De zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 40/56
Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 In het Regionaal Waterprogramma 2022-2027 wordt het waterbeleid van de provincie uitgewerkt voor verschillende onderdelen: -
Verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater Het op peil houden van de voorraad en de kwaliteit van het grondwater Bescherming en beperken van gevolgen tegen mogelijke overstromingsrisico’s, ook als gevolg van klimaatverandering.
HHSK Waterbeheerplan 2022-2027 Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerprogramma 2022-2027, de Waterschapsverordening van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het algemeen bestuur van het HHSK heeft op 26 januari 2022 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma staan de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren. De taken van het waterschap worden omschreven, zoals de zorg voor voldoende en schoon water, het zuiveren van afvalwater, en wettelijke taken zoals het voorkomen van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Ambities zijn uitgewerkt binnen verschillende thema’s: Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen Water en waterschap als onderdeel van de samenleving In de Waterschapsverordening staan regels over activiteiten op of bij dijken, sloten, grondwater en wegen binnen het beheersgebied van het waterschap. Waaronder ook regels met betrekking tot veranderingen van het watersysteem, en lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen.
Zo worden de volgende twee regels gesteld met betrekking tot het wijzigen van een waterstaatwerk: Het met elkaar in verbinding brengen van oppervlaktewaterlichamen is verboden zonder omgevingsvergunning Het aanbrengen van meer dan 500 m2 verhard oppervlak waarvan de neerslag geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, op een oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht is verboden zonder omgevingsvergunning. Gemeentelijke waterplan 2021-2025 Het Gemeentelijk Waterplan (GWP) 2021-2024 geeft vorm aan de ambities en beleidskaders vanuit de gemeente Waddinxveen, op het gebied van water en riolering, met als doel de leefomgeving toekomstbestendig en klimaatadaptief in te richten. Het GWP geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van onze voorzieningen op het gebied van water. Ook dient het GWP als instrument van de Omgevingswet. Vanaf 1 januari 2024 heeft de gemeente Waddinxveen een tijdelijk Omgevingsplan. Alle eerdere bestemmingsplannen zijn onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat daarnaast ook uit een pakket aanr egels van het Rijk over taken die door het Rijk aan de gemeente worden overgedragen. Bijvoorbeeld regels rondom lozingen. Ook staan in het tijdelijk omgevingsplan regels over het afvoeren van hemel- en grondwater.
De gemeente heeft tot eind 2031 de tijd om dit tijdelijke omgevingsplan om te zetten naar het uiteindelijke omgevingsplan. De Omgevingsvisie 2050 van gemeente Waddinxveen, vormt de basis van het omgevingsplan. De Omgevingsvisie omschrijft de leefomgeving en toekomst van Waddinxveen. Een onderdeel daarvan is de natuurlijke leefomgeving zoals water, waterstress, en overstromingen. De gemeente omschrijft de ambitie om te werken aan beschikbaarheid van voldoende (oppervlakte)water, van goede kwaliteit. De gemeente stelt belang bij het SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 41/56
realiseren van voldoende ruimte voor het opvangen, bufferen en vertraagd afgeven van water. Bij herinrichtring en nieuwbouw wordt hier bewust rekening mee gehouden. De gemeente accepteert dat (buurt)wegen en groenstroken vaker kortdurend onder water staan. Particulieren zijn verantwoordelijk voor het hemelwater dat op eigen terrein valt.
3.10.3 BESTAANDE EN NIEUWE SITUATIE Bestaande situatie Het plangebied is gelegen tussen de Tweede Bloksweg en de Zuidelijke Rondweg in gemeente Waddinxveen. Het totale oppervlak is circa 30.000 m2. Momenteel ligt de grond braak en voorheen diende het als agrarische grond en was het deels in gebruik als afvalbrengstation. De huidige bestemming betreft op grond van het bestemmingsplan ‘Triangel’ een nog uit te werken Woongebied. Onderstaande figuur geeft het plangebied van deelgebied I3 weer met rood gestippelde lijn.
