CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

1a Bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b, 58, toelichting en regels

Besluitvormende raadsvergadering 18 september 2024, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b - 58, Wagro33.119 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

aaneengesloten woonbebouwing 1,3 3,7 11

Op grond van bovenstaande gegevens zou bij de 99,5- en 99,9-percentielwaardes ter hoogte van de aaneengesloten woonbebouwing in de woonwijk Park Triangel sprake zijn van een overschrijding van de toetsingswaarden uit de Bijzondere Regeling G2 Compostering van groenafval van de Nederlandse Emissie Richtlijn. Daarom is in het destijds opgestelde geuronderzoek als maatregel voorgesteld om bij bepaalde windrichtingen de activiteiten “afzeven van grond uit groenafval” en “omzetten in het RHP-proces (in de begin- en middenfase)” niet uit te voeren. Hierdoor neemt de geurbelasting in Park Triangel af tot binnen de grenswaarden. Als genoemde activiteiten bij bepaalde windrichtingen niet worden uitgevoerd, zullen deze activiteiten relatief vaker worden uitgevoerd als de wind uit andere richtingen komt. Daarom is in het onderzoek nagegaan of de extra geurbelasting in andere windrichtingen zal leiden tot een overschrijding van de toetsingswaarden ter plaatse. Uit het onderzoek blijkt dat dit niet het geval is en dat ter plaatse van alle geurgevoelige objecten geen sprake is van een overschrijding van de toetsingswaarden.

In de geldende Wabo-vergunning van de Wagro is een voorschrift opgenomen ten aanzien van de geuremissie, waarbij de volgende activiteiten niet zijn toegestaan als de uurgemiddelde windrichting zich tussen de 115 en de 245 op de windroos (globaal van oostzuidoost, via het zuiden, tot westzuidwest) bevindt: omzetten in de begin- en middenfase van het RHP-proces; grond afzeven uit groenafval. In de geldende milieuvergunning is qua geur rekening gehouden met deze nieuwe woonwijk waarbij een geurhinderniveau ter plaatse van deze nieuwe woonwijk aanvaardbaar werd geacht bij een geurbelasting bij 98-percentielwaarde van 1,5 ouE/m3. In figuur 14 zijn de geurcontouren van 0,5, 1,5 en 9 ouE/m³ als 98-percentielwaarde aangeduid als gevolg van de Wagro in toekomstige situatie.

Toelichting

51

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

Figuur 14: De geurcontouren van 0,5, 1,5 en 9 ouE/m³ als 98-percentielwaarde als gevolg van de Waddinxveense Groenrecycling Wagro B.V. in de toekomstige situatie. Nieuwe milieusituatie geureffecten met bedrijfshallen Na realisatie van de bedrijfshallen met bijbehorende voorzieningen zal de geurcirkel sterk afnemen, omdat door toepassing van een biofilter de geur wordt afgevangen. Feitelijk is dan de “eigen geur” van het biofilter bepalend. Op deze manier worden piekemissies van geur ondervangen. Er zal geen sprake meer zijn van aanzienlijke schommelingen in emissies (wat bij buitenactiviteiten wel het geval is). Juist deze piekemissies zijn verantwoordelijk voor het genereren van de klachten. De afvoer van de gereinigde lucht naar de buitenlucht zal plaatsvinden via een schoorsteen met een hoogte van 30 meter. Hiermee wordt bewerkstelligd dat eventuele restgeur in een hogere luchtlaag verspreid wordt. Hierdoor zal het sneller en beter en in hogere luchtlagen verdund worden, waardoor geuroverlast wordt tegengegaan. Beoordelingskader Volgens artikel 2.3a van het Activiteitenbesluit geldt artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit niet indien voor een IPPC-installatie emissies zijn vastgesteld in BBT-conclusies.

De BREF Afvalbehandeling is voor de IPPC-installaties inpandige biologische behandeling (in casu tunnelcompostering en biologisch drogen) en voorbehandeling van afval voor (mee)verbranding (in casu productie brandstoffen) aangewezen als BBT-conclusie1. In de BREF-afvalbehandeling zijn in tabel 6.7 voor geleide emissies2 een geurconcentratie van 200 – 1.000 ouE/Nm3 vastgesteld. Gebruikelijke toetsingswaarden bestemmingsplan Het algemene stankbeleid is door het ministerie van VROM beschreven in de Herziene Nota

52

Toelichting

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen Stankbeleid uit 1994 en in aanvulling daarop in de Brief rijksbeleid geur uit 19953. Het geurbeleid zoals vastgelegd in de brief uit 1995 is verder uitgewerkt in een stappenplan voor het bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau. Sinds december 2012 is deze opgenomen in hoofdstuk 3 van de handleiding geur: "Bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen)". Uitgangspunt in het geurbeleid is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Als algemene doelstelling voor geurhinder is gesteld dat in 2010 er geen ernstig gehinderden meer mogen zijn. Door de raad van de gemeente Waddinxveen is geen beleidsregel conform titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld. Dit betekent dat geen geurbeleid is vastgesteld. Het is niet toegestaan om op ander geurbeleid te anticiperen. In het kader van het bestemmingsplan moet worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van de planologische bestaande situatie. In de Handleiding Geur4 waarvoor bij wijziging van bestemmingsplannen wordt verwezen naar de aanpak als neergelegd in artikel 2.7a lid 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 2.7a 3. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten: a.

