1a. B12 Achtergrondrapport MER Archeologie
Tekst van het document
Achtergrondrapport Archeologie Bijlage bij het Milieueffect Rapport N207-Zuid
8 september 2021, Versie 2.0
Samenvatting Om de bereikbaarheid, doorstroming en leefbaarheid op en rond de N207 te verbeteren hebben de provincie Zuid-Holland en de gemeente Waddinxveen in 2015 een Uitvoeringsbesluit genomen om de Vredenburghlaan, de Bentwoudlaan en Verlengde Beethovenlaan te gaan realiseren. In de eerste helft van 2018 is er tevens een Uitvoeringsbesluit genomen door provincie Zuid-Holland, de gemeente Alphen aan den Rijn en de gemeente Waddinxveen voor de realisatie van de Verlengde Bentwoudlaan (de nieuwe N457) en de aanpassing van de verkeersstructuur in Hazerswoude-Dorp (de N209). Deze Uitvoeringsbesluiten geven de voorkeursrichting aan. De uitwerking van deze voorkeursrichting vindt plaats in ontwerpen en in een Milieueffectrapport (MER). Dit rapport is een achtergrondrapport van het MER. Dit achtergrondrapport Archeologie vormt een bijlage bij het MER ten behoeve van het PIP dat door de provincie wordt opgesteld én voor het bestemmingsplan dat door de gemeente Alphen aan de Rijn wordt opgesteld. In dit rapport zijn de effecten van het project op het gebied van Archeologie weergegeven op de volgende criteria: Aspect Archeologie
Criterium AMK-terreinen
Eerder uitgevoerde onderzoeken Archeologische vondsten
Archeologische verwachtingen
Wijze van beoordelen Bekende archeologische monumenten inclusief kwalitatieve beschrijving van de aard en omvang van de aantasting Reeds uitgevoerde onderzoeken inclusief het selectieadvies voor vervolgonderzoek Bekende archeologische vindplaatsen inclusief kwalitatieve beschrijving van de aard en omvang van de aantasting Omvang en mate van gebieden met een archeologische verwachtingswaarde inclusief kwalitatieve beschrijving van de aard en omvang van de aantasting
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
1/99
De waardering van de aantasting van archeologische waarden op de verschillende effectdeelgebieden worden in onderstaande tabellen weergegeven. Referentiesituatie
X-Robuust
Alphense variant
Maatregelpak ket N207 Zuid
Maatregelpak ket N207 Zuid met ZW wijkontsluitingsweg
0
0
0
0
0
Referentiesituatie
X-Robuust
Alphense variant
Maatregelpak ket N207 Zuid
Maatregelpak ket N207 Zuid met ZW wijkontsluitingsweg
0
--
--
--
--
Referentiesituatie
X-Robuust
Alphense variant
Maatregelpak ket N207 Zuid
0
-
-
-
Maatregelpak ket N207 Zuid met ZW wijkontsluitingsweg -
AMK en Eerder uitgevoerde onderzoeken, Archeologische vondsten
Archeologische vondsten
Archeologische verwachtingen
Op basis van de waarderingen van de criteria 1 en 2 gelden geen negatieve effecten. De geplande bodemingreep heeft een neutraal effect op deze criteria. Wat betreft criterium 3 hebben de bodemingrepen een negatief effect op archeologische waarden, ter plaatse van de Kleikade. De Kleikade zelf betreft een landschappelijk fenomeen van archeologische waarden en wordt in deze als archeologische vondst gezien. Bodemingrepen ter plaatse van de Kleikade hebben een negatief effect op het dijklichaam. Een negatief effect houdt in dat bodemingrepen leiden tot een verstoring van archeologische waarden. Wat betreft criteria, 4 hebben de bodemingrepen een beperkt negatief effect op archeologische (verwachte) waarden. In delen van het projectgebied worden archeologische resten verwacht uit de Late-Middeleeuwen / Nieuwe tijd of uit de Tweede Wereldoorlog. Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv geldt een beperkt negatief effect op deze verwachte waarden. Een beperkt negatief effect houdt in dat bodemingrepen leiden tot een vermoedelijke verstoring van archeologische waarden. In andere delen worden resten uit de steentijd verwacht vanaf 250 cm –mv. Voor deze delen geldt een negatief effect bij bodemingrepen dieper dan 250 cm –mv. De effecten voor de verschillende projectdelen worden weergegeven in de figuren 31-35.
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
2/99
De aantasting van archeologische waarden is niet te compenseren of mitigeren. Indien dieper dan de in figuur 31-35 aangegeven dieptes gegraven wordt, dient een inventariserend veldonderzoek plaats te vinden. Hierbij worden de volgende onderzoeksmethoden aanbevolen: Voor de zones met een verwachting voor resten uit de Tweede Wereldoorlog wordt geadviseerd om in eerste instantie een bureauonderzoek uit te voeren, waarbij luchtfoto’s en kaartmateriaal uit de Tweede Wereldoorlog bestudeerd worden, om hiermee een gespecificeerde verwachting voor resten uit deze periode vast te stellen. Indien sporen op de kaarten of luchtfoto’s te zien zijn, dient overwogen te worden wat de meest geschikte onderzoeksmethode is. Waar de toekomstige weg de Kleikade doorsnijdt wordt geadviseerd om een archeologische opgraving uit te voeren om hiermee een dwarsprofiel van de kade te kunnen documenteren. Geadviseerd wordt om dit onderzoek te combineren met een archeobotanisch onderzoek. In de overige zones met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting wordt verkennend booronderzoek geadviseerd. Indien blijkt dat mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen deze mogelijke waarden nader gekarteerd en gewaardeerd worden door middel van een karterend booronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek.
Wanneer hierbij behoudenswaardige vindplaatsen worden aangetroffen die niet door planaanpassing behouden kunnen worden, dienen deze te worden opgegraven. Voor een nadere uitleg over de AMZ-cyclus wordt verwezen naar bijlage 5. In aanvulling hierop wordt geadviseerd om een extensieve archeologische begeleiding uit te voeren ter plaatse van de zones met een lage archeologische verwachting. Uitgegaan wordt hierbij van enkele dagen veldwerk, waarbij de uitgegraven sleuven geïnspecteerd worden en eventuele toevalsvondsten gedocumenteerd worden.