Figuur 17 Plangebied Park Vredenburg zone I3
Binnen het plangebied zijn verschillende bestaande watergangen aanwezig. Figuur 14 geeft de watergangen (roze) weer die binnen het plangebied (rood) aanwezig zijn. De meeste watergangen, zoals de watergangen langs de grenzen van het plangebied (OWA-73476 en -73630), betreffen oppervlaktewater uit categorie ‘overig’. In de noordwestelijke hoek van het plangebied bevindt zich ook een deel van een primaire watergang. Figuur 18 geeft een uitvergroting weer van dit deel van het plangebied en de primaire watergang (donkerroze). Het waterschap is verantwoordelijk voor het onderhoud van deze watergang. Overige (niet-primaire) watergangen binnen het plangebied vallen onder de verantwoordelijkheid van de aangrenzend eigenaar.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 42/56
Figuur 18 Legger waterschap Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard/ Links: volledige plangebied, rechts: Uitvergroting blauw kader. (licht roze = watergang overig, donkerroze = watergang primair)
Nieuwe situatie Figuur 19 geeft de nieuwe situatie weer voor deelgebied i3. In het deelplan worden ongeveer 177 woningen mogelijk gemaakt (oostelijke deel). Ook is het voornemen om een school met kinderdagverblijf (paars in Fout! V erwijzingsbron niet gevonden.) op te richten en daarbij maatschappelijke voorzieningen te realiseren. Ook zal binnen het plangebied ruimte beschikbaar zijn voor groenvoorzieningen, wegen en parkeerplaatsen.
Figuur 19 Situatietekening Deelplan i3 - Park Triangel
Figuur 20 geeft de plannen weer voor waterhuishouding binnen het plangebied. De watergangen worden gedempt (roze), en een aantal aangrenzende watergangen worden behouden (licht blauw) of nieuw aangelegd (donker blauw). Ook worden enkele wateroverloopgebieden aangeduid (licht groen),
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 43/56
Figuur 20 Situatietekening waterhuishouding (roze = dempen, licht blauw = bestaand, donker blauw = nieuw)
3.10.4 WATER IN VREDENBURGH In navolgende is de omgang met het thema water uit het bestemmingsplan Triangel overgenomen. Op basis van voorgaande uitwerkingsplannen voor Triangel zijn aandachtspunten naar voren gebracht door het hoogheemraadschap, die in de navolgende tekst zijn verwerkt. Een aantal van de genoemde regels- en wetgevingen zijn inmiddels verouderd (Waterwet), mede doordat de Omgevingswet van kracht is gegaan. Veiligheid en voorkomen van wateroverlast Door de aanleg van Park Triangel treedt functieverandering op in de Zuidplaspolder. Daardoor neemt mogelijke schade bij een dijkdoorbraak toe. De vraag is dan of de schadeklasse van de boezemkades moet worden verhoogd. Maatgevend hierbij is een doorbraak van de waterkering langs de Gouwe. De boezemkade langs de Gouwe heeft als normering schadeklasse V. Dit is de zwaarste klasse. Het verzwaren van de boezemkades is dan ook voor Park Triangel niet relevant. In december 2005 is in opdracht van de provincie een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van een overstroming voor de Zuidplaspolder. Onder andere voor plangebied Park Triangel zijn de maximaal optredende waterstanden berekend. Deze waterstand ligt 15 cm lager dan het beoogde vloerpeil van toekomstige woningen (dit was aanvankelijk NAP -5,05 m en voor nieuwe woningen recentelijk verhoogd naar NAP -4,85 m).