de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid; b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten; c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting; d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder; e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting. De kans op geurhinder wordt vaak beoordeeld aan de hand van geurcontouren. Een geurcontour geeft een geurimmissieconcentratie in combinatie met een bepaalde overschrijdingsfrequentie (uitgedrukt als percentielwaarde) weer. Uit de diverse richtlijnen en lokaal beleid blijkt dat de volgende overschrijdingsfrequenties en geurconcentraties gebruikelijk zijn: Geurconcentratie Een geurconcentratie van 1 ouE/m3 is gedefinieerd als de geurconcentratie waarbij van een groep mensen met een gemiddeld reukvermogen (panel geselecteerd volgens NEN-EN 13725) de helft van de mensen de geur nog net kan onderscheiden van geurvrije lucht. Doorgaans liggen de toetsingswaarden in een bereik van 0,5 tot 5 ouE/m3 als 98-percentielwaarde. Daarbij geldt 0,5 ouE/m3 als 98-percentielwaarde als strengste toetsingswaarde5, waarvan onderbouwd kan worden afgeweken, bijvoorbeeld op basis van de verwachte hinderlijkheid van de geur.

De hinderlijkheid kan worden gekwantificeerd door middel van hedonische metingen. Ook het type geurgevoelige bestemming weegt mee in het vaststellen van de toetsingswaarden: aaneengesloten woonbebouwing geniet de hoogste mate van bescherming, waar er voor bijvoorbeeld verspreid liggende woningen ruimere toetsingswaarden aanvaardbaar worden geacht. Overschrijdingsfrequentie Voor continue bronnen wordt doorgaans volstaan met toetsing aan de 98-percentielwaarde. Kortdurende emissies kunnen leiden tot kortdurende maar hoge immissies. Voor dergelijke bronnen geeft toetsing aan de 98-percentielwaarde onvoldoende inzicht in de geurbelasting van de omgeving en is het gebruikelijk om hogere percentielen (99,5- en 99,9-percentiel) in beeld te brengen. De mate van onzekerheid neemt toe bij hogere percentielwaarden. Vergunning In het geurrapport voor de vergunde en planologisch toegestane situatie zijn, op basis van de destijds geldende Bijzondere regeling G26 voor groencomposteringen, de volgende toetsingwaarden gehanteerd: Geurgevoelige bestemmingen: - 1,5 ouE/m3 als 98-percentielwaarde - 3 ouE/m3 als 99,5-percentielwaarde - 6 ouE/m3 als 99,9-percentielwaarde Minder geurgevoelige bestemmingen: - 4,5 ouE/m3 als 98-percentielwaarde - 9 ouE/m3 als 99,5-percentielwaarde

Toelichting

53

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

- 18 ouE/m3 als 99,9-percentielwaarde Geuronderzoek De geureffecten in het wijzigen van composteren naar een gesloten hal in plaats van composteren in de buitenlucht zijn door Olfasense B.V. onderzocht (rapport van oktober 2023, rapportnr. WAGR23A1, Bijlage 7). Op basis hiervan kunnen de volgende conclusies worden getrokken (overgenomen uit rapport). De hal zal worden voorzien van een gaswasser en biofilter, dat als BBT wordt gezien volgens de BREF Afvalverwerking. Daar bovenop wordt er ook een schoorsteen gerealiseerd, om de geurbelasting nog verder te beperken. Aan de hand van ervaringsgegevens wat betreft biofilters, Factsheets emissiebeperkende technieken en de BREF-afvalbehandeling, in combinatie met een emissieberekening op basis van kengetallen, zou een geurconcentratie na reiniging van 1.000 ouE/m³ haalbaar kunnen zijn. Deze waarde ligt in de range van de Factsheets (200 – 2.500 ouE/m³) en van de BREF (200 – 1.000 ouE/m³). De geuremissie als gevolg van het biofilter bedraagt daarmee 305 *106 ouE/h. Op het buitenterrein vinden alleen niet- of minder geurende activiteiten plaats, waardoor het biofilter de dominante geurbron zal vormen. Uit de verspreidingsberekeningen blijkt dat de geurbelasting in de toekomstige situatie aanzienlijk afneemt ten opzichte van de vergunde situatie.

De geurbelasting ligt dan ruim beneden de toetsingswaarden van de voormalige Bijzondere regeling voor groencomposteringen en ligt op of onder de streefwaarde (de hindergrens) volgens het geurbeleid van de Provincie Zuid-Holland. Gezien de maatregelen conform BBT, gecombineerd met nog een extra maatregel in de vorm van een schoorsteen, de aanzienlijke vermindering van de geurbelasting en de ligging van de geurbelasting in de toekomstige situatie rond de hindergrens is er in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Voor overige activiteiten die vallen onder maximaal milieucategorie 3.2 of 4.2 van de standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering geeft bij omgevingstype gemengd gebied het volgende beeld. Gelet op de richtafstanden vanaf de grens van het perceel kunnen enkel de bedrijfswoningen gelegen aan Tweede Bloksweg 54a en 60 mogelijk hinder van geur ondervinden. Ten opzichte van de vergunde situatie wordt de geurbelasting echter drastisch verminderd. Bij een nieuwe activiteit mag geen extra geurhinder ontstaan op deze woning ten opzichte van de bestaande activiteiten.