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
3/99
Inhoudsopgave Samenvatting
1
1. Inleiding 1.1 Beschrijving project N207 1.2 Besluitvorming 1.3 Leeswijzer
6 6 6 6
2. Beleid, regelgeving en werkwijze onderzoeken 2.1 Beleid 2.1.1 Provinciaal beleid 2.1.2 Gemeentelijk beleid 2.2 Studiegebied 2.3 Toetskader voor het MER
9 9 9 9 15 15
3. Varianten en referentiesituatie 3.1 Inleiding 3.2 Huidige situatie 3.3 Referentiesituatie
17 17 20 20
4. Bureauonderzoek 4.1 Doelstelling en onderzoeksvragen 4.2 Methoden 4.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied 4.4 Aardwetenschappelijke gegevens 4.5 Archeologische waarden 4.6 Beschrijving van het historische gebruik 4.7 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
21 21 21 22 25 40 48 60
5. Effecten per projectdeel 5.1 AMK-terreinen 5.2 Eerder uitgevoerde onderzoeken 5.3 Archeologische vondsten 5.4 Archeologische verwachtingen
76 76 76 76 77
6. Effecten 6.1 Bebouwde kom (Hazerswoude-Dorp (gebied 1) 6.2 Open polder “Hazerwoudsche Droogmakerij NW” 6.3 Open polder “Hazerswoudsche Droogmakerij ZW” 6.4 Open polder “Hazerswoudsche Droogmakerij ZO” 6.5 Geer- en Buurtpolder 6.6 Boterplolder 6.7 Het Bentwoud 6.8 Bufferzone 6.9 Achterhof 6.10 Reservegebied glastuinbouw 6.11 Resumé 6.12 Mitigerende maatregelen
85 85 87 87 87 88 88 88 89 89 90 90 92
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
4/99
7. Leemte in kennis en informatie
93
8. Literatuur en bronnen
94
Colofon
99
Bijlage I Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bijlage II Onderzoeksmeldingen Bijlage III Vondstmeldingen Bijlage IV Bewoningsgeschiedenis van Nederland Bijlage V AMZ-cyclus
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
5/99
1. Inleiding 1.1 Beschrijving project N207
De Provincie Zuid Holland werkt samen met de regio en de gemeenten Alphen aan den Rijn en Waddinxveen aan het verbeteren van de bereikbaarheid en leefbaarheid rondom de N207. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de verkeersdrukte op de N207 en de wegen ten westen van de N207 de komende jaren steeds meer toeneemt. Dit zorgt voor knelpunten met de doorstroming, bereikbaarheid en leefbaarheid op deze wegen en in de dorpen in deze regio. Deels worden deze knelpunten veroorzaakt door de structuur van de (vaar)wegen in het gebied: de woonkernen en bedrijven in Boskoop en Waddinxveen liggen grotendeels aan de westkant van de rivier de Gouwe, terwijl de N207 aan de oostzijde van de rivier ligt. De enige verbindingen over de Gouwe zijn de hefbruggen in Boskoop en Waddinxveen. Daarom rijdt veel verkeer via deze hefbruggen met als resultaat regelmatig opstoppingen en knelpunten. Dit heeft een negatieve invloed op de bereikbaarheid, de doorstroming en de leefbaarheid. Om de bereikbaarheid, doorstroming en leefbaarheid op en rond de N207 te verbeteren hebben de provincie Zuid-Holland en de gemeente Waddinxveen in 2015 een Uitvoeringsbesluit genomen om de Vredenburghlaan, de Bentwoudlaan en Verlengde Beethovenlaan te gaan realiseren.
In de eerste helft van 2018 is er tevens een Uitvoeringsbesluit genomen door provincie Zuid-Holland, de gemeente Alphen aan den Rijn en de gemeente Waddinxveen voor de realisatie van de Verlengde Bentwoudlaan (de nieuwe N457) en de aanpassing van de verkeersstructuur in Hazerswoude-Dorp (de N209). Deze Uitvoeringsbesluiten geven de voorkeursrichting aan. De uitwerking van deze voorkeursrichting vindt plaats in ontwerpen en in een Milieueffectrapport (MER). Dit rapport is een achtergrondrapport van het MER.
1.2 Besluitvorming
Het project wordt vastgelegd in een Provinciaal Inpassingsplan (PIP). Ten behoeve van de besluitvorming hierover wordt een Milieueffectrapport (MER) opgesteld. In het Milieueffectrapport worden de effecten van het project op het milieu beschreven en wordt onderzocht welke maatregelen moeten worden genomen om ongewenste effecten op het milieu te voorkomen of te verminderen. De ontwerpen en het MER bieden samen de civiele en milieukundige informatie ten behoeve van de besluitvorming.
1.3 Leeswijzer
Dit achtergrondrapport Archeologie is een bijlage bij zowel het MER als het PIP voor het project N207-Zuid. Hoofdstuk 2 beschrijft het beleid voor dit thema en de kaders die zijn gehanteerd bij het onderzoek. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het projectgebied en wat de referentiesituatie zal worden indien het voorgenomen project niet wordt gerealiseerd. Hoofdstuk 4 beschrijft het onderzoek en geeft de conclusie van het onderzoek weer. In hoofdstuk 5 staan de effectbeoordeling en de mitigerende maatregelen voor N207. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven of er leemtes in kennis zijn. In dit achtergrondrapport zijn vier varianten onderzocht: X-Robuust, de Alphense variant, Maatregelpakket N207 Zuid en de Maatregelpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg . Op basis van alle beschikbare informatie hebben de bestuurders een belangenafweging gemaakt en deze laatste variant vastgesteld als het Voorkeursalternatief. In dit rapport heet dit voorkeursalternatief nog ‘voorkeursvariant’. In het MER is de naam hiervan wel gewijzigd in Voorkeursalternatief A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
6/99
Digitoegankelijkheid van dit document De provincie Zuid-Holland wil dat iedereen alle informatie goed kan lezen en gebruiken. Daarom werken zij continu aan het verbeteren van de toegankelijkheid van de informatie, dit geldt ook voor het achtergrondrapport Archeologie. Dit document is in opdracht van de provincie opgesteld, waarbij is gestreefd naar Europese norm EN 301 549. De complexe tabellen in dit document voldoen nog niet volledig aan deze norm. Als u een vraag heeft over deze tabellen kunt u contact opnemen met het projectteam N207 Zuid via n207@pzh.nl. Ook verwijzen we u naar de publiekssamenvatting van het provinciaal inpassingsplan N207 Zuid. Deze samenvatting is te downloaden op www.zuid-holland.nl/n207zuid.
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
7/99
Figuur 1 De wegdelen Vredenburghlaan, de Bentwoudlaan, de Verlengde Bentwoudlaan en Verlengde Beethovenlaan (het project N207-Zuid) en de aanpassing van de verkeersstructuur in Hazerswoude-Dorp (N209) in het gebied (in oranje) weergegeven
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
8/99
2. Beleid, regelgeving en werkwijze onderzoeken 2.1 Beleid
Dit hoofdstuk beschrijft het relevante beleid voor het thema Archeologie, onderverdeeld in Rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. In de daaropvolgende paragraven is het studiegebied en toetskader beschreven. Wet op de Archeologische Monumentenzorg Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische verwachtingswaarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta (1992), is men verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren.
2.1.1
Provinciaal beleid
Het ruimtelijk beleid van de provincie Zuid-Holland is vastgelegd in de ‘Beleidsvisie Cultureel Erfgoed 2017-2020’. De belangrijkste taken betreffende archeologie van de provincie Zuid-Holland zijn: - bescherming van provinciale archeologische waarden met behulp van haar RO-instrumenten; - alle archeologische vondsten inclusief documentatie vakkundig bewaren en beschrijven (met uitzondering van gemeenten die zelf over een gemeentelijk depot beschikken). - zorgen voor meer draagvlak onder de bevolking voor het archeologisch erfgoed. Door de provincie worden drie strategieën ingezet die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De provincie wil het erfgoed: - beschermen via het provinciale ruimtelijk instrumentarium; - beleefbaar maken via de erfgoedlijnen; - benutten door herbestemming te faciliteren. Via de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) heeft de provincie Zuid-Holland aangegeven welke archeologische vindplaatsen en terreinen van (zeer) hoge waarde zijn. Deze terreinen zijn grotendeels afkomstig van de voormalige archeologische monumentenkaart. Binnen het huidige plangebied zijn dergelijke terreinen niet aanwezig.
2.1.2
Gemeentelijk beleid
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures.