Deze waterstand treedt op bij een dijkdoorbraak langs de Gouwe tussen Waddinxveen en de A12. Door provincie en het Hoogheemraadschap is geconcludeerd dat gezien de geringe waterdiepte, de verwaarloosbare stroomsnelheden van het water en de beschikbare evacuatietijd geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Het bruto oppervlak van de ontwikkeling bedraagt 106 ha. Wanneer ervan uit wordt gegaan dat 50% van het gebied verhard wordt dan moet voor 53 ha. waterberging gecompenseerd worden. Binnen het gebied is al 15 ha. verhard, waardoor de waterbergingsopgave geldt voor 53-15 = 38 ha. Voor dit oppervlak geldt dat conform de eisen van het hoogheemraadschap waterberging gerealiseerd moet worden. De te realiseren waterberging bedraagt dan 19.400 m3. Deze bergingshoeveelheid dient gevonden te worden tussen het peil van -5.92 m. NAP en -6.25 m. NAP (toetshoogte voor grasland). Het benodigde wateroppervlak voor waterberging bedraagt dan 5,9 ha. Wanneer de hoeveelheid vermeerderd wordt met de hoeveelheid bestaand open water dan bedraagt het te realiseren wateroppervlak in totaal 14,5 ha.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 44/56
Voorkomen van grondwateroverlast Het toekomstige wegpeil in het plangebied wordt dusdanig gekozen dat de minimale drooglegging is gewaarborgd. De drooglegging, het verschil tussen het wegpeil en het waterpeil, voor het waterrijke plangebied met zettingsgevoelige bodem die is overeengekomen met HHSK en gemeente bedraagt 0,9 meter. Hiermee wordt de nodige veiligheid geboden tegen grondwateroverlast. Tegengaan bodemdaling veengebied Voorafgaand aan de bouw en bewoning (gebruiksfase) zal het plangebied bouwrijp gemaakt worden. Hierbij zal gedurende 8 maanden tot 3 jaar de bodemdaling (zetting) kunstmatig worden versneld door middel van extra bovenbelasting teneinde gedurende de gebruiksfase de bodemdaling te beperken tot acceptabele waarden (norm). De norm die hiervoor gehanteerd wordt is dat een restzetting van 10 cm wordt geaccepteerd ter plaatse van wegen en riolering. Ter plaatse van tuinen wordt voorzien in een restzetting van20 cm per 30 jaar. De nadere uitwerking hiervan, zoals de systeemkeuze van de versnelde consolidatie, dient in overleg met het HHSK tot stand te komen. Het HHSK heeft wel de toename van kwel als aandachtspunt benoemd. Riolering en waterkwaliteit In het gebied wordt een verbeterd gescheiden stelsel aangelegd waarbij, waar mogelijk, afstromend hemelwater van schone oppervlakken direct wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater.
Het afkoppelen geschiedt met inachtneming van de daarvoor bij het Hoogheemraadschap geldende richtlijnen. Voorbeelden van oppervlakken die relatief schoon zijn, zijn onder andere daken en verkeersluwe wegen. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater afgevoerd wordt naar de afvalwaterrioolzuiveringsinstallatie. Verder zal het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen toegepast worden, alsmede niet-uitlogende en milieuvriendelijke beschoeiing en betuining. Hiermee wordt verontreiniging van het afstromende hemelwater beperkt. Omwille van de waterkwaliteit, worden in het plangebied geen doodlopende watergangen aangelegd, hetgeen de doorspoelbaarheid gunstig beïnvloedt. Inrichting en ecologie In het plangebied zullen de oevers ter plaatse van de openbare ruimte natuurvriendelijk worden ingericht. Het hoogheemraadschap stelt dat minimaal 50% van de totale oeverlengte op deze wijze wordt ingericht. Een natuurvriendelijke oeverinrichting bestaat uit oevers met een flauw talud, zodat de waterdiepte geleidelijk afneemt. Hiermee wordt een variatie aan vegetatietypen gestimuleerd. Door een inrichting van het watersysteem met een waterdiepte van minimaal 1 m wordt een robuust watersysteem gerealiseerd. De natuurvriendelijke oevers dragen bij aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het plangebied is gesitueerd in een gebied met wateraanvoer waardoor de doorspoeling goed. is.