Per saldo neemt de geurbelasting als 98 percentielwaarde af van 4,5 ouE/m3 huidige toegestane planologische situatie dan af tot 0,5 ouE/m3 (ondergrens geurhinder) in de nieuw aangevraagde situatie conform het geurbeleid (brief minister VROM van 30 juni 1995, LE/LV/AJS95.16B over geur voor nieuwe situaties met toepassing van de best beschikbare technieken). Conclusie Vanuit de milieuzonering, onderdeel geur, zijn er geen belemmeringen tegen dit bestemmingsplan. 6.1.4

Geluid

6.1.4.1 Wegverk eerslawaai Wettelijk kader Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Onder geluidsgevoelige gebouwen wordt verstaan (artikel 1 Wgh en artikel 1.2 Bgh): Woningen; Onderwijsgebouwen; Ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuis en psychiatrische inrichting; Kinderdagverblijf.

54

Toelichting

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

Onderzoek/ beoordeling De bedrijfsactiviteiten vallen niet onder de noemer geluidsgevoelige gebouwen, zodat de Wet geluidhinder hierop niet van toepassing is voor wat betreft wegverkeerslawaai ten gevolge van de Tweede Bloksweg, Beijerincklaan (N453), Vredenburghlaan (N457) en rijksweg A12. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 6.1.4.2 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Het bedrijf is vergunningplichtig op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer. De provincie is het bevoegd gezag voor deze inrichting. De Wagro produceert geluid door inzet van machines en transportbewegingen op het terrein.

Daarnaast vindt er vrachtwagentransport plaats van en naar de inrichting. In verband met dit bestemmingsplan is een actualiserend akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is inzicht te geven in de geluidemissie van de inrichting naar haar directe omgeving. Hierbij is uitgegaan van de representatieve en incidentele bedrijfssituaties, zoals die zijn vastgelegd in het akoestisch onderzoek van Peutz te Zoetermeer (rapport van 28 mei 2014) dat ten grondslag ligt aan de vigerende vergunning. Het actualiserend onderzoek is uitgevoerd volgens overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999 (rapport van M-tech Nederland B.V. van 12 april 2023, Bijlage 8). Aan de hand van de representatieve bedrijfssituatie is voor de inrichting een akoestisch rekenmodel opgesteld. Middels dit rekenmodel is de geluiduitstraling naar de omgeving bepaald. Het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de vigerende vergunning vormt de basis voor voorliggend onderzoek. De realisatie vindt plaats in twee bouwstappen. In bouwstap 1 wordt de tunnelcompostering gedeeltelijk gebouwd en de afvalscheidingsinstallatie. Bouwstap 1 zorgt voor minder afscherming door bebouwing naar de omgeving. Dit betekent dat in feite in bouwstap 1 de volledige capaciteit van tunnelcompostering en afvalscheidingsinstallatie nog niet wordt benut.

De buitenactiviteiten in beide bouwstappen zijn vergelijkbaar. In bouwstap 2 wordt de volledige tunnelcompostering gebouwd en de volledige afvalscheidingsinstallatie. De afscherming vanwege bebouwing naar de omgeving is in deze situatie groter. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) bedraagt ten hoogste 49, 36 en 34 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode voor fase 1. Voor fase 2 bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) ten hoogste 48, 36 en 34 dB(A). De geluidimmissie voldoet in alle gevallen aan de waarden die vastgelegd zijn in geluidvoorschriften van de vergunningen uit 2015 en 2018. De berekende geluidemissies voldoen ook aan 50 dB(A) etmaalwaarde conform de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening. Het maximaal geluidniveau (LAmax ) bedraagt ten hoogste 58, 47 en 47 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode voor fase 1 en 58, 46 en 46 dB(A) voor fase 2. De berekende maximale geluidniveaus (LAmax ) blijven hiermee binnen de vergunde waarden en de grenswaarden uit de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening van 70 dB(A) etmaalwaarde. De verkeersaantrekkende werking bedraagt ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A). De cumulatieve toename van wegverkeerslawaai ten opzichte van de huidige situatie bedraagt 2 dB.

Toelichting

55

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

Geluidreducerende of organisatorische maatregelen stuiten op praktische, stedenbouwkundige en financiële bezwaren die niet opwegen tegen de 2 dB toename. Daarbij wordt een toename onder de 2 dB niet als significant beschouwd en zal door omwonenden niet als extra hinder worden ervaren. Blijkens het bovenstaande vormen de akoestische consequenties van de beoogde activiteiten geen belemmering voor omliggende geluidgevoelige bestemmingen en wordt voldaan aan de geldende normering. Voor overige activiteiten die vallen onder maximaal milieucategorie 3.2 of 4.2 van de standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering geeft bij omgevingstype gemengd gebied het volgende beeld. Gelet op de richtafstanden vanaf de grens van het perceel kunnen enkel de bedrijfswoningen gelegen aan Tweede Bloksweg 54a en 60 mogelijk geluidhinder ondervinden. De geluidemissie in de huidige situatie voldoet reeds voor deze milieucategorieën en zal in de beoogde situatie niet toenemen. Dit betekent dat deze dus hetzelfde blijft bij toepassing van deze milieucategorieën. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel industrielawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 6.1.5 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan.

Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het beleid is vastgelegd in de 'Bodemkwaliteitskaart Midden-Holland 2022' en de 'Nota bodembeheer Midden-Holland 2023'. De (ontwerp) beleidsregels hebben burgemeester en wethouders van Waddinxveen op 4 april 2023 vastgesteld. Onderzoek/ beoordeling De bodemkwaliteitskaart heeft de gemeenteraad op 14 december 2011 vastgesteld. Op deze kaart is de lintbebouwing als Wonen aangeduid. Het achterliggende gebied wordt als Industrie aangemerkt. De bodemkwaliteit is in het kader van de milieuvergunning al onderzocht.

Ter plaatse zijn op basis van de vigerende omgevingsvergunning al bodembeschermende voorzieningen voorgeschreven en aangelegd die voldoen aan de BBT-document Nederlandse Richtlijn Bodembescherming en waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt bereikt. Voor de voorgenomen activiteiten blijven deze bodembeschermende voorzieningen in gebruik. Er vindt geen extra verontreiniging plaats van de bodem. In verband hiermede is een actualisatie van het bodemonderzoek achterwege gelaten. Conclusie Voor het oprichten van bedrijfshallen kan planologisch vergunning worden verleend, omdat er geen grootschalige bodemverontreiniging wordt verwacht. Binnen de exploitatie wordt hiervoor een budget gereserveerd. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van bodem. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland.

56

Toelichting

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

6.1.6 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tabel 6.3: Grenswaarden Wet luchtk waliteit jaargemiddelde uurgemiddelde stof NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 PM2,5 PM10

25 µg/m3 40 µg/m3

n.v.t. n.v.t.

24-uursgemiddelde n.v.t. n.v.t. 50 µg/m3

Opmerkingen Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Onderzoek luchtkwaliteit Met het plan wordt beoogd een uitbreiding van het bedrijventerrein met een composteerhal te realiseren.

Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te worden gegeven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. In verband hiermede heeft M-tech te Roermond een onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd (rapport van 25 mei 2023, Bijlage 9). De emissies vanwege de inrichting in de beoogde situatie zijn berekend aan de hand van emissiefactoren uit de literatuur en specifieke bedrijfsgegevens. Met een verspreidingsmodel is de luchtkwaliteit rondom de locatie inzichtelijk gemaakt. Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels zoals die volgen uit de Wet milieubeheer. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat voor zowel PM10, PM2,5 als NO2 ruim wordt voldaan aan de grenswaarden zoals gesteld in de Wet milieubeheer. De activiteiten veroorzaken geen andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende normering is toegestaan. Uit bovenstaande blijkt dat de gewijzigde activiteiten geen belemmering vormen voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Voor overige activiteiten die vallen onder maximaal milieucategorie 3.2 of 4.2 van de standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering geeft bij omgevingstype gemengd

Toelichting

57

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

gebied het volgende beeld. Het verrichte onderzoek gaat uit van een worst case situatie, zowel voor stof als NOx -emissies en laat geen overschrijding zien van de grenswaarden op de binnen de richtafstanden vanaf de grens van het perceel gelegen bedrijfswoningen aan Tweede Bloksweg 54a en 60. Conclusie Dit bestemmingsplan maakt een uitbreiding van een bestaand bedrijf mogelijk met een bedrijfshal voor compostering en hal voor recyclingactiviteiten. Uit onderzoek is gebleken dat voldaan wordt aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 6.1.7 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Beleidsnota Externe Veiligheid gemeente Waddinxveen De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota Externe Veiligheid vastgesteld.

In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd: woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht; de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan; binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan; de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden; de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord; nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie. Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 en wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan rekening gehouden met de geformuleerde ambities. Onderzoek / beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen.

Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied.

58

Toelichting

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Ten zuiden van het plangebied ligt de A12. Voorts ligt de Provinciale weg N453 binnen het invloedsgebied van het plangebied. Provinciale wegen De Provinciale weg N453 (Beijerincklaan) ligt op minimaal 200 m afstand van de geplande composteerhal. Deze weg is aangeduid als route gevaarlijke stoffen. Als toetsingskader voor de beoordeling van risico's ten gevolge van transport is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van toepassing. De weg heeft, evenals alle wegen in de regio Midden-Holland (met uitzondering van de rijkswegen) een PR van 0 meter en een GR van < 0,1 OW. Het risico van EV van deze wegen is dus zeer beperkt. Dat tezamen met de geplande ontwikkeling van bedrijfsbebouwing betekent dat het risico beperkt is, zodat dit plan geen belemmering vormt voor het plangebied. De onlangs gerealiseerde Vredenburghlaan (N457) ligt op meer dan 260 m vanaf het plangebied. Deze weg vormt evenmin een belemmering voor het plangebied.