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
9/99
Figuur 2 Gemeentelijke beleidsadvieskaarten Alphen aan den Rijn en Waddinxveen (legenda op volgende pagina)
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
10/99
Figuur 2a Legenda gemeentelijke beleidsadvieskaart Alphen aan den Rijn (links) en Waddinxveen (rechts)
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
11/99
Figuur 3 Gemeentelijke beleidsadvieskaarten Alphen aan den Rijn en Waddinxveen (legenda op vorige pagina)
Gemeente Alphen aan den Rijn Het gedeelte dat binnen de gemeente Alphen aan den Rijn valt, bevindt zich binnen het ‘Parapluplan Archeologie’, dat op 28 maart 2019 is vastgesteld. Binnen dit bestemmingsplan valt het plangebied binnen de archeologische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 5’ en ‘Waarde – Archeologie 6’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 100, 10.000 en 1.000 m2 en dieper dan respectievelijk 30, 30 en 250 cm -mv. De archeologische dubbelbestemmingen binnen dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de geactualiseerde beleidskaart van de gemeente Alphen aan den Rijn, waarin het archeologiebeleid van de voormalige gemeenten Alphen aan den Rijn, Boskoop en Rijnwoude zijn samengebracht.1 Op deze kaart valt het gedeelte van het plangebied dat binnen de gemeente Alphen aan den Rijn valt, binnen de verwachtingsgebieden ‘Waarde archeologie 3 (WA3); hoge verwachtingswaarde’ (bebouwde kom Hazerswoude-Dorp, tracédeel 4), ‘Waarde archeologie 5 (WA5); lage verwachtingswaarde’ (noorden en zuiden tracédeel 4, zuiden tracédeel 5 en geheel 1 Noordervliet – Van Zwienen, 2017. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
12/99
tracédeel 6) en ‘Waarde archeologie 6 (WA6); middelhoge verwachtingswaarde stroomgordel’ (direct ten zuiden van bebouwde kom Hazerswoude-Dorp, middeldeel tracédeel 4 en noorden tracédeel 5). Waarde Archeologie 3 (WA 3): hoge verwachtingswaarde Deze categorie is een verzameling van verschillende archeologische vindplaatstypen en landschappelijke zones waaraan een hoge verwachtingswaarde is toegekend. De ouderdom tussen deze type vindplaatsen en zones varieert van de vroege prehistorie tot en met de Tweede Wereldoorlog en de daadwerkelijke trefkans op archeologische resten varieert van een hoge trefkans tot daadwerkelijk aanwezige sporen. De volgende vindplaatstypen en zones zijn onderscheiden: Historische bewonginslinten (Middeleeuwen – Nieuwe Tijd) De Limeszone Molens en cultuurhistorische elementen (18 e – 20 e eeuw) De hoge oeverafzettingen en stroomgordels langs de Rijn en de aangrenzende, wat lagere delen van de stroomgordels. Deze gebieden waren vanwege hun hoge (semi-)droge ligging gunstige vestigingsplaatsen. Vondsten in dit gebied duiden op bewoning vanaf de late steentijd tot in de Nieuwe Tijd. In deze zone is onderzoek nodig voor plangebieden groter dan 100 m2 en ingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld. -
Waarde Archeologie 5 (WA 5): lage verwachtingswaarde In de droogmakerijen is veel afgegraven. Hierdoor liggen er nu oude wadafzettingen aan het oppervlak uit de periode 6.000 – 3.000 v. Chr. De verwachting op intacte archeologische resten is zeer laag, de wadafzettingen waren in het verleden te nat om als geschikte bewoningslocaties te dienen. Op enkele plaatsen liggen hogere kreekruggen die in principe bewoond kunnen zijn geweest. Ook hierbij is sprake van lage gaafheid en een lage dichtheid. De droogmakerijen hebben hierdoor een lage verwachting. In deze zone is onderzoek nodig voor plangebieden groter dan 10.000 m2 en ingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Waarde Archeologie 6 (WA6): middelhoge verwachtingswaarde stroomgordel Onder deze categorie vallen de afzettingen van de stroomgordel Waddinxveen (4.900 – 3.400 v. Chr.) binnen de droogmakerij. Op deze afzettingen kunnen resten van prehistorische bewoning voorkomen op een diepte van 2,5 meter onder het maaiveld. In deze zone is onderzoek nodig voor plangebieden groter dan 1.000 m2 en ingrepen dieper dan 250 cm onder het maaiveld.
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
13/99
Gemeente Waddinxveen Het gedeelte dat binnen de gemeente Waddinxveen valt, bevindt zich binnen het ‘Parapluplan Archeologie en Parkeren’, vastgesteld op 19 september 2018. Binnen dit bestemmingsplan valt het plangebied binnen de archeologische dubbelbestemmingen ‘ ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 100 en 1.000 m2 en dieper dan respectievelijk 30 en 250 cm -mv. Enkele zones in het noorden en uiterste zuiden van dit tracédeel hebben geen archeologische dubbelbestemming en voor deze zones geldt geen onderzoeksplicht. De archeologische dubbelbestemmingen binnen dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de geactualiseerde beleidskaart van de gemeente Waddinxveen.2 Op deze kaart valt het gedeelte van het plangebied dat binnen de gemeente Waddinxveen valt, binnen de verwachtingsgebieden ‘Waarde archeologie 2 (WA2); hoge verwachting’ (aan weerszijden van de Eerste Tocht en Kleikade, tracédelen 1, 2 en 3) en ‘Waarde archeologie 3 (WA3); middelhoge verwachtingswaarde’ (uiterste noorden en middendeel, tracédelen 2 en 3). Waarde Archeologie 2 (WA2): hoge archeologische verwachtingswaarde Deze categorie is een verzameling van verschillende archeologische vindplaatstypen en landschappelijke zones waaraan een hoge verwachtingswaarde is toegekend.
De ouderdom tussen deze type vindplaatsen en zones varieert van de vroege prehistorie tot en met de Tweede Wereldoorlog en de daadwerkelijke trefkans op archeologische resten varieert van een hoge trefkans tot daadwerkelijk aanwezige sporen. Ook de diepteligging van de (verwachte) resten varieert van net onder het maaiveld tot ruim 2 m eronder of zelfs dieper. De volgende vindplaatstypen en zones zijn onderscheiden: -
Historische bewoningslinten (Middeleeuwen – Nieuwe Tijd) Een tankgracht uit de Tweede Wereldoorlog Molens en cultuurhistorische elementen (18e-20e eeuw) Afzettingen van de stroomgordel Zuidplan (prehistorie)
Het plangebied bevindt zich tevens deels binnen de locatie van een tankgracht uit de Tweede Wereldoorlog. Het dorp Waddinxveen vormde vanaf 1942 een onderdeel van een Duitse verdedigingslinie: de Vordere Wasserstellung. Deze linie liep globaal van Amsterdam naar Rotterdam en bestond te Waddinxveen uit een tankgracht met verschillende randstructuren als loopgraven en prikkeldraadversperringen. Binnen Waddinxveen valt het noordelijke deel van de stelling samen met de Eerste Tocht en hier is de tankgracht nog steeds watervoerend. Vanaf de Onderweg gaat de inmiddels gedempte gracht in een lijn naar de spoorbaan Alphen – Gouda. Aan weerszijden van de gracht is een zone van 100 m aangegeven waar nog sporen uit de Tweede Wereldoorlog kunnen voorkomen. In de laatste versie van de archeologische beleidskaart is het gedempte deel tussen de weg Onderweg en de spoorlijn AlphenGouda van de beleidskaart afgehaald. Delen van de gracht zijn op deze locatie enerzijds onderzocht en anderzijds voor een groot deel overbouwd. Het noordelijke deel, ter hoogte van de Eerste Tocht, blijft behouden op de laatste versie van de beleidskaart. 2 Thanos, 2018. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
14/99
In deze zone is onderzoek nodig voor plangebieden groter dan 100 m2 en ingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Waarde Archeologie 3 (WA3): middelhoge archeologische verwachtingswaarde Binnen deze zone vallen de afzettingen van stroomgordel Waddinxveen binnen de droogmakerij van de gemeente. Uit de analyse van archeologische booronderzoeken ter hoogte van de stroomgordel Waddinxveen komt naar voren dat de zandige afzettingen van deze stroomgordel dieper liggen dan 2,5 m onder het maaiveld. Er zijn nauwelijks tot geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. De uitgevoerde onderzoeken waren voornamelijk verkennend van aard en waren gericht op het toetsen van een gespecificeerde archeologische verwachting. De dichtheid van de boringen was niet intensief genoeg uitgevoerd om achteraf betrouwbare uitspraken te doen over de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. 2.2 Studiegebied
Het studiegebied is het gebied waarop de effecten voor het project voor het aspect Archeologie optreden. Dit is de combinatie van de locaties waar de fysieke ingrepen plaatsvinden. Het projectgebied is het gebied waar een ingreep plaatsvindt. Momenteel zijn de volgende projectdelen bekend: 1) Bentwoudlaan, 2) Verlengde Bentwoudlaan, 3) Verlengde Beethovenlaan, 4) Hazerswoude Dorp N209, 5) Hazerswoude Dorp gemeentelijke ontsluitingsweg in het zuidwesten en 6) Hazerswoude Dorp gemeentelijke ontsluitingsweg in het noordoosten. Er worden vier varianten beschouwd, namelijk de Alphense variant, de X-Robuust variant, Maatregelpakket N207 Zuid en de Maatregelpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg (zie ook hoofdstuk 3).