In combinatie met de aanstaande sanering van lozingen van de glastuinbouw zal de waterkwaliteit naar verwachting verbeteren. Beheer en onderhoud Alle hoofdwatergangen zijn in beheer en onderhoud bij HHSK (met uitzondering van de hoofdwatergang langs de spoorlijn, die conform de Legger wordt onderhouden door Prorail). De gemeente is verantwoordelijk voor het onderhoud van de overige watergangen en bijbehorende kunstwerken (duikers, bruggen etc). ook het beheer en onderhoud van de riolering en hemelwaterafvoer ligt bij de gemeente. De kosten worden door elk van de partijen voor zijn deel gedragen. Er vindt nauwe samenwerking plaats tussen de gemeente en het hoogheemraadschap om het beheer en onderhoud van het watersysteem zo efficiënt en effectief mogelijk te laten plaatsvinden (bijvoorbeeld door gebruik te maken van een gezamenlijk onderhoudsbestek). Alle watergangen dienen vanaf de kant bereikbaar te zijn voor onderhoud. Daartoe moet een obstakelvrije onderhoudsstrook (breedte 5 m gerekend vanaf boveninsteek van het talud) aanwezig zijn over de volle lengte van de watergangen. De brede tochten dienen eveneens varend onderhouden te kunnen worden (voor o.a. baggerwerkzaamheden). Daartoe dienen de kruisingen met wegen doorvaarbaar te zijn voor varend onderhoudsmaterieel.
De bewoners dienen op de hoogte te worden gesteld van de plichten, geboden en verboden met betrekking tot het onderhoud en activiteiten ter plaatse van het aangrenzende open water. Het gaat daarbij onder andere over het SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 45/56
toepassen van geschikte bouwmaterialen, de eisen ten aanzien van bebouwing en steigers. De aanwezigheid van bomen en grote struiken langs de oevers is in algemene zin niet gewenst omdat dit leidt tot te veel beschaduwing en overmatige bladval in het water. Bouwen langs of in de hoofdwatergang is niet toegestaan omdat dan de bereikbaarheid voor het onderhoud wordt belemmerd. Daarnaast zal de benodigde transportcapaciteit van de hoofdwatergang ontoelaatbaar worden beperkt als bebouwing plaatsvindt. Deze bouwbepalingen zijn in de planregels van het voorliggende uitwerkingsplan vastgelegd. Opgemerkt wordt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem vergunning zal worden aangevraagd bij het HHSK op grond van de "Keur" (ex artikel 77 en 80 van de Waterschapswet). Vooroverleg hierover is gestart. In de keur is ook geregeld dat "beschermingszone" voor watergangen in acht dienen te worden genomen. Het komt erop neer dat binnen de beschermingszone vanaf de insteek van de watergang (bovenkant talud) enkele meters niets gebouwd en opgeslagen mag worden. De laatstgenoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. De beschermingszone is door middel van een dubbelbestemming in dit bestemmingsplan vastgelegd.
Voor het afkoppelen en direct lozen op het oppervlaktewater dient bij het HHSK vergunning te worden aangevraagd in het kader van de Waterwet. Vervolg en contact Hoogheemraadschap Voor de uitwerking van het onderdeel water wordt aangesloten bij boven omschreven plan. Gedurende het proces wordt daarvoor nauw contact gehouden met het waterschap.
3.10.5 CONCLUSIE Gelet op vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect ‘Water’ geen belemmeringen vormt voor onderhavig planvoornemen.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 46/56
4 UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE 4.1
PROCEDURE
Op de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit is, conform het bepaalde in de Omgevingswet, in basis de reguliere procedure van toepassing. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan op verzoek van de aanvrager (artikel 16.65, lid 1 onder b Ow), op verklaring van het bevoegd gezag (artikel 16.65, lid 4) of als dat in de Omgevingswet/Omgevingsbesluit is bepaald de uitgebreide procedure van toepassing worden verklaard. Ten aanzien van voorgenomen ontwikkeling wordt uitgegaan van de reguliere voorbereidingsprocedure. De beslistermijn voor de reguliere procedure is maximale 8 weken met een mogelijkheid van 6 weken. Na deze termijn kunnen belanghebbende bezwaar en beroep indienen.