Rijksweg A12 Om te voorkomen dat het transport van gevaarlijke stoffen over snelwegen ongeremd groeit, met alle gevolgen van dien voor bestaande of geplande ruimtelijke ontwikkelingen, zijn de Rijksoverheid, gemeenten, provincies en het bedrijfsleven in gezamenlijk overleg gekomen tot het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet weg schept duidelijkheid over het maximale risico vanwege het transport van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Plaatsgebonden risico (PR) Het transport gevaarlijke stoffen over de A12 heeft ter hoogte van het plangebied een PR-contour van 0 meter vanuit het midden van de weg. Het plaatsgebonden risico vormt dus geen belemmering voor het plangebied. Plasbrandaandachtsgebied In het Basisnet Weg is het zogenaamde plasbrandaandachtsgebied (PAG) geïntroduceerd. De gedachte hierachter is dat voor snelwegen waarover veel brandbare vloeistoffen (benzine, diesel) worden vervoerd, (extra) rekening moet worden gehouden met het scenario dat bij een incident deze brandbare vloeistoffen uitstromen en in brand kunnen raken (plasbrand). Ter hoogte van het plangebied is conform het Basisnet Weg geen sprake van een zogenaamd PAG. Dat betekent dat er geen aparte verantwoording in het kader van het PAG hoeft plaats te vinden. Groepsrisico (GR) De rijksweg A12 heeft een invloedsgebied van 200 meter.

Er dient een verantwoording GR te worden opgesteld wanneer binnen deze zone (minder) kwetsbare bestemmingen worden gepland en er sprake is van een significante toename van het Groepsrisico. In het plangebied zijn beperkt kwetsbare bestemmingen toegestaan. De afstand van de composteerhal ten opzichte van de A12 is minimaal 200 m. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding van de Gasunie. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Aan de Tweede Bloksweg 54 is het bedrijf Vis Waddinxveen B.V. gelegen. Binnen deze inrichting is één propaantank met een maximale inhoud van 13 m³ toegestaan.

Omdat de tank niet groter is dan 13 m³ valt deze inrichting niet onder het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi). Het invloedsgebied wijzigt niet tot het plangebied. Deze inrichting vormt dus geen belemmering voor het plangebied. Verder zijn er in de nabijheid van het plangebied geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier

Toelichting

59

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart (figuur 15) zijn in de nabijheid van het plangebied (binnen een straal van 200 meter) geen risicovolle bedrijven gevestigd. Wel ligt de uitbreiding gedeeltelijk binnen de 250 m zone van het windturbinepark Distripark langs de A12. Binnen het plangebied worden geen kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Er zijn geen belemmeringen voor deze planontwikkeling.

Figuur 15: Uitsnede Signaleringsk aart (plangebied zwart gestippeld omlijnd aangeduid). Voor overige activiteiten die vallen onder maximaal milieucategorie 3.2 of 4.2 van de standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering geldt het in de regels opgenomen strijdig gebruik van risicovolle inrichting. Het bestemmingsplan maakt daarmee risicovollere inrichtingen niet mogelijk, zodat het aspect externe veiligheid geen beperking oplevert voor toepassing van deze milieucategorieën. Overstromingsrisico Hoogwater leidt tot materiële schade in ondergelopen gebieden en kan tot slachtoffers leiden. In het zwaarste scenario is er sprake van een overstroming van de gehele dijkring, waardoor grote aantallen inwoners geëvacueerd moeten worden. Uitval van nutsvoorzieningen kan leiden tot een nog groter effectgebied. Een dergelijke calamiteit leidt tot een ontwrichting van het maatschappelijke leven. Het plangebied valt binnen dijkring 14 van Zuid-Holland en heeft een verhoogd risico voor een dijkdoorbraak. Om burgers te kunnen beschermen en om de risico's zo veel mogelijk in te perken is er een Rampenbestrijdingsplan in voorbereiding (zoals dijkdoorbraken in dijkring 14). In geval van overlast/ overstroming treedt het hoogheemraadschap op in samenwerking met andere partijen.

Bij een ramp is de gemeente coördinator en zitten het hoogheemraadschap en hulpdiensten in een calamiteitenteam. Overeenkomstig het advies van het hoogheemraadschap zal bij nieuwbouw minimaal 1,3 m drooglegging

60

Toelichting

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

voor bebouwing worden aangehouden om (grond)wateroverlast te voorkomen. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg. 6.1.7.1 Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2012 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van NGE voor het grondgebied van de gemeente Waddinxveen. Hieruit kan het volgende worden afgeleid. Snelweg A12 Ten zuiden van de A12 is één krater bekend waarover geen aanvullende informatie beschikbaar is. Het verdachte gebied is afgebakend op basis van zogenaamde 'pin point targets'.