2.3 Toetskader voor het MER
Voor het beoordelen van de effecten en de alternatieven is een beoordelingskader opgesteld. Het beoordelingskader is een belangrijk hulpmiddel om de gevolgen/effecten van plannen op transparante wijze te beoordelen. Het beoordelingskader geeft aan welke gevolgen/effecten bepaald worden met betrekking tot milieuonderzoeken en op welke wijze dit gebeurt. In tabel I wordt ingegaan op de scoringsmethodiek. Hierbij wordt aangegeven wanneer een bepaalde score wordt toegekend. In principe kunnen ingrepen geen positieve effecten (score +, ++ of +++) voor archeologische waarden met zich meebrengen. De kwaliteit en/of kwantiteit van in de bodem aanwezige waarden zal nooit verbeteren, er kan hooguit sprake zijn van stabilisatie van de huidige situatie. Per deelgebied zullen de effecten worden onderzocht. Hierbij worden de volgende vier criteria meegenomen.
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
15/99
Tabel 1: criteria beoordeling effecten Archeologie
Aspect Archeologie
Criterium AMK-terreinen
Eerder uitgevoerde onderzoeken Archeologische vondsten
Archeologische verwachtingen
Wijze van beoordelen Bekende archeologische monumenten inclusief kwalitatieve beschrijving van de aard en omvang van de aantasting Reeds uitgevoerde onderzoeken inclusief het selectieadvies voor vervolgonderzoek Bekende archeologische vindplaatsen inclusief kwalitatieve beschrijving van de aard en omvang van de aantasting Omvang en mate van gebieden met een archeologische verwachtingswaarde inclusief kwalitatieve beschrijving van de aard en omvang van de aantasting
De milieueffecten op de varianten worden beoordeeld met behulp van maatlat, bestaande uit 4 niveaus. Score 0
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie Geen/neutraal effect
-
Beperkt negatief effect
--
Negatief effect
---
Sterk negatief effect (niet vergunbaar)
Omschrijving De ingrepen hebben geen of beperkte nadelige effecten op in de bodem aanwezige archeologische waarden De ingrepen leiden tot een vermoedelijke verstoring van archeologische waarden De ingrepen leiden tot een verstoring van archeologische waarden De ingrepen leiden tot een sterke verstoring van bekende archeologische waarden
Indien er sprake is van een negatief milieueffect, worden voor het betreffende aspect mitigerende en eventuele compenserende maatregelen voorgesteld inclusief een beschrijving van het positieve effect van deze maatregelen.
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
16/99
3. Varianten en referentiesituatie 3.1 Inleiding
Voor dit onderzoek worden vier varianten beschouwd, namelijk: 1. Alphense variant: Verlengde Beethovenlaan, (Verlengde) Bentwoudlaan en de Alphense maatregelen voor Hazerswoude-Dorp 2. X-Robuust: Verlengde Beethovenlaan, (Verlengde) Bentwoudlaan en de XRobuust maatregelen voor Hazerswoude-Dorp 3. Maatregelenpakket N207 Zuid: Verlengde Beethovenlaan, (Verlengde) Bentwoudlaan en aangepaste maatregelen voor Hazerswoude-Dorp 4. Maatregelenpakket N207 Zuid met Zuidwestelijke wijkontsluitingsweg: Verlengde Beethovenlaan, (Verlengde) Bentwoudlaan en geoptimaliseerde maatregelen voor Hazerswoude-Dorp met Zuidwestelijke wijkontsluitingsweg Variant X-Robuust en het Maatregelenpakket N207 Zuid bestaan uit 6 projectdelen, de Alphense variant en het Maatregelenpakket met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg uit 5 projectdelen (zie onderstaande tabel)3. Projectdelen
Alphense variant
XRobuust
Maatregelenpakket N207 Zuid
Maatregelenpakket N207 Zuid met ZW wijkontsluiting
Ruimtelijk plan
1) Bentwoudlaan
x
x
x
x
PIP
2) Verlengde Bentwoudlaan
x
x
x
x
PIP
3) Verlengde Beethovenlaan
x
x
x
x
PIP
4) Hazerswoude-Dorp N209
x
x
x
x
PIP
5) Hazerswoude-Dorp gemeentelijke ontsluitingsweg in het zuidwesten
x
x
x
Bestemmingsplan
6) Hazerswoude-Dorp gemeentelijke ontsluitingsweg in het noordoosten 7) Hazerswoude-Dorp gemeentelijke ontsluitingsweg ter hoogte van Rembrandtlaan
x
x
Bestemmingsplan
x
Bestemminsplan
3
Er is soms sprake van kleine verschillen in het ontwerp van de projectdelen voor de verschillende varianten. Bij de Bentwoudlaan ligt de weg ter hoogte van de Kleikade bijvoorbeeld westelijker bij het Maatregelenpakket (met Zuidwestelijke verbindingsweg) dan bij X-Robuust en de Alphense variant. Als dergelijke verschillen leiden tot andere effecten dan is dat in het rapport beschreven. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
17/99
Figuur 4: variant X-Robuust in Hazerswoude-Dorp
Figuur 5: Alphense variant in Hazerswoude-Dorp
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
18/99
Figuur 6: Maatregelpakket N207 Zuid in Hazerswoude-Dorp
Figuur 7: Maatregelpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluiting in Hazerswoude-Dorp
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
19/99
De effecten van de vier varianten worden getoetst aan de referentiesituatie. De effecten van de maatregelen worden daarbij vergeleken met de toestand van het gebied in 2035 wanneer het project N207-Zuid niet wordt gerealiseerd. 3.2 Huidige situatie
De projectdelen 1-3, nabij Waddinxveen, lopen vrijwel geheel over akkers en weilanden. Een klein deel kruist openbare wegen (Noordeinde, Hoogeveenseweg) en sloten. Het tracé nabij Hazerswoude-Dorp (projectdeel 4) loopt voor een groot deel gelijk met een openbare weg (N209). Het overige deel (waaronder de projectdelen 5 en 6) loopt over weilanden, akkers en een terrein waar momenteel nieuwbouwwoningen worden gerealiseerd (zie figuur 9).