4.2 PARTICIPATIE Met de komst van de Omgevingswet speelt het aspect ‘Participatie’ een belangrijke rol bij gebiedsontwikkeling. Het doel van participatie is om belanghebbenden, zoals burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden vroegtijdig te betrekken bij besluitvormingsprocessen over projecten en activiteiten die invloed hebben op hun leefomgeving. De wet schrijft niet voor hoe participatie exact vormgegeven moet worden, waardoor er ruimte is voor maatwerk. Dit betekent dat de inrichting van het participatieproces kan variëren afhankelijk van de locatie, het soort besluit, de omgeving en de betrokkenen. In de praktijk betekent dit dat er een breed scala aan participatiemethoden en instrumenten beschikbaar zijn. In veel gevallen bepaald de gemeente de vorm, inhoud en reikwijdte van participatie. De gemeente Waddinxveen vindt participatie belangrijk. Voor geheel Park Triangel, waar deelgebied I3 onderdeel van uitmaakt, zijn de inwoners al actief geïnformeerd. Zo is er een website (www.parktriangel.nl) opgericht waar inwoners van Waddinxveen op de hoogte worden gehouden van de ontwikkelingen, waaronder ook de nieuwe maatschappelijke voorzieningen in de wijk. Voor de participatie omtrent de BOPA voor deelgebied I3 zijn er meerdere opties, variërend van het informeren van de omgeving tot het samen opstellen van het plan.
In het geval van de BOPA voor deelgebied I3 heeft de gemeente gekozen voor een informerend participatietraject. Er zijn meerdere redenen die ten grondslag liggen aan de keuze voor deze lichtste participatievorm: • •
•
het is onduidelijk wie er bij een eventueel participatietraject betrokken zou moeten worden, omdat de woningen in de directe omgeving van de beoogde school nog niet zijn gerealiseerd. de gemeenteraad van Waddinxveen heeft in een eerder stadium toestemming gegeven voor de maatschappelijke voorzieningen, waar de school onderdeel van is. Er is toen ingestemd met zowel de plannen zelf, als met het budget. Dát de school er moet komen is dus een gegeven, hoe dit planologisch wordt vormgegeven is een uitwerkingsvraagstuk dat wordt gezien als een interne aangelegenheid. bij deze casus gaat het om de vergunning voor de school en niet over het ontwerp van de school zelf, waardoor het de vraag is in hoeverre er uberhaupt ruimte is om te participeren.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 47/56
•
de school in deelgebied I3, waarvoor de BOPA wordt gemaakt, moet voor het schooljaar 2026/2027 geopend zijn. Om de aannemer voldoende tijd te geven voor de realisatie van het pand, is haast geboden bij de plannen. Geen van de betrokken partijen - gemeente, aannemer, bewoners - is gebaat bij de vertraging die intensievere participatie mogelijk met zich meebrengt.
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 48/56
BIJLAGE
1
STEDENBOUWKUNDIG PLAN
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 49/56
BIJLAGE
2
VORMVRIJE M.E.R.BEOORDELING
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 50/56
BIJLAGE
3
ONDERBOUWING LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 51/56
BIJLAGE
4
AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEER
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 52/56
BIJLAGE
5
HISTORISCH BODEMONDERZOEK
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 53/56
BIJLAGE
6
QUICKSCAN ECOLOGIE 2024
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 54/56
BIJLAGE
7
ONDERZOEK STIKSTOFDEPOSITI E
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 55/56
BIJLAGE
8
VERKEERSKUNDIG ONDERZOEK
SLM027463 – BOPA Afwijken maatschappelijke voorzieningen Park Triangel I3 Motivering
WSP 3 september 2024 pagina 56/56