Hierbij is het verdachte gebied afgebakend op 181 meter gemeten vanuit het hart van het doel. Het doel is in dit geval niet bekend. Waarschijnlijk betreft het de weg, maar omdat dat niet bekend is, is het gebied afgebakend op 181 meter gemeten vanuit het hart van de krater. Met inachtneming van de horizontale verplaatsing is het verdachte gebied afgerond op 200 meter uit het hart van de krater. In 2021 heeft de gemeente Waddinxveen door REASeuro een actualisatie laten uitvoeren van de NGE-Risicokaart uit 2012. Het gebied is aangemerkt als verdacht (figuur 16). Het betreft een op luchtfoto's waargenomen krater die niet direct aan de plaatsgevonden oorlogshandelingen kan worden verbonden. REASeuro stelt dat deze krater mogelijk te relateren is aan bombardementen die in de periode november 1944 tot april 1945 hebben plaatsgevonden door geallieerde jachtbommenwerpers voorzien van één, twee of drie bommen van de kalibers 250 lbs of 500 lbs. De maximale indringingsdiepte bedraagt 10 m-mv. Het feit dat sprake is van verdacht gebied maakt dat initiatiefnemers bij werkzaamheden op grond van het Arbobesluit rekening moeten houden met de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. In verband hiermede is een projectgebonden analyse uitgevoerd om te bepalen of het opsporen van ontplofbare oorlogsresten nodig is.

Het rapport van REASeuro te Riel van 6 april 2023 is opgenomen in Bijlage 10. Uit de resultaten van dit rapport kan het volgende worden afgeleid. Uit de analyse van de na-conflictperiode is gebleken dat nabij de waargenomen verstoring in 1955 nog altijd een verstoring waarneembaar is. Overige kraters binnen de gemeente Waddinxveen waren op een luchtfoto van 1955 niet meer zichtbaar. Deze vaststelling heeft ertoe geleid dat aanvullende luchtfotoanalyse is uitgevoerd. Naar aanleiding van de analyse van aanvullend geraadpleegde luchtfoto's, in combinatie met het opnieuw analyseren van luchtfoto's die bij REASeuro reeds beschikbaar waren, zijn enkele conclusies herzien. Door middel van schaduwanalyse wordt gesteld dat de verstoring die op de luchtfoto van 11 april 1945 zichtbaar is geen gat/krater betreft, maar een verzameling van 'heuvels' gelegen op het maaiveld. Omdat gesteld wordt dat de verstoring niet langer aan bombardementen kan worden gerelateerd, komt het NGE-Verwachtingsgebied ter plaatse van de projectlocatie te vervallen. Er wordt geen mogelijke blindganger van afwerpmunitie verwacht binnen de huidige projectlocatie. Om deze reden hoeven er geen maatregelen genomen te worden om het risico omtrent NGE te verlagen. Als gevolg van oorlogshandelingen bestaat er altijd een restkans dat NGE aanwezig zijn binnen de projectlocatie.

Hoewel hiervoor geen concrete aanwijzingen zijn, wordt geadviseerd om personeel dat betrokken is bij de grondroerende werkzaamheden op het project te voorzien van het protocol 'Onverwacht aantreffen NGE'. Dit protocol is opgenomen in bijlage 4 van het rapport. Als bij de uitvoering van graafwerkzaamheden een verdacht object wordt aangetroffen worden er passende maatregelen genomen indien deze noodzakelijk zijn.

Toelichting

61

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

Figuur 16: Uitsnede actualisatie NGE-Risicokaart. Toekomstige bebouwing zwart gestippeld aangeduid.

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Onderzoek/ beoordeling In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland provincie Zuid-Holland (CHS) is het plangebied niet specifiek aangeduid.

Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De CHS geeft grofschalig weer wat de 'archeologische trefkans/ verwachting' is. Op basis van de gehanteerde/ gebruikte gegevens ligt het plangebied in stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld. Het plangebied heeft op grond hiervan een hoge waarde. Er is een grote kans op archeologische sporen van 3 tot 5 m, dieper dan 5 m en ruim dieper dan 5 m maaiveld (basis holoceen). In figuur 17 is een uitsnede van de CHS opgenomen.

62

Toelichting

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

Figuur 17: Gecombineerde Waardenk aart CHS provincie Zuid-Holland. Archeologiebeleid gemeente Waddinxveen (2012) De gemeenteraad van Waddinxveen heeft op 14 november 2012 de 'Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen' vastgesteld. Op de waarden- en verwachtingenkaart is voor het plangebied af te lezen waar welke verwachtingswaarden voorkomen. Deze beleidskaart is aan veranderingen onderhevig: door voortschrijdend inzicht en nieuwe onderzoeken kunnen nu betere keuzes gemaakt worden. In verband hiermee is in het document 'Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente van Waddinxveen' van 11 januari 2018 de archeologische beleidskaart aangepast. Deze dient als aanvulling op de toelichting van het gemeentelijke archeologiebeleid uit 2012. De vastgestelde Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen uit 2012 blijft ongewijzigd. In het geldende bestemmingsplan Zuidplas Noord is archeologisch onderzoek overeenkomstig de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' nodig bij geplande bodemverstoringen met oppervlakten, gelijk aan of groter dan 1.000 m² en bodemingrepen dieper dan 0,3 m –MV. Op de geactualiseerde archeologische beleidskaart heeft het plangebied evenwel een middelhoge verwachtingswaarde gekregen.