3.3 Referentiesituatie
In de autonome ontwikkeling wordt er vanuit gegaan dat er geen nieuwe wegtracés worden aangelegd en dat het toenemende verkeer over de bestaande N209 door Hazerswoude-Dorp en de N207-Zuid ten westen van de bebouwde kom van Waddinxveen en Boskoop blijft rijden. Aangezien deze wegen er al liggen heeft er reeds aantasting van eventuele archeologische waarden plaatsgevonden. Voor de projectdelen buiten de bestaande wegtracés (projectdelen 1 t/m 3, 5, 6 en 7) wordt er vanuit gegaan dat het gebruik (voornamelijk deel uitmakend van agrarische percelen en van een natuurontwikkelingsgebied) ongewijzigd blijft. Het effect op archeologische waarden blijft daarmee neutraal.
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
20/99
4. Bureauonderzoek 4.1 Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.
4.2 Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.0, 07-06-2016) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-062016), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.4 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Zuid-Holland; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeentes Alphen aan den Rijn en Waddinxveen;
4 Beschikbaar via www.sikb.nl. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
21/99
Afbakening en huidige situatie van het plangebiedHet bureauonderzoek is uitgevoerd in de periode januari – februari en oktober 2019 door drs. J. Holl (senior KNAprospector). Het rapport is gecontroleerd door ir. E.M. ten Broeke (senior KNAprospector).
4.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 100 meter rondom het plangebied (zie figuur 8).5
Figuur 8 Onderzoeksgebied
5 Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
22/99
Het gebied waarin de daadwerkelijke ingrepen plaatsvinden (het plangebied) betreft twee deelgebieden, waarvan het noordelijke deelgebied de bebouwde kom van Hazerswoude-Dorp doorsnijdt en het zuidelijke deelgebied ten westen van de bebouwde kom van Waddinxveen en Boskoop ligt. Het plangebied wordt onderverdeeld in zes projectdelen: Tabel 3: projectdelen met lengte (toekomstige) wegtracés Projectdelen Onderdeel van variant
Lengte (toekomstig) wegtracé
1) Bentwoudlaan
Alle varianten
3,9 km
2) Verlengde Bentwoudlaan
Alle varianten
5,0 km
3) Verlengde Beethovenlaan
Alle varianten
0,7 km
4) Hazerswoude Dorp N209
Alle varianten Variant X-Robuust, Alphense Variant en Maatregelenpakket N207 met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg
1,6 km 1,1 km
Variant X-robuust en Maatregelpakket N207
1 km
5) Hazerswoude Dorp gemeentelijke ontsluitingsweg in het zuidwesten
6) Hazerswoude Dorp gemeentelijke ontsluitingsweg in het noordoosten
Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens (zie figuur 9). Projectdeel 1 (alle varianten) Dit deel loopt grotendeels over akkers en weilanden, deels over een kade (Kleikade) en kruist enkele sloten en wegen (Zesde Tochtweg, Plasweg, Onderweg). Projectdeel 2 (alle varianten) Dit deel loopt grotendeels over akkers en weilanden, deels over bestaande wegen (Noordeinde, Hoogeveenseweg) en kruist enkele sloten. Projectdeel 3 (alle varianten) Dit deel loopt grotendeels over akkers en weiland, loopt in het oosten over het erf en de tuin van de woning aan het Noordeinde 38. Deze locatie is deels verhard en bebouwd met een woning en bijgebouwen. Het uiterste oosten loopt over het Noordeinde. Projectdeel 4 (Alphense variant) Dit projectdeel loopt grotendeels gelijk aan bestaande wegen (Gemeneweg, Provincialeweg), voor het overige deel loopt het grotendeels over akkers en weilanden en deels over het erf van de Gemeneweg 7-9). Op deze locatie staat een boerderij binnen het plangebied.
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
23/99
Projectdeel 4 (Variant X-Robuust) Dit projectdeel loopt grotendeels gelijk aan bestaande wegen (Gemeneweg, Dorpsstraat, Provincialeweg), voor het overige deel loopt het grotendeels over akkers en weilanden en deels over het erf van de Gemeneweg 7-9). Op deze locatie staat een boerderij binnen het plangebied. Projectdeel 4 (Maatregelpakket N207 Zuid en Maatregelpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg ) Dit projectdeel loopt grotendeels gelijk aan bestaande wegen (Gemeneweg, Dorpsstraat, Provincialeweg, Zuiddijk), voor het overige deel loopt het grotendeels over akkers en weilanden en deels over het erf van de Gemeneweg 7-9). Op deze locatie staat een boerderij binnen het plangebied. Binnen de bebouwde kom van Hazerswoude-Dorp ligt het projectdeel deels binnen een park en deels ter plaatse van parkeerplaatsen. Projectdeel 5 (Variant X-Robuust, Alphense variant en Maatregelenpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg) Dit projectdeel loopt grotendeels over akkers en weilanden, doorkruist enkele sloten en loopt deels over het erf van de Jan van Goijenstraat 8A). Ter plaatse bevindt zich een schuur binnen het plangebied. Het oosten loopt gelijk met een in aanleg zijnde weg ter plaatse van een nieuwbouwlocatie. Projectdeel 6 (Variant X-Robuust en Maatregelpakket N207 Zuid Dit projectdeel loopt deels over akkers en weilanden en doorkruist enkele sloten.
Het oosten loopt gelijk met de Heerenlaan.