De juridische doorvertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid heeft de gemeenteraad vastgesteld in het op 19 september 2018 vastgestelde bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren'. De nieuwbouw van een bedrijfshal ligt in het gebied met een middelhoge verwachtingswaarde. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij geplande bodemverstoringen met oppervlakten, gelijk aan of groter dan 1.000 m² en bodemingrepen dieper dan 2,5 m –MV. Zie hiervoor de uitsnede van de beleidskaart zoals opgenomen in figuur 18.

Toelichting

63

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

Figuur 18: Uitsnede archeologische beleidskaart. 6.2.1 Onderzoek/ beoordeling Uit een onlangs uitgevoerd bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek naar archeologie ten zuidwesten van het bedrijfsperceel is de verwachte Zuidplas-stroomgordel bevestigd door ADC ArcheoProjecten te Amersfoort (rapport van 15 juli 2021, kenmerk 5518). De diepere ondergrond bestaat hier uit zandige beddingafzettingen (Formatie van Echteld) gevolgd door 50 tot 105 cm dik pakket kleiige oeverafzettingen (Formatie van Echteld). De oeverafzettingen gaan geleidelijk over in een 65 tot 140 cm dik pakket zwak kleiig rietveen (Formatie van Nieuwkoop). Het veen wordt afgedekt door een 185 tot 220 cm dikke opeenvolging van kleiige wadafzettingen (Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk). De bovenste 40 tot 60 cm wordt gevormd door een bouwvoor. Deze is het resultaat van agrarische bodembewerking. De top van de in de ondergrond aanwezige oeverafzettingen van de Zuidplas-stroomgordel wordt als een archeologisch relevant niveau beschouwd met betrekking tot vindplaatsen uit de periode Laat-Mesolithicum t/m Vroeg-Neolithicum. Dit niveau bevindt zich op een diepte variërend van 275 tot 350 cm –mv (circa 7,90 tot 8,90 m –NAP). Voor het plangebied zal dat niet anders zijn.

Indien bij de fundatie van de bedrijfshal gebruik wordt gemaakt van heipalen kunnen (mogelijk aanwezige) archeologische waarden worden aangetast. De mate van aantasting is afhankelijk van het aantal en de verdeling van de palen alsook van het type en de diameter van de palen. Ook het onttrekken van grondwater kan leiden tot aantasting van eventuele archeologische waarden. Bij uitvoering van bouwplannen dient aan een tweetal randvoorwaarden te worden voldaan: 1. Er vinden geen diepe onttrekkingen van het grondwater plaats. 2. Bij de paalfundering van de bedrijfshal wordt een afstand van minimaal 4 m tussen de palen of palenrijen (van rand tot rand) met een maximale verstoringsoppervlakte van de palen van 2% van de oppervlakte van het archeologische niveau (top van de oeverafzettingen van de Zuidplas-stroomgordel) gehanteerd. Indien bij de uitvoering van de bouwplannen niet aan de gestelde randvoorwaarden wordt voldaan, is naar oordeel van ADC ArcheoProjecten aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk. Dit dient te

64

Toelichting

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

bestaan uit een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek, uit te voeren met een mechanische boor (avegaar). Dit booronderzoek heeft als doel het systematisch onderzoeken van het bouwblok op de aanwezigheid van (een) archeologische vindplaats(en). De werkzaamheden dienen voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Waddinxveen Conclusie Gelet op de bouwmogelijkheden van dit bestemmingsplan is aan het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. Tevens zijn de hiervoor genoemde archeologische randvoorwaarden geborgd in de planregels. Met inachtneming hiervan zijn er vanuit oogpunt van archeologie geen bezwaren tegen deze planontwikkeling. 6.2.2 Cultuurhistorie/ monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden.

Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In de uitbreiding van het plangebied staat geen bebouwing. Evenmin worden cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

6.3

Flora en fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Gebiedsbescherming Het gebied Broekvelden/ Vettenbroek, bestaande uit plassen en graslandpolders, is aangewezen als Speciale BeschermingsZone (SBZ). Dit aangewezen Natura 2000-gebied ligt op circa 7,8 kilometer ten oosten van het plangebied. Sprake is van een herontwikkeling op een bestaand bedrijventerrein nabij rijksweg A12.

Dit Natura2000-gebied wordt hierdoor niet beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht. Ten noordwesten van het plangebied ligt de ecologische verbindingszone tussen het Bentwoud en de Krimpenerwaard op circa 1,5 km. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor deze ecologische verbindingszone en verderop gelegen weidevogelgebieden. Voorts liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen bestaande en nieuwe natuur van Natuurnetwerk Nederland van de provincie Zuid-Holland (figuur 19).

Toelichting

65

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

Figuur 19: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met een rode stip aangeduid). 6.3.1 Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt op circa 7,8 km ten oosten van het plangebied. Dit gebied is momenteel nog niet stikstofgevoelig, maar mogelijk wordt de Polder Stein binnenkort wel aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Het Natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' is wel een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Dit gebied ligt evenwel op circa 12 km afstand, zodat er geen sprake is van negatieve effecten van stikstofdepositie op kwetsbare natuur. Op voorhand kan de toename van stikstofdepositie niet worden uitgesloten. In verband hiermede zijn stikstofberekeningen van de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd (notitie 'Plantoelichting Wnb', 12 oktober 2023, Bijlage 11). Hieruit kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). De gevolgen van de beoogde planwijziging van Wagro voor Natura2000-gebieden, hebben volgens de voortoets met de effectenindicator enkel effect verzuring door N-depositie uit de lucht.