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
24/99
Figuur 9 Luchtfoto van het plangebied: variant X-Robuust en Maatregelenpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg. 4.4 Aardwetenschappelijk e gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied:
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
25/99
Tabel 4: Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Type gegevens Gegevens omschrijving Geologie6
Fm. v. Naaldwijk, Lp. v. Wormer / Fm. v. Nieuwkoop; zeeklei en zand met inschakelingen van veen
Stroomgordels7
Zuidplas stroomgordel (7100 – 6400 BP) loopt door projectdelen 1-3 (hoogste zand op 8,5 à 11,0 m –NAP),Waddinxveen stroomgordel (6400 – 5800 BP) loopt door projectdelen 2, 4 en 5 (hoogste zand op 6,5 à 9,5 m –NAP), Projectdelen 1-3: grotendeels vlakte van getij-afzettingen (2M72), enkele delen liggen op veenrestdijk (4B81)
Geomorfologie8
Projectdelen 4-5: grotendeels vlakte van getij-afzettingen, enkele delen van projectdeel 4: ontgonnen veenvlakte, al dan niet bedekt of opgevuld met klei (fluviatiel) en/of dekzand (1M81ykd), veenrestdijk (4B81), plateau-achtige storthoop, opgespoten terrein of kunstmatig eiland (0F91) Projectdeel 6: ontgonnen veenvlakte, al dan niet bedekt of opgevuld met klei (fluviatiel) en/of dekzand (1M81ykd) Delen binnen de bebouwde kom zijn ongekarteerd Bodemkunde9
Projectdelen 1-3: - kalkrijke poldervaaggronden; lichte klei, profielverloop 5 (Mn35A), - kalkrijke poldervaaggronden; zware klei, profielverloop 5 (Mn45A), - kalkarme poldervaaggronden; klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4 (Mn86C), - kalkarme leek-/woudeerdgronden; klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4 (pMn86C), - tochteerdgronden; klei, plaatselijk katteklei binnen 80 cm beginnend en tenminste 10 cm dik (pMo80l), - Bovenlandstrook Projectdelen 4-6: - Moerige eerdgronden met een moerige bovengrond of een moerige tussenlaag op niet-gerijpte klei, plaatselijk verdrogende lagen in de ondergrond, plaatselijk katteklei binnen 80 cm beginnend en tenminste 10 cm dik (dWol) - tochteerdgronden; zavel (pMo50) - kalkarme leek-/woudeerdgronden; klei, profielverloop 5 (pMn85C)
Grondwatertrap
Projectdelen 1-3: III, V en V* Projectdelen 4-6: II, III en V
6 TNO, 2010. 7 Cohen et al., 2012. 8 Wageningen Environmental Research, 2017. 9 Publieke Dienstverlening Op de Kaart. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
26/99
Type gegevens
Gegevens omschrijving
AHN
Projectdelen 1-3: grotendeels 5,3 tot 6,2 m –NAP, Kleikade: 1,0 à 2,0 m -NAP Projectdelen 4-6: buiten de bebouwde kom: 4,5 tot 5,3 m –NAP, binnen bebouwde kom en Gemeneweg: 1,0 tot 1,6 m –NAP
Landschappelijke ontwikkeling10 Het plangebied bevindt zich binnen het overgangsgebied tussen het rivierengebied in het oosten, het perimariene getijdengebied in het westen en het Utrechts-Hollands veengebied in het noorden. De afzettingen tot ca. 25 m –NAP zijn gevormd in het Pleistoceen en Holoceen, voornamelijk onder invloed van rivieren en de zee. In de laatste ijstijd (Weichselien; tot ca. 11.600 jaar geleden) maakte het gebied deel uit van een riviervlakte waar vlechtende riviersystemen actief waren. Deze vlechtende rivierafzettingen (Formatie van Kreftenheye), bevinden zich thans op ca. 15 à 16 m –NAP (minstens 9 m -mv). Aan het eind van het Weichselien wisselden koude en warme perioden elkaar in korte tijd af en tijdens de droge, koude perioden vielen veel rivierbeddingen droog. In de riviervlakten vond op grote schaal verstuiving plaats, waardoor dekzanden gevormd werden. Dit dekzand bevindt zich binnen het plangebied op ca. 12 m –NAP (minstens 6 m -mv). Vanaf het begin van het Holoceen (11.600 jaar geleden) steeg de temperatuur, en hiermee ook de zeespiegel. De afvoer van de grote rivieren stagneerde en het grondwater steeg. Onder deze omstandigheden vormden zich dikke veenpakketten in de voormalige riviervlakten, dat zich onder invloed van de stijgende grondwaterspiegel uitbreidde over het omliggende gebied.
Dit veen wordt tot de Formatie van Nieuwkoop, Basisveen Laag gerekend. In delen van het plangebied is dit veen nog in de bodem aanwezig op ca. 11 à 11,5 m –NAP (dieper dan 5 m -mv). Als gevolg van een stijgende zeespiegel raakte de omgeving van het plangebied steeds meer onder invloed van de zee. Vanaf ca. 7.000 v. Chr. stagneerden de stroomsnelheid en waterafvoer van de rivieren en vonden steeds vaker overstromingen in het veengebied plaats. Hierbij werd een pakket perimariene afzettingen gevormd (Formatie van Naaldwijk, Wormer Laagpakket). De rivieren kregen vanaf dat moment een aggraderend karakter. Rivieren sneden zich niet langer diep in, maar sedimenteerden zand en klei. De afzettingen die hierbij gevormd werden worden tot de Formatie van Echteld gerekend. Deze formatie wordt lithogenetisch ingedeeld in grofweg: stroomgordelafzettingen (bedding-, restgeul en oeverafzettingen), crevasse-afzettingen, komafzettingen en dijkdoorbraakafzettingen. De stroomgordelafzettingen werden nabij de rivier zelf gevormd. Op grotere afstand van de rivier, een rustig afzettingsmilieu, werden komafzettingen gevormd, bestaande uit zwak tot matig siltige klei. In deze komgebieden heersten vaak drassige omstandigheden waarin, tijdens perioden van verminderde rivieractiviteit, veenvorming plaats vond.
Het plangebied wordt doorsneden door twee stroomgordels, de Zuidplas stroomgordel in het zuiden (5700 – 5350 v. Chr.) en de Waddinxveen stroomgordel in het noorden 10 Van den Ende et al, 2012 / Dinoloket, ondergrondmodel GeoTOP v1.3 / Vos & De Vries, 2013 / De Mulder et al., 2003 / Thanos, 2018. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
27/99
(5350 – 4200 v. Chr.; zie figuur 11). Op basis van het geologische model GeoTOP v1.311 bevinden de afzettingen van de Waddinxveen stroomgordel zich op ca. 9,25 m –NAP en de afzettingen van de Zuidplas stroomgordel op ca. 8,75 m –NAP (ca. 3 à 4 m –mv). Tussen de rivieren, geulen en kreken lag een poel- en waddengebied. Hier vond bij zoet- en brakwater moerasvorming en veengroei plaats. Deze gebieden waren ongeschikt voor bewoning. Vanaf ca. 4200 v. Chr. waren er geen stroomgordels meer actief in de directe omgeving van het plangebied. Bovendien nam de invloed van de zee af door de vorming van een reeks strandwallen langs de kust. In het achterland trad veenvorming op, vooral in de komgebieden tussen de stroomgordels (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket). Deze veenvorming werd al snel onderbroken, doordat de zee, deels via de bestaande geulsystemen, doordrong tot in de omgeving van het plangebied. Het Hollandveen raakte hierdoor bedekt met een pakket wad- en kwelderafzettingen. Deze afzettingen bevinden zich op basis van het geologische model GeoTOP v1.3 nabij het maaiveld. Na verloop van tijd breidt het veengebied zich weer uit, waardoor de wadafzettingen bedekt raakten met veen. Op basis van paleogeografische kaarten12 was het plangebied rond 2750 v. Chr. met veen bedekt.
De veengroei gaat ononderbroken door tot in de Middeleeuwen, waardoor de omgeving van het plangebied vermoedelijk vanaf het Laat-Neolithicum tot in de Middeleeuwen grotendeels te nat geweest zal zijn voor bewoning. In de 9e of 10e eeuw ontstond de Gouwe als perimariene getijdenkreek, waardoor het veengebied kon worden ontwaterd. Het veen klonk als gevolg van ontwatering en ontginning sterk in. Vanaf de 16 e eeuw werd veen afgegraven ten behoeve van turfwinning, waardoor de Neolithische wadafzettingen nabij het oppervlak liggen. Projectdeel 1 (alle varianten) Dit projectdeel wordt in het noordoosten doorsneden door de Zuidplas stroomgordel. Het uiterste noordoosten bevindt zich vermoedelijk op de stroomrug, direct ten westen hiervan bevindt zich de oeverzone en het zuidoosten ligt vermoedelijk in het laaggelegen komgebied. Projectdeel 2 (alle varianten) Het uiterste zuiden van dit projectdeel wordt doorsneden door de Zuidplas stroomgordel en het uiterste noorden door de Waddinxveen stroomgordel. Aan weerszijden van deze stroomgordels ligt de oeverzone en het middendeel ligt vermoedelijk in het komgebied. Projectdeel 3 (alle varianten) Dit projectdeel wordt in het westen doorsneden door de Zuidplas stroomgordel. Het oosten lag vermoedelijk in het komgebied. 11 Dinoloket. 12 Vos & De Vries, 2013. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
28/99
Projectdeel 4 (alle varianten) Dit projectdeel wordt in het midden doorsneden door de Waddinxveen stroomgordel. Het uiterste zuiden en noorden van het projectdeel lag vermoedelijk in het komgebied. Projectdeel 5 (Variant X-Robuust, Alphense variant en Maatregelenpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg) Dit projectdeel wordt in het noorden doorsneden door de Waddinxveen stroomgordel. Het uiterste zuiden lag vermoedelijk in het komgebied. Projectdeel 6 (Variant X-Robuust en Maatregelpakket N207 Zuid Dit projectdeel is vermoedelijk geheel gelegen in het komgebied. DINO13 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geoelektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn diverse boringen bestudeerd. In de boringen nabij de projectdelen 1-314 bevindt het dekzand zich ter hoogte van de Maaltocht en ten noorden hiervan (projectdeel 2) op ca. 11 m –NAP (ca. 6 m -mv). Verder naar het zuiden (projectdelen 1-3) ligt het dekzand dieper, tot 12,5 m –NAP (ca. 7,5 m -mv).
Boven het dekzand ligt een enkele decimeters tot 50 cm dikke laag Basisveen. In de meeste boringen ten noorden van de Beethovenlaan (projectdeel 2), bevindt zich hierboven een afwisseling van zwak siltige komklei (Formatie van Echteld) en Hollandveen. De top van de Formatie van Echteld bevindt zich hier op 7 à 9 m –NAP (3 à 5 m -mv). Ter hoogte van de t-splitsing Noordeinde – Puttenlaan is een pakket sterk siltige tot zandige klei aangetroffen, waarvan de top zich op ca. 8 m –NAP (ca. 3 m -mv) bevindt. Dit betreffen vermoedelijk oeverafzettingen van de Waddinxveen stroomgordel die op basis van de stroomgordelkaart (zie hierboven) door het noorden van projectdeel 2 loopt. Hierboven bevindt zich een ca. 1 m dik pakket komklei. In een boring ca. 250 m ten noorden van de Onderweg is op ca. 8,5 m –NAP (3,5 m -mv) beddingzand aangetroffen. Vermoedelijk behoort dit beddingzand tot de Zuidplas stroomgordel. In het uiterste zuiden zijn komafzettingen aangetroffen op 10,4 à 11,0 m –NAP (5 à 5,8 m -mv). Dit zijn waarschijnlijk komafzettingen die vanuit de Zuidplas stroomgordel zijn afgezet. Boven de rivierafzettingen van de Formatie van Echteld is een afwisseling van Hollandveen en zwak tot sterk siltige getijdeafzettingen (Formatie van Wormer)
13 Dinoloket. 14 DINO boornummers B31C0352, B31C0353, B31C0354, B31C0452, B31C0453, B31C0455, B31C0599, B31C0603, B31C0604, B31C0605, B31C0664, B31C0665, B31C0666, B31C1900. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
29/99
aangetroffen. In enkele boringen nabij het Noordeinde bestaat de bovenste ca. 50 cm uit zwak siltige tot zandige klei, behorende tot het Walcheren Laagpakket. Uit de boringen nabij de projectdelen 4-615 blijkt dat het dekzand ter plaatse zich op 14,5 à 15,0 m –NAP bevindt. Hierop bevindt zich een laag Basisveen van 10 à 70 cm. In het uiterste zuiden van dit deelgebied is hierboven een dik kleipakket behorende bij het Wormer Laagpakket aanwezig, eventueel afgewisseld met maximaal 50 cm dikke lagen Hollandveen. Direct ten zuiden van het dorpscentrum, op de locatie waar de Waddinxveen stroomgordel in de ondergrond verwacht wordt, is op ca. 13 m –NAP beddingzand aangetroffen, vermoedelijk van deze stroomgordel. Hierboven bevindt zich zandige klei, waarvan de top zich op 10,5 m –NAP bevindt. Hierboven is een ca. 1 m dik pakket komafzettingen aanwezig (zwak siltige klei). Deze afzettingen worden afgedekt door een ca. 3 m dik pakket zwak siltige klei van het Wormer Laagpakket, met hierboven weer een 3 cm dik pakket Hollandveen. Direct ten noorden van het dorpscentrum is Basisveen op 11,4 m –NAP aangetroffen met hierboven een pakket komafzettingen op Hollandveen op komafzettingen, waarvan de top zich op 7,3 m – NAP bevindt. Hierboven bevindt zich een ca. 1 m dik kleipakket behorende bij het Wormer Laagpakket, met hierboven een pakket Hollandveen van ca. 4,5 m.
In de overige boringen in het noorden van dit deelgebied is overwegend matig tot sterk siltige klei afgewisseld met veenlagen aangetroffen. Hierbij is niet aangegeven tot welke formatie deze afzettingen behoren. Op basis van deze boringen lijkt binnen de projectdelen 1-3 een dekzandrug of -kop in de ondergrond aanwezig te zijn. Het dekzand bevindt zich op 11 (noorden) tot 12,5 (zuiden) m –NAP, of 6 tot 7,5 m -mv, ca. 3 m hoger dan in de projectdelen 4-6. Hierboven bevindt zich een laag Basisveen. In het noorden van projectdeel 2 zijn vermoedelijk oeverafzettingen van de Waddinxveen stroomgordel op 3 m -mv aangetroffen (8 m –NAP), en in andere boringen in de omgeving hiervan zijn komafzettingen van deze stroomgordel op 3 à 5 m -mv (7 à 9 m –NAP) aangetroffen. De beddingafzettingen van deze stroomgordel zijn nabij projectdelen 4-6 op relatief grote diepte (ca. 9 m -mv) aanwezig. Gezien deze grote diepte gaat het hier vermoedelijk om een restgeul van dit systeem. In het uiterste zuiden van projectdeel 1 is op 3,5 m -mv (ca. 8,5 m –NAP) beddingzand van de Zuidplas stroomgordel aanwezig en ten zuiden hiervan zijn komafzettingen aangetroffen op 10,4 à 11 m –NAP (5,0 à 5,8 m -mv). Boven de rivierafzettingen is een afwisseling aanwezig van getijdeafzettingen van het Wormer Laagpakket en lagen Hollandveen.
Nabij het Noordeinde bestaat de bovenste 50 cm uit getijdeafzettingen van het Walcheren Laagpakket. De afzettingen van de Formatie van Echteld lijken nabij de projectdelen 13 vanaf 3 m -mv voor te komen en nabij de projectdelen 4-6 vanaf 6 m -mv, hierboven zijn overwegend getijdeafzettingen en veenlagen aanwezig. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer.
15 DINO boornummers B31C0013, B31C0014, B31C0763, B31C1764, B31C1931, B31C1935, B31C1936. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
30/99
Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied grotendeels binnen een vlakte van getij-afzettingen. Het gedeelte ten noorden van Hazerswoude-Dorp (projectdeel 4 en 6) valt grotendeels binnen een ontgonnen veenvlakte. Op enkele locaties doorkruist het tracé een veenrestdijk, een verhoging die achterblijft na afgraving van het omliggende veengebied. Ten zuiden van Hazerswoude-Dorp, ter plaatse van de Algemene Begraafplaats, bevindt zich een zone die gekarteerd is als plateau-achtige storthoop, opgespoten terrein of kunstmatig eiland (zie figuur 10). De delen die binnen de bebouwde kom van Hazerswoude-Dorp of Waddinxveen vallen, zijn niet gekarteerd op de geomorfologische kaart.