Uit dit onderzoek blijkt dat de gevolgen van de beoogde planwijziging voor Natura2000-gebieden de effectenindicator treden zowel voor de beoogde planwijziging alleen de effecten verzuring en vermesting door N-depositie uit de lucht op. Uit de gemaakte AERIUS-berekeningen met toelichting volgt dat significante gevolgen voor een Natura 2000- gebied op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (plantoets op basis van de artikelen 2.7, eerste lid, en 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming). Op grond van het vorenstaande heeft de Omgevingsdienst Haaglanden bij brief van 30 november 2023, kenmerk ODH885552, geconcludeerd dat het aspect gebiedsbescherming geen belemmering vormt voor het vaststellen van het bestemmingsplan. De beoordelingsbrief is opgenomen in Bijlage 12. Om die reden kan het opstellen van een passende beoordeling achterwege blijven. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.

66

Toelichting

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

6.3.2 Flora- en faunatoets Bij nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het onderhavige plangebied (rapport van oktober 2022, rapportnummer 21A060, Bijlage 13). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden vastgesteld (overgenomen uit rapport). Natuurgebieden Natura2000 Habitattypen

Soorten NNN-gebieden Omgevingsvisie/-verordening Soortgroep Algemeen

Flora Jaarrond beschermde nesten Vissen Reptielen Zoogdieren Vleermuizen Overige soorten Soortgroep Vogels

Amfibieën

Gevolgen Natura 2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' heeft stikstofgevoelige habitattypen. Er is een Aerius-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie te berekenen. Nee Nee Nee Overtreding verbodsbepalingen Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Egel, Haas, Konijn, Vos, Wezel en Woelrat, geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist Nee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaardperiode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Nee.

Amfibieën mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen.

Algemene Zorgplicht

Toelichting

67

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Conclusie Vanuit de Wet natuurbescherming zijn er vanuit de gebiedsbescherming en soortenbescherming geen belemmeringen tegen deze planontwikkeling.

6.4

Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

68

Toelichting

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische opzet

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels. Gezien artikel 1.1 in samenhang met categorie 1.1 van Bijlage I van de Crisis- en herstelwet is op het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en de voorbereiding daarvan de Crisis- en herstelwet van toepassing. Met dit bestemmingsplan wordt planologisch in ieder geval voorzien in de uitbreiding van productie-installaties ten behoeve van de productie van biomassa. Daarnaast wordt het bestemmingsplan gelet op de Coördinatieverordening Waddinxveen 2014 gecoördineerd voorbereid met de noodzakelijke omgevingsvergunningen milieu en bouwen voor de planologisch mogelijk gemaakte activiteiten. De benodigde omgevingsvergunningen worden gefaseerd aangevraagd.

7.2

Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.

7.3

Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 7.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Begrippen Artikel 1 In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

Toelichting

69

bestemmingsplan Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen

7.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Artikel 3 Bedrijf De op de verbeelding voor 'Bedrijf' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor gebouwen en andere voorzieningen ten behoeve van bedrijven. Aan de hand van de richtafstanden is binnen deze bestemming een milieuzonering opgenomen aan de hand waarvan wordt aangegeven welke categorie ter plaatse is toegestaan. In het plangebied zijn een recyclingbedrijf en composteerinrichting op een bestaand bedrijventerrein van circa 10 ha toegestaan. De verwerkingscapaciteit van de compostering is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf composteerinrichting' mag niet meer bedragen dan 212.500 ton per jaar.

De verwerkingscapaciteit van recyclingactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - recyclingbedrijf' is onderverdeeld in verschillende componenten. De totale verwerkingscapaciteit mag niet meer bedragen dan 552.500 ton op jaarbasis. Eén en ander is vastgelegd in de specifieke gebruiksregels in artikel 3.4.2. Bij afwijking zijn onder voorwaarden overige bedrijven tot maximaal milieucategorie 4.2 toegestaan. Hiervoor is als bijlage een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen. Binnen de bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: bedrijfsgebouwen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken. In de regels zijn onder meer de toegestane bouwhoogte en het bebouwingspercentage van de hoofdgebouwen vastgelegd. Met betrekking tot de situering van de bedrijfsgebouwen zijn op de verbeelding bouwvlakken ingetekend, waarin de bedrijfsgebouwen gesitueerd dienen te worden. Voor de composteerinrichting is een schoorsteen toegestaan, die niet hoger mag worden dan 30 meter. De schoorsteen voor biomassacentrale wordt maximaal 20 meter. De woning Tweede Bloksweg 58 te Waddinxveen is inmiddels eigendom van Wagro en functioneel verbonden (gedeelde inrit) met de huidige omvang van de inrichting. Deze woning is daarom betrokken bij het plangebied met de bouwaanduiding 'bedrijfswoning'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14464640/3