Figuur 10 Geomorfologische kaart: Ter oriëntatie zijn de variant X-Robuust en het Maatregelenpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg weergegeven A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
31/99
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)16 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Op basis van het AHN (figuur 11) ligt het noordelijk deelgebied (projectdelen 4-6) op 4,5 tot 5,3 m –NAP buiten de bebouwde kom en op 1,0 tot 1,6 m –NAP binnen de bebouwde kom (projectdeel 4). Vermoedelijk is dit hoogteverschil het gevolg van het feit dat in het veen in het omliggende gebied is afgegraven, waardoor HazerswoudeDorp als hoge zone binnen een laaggelegen gebied is overgebleven. Ook zal het centrum van Hazerswoude-Dorp deels zijn opgehoogd ter versteviging van het maaiveld. In de omgeving van Hazerswoude-Dorp zijn diverse veenrestdijken te zien die zijn overgebleven na afgraving van het omliggende veengebied. Het zuidelijk deelgebied (projectdelen 1-3) bevindt zich in een laaggelegen gebied in vergelijking met de omgeving. Het maaiveld bevindt zich hier op 5,3 tot 6,2 m –NAP. De Kleikade (projectdeel 1) is als verhoging tot maximaal 1 m –NAP te zien. Op het AHN zijn diverse getijdegeulen in de omgeving van het plangebied te zien. Deze bevinden zich voor een groot deel ten westen van de projectdelen 1-3.
In het zuiden van projectdeel 4 en projectdeel 5 wordt het tracé doorsneden door enkele getijdegeulen.
16 AHN. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
32/99
Figuur 11 Fossiele stroomgordels geprojecteerd op AHN-beelden: Ter oriëntatie zijn de variant XRobuust en het Maatregelenpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg weergegeven17
17 Cohen et al., 2012 / AHN. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
33/99
Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) bevinden zich in het plangebied diverse bodemkundige eenheden, namelijk moerige eerdgronden, tochteerdgronden, leek-/woudeerdgronden en poldervaaggronden (zie figuur 12). Hieronder worden de eenheden nader toegelicht.
Figuur 12 Bodemkaart: ter oriëntatie zijn variant X-Robuust en Maatregelenpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg weergegeven18
Per projectdeel komen de volgende bodemeenheden voor: - Projectdeel 1 (alle varianten): Mn35A, Mn45A, pMn86C, pMo80l, bebouwing - Projectdeel 2 (alle varianten): Mn45A, Mn86C, pMn86C, pMo80l, bovenland - Projectdeel 3 (alle varianten): pMn86C, pMo80l, bovenland - Projectdeel 4 (Alphense variant): pMn85C, dWol 18 Publieke Dienstverlening Op de Kaart. A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
34/99
- Projectdeel 4 (variant X-Robuust, Maatregelpakket N207 Zuid en Maatregelpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg ): pMn85C, pMo50, dWol, bebouwing - Projectdeel 5 (Variant X-Robuust en Alphense variant): pMn85C, bebouwing - Projectdeel 6 (variant X-Robuust, Maatregelpakket N207 Zuid en Maatregelpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg ): dWol - Projectdeel 7 (Maatregelpakket N207 Zuid en Maatregelpakket N207 Zuid met zuidwestelijke wijkontsluitingsweg ): pMo50, dWol Hieronder worden de verschillende bodemeenheden nader toegelicht. Kalkrijke poldervaaggronden; lichte klei, profielverloop 5 (Mn35A) Deze eenheid komt in het uiterste westen van projectdeel 1 voor. Deze eenheid neemt, samen met de eenheid Mn25A, de grootste oppervlakte in van de droogmakerijen ten westen van Waddinxveen. De bovengrond bestaat uit lichte klei die weinig donker en kalkrijk is. Hieronder blijft het materiaal kalkrijk en wordt het meestal lichter. Plaatselijk wordt binnen 120 cm -mv kleiig zand aangetroffen. Op veel plaatsen komen tussen 80 en 120 cm -mv stevige of matig slappe zavellagen voor. Kalkrijke poldervaaggronden; zware klei, profielverloop 5 (Mn45A) Deze eenheid komt direct ten oosten van eenheid Mn35A (projectdelen 1 en 2) voor. Ook deze eenheid komt vooral in de droogmakerijen voor. De 30 à 40 cm dikke, weinig donkere bouwvoor is kalkarm tot kalkrijk.
De gronden bestaan meestal geheel uit zware klei, maar kunnen naar beneden toe lichter worden. Tussen 30 à 50 cm -mv worden de profielen kalkrijk. De ondergrond is tussen 80 en 120 cm -mv matig stevig of matig slap. Kalkarme poldervaaggronden; klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4 (Mn86C) Deze eenheid komt voor in een klein vlak in het uiterste noorden van projectdeel 2. Ze hebben een matig humusarme of matig humeuze, kalkloze bovengrond van matig zware klei. Hieronder ligt kalkloze, matig zware en soms zeer zware klei die op 45 à 75 cm -mv overgaat in kalkrijke, zware of lichte klei. Tussen 80 en 120 cm -mv worden de gronden matig stevig of matig slap. Kalkarme leek-/woudeerdgronden; klei, profielverloop 3, of 3 en 4, of 4 (pMn86C) Deze gronden komen in projectdelen 1-3 voor (grofweg parallel aan de Verlengde Bentwoudlaan) en zijn eveneens kenmerkend voor de droogmakerijen. De duidelijk donkere, humushoudende bovengrond is 20 tot 40 cm dik en hieronder bevindt zich een 20 tot 50 cm dikke laag matig humeuze, kalkloze, zware klei die meestal veel bruin roestvlekken bevat. Deze kleilaag blijft óf gelijk in zwaarte tot 120 cm -mv en wordt dan meestal op 70 cm diepte kalkrijk, óf gaat tussen 50 en 70 cm -mv over in kalkrijke, lichte (zandige) klei. Meestal zijn de gronden tot ca. 80 cm -mv stevig of worden matig stevig tussen 50 en 80 cm -mv.
Tussen 80 en 120 cm -mv komen matig slappe en soms slappe lagen voor. Tochteerdgronden; klei, plaatselijk katteklei binnen 80 cm beginnend en tenminste 10 cm dik (pMo80l)
A20-MBO-KA-210031 / Proj.nr. RM006148 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 8 september 2021
35/99
Deze gronden komen ten oosten van de Verlengde Bentwoudlaan (projectdelen 2-3) voor. De 25 à 45 cm dikke, donkere bovengrond bestaat uit humusrijke, kalkloze, lichte of matig zware klei. Hieronder ligt meestal kalkloze, matig zware klei. Onder de humushoudende bovengrond bevinden zich gele vlekken (katteklei). De meeste profielen zijn tot minstens 50 cm -mv kalkloos. Bovenland Deze eenheid bevindt zich in een strook ten weerszijden van het Noordeinde (projectdelen 2-3). Dit zijn smalle stroken onverveend land, meestal tussen twee droogmakerijen. De stroken liggen op ca. 1 m –NAP en 2 tot 4 meter hoger dan de aangrenzende droogmakerijen. Het betreffen overwegend koopveen- of aarveengronden, sommige stukken zijn opgehoogd en maken deel uit van het dijklichaam van een ringdijk.19 Moerige eerdgronden met een moerige bovengrond of een moerige tussenlaag op nietgerijpte klei, plaatselijk verdrogende lagen in de ondergrond, plaatselijk katteklei binnen 80 cm beginnend en tenminste 10 cm dik (dWol) Deze gronden komen verspreid voor in de droogmakerijen. In het plangebied worden deze ten noorden van Hazerswoude-Dorp (projectdeel 4 en 6) verwacht. De 20 à 30 cm dikke bovengrond bestaat uit sterk veraarde venige klei (ontstaan door een menging met meerbezinksel), zwak tot matig veraarde venige klei, kleiig veen op restveen of uit humusrijke klei (meerbezinksel) op restveen.